Toelichting Ontwerpbestemmingsplan met verbrede reikwijdte Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
Tekst van het document
ontwikkeling worden gegeven, die rekening houdt met meer groen in de stad om hittestress tegen te gaan en minder verharding om beter met hevige regenval om te kunnen gaan. Nijmegen heeft de basisrichtlijnen voor de inrichting van de openbare ruimte ondergebracht in het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR). Deze is te vinden onder https://nijmegen.hior.nl/ Een voorbeeld van een richtlijn is: Pas alleen verharding toe waar nodig (Operatie Steenbreek).
4.11.2.2 Toetsing en conclusie De thema's 'Groenblauwe stad' en 'Klaar voor de hitte' van de RAS zijn van toepassing op het voorliggende gebied. Door klimaatverandering komen er extra risico's in de toekomst: meer piekbuien en langere perioden van hitte en droogte. De stad - en bedrijventerreinen in het bijzonder - is extra gevoelig voor hitte. Door steen, beton en hoge gebouwen wordt warmte langer vastgehouden. Ook zijn er plekken in de stad waar regenwater zich ophoopt, waardoor wateroverlast kan ontstaan. En de afgelopen drie jaar hebben we ervaren wat droogte doet met onze groenvoorzieningen in de stad. Wateroverlast Het verwerken van hemelwater op de plek waar het valt, zorgt voor minder wateroverlast omdat het dan verderop in het afvoertraject geen overlast kan veroorzaken. Groen en water dragen bij aan het ter plaatse vasthouden en verwerken van regenwater zowel in de openbare ruimte als op particulier grondgebied. Om het riool te ontlasten en om onnodig schoon water naar de waterzuivering af te voeren, willen we in dit plangebied een duurzaam gescheiden rioolstelstel. Dat wil zeggen dat hemelwater bovengronds wordt geïnfiltreerd in de bodem en zo wordt gezuiverd en het overtollige hemelwater via de watergangen wordt afgevoerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden, zijn groene daken, wadi's of zaksloten.
Maatregelen voor het hemelwater dat valt op het dakoppervlak zijn voor alle categorieën bedrijven mogelijk. Voor ander maatregelen gelden beperkingen naar verhouding van de vervuiling van het water. In onderstaande afbeelding is te zien welke plekken van het bedrijventerrein kwetsbaar zijn voor wateroverlast (hoe donkerder blauw, hoe kwetsbaarder). Het kaartbeeld geeft een indicatie weer van overlast bij 60 mm regen in uur, waarbij het riool al vol zit en waarbij infiltratie in de bodem niet is meegenomen. Dit type extreme buien zal in de toekomst steeds frequenter vallen.
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
75
Afbeelding 4.9: kwetsbare plekken in het plangebied voor wateroverlast
Om wateroverlast en overbelasting van het riool te voorkomen dient berging van hemelwater in beginsel op eigen terrein plaats te vinden. Voor een nadere toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.9.2 van deze toelichting. De benodigde waterberging kan onder meer een plek krijgen in de groene kavelranden. De realisatie en instandhouding van deze groene kavelranden is verankerd in de bestemmingsplanregels en daarmee gewaarborgd. Een andere manier om het bergend vermogen op eigen perceel te vergroten, is door de toepassing van groendaken. Droogte Naast wateroverlast wordt droogte ook een steeds groter probleem. Ook dit gebied is hier gevoelig voor. We willen daarom het water dat valt zolang mogelijk vasthouden en ten goede laten komen aan het groen in dit plangebied. Hemelwater wordt in eerste instantie afgevoerd naar het groen op het eigen perceel. Tevens wordt geadviseerd bij de plant- en boomkeuze en de bijbehorende groeiplaatsen rekening te houden met het toekomstig klimaat. Hittestress In dit plangebied is hittestress tevens een aandachtspunt. Bedrijventerreinen bestaan vaak uit grote vlakken verharding dat in de zomer flink opwarmt en nauwelijks afkoelt. Groendaken, gevelgroen en groen op parkeerterreinen verminderen de hittestress in de gebouwen én de omgeving.
Ook kleur en materiaalgebruik kunnen een positieve effect op de omgevingstemperatuur en hebben in potentie vele positieve meerwaarde, zoals verhoogde biodiversiteit, betere isolatie, en verhoogde vastgoedwaarde. Ook schaduw door bomen kan een belangrijke bijdrage zijn aan de koelte in dit gebied. Koele plekken dragen bij aan een aangename leef en werkklimaat. In onderstaand kaartbeeld is te zien dat het aangrenzende bestaande bedrijventerrein veel warmer is dan het aangrenzende buitengebied. De afbeelding laat het verschil in gevoelstemperatuur zien bij het huidige klimaat. In het toekomstige klimaat zal lange periodes van hitte frequenter voorkomen en de extremen verder toenemen. Om te voorkomen dat het beoogde bedrijventerrein een hitte-eiland wordt dienen maatregelen getroffen te worden. Zodoende is in de regels van dit bestemmingsplan verankerd dat het dakvlak van gebouwen uitgevoerd moet worden in een lichte kleur (warmtewerend) of als groendak (verkoelend). Schuine daken vormen hierop een uitzondering met het oog op beeldkwaliteit, maar ook hier verdient het voorkomen van hittestress door het toepassen van warmtewerende materialen of verkoelende maatregelen aandacht. In aanvulling op het voorgaande verdient het aanbeveling verhardingen op eigen terrein zoveel mogelijk uit te voeren als halfverharding of in een lichte kleur.
Om voldoende schaduw te creëren is bepaald dat bij langzaam verkeersverbinding in het gebied met XXL-logistiek voorzien moet worden in 30% schaduwgevend groen.
76
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
Afbeelding 4.10: uitsnede kaartbeeld hittestress
Biodiversiteit De maatregelen voor klimaatadaptatie zoals groene daken, meer groen en bomen heeft een positief effect op de biodiversiteit. Hiermee creëren we een prettige en toekomstbestendige leefomgeving. In paragraaf 4.10 wordt hier nader op ingegaan en wordt onder meer aandacht besteed aan natuurinclusief bouwen.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader 4.12.1.1 Rijksbeleid Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. Het geeft identiteit en kwaliteit aan een gebied. Om deze redenen heeft het rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen cultuurhistorische gebouwen, objecten en structuren te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en die in het bestemmingsplan te verankeren. De Erfgoedwet vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten. Voor het wijzigen en slopen van rijksmonumenten is een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig.
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
77
4.12.1.2 Gemeentelijk beleid Op het gebied van cultureel erfgoed kent Nijmegen de volgende beleidsdocumenten en regelgeving: Monumentenverordening: de aanwijzing van gemeentelijke monumenten, bouwhistorie monumenten, identiteitsbepalende objecten en beschermde stadsbeelden met stadsbeeldobjecten geschiedt op basis van de monumentenverordening. Afhankelijk van de beschermingsvorm is voor wijziging, verbouw en sloop al dan niet een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig. Aandachtslijst Cultureel Erfgoed: de aandachtslijst betreft een inventarisatie van onbeschermd waardevol erfgoed en is bedoeld om ongewenste sloop van cultureel erfgoed te voorkomen en herbestemming te stimuleren. De lijst is globaal getoetst aan de selectiecriteria uit de Monumentenverordening. Er is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Pas als er sprake is van een beschermingsprocedure zal dit onderzoek worden gedaan en worden de exacte cultuurhistorische waarden vastgesteld. Het college heeft de mogelijkheid om bij sloopplannen een beschermingsprocedure te starten. Op 18 maart 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad van Nijmegen vastgesteld. Nota Cultureel Erfgoed: het gemeentelijk erfgoedbeleid is vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed (vastgesteld 15 mei 2013).
Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding. De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed ingezet wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen de eigen identiteit te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is namelijk een factor die mede kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De beleidskaart is onderdeel van de gemeentelijke Omgevingsvisie (2020).
4.12.2 Toetsing Het voorliggende plangebied valt binnen gebiedstype 2 van de cultuurhistorische beleidskaart, zoals blijkt uit de navolgende afbeelding. In gebiedstype 2 gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. In bestemmingsplannen wordt maatwerk toegepast ten behoeve van de bescherming van cultuurhistorische waarden, indien sprake is: cultuurhistorisch waardevolle structuren; cultuurhistorisch waardevolle ensembles en zones.
Bij cultuurhistorisch waardevolle structuren gaat het om lijnvormige elementen, zoals bijvoorbeeld wegen, dijken, wallen, lanen en waterlopen. Bij cultuurhistorisch waardevolle ensembles gaat het om plekken in het stadsweefsel, die van belang zijn vanwege de ruimtelijke samenhang tussen objecten en structuren met bijzondere historisch-geografische en historisch-(steden)bouwkundige waarden. Het betreft complexen, terreinen en gebieden met
78
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
een herkenbaar karakter dat relatie houdt met de ontwikkelingsgeschiedenis en historische gelaagdheid van de buurt, wijk of stad.
Afbeelding 4.11: uitsnede beleidskaart voor het plangebied
De cultuurlandschappelijke waarden in de gemeente Nijmegen zijn vastgelegd op de Cultuurhistorische Waardenkaart (opgesteld door RAAP 2021). Deze waardenkaart vormt de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij ruimtelijke plannen. Voor De Grift ziet de kaart er als volgt uit:
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
79
Afbeelding 4.12: Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (2021) met daarop weergegeven de cultuurlandschappelijke waarden in het gebied. In beige historische ontginningen op de hoge delen van de stroomrug en in bruine stippellijnen voormalige paden. Links verticaal de historische Griftdijk (rood), geflankeerd door de voormalige trekvaart de Grift (blauw) en de Leemdijk (geblokt), in paars de historische Stationsstraat. Huissymbolen: historische nederzettingslocaties (rood = bestaand, oranje = verdwenen).rechts in oranje de loop van de waterloop de Verloren Zeeg.
Cultuurhistorische waardevolle bebouwing en objecten Binnen het plangebied bevinden geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. De volgende panden binnen of grenzend aan het plangebied zijn opgenomen op de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed: Griftdijk 201 Stationsstraat 24 Stationsstraat 29
tramstation 1901 boerderij en schuur boerderij
Doel van de lijst is het voorkomen van ongewenste sloop. De voornoemde panden blijven in het kader van de uitbreiding van de Grift en de aanpassing van de infrastructuur behouden. Cultuurhistorisch waardevolle structuren In het plangebied of direct grenzend daaraan bevinden zich meerdere historische ruimtelijke structuren en één ensemble die van belang zijn vanwege hun ouderdom en die als constante factor een belangrijke verwijzing zijn naar eerdere fasen in de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Het gaat om historische (water)wegen, dijken, waterlopen, en parceleringen en één ensemble aan de Griftdijk. Cultuurhistorisch waardevolle wegen Stationsstraat: het deel van de Stationsweg ten westen van de Griftdijk heeft een hoge ouderdom en stamt van voor 1832. Ten oosten van de Griftdijk stamt de weg uit de eerste decennia van de 20e eeuw. De weg is een historische structuur die de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied zichtbaar maakt. Daarmee heeft de weg een hoge cultuurhistorische waarde. Griftdijk, historische weg langs verdwenen trekvaart: de Griftdijk vormt de belangrijkste ruimtelijke drager in het plangebied en is ook voor het Waalspronggebied een prominente ruimtelijke structuur. De weg flankeerde eens aan de westzijde de inmiddels verdwenen trekvaart De Grift, die van Lent via Elst naar Arnhem liep.
Ten opzichte van het omliggende landschap heeft de Griftdijk een hogere ligging, die op veel plekken langs de weg nog goed beleefbaar is. Ten oosten van het 'Roekenbosje' ligt een gedeelte van de Griftdijk dat sinds het midden van de 20e eeuw geen onderdeel meer uitmaakt van de doorgaande verkeersroute naar Elst en Arnhem. Dit gedeelte van de Griftdijk heeft vanwege de relatieve gaafheid een zeer hoge cultuurhistorische waarde. Het overige gedeelte van de Griftdijk dat binnen het plangebied ligt heeft een hoge cultuurhistorische waarde.
Voormalige trekvaart De Grift De Grift is tussen 1608-1610 aangelegd als trekvaart tussen Arnhem en Nijmegen en is daarmee één van de oudste trekvaarten van Nederland. Door de spectaculaire economische groei van de vroege 17e eeuw groeide in Nederland de behoefte aan een regelmatig openbaar vervoer. De stadsbesturen van Nijmegen en Arnhem speelden hier op in en financierden gezamenlijk het project dat de Waal en de Rijn met elkaar verbond. De trekvaart, bedoeld voor
80
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
goederen en passagiers, was één van de eerste trekvaarten in Nederland en vormde een snelle vaarverbinding tussen Nijmegen en Arnhem. Aan weerszijden van de vaart liep een dijk. Over de oostelijke, de Leemdijk, liep een zogenaamd 'jaagpad' voor de trekpaarden die de schuiten trokken, de bredere westelijke Griftdijk was bestemd voor transport met karren en paard en wagen. De nieuwe, relatief snelle transportroute tussen Arnhem en Nijmegen zorgde voor veel bedrijvigheid en betekende een korte economische bloeiperiode voor het dorp Lent. Toen in 1707 het Pannerdensch Kanaal werd geopend, stagneerde echter de vaart op de Grift. In 1742, na een dijkdoorbraak waarbij een groot deel van het kanaal verzandde, werd het kanaal voor alle scheepvaart gesloten en in gedeelten verkocht. De vaart werd gedempt en de gronden werden in gebruik genomen ten behoeve van de landbouw. Grenzend aan het plangebied is het tracé van de voormalige trekvaart nog herkenbaar als een brede, onbebouwde zone; de bebouwing ligt op ruime afstand van de weg. Op een aantal plaatsen is de voormalige vaart zelfs nog herkenbaar als een laagte in het huidige landschap. Deze onbebouwde zone herinnert aan het tracé van de voormalige trekvaart en levert daardoor een bijdrage aan de zichtbaarheid van de historische ontwikkeling van het gebied en van de geschiedenis van deze verdwenen, historische transportader.
Hiermee hebben deze structuren een hoge cultuurhistorische waarde. Cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing Stationsstraat Het historisch gegroeide bebouwingslint aan de Stationsstraat - direct grenzend aan het plangebied - maakt de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied zichtbaar en heeft daarmee cultuurhistorische waarde. Een aantal erven heeft een lange bewoningsgeschiedenis. Deze zijn als historische nederzettingslocatie opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart. Ten westen van de Griftdijk en ten oosten van Griftdijk 37 is sprake van verspreid liggende en kleinschalige bebouwing met vrijstaande, individueel gebouwde woningen met schuine kap, die worden omgeven door groene tuinen. Doorzichten naar achteren zijn mogelijk. Het van oorsprong agrarische karakter van het gebied is hier nog goed herkenbaar. In het deel daartussen is sprake van een dichtere bebouwing vanwege de bedrijfsgebouwen die hier zijn opgericht. Cultuurhistorisch waardevolle waterloop de Verloren Zeeg De Verloren Zeeg is al zichtbaar is op de kadastrale kaart uit 1832 maar heeft zijn oorsprong in de Late Middeleeuwen. De hoofdwatergang vormde van oudsher de grens tussen verschillende dorpspolders. Deze historische waterloop, waarvan het beloop ongewijzigd is, is een onderdeel van de historische waterhuishouding in het gebied en heeft daarmee cultuurhistorische waarde.
Cultuurhistorisch waardevol verkavelingspatroon Het bestaande verkavelingspatroon heeft een lange historie. De voor dit gebied typerende onregelmatige blokverkaveling, veelal gemarkeerd door sloten, is al zichtbaar op de eerste kadastrale kaart en heeft een ouderdom van minimaal 200 jaar. De overblijfselen van de historische verkaveling herinneren aan de ontginningsgeschiedenis en de agrarische geschiedenis van het gebied en hebben daarmee cultuurhistorische waarde.
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
81
Afbeelding 4.13: luchtfoto met in oranje de overblijfselen van het historische verkavelingspatroon en in blauw de loop van de Verloren Zeeg
Cultuurhistorisch waardevol ensemble aan de Griftdijk Ter hoogte van nummer 201 is aan weerszijden van de Griftdijk sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en van een waardevol cultuurhistorisch landschap. Aan de westzijde bevindt zich het voormalige tramstation (nr. 201) dat was gelegen aan de verdwenen stoomttramverbinding tussen Arnhem en Nijmegen. De tramlijn volgde het tracé van De Grift. Een van de stopplaatsen was Halte Oosterhout. Het gebouw is in 1911 in de zogenaamde chaletstijl gebouwd naar een ontwerp van H.A. Scholtz, huisarchitect van de Betuwsche Stoomtram Maatschappij, en herbergde naast een wachtruimte ook een dienstwoning, een goederenloods en een koffiehuis met de naam 'De Halve Weg'. Er tegenover ligt, op een verhoging in het landschap, de boerderij Griftdijk 212. De verhoging betreft waarschijnlijk een oude huisplaats. Het perceel plus bebouwing komt al voor op de oudste kadastrale kaart, het is daarom aannemelijk dat de plaats al ver voor 1830 bewoond was. De huidige bebouwing stamt uit 1947. Het betreft een zogenaamde wederopbouwboerderij, in een traditionele, regionale vormentaal gebouwd onder verantwoordelijkheid van het Bureau Wederopbouw Boerderijen, nadat de voorganger tijdens WOII was verwoest.
Het perceel wordt omzoomd door een groene boomsingel en heeft een groene inrichting met een onderverdeling in hagen en enkele bomen en groepjes van bomen. Aan de voorzijde van het perceel, parallel aan de Griftdijk, is de laagte van de verdwenen 17e eeuwse trekvaart De Grift nog goed waarneembaar. De komvormige strook land is nu in gebruik als een moestuin. De historische bebouwing aan weerszijden van de weg plus het bestaande landschap met het reliëf van de oude huisplaats en de voormalige trekvaart maken op deze plek zowel het agrarische verleden van het gebied als de historische transportaders De Grift en de stoomtramlijn zichtbaar. Dit maakt dat het hier om een waardevol ensemble binnen het plangebied gaat.
82
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
4.12.3 Conclusie In het voorliggende bestemmingsplan worden geen specifieke maatregelen opgenomen om de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied te borgen. Door de schaalvergroting die nodig is voor het toekomstige bedrijventerrein kunnen historische waarden slechts beperkt worden ingepast. Hierdoor zal de historische verkaveling niet behouden blijven. Het aanzien van de Griftdijk, als historische ruimtelijke drager met aanliggende bebouwing zal binnen het plangebied veranderen. Het beeld van het historisch lint maakt plaats voor grootschalige bebouwing die met de achterzijde op de Griftdijk gericht is, maar hoogwaardig wordt vormgegeven (kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar het beeldkwaliteitplan). Op enkele plaatsen wordt door middel van een groenstrook langs de Griftdijk de herkenbaarheid van de historische structuur enigszins behouden. Vanwege de gewenste schaalvergroting en ontwikkelruimte voor bedrijvigheid is het niet mogelijk de oude verhoogde huisplaats aan de Griftdijk 212 in te passen. De bebouwing en het historische reliëf zullen daarmee verdwijnen.
4.13 Archeologie 4.13.1 Toetsingskader 4.13.1.1 Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 via de wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007)en de Erfgoedwet (1-7-2016). Met het in werking treden van de Erfgoedwet is de Monumentenwet 1988 grotendeels vervallen. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, nog van toepassing. Hoofdstuk V regelt de Archeologische Monumentenzorg.
Het Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, lid 5 regelt de omgang van het bestemmingsplan met de in een gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Dit wordt straks onderdeel van de Omgevingswet. Dit komt er op neer dat tenzij dit reeds in een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is vastgelegd, er ten minste in het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het plangebied ligt niet binnen de contouren van de Limeszone, zoals gedefinieerd in het Barro (artikel 2.13) en vertaald in de provinciale Erfgoedverordening (artikelen 2.58-60).
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
83
4.13.1.2 Gemeentelijk beleid Het archeologiebeleid van de gemeente Nijmegen is erop gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die mede als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Het zal duidelijk zijn dat een betere bescherming van het bodemarchief en vooral ook het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft de gemeente Nijmegen een archeologische beleidskaart ontwikkeld (ABAK), waarop de belangrijkste archeologische vindplaatsen en zones en hun waardering zijn aangegeven. Deze kaart is onderdeel van de Nota Nieuw Beleid (2013) en in een bijgewerkte vorm van het facetbestemmingsplan archeologie (2014). De op de kaart aangeduide waarden vormen de basis voor nieuwe bestemmingsplannen, waar nodig aangevuld met nieuw onderzoek.
Het streven van de gemeente Nijmegen is in eerste instantie gericht op behoud in situ. Planaanpassingen kunnen de kosten voor archeologisch onderzoek overbodig maken of sterk beperken. Initiatiefnemers wordt dan ook aangeraden in een vroeg stadium met de gemeente in overleg te gaan inzake de mogelijkheden om te kijken naar de best mogelijke opties. Het kan daarbij gaan om adviezen voor de soort van archeologisch onderzoek die het beste gekozen kan worden of om de mogelijkheden van archeologiesparend bouwen te bekijken. Binnen de contouren van het bedrijventerrein de Grift is deels het facetbestemmingsplan archeologie (2014) en deels het Selectiebesluit Archeologie Waalsprong (2019) vigerend beleid. Beide worden hieronder nader toegelicht. Facetbestemmingsplan archeologie (2014) Binnen de contouren van de uitbreiding van De Grift liggen momenteel gebieden met dubbelbestemming waarde 0, 1, 2 en 3. Er zijn op geen waarde 4 gebieden aanwezig binnen het plangebied. tekst per waarde waarde 0
De waarde 0 wordt aan een gebied toegekend als er, op basis van onderzoek, duidelijk is dat er geen behoudenswaardige archeologische resten meer in het gebied aanwezig (kunnen) zijn. Voor deze waarde is geen omgevingsvergunning vanwege archeologie nodig.
84
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
waarde 1
waarde 2
waarde 3
Waarde 1 wordt toegekend aan een gebied als er sprake is van een onbekende, lage of middelhoge verwachting. Deze waarde geldt voor een groot deel van het grondgebied van de gemeente Nijmegen. In veel gevallen is de waarde terug te voeren op het ontbreken van nadere kennis omtrent de situatie ter plekke. Voor deze waarde geldt dat er in het kader van omgevingsvergunningen een ondergrens geldt voor het doen van archeologisch onderzoek. Deze grens is gerelateerd aan het oppervlakte van het plangebied, namelijk groter dan 2.500 m2, en een ingreep die dieper gaat dan 30 cm. Een waarde 2 gebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde, die door de dubbelbestemming beschermd wordt. Aan een waarde 2 gebied zijn ondergrenzen verbonden, waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt. Deze grenzen bedragen voor de geplande ingreep een oppervlak van tenminste 100 m2 en een verstoring of bodemingreep die dieper dan 30 cm gaat. Een waarde 3 gebied heeft een zeer hoge archeologische waarde, die door de dubbelbestemming beschermd wordt. Aan een waarde 3 gebied zijn ondergrenzen verbonden, waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt. Deze grenzen bedragen voor de geplande ingreep een oppervlak van tenminste 50 m2 en een verstoring of bodemingreep die dieper dan 30 cm gaat.
4.13.2 Toetsing 4.13.2.1 Selectiebesluit Archeologie Waalsprong (2019) In 2016 is een inventarisatie gemaakt van onderzochte en nog te onderzoeken vindplaatsen in diverse ontwikkelgebieden in Nijmegen Noord. Op basis van deze inventarisatie en onderzoek uitgevoerd in 2017 en 2018 is voor de nog te ontwikkelen deelgebieden van de Waalsprong in 2019 het Selectiebesluit Archeologie Waalsprong (hierna: selectiebesluit) opgesteld waarin is vastgelegd hoe in deze gebieden moet worden omgegaan met archeologie. Binnen het plangebied van de uitbreiding van De Grift liggen meerdere percelen die in het selectiebesluit nader zijn besproken. Hierbij zijn specifieke afspraken gemaakt met betrekking tot archeologie. Het selectiebesluit is in het geval van deze percelen vigerend beleid. De betreffende gebieden zijn in onderstaande afbeelding weergegeven.
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
85
Afbeelding 4.14: uitsnede kaartbeeld Selectiebesluit Archeologie Waalsprong In het selectiebesluit zijn drie opties opgenomen als het gaat om het beleid ten aanzien van deze gebieden:
Vrijgave/Groen
Voor een groot deel van de Waalsprong is door middel van archeologisch onderzoek vastgesteld dat geen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Wellicht dat er vondsten of sporen aanwezig zijn, maar de gemeente acht deze niet zodanig van belang dat deze behouden moeten blijven. Dit wordt in sommige gevallen gecompenseerd door de uitwerking van archeologisch onderzoek dat in het verleden heeft plaatsgevonden en voldoende kennis zal kunnen opbrengen over het betreffende thema om de synthese mee te kunnen maken. Het gebied is vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Inventariseren/Geel Voor enkele gebieden is nog niet voldoende kennis voorhanden om een archeologische waardering op te stellen van het deelgebied. Er is wel altijd een verwachting op het aantreffen van archeologische waarden, maar de mate van conservering, bijzonderheid, aard en karakter en exacte ligging is dan nog niet bekend. Deze gebieden zijn aangeduid met de kleur geel (zie afbeelding 4.13). Hier dient nog vooronderzoek plaats te vinden. In welke vorm en in welke mate is afhankelijk van de verwachting en de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling en is dus maatwerk. Het type vooronderzoek wordt afgestemd met bevoegd gezag in overleg met de projectontwikkelaars van de gemeente.
Na dit onderzoek wordt vastgesteld met een aanvullend selectiebesluit of vervolgonderzoek nodig is of andere beschermingsmaatregelen bij behoud in situ. De kaartkleur kan dan veranderen in rood of groen.
86
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
Rood/Waarde
Voor sommige gebieden is inmiddels op basis van vooronderzoek vastgesteld dat waardevolle archeologische resten aanwezig zijn in de ondergrond. De waarde van de archeologie wordt als (zeer) hoog beschouwd en moet behouden blijven. Hierbij zijn twee mogelijkheden, die worden afgestemd met bevoegd gezag: - Behoud in situ, waardoor de inrichtingsplannen archeologievriendelijk moeten worden opgesteld. Hieraan zijn beschermingseisen verbonden (zie verder onder 'beschermingseisen' hieronder). - Behoud ex situ, waarbij de archeologische waarden die bedreigd worden, worden opgegraven volgens de KNA en de eisen in een door het Bevoegd Gezag goedgekeurd Programma van Eisen
Voor alle deelgebieden met de kleur geel en rood geldt een vrijstellingsdiepte vanaf de recente bouwvoor, wat doorgaans overeenkomt met 30 cm onder het huidige maaiveld. In enkele gevallen kan op basis van het vooronderzoek worden vastgesteld dat de archeologische waarden dieper zijn gelegen en er een ruimere dieptevrijstelling kan gelden. Dit is te allen tijde maatwerk. Beschermingseisen Indien 'behoud in situ' mogelijk is, omdat ruimtelijke plannen op archeologievriendelijke wijze kunnen worden ingericht, gelden de volgende beschermingseisen om de behoudenswaardige archeologische vindplaats (gebieden waar in situ behoud geldt, dus rode gebieden) ter plaatse in de bodem in de juiste conditie te kunnen bewaren: 1.
2.
3. 4.
Maatregel door ophoging: de gemeente stelt geen eisen aan het voorkomen van verblauwing, zetting of onderhoud. Wetende dat het kan optreden en onwetend van de exacte langdurige en of blijven effect voor archeologie dient hier wel rekening mee te worden gehouden. Het bevoegd gezag archeologie kan hierin adviseren. Ophogen tot maximaal 1 meter boven maaiveld is toegestaan. Delen van het plangebied voor de uitbreiding van De Grift zijn reeds opgehoogd. In afbeelding 4.13 zijn de hoogtes ten tijden van het vaststellen van het Selectiebesluit Archeologie Waalsprong (2019) vastgelegd. Maatregel hei- en schroefpalen en damwanden: heiwerkzaamheden zijn toegestaan met een verstoring kleiner dan 2% van het te bebouwen plangebied en indien funderingspalen een onderlinge afstand hebben die groter is dan 2,5 meter conform de landelijke norm vastgesteld door de RCE. Een uitzondering hierop zijn grafvelden. Hier zorgt elke vorm van fundering door de archeologische laag voor een zodanige verstoring dat cruciale archeologische kennis verloren gaat. Behoud in situ is dan niet mogelijk en behoud ex situ zal dan nodig zijn. Voor damwanden geldt de verplichting tot behoud ex situ, oftewel archeologisch onderzoek, in nader te bepalen vorm met bevoegd gezag.
Maatregel bij NGE of sanering: bij toekomstige NGE onderzoeken of saneringen zal alleen archeologische begeleiding plaatsvinden in de 'rode' zones van afbeelding 4.13. Beplanting: graafwerkzaamheden ten behoeve van beplanting in de vorm van bomen en diepwortelende soorten aanbrengen in parken of buitenruimte kunnen zeer verstorend zijn. Afhankelijk van de aard van de vindplaats vallen dergelijke graafwerkzaamheden binnen de verstorende activiteiten, waarvoor beschermende maatregelen in de vorm van behoud in situ of behoud ex situ door middel van opgraving noodzakelijk worden geacht. Tenminste geldt dit voor alle vindplaatsen van het complextype grafveld. Voor alle overige vindplaatsen wordt het beplantingsschema met bijbehorende graafwerkzaamheden voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning voorgelegd aan het bevoegd gezag. Deze kan archeologische onderzoek als maatregel voor bescherming van de vindplaats eisen.
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
87
4.13.2.2 Doorvertaling in bestemmingsplan Voor De Grift Noord geldt dat rekening moet worden gehouden met vastgestelde archeologische waarden in een deel van het gebied. Deze gronden zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Het verstoren van het bodemarchief is hier niet toegestaan. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen is het nodig het maaiveld op te hogen, zodat de archeologische waarden in situ behouden kunnen worden. De overige delen van De Grift Noord zijn vrijgegeven of moeten nog worden onderzocht. Voor De Grift West geldt dat dit deelgebied is onderzocht. Ook hier moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van vastgestelde archeologisch waarden in de ondergrond. Ook voor deze gronden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. De uitgeefbare gronden die nog niet zijn onderzocht zijn voorzien van de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - waarde archeologie 1'. Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag bodemingrepen (zowel bouwen als werken en werkzaamheden) te doen of te laten uitvoeren met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld, tenzij op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
Bij het bepalen van de gezamenlijke oppervlakte wordt gekeken naar de gronden in het plangebied die voor de ontwikkeling(en) in aanmerking komen. De overige gronden (o.a. in De Grift Zuid) zijn vrijgegeven voor verdere ontwikkeling. Meldingsplicht Archeologische vondsten dan wel waarnemingen gedaan bij niet-archeologisch onderzoek moeten gemeld worden op basis van de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Dit soort vondsten wordt aangeduid als toevalsvondst. Om het documenteren van toevalsvondsten en waarnemingen mogelijk te maken, verdient het aanbeveling de volgende standaardtekst bij de vergunningverlening op te nemen, die refereert aan de wettelijke meldingsplicht van archeologische waarden (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet): Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze minister (artikel 5.10). Degene die bij het opsporen van archeologische monumenten, zonder het verrichten van een opgraving, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister (artikel 5.11).
Deze melding kan in de praktijk worden gedaan bij het bevoegd gezag archeologie van de gemeente Nijmegen.
4.13.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
88
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
4.14 Ontplofbare Oorlogsresten (OO) 4.14.1 Toetsingskader Als gevolg van oorlogshandelingen in de Waalsprong tijdens Operatie Market Garden en de nasleep daarvan, is het plangebied verdacht op ontplofbare oorlogsresten (OO). Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd, is het raadzaam onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van niet gesprongen c.q. conventionele explosieven in het plangebied.
4.14.2 Toetsing Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied geheel verdacht is op geschutsmunitie en gedeeltelijk verdacht op afwerp- en dumpmunitie.
Afbeelding 4.15: verdachte gebieden op OO in De Grift. Licht- en donkerblauw: verdacht op geschutsmunitie, lichtbruin: verdacht op afwerpmunitie
Een gedeelte van het plangebied is onderzocht tot op diverse dieptes:
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
89
Afbeelding 4.16: de onderzochte percelen zijn blauw gearceerd.
4.14.3 Conclusie In het kader van de Arbowetgeving dienen werkzaamheden binnen het plangebied in ná de oorlog ongeroerde gebieden onder veilige omstandigheden te worden uitgevoerd. Opsporing van Ontplofbare Oorlogsresten (hierna: OOO) maakt daar deel van uit. Opsporing dient plaats te vinden vóór aanvang van de (civieltechnische) werkzaamheden óf de werkzaamheden dienen plaats te vinden onder begeleiding van een opsporingsbedrijf. Grondroerende werkzaamheden die uitgevoerd gaan worden onder vrijgavedieptes dienen – afhankelijk van de onderzoeksdiepte en type verdacht gebied – onder OOO-condities uitgevoerd te worden. Werkzaamheden die in reeds onderzochte gebieden plaatsvinden dienen onder het protocol toevalsvondst van een explosief uitgevoerd te worden.
4.15 Bodem 4.15.1 Toetsingskader In het kader van een planprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling.
4.15.2 Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Een overzicht van de uitgevoerde onderzoeken (inclusief downloadlinks) is te vinden in bijlage 12.
90
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
4.15.2.1 De Grift Noord Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt in het algemeen dat de grond in De Grift Noord schoon tot (plaatselijk) licht verontreinigd is met zware metalen, bestrijdingsmiddelen (DDT's), minerale olie, PAK en/of PCB. In onderstaande tekening zijn de bodemonderzoeken (groene vlakken met zwarte nummering) en de aandachtslocaties bodemverontreiniging (rode omlijning en rode nummering) weergegeven. De zwarte nummering op de kaart correspondeert met de interne nummering van de bodemonderzoeken. De rode nummering correspondeert met de nummering in onderstaande tabel, dat een overzicht geeft van de aandachtsgebieden bodemverontreiniging.
Afbeelding 4.17: Kaartbeeld bodemonderzoeken en aandachtsgebieden bodemverontreinigingen De Grift Noord
In onderstaande tabel (nummering correspondeert met bovenstaand kaartbeeld) zijn de aandachtslocaties voor de spots met bodemverontreinigingen samengevat: Aandachtslocatie Omschrijving bodemverontreiniging 4 Op het maaiveld is asbesthoudend materiaal aangetroffen. Bij graafwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met deze verontreiniging en dient het materiaal mogelijk apart afgevoerd te worden. 5 Er is een voormalig weggetje aanwezig met puinverharding. Er is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen. Mogelijk dat deze puinverharding apart moet worden afgevoerd.
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
91
8
11 12
13
14
Er is een demping op het perceel aanwezig. Plaatselijk is een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. Op basis van de huidige resultaten is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de puinverharding is een sterk asbestverontreiniging aanwezig. Bij graafwerkzaamheden het verhardingsmateriaal apart afvoeren. In de grond is een sterke olieverontreiniging aanwezig. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Afhankelijk van de graafwerkzaamheden is verwijdering van de olieverontreiniging noodzakelijk. In de grond is een lichte olieverontreiniging aanwezig. Afhankelijk van de gebiedsontwikkeling is verwijdering van de olieverontreiniging mogelijk noodzakelijk. Plaatselijk is er een sterke verontreiniging met PAK in het verhardingsmateriaal aanwezig. Omdat er geen sprake is bodem (meer dan 50 % puin) is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en bestaat er volgens de Wet Bodembescherming geen saneringsnoodzaak. Afhankelijk van de gebiedsontwikkeling is verwijdering van het verhardingsmateriaal mogelijk noodzakelijk.
4.15.2.2 De Grift Zuid In De Grift Zuid (zie onderstaande afbeelding) is een omvangrijke bodemsanering uitgevoerd. Voor het uitgevoerde bodemonderzoek en het evaluatierapport van de bodemsanering wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 12. In het kader van de sanering is circa 14.000 ton met asbest verontreinigde grond ontgraven. Na zeving is circa 7.000 ton asbesthoudende grond afgevoerd en is 7.000 ton na zeving en keuring herschikt op de locatie. De saneringsdoelstelling is behaald en de verontreiniging met asbest is geheel verwijderd. Milieuhygiënisch zijn er geen belemmeringen voor het toekomstig gebruik van de locatie. De minerale olie in grond en grondwater, vrijgekomen door lekkage van een noogstroomagregaat is afdoende gesaneerd.
92
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
Afbeelding 4.18: Kaartbeeld bodemonderzoek De Grift Zuid
4.15.2.3 De Grift West Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt in het algemeen dat de grond schoon tot (plaatselijk) licht verontreinigd is met zware metalen, bestrijdingsmiddelen (DDT's), PAK en/of PCB. In onderstaande tekening zijn de bodemonderzoeken (groene vlakken met zwarte nummering) en de aandachtslocaties bodemverontreiniging (rode omlijning en rode nummering) weergegeven. De zwarte nummering op de kaart correspondeert met de interne nummering van de bodemonderzoeken. De rode nummering correspondeert met de nummering in onderstaande tabel, waarin een overzicht is gegeven van de aandachtsgebieden bodemverontreiniging.
Afbeelding 4.19: kaartbeeld bodemonderzoeken en aandachtsgebieden bodemverontreinigingen De Grift West
In onderstaande tabel (nummering correspondeert met bovenstaand kaartbeeld) zijn de aandachtslocaties voor de bodemverontreinigingen samengevat:
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
93
Aandachtslocatie Omschrijving bodemverontreiniging 1 De waterbodem in de sloot is fosfor en zwavel gemeten. Voor deze stoffen zijn geen toetsingswaarden vastgesteld, maar de gehalten zijn hoog te noemen. Herbemonstering is gewenst. 2 Binnen de contour van de voormalige kas worden in het grondwater gehalten aan nikkel aangetroffen in gehalten boven de interventiewaarde. Het sterk verhoogde gehalte is een verstoring van het bodemevenwicht door een overmatig gebruik van kunstmest en zal waarschijnlijk na verloop van jaren zich weer herstellen. Herbemonstering van het grondwater is noodzakelijk. 3 Door een ondergrondse tank is een bodemverontreiniging met minerale olie ontstaan in grond en grondwater. Bij herinrichting van het terrein zal een saneringsplan ingediend moeten worden en de bodem gesaneerd te worden. 2+3 Stationsstraat 23 dient onderzocht te worden op asbest in bodem.
4.15.3 Conclusie Bij de ontwikkeling van het plangebied zal het nodig zijn om (delen van) het plangebied actualiserend te onderzoeken omdat een aantal bodemrapporten is gedateerd. Bovendien wordt daarmee voldaan aan de meest recente onderzoeknormen NEN 5740 / NEN 5707. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat in het overgrote deel van de uitbreiding van De Grift ten hoogste licht verhoogde gehalten in de bodem worden gemeten. Deze gehalten vormen geen belemmering voor de beoogde gebiedsontwikkeling. Voor de bodemverontreiniging met minerale olie in deelgebied de Grift West zijn sanerende maatregelen nodig op grond van de Wet bodembescherming. Binnen het plangebied worden diverse spots met bodemvreemd materiaal aangetroffen in de vorm van gedempte sloten, terreinophogingen en half verharde paden. Directe risico's zijn niet aanwezig, maar voor de beoogde gebiedsontwikkeling is het noodzakelijk deze spots te verwijderen. In de planexploitatie wordt rekening gehouden met kosten voor sanerende maatregelen.
4.16 Geur 4.16.1 Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een
94
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
gevoelig object in vier situaties. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
4.16.2 Toetsing en conclusie In het voorliggende plangebied is één agrarisch bedrijf gelegen, dat conserverend is bestemd. Gelet op de beperkte omvang van het perceel en opstallen is het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf hier niet mogelijk. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen agrarische bedrijven gevestigd die (geur)hinder veroorzaken. Het aspect 'geurhinder' vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.17 Kabels en leidingen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Hoogspanningsverbinding De Grift West wordt doorsneden door de 150 kV hoogspanningsverbinding Nijmegen-Elst, die in beheer is bij Continuon Netbeheer. Voor de hoogspanningsverbinding is een dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ opgenomen. Deze dubbelbestemming heeft een totale breedte van 45 meter (22,5 meter aan weerszijden van de leiding). Ter plaatse van deze gronden mogen in principe alleen bouwwerken ten behoeve van de hoogspanningsverbinding worden gebouwd. Andere bouwwerken mogen slechts worden opgericht indien de leidingbeheerder zulks gedoogd. Om dit goed te kunnen beoordelen dient, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de hoogspanningsverbinding. Rioolwatertransportleiding Naast de hoogspanningsverbinding is er parallel aan de Stationsstraat een rioolwatertransportleiding gelegen. Voor deze rioolwatertransportleiding is een dubbelbestemming ‘Leiding – Riool' opgenomen.
Deze dubbelbestemming heeft een totale breedte van 5 meter (2,5 meter aan weerszijden van de leiding). Ter plaatse van deze gronden mogen in principe alleen bouwwerken ten behoeve van de rioolleiding worden gebouwd. Andere
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
95
bouwwerken mogen slechts worden opgericht indien de leidingbeheerder zulks gedoogd. Om dit goed te kunnen beoordelen dient, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, advies te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder. Aardgastransportleiding Aan de noordzijde van het plangebied - parallel aan de A15 - is een hogedruk aardgastransportleiding gelegen. Deze leiding is in beheer bij de Gasunie. Voor deze gasleiding is een dubbelbestemming ‘Leiding – Gas' opgenomen. Deze dubbelbestemming heeft een totale breedte van 5 meter (2,5 meter aan weerszijden van de leiding). Ter plaatse van deze gronden mogen in principe alleen bouwwerken ten behoeve van de gasleiding worden gebouwd. Andere bouwwerken mogen slechts worden opgericht indien de leidingbeheerder zulks gedoogd. Om dit goed te kunnen beoordelen dient, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, advies te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder.
96
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1
Inleiding
Bij het opstellen van dit Chw-bestemmingsplan is uitgegaan van de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aan bestemmingsplannen stellen. De Wro en Bro leggen onder meer verplichtingen op ten aanzien van de opzet en presentatie van bestemmingsplannen. Hieruit vloeit onder andere voort dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar moeten zijn. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) is op het voorliggende plan toegepast om aan genoemde wettelijke verplichting te voldoen. Ook een aantal algemene bepalingen, welke in hoofdstuk 3 en 4 van de regels is opgenomen (bijvoorbeeld de overgangsregels), is voorgeschreven in het Bro. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente ervoor gekozen om een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op te stellen, oftewel een Chw-bestemmingsplan. Met de aanwijzing van het voorliggende plangebied als innovatief experiment in het kader van het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet mag op onderdelen worden afgeweken van de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet geluidhinder. Het juridische bindende deel van het Chw-bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de (plan)regels, vergezeld van een toelichting.
De verbeelding visualiseert de bestemmingen en vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het Chw-bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het Chw-bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemmingen en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven. Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het Chw-bestemmingsplan geformuleerd. Opzet Chw-bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling van het voorliggende plangebied tot (regionaal) bedrijventerrein wordt gefaseerd ontwikkeld en gerealiseerd. Doordat marktomstandigheden en/of inzichten kunnen veranderen en de omvang van de kavels afhankelijk is van de vraag vanuit de markt, is een grote mate van flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gewenst. Bovendien kan zo beter ingespeeld worden op specifieke wensen vanuit de markt. Het toekomstige bedrijventerrein is voorzien van een globale eindbestemming.
Op grond van deze bestemming geldt een rechtstreekse bouwtitel. De globale eindbestemming is inhoudelijk gestoeld op het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan, maar biedt de nodige flexibiliteit. Omdat het een nog te realiseren bedrijventerrein betreft en de exacte situering en vorm van de bedrijfsgebouwen nog niet bekend is, zijn ruime bouwmogelijkheden opgenomen. Door deze opzet wordt de gewenste flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd.
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
97
5.2
Systematiek
5.2.1
Algemeen
De regels van het Chw-bestemmingsplan zijn opgebouwd uit inleidende regels (waar wordt ingegaan op de begrippen en wijze van meten), de bestemmingsregels (waar de bestemmingen en dubbelbestemmingen worden beschreven), de algemene regels (waar de algemeen geldende regels staan) en de overgangs- en slotregels (met het overgangsrecht). In de SVBP 2012 is de indeling van de regels van het bestemmingsplan en de wijze waarop de planregels zijn opgebouwd aangegeven.
5.2.2
Inleidende regels
Begrippen In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het Chw-bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.2.3
Bestemmingsregels
Agrarisch Het perceel Griftdijk 236 wordt vooralsnog ingepast in het beoogde bedrijventerrein en is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan Buitengebied Valburg voorzien van een agrarische bestemming. Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met uitzondering van intensieve veehouderij. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' zijn de gronden mede bestemd voor de bestaande bedrijfswoning; Binnen de bestemming 'Agrarisch' is de (legaal aanwezige) bestaande bebouwing conserverend bestemd. Het bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'. Daarbuiten mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd, met een maximum oppervlakte van 50 m2. Bedrijf - Windturbine De windturbines aan de noordzijde van het plangebied zijn - overeenkomstig het bestemmingsplan 'Buitengebied Valburg - 16 (windturbines A15)' - voorzien van de bestemming 'Bedrijf - Windturbine'. Inhoudelijk is deze bestemming een voorzetting van de bestaande regeling, met dien verstande dat enkele ondergeschikte wijzigingen zijn aangebracht om een meer consistente regeling te creëren voor windturbines binnen het grondgebied van de gemeente.
Gronden met de bestemming 'Bedrijf - Windturbine' zijn primair bestemd voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie door middel van windturbines, transformatorstations, transformatorkasten, bijbehorende voorzieningen en
98
ontwerp bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift
windmeetmasten, alsmede voor een (kraan)opstelplaats ten behoeve van het onderhoud van de windturbine. De ashoogte van de windturbine mag niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding (100 meter). De rotordiameter mag niet meer bedragen dan 101 meter. Omdat de rotorbladen van de windturbines de bestemmingsgrens overschrijden, is met de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - windturbine' geregeld dat de betreffende gronden mede zijn bestemd voor het overhangen en de overslag van de rotorbladen. De ashoogte en draairichting van de rotorbladen van de turbines dienen in de lijnopstelling hetzelfde te zijn. Bedrijventerrein De beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift is voorzien van de bestemming 'Bedrijventerrein'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor bedrijvigheid, waarbij afhankelijk van de locatie - bedrijven tot en met categorie 3.1, 3.2 en 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden toegestaan. Bevi-bedrijven worden in beginsel uitgesloten, met uitzondering van De Grift Noord (daar waar bedrijven in milieucategorie 4.2 zijn toegestaan). Daarnaast is middels een aanduiding bepaald dat aan de noordzijde van De Grift Noord (ten noorden van de ontsluitingsweg) uitsluitend XXL-logistiek is toegestaan (in de zone direct langs de A15).
Ten zuiden van de ontsluitingsweg zijn uitsluitend (X)XL-logistiek, logistieke bedrijven en Value Added Logistics bedrijven toegestaan. Overige bedrijvigheid is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Hiervoor is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Naast de hiervoor genoemde functies zijn de gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein' mede bestemd voor productiegebonden detailhandel, ondergeschikte detailhandel voor groothandelsbedrijven, ondergeschikte kantoren, opslag en uitstalling, ontsluitingswegen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, verhardingen, parkeer- en groenvoorzieningen. In aanvulling op het voorgaande zijn het bestaande garagebedrijf aan de Griftdijk 234 en de aldaar aanwezige bedrijfswoning toegestaan en voorzien van een specifieke aanduiding. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zogenaamde oogmerken opgenomen. Daarin is bepaald dat de regels binnen de bestemming zijn gesteld met het oog op: het ontwikkelen en beheren van een duurzaam en natuurinclusief regionaal bedrijventerrein dat ruimte biedt aan de volgende werkmilieus: 1. XXL-logistiek, met een maximum oppervlakte (netto uitgeefbaar) van 15 ha; en 2. regionale bedrijvigheid, met een maximum oppervlakte (netto uitgeefbaar) van 8 ha; 3.
lokale bedrijvigheid; het aanpassen van de fysieke leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress.
Het laatstgenoemde oogmerk komt onder meer tot uitdrukking in een aantal voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van waterberging (sublid 5.3.4) en groene kavelranden (sublid 5.3.5). Het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen is uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'bouwvlak', waarbij voldaan moet worden aan het bepaalde in het Beeldkwaliteitplan uitbreiding bedrijventerrein De Grift, dat als bijlage bij de regels is opgenomen. De daarin opgenomen maatvoeringen met betrekking tot de situering van gebouwen op het kavel - waaronder in ieder geval de afstanden van het gebouw tot de voorste, zijdelingse en achterste perceelsgrens - zijn verankerd in de bouwregels. Daarin is onder meer bepaald dat de XXL-bebouwing langs de A15 in een vaste rooilijn moet staan, zodat een eenduidig bebouwingsbeeld tot stand komt. Hetzelfde geldt voor de bedrijfsbebouwing aan de Griftdijk en Stationsstraat. Tevens is bepaald dat het bouwvlak voor tenminste 50% bebouwd moet worden. De toegestane bouwhoogte is middels een aanduiding op de verbeelding