Ruimtelijke motivering BOPA Woonwaarts - 43-Bopa-20250331 (2)
Tekst van het document
De luchtkwaliteit hoeft in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Er bestaat namelijk een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal). Een BOPA voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het voornemen niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde of niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het voornemen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; of bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het voornemen samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het voornemen NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Gevoelige functies De belangrijkste bepalende factor voor de blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer is de afstand tussen bron en ontvanger.
Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen. Voor Nijmegen betekent dit dat: er minimaal 300 meter afstand wordt gerealiseerd tussen een snelweg en een gevoelige functie; er geen gevoelige functies worden gerealiseerd in de eerstelijns bebouwing binnen een straal van 25 meter van een drukke weg (>10.000 voertuigen/etmaal); reconstructie van gemeentelijke wegen binnen 25 meter van een gevoelige functie alleen plaats mag vinden als dit de luchtkwaliteit positief beïnvloedt. Decentrale omgevingswaarden In Nijmegen zijn geen facultatieve omgevingswaarden voor luchtkwaliteit van toepassing.
64
7.3.4.2 Toetsing In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.
7.3.4.2.1 Gevoelige functies Voor het voornemen geldt dat sprake is van een herstructurering. De nieuwe woningen worden gerealiseerd op locaties waar voorheen ook woningen aanwezig waren. Zowel voor de voormalige als de nieuwe woningen geldt dat wordt voldaan aan de voorwaarde om geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren in de nabijheid van drukke wegen. Voor het besluitgebied geldt dat de afstand tot de dichtstbijzijnde snelweg, de A73, ten westen van het besluitgebied circa 2,5 kilometer bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale afstandseis van 300 meter. Ten zuiden van het besluitgebied ligt de Graafseweg (N326) en ten oosten bevindt zich de Neerbosscheweg (S100). Beide wegen kunnen worden aangemerkt als drukke wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 voertuigen per etmaal. De afstand tussen het besluitgebied en de rand van de Neerbosscheweg bedraagt ruim 50 meter. De afstand tot de gevoelige objecten en de drukke weg zal nog groter zijn. De afstand tussen het besluitgebied en de Neerbosscheweg (S100) bedraagt zelfs meer dan 300 meter. Daarmee worden er geen gevoelige functies gerealiseerd in de eerstelijnsbebouwing binnen een straal van 25 meter van een drukke weg (>10.000 voertuigen per etmaal).
Met het voornemen wordt daarnaast geen reconstructie van gemeentelijke wegen binnen 25 meter van een gevoelige functie mogelijk gemaakt. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer wordt voorkomen door het aanhouden van voldoende afstand. Door voldoende afstand te bewaren, kan worden geconcludeerd dat rekening wordt gehouden met het beschermen van de gezondheid en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met het oog op gevoelige functies.
65
7.3.4.2.2 Aandachtsgebied NO2 én PM10 en aandachtsgebieden PM10
Aandachtsgebieden NO2 en PM10 en aandachtsgebieden PM10 De aandachtsgebieden NO2 en PM10 en de aandachtsgebieden PM10 staan in artikel 5.51, lid 2 & 3 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De agglomeratie Heerlen/Kerkrade staat wel in artikel 2.38, maar is geen aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM10. De aandachtsgebieden PM10 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit. Toetsing De voorliggende afwijking van het omgevingsplan maakt geen van deze activiteiten mogelijk. Ook is het besluitgebied niet gelegen in een van bovengenoemde aandachtsgebieden. Het voornemen zorgt daarnaast niet voor een verhoging van de concentratie fijnstof (en stikstofdioxide) in de aandachtsgebieden.
7.3.4.2.3 Milieubelastende activiteiten Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties: • • 1. 2. 3.
bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. bij het toelaten in omgevingsplan: de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt de aanleg van een autoweg of een autosnelweg
66
Toetsing Het voornemen bestaat uit de realisatie van 282 nieuwe appartementen verdeeld over 7 woongebouwen. Om de sloop mogelijk te maken worden 168 maisonnettes verdeeld over 7 verouderde flats gesloopt. Vergeleken met de bestaande situatie worden 114 woningen toegevoegd. Bij de realisatie van de woningen wordt, middels een omgevingsvergunning, afgeweken van de functies 'Wonen' en 'Groen'. Bij een woonfunctie is er geen sprake van milieubelastende activiteiten waarbij een verplichte beoordeling van de luchtkwaliteit aan de orde is.
7.3.4.2.3 Uitgezonderde locaties (blootstelling) De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). Toetsing Er is geen sprake van een verhoogde blootstelling.
7.3.4.2.3 Niet in betekende mate (NIBM) Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een voornemen of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De beoogde activiteit betreft de realisatie van woningen en valt dus onder de standaardgevallen. Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: • •
1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen
Toetsing In de eindsituatie van dit voornemen is sprake van 282 woningen met meerdere uitritten richting de openbare weg. De beoogde activiteit betreft de realisatie van 282 woningen, waarbij slechts sprake is van het toevoegen van 114 woningen te opzichte van de bestaande situatie, en kan dus geclassificeerd worden als de standaardgevallen. Het voornemen blijft ruim onder de grens van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg, waardoor de NIBM-regeling van toepassing is. Het voornemen draagt op basis hiervan niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging.
7.3.4.3 Verantwoording In deze ruimtelijke motivering wordt omschreven waarom er geen onderzoek nodig is naar de luchtkwaliteit. De gemeente Nijmegen maakt geen onderdeel uit van de bovenstaande aandachtsgebieden. Daarnaast omvat het voornemen geen milieubelastende activiteit. Het beoogde aantal van 282 woningen kan qua omvang als niet in betekende mate worden omschreven. Een onderzoek naar de luchtkwaliteit is hierdoor niet aan de orde. Hiermee is er voldoende invulling gegeven aan de motiveringsplicht volgens de instructieregels volgens het Bkl. Er is om deze reden sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
67
7.3.4.4 Conclusie Gezien het feit dat het een kleinschalige ontwikkeling betreft, waarbij in de nieuwe situatie 282 woningen worden gerealiseerd, wordt er niet in betekenende mate bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering voor het beoogde voornemen vormt en er daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3.5 Geur 7.3.5.1 Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven) Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Nijmegen heeft nog geen normen voor geurhinder in het omgevingsplan opgenomen.
Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder, hanteert de gemeente het Gelders geurbeleid als toetsingskader. In het Gelderse geurbeleid is de eerste stap het vaststellen hoe (on)aangenaam de geur is die vrijkomt bij het bedrijfsproces. Daar zijn normen voor ontwikkeld (hedonische schaal). De mate van (on)aangenaamheid van de geur, de zogenoemde hedonische waarde, wordt vastgesteld volgens de Nederlandse Voor Norm (NVN) 2818. Deze norm is door de NEN-normcommissie geur opnieuw herzien en vastgesteld in 2019.
7.3.5.2 Toetsing Gemeenten kunnen gebouwen en locaties als geurgevoelig aanwijzen als ze bewoond worden. In dit geval wordt het besluitgebied al bewoond. Bij voorliggend voornemen is daarnaast sprake van het realiseren van nieuwe geurgevoelige object in de vorm van woningen. Een beoordeling van omliggende geurgevoelige functies is om deze reden aan de orde. Op meer dan 100 meter ten zuiden van het besluitgebied bevindt zich aan de overkant de Graafseweg een groot bedrijventerrein. Het bedrijventerrein ten zuiden van de Graafseweg is zodanig vormgegeven, dat beide deelgebieden binnen het besluitgebied buiten de richtafstanden van het bedrijventerrein liggen. Door de indeling van de milieucategorieën binnen het bedrijventerrein kan daarmee worden gesteld dat, naast de bestaande bedrijvigheid, ook de vestiging van eventuele nieuwe bedrijven op het bedrijventerrein in de toekomst niet kan leiden tot onevenredige geurhinder in de nieuwe woonomgeving. In de omgeving van het besluitgebied zijn daarnaast geen veehouderijen gelegen. Met voorliggend voornemen worden daarnaast ook géén nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.
7.3.5.3 Conclusie Uit toetsing blijkt dat voldaan wordt aan de regels zoals gesteld zijn aan het aspect geur in het Bkl en het geldende omgevingsplan. Daarmee is voor dit aspect sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vormt het aspect 'Geur' geen belemmering voor het voornemen.
68
7.3.6 Bodem 7.3.6.1 Algemeen Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving. Daaronder wordt ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem verstaan. Onder de Omgevingswet is het wettelijk instrumentarium voor de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
7.3.6.2 Toetsing Ter plaatse van het besluitgebied is door BOOT organiserend ingenieursburo B.V. een milieukundig bodemonderzoek in de vorm van een verkennend bodemondezoek incl. asbest conform NEN5740 en NEN5707 (rapportnr. P23-0142-015; d.d. 20 augustus 2025; Bijlage 9) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder weergegeven. Uit het uitgevoerd bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Het gehele deelgebied is onderzocht. Deze bestaat uit twee delen die als één onderzoekslocatie is onderzocht. Over het algemeen worden in de grond enige resten bodemvreemd materiaal aangetroffen in de vorm van onder andere baksteen, aardewerk, glas en slakken. Er zijn verhoogde concentraties PCB, kwik, lood en/of PAK gemeten in de grond. Deze geven vanuit de Wet bodembescherming geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of het treffen van sanerende maatregelen; In de bovengrond van een mengmonster (MM 002) is licht verhoogde gehalten PFAS aangetroffen. De bovengrond voldoet indicatief aan bodemkwaliteitsklasse Wonen/Industrie (MM 004) of Landbouw/Natuur (MM 002). De concentratie PFAS in de ondergrond voldoet aan Landbouw/Natuur (MM 008 en MM 009).
De aangetoonde concentraties PFAS in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor het toekomstig gebruik en geven geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of het treffen van sanerende maatregelen. Wel kan de toepassing van grond buiten de onderzoekslocatie, met PFAS kwaliteit Wonen/Industrie, een beperkte toepassing kennen; Er zijn geen aanwijzingen voor bodemverontreinigingen veroorzaakt door de voormalige timmerwerkplaats; Er is een melding van twee ondergrondse olietanks op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van een noordelijke ondergrondse tank (locatie C) is niet aangetoond. Er is wel een ondergrondse tank op het zuidelijke deel aangetroffen (30.000 liter HBO, deellocatie D). Op grond van de gegevens wordt vermoed dat de melding dezelfde – zuidelijke - tank betreft. Deze tank is KIWA gereinigd in 1990 en 1999 en gevuld met zand. Het leidingwerk is waarschijnlijk nog aanwezig, evenals een ontluchting aan de noordzijde van de flat aan de Balladestraat 145-211 en een vulpunt bij de Symfoniestraat. Ten aanzien van de ondergrondse HBO-tank zijn in zowel de grond als rond het grondwaterniveau geen verhoogde concentraties minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetoond. Alleen bij het vulpunt is een verhoogde concentratie minerale (matig verontreinigd) geconstateerd. Vervolgonderzoek daarnaar is niet noodzakelijk.
De onderzoeksresultaten vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor het gebruik van de locatie; 69
Voor de onderzochte grondmonsters MM04 (PCB en PFOS) en MM113 (minerale olie) wordt niet voldaan aan de lokale maximale waarden (LMW van de gemeente Nijmegen. De overige boven- en ondergrond voldoet wel aan de lokale maximale waarden; Op het maaiveld is visueel en in de bodem is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk; De bevindingen en aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor het huidig of toekomstig gebruik, te weten: wonen met tuin.
Aanbevelingen De resultaten van het verkennend bodemonderzoek kunnen ter indicatie worden gebruikt voor grondverzet binnen de onderzoekslocatie. Indien het niet mogelijk is om bij de ontwikkeling van de onderzoekslocatie met een gesloten grondbalans te werken, dient grond van de locatie afgevoerd te worden. Bij toepassingen buiten de onderzoekslocatie dient een partijkeuring te worden uitgevoerd. Dit bepaalt de definitieve indeling in de bodemkwaliteitsklasse en mogelijkheden tot hergebruik; Ten aanzien van grondverzet op de onderzoekslocatie dient rekening te worden gehouden dat de matig baksteenhoudende humeuse bovengrond rondom gebouw nrs. 73-143 (MM 004 o.b.v. PCB en PFOS) deels indicatief wordt ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Industrie. Daarnaast er rekening mee te worden gehouden dat de bovengrond (MM13) ter plaatse van het vulpunt van de ondergrondse tank op basis van minerale olie wordt ingedeeld in bodekwaliteitsklasse ‘Matig verontreinigd’. De bovengrond ter plaatse van het overige terrein en de ondergrond wordt indicatief ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Wonen of Landbouw/Natuur. Ook is in de bovengrond een concentratie PFAS geconstateerd van Wonen/Industrie. Hergebruik buiten de onderzoekslocatie kent enige beperkingen.
Aanbevolen wordt zoveel mogelijk met een gesloten grondbalans te werken en ingeval van afvoer naar buiten de meest schone grond af te voeren aangezien dit elders makkelijker toepasbaar is; De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Nijmegen maakt onderscheid in de 1 m dikke geroerde laag van mindere kwaliteit en de schonere ondergrond. Deze lagen moeten gescheiden van elkaar worden ontgraven. Er is een ondergrondse tank aanwezig op het terrein. Deze is KIWA gesaneerd. Verwijdering ervan is niet direct noodzakelijk. Mocht overwogen worden de tank te verwijderen dan kan dat op grond van het huidig bodemonderzoek en de bekende KIWA certificaten. Rondom in de bodem is geen verontreiniging aangetoond. Opgemerkt wordt dat niet bekend is hoe de tank is aangebracht en dat er mogelijk, gezien het tankvolume en grondwaterstand, fundering aanwezig kan zijn. Aanbevolen wordt om dit voorafgaand aan een verwijdering na te gaan.
7.3.6.3 Conclusie Voor het besluitgebied van Woonwaarts geldt dat er geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Het aspect 'Bodem' is in voldoende mate onderzocht. Wel dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de ondergrondse tank. Tevens is een partijkeuring van de grond vereist wanneer deze wordt afgevoerd buiten de grond. Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3.7 Water 7.3.7.1 Algemeen Weging van de waterbelangen Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Bkl volgt, dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een bopa rekening dient te houden met de waterbelangen. Deze waterbelangen zijn belegd bij verschillende overheden. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling de belangen van de andere overheden/waterbeheerders raakt, moet vroegtijdig afstemming plaatsvinden over manieren waarop de ruimtelijke ontwikkeling en de waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Water en bodem sturend Volgens de Nijmeegse Klimaatadaptatiestrategie vormt het natuurlijk water en bodemsysteem het uitgangspunt bij stedelijke ontwikkelingen. We bouwen bij voorkeur niet op locaties waar dit vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet gewenst is, zoals in de droogdalen(langgerekte laagten) en gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden. 70
Als we op basis van een integrale afweging toch voor de betreffende locatie kiezen, moet de bouw zodanig plaatsvinden, dat dit geen nadelige invloed heeft op de natuurlijke waterhuishouding. Beheer van watersystemen Uit de instructieregels van het Bkl volgt, dat de gemeenteraad rekening dient te houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Dit betekent dat er sprake is van een motiveringsverplichting en een impliciete overlegverplichting. Het doel is om op deze wijze bij ruimtelijke planprocessen vroegtijdig afstemming te laten plaatsvinden tussen de betrokken overheden, en gezamenlijk te zoeken naar manieren waarop ruimtelijke ontwikkelingen en waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Waterbeheerprogramma 2022-2027: Versterken. Verbinden. Vergroenen. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma. Hierin stuurt het waterschap onder andere aan op het verbeteren van de waterkwaliteit en op ‘slim waterbeheer’. Hierbij geldt de volgende strategie: We moeten als eerste (grond)water zien vast te houden (infiltreren) en bergen voordat we het afvoeren. Daarnaast moeten we zuiniger omgaan met water. Hierbij volgen we de route van vroegtijdige waterbesparing naar beperking van watergebruik. We doen dit om minder afhankelijk te zijn van de aanvoer van water.
Als de voorgaande stappen onvoldoende opleveren, moeten we als maatschappij leren accepteren dat er tijdelijk overlast of schade kan ontstaan. Bij het volgen van deze route gaan we ervan uit dat de ruimtelijke inrichting van gebieden is afgestemd op de beschikbaarheid van zoet water. Waterschapsverordening De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. In deze verordening staan onder andere: 1. Regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen; 2. Regels voor onderhoud van onder andere sloten en beken; 3. Regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. De waterschapsverordening is bovendien van toepassing wanneer er sprake is van een lozing, onttrekking van water, aan- of afvoer van water of werkzaamheden bij dijken en wateren. In deze situaties moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd, waarbij het waterschap bevoegd gezag is. Voorkomen wateroverlast In de Klimaatadaptatiestrategie Nijmegen ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst (2023)’ wordt voor de verwerking van het hemelwater aangesloten bij de landelijke Maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving.
Deze landelijke maatlat geeft aan dat er een range van 40 tot 70 millimeter water moet worden verwerkt op privaat terrein, of in daaraan gekoppelde extra voorzieningen binnen het besluitgebied, of binnen de watersysteemgrenzen. Hierbij hanteren we de volgende voorkeursvolgorde: 1. Besparen en benutten; het ontwerp van nieuwbouwwoningen dient te voorzien in waterbesparende maatregelen. 2. Vasthouden en infiltreren; bij voorkeur oppervlakkig. 3. Bergen; alleen als het niet anders kan, kan het hemelwater worden afgevoerd. De gemeente Nijmegen wil voorkomen dat het hemelwater het bodem- en watersysteem vervuilt. Daarom moet afstromend hemelwater zo schoon mogelijk blijven. Dit betekent dat er geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt. Om wateroverlast te voorkomen, moeten gebouwen zo worden gebouwd, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 mm in een uur. Dit kan bijvoorbeeld door het vloerpeil 20 cm boven het hoogste deel van de weg aan te leggen.
7.3.7.2 Toetsing Uitgangspunt is dat het hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt. In de nieuwe situatie zal het hemelwater worden geborgd en geïnfiltreerd binnen het besluitgebied. De afvoeren van de daken, bestaand en nieuw, worden losgekoppeld uitgevoerd van het vuilwatersysteem. De toekomstige infiltratie van het hemelwater op eigen terrein zorgt voor een positieve verandering van het waterhuishoudkundige systeem. In de bestaande situatie is sprake van een gemengd rioolsysteem waarbij hemelwater en vuilwater niet van elkaar worden gescheiden. In de huidige situatie wordt hemelwater dus afgevoerd 71
naar de rioolwaterzuivering, terwijl in de nieuwe situatie regenwater lokaal wordt verwerkt en gescheiden van het vuilwaterriool. Het hemelwater zal in de nieuwe situatie infiltreren op eigen terrein, door hemelwatergoten en pijpen aan te sluiten op infiltratievoorzieningen op eigen terrein. Het voornemen leidt hiermee tot een aanpassing van de waterhuishouding. Bij het bepalen van de hemelwatervoorzieningen dient rekening te worden gehouden met een bui van 70 mm per uur. De bestaande en toekomstige situatie en de daar uitvloeiende bergingsopgave zijn hieronder uitgewerkt. Door BOOT organiserend ingenieursburo B.V. is een rapportage ‘Weging van het waterbelang’ (projectnr. P23-0142(032); d.d. 8 september 2025; Bijlage 10) opgesteld. Deze weging van het waterbelang wordt opgesteld om zo de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding. In de rapportage is ingegaan op de huidige en de toekomstige situatie. De bevindingen van de rapportage zijn hieronder opgenomen. Huidige situatie De zeven verouderde flats van Woonwaarts bestaande uit maisonettes zijn nog niet gesloopt. Doordat zich rondom de flats veel groen bevindt, zijn de locaties in de huidige situatie grotendeels onverhard. De verharding bevindt zich uitsluitend ter plaatse van de bestaande gebouwen, de toegangspaden en parkeerplaatsen.
Het besluitgebied biedt hierdoor voldoende infiltratiemogelijkheden. Op onderstaande tekening is de verdeling bebouwing, onverhard en verhard opgenomen. De oppervlaktes zijn weergegeven in de onderstaande tabel.
72
Overzicht oppervlakken huidige situatie
Overzicht oppervlakken huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een totaal berekend oppervlak van 21.560m². Er is voor de zeven maisonettes en de overige verharding, sprake van circa 4.237m² verharding. Er is sprake van een totaal onverhard groen van 16.479m². Daarnaast is nog sprake van overige verharding van 844m².
73
Doordat de deelgebieden reeds worden bewoond is er reeds sprake van afvalwater. Rondom het besluitgebied is gemengd riool aanwezig. De stroomrichting van het vuilwater is richting het noorden. De b.o.b. van het gemengd riool is circa NAP +7,0 m (zie Bijlage 10). Hemel- en afvalwater worden in de huidige situatie niet gescheiden. Zowel het hemel- als ook het afvalwater worden aangeboden op het gemengde rioolsysteem zoals aanwezig onder de omliggende wegen. In de praktijk wordt, zelfs bij zware regenval, geen stagnerend water ter plaatse van de deelgebieden waargenomen. Nieuwe situatie Met de ontwikkelingen binnen het besluitgebied wijzigt de inrichting van het besluitgebied. In de toekomstige situatie zal net als in de huidige situatie sprake zijn van zeven gebouwen. In de nieuwe situatie zullen de woongebouwen echter met een iets groter grondoppervlak worden gerealiseerd. In de toekomstige situatie wordt het besluitgebied naast de nieuwe appartementencomplexen ingericht met bijbehorende voetpaden, parkeerplaatsen en groeninrichting. Doordat het parkeren in de nieuwe situatie deels binnen het besluitgebied zelf en er ook paden en verblijfplaatsen worden aangelegd, zal de verharding binnen het besluitgebied ten opzichte van de bestaande situatie iets toenemen. Een overzicht van de oppervlakken is te zien in onderstaande kaartweergave.
Overzicht oppervlakken toekomstige situatie
74
Op basis van de Weging van het waterbelang (Bijlage 10) zal sprake zijn van een totale bebouwing van 5.806m². Daarnaast wordt er 1.926m² overige verharding gerealiseerd. En 934m² halfverharding. Ter plaatse van de halfverharding zal het water deels infiltreren. Daarom wordt het voetpad gerekend als 50% verhard, waardoor 467m² wordt meegenomen als verharding. Het overige oppervlak wordt groen ingericht. Een overzicht van de inrichting in de toekomstige situatie is weergegeven in onderstaande tabel.
Overzicht oppervlakken toekomstige situatie De totale verharding bedraagt op basis van het bovenstaande 8.199m². Het onverhard oppervlak bedraagt in totaal 13.361m². Op basis van de huidige en toekomstige oppervlakken, neemt met de ontwikkelingen binnen het besluitgebied het verhard oppervlak met 3.118 m² (8.199 m² - 5.081 m²) toe. Wateropgave Om de huidige afvoersituatie ter plaatse van het besluitgebied niet te verslechteren, dient voor de toename van verharding watercompensatie gerealiseerd te worden. Omdat er echter sprake is van sloop, is er bij de realisatie van de nieuwe woongebouwen sprake van een geheel nieuwe ontwikkeling. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de gehele verharding (bebouwing en verharding) te worden meegenomen bij het bepalen van de waterbergingsopgave. Het totale verharde en onverharde oppervlak komt in de nieuwe situatie op 21.560m². De verharding in de nieuwe situatie bedraagt op basis van de berekeningen van BOOT organiserend ingenieursburo B.V in totaal 8.199m² (afvloeiend oppervlak). Vanuit het waterschap Rivierenland geldt dat over de toename van verhard oppervlak 664 m³/ha berging gerealiseerd dient te worden. Vanuit de gemeente Nijmegen dient over het totaal toekomstig verhard oppervlak binnen het besluitgebied 10 mm berging gerealiseerd te worden.
Op basis hiervan is onderstaande berging benodigd voor de ontwikkelingen binnen het besluitgebied: • Waterschap Rivierenland: 3.118 m² * 664 m³/ha = 207 m³ • Gemeente Nijmegen: 8.199 m² * 10 mm = 82 m³ Het voornemen van de gemeente Nijmegen is om in de toekomst het hemelwaterbeleid aan te passen naar een waterbergingsopgave van 60 mm per m² totaal verhard oppervlak. Op basis van de benodigde berging wordt, wanneer voldaan wordt aan de eisen vanuit het waterschap Rivierenland, ook voldaan aan de eisen van de gemeente Nijmegen. Daarom dient 207 m³ berging binnen het besluitgebied gerealiseerd te worden.
75
Overzicht locaties van de infiltratievelden binnen het besluitgebied Het gebied van Woonwaarts biedt voldoende mogelijkheden om de wateropgave aan hemelwater te bergen en te infiltreren. Om aan de bergingsopgave te voldoen, zin zeven infiltratievelden voorgesteld. De zeven infiltratievelden worden voorgesteld met een totaal oppervlak ter hoogte van de insteek van circa 2.520 m². Infiltratie Het grondwater bevond zich ten tijden van het bodemonderzoek (bijlage 9) op circa 2 meter onder het maaiveld. Op basis van het onderzoek bleek verder dat de grond bestaat uit matig tot uiterst grof zand, dat matig tot sterk grindhoudend is. Dit biedt uitgangspunten voor een goede infiltratie. In de Weging van het Waterbelang (Bijlage 10) is geconstateerd dat de GHG op basis van het LHM4.3 op 2,0 à 2,5 meter onder het maaiveld ligt. De GLG is op basis van het LHM4.3 gelegen op 2,5 à 3,0 meter onder het maaiveld. Op basis van de boorprofielen blijkt dat de bodem tot circa 1,0 m-mv bestaat uit matig humeus, matig fijn zand. Vanaf circa 1,0 m-mv tot de einddiepte van de boringen bestaat de bodem uit grindig grof zand. Op basis van de bodemopbouw is de k-waarde tot circa 1,0 m-mv ingeschat op 1,0 m/dag. Vanaf 1,0 m-mv is de k-waarde conservatief ingeschat op 4,0 m/dag. Op basis van grondwaterstanden en bodemopbouw wordt infiltratie kansrijk geacht.
Aanbevolen is om bij het toepassen van infiltratievoorzieningen de humeuze bovengrond af te graven.
76
Gezien deze uitgangspunten behoort infiltratie van hemelwater ter plaatse van het besluitgebied tot de mogelijkheden. Het infiltreren zou direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden. Een gereguleerde voeding/afvloeiing middels een wadi is daarbij opportuun. De definitieve invulling wordt nog civieltechnisch nader uitgewerkt als onder deel van de totale herinrichting van het gebied. Vooralsnog zijn de maatregelen voor waterberging gepland rondom de woongebouwen in het groen dan wel onder voorzieningen. De waterberging zal waarschijnlijk worden gerealiseerd in de vorm van een wadi, eventueel in combinatie met permeobuizen gevuld met grind, waterkratten of andere mogelijkheden om infiltratie te bevorderen. Bij het indienen van de vergunning voor bouwactiviteiten dient er een waterhuishoudkundig plan aangeleverd te worden waaruit blijkt dat er wordt voldaan aan de waterbergingsopgave. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaand uit nietuitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetra).
Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigde stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verharding zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
7.3.7.2.1 Infiltratieonderzoek Het nog lopende infiltratieonderzoek zal uitwijzen wat de ledigingstijd van infiltratievoorzieningen zal zijn en welke dimensionering daarvoor benodigd is. Dit zal samen met de uitwerking van de bouwplannen en aanvraag activiteit bouwen worden vergund.
7.3.7.2.2 Riolering Doordat het perceel in het reeds is bebouwd en bewoond, is de locatie aangesloten op het riool. Ter plaatse van het besluitgebied is een gemengd rioolstelsel gelegen waarbij hemelwater en vuilwater beide gezamenlijk worden ingezameld en afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Bij nieuwbouw dient hemelwater van afvalwater gescheiden te worden aangeleverd. Het vuilwater zal ook in de toekomst via deze riolering naar de rioolwaterzuivering worden afgevoerd. De zogenaamde droogweerafvoer (DWA) van het vuilwater zal in de nieuwe situatie worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel voor vuilwater onder omliggende wegen. Hemelwater zal daarentegen in de nieuwe situatie op eigen terrein worden verwerkt. Als gevolg van het voornemen zal het aanbod van vuilwater wijzigen, doordat het aantal woningen toeneemt met 114 woningen. Het voornemen leidt dus tot de toevoeging van 114 huishoudens aan het rioolstelsel. De reeds aanwezige aansluiting op het bestaande rioolstelsel beschikt over voldoende capaciteit om het afvalwater van de toevoeging van 114 woningen te verwerken. Omdat het hemelwater wordt afgekoppeld en geheel op eigen terrein wordt geïnfiltreerd of geborgen, komt er geen regenwater meer in het riool terecht. Het stelsel zal daarmee uitsluitend worden belast met afvalwater.
Door deze afkoppeling wordt het riool in de toekomstige situatie zelfs ontlast, waardoor de toevoeging van 114 woningen naar verwachting nauwelijks tot merkbare veranderingen in de belasting zal leiden. De exacte berekening van de project-gerelateerde rioolbelasting wordt opgesteld en toegevoegd bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit.
7.3.7.2.3 Advies en verzoek waterschap Het waterschap heeft het plan beoordeeld en verzoekt om nadere afstemming over de uitwerking van de maatregelen om versnelde afvoer naar oppervlaktewater te voorkomen. Het waterschap constateert dat er ruimtelijk gezien voldoende ruimte aanwezig is voor de aanleg van wadi's en het waterschap overschrijft daarmee de conclusie dat het aspect ‘Water’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Omdat het gebied is gelegen in een streefpeilgebied zonder aanvoer en wat kwetsbaar is voor droogte, zien het waterschap mogelijkheden om af te wijken van de beleidsregels voor de compenserende waterberging en meer 77
afvoer naar het oppervlaktewater. Daarmee is er meer ruimte om extra berging conform de nieuwe beleidsregels van het waterschap te realiseren en/of blijft meer groen over voor andere functies. Hierover treedt het Waterschap graag in overleg om tot een maatwerkoplossing te komen. Het waterschap geeft verder mee dat toename aan verharding kan leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater. Daarom geldt volgens de waterverordening en beleidsregels van het waterschap een compensatieplicht om deze versnelde afvoer te voorkomen.
7.3.7.3 Conclusie Het hemelwater zal volledig afgekoppeld worden en binnen het besluitgebied opgevangen en in de bodem geïnfiltreerd worden. Hiervoor zullen de noodzakelijk hemelwatervoorzieningen aangelegd worden met voldoende capaciteit. Hiervoor zal aan de bergingseis van de gemeente Nijmegen (70 mm) en aan de norm van het waterschap (bui van T=100+10%) worden voldaan. Om droogte tegen te gaan kan er mogelijk nog worden afgeweken van de beleidsregels voor de compenserende waterberging door meer afvoer naar het oppervlaktewater. Deze mogelijkheden worden besproken met het waterschap in aanloop naar de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Het aspect ‘Water’ vormt dus geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling, mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat er geen schade zal optreden aan nieuwe gebouwen of in de bestaande omgeving. Op basis van de grondwaterstand en de zandige bodem wordt geconcludeerd dat het infiltreren in de bodem goed mogelijk is. Doordat het hemel- en afvalwater worden gescheiden, zal het riool worden ontlast. Het aspect 'Water' vormt geen belemmering voor het voornemen. Op basis van het bovenstaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Klimaatadaptatie
7.4.1
Algemeen
Het klimaat verandert. Ook in Nijmegen ervaren we de laatste jaren steeds vaker wateroverlast, extreme hitte en droogte. Nijmegen wil deze problemen aanpakken door in 2050 klimaatbestendig te zijn. De klimaatadaptatiestrategie ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst’ (college 31 oktober 2023) beschrijft de aanpak om dit doel te bereiken. In deze strategie staan per thema onze hoofddoelen: • Droogte: langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, fundering, wegen, groen, gronden oppervlaktewater en vitale en kwetsbare functies. • Hitte: een gezonde groene fysieke leefomgeving, met voldoende koelteplekken. Vitale en kwetsbare functies, groengebieden en ecologische verbindingen zijn bestand tegen hitte. • Wateroverlast: hevige neerslag leidt niet tot schade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar. • Gevolgbeperking overstroming: we zorgen voor gevolgbeperking van overstromingen bij overstroombare gebieden langs de Waal en buitendijkse gebieden. Daarnaast staan in deze strategie stadsbrede doelstellingen voor droogte, hitte en wateroverlast, waarmee we invulling geven aan wat we in Nijmegen verstaan onder klimaatadaptatie. In de klimaatadaptatiestrategie beschrijven we aan de hand van leidende principes en prestatie-indicatoren hoe we onze doelstellingen willen bereiken.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt hieraan getoetst. In de klimaatadaptatiestrategie zijn een aantal prioritaire gebieden benoemd. Op deze locaties zijn extra inspanningen nodig om de doelstellingen te bereiken. De prioritaire gebieden willen we in 2035 hebben aangepakt. Op overige locaties worden de klimaatdoelstellingen bereikt door deze doelen te verbinden aan ruimtelijke ontwikkelingen.
78
7.4.2 Toetsing Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Stedelijk hitte-eilandeffect (UHI)' geraadpleegd. Op deze kaart wordt weergegeven waar de risico's van klimaatverandering hoog zijn. De kaart toont het temperatuurverschil tussen stedelijke en landelijke gebieden in Nederland. Gebouwen, huizen, wegen en stenen houden veel warmte vast. Dit fenomeen wordt ook wel het stedelijk hitteeilandeffect, of Urban Heat Island effect (UHI), genoemd. De kaart laat het gemiddelde temperatuurverschil in graden Celsius (°C) zien tussen stedelijke en landelijke gebieden. Hoe blauwer de kleur, hoe lager het temperatuurverschil in vergelijking met de landelijke omgeving. Hoe geler of roder de kleur, hoe groter het temperatuurverschil vergeleken met de landelijke omgeving. Grote steden zijn op de kaart daarom duidelijk te herkennen aan de rode en gele vlekken. Ook kleinere woongebieden verschijnen vaak als lichtblauwe en gele plekken. De gemeente Nijmegen wil prioritaire locaties in 2035 hebben aangepakt. In klimaatadaptatiestrategie en in Omgevingsvisie Nabije Stad is Neerbosch-Oost opgenomen als prioritair gebied voor hitte. Bij toetsing dient te worden aangetoond hoe dit voornemen bijdraagt aan de doelstellingen voor hitte.
Doordat het besluitgebied zich in een prioritair gebied binnen de stedelijke omgeving van Nijmegen bevindt is van belang om rekening te houden met klimaatrisico's op basis van temperatuurstijgingen. Op basis van de kaart 'Stedelijk hitte-eilandeffect (UHI)' blijkt de temperatuurverschillen op basis van de kaart, ongeveer 0,7 tot 1,4 graden bedragen. Het besluitgebied is hiermee koeler dan het centrum van Nijmegen, waar het temperatuurverschil circa 1,9 graden bedraagt. Er wordt aangenomen dat de aanwezige grote bomen en de aanwezigheid van het Maas-Waalkanaal met de groene oevers voor de nodige verkoeling (blijven) zorgen. Schaduwwerking is vanuit klimaatadaptatie wenselijk om te voorzien in 40% schaduw op verblijfsplekken zoals in de buitenruimtes en ontmoetingsplekken van dit voornemen. Schaduw kan hier zowel door groen of grijs worden gerealiseerd. Bij de realisatie van het voornemen worden in de buitenruimte groene verblijfsplekken aangelegd. Deze verblijfsplekken zullen zowel door de gebouwen als ook door het aanwezige groen voor ten minste 40% in de schaduw liggen. Ook de groene looproutes in het besluitgebied worden schaduwrijk ingericht, met meer dan 40% schaduw. Er worden in het besluitgebied veel nieuwe bomen aangeplant om dit op termijn, wanneer de bomen een aanzienlijk formaat hebben, te behalen.
Bij de aanleg worden juist ook bomen aan de zuidzijde van de gebouwen aangeplant. Deze bomen zorgen niet alleen voor schaduw onder de boom, maar ook voor schaduw op de gebouwen, om in de zomer voor verkoeling buiten en lagere binnen temperaturen te zorgen. Bij de galerijcomplexen van Woonwaarts geldt daarnaast dat de woning aan de zuidzijde worden voorzien van een woning breed balkon. Deze zorgt in de zomer voor voldoende schaduw om oververhitting van de bewoners en verhitting van de gevel te voorkomen. Bij de nieuwbouw wordt daarnaast gestreefd om tussen de 40% en 50% van de oppervlakken uitgevoerd met warmtereflecterende materialen uit te voeren. Het toepassen van groendaken op de gebouwen wordt op dit moment nog niet overwogen. Wel wordt bij de realisatie van de gebouwen zal de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en energie worden toegepast. Hiermee wordt er ten opzichte van de huidige situatie een enorme verbeterslag gemaakt. Het gehele project is erop gericht om een kwaliteitsverbetering te behalen. Aangezien de toekomstige woongebouwen aanzienlijk beter geïsoleerd zullen zijn dan de huidige, verouderde bebouwing, de percelen worden voorzien van meer bomen voor schaduw en er voldoende koeltegebieden in de omgeving aanwezig zijn, worden geen risico’s verwacht ten aanzien van hittestress.
Te goed geïsoleerde woningen zonder ventilatie en koelingsmogelijkheden leiden er echter toe dat hitte juist langer in de woning blijft hangen. Bij de uitwerking van de bouwplannen zal daarom meer aandacht zijn voor hitte in de woning en bijbehorende koeltevraag. Er wordt aanbevolen om ventilatie met warmteterugwinning en bypass toe te passen. Dit geeft de mogelijkheid om in de zomer, de koele avondlucht rechtstreeks de woning in te brengen. Ook kan in de planuitwerking aandacht worden besteed aan het toepassen van zomernachtluiken. Een verder aandachtspunt bij het voorkomen van hittestress is de aanwezigheid van koeltegebieden. Het MaasWaalkanaal met de groene oevers kan als koeltegebied kan worden gezien. Voor het besluitgebied geldt dat dit koeltegebied zich op korte afstand bevindt. Zelfs voor bewoners aan de Balladestraat ligt de Oostkanaaldijk op maximaal 800 meter afstand. Ook het Goffertpark kan worden gezien als koeltegebied. De afstand tussen het besluitgebied en de dichtstbijzijnde ingang van het Goffertpark aan de Muntweg bedraagt circa 2 kilometer.
79
Daarnaast ligt recreatieplas de Berendonck binnen een straal van 5 kilometer. Hiermee zijn er voldoende koeltegebieden aanwezig in de directe omgeving. Samengevat bestaat de klimaatadaptieve buitenruimte van het voornemen uit de volgende aspecten; • hemelwaterretentie en infiltratie op eigen terrein, komt ten goede van duurzame groeiplaats bomen, stimulering microklimaten (natte biotoop)/ecologiel; • verminderen van verharding; minder brede voetpaden die door het groen lopen vermindert de aaneengesloten hoeveelheid verhard oppervlak. Toepassen van lichtgekleurde bestrating vermindert opwarming. toepassen van grasbeton op zowel parkeerplaatsen als delen van de rijbaan verkoelt de parkeerplaatsen; • groen toevoegen; randen rondom gebouw zorgen voor buffer tussen gevel en bestrating, klimplanten kunnen tegen de gevel worden aangeplant. Er worden bomen toegevoegd in het gebied, goed voor schaduwwerking op paden (niet berekend) verkoelt en heeft ecologische meerwaarde. • per saldo oppervlakte groen toegevoegd; • bomen toegevoegd; • waterberging toegevoegd.
7.4.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met klimaatadaptatie. Het aspect 'Klimaatadaptatie' vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor het voornemen.
7.5
Duurzaamheidsaspecten
7.5.1 Algemeen Eén van de vier hoofdopgaven van de omgevingsvisie is het streven naar een duurzame stad. Nijmegen heeft de ambitie voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. We gaan uit van duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van onze grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en energieneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's. De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050).
7.5.2 Energie 7.5.2.1 Algemeen Nijmegen heeft zich tot doel gesteld uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die we dan nog gebruiken wekken we zoveel mogelijk duurzaam op. Uitgangspunt van de gemeente Nijmegen is dat bij nieuwbouw alle daken zoveel mogelijk vol komen te liggen met zonnepanelen. Alle (nieuwe) daken dienen dan ook geschikt te zijn voor zonnepanelen. We streven naar slimme, lokale energieoplossingen, bijvoorbeeld door lokale, duurzame energie tijdelijk op te slaan en vraag en aanbod onderling af te stemmen. Aardgasvrij Nieuwbouw in de bestaande stad en de Waalsprong is aardgasvrij. De Waalsprong valt binnen het concessiegebied van het warmtenet. Nieuwbouw in de Waalsprong moet hier verplicht worden aangesloten op het warmtenet. Daarnaast heeft Nijmegen de ambitie om de bestaande stad van het aardgas te halen en delen van de stad aan te sluiten op een nog aan te leggen warmtenet.
7.5.2.2 Toetsing Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
80
Verbeteren energieprestatie: Zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen. Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen. Natuurinclusief bouwen.
Voor de realisatie van de nieuwe woongebouwen wordt de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en energie toegepast. De nieuw te realiseren woongebouwen zullen klimaatneutraal functioneren. De toekomstige woningen wordt door middel van een berekening getoetst aan de BENG-norm. De BENG staat in dit geval voor 'bijna-energieneutraal gebouw'. Sinds 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland 'bijna-energieneutraal' zijn. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld zonneboilers voor warm water, warmtepompen of zonnepanelen voor elektriciteit, waardoor de woongebouwen c.q. woningen zelfvoorzienend wordt. Naast de BENG-norm wordt er ook aandacht besteed aan een toekomstbestendige waterberging en duurzaam materiaalgebruik. Hiermee wordt voldoende invulling gegeven aan de energietransitie.
7.5.2.3 Conclusie Het plan is getoetst aan het beleid van de gemeente. Het aspect 'Duurzaamheid' vormt geen belemmering voor het voornemen.
7.5.3 Circulariteit De circulaire toepassing van sloop- en bouwmaterialen zal aandacht hebben in de daarvoor relevante fase bouwplanuitwerking en de aanvraag omgevingsvergunning bouwen.
7.5.3.1 Algemeen De regio Arnhem-Nijmegen wil zich profileren als circulaire regio. Vanaf 2030 wil de regio minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. We streven ernaar om zoveel mogelijk conceptueel, modulair en losmaakbaar (demontabel) te bouwen. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van hernieuwbare organische bouwmaterialen (bijvoorbeeld hout, hennep, vlas, etc.). De Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR methodiek) kan gebruikt worden als ontwerptool en beoordelingsmethodiek om de duurzaamheid van gebouwen in beeld te brengen. In de Grond-, weg- en waterbouw onderschrijft Nijmegen de uitgangspunten van het manifest duurzaam GWW; samen met onze ketenpartners willen we de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. Uitgangspunt is om zo min mogelijk verharding toe te passen en waar verharding nodig is te kijken naar meer duurzame oplossingen, zoals klinkers of duurzaam asfalt.
7.5.3.2 Toetsing Bij de realisatie van de nieuwe woongebouwen ligt de nadruk op circulair en modulair bouwen. Dit betekent dat het ontwerp en de uitvoering van het gebouw gericht zijn op het minimaliseren van grondstofverbruik en het maximaliseren van hergebruik van materialen, zowel tijdens de bouw als na de levensduur van het gebouw. De milieuprestatie van het gebouw wordt geëvalueerd, met aandacht voor energieverbruik, CO2-uitstoot en de efficiëntie van de gebruikte materialen. Tijdens de sloop van het bestaande panden zal volgens circulaire principes worden gewerkt. Een groot deel van de materialen zal worden hergebruikt, waaronder waardevolle grondstoffen zoals beton, staal en hout. Van de hergebruikte materialen worden een groot deel binnen een straal van 10 km hergebruikt, waardoor niet alleen de ecologische voetafdruk werd verkleind, maar ook logistieke bewegingen geminimaliseerd werden. Dit resulteert in een efficiënter proces en een verlaging van de transportgerelateerde CO2-uitstoot. Alle materialen worden verkocht via een marktplaats voor bouwstoffen. Er zal slechts een klein deel van de materialen meer beschikbaar voor de nieuwbouw, aangezien deze voor de start van de werkzaamheden reeds in omloop zullen zijn.
Hierdoor is er sprake van circulair gebruik van materialen Daarnaast worden de gebouwen zelf ontworpen met een modulair en flexibel karakter, waardoor het in de toekomst eenvoudig kan worden aangepast zonder grote sloop- of bouwwerkzaamheden. Dit verlengt de levensduur van de gebouwen en maakt het beter bestand tegen toekomstige veranderingen in gebruik of regelgeving. Het gebruik van
81
modulaire elementen vergemakkelijkt ook de afvoer en herbestemming van materialen wanneer de gebouwen aan het einde van zijn levensduur komen.
7.5.3.3 Conclusie Het plan is getoetst aan het beleid van de gemeente. Bij de planvorming is voldoende rekening gehouden met circulariteit.
7.5.4 Conclusie Het aspect 'Duurzaamheid' vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor het voornemen.
7.6
Natuur- en landschapsaspecten
7.6.1 Soortenbescherming 7.6.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • er soorten aanwezig zijn; • welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn.
Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
7.6.1.2 Toetsing Omdat er nieuwbouw wordt gerealiseerd en er mogelijk begroeiing wordt verwijderd, dient er een onderzoek naar Flora & fauna te worden uitgevoerd. In verband met de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden is het besluitgebied daarom onderzocht met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna. Daarmee wordt helder of er, en zo ja welke, beschermde soorten op het terrein aanwezig zijn of het terrein gebruiken. Afhankelijk van de effecten van het voornemen op de flora en fauna kan het nodig zijn dat compenserende maatregelen worden genomen of dat het voornemen moet worden aangepast. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen op basis de onderzoeken met betrekking tot flora en fauna zijn in deze paragraaf opgenomen.
7.6.1.2.1 Onderzoeken Flora en Fauna Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er voor het deelgebied van Woonwaarts door Gras Advies bv een Quickscan Wet natuurbescherming (projectnr. P05326; d.d. 11 december 2023; Bijlage 11) uitgevoerd. Deze Quiscan
82
diende als een haalbaarheidsonderzoek waarbij alle mogelijk scenario's zijn meegenomen, groot onderhoud/renovatie, volledige sloop en nieuwbouw of een combinatie daarvan. Inmiddels is bekend geworden dat de flatgebouwen worden gesloopt en er vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd. Bij het ontwerp wordt zoveel mogelijk om het bestaande groen heen ontworpen. Een klein deel van de bomen kunnen niet behouden blijven vanwege de nieuwe omvang van het project. In het kader van de beoogde ontwikkelingen heeft Stichting Woonwaarts, op basis van een eerder uitgevoerde quick scan flora en fauna (GRAS Advies, 2023), aan ecologisch adviesbureau ECOquickscan verzocht een nader onderzoek naar vleermuizen, huismussen en overige broedvogels (projectnr. 23014; d.d. 4 juli 2024; Bijlage 12) uit te voeren. De resultaten en conclusies van dit onderzoek worden hieronder toegelicht. In het besluitgebied zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze vaste rusten verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties zijn, bij de sloop van de gebouwen, niet uit te sluiten. In het kader van de Wet natuurbescherming dient voor de gewone dwergvleermuis een ontheffing ex. artikel 3.5 aangevraagd te worden bij de Gedeputeerde Staten van de provincie.
Binnen het besluitgebied is leefgebied van kleine marterachtigen aanwezig. Gezien de sloop en aansluitend nieuwbouw gefaseerd plaatsvindt, groen deels behouden blijft en weer tijdig kan worden ingericht, kan een negatief effect op het leefgebied voor de kleine marterachtigen voorkomen worden. Gedurende de werkzaamheden blijft ongeveer een derde van het gebied geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. In het besluitgebied zijn geen nestlocaties van de huismus aangetroffen. Buiten het besluitgebied zijn tijdens het nader onderzoek vier nestlocaties van de huismus waargenomen. Er is een ecologisch werkplan nodig waarin een fasering is uitgewerkt hoe effecten op kleine marterachtigen, huismus en andere, algemeen voorkomende soorten, kunnen worden voorkomen. Gedurende de werkzaamheden blijft ongeveer een derde van het gebied geschikt als leefgebied voor soorten. Met deze fasering kan ook invulling worden gegeven aan de zorgplicht voor egels en algemeen broedvogels. Op basis van de bovenstaande bevindingen is bij de provincie Gelderland op 1 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een flora-en fauna-activiteit. Deze vergunning is op 9 december 2024 verleend. De vergunning en de hierbij verleende ontheffing is toegevoegd als Bijlage 13 bij deze motivering.