CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitvoeringsagenda Duurzame Jeugdhulp en Wmo begeleiding V18sep

Besluitronde (raadsvergadering) 12 november 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: D18 d.d. 30 september 2025 over Uitvoeringsagenda Duurzame Jeugdhulp en Wmo-begeleiding32.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Tijdpad Q4 2025: Plan van aanpak gereed, waarbij we in ieder geval starten met vier aanbieders die begeleiding bieden onder de Jeugdwet en/of Wmo én de relevante verwijzers Q1 2026: Start implementatie sturing op doelmatigheid Q1 2027: Evaluatie plan van aanpak en advies voor vervolg Randvoorwaarden De benodigde randvoorwaarden zullen worden beschreven in het plan van aanpak. Daarbij moet gedacht worden aan de benodigde capaciteit en expertise. Risico’s en risicobeheersing Op deze wijze sturen op doelmatigheid behelst een andere vorm van contractmanagement en -sturing die relatief nieuw is voor alle betrokken partijen en mede daarom door zorgaanbieders met enige terughoudendheid zou kunnen worden ontvangen. We zetten daarom in op het creëren van draagvlak door de maatschappelijke urgentie van het thema en het gezamenlijke leerproces te benadrukken en passende expertise te betrekken. Stakeholders ROB regio Rijk van Nijmegen Zorgaanbieders begeleiding BJG Regiogemeenten Leidende principes gemeenteraad • • • • • •

We verdelen de zorg eerlijk: in Nijmegen krijg je hulp en ondersteuning die je nodig hebt. Niet minder, maar ook niet meer Als het aan het begin afgesproken einddoel bereikt is, wordt het zorgtraject afgerond Zorg en ondersteuning is collectief, tenzij een individueel traject passender is Kostenbewustzijn realiseren met een passende financieringsvorm Zo min mogelijk marktwerking Vertrouwen aan professionals

16

C. Versterken van de Buurtteams Jeugd en Gezin Interventienaam

2.C1. Versterking sturing op effectieve en doelmatige zorg Wat gaan we doen en waarom? Waar het contractmanagement op generiek niveau een verantwoordelijkheid heeft om te sturen op effectieve en doelmatige zorg (zie interventie 2.B2), heeft BJG vanuit zijn regierol een verantwoordelijkheid daarvoor op casusniveau. Hiermee bedoelen we het niveau van het individuele gezin of de individuele jeugdige en de betrokken zorgaanbieder(s). Specifieker gezegd is BJG, in dialoog met zorgaanbieders, verantwoordelijk voor: • • • • • •

Gedegen vraagverheldering en onderzoek; Het in gesprek met de jeugdige en het gezin (en de aanbieder als het om geïndiceerde zorg gaat) stellen van passende en haalbare doelen voor de eigen basishulp én de geïndiceerde zorg (gezinsplan); Het bepalen van de intensiteit van de zorg; Het verbinden van (streef)termijnen aan deze doelen; Het volgen van de voortgang van de zorgverlening door middel van tussentijdse evaluaties en deze waar nodig bijsturen; Indien de gestelde doelen zijn behaald het traject afronden en waar nodig het vormgeven van nazorg.

Belangrijk is om te melden dat BJG daarbij niet kan treden in de professionele expertise van specialistische deskundigen en de beroepsrichtlijnen die voor hen gelden. De verantwoordelijkheid van BJG eindigt waar die van de zorgaanbieder begint: gezinswerkers zijn niet verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde zorg, dat zijn de aanbieders zelf. Contractsturing en regievoering vanuit de Buurtteams zijn complementair. In het licht van de taakstelling is de beschreven regierol van gezinswerkers belangrijk: zij kunnen (weliswaar soms beperkt) (mede)sturen op efficiënte en doelmatige zorg. Het gaat daarbij niet alleen om complexe casuïstiek, maar ook om relatief lichte zorgtrajecten. BJG heeft aangegeven de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de doelen uit het gezinsplan bij de inzet van hulp, een efficiënte realisatie van doelen door zorgaanbieders en voor tijdige en goede evaluaties te omarmen. Tegelijkertijd geeft BJG aan dat gezinswerkers moeten groeien in deze rol. BJG geeft terecht aan dat voor het goed invullen van de regierol ook heldere afspraken vanuit de gemeente noodzakelijk zijn met aanbieders, onder meer over de rol en bevoegdheden van BJG.

Ook wij omarmen deze verantwoordelijkheid en spannen ons op diverse wijzen en plekken in het netwerk (onder meer in de contractering van zorgaanbieders) in om ervoor te zorgen dat BJG de regiepositie ook kán innemen en dat deze wordt geaccepteerd door andere partijen. Dit jaar vormt de kwaliteit van doelen in het gezinsplan een belangrijk speerpunt in de afspraken die we met BJG hebben gemaakt. In de trainingen die gezinswerkers ontvangen zijn het formuleren van doelen en het versterken van regievaardigheden belangrijke aspecten. Eind dit jaar stellen we samen met BJG een gezamenlijk meerjarig plan van aanpak op om de kwaliteit van gezinsplannen en de regievoering daarop te versterken. De Buurtteams concentreren zich daarin op hun eigen cirkel van invloed, terwijl de gemeente zich zal richten op verbetering van de condities in het netwerk. In de uitvoering ervan gaan we cyclisch leren en verbeteren: met steekproeven en externe audits wordt bepaald waar we staan en waar nog verbeteringen noodzakelijk zijn. Voor de specifieke context voor Wmo begeleiding verwijzen we naar hoofdstuk 4 (interventie 4.1). Beoogd resultaat 1. Een planmatige versterking van de regierol uitgeoefend door BJG, en daarmee de sturing op casusniveau op effectieve en doelmatige zorg. 2.

Optimale condities in het netwerk om de regierol uit kunnen voeren voor de gezinswerkers van BJG, waarbij ook het ROB Rijk van Nijmegen een rol kan spelen. Tijdpad 17

Q4 2025: Gezamenlijk plan van aanpak versterking regierol, inclusief voorstel voor monitoring en auditing Ieder kwartaal: Bespreken van de voortgang in het kwartaaloverleg tussen BJG en gemeente. Randvoorwaarden De benodigde randvoorwaarden zullen worden beschreven in het plan van aanpak. Financieel is er geen extra investering nodig. Risico’s en risicobeheersing Een intensievere invulling van de regierol kan mogelijk tot gevolg hebben dat andere taken van gezinswerkers meer onder druk komen te staan. Gedurende de uitvoering van deze interventie gaan we dit risico monitoren. Stakeholders BJG Zorgaanbieders ROB regio Rijk van Nijmegen Leidende principes gemeenteraad • Eén gezin, één plan, één regisseur • We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer • Als het aan het begin afgesproken einddoel bereikt is, wordt het zorgtraject afgerond

Interventienaam

2.C2. Versterken basishulp BJG met (behandel)expertise Wat gaan we doen en waarom? De basishulp van BJG is inmiddels een succesvol alternatief voor geïndiceerde zorg voor veel gezinnen. Tegelijkertijd liggen er nog kansen om de scope van deze basishulp te vergroten. Een belangrijke kans ligt in het toevoegen van specialistische (behandel)expertise van aanbieders aan de Buurtteams. Door (behandel)expertise ondersteunend te positioneren aan gezinswerkers in de Buurtteams kan er beter passende en tijdigere basishulp worden geboden en kunnen verwijzingen naar behandeling worden voorkomen. Als er wél moet worden verwezen kunnen verwijzingen beter worden onderbouwd en kan de ‘overdracht’ warmer en mogelijk wijkgerichter plaatsvinden omdat de specialistische behandelaar eerder betrokken is geweest. Behandelingen kunnen ook een kortere looptijd hebben.

De ondersteuning die een behandelaar vanuit zijn specialistische expertise aan een gezinswerker kan bieden kan bijvoorbeeld bestaan uit: • Het op waarde schatten van de impact van ontwikkelingsproblemen van kinderen in relatie tot de opvoedingsvaardigheden; • Handvatten bieden in het afstemmen van de basishulp op de psychische en/of gedragsproblematiek van een gezinslid (ouder, broer of zus); • Handvatten bieden voor de communicatie met het gezin; • Ook kan een behandelaar een gezinswerker helpen beoordelen hoe de basishulp van de Buurtteams en behandeling van een aanbieder elkaar optimaal kunnen versterken. De behandelaar kan op zijn beurt werkzame ingrediënten uit de basishulp - wijkgericht werken door gebruik te maken van de lokale infrastructuur, normaliseren, breed kijken naar de sociale context van een jeugdige of gezin - gebruiken voor zijn eigen specialistische werkpraktijk. Wij weten nog niet precies voor welke hulpvragen de basishulp het beste kan worden versterkt, noch welk expertise, ondersteuningsfuncties of randvoorwaarden exact nodig zijn. Daarom gaan wij dit samen met BJG, Entrea-Lindenhout en een nader te bepalen jeugd-GGZ-aanbieder uitwerken en vervolgens in een stadsdeel uitproberen. In het plan wordt ook de monitoring uitgewerkt.

18

Beoogd resultaat 1. 2.

BJG is in staat om meer vragen van gezinnen met basishulp op te lossen; De inzet van geïndiceerde behandeling (orthopedagogisch en jeugd-GGZ) is minder (lang) nodig.

Tijdpad Q4 2025: Selectie stadsdeel en aanbieders Q1 2026: Gezamenlijk plan van aanpak pilot Q2 2026: Start pilot Q2 2027: Evaluatie en besluit doorontwikkeling, ook in relatie tot andere initiatieven Randvoorwaarden De interventie past binnen de afsprakenkaders gemaakt met BJG en zorgaanbieders en sluit aan de bij ontwikkelingen ingezet door het Rijk rondom stevige lokale teams. Er zijn kosten verbonden aan deze interventie, hoofdzakelijk formatief (Entrea-Lindenhout, een jeugd-GGZaanbieder, BJG en een onafhankelijk procesbegeleider). Deze worden beschreven het plan van aanpak. Risico’s en risicobeheersing Specialisten zijn over het algemeen minder geneigd dan generalisten om te normaliseren en minder bekend met voorliggende voorzieningen. Daarnaast zijn behandelaren vooral bekend met het aanbod van hun moederorganisatie. Ook wordt het generalisme van de Buurtteams door behandelaren niet altijd beschouwd als een gelijkwaardig specialisme. Dit zijn risico’s voor het succes van de interventie. Deze risico’s worden in ieder geval beheerst door niet alleen de deelnemende organisaties maar ook de deelnemende behandelaren zorgvuldig te selecteren, onafhankelijke procesbegeleiding toe te voegen aan de ontwikkeling van de samenwerking en af te spreken dat er geen verhoogde instroom mag ontstaan bij de moederorganisatie van de betrokken behandelaren in het pilotgebied.

Deze beheersmaatregelen worden verder uitgewerkt in het gezamenlijk plan van aanpak. Stakeholders BJG Entrea-Lindenhout Nader te bepalen GGZ-aanbieder ROB regio Rijk van Nijmegen Leidende principes gemeenteraad • • • • •

Met en voor de stad We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Uitvoering dichtbij leefomgeving: passende zorg zo dichtbij mogelijk Vertrouwen aan professionals Zo min mogelijk marktwerking

D. Doorbraakaanpak richten op omvangrijke begeleidingscasussen Interventienaam

2.D1. Ontstapelen van omvangrijke casussen begeleiding jeugd en Wmo-begeleiding Wat gaan we doen en waarom? Van zorgaanbieders krijgen wij signalen dat een relatief klein aantal casussen een groter aandeel heeft gekregen in de totale zorgproductie, deels door de afname van het aantal lichte begeleidingscasussen. Het gaat dan vaak om complexere problematiek. Ter illustratie: bij één grote aanbieder van begeleiding jeugd heeft 7,5% van de cliënten een aandeel van bijna 35% van de totale productie van deze aanbieder. 19

We denken dat er kansen zijn om vanuit verschillende perspectieven en ‘nieuwe paren ogen’ samen met verwijzers en zorgaanbieders kritisch te kijken naar deze casussen. De intensivering en stapeling van zorg groeit dikwijls door de tijd heen en in dit proces verliezen betrokkenen regelmatig het overzicht over het totaal van de inzet in een dergelijke intensieve casus. Intensieve begeleiding kan ook een gevolg zijn van dat de mogelijkheden van behandeling of andere alternatieven niet in beeld of beperkt zijn. Ook kan er sprake zijn van een ‘second best’-inzet omdat andere vormen van hulp worden gemeden door volwassen gezinsleden of een verwijzer is vastgelopen omdat beter passende vormen zorg en ondersteuning niet beschikbaar zijn. Met de inzet van ons Doorbraakteam gaan we samen met betrokken partijen deze casussen kritisch onder de loep nemen aan de hand van vragen als ‘Welke kansen zijn er om te extensiveren of versneld toe te werken naar afronding?’, ‘Kan de samenwerking tussen betrokken partijen efficiënter en effectiever?’, ‘Zijn alternatieve zorgen niet-zorgoplossingen voldoende in beeld?’ en ‘Ligt de focus wel terecht op het kind en de Jeugdwet?'.

Dit proces zal mede worden geïnspireerd op de werkwijze van outtake teams, een interventie die volgens bureau AEF een significante besparing kan opleveren.16 Een dergelijk team benut supervisie om te evalueren en vast te stellen wanneer het goed genoeg is, zodat hulpverleners eerder durven af te schalen of af te ronden. Zo kunnen zorgkosten worden bespaard, maar kan ook de hulp worden verbeterd. We willen dat op deze manier de 50 meest intensieve begeleidingscasussen jeugd (buiten verblijfssettings) en de 25 meest intensieve casussen Wmo-begeleiding - na een pre-scan op kansrijkheid - kritisch worden geanalyseerd. Bij jeugd zullen begeleidingscasussen die gerelateerd zijn aan (post-)verblijf na de pre-scan meestal afvallen. Deze interventie heeft nauwe samenhang en zeer waarschijnlijk ook overlap met de Doorbraakaanpak gestoeld op de uitbreiding van het Doorbraakteam met 2,5 fte op basis van een amendement van de gemeenteraad bij de behandeling van de stadsbegroting eind vorig jaar. Het doel is om daarmee meer Nijmeegse huishoudens, die gebruik maken van vijf of meer gemeentelijke regelingen, geldzorgen hebben en gebruik maken van minimaal twee wetten (onder meer Jeugdwet, Wmo en Participatiewet) te helpen en te ondersteunen buiten de vaste kaders en werkwijze. En op een (proactieve) manier die beter past bij de unieke situatie van deze huishoudens.

Om te bepalen in welke mate er sprake is van overlap in casussen tussen deze twee ratio's voeren we een nadere analyse uit. Indien blijkt dat er sprake is van een substantieel verschil, brengen we in beeld welke formatieve impuls er nodig is bij het Doorbraakteam om ook die casussen te kunnen betrekken die buiten het werkingsgebied van de 2,5 fte vallen. Beoogd resultaat 1. 2.

In 2026 en daaropvolgende jaren worden intensieve begeleidingscasussen jeugd en Wmo kritisch onder de loep genomen onder supervisie van het Doorbraakteam; De expertise en inzichten die we opdoen in dit proces delen we in netwerkbijeenkomsten met begeleidingsaanbieders.

Tijdpad Q4 2025: Analyse en Plan van Aanpak Ontstapelen intensieve begeleidingscasussen Jeugd en Wmo gereed Q1 2026: Start uitvoering Randvoorwaarden Tijd en ruimte bij alle betrokkenen om deel te nemen aan de aanpak. Het op te stellen plan van aanpak zal uitgebreider ingaan op de randvoorwaarden, zoals mogelijk extra formatie bij het Doorbraakteam. Risico’s en risicobeheersing Het op te stellen plan van aanpak zal uitgebreider ingaan op de risico’s en de risicobeheersing. Voorspelbare risico’s zijn risicomijding door zorgprofessionals (‘Baat het niet, dan schaadt het niet’) of een vasthoudende houding van gezinnen ten aanzien van de bestaande inzet. Stakeholders Gemeentelijk Doorbraakteam BJG en BTV 16

A. Hilderink e.a., Verkenning naar het verminderen van de behandelduur in de jeugdzorg (Utrecht 2023), p. 7-9.

20

Zorgaanbieders TWES/R75 (bij 18-/18+ casussen) ROB Rijk van Nijmegen Leidende principes gemeenteraad • •

Huishoudens die gebruik maken van vijf of meer regelingen benaderen we proactief, met respect voor privacywetgeving wanneer gegevens gedeeld worden We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer

E. Stevigere sturing op maatwerkovereenkomsten jeugd Interventienaam

2.E1. Kwaliteitssturing via gemeentelijk adviseur maatwerkovereenkomsten jeugd Wat gaan we doen en waarom? Maatwerkovereenkomsten zijn eenmalige overeenkomsten die worden afgesloten voor één specifieke casus met een niet- gecontracteerde zorgaanbieder. Ze betreffen zowel de ambulante jeugdhulp als de specialistische jeugdhulp (al dan niet met verblijf). Er kunnen diverse redenen zijn waarom wettelijk verwijzers naar niet-gecontracteerde zorgaanbieders verwijzen: geen passend aanbod, geen beschikbaarheid, juridische verplichting bij het woonplaatsbeginsel, et cetera. Het aantal maatwerkovereenkomsten is tussen 2023 (323) en 2024 (407) met 26% gegroeid. In 2024 is 50% van de overeenkomsten aangevraagd door BJG, 44% door een GI en 6% door overige verwijzers. Twee derde van de overeenkomsten betreffen de ambulante jeugdhulp, een derde specialistische jeugdhulp. In 2025 zijn nieuwe contracten met zorgaanbieders ingegaan. Tijdens de inkoop hebben we vraagtrends uit eerdere maatwerkovereenkomsten verwerkt in de inkoop. Daarmee hopen we de vraag naar maatwerkovereenkomsten te hebben beperkt. Toch kan het gecontracteerde landschap nooit volledig dekkend zijn en zal er vraag blijven naar maatwerkovereenkomsten. Het is belangrijk dat er niet zonder meer maatwerkovereenkomsten worden ingezet.

Er moet door verwijzers een zorgvuldige interne afweging worden gemaakt aan de voorkant: is de inzet van deze jeugdzorg bij deze niet-gecontracteerde zorgaanbieder echt nodig? Zijn de mogelijkheden in het gecontracteerd of voorliggend veld voldoende verkend? Vervolgens vindt er op dit moment een kwaliteitstoets plaats door een lokale poortwachter, alvorens de aanvraag bij het ROB regio Rijk van Nijmegen wordt neergelegd. Het ROB sluit vervolgens een overeenkomst met de betreffende aanbieder. De rol van de poortwachter bestaat momenteel uit de volgende aspecten: 1. Toegangspoort: als onafhankelijke toets tussen de aanvrager en de toekenning van een maatwerkovereenkomst. 2. Sturing op onnodige kosten: voorkomt onnodige en ongecontroleerde uitgaven door toetsing op doelmatigheid en kwaliteit van de aanvraag; 3. Kwaliteitsbewaker: beoordeelt de onderbouwing van aanvragen, toetst de zorginhoudelijke afwegingen en borgt de consistentie in toewijzing; 4. Kwaliteitsversterker: bevordert eenduidigheid, voorkomt willekeur tussen professionals en draagt bij aan uniformiteit en professionalisering van het proces; 5. Snel en bereikbaar aanspreekpunt: zorgt voor laagdrempelig contact, duidelijkheid voor verwijzer en leren als netwerk.

Huidig probleem: De poortwachtersrol voor specifiek de gemeente Nijmegen is nu ‘extern’ belegd bij BJG en wordt ingevuld door drie gezinswerkers die deze taak naast hun reguliere werk uitvoeren. Dat is een andere constructie dan bij andere gemeenten in de regio Rijk van Nijmegen. In de regio is deze functie binnen de gemeentelijke structuur belegd, omdat de lokale toegang binnen de gemeentelijke organisatie is gepositioneerd. In de praktijk blijkt de huidige inrichting in gemeente Nijmegen urgente knelpunten te veroorzaken. BJG geeft aan dat:  De rol te veel vraagt (in tijd en op inhoud) van de drie gezinswerkers, met overbelasting en vertraging tot gevolg; 21

 

Het onafhankelijke oordeel van de gezinswerkers zwaar op de proef wordt gesteld, omdat ook collegagezinswerkers aanvragen indienen; Gezinswerkers bij aanvragen van andere verwijzers (GI's) in een lastige positie komen tegenover collega's met eenzelfde wettelijke verwijsbevoegdheid.

We ervaren in Nijmegen dus een spanning tussen uitvoeringscapaciteit, onafhankelijke toetsing en positionering. De huidige inrichting levert risico’s op voor kwaliteit, onafhankelijkheid en werkdruk. We kiezen voor een nieuwe (tijdelijke) constructie ten aanzien van maatwerkovereenkomsten. Op basis van een evaluatie bezien we hoe we de kwaliteitssturing op maatwerkovereenkomsten definitief vorm willen geven. De constructie waarmee we in 2026 gaan werken ziet er als volgt uit: 1. 2. 3.

4.

5.

6.

BJG en GI’s zijn wettelijke verwijzingsbevoegdheid en blijven zelf verantwoordelijk voor een eerste inhoudelijke beoordeling van aanvragen. BJG toetst daarmee dus niet langer de aanvragen van GI’s; dat past niet bij de geest van de Jeugdwet en veroorzaakt onnodige spanning. Zowel BJG als GI hebben formeel een interne poortwachter aangewezen, die bewaakt dat de eigen verwijzingen naar niet-gecontracteerde maatwerkovereenkomsten zorgvuldig, volledig en consistent zijn onderbouwd en die controleert of aan alle interne kwaliteitscriteria is voldaan. De interne poortwachter ondersteunt collega’s bij het opstellen van aanvragen richting gemeente. De gemeente Nijmegen stelt een kwaliteitsadviseur maatwerkovereenkomsten jeugd aan. Deze:  toetst of met een overtuigende onderbouwing is aangetoond dat gecontracteerd of voorliggend aanbod onvoldoende passend of beschikbaar is. Indien dit niet het geval is (of niet het geval blijft) wordt geen maatwerkovereenkomst gesloten vanuit de gemeente. Een verwijzer mag in die situatie altijd verwijzen, maar de gemeente heeft dan wettelijk geen lever- en bekostigingsverplichting.

 ondersteunt verwijzers met vragenformats, richtlijnen en sparring, heeft een goed lijntje met het RET en ROB regio Rijk van Nijmegen;  borgt uniformiteit door intervisie met en coaching van betrokken verwijzers;  voert periodieke audits uit om de kwaliteit en consistentie van aanvragen achteraf te toetsen;  bundelt trends en signalen en koppelt die terug aan de gemeente en ROB regio Rijk van Nijmegen;  fungeert als laagdrempelig aanspreekpunt in het netwerk. De gemeente Nijmegen benut de kwaliteitsadviseur ook voor monitoring en beleidssturing: analyse van uitgaven, signaleren van hiaten in het zorglandschap, versterken van de rechtmatigheid en het tegengaan van onnodige administratieve lasten. Er ontstaat een duidelijke taakverdeling: verwijzers verwijzen, de gemeente borgt en monitort.

Met deze interventie behouden we onze rol als toetser en kwaliteitsbewaker, maar voorkomen we risico’s als rolvervaging ten aanzien van wettelijk verwijzers en overbelasting van de uitvoering. Naast de positionering van de poortwachter zien we ook andere vraagstukken. De regionale monitoring van maatwerkovereenkomsten kan financieel en kwalitatief verder worden versterkt, zodat we de risico’s die ermee zijn gemoeid en eventuele hiaten en kansen in het zorglandschap beter in kaart kunnen brengen. Op dat laatste zet het ROB regio Rijk van Nijmegen op regionaal niveau al in. Beoogd resultaat Met het expliciet beleggen van de poortwachtersrol bij BJG en de GI’s en het toevoegen van een kwaliteitsadviseur maatwerkovereenkomsten bij de gemeente beogen we tijdelijk een kwaliteits- en kennisfunctie te creëren die ondersteunend is aan verwijzers en sturend op beleids- en financieel niveau, zonder dat de wettelijke bevoegdheden van lokale teams of GI’s worden ingeperkt. Dit leidt tot:  Grotere zorgvuldigheid aan de voorkant: aan de bevoegdheden van verwijzers wordt niet getornd, maar de gemeente toetst wel op onderbouwing. Daartoe krijgen zij ondersteuning met formats, richtlijnen en sparring, waardoor aanvragen consistenter en beter onderbouwd worden.

 Verbeterde kwaliteit van hulpverlening: door intervisie, scholing en periodieke audits leren we samen met verwijzers tijdens het proces, wat leidt tot doelmatige en passende inzet van zorg en versterking van expertise rondom maatwerk.  Kortere doorlooptijden en minder crisisplaatsingen: doordat aanvragen meteen beter zijn onderbouwd en uniform, neemt de snelheid en voorspelbaarheid van toekenningen toe. 22

Sterkere beleids- en sturingsinformatie: de kwaliteitsadviseur bundelt trends en signalen, signaleert hiaten in het zorglandschap en koppelt dit terug aan beleid en het ROB regio Rijk van Nijmegen, waarmee de regionale inkoop- en beleidscyclus wordt versterkt. Een bijdrage aan financiële duurzaamheid: o terugdringen van onnodige en langdurige maatwerkovereenkomsten; o beperking van administratieve lasten (elke maatwerkovereenkomst vraagt nu aparte onderhandelingen); o betere borging van rechtmatigheid en vermindering van risico’s op fraude.

Tijdpad Q4 2025: Plan van Aanpak Gemeentelijke Kwaliteitsadviseur Maatwerkovereenkomsten gereed en start werving. In dit plan worden ook het profiel en de vereiste competenties van de poortwachter opgenomen. In het plan worden ook concrete targets voor vermindering per verwijzer opgenomen (in eerste instantie op het aantal cliënten en nog niet op financiën) en voor de looptijd van aanvragen en beoordeling. Q1 2026: Start nieuwe werkwijze Q3 2026: Eerste evaluatie, effectmeting en eventuele bijsturing Randvoorwaarden  Inbedding in of zeer nabij de gemeente, met toegang tot beleid, ROB regio Rijk van Nijmegen en budgetinformatie.  We hebben 1 fte aan inzet nodig op schaalniveau 10. Op jaarbasis brengt dit € 97.000 aan kosten met zich mee.  Mandaat en duidelijke rolinvulling, afgestemd met GI’s en BJG.  Back-up en vervangingsstructuur, zodat continuïteit kwaliteitsadviseur is gewaarborgd. Risico’s en risicobeheersing Risico 1: Onzekerheid in overgangsfase. Dit ondervangen we door een helder communicatie- en implementatieplan. Risico 2: Onvoldoende draagvlak bij GI's en BJG. Dit beheersen we door de betrokken organisaties op management- en uitvoeringsniveau te betrekken bij de planvorming en bij de exacte rolverdeling in de uitvoeringspraktijk. Risico 3: Hogere formatieve kosten voor de kwaliteitsadviseur dan besparingen op de maatwerkovereenkomsten.

Dit ondervangen we door goed te monitoren op effecten, kosten en baten vanaf de start, gefundeerd op een doorontwikkeling van de regionale monitoring door het ROB regio Rijk van Nijmegen. Risico 4: Vertraging in uitvoeringsprocessen. Dit beheersen we door voldoende capaciteit vrij te maken voor de kwaliteitsadviseur, het regelen van een kundige vervanger, heldere werkprocessen en een duidelijke taakverdeling. Risico 5: Soms bepaalt de Rechtbank bij de uitspraak welke hulp en waar deze moet worden ingezet. De GI heeft deze dan te volgen. Daar hebben we geen invloed op. Dat geldt tevens voor het Woonplaatsbeginsel. Stakeholders BJG GI's ROB regio Rijk van Nijmegen RET Leidende principes gemeenteraad • • • •

We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Kostenbewustzijn realiseren met een passende financieringsvorm Datagestuurd werken Zo min mogelijk marktwerking

23

Hoofdstuk 3. Maatregelen Jeugd In dit hoofdstuk presenteren we de maatregelen die we gaan nemen om te komen tot een duurzamere ambulante jeugdhulp. Deze maatregelen zijn gericht op één zorgvorm binnen de ambulante jeugdhulp en zijn gegroepeerd onder de volgende categorieën: A. Duurzame begeleiding B. Duurzame (voorschoolse) dagbehandeling C. Duurzame jeugd-GGZ D. Duurzame orthopedagogische behandeling

A. Duurzame begeleiding STARTFOTO 

De werkwijze van het toepassen van bestedingsruimtes in combinatie met andere maatregelen wordt sinds Q2 2023 met succes toegepast. BJG als laagdrempelig alternatief voor geïndiceerde zorg en het convenant met de huisartsen vormen de belangrijkste aanvullende maatregelen op de bestedingsruimtes. Hierbij moet aangetekend worden dat niet alle vormen van begeleiding door BJG zijn aan te bieden, bijvoorbeeld vanwege de intensiteit, de werktijden of de noodzakelijke specialistische expertise.

Het aantal jeugdigen dat in 2024 een verwijzing begeleiding heeft ontvangen ligt 30% lager dan het aantal jeugdigen in 2022. De stand van het aantal cliënten in december 2024 (617 cliënten) is gereduceerd met 32% ten opzichte van de stand in december 2022 (908 cliënten). De ‘stand’ is een weergave van het aantal cliënten dat daadwerkelijk begeleiding ontvangt door zorgaanbieders en waar dus ook zorg voor wordt gedeclareerd.

De gemiddelde kosten per cliënt zijn tussen 2022 en 2024 gestegen met 39% (€ 11.057 versus € 7.932). Dit heeft meerdere oorzaken:  Verhoging van tarieven en indexeringen;  De lichtere vragen om hulp worden opgepakt door BJG, waardoor de relatief intensievere casussen bij zorgaanbieders terecht komen;  Door de landelijk ingegeven afbouw van de gesloten jeugdzorg is er meer één op één begeleiding ingezet in verblijfsvormen. Deze inzet is vaak zeer intensief;  Toename van het aantal aangevraagde trajecten Zorg Binnen Onderwijs (ZBO) en groei van de intensiteit en duur van deze trajecten;  De hoge instroom van de afgelopen jaren ijlt nog na in de kosten.

In 2024 is de ambulante jeugdhulp regionaal langjarig en op basis van reële tarieven ingekocht. De contracten zijn per 1 januari 2025 ingegaan. Daarin zijn de volgende uitgangspunten opgenomen:  Duidelijke positionering: zorgaanbieders mogen uitsluitend aanwezig zijn op vindplaatsen van kinderen, jongeren en ouders om geïndiceerde jeugdhulp uit te voeren. Zij mogen geen thematisch groepsaanbod aanbieden. Beide activiteiten zijn voorbehouden aan voorliggende lokale partijen, tenzij de gemeente op basis van een beargumenteerd verzoek een uitzondering maakt.  De hulp moet doeltreffend zijn en vooral gericht op duurzame versterking van gezinnen, waarbij onder meer aansluiten bij het gezinsnetwerk en de sociale basis, het nalaten van perfectie bij de bepaling van doelen en het efficiënt en methodisch werken aan doelrealisatie als belangrijke aspecten zijn genoemd.  ‘Collectief, tenzij’. Er zijn financiële prikkels ingebouwd voor zorgaanbieders om hulpverleningsaanbod voor groepen te ontwikkelen (zie interventie 2.A2).  Het prijzige product eén op één begeleiding met verblijf is niet vanuit ambulante jeugdhulp, maar vanuit de specialistische jeugdhulp ingekocht en voorzien van richtlijnen voor verwijzers en strak contractmanagement. Het is ook een apart product geworden zodat de inzet ook beter is te onderscheiden van ‘normale’ begeleiding. 24

Prioritaire interventiegebieden De huidige aanpak om begeleiding houdbaar te maken en te houden is veelbelovend. Toch kan de aanpak verder versterkt worden. Een aantal generieke interventies, zoals een versterking van de regiekracht van gezinswerkers bij BJG en sturing op doelmatigheid vanuit het contractmanagement, zal hier zeker aan bijdragen. Maar we zien ook mogelijkheden om tot interventies te komen die specifiek gericht zijn op begeleiding. Deze interventies liggen op de volgende gebieden: a.

Meer grip en zicht op Zorg Binnen Onderwijs (ZBO)

Het aantal individuele ZBO-aanvragen vanuit het primair onderwijs is aan het groeien, evenals het aantal jeugdigen dat ZBO ontvangt en de intensiteit van de ZBO. Dit is een zorgelijke ontwikkeling, waar we vanuit een beter inzicht - samen met schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden - meer grip op willen krijgen. b.

Het jongerenwerk nadrukkelijker inzetten als alternatief voor geïndiceerde begeleiding

Het jongerenwerk is een belangrijke sociale basisvoorziening en heeft veel potentie in zich. De urgente opgaven op het gebied van jeugdhulp nopen ons om in de opdracht aan het jongerenwerk nieuwe accenten te leggen: preventie van geïndiceerde begeleiding, het substitueren van geïndiceerde begeleiding en een afschalingsmogelijkheid bieden. c.

Begeleide omgang: naar een overzichtelijk landschap en verkennen van de mogelijkheden van de sociale basis

Geïndiceerde begeleiding wordt ook gegeven bij (complexe) scheidingszaken. Uit lokaal extern onderzoek blijkt dat dit door meerdere zorgaanbieders wordt verzorgd. Uit dit onderzoek wordt ook duidelijk dat er kansen liggen om deze vorm van begeleiding gerichter in te zetten en wellicht ook meer op te pakken vanuit de sociale basis. d.

Netwerkleren rondom de transformatie van begeleiding

Met specifieke maatregelen rondom begeleiding zetten we een forse transformatiebeweging op gang. Ook generieke interventies zoals kwaliteitssturing vanuit contractmanagement op doelmatige zorg, de maatregelen ter versterking van BJG en de Doorbraakaanpak raken deze beweging. De opgedane ervaringen en inzichten willen we niet beperken tot de kringen die direct zijn betrokken bij deze interventies, maar zo breed mogelijk delen in en met de stad. Daartoe gaan we netwerkbijeenkomsten organiseren.

Interventies Interventienaam

3.A1. Meer grip en zicht op ZBO in het regulier basisonderwijs via een lerende en ontwikkelende aanpak en ZBO vanuit basishulp Wat gaan we doen en waarom? ZBO bestaat uit begeleiding die door zorgaanbieders in onderwijstijd wordt aangeboden aan kinderen met een zorgvraag die valt onder de reikwijdte van de Jeugdwet. Vaak is er ook sprake van (extra) ondersteuning uit het onderwijs. Op steeds meer (V)SO-scholen financieren we ZBO regionaal middels een lumpsum (capaciteitsfinanciering). Dit leidt tot vermindering van bureaucratische procedures, efficiëntere zorginzet en meer flexibiliteit. Deze beweging zetten we onverminderd voort. Op het regulier basisonderwijs is het realiseren van capaciteitsfinanciering ingewikkelder. Er is sprake van een beperkt aantal ZBO-indicaties per school, een spreiding over enkele tientallen scholen, uiteenlopende begeleidingsdoelen en moeilijk voorspelbare aantallen jeugdigen. Tegelijkertijd krijgen wij signalen van BJG én zorgaanbieders dat het aantal ZBO-aanvragen vanuit het regulier onderwijs en de omvang daarvan aan het groeien zijn. Ook zijn er twijfels of de aanvragen wel altijd onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen. Onze inschatting is dat er in 2024 voor 120 jeugdigen ZBO is toegewezen en dat deze met een geschatte kostenomvang van € 2,5 tot € 3 miljoen ongeveer 24% tot 28% van de totale begeleidingskosten uitmaken. 25

Vanzelfsprekend willen we dat alle kinderen zo veel mogelijk onderwijs blijven volgen op een zo regulier mogelijke school (inclusie) en daarbij onze verantwoordelijkheid nemen vanuit de Jeugdwet. Die nemen we samen met de schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden. We willen daarbij zo min mogelijk discussies in de praktijk over wie waarvoor aan de lat staat bij een kind met een of meerdere ondersteuningsvragen. Tegelijkertijd kunnen we, gezien de schaarste aan mensen en middelen, niet onze ogen sluiten voor de volgende zaken: • We hebben onvoldoende inzicht in de dynamieken die bij ZBO spelen en mogelijke alternatieven; • We krijgen regelmatig kritische signalen van zorgaanbieders en verwijzers over de proportionaliteit van de inzet en dat de onderwijskundige context onvoldoende wordt betrokken bij het vraagstuk; • Er is sprake van een ‘grijs gebied’ wat betreft onderwijs- en gemeentelijke verantwoordelijkheden; • Er is nog onvoldoende sprake van een gemeenschappelijke visie, taal en afwegingskader bij betrokken verwijzers en onderwijsprofessionals.

Ook de gemeenschappelijke kennis over de Jeugdwet en Wet Passend Onderwijs en het snijvlak tussen deze wetten kan worden versterkt; • Er wordt nog veel werkt via het estafette-model in plaats van integraal kijken naar jeugdigen en gezinnen, waardoor er bijvoorbeeld niet altijd reële verwachtingen zijn bij netwerkpartners en school- en gezinsmilieu van elkaar gescheiden blijven bij het maken van analyses en de inzet van oplossingen. We richten daarom samen met onze partners een tijdelijke, stedelijke ZBO-commissie in waaraan gemeente, BJG, scholen, samenwerkingsverband Stromenland en mogelijk welzijn deelnemen. De commissie gaat, onder voorzitterschap van een onafhankelijke externe deskundige, alle individuele ZBO-aanvragen voor het regulier basisonderwijs integraal (dus in aanwezigheid van alle betrokken professionals) bespreken en krijgt gelijktijdig een leer- en ontwikkelopdracht. De stedelijke ZBO-commissie zal ook een uitzonderingsroute vormen voor zorgaanbieders met een toeleidingsstop. Dit betekent dat er vanuit deze commissie ook ZBO bij aanbieders met een toeleidingsstop kan worden ingezet. We starten met een gezamenlijk afwegingskader dat we werkende- en lerendeweg verder verfijnen.

Parallel aan de commissie gaan we de gezinswerkers van BJG die als schoolcontactpersoon fungeren, de kwaliteitscoördinatoren van de basisscholen en de ondersteuners passend onderwijs van Stromenland gezamenlijk trainen in het samenwerken binnen de kaders van de Jeugdwet en de Wet Passend Onderwijs. Het bieden van ZBO valt op dit moment niet onder de basishulpverlening van BJG. We gaan verkennen welke mogelijkheden hiertoe zijn. BJG start per 1 januari 2026 op drie basisscholen pilotmatig met het zelf aanbieden van ZBO. Ook wordt binnen BJG een ZBO-coördinator aangesteld die de interne werkprocessen gaat aanscherpen, collega-gezinswerkers ondersteunt bij de beoordeling van ZBO-aanvragen en een vast lid gaat worden van de stedelijke ZBO-commissie. Vanuit de commissie vervult de ZBO-coördinator weer een ambassadeursrol richting BJG. Beoogd resultaat 1. Bij iedere casus wordt kritisch en gezamenlijk afgewogen welke inzet en in welke omvang noodzakelijk is om de schoolgang zo soepel mogelijk te laten verlopen. Daarbij wordt ook gekeken naar het gezinssysteem en naar de mogelijkheden vanuit de Jeugdwet, Wlz, (passend) onderwijs en het voorveld; 2. Op basis van de casusbesprekingen (en de gezamenlijke trainingen) wordt de expertise bij betrokkenen vergroot, wordt een gezamenlijke taal en kijk ontwikkeld, en hieruit voortvloeiend het initiële afwegingskader verder verfijnd; 3.

Vanuit het gezamenlijke inzicht en leerproces (veelvoorkomende behoeften en doelen) wordt bezien waar innovatiemogelijkheden liggen, bijvoorbeeld in de sociale basis, pedagogische en didactische kwaliteit of financiering. Deze mogelijkheden worden geschetst in een eindadvies; de commissie is in principe tijdelijk actief. 4. BJG beziet door middel van een pilot op drie basisscholen welke mogelijkheden er zijn om ook (een deel van) ZBO op te nemen in de basishulpverlening. Tijdpad Q4 2025: Plan van Aanpak voor de stedelijke ZBO-commissie en trainingen gereed. Ook het afwegingskader voor de startfase is gereed. Q1 2026: Commissie operationeel, start trainingen, start pilots BJG Q3 2026: Gezamenlijk definitief afwegingskader gereed evenals eindadvies ‘Samenwerken rondom ZBO’ met contouren voor implementatie. 26

Q3 2026: Eerste evaluatie ZBO-pilots BJG Randvoorwaarden Een deskundige, onafhankelijke voorzitter en adviescapaciteit voor het opleveren van een afwegingskader en eindadvies vereisen aanvullende professionele inzet. In 2026 is hier een budget van € 80.000,- voor benodigd. Bij de besluitvorming rondom de financiële en inhoudelijke afspraken met BJG in december 2024 is door het college voorzien in een bedrag van € 50.000 voor de intern deskundige, de ZBO-pilots op drie basisscholen en trainingskosten. Dit bedrag zal deels in 2026 worden uitgegeven. In de herzieningsgesprekken voor een nieuwe lumpsum zorgen we voor financiering ten behoeve van een eventuele continuering of uitbreiding van deze activiteiten in 2027 en verder. Risico’s en risicobeheersing • Het risico bestaat dat betrokken partijen, ondanks de integrale casusbespreking, toch claimgedrag laten zien of dat nauwe juridische interpretaties van verantwoordelijkheden de boventoon voeren. Met kundige begeleiding op proces en inhoud willen we deze risico’s minimaliseren en een nieuwe samenwerkingscultuur stimuleren. Uiteraard werken we samen vanuit primaire verantwoordelijkheden: het onderwijs is niet verantwoordelijk voor de Jeugdwet, de gemeente niet voor het passend onderwijs.

Maar samen hebben we wel een verantwoordelijkheid, en zeker in het grijze gebied, om gezamenlijk en vanuit de realiteit van wederzijdse schaarste het juiste te doen voor kinderen. • Bespreking in de stedelijke commissie kan ook zorgen voor vertraging. Dit ondervangen we door de besprekingen zo frequent mogelijk te houden. Onze ervaringen met een vergelijkbare commissie, de CPV, wijzen uit dat dit realistisch is. Stakeholders Scholen en schoolbesturen regulier basisonderwijs BJG Samenwerkingsverband Stromenland Jeugdgezondheidszorg Bindkracht10 ROB regio Rijk van Nijmegen Leidende principes gemeenteraad • • • •

De sociale basis is het fundament voor het sociaal domein Met en voor de stad We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Zo min mogelijk marktwerking

Interventienaam

3.A2. Jongerenwerk sterker benutten als alternatief voor geïndiceerde begeleiding Wat gaan we doen en waarom? In de Opdrachtverlening jongerenwerk en jeugdcoaches 2026-2030, dat in juni dit jaar is vastgesteld door het college, is bepaald dat het jongerenwerk een bijdrage kan leveren aan de opgaven die we hebben rondom de ambulante jeugdhulp. Het jongerenwerk kan bijdragen aan het voorkomen, verkorten en versnellen van jeugdzorgtrajecten én kan deze hulp effectiever maken. Dit doet het jongerenwerk op vijf manieren: • Brugfunctie naar professionals binnen jeugdzorgaanbieders, zoals de Buurtteams; • Betekenisvolle relaties aangaan met andere jongeren en het geven en ontvangen van informele steun; • Zelfversterking door het vergroten van eigenwaarde en het zelfbeeld; • Vergroten van sociale participatie en oefenen met het dragen van verantwoordelijkheden; • Vergroten van zelfstandigheid en zelfredzaamheid.17

17

J. Sonneveld, Ontwikkelmogelijkheden in het jongerenwerk voor jongeren in specialistische jeugdzorg (Amsterdam 2021), p. 17-18.

27

Belangrijk om aan te tekenen is dat het jongerenwerk en de ambulante jeugdhulp zich zo hebben ontwikkeld dat er in beide werkvormen eerder sprake is van hybriditeit dan van een duidelijke scheiding. De werkwijzen zoals hierboven genoemd worden bijvoorbeeld ook toegepast in de zorgvorm begeleiding. Ook zien we jongerenwerkers zeer regelmatig overstappen naar zorgaanbieders. Wij denken dat jongerenwerkers en jeugdcoaches (die de interventie School, Werk en Fit uitvoeren) sterker dan nu een alternatief kunnen bieden voor geïndiceerde begeleiding. Specifiek gaat het dan om de doelgroep van jongeren van 12 tot en met 17 jaar uit de zogenaamde straatcultuur met een gebrekkige (dag)structuur en een zwakke verbinding tussen het gezin, de school en de publieke ruimte. We sturen erop dat minstens 40 extra jongeren (die anders geïndiceerde begeleiding zouden ontvangen) individuele coaching en begeleiding krijgen vanuit het jongerenwerk. Daartoe maakt het jongerenwerk minimaal 3 fte vrij. Beoogd resultaat Minstens 40 extra jongeren ontvangen op jaarbasis vanaf 2026 individuele coaching en begeleiding vanuit het jongerenwerk, waardoor er geen of substantieel minder geïndiceerde begeleiding hoeft te worden ingezet. Gedurende de uitvoering wordt de aanpak doorontwikkeld op basis van geleerde lessen en ervaringen. Mogelijkheden voor groepsgericht aanbod worden ook verkend.

Tijdpad Q4 2025: Formulering van aangescherpte begeleidingsopdracht aan Bindkracht10 voor subsidie 2026 en latere jaren Q2 2026: Plan van Aanpak intensivering samenwerking BJG en jongerenwerk gereed Randvoorwaarden Belangrijke randvoorwaarden voor het succes van de aanpak zijn dat er korte samenwerkingslijnen zijn tussen het jongerenwerk en BJG en dat de betrokken jongerenwerkers beschikken over de benodigde tijd, expertise en middelen (vakmanschap). De samenwerking gaan we daarom projectmatig intensiveren; de ontwikkeling van het vakmanschap is primair een verantwoordelijkheid van de uitvoerende partners die wij vanuit ons opdrachtgeverschap zullen faciliteren. Risico’s en risicobeheersing Deze extra taak voor het jongerenwerk dient binnen de huidige capaciteit te worden opgepakt. Dit betekent dat er een inzet van de beschikbare capaciteit opnieuw geprioriteerd moet worden. Op hoofdlijnen heeft dit proces al plaatsgevonden met Bindkracht10 rondom de totstandkoming van de Opdrachtverlening. Indien er nog aanscherpingen nodig zijn wegen we dit samen met Bindkracht10 af, waarbij we ons laten leiden door de grote opgaven op het gebied van de ambulante jeugdhulp. Stakeholders Bindkracht 10 Jeugdcoaches BJG Leidende principes gemeenteraad • • • • • • •

De sociale basis is het fundament voor het sociaal domein Met en voor de stad Een opdrachtgestuurde aanpak voor het sociaal domein: van organisaties financieren naar opdrachten voor de stad financieren We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Preventie voor curatie: inzet op preventie en welzijn Uitvoering dichtbij leefomgeving Vertrouwen aan professionals

28

Interventienaam

3.A3. Begeleide omgang: naar een overzichtelijk landschap en verkennen van de mogelijkheden van de sociale basis Wat gaan we doen en waarom? Alle ouders hebben na een scheiding recht op omgang met hun kind. Een prettig verlopende omgang is ook in het belang van kinderen. Soms loopt de omgang niet of met conflicten, zeker als een scheiding pijnlijk en ingewikkeld is verlopen. En soms ontstaan er conflicten na de scheiding, bijvoorbeeld als de ex-partner een ander gezin vormt. Conflicten tussen ouders zijn onwenselijk vanuit het kindperspectief en een trigger voor de inzet van verschillende vormen van jeugdhulp, specifiek in toenemende mate begeleiding. Dit kost veel geld. Daarbij geven aanbieders aan dat hun professionals niet altijd voldoende toegerust zijn. Het versterken van de sociale basis kan bijdragen aan het verminderen van deze inzet en daarmee aan duurzame ambulante jeugdhulp. In de sociale basis organiseert Sterker sociaal werk het (regionaal gesubsidieerde) Omgangshuis en de (lokaal gesubsidieerde) begeleide omgang. Het Omgangshuis biedt een veilige en kindgerichte plek waar kinderen een niet-verzorgende ouder kunnen ontmoeten. Begeleide omgang helpt ouders na een scheiding met het maken van afspraken voor de omgang met de kinderen. Begeleide omgang is bedoeld voor ouders bij wie het zelf niet lukt om goede afspraken te maken.

De begeleider is er voor de kinderen (gericht op contactherstel) en is aanwezig bij de bezoeken. Uit een inventariserend onderzoek blijkt dat wanneer begeleide omgang vanuit Sterker sociaal werk - die wordt uitgevoerd door getrainde vrijwilligers - onvoldoende is omdat er meer beeldvorming of opvoedingsondersteuning nodig is, er vaak geïndiceerde begeleiding wordt ingezet. Dit gebeurt ook omdat verwijzers het aanbod van Sterker onvoldoende kennen én doordat er onvoldoende plek is bij Sterker (er is een tekort aan vrijwilligers). Wij denken dat het helpend is om de samenwerking in het netwerk rondom scheidingen een verdere impuls te geven en daarbij een onderscheid te maken tussen leerbare ouders (waarbij begeleide omgang tot doel heeft te activeren rondom afgesproken ontwikkelingsdoelen) en niet-leerbare ouders (waarbij begeleide omgang de onveiligheid richting kind compenseert). Om vervolgens met partners betere afspraken te maken over wie in welke doelgroep en in welke fase van de omgang aanbod op maat kan bieden, met oog voor de veiligheid van zowel het kind als de professional. De focus ligt bij beide doelgroepen op het normaliseren van de omgang. Bij leerbare gescheiden ouders liggen er ook kansen om meer dan nu de praktijk is hun netwerk (van hulpverleners tot familie) te ondersteunen in de juiste houding.

Voor de niet-leerbare ouders (waar vaak ernstige problematiek als psychiatrie en verslaving speelt) geldt dat er kansen liggen in het inzetten van begeleiders die gefinancierd worden vanuit andere wetten (WLZ, Wmo). Wij denken dat er besparingen mogelijk zijn, omdat er nu nog te weinig focus ligt op normalisering en bij startende conflicten onvoldoende het formele en informele netwerk wordt betrokken en ondersteund. Minimaal geldt dat geïnvesteerd moet worden in de bekendheid van het voorliggende aanbod van Sterker, dat de specifieke expertise van begeleidingsaanbieders beter in beeld kan wordt gebracht en dat de betrokken partijen elkaar versterken. Dit zou bijvoorbeeld in de vorm van een gesubsidieerde alliantie kunnen, waarbij gespecialiseerde begeleiding als voorliggende voorziening wordt aangeboden vanuit één herkenbaar en gecombineerd punt in de stad. Mogelijk moet in dat aanbod nog geïnvesteerd worden in methodische versterking op bijvoorbeeld gebied van rouwverwerking. Tot slot is het belangrijk dat een dergelijk samenwerkingsverband op de hoogte is van de preventieve interventies (gericht op het versterken van relaties én het inzichtelijk maken van dysfunctionele gezinspatronen) die er zijn op de particuliere (dus nietgesubsidieerde of ingekochte) markt.

We gaan in de komende periode de verschillende scenario's in beeld brengen en stellen op basis hiervan een plan van aanpak op. Daarbij sluiten we onze ogen niet voor personele knelpunten als het tekort aan vrijwilligers en de personele krapte van professionals met expertise op het gebied van (complexe) scheidingen. De uitkomst kan zijn dat we de oplossingen voor begeleide omgang grotendeels, maar ook slechts ten dele in de sociale basis organiseren. 29

Beoogd resultaat Een Plan van Aanpak Begeleiding in Scheidingszaken dat toewerkt naar een voor alle partijen overzichtelijk landschap rondom begeleide omgang en dat gericht is op zowel de leerbare als de niet-leerbare doelgroep. Het plan tracht begeleide omgang zoveel als mogelijk gebundeld in de sociale basis te organiseren enhoudt ook nadrukkelijk rekening met de ondersteuningsmogelijkheden buiten de Jeugdwet en de sociale basis. Tijdpad Q2 2026: Plan van Aanpak Begeleiding in Scheidingszaken Randvoorwaarden Deze zijn op dit moment niet goed in beeld te brengen en worden beschreven in het plan van aanpak. Risico’s en risicobeheersing Deze zijn op dit moment niet goed in beeld te brengen en worden beschreven in het plan van aanpak. Stakeholders Sterker sociaal werk BJG GI’s en andere verwijzers Zorgaanbieders (begeleiding) Experts (complexe) scheidingen/REPS ( EntreaLindenhout, Pro Persona, Sterker, Jeugdbescherming Gelderland) Leidende principes gemeenteraad • • • • •

De sociale basis is het fundament voor het sociaal domein We weten wat werkt, wat de lasten en baten zijn; zowel maatschappelijk en financieel, en waar we het beste op kunnen inzetten We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Preventie voor curatie: inzet op preventie en welzijn Zo min mogelijk marktwerking

Interventienaam

3.A4. Netwerkleren rondom de transformatie van begeleiding Wat gaan we doen en waarom? Met specifieke maatregelen rondom begeleiding hebben we een forse beweging op gang gezet. In deze agenda komen daar enkele interventies bij. We kunnen spreken van een ontwikkelingsgericht pakket dat de transformatie verder stuwt. Gedacht moet worden aan de interventies genoemd in deze paragraaf (ZBO, jongerenwerk, begeleide omvang), maar ook aan generieke interventies zoals kwaliteitssturing vanuit contractmanagement op doelmatige zorg, de maatregelen ter versterking van BJG, collectiveren van begeleiding en de Doorbraakaanpak. De opgedane ervaringen en inzichten willen we niet beperkt laten tot de kringen die direct zijn betrokken bij deze interventies, maar zo breed mogelijk delen in en met de stad. We gaan samen met onze partners georganiseerd en gesystematiseerd leren uit de praktijk. Daartoe gaan we twee tot drie keer per jaar netwerkbijeenkomsten organiseren onder leiding van een externe procesbegeleider. In de bijeenkomsten presenteren we de opgedane inzichten uit de genoemde interventies, reflecteren we interactief daarop en maken afspraken over de implementatie van innovaties. Daarbij maken we ook gebruik van de inzichten uit en monitoringsgegevens van de CPV.

Vanuit een aanvankelijk wat lossere werkwijze, kunnen we op basis van de ervaringen met de netwerkbijeenkomsten samen met onze partners besluiten om dit proces strakker te organiseren in de vorm van een transformatieagenda voor begeleiding. Dit vereist een gezamenlijke prioritering van leerthema's. Deze zouden bijvoorbeeld kunnen liggen op het vlak van het toeleidingsproces vanuit

30

verwijzers richting begeleidingsaanbieders en de ‘grens’ tussen basishulp vanuit BJG en geïndiceerde begeleiding. Voor de netwerkbijeenkomsten nodigen we zorgaanbieders, verwijzers, jeugdgezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs en welzijnspartijen uit. Beoogd resultaat 1. 2.

De inzichten in, ervaringen met en lessen uit de transformerende interventies rondom begeleiding worden periodiek zo breed mogelijk gedeeld met partners in de stad. Gezamenlijke beeldvorming over de innovatiemogelijkheden en het maken van afspraken over de implementatie ervan binnen en tussen organisaties.

Tijdpad Q2 2026: Eerste netwerkbijeenkomst Randvoorwaarden Onafhankelijke en deskundige procesbegeleiding blijkt keer op keer een belangrijke voorwaarde bij het soepel laten verlopen van leerprocessen. We schatten in jaarlijks € 10.000,- te moeten vrijmaken voor een externe procesbegeleider. Risico’s en risicobeheersing De dynamieken binnen en opbrengsten uit groepsleerprocessen zijn niet altijd goed te voorspellen. Een bekend risico is dat deelnemende partijen zich vooral als toehoorder opstellen vanuit een gevoel van verplichting naar de gemeente toe, terwijl we willen dat partijen gezamenlijk conclusies trekken en deze actief vertalen naar de eigen uitvoering en werkprocessen. We dealen met dit risico door aan de voorkant gezamenlijke uitgangspunten en afspraken te formuleren, het gezamenlijke eigenaarschap te benadrukken door bijvoorbeeld een agendacommissie te benoemen die wordt bemenst door diverse partijen. Mogelijk kan een transformatieagenda in een later stadium nog meer kader en houvast bieden. Stakeholders Zorgaanbieders begeleiding BJG en andere verwijzers Kinderopvang Onderwijs ROB regio Rijk van Nijmegen Partijen uit de sociale basis Leidende principes gemeenteraad • •

Met en voor de stad We weten wat werkt, wat de lasten en baten zijn. Zowel maatschappelijk en financieel, en waar we het beste op kunnen inzetten

31

B. Duurzame (voorschoolse) dagbehandeling STARTFOTO 

Dagbehandeling en dagbesteding zijn in 2023 opnieuw ingekocht. De nieuwe contracten zijn per 1 januari 2024 ingegaan. Bij de nieuwe inkoop is deze zorgvorm gedifferentieerd in vijf producten. Dagbehandeling bestaat uit drie producten: voorschoolse dagbehandeling (VDB), naschoolse dagbehandeling (NDB) en naschoolse dagbehandeling LVB+ (NDB LVB+). VDB is een voorschoolse zorgvoorziening voor kinderen met ontwikkelingsachterstanden, gedragsproblemen, een verstandelijke of andere beperking of een combinatie hiervan. Kinderen stromen meestal voor hun vierde jaar (en bijna altijd vanuit de voorschoolse educatie) in en krijgen in principe tot maximaal hun vijfde levensjaar (wanneer de leerplicht van kracht wordt) behandeling. Kinderen met een migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd in de VDB-cliëntenpopulatie. Ruim 60% van de kosten voor dagbehandeling en dagbesteding betreffen VDB. In het recent door het college vastgestelde Uitvoeringsplan voor- en vroegschoolse educatie 2025-2029 is tot strategisch doel benoemd: ‘Voorscholen zijn een pedagogische basisvoorziening van dusdanige kwaliteit dat vrijwel alle peuters binnen deze context gedijen en instroom in zorgvoorzieningen wordt voorkomen.’ NDB en NDB LVB+ zijn kort gezegd de naschoolse varianten van VDB (in de zin van ná schooltijd voor kinderen van minimaal vier jaar), waarin gewerkt wordt aan inzicht en vaardigheden.

NDB LVB+ is specifiek gericht op kinderen met een licht verstandelijke beperking, ernstige gedragsproblemen en systeemproblematiek. Dagbesteding bestaat uit de twee producten BSO+ en onderwijstoeleidende dagbesteding (OTD). BSO+ is de Buitenschoolse Opvang voor kinderen van 4 tot 18 jaar die vrijwel altijd op het S(B)O zitten. Het kan hierbij zowel gaan om kinderen die zijn uitgevallen op een reguliere BSO of niet worden toegelaten op een reguliere BSO. OTD richt zich op jeugdigen (4-18 jaar) met psychiatrische, verstandelijke en/of lichamelijke beperkingen die problemen ondervinden met de schoolgang of tot de doelgroep (dreigende) thuiszitters behoren. Deze jeugdigen hebben een (tijdelijke en/of gedeeltelijke) vrijstelling van onderwijs en krijgen (tijdelijk) onderwijstoeleidende dagbesteding geboden. Naast productdifferentiatie, zijn bij de nieuwe inkoop ook andere accenten gelegd. Zorgaanbieders dienen tijdens de zorgverlening voortdurend te monitoren of en wanneer een jeugdige teruggeplaatst kan worden in een reguliere setting, bijvoorbeeld vanuit VDB naar een voorschoolse educatiegroep in de reguliere kinderopvang. De samenwerkingsafspraken met (passend) onderwijs zijn aangescherpt. Ook is de BSO+ contractueel genormeerd op maximaal drie dagdelen, met de mogelijkheid om uitzonderingen te maken.

In combinatie met de nieuwe inkoop is de afgelopen jaren ook flink geïnvesteerd in de samenwerking in het netwerk. Zo is er met deelname van de gemeente, onderwijs, kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en zorgaanbieders een Netwerk Jonge Kind actief waarin de netwerksamenwerking centraal staat en wordt aangejaagd. We zetten erop in dat partners elkaar kennen en optimaal gebruik maken van elkaars aanbod. Zo heeft Bindkracht10 bijvoorbeeld een uitgebreid aanbod voor jonge kinderen in een (dreigende) achterstandssituatie en hun ouders. Dit geldt ook voor de GGD Gelderland-Zuid. Voorbeelden hiervan zijn het programma Kansrijke Start (Voorzorg, Nu niet zwanger), Video-hometraining en andere vormen van lichte hulpverlening. Vanuit dit netwerk wordt gewerkt aan een samenwerkingskader (waarin inclusie het leidende motief is) en wordt er in enkele stadsdelen structureel geleerd uit casussen. Deze initiatieven zetten we voort. Andere veelbelovende initiatieven zijn tot nu toe:  De pilot Ambulant Pedagogisch Medewerker (APM) die in 2023 is gestart in Lindenholt en Dukenburg. De APM is een (ervaren) medewerker van de kinderopvang die in voorschoolse educatiegroepen tijdelijk ondersteuning biedt aan kinderen met een lichte ondersteuningsbehoefte.

Daarmee versterken we op de eerste plaats het primaire proces van de voorschoolse educatie en zorgen we ervoor dat zo veel mogelijk kinderen binnen de reguliere thuisnabije omgeving kunnen blijven en niet onnodig worden verwezen naar voorschoolse dagbehandeling.  De Zorgoppas. Ook dit initiatief is in 2023 gestart. De Zorgoppas is een oppasdienst, ter ontlasting van ouders van kinderen die geen gebruik kunnen maken van een reguliere oppas. Door de inzet 32

van Zorgoppas kunnen (duurdere) individuele maatwerkvoorzieningen ter ontlasting van ouders worden voorkomen. Het gaat om een voorziening die voorliggend is op de Jeugdwet en door de gemeente en middels een eigen bijdrage wordt gefinancierd. De inzet van de Zorgoppas is een inclusievere en normaliserende werkwijze ten opzichte van de inzet van bijvoorbeeld de BSO+ of begeleiding. Buurtgezinnen. Dit initiatief is 2020 gestart. Het principe is simpel: kinderen uit kwetsbare gezinnen worden opgevangen door stabiele (vrijwillige) gezinnen. Zo keert de rust terug: voor zowel het kind, als voor het vraaggezin. De ervaringen zijn positief. De ouders worden ontlast en vergroten hun draagkracht. Dit voorkomt dat problemen verergeren. In bijna alle gevallen zijn de kinderen die worden opgevangen onder de 12 jaar. De inzet van Buurtgezinnen is eveneens een inclusievere en normaliserende werkwijze ten opzichte van de inzet van bijvoorbeeld BSO+ of begeleiding.

Causale relaties leggen tussen interventies en de ontwikkeling in het aantal cliënten, het volume en de kosten in het sociaal domein is altijd ingewikkeld. Dit geldt ook voor dagbehandeling en dagbesteding. Dit wordt verder bemoeilijkt doordat we met de inkoop per 1 januari 2024 met een nieuwe productenindeling werken en ook de bekostigingsgrondslag per deze datum is aangepast. Waar de geleverde zorg voorheen per dagdeel werd gefinancierd, nemen we nu uren als grondslag. Vergelijking tussen jaren wordt daardoor bemoeilijkt. Bovengenoemde maatregelen lijken effectief te zijn. Zo is het aantal gedeclareerde cliënten dat dagbehandeling heeft ontvangen in 2024 met 9% gedaald ten opzichte van 2022 (277 versus 305). De totale kosten voor dagbehandeling zijn met € 90.000 gedaald. Als we de hogere inkooptarieven en indexeringen buiten beschouwing zouden laten, is de kostenreductie nog groter. Het aantal gedeclareerde cliënten dat dagbesteding heeft ontvangen in 2024 is met 16% gedaald ten opzichte van 2022 (171 versus 203). De totale kosten zijn met € 50.000 gestegen. Ook hier zien we het effect van hogere inkooptarieven en indexeringen.

•

Vanuit het instroomperspectief gezien constateren we dat de instroom in dagbehandeling in 2024 met 23% is gedaald ten opzichte van 2022 (210 versus 272). Voor dagbesteding geldt een reductie van 25% (133 versus 178). Specifiek voor voorschoolse dagbehandeling van 0 tot en met 3-jarigen, financieel gezien de omvangrijkste zorgsoort binnen dagbehandeling en dagbesteding, geldt dat de instroom in 2024 met 25% is gedaald ten opzichte van 2022 (62 versus 83).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7dc01535-0cf7-4385-a723-b19f5140e5a3