Uitvoeringsagenda Duurzame Jeugdhulp en Wmo begeleiding V18sep
Tekst van het document
Uitvoeringsagenda Duurzame Jeugdhulp en Wmo-begeleiding September 2025
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding
1
Hoofdstuk 2. Generieke maatregelen
10
Hoofdstuk 3. Maatregelen jeugd
24
Hoofdstuk 4. Maatregelen ambulante Wmo-begeleiding
52
Hoofdstuk 5. Uitvoering
57
Hoofdstuk 6. Financiën
60
Bijlage 1
63
Hoofdstuk 1. Inleiding In het afgelopen jaar is de voorliggende Uitvoeringsagenda Duurzame Jeugdhulp en Wmo-begeleiding opgesteld. Deze agenda bestaat uit een concreet pakket met interventies. Het college van de gemeente Nijmegen werkt hiermee aan een urgente maatschappelijke opgave. We willen dat de ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding, ondanks de grote uitdagingen waar we voor staan, nu en in de toekomst beschikbaar blijven en daarbij effectief, toegankelijk, uitvoerbaar en van hoge kwaliteit zijn. Met deze agenda geven we ook uitvoering aan het besluit van de gemeenteraad in het kader van de Stadsbegroting 2025-2028 om de komende jaren in totaal € 7,2 miljoen te besparen op de ambulante jeugdhulp (€ 6 miljoen) en op de Wmo-begeleiding (€ 1,2 miljoen). In deze inhoudelijke inleiding wordt onder meer ingegaan op de houdbaarheid van ons lokale zorgstelsel dat onder druk staat, de ratio achter deze uitvoeringsagenda vanuit doelgroepenperspectief, de historie van de aanpak en de kaders waarbinnen de agenda moet worden gezien. Ook gaan we in op het instrument van bestedingsruimtes, dat beslist niet de enige maatregel vormt en dat we alleen inzetten na een zorgvuldige afweging.
Tevens beschrijven we de positie van cliënten, het dynamische karakter van de uitvoeringsagenda en wordt aangegeven hoe het college is omgegaan met twee moties en één amendement aangenomen door de gemeenteraad en die geheel of gedeeltelijk deze uitvoeringsagenda raken.
1.1. Het grootste vraagstuk is personeel De houdbaarheid van ons lokale stelsel staat onder druk door een toenemend beroep op de jeugdzorg en de Wmobegeleiding. Waar landelijk in 2009 één op de veertien jeugdigen gebruik maakte van de jeugdzorg is die verhouding op dit moment één op zeven. Dit verhoudingscijfer komt overeen met het aandeel Nijmeegse kinderen en jongeren in de jeugdzorg op de totale jeugdpopulatie in 2024. Hierbij komt dat wij geen garanties hebben op structureel voldoende inkomsten vanuit het Rijk en hogere zorgtarieven betalen door een hantering van reële tarieven. Er is veel gezegd en geschreven over de (mogelijke) oorzaken van de forse groei van de jeugdzorg. Het is niet onze bedoeling om deze te wegen, maar om te benadrukken dat er sprake is van een complexe dynamiek.
Genoemd worden onder meer: hoge geluks- en prestatienormen, toename van het aantal scheidingen, gebruik van social media, veiligheidshalve professionele keuzes (‘baat het niet dan schaadt het niet’), het open karakter van de Jeugdwet, de verwijsbevoegdheid van verschillende actoren waar de gemeente geen directe invloed op heeft, eenzaamheid, discriminatie en sociale uitsluiting en toename van geestelijke problematiek bij ouders.1 Steeds vaker worden ook de marktwerking en de daaruit voortvloeiende commerciële belangen genoemd: aanbod schept vraag en aanbieders hebben in het huidige stelsel geen vanzelfsprekende prikkels om minder en goedkoper te werken.2 De houdbaarheid van het landelijke en ons lokale zorgstelsel staat op de eerste plaats vanuit personeel perspectief onder druk. De Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd (ook bekend als de commissie Van Ark) heeft dit op een scherpe manier verwoord: ‘Waar geld nu nog als het grootste probleem wordt gezien en hèt sturend mechanisme, zal de komende jaren de beschikbaarheid aan gekwalificeerde jeugdprofessionals een veel groter vraagstuk zijn. De commissie is van mening dat de consequenties van de toenemende krapte op de arbeidsmarkt nadrukkelijker moeten worden meegewogen in de keuzes die worden gemaakt.
Dit vraagt vooral het zo goed en gericht mogelijk inzetten van alle professionals.’3 In Nijmegen speelt deze toenemende schaarste aan personeel niet alleen bij niet-vrij toegankelijke zorgaanbieders, maar bijvoorbeeld ook bij de Buurtteams Jeugd en Gezin (BJG). Naast de toenemende schaarste aan personeel en financiële middelen worden we gedreven door inhoudelijke redenen om de ambulante jeugdzorg en Wmo-begeleiding verder te verduurzamen. We willen naar een lokale samenleving waarin we variatie en verschil omarmen en minder denken in termen van afwijkingen en stoornissen.
1
Voor achtergrondinformatie zie: https://www.nji.nl/system/files/2021-04/Het-groeiend-jeugdzorggebruik-Duiding-en-aanpak.pdf
2
A. van Montfoort, ‘Jeugdhulp binnen het budget: de gemeente aan zet’, Juridische vragen in het sociaal domein 3 (Amsterdam 2024), p. 35. 3 Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd, Groeipijn (Den Haag 2025), p. 6
1
We willen minder geïndividualiseerde en gemedicaliseerde oplossingen en meer community based oplossingen (sociale basis, lokale ondersteuningsstructuren) voor hulp- en ondersteuningsvragen. In de samenleving bestaan bovendien hoge verwachtingen van het oplossend vermogen van de zorg die niet stroken met de werkelijke resultaten.4 Er is niet voor ieder probleem een ‘fix’ beschikbaar binnen de jeugdhulp en Wmo-begeleiding. Zo benadrukt de Jeugdautoriteit bijvoorbeeld dat er veel onduidelijkheid is over de effectiviteit van interventies.5 Steeds meer groeit het besef dat de inzet van jeugdhulp ook kan leiden tot schade, zoals een negatief zelfbeeld, verminderd zelfvertrouwen, afhankelijkheid en lage verwachtingen van de omgeving ten aanzien van de jeugdige. 6 De effectiviteit van de jeugdzorg wordt overigens ook beperkt door het feit dat hulpverleners vaak noodgedwongen moeten focussen op het kind, terwijl de oorzaken van veel problematiek rondom opgroeien en opvoeden in de gespannen sociale context van het kind liggen. Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld woonproblemen, armoede en schulden of verslavings- en GGZ-problematiek bij ouders. Jeugdzorgprofessionals hebben daar om uiteenlopende redenen niet altijd de nodige invloed op.
Dit varieert van privacyregelgeving, cultuurverschillen en behandelprotocollen binnen de zorg tot meer structurele oorzaken van maatschappelijke problemen die in de kern vooral door het Rijk zijn te beïnvloeden. Vaak hebben daarom ook gemeenten beperkte invloed op deze problemen.
1.2. Zorg voor diegenen die deze het hardst nodig hebben De personele en financiële schaarste noopt ons om de ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding beschikbaar en toegankelijk te houden voor diegenen die deze zorg het hardst nodig hebben. De gemeenteraad heeft dit in het Koersdocument 2025 als één van de centrale uitgangspunten vastgesteld voor de koers in 2025 en latere jaren, omdat de schaarste ‘groter, concreter en urgenter’ geworden is. Dat is een eerlijke en solidaire invulling van duurzame zorg in tijden van schaarste. We moeten anders omgaan met lichte problemen en met inwoners die zelf veel kunnen oplossen. Dit is overigens ook de reden waarom deze uitvoeringsagenda zich niet richt op de specialistische vormen van zorg (bijvoorbeeld gericht op kinderen en gezinnen waarbij uithuisplaatsing dreigt of al heeft plaatsgevonden), maar op de lichtere vormen van ambulante hulp. Er is alom consensus dat de schaarse capaciteit van de jeugdzorg onevenredig veel wordt belast door gezinnen en jeugdigen met relatief lichte problemen. Dit geldt voor vrijwel alle disciplines binnen de jeugdzorg, ook de jeugdGGZ.7 De Jeugdautoriteit ziet dit terug in de trend dat de groei van de jeugdzorg zich hoofdzakelijk uit in de ambulante jeugdhulp waarvan steeds meer gebruik wordt gemaakt door gezinnen met hogere inkomens.
Om de continuïteit van zorg voor jeugdigen die deze het hardst nodig hebben te garanderen, zal de druk op de sector verlicht moeten worden. Daartoe is het volgens de Jeugdautoriteit noodzakelijk dat jeugdigen die zorg minder hard nodig hebben of op een andere manier geholpen kunnen worden, er minder gebruik van gaan maken zodat het totale beroep op de sector daalt.8 De commissie Van Ark constateert dat het grote aanbod van lichte jeugdhulp minder capaciteit overlaat voor zwaardere zorg. Vooral jeugdigen en gezinnen die behoefte hebben aan specialistische zorg zijn de dupe hiervan. De commissie pleit voor een aanpak van ‘deze mismatch’.9 We moeten in dit kader als overheden ook zelfkritisch zijn. Lang was de dominante gedachte op het niveau van het Rijk dat de zorg een ‘beweging naar voren’ moet maken: meer kinderen helpen op en rondom vindplaatsen vanuit de jeugdhulp als er signalen zijn van lichte problematiek. De aanname was dat dan het beroep op zware zorg daalt. Deze logica werd in de eerste jaren na de decentralisatie breed gehanteerd. Dat blijkt na een decennium ervaring met de decentralisatie een forse denkfout te zijn. Het uitbreiden van geïndiceerde jeugdhulp naar lichte problemen als een vorm van preventie is géén preventie.
‘Het is uitbreiding van door de gemeente betaalde zorg naar potentieel alle gezinnen, want in ieder gezin doen zich lichte problemen met opvoeden en opgroeien voor. De
4
https://journals.plos.org/mentalhealth/article?id=10.1371/journal.pmen.0000194 en P. Lucassen e.a., ‘Stepped diagnosis bij mensen met psychische klachten’, Huisarts en Wetenshap (mei 2024), p. 2 5
Jeugdautoriteit, De Stand van de Jeugdzorg 2024 (Den Haag 2024), p. 16-17.
6
Roest AM, de Vries YA, Wienen AW, de Jonge P. Editorial Perspective: Are treatments for childhood mental disorders helpful in the long
run? An overview of systematic reviews. Journal of Child Psychology and Psychiatry. 2023;64(3): 464–469 7
https://www.henw.org/artikelen/psychische-klachten-waarom-niets-doen-zo-lastig
8
Jeugdautoriteit (2024),p. 6 e p. 39-40.
9
Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd (2025), p. 6
2
uitbreiding gaat naar andere gezinnen dan de gezinnen die al hulp kregen voor ernstige problemen en heeft dus geen effect op de vraag naar langdurige en zware zorg.’10 De overheveling van de functie begeleiding van de AWBZ naar de Wmo ruim tien jaar geleden was ingestoken vanuit de kans om de participatie van burgers met een beperking te bevorderen. Uitgangspunt daarbij was het daar waar mogelijk versterken van de eigen kracht van inwoners en hun informele steunstructuur en te kijken naar het te behalen resultaat in plaats van de aangeboden voorziening. De gedachte was dat in een lokale context beter aangesloten kan worden bij de behoeften en mogelijkheden van (kwetsbare) burgers en bij hun omgeving dan vanuit de AWBZ-context. Geconstateerd kan worden dat het beoogde transformatiedoel van lokale inbedding van dit ABWZ-product de afgelopen tien jaar - en zeker na sinds de introductie van Buurtteams Volwassenen (BTV) in Nijmegen - gerealiseerd is. Maar gezien de (verwachte) personele en financiële krapte moeten we verder werken aan het inregelen van alternatieve oplossingen voor de inzet van geïndiceerde Wmo-begeleiding.
De maatregelen in deze uitvoeringsagenda zijn - gezien de toenemende personele schaarste - er primair op gericht om de ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding duurzaam beschikbaar en toegankelijk te houden voor die jeugdigen en volwassenen die deze zorgvormen vanwege de ernst en complexiteit van hun problematiek het hardst nodig hebben. Dit betekent niet dat we de legitimiteit van (overige) vragen om hulp en ondersteuning van onze inwoners in twijfel trekken. Alle geuite behoeften van onze inwoners zijn reëel en verdienen aandacht. Ons uitgangspunt blijft dat iedereen kan worden gehoord en geholpen, passend bij wat nodig is. Een belangrijke vraag hierbij is waar met name lichte vragen en behoeften belegd kunnen en moeten worden. In onze ogen horen deze - meer dan nu de praktijk is - thuis in de sociale basis, bij de Buurtteams, bij de praktijkondersteuners in de huisartsenpraktijken, de hulpverlening vanuit de jeugdgezondheidszorg, bij collectieve voorzieningen en in het oplossend vermogen van inwoners zelf. Wat betreft het laatste gaan we in de eerstvolgende aanpassingen in de verordening en beleidsregels duidelijker formuleren wat de gemeente verstaat onder eigen kracht en gebruikelijke hulp.
Deze uitvoeringsagenda komt met een eerste set aan interventies die vertrekt vanuit het principe dat iedere vraag om hulp en ondersteuning legitiem is en tegelijkertijd de geïndiceerde ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding zo veel mogelijk wil reserveren voor diegenen die deze zorgvormen het hardst nodig hebben. Het gaat om maatregelen gericht op:
Het beter benutten van bestaande voorzieningen in de sociale basis, zoals het jongerenwerk en de begeleide omgang; Het versterken van het collectief aanbod in de sociale basis door dit meer te richten op vraagpatronen in de ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding, zoals de aanpak van eenzaamheid onder jongvolwassenen; Het stimuleren van collectieve hulpverlening ter substitutie van individuele trajecten; Het doorontwikkelen van BJG en BTV, mede op basis van de recente externe evaluaties van beide lokale teams; Het intensiveren van de samenwerking tussen gemeente, BJG, de GI’s, huisartsenpraktijken, jeugdgezondheidszorg, pedagogische basisvoorzieningen en zorgaanbieders; Het versterken van het primaire proces van pedagogische basisvoorzieningen als kinderopvang en onderwijs en van het handelingsrepertoire van de betrokken professionals; Het verbeteren van de doelmatigheid in het zorgnetwerk; Het (selectief) werken met bestedingsruimtes en het normeren van de instroom en intensiteit van specifieke zorgvormen.
1.3. Door op de ingeslagen weg Voorliggende uitvoeringsagenda is beslist niet de eerste maar ook niet de laatste stap die we zetten om te werken aan een duurzaam lokaal zorgstelsel. Al in 2017, toen de eerste grote financiële tekorten in de jeugdzorg en Wmo zichtbaar werden, zijn we gestart met maatregelen vanuit de Interventieplannen programma Zorg en Welzijn (later Sociale Stad). Mede uit dit traject zijn de stedelijke introductie van de Praktijkondersteuner bij de Huisarts - Jeugd (POH-J) en de raadsbesluiten om te gaan werken met BJG (2019) en BTV (2020) voortgekomen. In dat laatste traject heeft de gemeenteraad een achttal leidende principes meegegeven, zoals ‘Kostenbewustzijn’ en ‘Zo min 10
Van Montfoort (2024), p. 41
3
mogelijk marktwerking’. Belangrijke argumenten tijdens de besluitvorming om te werken met Buurtteams was dat deze zouden bijdragen aan financiële houdbaarheid en minder marktwerking door ‘de markt voor zorgaanbieders in de ambulante hulp kleiner te maken’.11 De taak om zelf meer basishulp te verlenen zonder de bureaucratie van indicaties, te kijken naar duurzame oplossingen in de eigen omgeving van jeugdigen en volwassenen en minder te verwijzen naar geïndiceerde begeleiding bij zorgaanbieders werd en is nog steeds de kerntaak van beide Buurtteams. In Nijmegen zijn de Buurtteams de afgelopen jaren van toegevoegde waarde gebleken, blijkt uit evaluaties van de beide Buurtteamorganisaties. Om de gewenste situatie van een duurzaam lokaal stelsel te realiseren hebben we aan aanvullende initiatieven gewerkt. Zo zijn er ook ondersteunende maatregelen in het netwerk nodig (gebleken) om de substitutie van geïndiceerde begeleiding naar basishulp te stimuleren. Daartoe hebben we bij jeugd onder meer een convenant gesloten met de Nijmeegse huisartsen, waarin zij hebben toegezegd cliënten zo veel mogelijk door te verwijzen naar BJG wanneer het vermoeden bestaat dat de inzet van ambulante hulp (niet zijnde jeugdGGZ) noodzakelijk is. De convenantsafspraken worden goed nageleefd.
Illustratief is dat het aantal jeugdigen dat in de eerste helft van 2025 door huisartsen is verwezen naar ambulante hulp met 67% is afgenomen ten opzichte van de eerste helft 2022. Ook zien we de positieve effecten van het werken met bestedingsruimtes bij begeleiding jeugd sinds 2023 (waarover meer in de volgende paragraaf). Binnen Wmo-begeleiding zijn we recent gestart met het toepassen van bestedingsruimtes. We continueren de werkwijze van bestedingsruimtes bij begeleiding jeugd en Wmo. Ook belangrijk om te benadrukken is dat we bij jeugd tevens regionaal sturen op duurzame jeugdhulp middels het in 2023 door de gemeenteraad vastgestelde Regioprogramma Jeugd 2023-2028, waarin de ambitie centraal staat om kinderen en gezinnen te versterken zodat de inzet van jeugdzorg minder vaak noodzakelijk is, en het daaraan gekoppelde Lokaal Plan Jeugd. De voorliggende uitvoeringsagenda beweegt zich binnen deze kaders en vormt een Nijmeegse specificering wat betreft ambulante jeugdhulp. Op regionaal niveau sturen we tot slot, zowel bij Wmobegeleiding als de ambulante jeugdhulp, met onze inkoop en het contractmanagement op een duurzaam stelsel. Parallel aan de uitvoeringsagenda sturen we in Nijmegen op een sterke sociale basis. Dit zijn trajecten die elkaar versterken. We hebben in de afgelopen jaren veel geleerd. Die lessen hebben we benut bij het opstellen van deze uitvoeringsagenda.
Samenvattend hebben we het volgende geleerd: hoe we wel kunnen sturen en hoe we niet moeten sturen. Niet inkopen met te lage tarieven, wel investeren in een sterk lokaal team dat zelf basishulp kan bieden. Wel sturen met bestedingsruimtes, maar alleen als we alternatieven hebben voor de hulpvragen. Dat als we de inwoners willen helpen die deze hulp het hardst nodig hebben, we niet voor alle gezinnen die zich melden kostbare jeugdzorg kunnen inzetten en dat dit hoogwaardige professionals bij de Buurtteams vraagt die door ons als gemeente gesteund worden als de gesprekken met inwoners moeilijk worden en er klachten of bezwaren komen. Dat we de professional ruimte en vertrouwen moeten geven maar wel binnen de kaders van een heldere visie en bestuurlijke keuzes. Dat zorgaanbieders belangrijke en deskundige partners zijn, maar dat we scherp moeten bijsturen als er met onder(aan)nemers gewerkt wordt om te borgen dat er vanuit onze visie met voldoende kwaliteit rechtmatige én doelmatige zorg geleverd wordt. En dat we niet alles kunnen beïnvloeden, maar op basis van data, leren en deskundigheid onze invloed wel kunnen vergroten op het volume en ook de kosten voor de zorg.
1.4. Afgewogen inzet van bestedingsruimtes en andere normeringen In de jeugdhulp werken we sinds 2023 met bestedingsruimtes voor een deel van de begeleidingsaanbieders. Sinds medio dit jaar doen we dit ook kleinschalig bij Wmo-begeleiding. De mogelijkheid om per gemeente met bestedingsruimtes te werken is opgenomen in de regionale contracten met zorgaanbieders. Inhoudelijk is de maatregel gestoeld op staand beleid om zo veel mogelijk geïndiceerde begeleiding uitgevoerd door markpartijen te substitueren door hulpverlening vanuit de Buurtteams. Voor de technische kaders, de werking van bestedingsruimtes en de inhoudelijke afwegingscriteria om deze al dan niet toe te passen per aanbieder verwijzen we naar bijlage 1 van deze uitvoeringsagenda. Het vooraf begrenzen van beschikbare zorgbudgetten voor aanbieders wordt overigens ook door de Jeugdautoriteit gezien als een kansrijke werkwijze om onnodige productieprikkels weg te nemen en schaarse professionals en middelen zo gericht mogelijk in te zetten.12 11
https://nijmegen.bestuurlijkeinformatie.nl/Agenda/Document/687e6fee-e9d8-4522-ae42-844d26c0d9d8?documentId=e007a8b8311e-4ba6-b782-3251ab0f9c6d&agendaItemId=3a495f63-dcb7-4683-9421-023431f767d5 12
Jeugdautoriteit (2024), p.37
4
De bestedingsruimtes zijn nadrukkelijk geen doel op zich, maar een maatregel die in combinatie met andere samenhangende acties en onder de juiste condities succesvolle resultaten laat zien bij jeugd. Deze andere acties zijn onder meer het eerdergenoemde convenant met de huisartsen, maar ook de invoering van een aangescherpt intern afwegingsproces rondom de inzet van geïndiceerde begeleiding (en daarmee van basishulp) bij BJG. Onderzoeksbureau Hiemstra & De Vries heeft de positieve resultaten van de aanpak bevestigd bij de evaluatie van de uitvoering van de gemeentelijke opdracht door BJG.13 Bij Wmo-begeleiding verwachten we vergelijkbare uitkomsten, echter kan daar op dit moment wat betreft harde resultaten weinig over gezegd worden omdat de werkwijze recent is ingevoerd. In de onderstaande grafiek is te zien dat als gevolg van de aanpak in de eerste helft van 2025 52% minder jeugdigen zijn verwezen naar begeleiding in vergelijking met de eerste helft van 2022. De aanpak heeft in 2024 bijgedragen aan minder uitgaven aan ambulante jeugdhulp ten opzichte van 2023. We verwachten dat die uitgaven nog verder gaan dalen, omdat de stand van het aantal cliënten dat begeleiding ontvangt ook voortdurend daalt door de uitstroom in combinatie met beduidend minder instroom.
Er wordt minder verwezen en meer begeleid vanuit BJG. We zien daarbij geen verschuivingen naar andere zorgvormen, geen toename van het aantal klachten en bezwaren en ook geen negatieve trends in cliëntervaringsonderzoeken. De productieprikkel wordt geremd door de bestedingsruimtes. Zorgaanbieders zijn financieel medeverantwoordelijk gemaakt en nemen deze verantwoordelijkheid over het algemeen ook. Zij zijn bijvoorbeeld kritischer geworden ten aanzien van de duur en de intensiteit van begeleiding. Er zijn ook ‘zachte’ opbrengsten zoals een intensievere samenwerking met BJG en contractmanagement. Ook zien we dat begeleidingsaanbieders zich meer gaan specialiseren om van aanvullende waarde te kunnen zijn op BJG. Bij partners in het onderwijs en de kinderopvang zien we een groter besef van schaarste. We zijn ervan overtuigd dat de hantering van bestedingsruimtes nodig is om de gewenste beweging (meer inzet van basishulp door de Buurtteams én alternatieven in de sociale basis bij lichtere hulpvragen) te stimuleren. Niet alleen de elkaar versterkende maatregelen maken bestedingsruimtes zin- en succesvol, er moet ook sprake zijn van de juiste condities en randvoorwaarden. Op basis van de tot nu toe opgedane inzichten kunnen we zeggen dat het om de volgende cruciale zaken gaat:
13
Een scherp beeld van het specifieke zorglandschap: doelgroepen, doelen, context, het relevante netwerk en speelveld, de dynamieken daarbinnen, de interactie met andere zorgvormen, wachttijden en doorlooptijden. Deze zijn variabel per zorgsoort; De beschikbaarheid van voorliggende alternatieven in de pedagogische en sociale basis, de jeugdgezondheidszorg of de basishulpverlening vanuit de Buurtteams voor de lichte, minder specialistische hulpvragen; Aanzienlijke invloed vanuit de gemeente c.q. Buurtteams op de verwijzingen binnen de zorgsoort en commitment van andere verwijzers; Veiligheidsmechanismen die borgen dat zorgaanbieders die een toeleidingsstop hebben gekregen na overschrijding van hun bestedingsruimte toegankelijk blijven voor cliënten die de specifieke zorg van de aanbieder nodig hebben (zie paragraaf 1.5).
Hiemstra & De Vries, Lerende evaluatie Buurtteams Jeugd en Gezin. Zorgvuldig doorgaan op de ingeslagen weg (Utrecht 2024), p.17
5
Géén bestedingsruimtes bij jeugd-GGZ en orthopedagogische behandeling Op grond van dit inzicht hebben we afgewogen of bestedingsruimtes, een ingrijpende interventie, toepasbaar zijn binnen de jeugd-GGZ en orthopedagogische behandeling, twee andere takken van de ambulante jeugdhulp. We zijn tot de conclusie gekomen dat dit op de korte termijn niet aan de orde is. Er wordt voor deze zorgvormen niet aan alle eerdergenoemde randvoorwaarden voldaan en daardoor zouden bestedingsruimtes contraproductief werken. Voor jeugd-GGZ geldt dat wij het scherpe beeld van het landschap nog aan het opbouwen zijn. Ook hebben we beperkte invloed op verwijzingen naar de jeugd-GGZ: die verlopen hoofdzakelijk via de huisartsenpraktijken. Voor orthopedagogische behandeling geldt dat er veel dynamiek in het netwerk is en er een nauwe interactie bestaat tussen deze zorgvorm en het voorkomen van uithuisplaatsingen en de inzet van kostbare vormen van specialistische jeugdhulp met verblijf. Voor zowel orthopedagogische behandeling als jeugd-GGZ geldt bovendien dat er op korte termijn niet voldoende robuuste voorliggende alternatieven kunnen worden opgebouwd. Dit betekent niet dat er in het kader van deze uitvoeringsagenda géén interventies plaatsvinden bij deze twee zorgvormen. In aparte paragrafen die gewijd zijn aan deze zorgvormen zijn de interventies opgenomen die op dit moment opportuun zijn.
Bij de jeugd-GGZ gaat het om onderzoekende maatregelen en kleinschalige interventies die veelbelovend zijn en die we geleidelijk kunnen uitbreiden. Voor orthopedagogische behandeling geldt dat de nieuwe contracten (2025) andere mogelijkheden bieden (die te benutten zijn met strategisch contractmanagement) dan de inzet van bestedingsruimtes om te sturen op een versterking van de effectiviteit en efficiëntie. Richting actualisatiemomenten van voorliggende agenda wegen we af of we deze interventies breder en/of intensiever kunnen toepassen. De toepassing van bestedingsruimtes in de toekomst sluiten we niet uit. Bij voorschoolse dagbehandeling jeugd gaan we werken met een van de bestedingsruimte afgeleide werkwijze waarbij we de instroom van nieuwe cliënten en de intensiteit normeren c.q. limiteren. Bij deze zorgvorm is dit praktischer, omdat de aantallen cliënten en de omvang van de zorg goed voorspelbaar respectievelijk gestandaardiseerd zijn (zie hoofdstuk 3). Bij deze zorgvorm zijn de genoemde randvoorwaarden voorhanden. Ook hier bouwen wij een veiligheidsmechanisme in voor jeugdigen die, ondanks de overschrijding van de instroomlimiet bij een aanbieder, wel dagbehandeling nodig hebben of meer dagbehandeling nodig hebben dan de norm.
1.5. Positie van cliënten De rechtspositie van cliënten (Jeugdwet en Wmo) is in Nijmegen geborgd binnen de wettelijke kaders zoals die door het Rijk zijn bepaald. Deze zijn geregeld in verschillende wetten en omvatten onder meer de privacy en bescherming van persoonsgegevens, geheimhoudingsplicht van hulpverleners, het recht op informatie en inspraak, onafhankelijke ondersteuning, medezeggenschap, recht op het indienen van klachten en het maken van bezwaar. Zonder volledigheid na te willen streven geven we hieronder aan hoe deze kaders zijn vertaald voor de gemeente Nijmegen: Zorgaanbieders dienen te beschikken over een klachtenregeling en invulling te geven aan medezeggenschap van cliënten. Zij dienen te voldoen aan (landelijke) kwaliteitseisen en de voorwaarden zoals opgenomen in (regionale) inkoopcontracten. Dit geldt ook voor beide Buurtteams die namelijk zelf ook hulp verlenen op grond van een tweetal aanbestedingsprocedures. In de regio Rijk van Nijmegen is het Regionaal Meldpunt Zorg (RMZ) actief waar inwoners, verwijzers en zorgverleners melding kunnen maken van kwaliteitsproblemen of vermoedens van fraude. Onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO) hebben wij belegd bij MEE Gelderse Poort, de Kentering en stichting BWN.
Hier kunnen inwoners terecht die ondersteuning nodig hebben bij bijvoorbeeld het aanvragen van een voorziening op grond van de Jeugdwet of Wmo, het opstellen van een persoonlijk plan of het vinden van passende zorg. Een eerste ambtelijke analyse wijst uit dat er mogelijkheden zijn om OCO beter te definiëren voor goede sturing op wettelijke taken, de bekendheid en vindbaarheid van OCO te vergroten, vrijwilligers mogelijk een grotere rol te laten spelen in de uitvoering en dat er meer armslag noodzakelijk is voor de doelgroep in de overgang van 18- naar 18+. In het eerste kwartaal van 2026 stellen we een plan op ter versterking van OCO. Voor de Jeugdwet geldt dat jeugdigen en (pleeg)ouders, indien zij eenmaal jeugdzorg ontvangen, beroep kunnen doen op ondersteuning door een vertrouwenspersoon van Jeugdstem wanneer zij vragen of behoefte aan advies hebben, een klacht willen indienen of bezwaar willen maken bij de gemeente.
6
Uiteraard kunnen inwoners die een beroep doen op de Wmo of Jeugdwet ook binnen zes weken bezwaar maken tegen een gemeentelijk besluit dat is vastgelegd in een beschikking. Daarin wordt ook uitgelegd op welke manier dit gedaan kan worden.
Uitbreiding Commissie Passende Verwijzing De (rechts)positie van cliënten dient te allen tijde gewaarborgd te zijn, ook in een situatie zonder taakstelling op de ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding. Maatregelen als bestedingsruimtes en toeleidingsstops bij uitnutting ervan bij begeleiding en de normering van de instroom en de intensiteit van zorg bij dagbehandeling jeugd, maakt wel dat we vanuit zorgvuldigheid, redelijkheid en billijkheid extra maatregelen treffen om te garanderen dat een zorgaanbieder ook bij een toeleidingsstop toegankelijk blijft voor cliënten die de specifieke zorg van de aanbieder nodig hebben. Er moet dan wel sprake zijn van een situatie waarbij geen voldoende passende alternatieven beschikbaar zijn. De Jeugdwet en Wmo spreken immers wel van een zorgplicht, maar niet van een recht op zorg bij een specifiek zorgaanbieder. Bij begeleiding jeugd hebben we goede ervaringen met de Commissie Passende Verwijzing (CPV). De commissie is essentieel gebleken bij een zorgvuldige werking van bestedingsruimtes en de behaalde resultaten. In de CPV hebben ook externe, onafhankelijke zorgexperts zitting. De commissie kan bij een toeleidingsstop op grond van een onderbouwd beroep van een verwijzer een uitzondering maken voor individuele cliënten. We gaan het werkgebied van de CPV per 1 januari 2026 verbreden naar Wmo-begeleiding en dagbehandeling jeugd.
Daarbij kijken we ook nadrukkelijk naar de benodigde bezetting en (onafhankelijke) expertise. Door de CPV-overleggen zeer frequent te plannen en te werken met een lichte toets op de onderbouwing en inhoudelijke afwegingen beperken we de administratieve lasten en beoordelingstijd voor verwijzers en cliënten tot een minimum. Bij begeleiding jeugd en Wmo-begeleiding werken we sinds enige tijd met globaal indiceren, dat ook bijdraagt aan vermindering van bureaucratie. Naast zorgvuldigheid en redelijkheid, zorgt de CPV-procedure er ook voor dat verwijzers (met name de Buurtteams) in het voortraject extra kritisch afwegen of er geen alternatieven zijn, zoals zelf begeleiding bieden. 74% van de aanvragen wordt toegekend, echter in 36% van de gevallen in combinatie met door de CPV geadviseerde aanpassingen wat betreft zorgdoelen, duur, intensiteit en de manier en timing van de uiteindelijke overdacht naar de basishulpverlening vanuit de Buurtteams. In die zin draagt de CPV ook bij aan kwaliteit en het lerend vermogen van de Buurtteams, zorgaanbieders en andere partners.
Tevens verkrijgen we inhoudelijke inzichten in het zorglandschap uit de monitoring, zoals veelvoorkomende doelen bij geïndiceerde begeleiding, het samenspel tussen actoren in het veld, waarom sommige trajecten (nog) niet vanuit de basishulpverlening kunnen worden uitgevoerd en welke expertise noodzakelijk is voor de Buurtteams om dat op termijn wel te kunnen. Ook zijn er situaties waarin toeleidingsstops niet van toepassing zijn. Dit geldt voor verwijzingen vanuit de Regieteams en verwijzingen die plaatsvinden op basis van een advies van het Regionaal Expertteam (RET).
1.6. Een dynamische agenda, richting van de raad en interactieproces Werken aan duurzame ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding is zonder meer een complexe opgave. Veel factoren en actoren werken op elkaar in en er is sprake van onderlinge interacties en dynamieken die voor de gemeente en afzonderlijke partners niet altijd goed zijn te over- en doorzien. De voorspelbaarheid van het effect van maatregelen kent vanwege de talrijke en dynamische relaties dan ook haar beperkingen. Deze factoren en actoren, doelgroepen en doelen laten ook weer variatie zien per ambulante zorgvorm: begeleiding jeugd, voorschoolse dagbehandeling jeugd, orthopedagogische behandeling, jeugd-GGZ en Wmo-begeleiding. Daarbij komt nog dat veel oplossingen voor de groeiende vraag naar zorg in de systemen buiten de zorg liggen (de woningmarkt, inkomen en schulden, immigratie en bijbehorende emancipatieprocessen) en de stressfactoren in deze systemen niet makkelijk zijn weg te nemen. Dit gegeven, in combinatie met de zorgplicht van gemeenten op grond van de Jeugdwet en de Wmo wanneer verwijzers zorg noodzakelijk achten, onderstreept de complexiteit en de noodzaak tot het stellen van realistische doelen en verwachtingen.
Uiteraard blijven wij ons als gemeente binnen onze kring van invloed tot het uiterste inzetten om de interactie tussen de zorg en de verschillende disciplines binnen en buiten het sociaal domein positief te beïnvloeden. Dit doen wij zowel op beleidsniveau (gedacht moet worden aan bijvoorbeeld de aanpak van armoede en schulden, onderwijsachterstandenbeleid, inclusie, sterke sociale basis), maar ook in de uitvoering. Voorbeelden van het laatste zijn de brede vraagverheldering door onze beide Buurtteams, de Doorbraakaanpak en de activiteiten van de Regieteams.
7
Tegelijkertijd is de complexiteit van deze opgave een gegeven. Binnen onze cirkel van invloed als gemeente zullen wij ons maximaal inspannen voor een houdbaar lokaal zorgstelsel. Dat is een kwestie van een lange adem, waarbij we ons zelf en onze partners de ruimte gunnen om al doende te leren door uit te proberen, waar te nemen en te reageren (reflectie uit actie). Dat betekent vaak dus ook eerst verkennen en onderzoeken, vervolgens interventies kleinschalig uitproberen en bij succes breder invoeren. In deze uitvoeringsagenda hebben we daarom ook nadrukkelijk interventies opgenomen gericht op nader onderzoek, verkenningen en het gezamenlijk leren (aanbieders, Buurtteams, gemeente en contractmanagement). Deze uitvoeringsagenda kan om al de genoemde redenen niet anders dan een dynamisch karakter hebben. We gaan de agenda de komende jaren jaarlijks actualiseren. Het is mogelijk dat er interventies bijkomen, interventies worden bijgesteld of worden geschrapt. In dat proces actualiseren we ook de impact die de agenda gaat hebben op de afgesproken taakstelling. In hoofdstuk 5 gaan we verder in op de wijze van monitoring en voortgangsbewaking en de wijze en frequentie van rapportage van het college aan de gemeenteraad.
Amendement en moties van de gemeenteraad Bij de totstandkoming van deze uitvoeringsagenda hebben we gebruik gemaakt van richtinggevende uitspraken van de gemeenteraad in de vorm van een amendement en twee moties.
Het amendement ‘Leidende principes voor zorg, welzijn en ondersteuning’ (aanvaard op 13 november 2024) Dit amendement vult de eerdere acht leidende principes die in 2019 door de raad zijn meegegeven aan het college bij de herziening van het lokale zorgstelsel (de introductie van de Buurtteams) aan met tien nieuwe leidende principes ‘met oog op de tekorten qua financiën en personeel’. Bij elke interventie in de uitvoeringsagenda is expliciet aangegeven op welke van deze in totaal 18 principes de interventie (mede) is gestoeld.
De motie ‘Een zorgplan voor Nijmegen’ (aanvaard op 19 juni 2024) Deze motie vraagt om een plan met maatregelen ter realisatie van de taakstellingen in het sociaal domein. Ook wordt gevraagd om een aantal principes en kaders hierin mee te nemen: innovatieve oplossingen, zo veel mogelijk collectieve begeleiding in plaats van individueel, gerichte verwijzingen naar passende hulp op het juiste moment en inzetten op een inkomensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo per 1 januari 2026. Ook wordt gepleit voor een impuls voor de sociale basis. Voorliggende uitvoeringsagenda behelst de taakstelling specifiek voor ambulante jeugdhulp en Wmobegeleiding. In deze agenda zijn vernieuwende maatregelen opgenomen, wordt ingezet op het zo veel mogelijk collectiveren van zorg, hulp en ondersteuning en op een verdere versterking van de Buurtteams. Maatregelen die hun basis hebben in het voorveld of sociale basis zijn nadrukkelijk onderdeel van deze agenda. Waar financiële investeringen noodzakelijk zijn ten behoeve van deze maatregelen wordt dit aangegeven. De invoering van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage Wmo is uitgesteld met zeker een jaar. Wat betreft ingangsdatum en inhoudelijke context is er nog veel onduidelijk, waardoor de eigen bijdrage voorlopig niet is opgenomen in deze agenda.
De motie ‘Een back-up voor het systeemplafond’ (aanvaard op 13 november 2024) Deze motie roept onder meer op om te definiëren onder welke condities en randvoorwaarden bestedingsruimtes worden ingevoerd. Ook vraagt de motie om indicatoren met betrekking tot de gezondheid en welzijn van jongeren om het effect van de werkwijze van bestedingsruimtes te monitoren. Tot slot doet de motie een oproep om concrete maatregelen te formuleren om de rechtspositie van cliënten te versterken en te waarborgen dat cliënten niet tussen wal en schip vallen. De gevraagde definiëring van condities en randvoorwaarden wordt beschreven in paragraaf 4 van dit hoofdstuk en in bijlage 1. Voor de monitoring en de daarbij benutte indicatoren verwijzen we naar hoofdstuk 5. Op de rechtspositie van cliënten is hierboven in paragraaf 5 ingegaan.
Feedback en dialoog Al sinds het besluit om een taakstelling in te voeren voor ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding zijn we in gesprek met onze partners. Voor de ambulante jeugdhulp heeft dit in verschillende vormen plaatsgevonden: algemene informatiebijeenkomsten, in werkgroepen rondom concrete maatregelen en in bilaterale overleggen.
8
Ook is de evaluatie op de overeenkomst met BTV gebruikt om de samenwerking met geïndiceerde begeleiding samen met stakeholders te bespreken. Partners zijn in staat gesteld te reageren op de concept-versie van deze uitvoeringsagenda. Het gaat daarbij om de volgende partijen: relevante zorgaanbieders, verwijzers (Buurtteams, huisartsen, jeugdartsen en GI’s), schoolbesturen, samenwerkingsverbanden primair onderwijs en voortgezet onderwijs, kinderopvang, Bindkracht10, Sterker sociaal werk en een afvaardiging van de commissie JMG. De reacties zijn over het algemeen begripvol. Er spreekt erkenning uit van de noodzaak, maar ook van de complexiteit. Partijen doen nadrukkelijk een oproep om hen te blijven betrekken door de interventies samen te ontwikkelen en te verfijnen en door samen actief te leren uit de aanpak. De gezamenlijke uitwerking gaan we uiteraard oppakken, waarbij we ook gebruik gaan maken van ervaringsdeskundigheid. Wij kunnen deze opgave alleen samen met onze partners voor elkaar krijgen. Tevens richten we diverse omgevingen in (voor zover deze er nog niet zijn) om het samen leren actief vorm te geven. Een vraag die ook regelmatig is geuit, is of de sociale basis (en eerstelijnsvoorzieningen) in hun vermogen om lichte hulpvragen te absorberen gelijke tred kunnen houden met de nieuwe focus op kinderen en gezinnen met zwaardere problematiek.
Dat is een begrijpelijke vraag. Wij willen en kunnen de oplossing hiervan niet in woorden zoeken. We kunnen niet sterker focussen op zwaardere doelgroepen en verwachten dat de problemen van andere doelgroepen vanzelf oplossen. Waar we (in dialoog met onze partners) inschatten dat de sociale basis en eerstelijnsvoorzieningen nog geen alternatief kunnen bieden voor deze doelgroepen werken we dan ook niet met bestedingsruimtes en andere limiteringen, zoals bij orthopedagogische behandeling en jeugd-GGZ. Interventies vereisen precisie en zorgvuldigheid. Uiteraard blijven we parallel werken aan het versterken en beter richten van de sociale basis. Dit is een stip op de horizon, een beweging die jaren in beslag zal nemen en ook investeringen vergt. Investeringen die niet gelijk zullen zijn en zich ook zullen richten op inwoners die deze het hardst nodig hebben.
1.7. Leeswijzer Voorliggende uitvoeringsagenda is als volgt opgebouwd. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 waarin een negental interventies wordt gepresenteerd dat gericht is op begeleiding jeugd én Wmo of op meerdere vormen van ambulante jeugdhulp. In hoofdstuk 3 worden in totaal dertien interventies beschreven, die per ambulante jeugdhulpvorm zijn gegroepeerd. In hoofdstuk 4 gaan we in op interventies die specifiek gericht zijn op Wmobegeleiding. Hoofdstuk 5 handelt over de implementatie en uitvoering van de agenda, gevolgd door hoofdstuk 6 waarin in wordt gegaan op de financiën en financiële doelstellingen. Bijlage 1 bevat een uiteenzetting van de werking van bestedingsruimtes en andere normeringen.
9
Hoofdstuk 2. Generieke Maatregelen In dit hoofdstuk presenteren we de generieke maatregelen die genomen worden om te komen tot een duurzamere ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding. ‘Generiek’ wil zeggen dat deze maatregelen niet per definitie zijn gericht op één zorgvorm binnen de ambulante jeugdhulp óf zijn gericht op zowel begeleiding jeugd als Wmobegeleiding. Het gaat om kansrijke interventies, gefundeerd op wetenschappelijke inzichten, lokaal onderzoek en praktische ervaringen uit de uitvoeringspraktijk. Deze generieke interventies zijn te groeperen onder de volgende categorieën: a. Versterken collectief aanbod; b. Verbeteren van de doelmatigheid in het zorgnetwerk; c. Versterken van BJG; d. Doorbraakaanpak richten op omvangrijke begeleidingscasussen; e. Stevigere sturing op maatwerkovereenkomsten jeugd.
A. Versterken collectief aanbod Definitie collectief aanbod Met collectief aanbod bedoelen wij in deze uitvoeringsagenda professioneel aanbod waarin meerdere jeugdigen en/of hun ouders met een vergelijkbare individuele hulpvraag worden geholpen. Het kan gaan om een training of cursus, maar ook een thema- of voorlichtingsbijeenkomst. Soms kunnen jeugdigen/ouders zichzelf aanmelden voor dit aanbod, soms kan alleen een verwijzer dat. Het aanbod kan gestandaardiseerd en structureel worden georganiseerd, maar ook ‘spontaan’ vraaggestuurd ontstaan. Het aanbod kan wijkgericht, stedelijk of regionaal en door verschillende organisaties (welzijnsorganisaties, Buurtteams, zorgaanbieders) worden georganiseerd.
Interventienaam
2.A1. Versterken collectief aanbod jeugd in de sociale basis Wat gaan we doen en waarom? Er zijn verschillende organisaties in de sociale basis actief die collectief aanbod verzorgen en ontwikkelen. Het ontbreekt aan overzicht van dit aanbod op stedelijk niveau. Verwijzers zijn niet volledig bekend met het aanbod, en het aanbod is niet volledig op elkaar afgestemd. Ook ontbreekt het aan inzicht in de effectiviteit en het bereik van dit aanbod. Om minder jeugdhulp te kunnen inzetten, moeten verwijzers op zijn minst bekend zijn met alternatief collectief aanbod voor veelvoorkomende jeugdhulpvragen en hoe dit ingezet kan worden. En daarbij in staat zijn om jeugdigen en ouders de boodschap te geven dat lichte opgroei- en opvoedstress bij het leven horen en er mag zijn, maar dat deze niet vanzelfsprekend een oplossing in de jeugdhulp vereisen. Het is noodzakelijk het belangrijkste stedelijke collectieve aanbod op een gebruiksvriendelijke manier te ontsluiten en het aanbod van de grootste organisaties op elkaar af te stemmen. Dit vraagt nadrukkelijkere regievoering op dit totaalaanbod vanuit de gemeente. Ook om effectief nieuw collectief aanbod te realiseren, is bovengenoemde ontsluiting en afstemming belangrijk.
De verwachting is dat er in de loop van 2026 en 2027 vanuit BJG, de aanpak duurzame jeugdhulp en het regioprogramma vraag ontstaat om bepaalde hulpvragen te beantwoorden met nieuw collectief aanbod in de sociale basis. Het is dan ook belangrijk dat nieuw- en bestaand aanbod op elkaar aansluiten. Voor de specifieke context voor Wmo-begeleiding verwijzen we naar hoofdstuk 4. Om de interventie gericht te houden, focussen wij ons op het collectief aanbod voor jeugdigen en ouders van de volgende organisaties: 1. BJG 2. Bindkracht10 3. Sterker sociaal werk 4. Pro Persona Preventie
10
Dit zijn de grootste aanbieders van collectief aanbod voor jeugdigen en hun ouders. Hiermee wordt het op onderdelen betrekken van andere organisaties, zoals de GGD Gelderland-Zuid, MEE Gelderse Poort, de samenwerkingsverbanden onderwijs of BTV niet uitgesloten. Beoogd resultaat Beoogde resultaten: 1. Het collectieve aanbod van de eerdergenoemde organisaties is op een gebruiksvriendelijke manier (digitaal) inzichtelijk voor verwijzers (en mogelijk gezinnen). Hierbij wordt verkend of een virtueel trainingscentrum, oftewel een website waarop kan worden aangemeld voor al het aanbod, een goed hulpmiddel is. 2. Er is inzicht in welke kansen er liggen in de kwalitatieve doorontwikkeling van het bestaande collectieve aanbod in relatie tot veelvoorkomende jeugdhulpvragen; 3. Het bestaande collectieve aanbod wordt beter benut en er wordt geen individuele jeugdhulp meer ingezet als er alternatieve voorzieningen zijn. Tijdpad Q2 2026: Collectief aanbod op veelvoorkomende jeugdhulpvragen inzichtelijk. Q4 2026: Plan van aanpak doorontwikkeling collectief aanbod veelvoorkomende jeugdhulpvragen. Randvoorwaarden Als er wordt gekozen voor een trainingscentrum als middel om collectief aanbod inzichtelijk en gebruiksvriendelijk inzetbaar te maken, zijn voor de realisatie en het onderhoud hiervan extra middelen vereist.
De randvoorwaarden voor de doorontwikkeling van het collectieve aanbod worden uitgewerkt in het plan van aanpak (Q4 2026). Risico’s en risicobeheersing Het beter op elkaar afstemmen van aanbod vraagt mogelijk ook om het aanpassen van de opdrachten die de gemeente aan de verschillende organisaties verstrekt. Verschillende organisaties hebben geen of niet alleen een opdracht van de gemeente Nijmegen, maar van alle gemeenten in de regio Rijk van Nijmegen of zelfs Gelderland-Zuid. Dit terwijl Nijmegen de enige gemeente is die met Buurtteams en bestedingsruimtes werkt. Het tijdpad dat als gemeente nodig is om opdrachten voor de verschillende organisaties aan te passen is onzeker. Dit is een risico voor de planning. Vanuit de gemeente en regio wordt er ook middels andere (regionale) programma’s gewerkt aan collectief aanbod. Deze aanpakken hebben andere accenten en een ander schaalniveau dan deze interventie, maar hebben ook raakvlakken. Dit vraagt om een nauwe afstemming en duidelijke communicatie, zowel binnen de gemeenten als naar de betrokken organisaties. Stakeholders BJG Bindkracht10 Sterker sociaal werk Pro Persona Preventie Gemeentelijk accounthouders van de genoemde organisaties Leidende principes gemeenteraad • • • • • •
De sociale basis is het fundament voor het sociaal domein Met en voor de stad Een opdrachtgestuurde aanpak voor het sociaal domein: van organisaties financieren naar opdrachten voor de stad financieren We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Zorg en ondersteuning is collectief, tenzij een individueel traject passender is Preventie voor curatie: inzet op preventie en welzijn
11
Interventienaam
2.A2. Begeleiding en behandeling meer collectiveren Wat gaan we doen en waarom? Wij gaan een aantal (grote) aanbieders van begeleiding en behandeling vragen nadrukkelijker bij te dragen aan het collectief beantwoorden van hulpvragen. De focus ligt hierbij op het collectief beantwoorden van de hulpvragen van jeugdigen of ouders die al een indicatie hebben voor begeleiding of behandeling bij een aanbieder. Wij gaan een aantal aanbieders (regionaal) vragen om de groepsproducten meer in te zetten ter vervanging van de individuele producten. In de contracten met zorgaanbieders voor begeleiding en jeugd-GGZ zijn per 1 januari 2025 flexibele groepsproducten opgenomen. Deze groepsproducten maken het voor aanbieders mogelijk om flexibel individuele hulpvragen gedeeltelijk collectief te beantwoorden. Bijvoorbeeld door twee gezinnen gedeeltelijk gezamenlijk te begeleiden of schematherapie te bieden. Beoogd resultaat 1.
150 jeugdigen ontvangen in 2026 groepsproducten (begeleiding of jeugd-GGZ).
Een belangrijke voorwaarde in de ontwikkeling en inzet van collectief aanbod is dat deze inzet individuele inzet moet substitueren. Collectief aanbod resulteert op totaalniveau dus in minder inzet. Tijdpad Q4 2025: Selectie aanbieders en invulling per aanbieder Q1 2026: Afspraken per aanbieder over invulling Randvoorwaarden Deze interventie vraagt geen aanvullende randvoorwaarden. De uitvoering kan plaatsvinden binnen de reguliere capaciteit en contracten. Risico’s en risicobeheersing Zorgaanbieders zijn voornamelijk ingericht op het individueel oplossen van aan hun toegewezen hulpvragen. Het gedeeltelijk collectief beantwoorden van hulpvragen, vraagt een andere werkwijze en om ander vakmanschap. Zorgaanbieders zijn hier nog niet helemaal op ingericht. In de uitvoering van de interventie onderzoeken wij of wij organisaties in deze ontwikkeling kunnen ondersteunen. Vanuit de gemeente en regio wordt er ook middels andere (regionale) programma’s gewerkt aan collectief aanbod. Deze aanpakken hebben andere accenten en een ander schaalniveau dan deze interventie, maar hebben ook raakvlakken. Dit vraagt om een nauwe afstemming en duidelijke communicatie, zowel binnen de gemeenten als naar de betrokken organisaties. Stakeholders ROB regio Rijk van Nijmegen BJG Zorgaanbieders begeleiding Jeugd-GGZ-aanbieders Leidende principes gemeenteraad • •
We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Zorg en ondersteuning is collectief, tenzij een individueel traject passender is
12
Interventienaam
2.A3. Basishulp vanuit BJG meer collectiveren Wat gaan we doen en waarom? Onderdeel van de opdracht van BJG is om basishulp zo veel mogelijk te collectiveren. Door groepsgerichte basishulp blijft individuele basishulp beschikbaar voor de gezinnen die dit het hardst nodig hebben. BJG heeft in de afgelopen jaren verschillende stappen gezet voor meer groepsgerichte basishulp. Zo is er een tool ontwikkeld waarmee periodiek vraagpatronen kunnen worden geanalyseerd. De uitkomsten hiervan worden besproken in de preventieplatforms in de stadsdelen en dragen bij aan het versterken van alternatief aanbod in de sociale basis. Ook hebben de Buurtteams verschillende vormen van groepsgerichte basishulp ontwikkeld. Bijvoorbeeld voor ouders met kinderen met emotie- en/of prikkelregulatieproblematiek. Er is ook vooruitlopend op deze uitvoeringsagenda een extra impuls gegeven aan deskundigheidsbevordering. In Q2-Q3 2025 zijn veertien gezinswerkers getraind in de groepsoudercursus Druk en Dwars (zie ook interventie 3.B2). In deze cursus leren ouders anders kijken en handelen bij (als) druk en dwars (ervaren) gedrag van hun kinderen. Ouders leren elkaar kennen, wisselen ervaringen uit en daarnaast komen onderwerpen als zelfzorg, communicatie, belonen, negeren en bijsturen aan de orde.
De Buurtteams gaan deze groepsoudercursus voor de hele stad organiseren en werken parallel ook aan de doorontwikkeling van andere vormen van groepsgerichte basishulp. Uit andere interventies uit deze uitvoeringsagenda, zoals de intensivering van de samenwerking met behandelaren (zie interventie 2.C2), ontstaat mogelijk ook nieuw collectief aanbod. Verwachting is dat hiermee in 2026 meer gezinnen (gedeeltelijk) een collectief alternatief geboden kan worden voor individuele hulp. Voor de specifieke context voor Wmo begeleiding verwijzen we naar hoofdstuk 4. Beoogd resultaat In 2026: 1. Zijn er 150 deelnemers aan de groepscursussen/trainingen van BJG; 2. Worden minstens twee nieuwe groepscursussen/trainingen (in samenwerking met andere organisaties) ontwikkeld. Tijdpad Q3 2025: Groep gezinswerkers BJG is getraind in ontwikkeling collectief aanbod Druk en Dwars Q1 2026: Start groepsoudercursus Druk en Dwars Q3 2026: Start twee nieuwe groepscursussen/trainingen Randvoorwaarden In de contractafspraken 2026 met BJG wordt er voldoende capaciteit gereserveerd voor de ontwikkeling en het bieden van collectief aanbod. Risico’s en risicobeheersing De overtuiging dat individuele hulp 'beter' is sterk bij professionals én ouders.
Deze overtuiging veranderen vraagt veel van gezinswerkers, maar ook blijvende steun voor deze inzet vanuit de gemeente als gezinnen klachten indienen of in bezwaar gaan om individuele hulp af te dwingen die naar het oordeel van gezinswerkers collectief geboden kan worden. Vanuit de gemeente en regio wordt er ook middels andere (regionale) programma’s gewerkt aan collectief aanbod. Deze aanpakken hebben andere accenten en een ander schaalniveau dan deze interventie, maar hebben ook raakvlakken. Dit vraagt om een nauwe afstemming en duidelijke communicatie, zowel binnen de gemeenten als naar de betrokken organisaties. Stakeholders BJG 13
Leidende principes gemeenteraad • •
We verdelen de zorg eerlijk. In Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer Zorg en ondersteuning is collectief, tenzij een individueel traject passender is
B. Verbeteren van de doelmatigheid in het zorgnetwerk Interventienaam
2.B1. Aangescherpte toelatingsprocedure onderaannemers Wat gaan we doen en waarom? Uit landelijk onderzoek blijkt dat de grootste risico’s met betrekking tot niet-integere bedrijfsvoering - en daarmee tot onnodig hoge kosten - in de (jeugd)zorg liggen bij onderaannemers.14 Oorzaken die daarvoor worden gegeven zijn onder meer geen of gebrekkig intern toezicht en een lichte verantwoordingsplicht vanwege de relatief kleine omvang van dit type zorgaanbieders. Ook leidt het ongebreideld toelaten van onderaannemers tot aanbodversnippering en daarmee tot nog meer complexiteit voor verwijzers en contractmanagement. Om deze risico’s te minimaliseren voor Nijmegen (en de regio) hebben we begin 2025 het kader, het proces en de beoordeling van aanvragen tot toelating van onderaannemers verder aangescherpt. Het gaat daarbij om zorgaanbieders die jeugdhulp en/of Wmo-begeleiding aanbieden. Daarbij kijken we naar meerdere aspecten. De belangrijkste vragen zijn of het voorgestelde aanbod aantoonbaar inspeelt op een hiaat in het landschap (toegevoegde waarde), of dit bijdraagt aan de realisatie van onze beleidsdoelen en opgaven, of er geen gecontracteerde aanbieder is die het voorgestelde aanbod kan vormgeven en of de hoofdaannemer in staat is om in voldoende mate de kwaliteit te garanderen c.q. effectief toezicht te realiseren op de onderaannemer.
Ook gaan we vanaf 2026 waar nodig de productie van onderaannemers structureel en periodiek volgen en indien nodig onderdeel laten zijn van de contractmanagementgesprekken die we voeren met hoofdaannemers. Deze productie is op dit moment niet direct (wel op navraag) zichtbaar omdat de totale productie van de hoofdaannemer wordt geregistreerd via het berichtenverkeer. Een terugkerende, selectieve controle op de jaarrekeningen van onderaannemers zijn we reeds gestart. Beoogd resultaat Met deze interventie willen we: 1. Integriteit- en kwaliteitsrisico’s minimaliseren; 2. Effectief sturen op een zorgaanbod dat aansluit op de vraag; 3. Alert kunnen reageren op opvallende ontwikkelingen in de productie en jaarrekeningen van onderaannemers. Tijdpad Q1 2025: Aangescherpte toelatingsprocedure onderaannemers in werking (reeds gestart) Q1 2025: Structurele en selectieve controle jaarrekeningen onderaannemers (reeds gestart) Q1 2026: Productie onderaannemers waar nodig vast onderdeel van contractmanagementgesprekken Q4 2026: Evaluatie van de werkwijze rondom onderaannemers Randvoorwaarden Deze interventie vereist geen aanvullende randvoorwaarden. De ervaring heeft uitgewezen dat de toetsing binnen de beschikbare ambtelijke capaciteit kan plaatsvinden.
Risico’s en risicobeheersing Mogelijk werkt de toelatingsprocedure drempelverhogend voor hoofdaannemers en potentiële onderaannemers met een aanbod dat toegevoegde waarde heeft. Om dit zo veel mogelijk te voorkomen is er 14
EY Consulting, Onderzoek niet-integere bedrijfsvoering jeugdhulp (2023), p. 4.
14
een lean proces opgezet met zo min mogelijk bureaucratische lasten, waarbij we vragen om zeer gerichte informatie en bewijsstukken. Stakeholders ROB regio Rijk van Nijmegen Regiogemeenten Zorgaanbieders (hoofdaannemers) Leidende principes gemeenteraad •
Zo min mogelijk marktwerking
Interventienaam
2.B2. Scherper sturen op doelmatige zorg in het netwerk Wat gaan we doen en waarom? Gezien de context van schaarste aan mensen en financiële middelen wordt het de komende jaren nog belangrijker dat de beperkt beschikbare zorg doelmatig wordt ingezet. Doelmatige zorg is het leveren van de juiste zorg op het juiste moment op basis van realistische doelen en met een efficiënte inzet van middelen. Doelmatig werken is ook relevant in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Omdat de hulpverlener weet ‘hoe het moet’ en de cliënt die zorgkennis niet heeft, ontstaat snel een afhankelijkheidsrelatie. Juist de gerichtheid op doelen (Wat wil de cliënt bereiken, wanneer kan de cliënt zelfstandig verder?) is een middel om die afhankelijkheid te minimaliseren. Focus bij de doelen ligt vanaf de start op het versterken van de autonomie. Deze manier van werken draagt bij aan transparantie en vraaggerichtheid. Het tijdig stoppen of afbouwen van zorg vanuit de gedachte dat ‘een voldoende goed genoeg is’ (het bereiken van een acceptabele mate van zelfredzaamheid en participatie) kan binnen de zorg nog sterker als uitgangspunt worden gehanteerd. Dat er op het gebied van doelmatig werken verbeteringen in het netwerk mogelijk zijn leiden wij niet alleen af uit externe bronnen, maar hebben wij ook geconstateerd tijdens de recente inkooprondes.
Bij die inkoop zijn de kaders voor doelmatig werken helder beschreven en verder aangescherpt. We kiezen ervoor om hier ook daadwerkelijk op te sturen. Het fundament voor deze aanpak is gelegd in het Algemeen controleplan Wmo 2015 Jeugdwet van het ROB regio Rijk van Nijmegen. Daarin is onder meer de wens uitgesproken om met de inzet op doelmatigheid ‘overproductie dan wel onnodige zorgproductie’ te beperken.15 We gaan de sturing op doelmatigheid pilotmatig oppakken door eerst te starten met een beperkt aantal zorgaanbieders (maximaal vier). Daartoe stellen we uiterlijk in Q4 2025 een plan van aanpak op.
We baseren onze aanpak in ieder geval op de volgende bronnen: • Data van gemeente en aanbieders • Relevante documenten van aanbieders • Een steekproef van zorgplannen en evaluaties, aandachtspunten daarbij zijn: o Worden de doelen van de verwijzer als uitgangspunt genomen? o Worden doelen SMART geformuleerd? o Wordt passende zorg ingezet? o Zijn de doelen in een voor de cliënt begrijpelijke taal beschreven? o Worden doelen geëvalueerd en worden op basis daarvan doelen aangepast? o Wordt bij de evaluatie van doelen de cliënt bevraagd of deze zijn behaald? Wordt deze informatie betrokken bij de afronding van het traject? • De kwaliteitsaanpak en de borging ervan door de aanbieder: o Wordt de kwaliteitsvisie actief uitgedragen? o Welke methodiek wordt gebruikt om te sturen op doelmatigheid? o Worden professionals getraind en/of ontvangen ze werkbegeleiding rondom doelmatig werken? o Worden er monitoringsinstrumenten gebruikt en worden deze benut voor (cyclische) verbeteringen? 15
https://robregionijmegen.nl/wp-content/uploads/2022/12/220720-Algemeen-controleplan-ZIN-Wmo-en-Jeugdwet.pdf
15
o
Wordt er systematisch gekeken naar mogelijkheden tot collectiveren?
We kiezen nadrukkelijk voor een positieve insteek: we willen leren in en ten behoeve van het netwerk (zorgaanbieders, beide Buurtteams, contractmanagement en gemeentelijk beleid). Doelmatigheid is geen solitair, maar een netwerkvraagstuk én netwerkverantwoordelijkheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om het samenspel met verwijzers, bovenal de Buurtteams, en het contractmanagement. Deze interventie hangt dan ook nauw samen met de interventies 2.C1 en 4.1. Wanneer we steekproeven doen bij een zorgaanbieder, vragen wij ook het plan van de Buurtteams op en kijken daarbij specifiek naar de aansluiting en de interactie rondom doelmatigheid tussen verwijzer en zorgaanbieder. Beoogd resultaat Met de aangescherpte sturing op doelmatigheid willen we leren ten aanzien van onder meer: • De kansen om doelmatig werken te versterken binnen organisaties; • De kansen om doelmatig werken te versterken tussen organisaties; • De posities in het netwerk en afbakening van de zorg ten opzichte van andere domeinen. Van betrokken zorgaanbieders verlangen wij uiteraard planmatige verbeteringen wanneer vanuit de contractsturing verbetermogelijkheden zijn geconstateerd. We treden nadrukkelijk niet in de verantwoordelijkheden van de betrokken organisaties (zoals bedrijfsvoering en werkprocessen).