Ruimtelijke motivering BOPA Woonwaarts - 43-Bopa-20250331 (2)
Tekst van het document
Conclusie Met het voornemen wordt direct uitvoering gegeven aan de in het ambitiedocument benoemde aandachtspunten voor Neerbosch-Oost. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het voornemen in lijn is met het Ambitiedocument Kanaalzone Zuid.
5.5.5 Toekomstagenda Neerbosch-Oost 2035 Neerbosch-Oost is een wijk in Nijmegen grotendeels gebouwd vanaf de jaren 60. De wijk heeft een historie als zelfstandig dorp en ook nu is de wijk door de ligging en de bereikbaarheid enigszins geïsoleerd. In 2015/2016 is de “Toekomstverkenning NBO in 2035” uitgevoerd. In gesprekken met bewoners en diverse andere partijen zijn zes uitdagingen naar voren gekomen voor de langere termijn. Een gebiedsteam onder leiding van de wijkmanager en bestaande uit vertegenwoordigers van gemeente, corporaties, onderwijs, welzijn en politie, heeft de verkenning omgezet in een toekomstagenda. De 10 speerpunten van de toekomstagenda zijn: 1. Nieuwe brede school en facelift De Schalmei. 2. Terugdringen zwerfvuil en afval. 3. Wonen en duurzaamheid. 4. Jongeren en verbinding jong & oud. 5. Activiteiten voor/door meiden. 6. Meer en gevarieerde ontmoetingsplekken. 7. Imago en uitstraling 8. Bedrijvigheid. 9. Vrijkomende locatie Fanfarestraat 10. Vernieuwing van het wijkoverleg/ wijkparticipatie Inmiddels is er hard aan gewerkt om de resultaatgebieden verder invulling te geven. Er zijn veel positieve ontwikkelingen. Toetsing Voor de toekomst geldt dat duurzaam en zuinig ruimtegebruik essentieel is. Het is daarom van belang om ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldig af te wegen.
Bij het voorliggende voornemen worden binnen het bestaande stedelijke gebied, ter plaatse van verouderde bebouwing, nieuwe gebouwen gerealiseerd met meer woningen. Hiermee is sprake van binnenstedelijke verdichting en duurzaam ruimtegebruik.
43
Er is niet alleen sprake van duurzaam ruimtegebruik, maar ook van duurzaam bouwen conform BBL. Voor de realisatie van de nieuwe woongebouwen wordt de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en energie toegepast. Het voornemen levert hierdoor ook een positieve bijdrage aan het klimaat. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan speerpunt 3. De verbondenheid van de bewoners (onderling en met de woonomgeving) is in de afgelopen jaren afgenomen. De leefbaarheid, met name in de gebieden rondom de maisonnettewoningen, staat al jaren onder druk. Er is sprake van een negatief imago van de wijk. Door de realisatie van de herstructurering wordt een positieve bijdrage geleverd aan het imago en de uitstraling van de wijk. Hiermee wordt invulling gegeven aan speerpunt 7. Door het realiseren van een ontmoetingsruimte met verschillende activiteiten kan een bijdrage worden geleverd aan verschillende speerpunten, zoals het verbinden van jong en oud, activiteiten van en voor meiden, meer en gevarieerdere ontmoetingsplekken en de vernieuwing van het wijkoverleg. Conclusie Het voornemen levert een positieve bijdrage aan het behalen van de speerpunten uit de toekomstagenda. Er kan worden geconcludeerd dat het voornemen wenselijk is binnen Neerbosch-Oost.
6. Functionele en ruimtelijke inpassing 6.1
Functionele inpassing
De voorgenomen herstructurering in Neerbosch-Oost betreft de realisatie van nieuwbouwwoningen ter vervanging van de bestaande maisonnetteblokken, die momenteel in beheer zijn van woningcorporatie Woonwaarts. Deze ontwikkeling is functioneel inpasbaar binnen de locatie, aangezien zij inspeelt op de actuele mismatch tussen vraag en aanbod in de wijk. Het bestaande woningaanbod sluit niet aan bij de demografische samenstelling van de bewoners en voldoet onvoldoende aan hedendaagse eisen op het gebied van comfort, energieprestaties en toegankelijkheid. De herontwikkeling is derhalve dringend gewenst, gelet op de bouwkundige staat van de huidige woningen en hun beperkte bijdrage aan de leef- en omgevingskwaliteit van de wijk. De gewenste ontwikkeling van 282 nieuwe woningen in Neerbosch-Oost sluit hiermee functioneel dus goed aan bij de bestaande kenmerken en ontwikkelingen van de locatie en de directe omgeving. Neerbosch-Oost is een woonwijk die wordt gekenmerkt door verschillende functies, zoals beschreven in paragraaf 2.2.1.2 Omgeving van het besluitgebied. In Neerbosch-Oost is er sprake van een mix van verschillende woningtypes, variërend van reguliere woonhuizen tot hoogbouw.
Door de verouderde maisonnettes te vervangen door moderne, energiezuinige appartementen wordt niet alleen het woningaanbod geoptimaliseerd, maar wordt ook de leefomgeving aantrekkelijker en toekomstbestendig gemaakt. De geplande herstructurering zal een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteitsverbetering van de wijk. Daarnaast sluit de toevoeging van circa 114 extra woningen goed aan bij de actuele woningbehoefte in Nijmegen. Door binnen het bestaande stedelijke gebied te bouwen, ondersteunt deze ontwikkeling het beleid gericht op binnenstedelijke verdichting en duurzaam ruimtegebruik. Ook de ligging van Neerbosch-Oost, nabij voorzieningen zoals openbaar vervoer (onder andere station Goffert), scholen, winkelcentra en recreatievoorzieningen, maakt de locatie geschikt voor de beoogde woningbouw. Samenvattend is de voorgenomen ontwikkeling functioneel passend binnen de bestaande stedelijke structuur, de regionale woningmarkt en het gemeentelijk beleid, en levert zij een positieve bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van de wijk en de leefbaarheid van de stad Nijmegen. Functioneel sluit de ontwikkeling aan bij de omgeving: de woningen worden geïntegreerd binnen de bestaande wijkstructuur, dragen bij aan sociale samenhang en verbeteren de kwaliteit van de openbare ruimte.
De locatie kenmerkt zich door een gunstige bereikbaarheid, adequate verkeersafwikkeling en een goede aansluiting op bestaande voorzieningen.
44
6.2
Ruimtelijke inpassing
De nieuwbouwontwikkeling in Neerbosch-Oost wordt planmatig ingepast binnen de bestaande stedenbouwkundige context van de wijk. Uitgangspunt vormt de oorspronkelijke naoorlogse verkavelingslogica, die in de planuitwerking wordt behouden en versterkt. Daarmee wordt aangesloten bij de ruimtelijke identiteit van de wijk, terwijl de ontwikkeling tevens inspeelt op actuele beleidsopgaven op het gebied van duurzaamheid, woonkwaliteit en sociale cohesie. De bestaande groene structuur van de wijk vormt een wezenlijk uitgangspunt voor de ruimtelijke inpassing. Volwassen bomen en zichtlijnen worden zoveel mogelijk behouden om het karakter van de wijk te waarborgen. Tegelijkertijd wordt de gebruikswaarde van het groen versterkt door het opwaarderen van bestaande eentonige beplanting en grasvelden en door het integreren van sociale functies in de openbare ruimte, zoals speel- en ontmoetingsplekken. Aanwezige structuren worden benut voor waterberging en beleving, en de verbinding tussen woningen, openbare ruimte en het bredere groene netwerk wordt verbeterd. De ontsluiting van het projectgebied sluit aan bij de bestaande infrastructuur en is afgestemd op een veilige en efficiënte verkeersafwikkeling. Fiets- en voetverbindingen worden geoptimaliseerd en gekoppeld aan de groene routes in de wijk.
Door deze integrale aanpak ontstaat een samenhangend stedenbouwkundig ensemble, waarin historische kwaliteiten behouden blijven, het groen een actieve rol vervult en de nieuwbouw als geheel bijdraagt aan een verbeterde woonkwaliteit en leefbaarheid in de wijk.
6.2.1
Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteit
Het stedenbouwkundig plan voorziet in de sloop van zeven bestaande maisonnetteblokken en de ontwikkeling van dertien meergezinswoningen op de twee beschikbare ontwikkelvelden. Het besluitgebied maakt deel uit van naoorlogse grootschalige uitbreidingswijken (stempelwijken). De herontwikkeling volgt de oorspronkelijke opzet waarbij bebouwing, groen en infrastructuur systematisch zijn geordend. De systematische stedenbouwkundige compositie waarborgt een samenhangend en herkenbaar stedelijk beeld, met ruimte voor architectonische variatie in lijn met de oorspronkelijke ontwerpfilosofie van Neerbosch-Oost, waarin elk bouwveld een eigen karakter behoudt. Het voortzetten van deze systematiek versterkt de ruimtelijke diversiteit binnen de wijk. Voor het Woonwaarts-gebied wordt een herkenbare stedenbouwkundige logica toegepast, afgestemd op de specifieke context en het karakter van het gebied. Woonwaarts behoudt de zuivere strokenbouw langs de Balladestraat, waarmee de oorspronkelijke systematiek van regelmatige, open verkaveling en daarmee de bestaande bomen zoveel mogelijk worden behouden.
Binnen dit veld ontstaan twee stedenbouwkundige identiteiten: een eenduidige vijflaagse bouwmassa die aansluit bij het groene karakter van de omgeving, en een bouwveld met een hoogteaccent aan het einde van de Symfoniestraat, dat fungeert als ruimtelijk eindpunt en extra oriëntatiepunt binnen de wijk. Onderstaand is een uitsnede opgenomen van het toekomstige inrichtingsplan. Een gedetailleerde versie van het totale voornemen is toegevoegd als Bijlage 1 aan deze motivering.
45
Impressie van het inrichtingsplan van Woonwaarts met het beoogde aantal bouwlagen en bijbehorende bouwhoogtes
6.2.2
Inpassing in de omgeving
De bouwvolumes zijn bewust teruggelegd van de rooilijn, waardoor de groene tussenruimtes ruimtelijk beter doorwerken in de wijk. Dit vergroot de visuele en fysieke relatie tussen bebouwing en groen en draagt bij aan een opener en toegankelijker karakter. Compacte bouwvolumes zorgen voor efficiënter ruimtegebruik en laten meer ruimte voor kwalitatieve buitenruimte. Toegankelijke entrees en trappenhuizen versterken de relatie tussen woningen, maaiveld en het omliggende landschap. De bestaande groene structuur vormt een leidend kader voor de ruimtelijke inpassing. Waardevolle bomen en zichtlijnen worden zoveel mogelijk behouden, terwijl de inrichting van de openbare ruimte wordt verrijkt met inheemse en ecologisch waardevolle beplanting. Daarnaast worden voorzieningen toegevoegd zoals ontmoetingsplekken, speelvoorzieningen en worden klimaatadaptieve maatregelen toegevoegd. Daarmee vervult het groen niet alleen een esthetische, maar ook een functionele rol in het versterken van biodiversiteit, waterberging en sociale cohesie. De milieukundige inpassing van het voornemen worden beschreven in Hoofdstuk 7. Waar nodig wordt de motivering van de omgevingsaspecten aangevuld door externe rapporten.
46
6.2.3
Bezonningsstudie en schaduwwerking
Om de impact van de nieuwbouw op het woon- en leefgenot van de omgeving zorgvuldig te kunnen afwegen, is een bezonningsstudie uitgevoerd. De volledige bezonningsstudie, opgesteld door KAW Architecten, is toegevoegd als Bijlage 6 bij deze motivering. Hieronder is een beschrijving van de studie en de bijbehorende bevindingen opgenomen. De studie toetst het plan aan een objectief kader, waarbij de door de gemeente gehanteerde 'lichte' TNO-norm als uitgangspunt geldt. Deze norm stelt als voorwaarde dat omliggende woningen op relevante gevels (nietnoordgevels) gedurende acht maanden per jaar (van 19 februari tot 21 oktober) ten minste twee uur per dag direct zonlicht moeten kunnen ontvangen. De analyse is uitgevoerd op maatgevende dagen in de vier seizoenen, waarbij de bezonning is gemeten op een vast punt in de vensterbank van de woonkamers, conform de TNO-methode. Hiermee kan worden vastgesteld dat de ontwikkeling voldoet aan de gestelde eisen en de effecten op de omgeving aanvaardbaar zijn.
Bezonning en impact van de nieuwbouw van Woonwaarts op omliggende woningen (19 februari - 12:00) Conclusie Bovenstaande studie is opgesteld ter ondersteuning van het ontwerp. Op basis van de studie wordt geconcludeerd dat er geen schaduwhinder ontstaat door de realisatie van het voornemen.
47
6.3
Onderbouwing afwijking van het omgevingsplan
Het woningbouwproject omvat de realisatie van nieuwe woongebouwen, waarvan één met een maximale bouwhoogte tot 37 meter. Dit betekent een aanzienlijke verhoging ten opzichte van de huidige maximale bouwhoogte van 15 meter in het besluitgebied. Deze hogere bouwhoogte is zorgvuldig afgewogen. Door het hoge gebouw van 37 meter langs de Graafseweg en in de omgeving van de reeds aanwezige Nocturneflat te realiseren, wordt het voornemen functioneel en ruimtelijk passend ingepast in de omgeving. Planologisch-juridische kaders voor BOPA proces zijn afgestemd i.s.m. gemeente. Deze komen voort uit kaders/uitgangspunten gesteld m.b.t. stedenbouw, landschappelijke ordeningsprincipes, beeldkwaliteit. Een volledige uitwerking van deze principes is te vinden in Bijlage 3 Beeldkwaliteit.
48
7. Omgevingsaspecten 7.1
Algemeen
7.1.1 Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties (ETFAL) Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De gemeente mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locatie’ gaat het om het vinden van een balans tussen ‘beschermen en benutten’. Onder ‘functie’ kan worden verstaan het gebruiksdoel of de status (bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. Het gaat in het omgevingsplan immers niet meer uitsluitend over een goede ruimtelijke ordening, maar over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit brengt een bredere kijk op de leefomgeving met zich mee, onder meer vanuit het oogpunt van milieu, duurzaamheid en gezondheid. De ruimtelijke onderbouwing wordt zodoende opgevolgd door een “onderbouwing van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ”. Vaak wordt de term Goede Onderbouwing Fysieke Leefomgeving (GOFLO).
In de GOFLO kunnen de volgende onderwerpen aan de orde komen: • Ladder voor duurzame verstedelijking • Duurzaamheid & gezondheid • Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren • Flora & Fauna • Luchtkwaliteit • Geluid • Geur • Omgevingsveiligheid • Trilling • Welstand • Archeologie, cultuurhistorie en landschap • Bodem • Spuitzone onderzoek • Weging van het waterbelang De relevante onderwerpen komen hieronder aan bod, om aan te tonen dat er sprake is van een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving.
7.2
Planologische en ruimtelijke aspecten
7.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 7.2.1.1 Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De Ladder voor duurzame stedelijk ontwikkeling is opgenomen als een instructieregel voor het omgevingsplan, specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, van kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
49
a. b.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Het beoogde en huidige planologische regime moeten bij toepassing van de Ladder met elkaar vergeleken worden. De kwantitatieve én kwalitatieve behoefte van de ontwikkeling moet worden bepaald op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
7.2.1.2 Toetsing Is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Binnen het besluitgebied is er sprake van een nieuwe ontwikkeling in de vorm van 282 woningen. Doordat er sprake is van de toevoeging van 114 woningen vergeleken met de bestaande situatie, wordt de drempelwaarde van 12 woningen bij woningbouw overschreden. De in het voornemen voorziene ontwikkeling wordt hierdoor aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als omschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij het voornemen is sprake van een ladderplichtige ontwikkeling in de context van de ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling. De marktvraag en behoefte worden om deze hieronder onderbouwd. Is er behoefte aan de ontwikkeling? Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking, wordt hieronder ingegaan op het ruimtelijk verzorgingsgebied en de behoefte van voorgenomen voornemen. De behoefte voor het voornemen in de vorm van extra woningen ten opzichte van de bestaande situatie berust op de grote vraag naar woningen. Het voornemen sluit naadloos aan bij de behoefte binnen de gemeente Nijmegen. In paragraaf 5.2.2 zijn de doelstellingen van de Woondeal 2.0/2.1 uitgewerkt. Op basis van de woondeal dient extra te worden ingezet op het versnellen van woningbouw voor aandachtsgroepen.
Voor Nijmegen zijn tot 2030 in totaal 8.740 woningen nodig, waarvan 3.300 sociale huur woningen, 1.340 middenhuur woningen en 1.150 betaalbare koopwoningen. De nadruk op sociale huur, middenhuur en betaalbare koopwoningen weerspiegelt het nationale streven naar meer betaalbare huisvesting voor starters, jongeren, ouderen en andere woningzoekenden met een lager of middeninkomen. De toekomstige woningen op basis van het voornemen zijn reeds regionaal afgestemd en opgenomen in het woningbouwprogramma van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen, evenals in de woonagenda van de provincie Gelderland. Naast de benodigde aantallen woningen is er ook behoefte aan levensloopbestendige woningen, mede door een veranderende demografie waarbij het aantal ouderen toeneemt en sprake is van vergrijzing. Daarnaast bestaat er behoefte aan duurzame, energieneutrale en klimaatbestendige woningen. Door herstructurering, waarbij verouderde gebouwen worden vervangen door moderne woningen die voldoen aan de huidige eisen, draagt het voornemen hieraan bij. Het voornemen voorziet dus zowel in de kwantitatieve als in de kwalitatieve woningbehoefte.
7.2.1.3 Conclusie Binnen de locatie is er sprake van een nieuwe ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied in de vorm van 282 nieuwe woningen. De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Het voorgenomen initiatief wordt binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. De marktvraag en behoefte zijn op basis van het bovenstaande in voldoende mate onderbouwd. De voorliggende ontwikkeling voldoet op basis van het bovenstaande aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
50
7.2.2 Mobiliteit en parkeren 7.2.2.1 Algemeen Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen over mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom) en de CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). Gemeenten nemen daarom ook verkeersveiligheid mee in de afweging bij het inrichten van de fysieke leefomgeving. Zo zal verkeersveiligheid, een goede afhandeling van verkeerstromen en het voorkomen van (voorzienbare) parkeerhinder voor een gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow). De inrichting en inpassing van infrastructuur in de omgeving heeft invloed op de veiligheid. Zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Maar ook bebouwing of een bouwwerk naast de (water)weg kan effect hebben op de verkeersveiligheid. Het Nijmeegse mobiliteitsbeleid is vastgesteld in het ambitiedocument ‘Nijmegen Goed op Weg’. In deze nota is verkeersveiligheid een van de aspecten van een aantrekkelijke stad.
Een van de uitgangspunten is dat wegen voldoen aan de landelijke uitgangspunten van Duurzaam Veilig. Nieuw aan te leggen infrastructuur wordt aangelegd conform de richtlijnen voor Duurzaam Veilige Weginrichting. Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden aangetoond dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Het parkeerbeleid van de gemeente Nijmegen is opgenomen in de Parkeernota ‘Parkeren in Nijmegen 2020-2030 ‘. Parkeren is een dynamisch thema. De nu gekozen oplossingen zijn van grote invloed op het leefklimaat, het toekomstig autogebruik, de toekomstbestendigheid en de verkoopbaarheid of verhuurbaarheid van woningen en voorzieningen. Omdat parkeren ruimte vraagt maakt het onderdeel uit van de duurzame stedelijke ontwikkeling. Vooraf moeten het aantal parkeerplaatsen in beeld worden gebracht. Daarnaast zet Nijmegen meer in op duurzamere alternatieven bij nieuwe bouwprojecten (deelvervoer), fietsparkeren en P+R-locaties. Nijmegen kent beleidsregels voor parkeren (Beleidsregels Parkeren 2025). Daarin is per functie vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen er gerealiseerd moeten worden en op welke wijze de parkeernomen tot stand zijn gekomen.
Op grond van deze beleidsregels is het verboden te bouwen of het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen als er niet wordt voldaan aan deze beleidsregels. De aanvraag van een omgevingsplanactiviteit moet worden getoetst aan de geldende parkeernormen. Bij het beoordelen van een ontwikkeling kijkt de gemeente of rekening is gehouden met het vereiste aantal parkeerplaatsen. De parkeernormen gelden als randvoorwaarde voor de ontwikkeling. De parkeernormering is bepaald aan de hand van de stedelijkheidsgraad. Nijmegen is aangeduid als sterk stedelijk. Conform de gebiedsindeling valt het besluitgebied in de zone Schil 1 e Ring.
51
Stedelijkheidszones t.b.v. parkeernormering met aanduiding van het besluitgebied Autoparkeren De omgevingsvergunning wordt getoetst aan de geldende parkeernormen conform de geldende beleidsregel. Bij het beoordelen van een ontwikkeling kijkt de gemeente of rekening is gehouden met het vereiste aantal parkeerplaatsen. Op deze manier wordt de invloed van het parkeren in de omgeving zoveel mogelijk beperkt. Fietsparkeren De omgevingsvergunning wordt getoetst aan de geldende fietsparkeernormen conform de geldende beleidsregel. Bij het beoordelen van een ontwikkeling kijkt de gemeente of rekening is gehouden met het vereiste aantal fietsparkeerplaatsen. Met het stellen van fietsparkeernormen wil de gemeente Nijmegen het fietsgebruik faciliteren en stimuleren. Het voorzien in kwalitatief hoogwaardige fietsparkeervoorzieningen draagt hieraan bij. De reden om de fiets te nemen in plaats van de auto is namelijk mede afhankelijk van de kwaliteit, bruikbaarheid en functionaliteit van de fietsparkeervoorzieningen bij de plaats van bestemming. Daarnaast wil de gemeente Nijmegen voorkomen dat de kwaliteit van de openbare ruimte afneemt door het niet kunnen stallen van de fiets. Daarom eisen we dat de fietsenstallingsvoorziening op eigen terrein wordt opgelost. 52
7.2.2.2 Toetsing mobiliteit Het voornemen bestaat uit de sloop van alle bestaande maisonnettes (168 stuks) verdeeld over 7 flats. De maisonnettes worden vervangen door 282 nieuwe appartementen verdeeld over 7 gebouwen. Vergeleken met de bestaande situatie worden 114 woningen toegevoegd. Als gevolg van het voornemen neemt de verkeersgeneratie ter hoogte van het besluitgebied toe. Om de verkeersgeneratie en -afwikkeling als gevolg van het voornemen inzichtelijk te maken, is op basis van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROW-publicatie 744 'Parkeercijfers 2024' de verkeersgeneratie van de toe te voegen 114 woningen bepaald. Op basis van CROW hebben de betaalbare huurwoningen de hoogste verkeersgeneratie. Hiervoor geldt in de schil van het centrum in een sterk stedelijk gebied een maximale verkeersgeneratie van 3,3 mvt per etmaal. Uitgaande van een worst casescenario per woning wordt enkel gerekend met de betaalbare huurwoningen. Op basis van de CROW-categorie 'Huur, appartement, 75-100m²' in de schil van het centrum van een sterk stedelijk gebied neemt de verkeersgeneratie maximaal toe met 376,2 verkeersbewegingen (114 x 3,3 mvt per etmaal). Afgerond gaat het dus om 377 motorvoertuigbewegingen per etmaal uitgaande van een gemiddeld aantal verkeersbewegingen per woning.
Uitgaande van een gelijke verdeling tussen aankomend en vertrekkend verkeer betreft dit circa 189 aankomende en 189 vertrekkende motorvoertuigen per dag. De rijroute van en naar de wijk loopt via de O.C. Huismanstraat (aan de noordzijde van de locatie) in oostelijke richting naar de Neerbosscheweg, om vanaf daar aan te sluiten op het bestaande verkeersnetwerk. De Otto C. Huismanstraat vormt de gebiedsontsluitingsweg voor Neerbosch-Oost. De capaciteit van een wegvak van een gebiedsontsluitingsweg type 2x1 bedraagt ongeveer 1.500 personenauto’s per uur per rijrichting. In de stikstofnotitie is een vergelijking gemaakt tussen het verwachte aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase en het totale aantal verkeersbewegingen (inclusief ontwikkelingen in Winkelsteeg) op de betreffende wegvakken in de rijroutes. Hieruit blijkt dat de verwachte verkeersgeneratie van de nieuwbouwplannen van zowel Talis als Woonwaarts circa 15% van het verkeer op de Otto C. Huismanstraat vormt. Uitgaande van circa 537 woningen in de eindsituatie betekent dit in het worstcasescenario 1.773 verkeersbewegingen per dag, wat neerkomt op 15% van het totale verkeer. Daarmee maken dagelijks circa 11.814 voertuigen gebruik van de Otto C. Huismanstraat. Uitgaande van een dagperiode van 12 uur komt dit neer op 985 verkeersbewegingen per uur voor de gehele wijk na realisatie van de volledige nieuwbouwontwikkeling.
Gezien de maximale capaciteit van 1.500 mvt/uur betekent dit dat de Otto C. Huismanstraat nog over voldoende restcapaciteit beschikt om het verkeer van de nieuwbouw goed af te kunnen wikkelen. Deze verkeerstoename zal gezien de capaciteit van de Otto C. Huismanstraat geen probleem vormen. De verkeersbewegingen zullen opgaan in het dagelijkse verkeer.
Rijroute woningbouwlocatie
53
7.2.2.2.1 Ontsluiting van het verkeer De volledige verkeersgeneratie van de woningen zal, net als nu, worden afgehandeld via de Otto C. Huismanstraat. Gezien het type wijkontsluitingsweg, waaraan ook het winkelcentrum is gelegen, is er voldoende capaciteit om de extra verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe woningen op te vangen. Via de Otto C. Huismanstraat kan het verkeer afvloeien naar de Neerbosscheweg, de Energieweg en de Graafseweg, om zo op te gaan in het dagelijkse verkeer. In de huidige situatie wordt er langs de wegen in het openbaar gebied geparkeerd. In de toekomstige situatie wordt parkeren gesitueerd binnen het besluitgebied, waarbij parkeerplaatsen naast de woongebouwen worden voorzien. Deze toekomstige situatie heeft, naast een vermindering van verkeershinder, ook een positief effect op de verkeersveiligheid. Door het parkeren in de toekomstige situatie op parkeerplaatsen behorende bij de woongebouwen te situeren, zal de doorstroming en verkeersveiligheid in de wijk verbeteren. Doordat de weg aanzienlijk overzichtelijker wordt, ontstaan er minder gevaarlijke situaties, wat de verkeersveiligheid in de wijk Neerbosch-Oost ten goede komt. Hieronder wordt kort toegelicht hoe de bereikbaarheid van het besluitgebied zich verhoudt tot de rest van de wijk, voor de overige vervoerscategorieën. Hiermee is de mobiliteit van het gebied binnen zijn omgeving beoordeeld.
In de basis verandert er weinig in en rondom het gebied. De prioriteit ligt echter bij het bevorderen van langzaam verkeer en het terugdringen van autoverkeer. • Gemotoriseerd verkeer De wijk is bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer via de Otto C. Huismanstraat en de Symfoniestraat. Het fijnmazige straatnetwerk binnen de wijk wordt voornamelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer en parkeren. • Langzaam verkeer De bestaande trottoirs blijven gehandhaafd. Bij de entrees van de gebouwen worden extra fietsparkeerplaatsen toegevoegd en er worden ruime fietsenbergingen gerealiseerd, om het gebruik van de fiets te stimuleren in plaats van de auto. Daarnaast is in het plan de dreef opgenomen: een langzaamverkeersverbinding tussen de verschillende speel-, sport- en ontmoetingsplekken in het gebied. Deze dreef vormt een directe verbinding met zowel het kanaal als de wijk aan de oostzijde van het besluitgebied. • Openbaar vervoer Voor het openbaar vervoer verandert er niets door de realisatie van het plan. Het OV gaat niet door het besluitgebied zelf en de ontsluiting van de woongebouwen heeft geen invloed op de huidige OV-routes. De bestaande bushaltes aan de O.C. Huismanstraat blijven gehandhaafd of worden, indien nodig, enkele tientallen meters verplaatst. • Expeditieverkeer Expeditieverkeer is niet van toepassing, aangezien er geen functies aanwezig zijn die dit vereisen.
De garageboxen onder de maisonettewoningen verdwijnen, maar de overige garages in de buurt blijven bestaan. • Fietsverkeer De fietsenbergingen worden op een logische en goed toegankelijke wijze ontsloten vanuit het openbaar gebied. Hoewel er geen directe koppeling is met bestaande regionale fietsverbindingen, bestaat wel de mogelijkheid om de wijk aan te laten sluiten op deze verbindingen.
7.2.2.2.2 Verkeersveiligheid Om de verkeersveiligheid te vergroten richt de gemeente Nijmegen wegen, waar mogelijk en wenselijk, in als 30 km/uur straten, belangrijke voorwaarde hierbij is dat de auto-intensiteit voldoende laag is. Dit is verwoord in het Ambitiedocument mobiliteit 2019-2030 'Nijmegen Goed op Weg' Op de wegen binnen de bebouwde kom geldt voor de gebiedsontsluitingswegen (de stedelijke hoofdwegen) en industrieterreinen een maximumsnelheid van 50 km/h. Uitgezonderd is een gedeelte van de Neerboscheweg. Voor de overige wegen, de stadsstraten en de erftoegangswegen binnen bebouwde kom, geldt 30 km/h. Het besluitgebied grenst aan de volgende straten: de Otto C. Huismanstraat, de Sympfoniestraat, de Balladestraat, de Serenadestaat, de Cantatestraat en de Paukenstraat. Voor deze en alle andere straten in Neerbosch-Oost geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. Dit komt overeen met het karakter van een woonwijk. In de toekomstige situatie wordt het parkeren opgelost in het openbaargebied. Door herinrichting van bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte en het realiseren van volledig nieuwe parkeerplaatsen, wordt extra parkeerruimte gecreëerd.. Hierdoor ontstaat rust op straat en wordt parkeeroverlast vermeden. Dit zorgt voor meer ruimte, waardoor 54
parkeeroverlast wordt vermeden. Door minder parkeerdruk ontstaat er rust en overzicht op straat waardoor de verkeersveiligheid met name voor voetgangers en fietsers verbetert.
7.2.2.3 Conclusie mobiliteit Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
7.2.2.4 Toetsing parkeren Momenteel gelden de 'Beleidsregels Parkeren 2025'. De oude parkeernormen droegen niet voldoende bij aan de gewenste mobiliteitstransitie en leidden tot de realisatie van parkeerplaatsen die in de praktijk niet worden gebruikt, met bijbehorende hoge kosten voor een initiatiefnemer. Er was behoefte aan nieuwe normen die de komende jaren bij ruimtelijke ontwikkelingen de mogelijkheid bieden om flexibiliteit en maatwerk toe te passen. Dit vormde de basis voor de voorgestelde beleidsregels in deze nota. Door het verlagen van de parkeernormen en het toevoegen van mogelijkheden voor maatwerk, moet het mogelijk zijn om onze woningbouwdoelstelling te behalen. Deze versie is een doorontwikkeling van de versie 2022. Zoals hierboven vermeld is het besluitgebied gelegen in de '1e schil'. Op basis van de beleidsregels. De basis voor de Nijmeegse parkeernormen is het minimum van de kencijfers van het CROW per functie en de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’. Zoals hierboven vermeld is het besluitgebied gelegen in de '1e schil'. Met het voornemen worden in totaal 282 nieuwe woningen gerealiseerd. De toename van de 114 woningen moeten worden verantwoord. In de huidige situatie wordt de bestaande parkeerdruk verwerkt in het openbaar gebied.
De parkeerdruktoename berekend aan de hand van de norm van de gemeente Nijmegen van 0,6 parkeerplaats in de Schil 1e Ring voor een Huur, appartement, betaalbaar (= middelduur en sociale huur). Er is geen gebruik gemaakt van de lagere norm voor appartementen onder de 50m². Voor het bereiken van het aantal parkeerplaatsen is een marge aangehouden van twee woningen. Dit omdat er in het voortraject nog onduidelijkheden waren over het exacte programma. Er is toen uitgegaan van totaal 284 woningen een toename van 116 i.p.v. 114 woningen. De netto toename van de parkeerbehoefte is bepaald op basis van de gemeentelijk normering. De toekomstige parkeerbehoefte bedraagt 71 extra parkeerplaatsen (116 x 0,6). Om te voldoen aan deze parkeervraag wordt het benodigde aantal extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze beoogde parkeeroplossing met de bijbehorende parkeervraag is verwerkt in het inrichtingsplan. De realisatie van de benodigde parkeerplaatsen in aangeduid in de onderstaande uitsnede. Een complete weergave is opgenomen als Bijlage 7 Verantwoordingskaart Parkeren.
55
Verantwoording parkeerdruk Op dit moment vindt er met tot betrekking parkeren en de voorgestelde parkeeroplossing nog afstemming plaats tussen de gemeente en de woningbouwcorporatie. Er worden een aantal oplossingen voorgesteld van zowel het realiseren van nieuwe parkeerkoffers als het herinrichten van bestaande parkeeroplossingen. Om te beoordelen of de mogelijke oplossingen, waarbij zowel nieuwe parkeerkoffers worden gerealiseerd en bestaande parkeeroplossingen worden heringericht, het gewenste resultaat hebben, is door Studie Verbinding een parkeerdrukmeting (d.d. 04-04-2025) uitgevoerd. De cijfers zijn daarnaast bepaalt aan de dag waarop de hoogste parkeerdruk plaatsvindt. Op basis van het rapport van Studio Verbinding is dit op dinsdagnacht 18 maart. Er wordt uitgegaan van 85% bezetting. Onderstaande straten worden cf. parkeerdrukmeting studio verbinding in de balans / parkeeroplossing meegenomen.
Er is lokaal gekeken (directe nabijheid van de nieuwbouw) naar mogelijke parkeeroplossingen. Wanneer een straat in de nabijheid van de nieuwbouw nu parkeerdruk ervaart, wordt deze parkeerdruk meegenomen in de balans. Uit het parkeerdrukonderzoek in de omgeving blijkt dat er op sommige plekken spanning is. Op andere plekken is er weer ruimte. Onder de streep blijkt er ruimte in de omgeving. Deze vrije ruimte leidt samen met de te creëren ruimte door herinrichting tot het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bovenstaande leidt tot de onderstaande mogelijke opties.
56
Op basis van de bovenstaande tabellen blijkt dat het realiseren van nieuwe parkeerkoffers en het herinrichten van bestaande parkeeroplossingen het gewenste resultaat hebben. Op basis van het bovenstaande blijkt dat op verschillende manieren kan worden voldaan aan de extra parkeerbehoefte van 71 parkeerplaatsen. Doordat er in de huidige situatie nog niet op eigen terrein wordt geparkeerd is er sprake van een aanzienlijke verbetering. De parkeerdruk in de wijk Neerbosch-Oost zal dus duidelijk afnemen.
7.2.2.5 Conclusie parkeren Voor het ontwerp geldt dat parkeren is voorzien buiten het besluitgebied op locaties in de functie Groen. Parkeren is ter plaatse van de functie 'Groen' niet toegestaan. Er is hierbij dus nog geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om strijdigheden te voorkomen worden deze locaties meegenomen in het besluitgebied en voorzien van gebiedsaanwijzing 'openbaar toegankelijk gebied'. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. In de voorschriften behorende bij deze bopa is geborgd dat ook daadwerkelijk wordt voorzien in de aanleg van voldoende parkeergelegenheid. Door te voldoen aan de parkeernorm, wordt het realiseren van voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd. Doordat er in de huidige situatie nog niet op eigen terrein wordt geparkeerd is er sprake van een aanzienlijke verbetering. De parkeerdruk in de wijk Neerbosch-Oost zal dus duidelijk afnemen. Het aspect 'Parkeren’ vormt geen belemmering voor het beoogde voornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Milieuaspecten
7.3.1 Lichthinder 7.3.1.1 Algemeen In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen. Voor lichthinder bij sportvelden bevat de bruidsschat specifieke regels. Het gaat om regels die niet vanuit het Activiteitenbesluit zijn overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. De bruidsschat zorgt ervoor dat deze regels landen in de omgevingsplannen van de gemeenten. Deze regels kan de gemeente in het omgevingsplan aanpassen en afstemmen op de lokale omstandigheden. In 2020 is de Richtlijn Lichthinder uitgebracht door de NSVV (Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde). Deze biedt richtlijnen voor het voorkomen van lichthinder. Deze richtlijn omvat de inhoud van de vijf genoemde reeds uitgegeven delen, aangevuld met de richtlijnen voor het voorkomen van lichthinder door lichtuitstraling van 57
gebouwen. Tevens is meer aandacht besteed aan de dynamiek in de reclameverlichting en het beperken van negatieve effecten van verlichtingsinstallaties op de wijdere omgeving. De inhoud is bovendien geactualiseerd op basis van voortschrijdend inzicht, opgedane ervaringen, maatschappelijke en technische ontwikkelingen. De delen 1 t/m 5 en voorgaande drukken komen hiermee te vervallen.
7.3.1.2 Toetsing Bij het voornemen is er geen sprake van het realiseren van sportvelden of kassen ten behoeve van tuinbouw. Verder bevindt zich in de omgeving van het besluitgebied geen kwetsbare natuur die hinder kan ondervinden van overmatig licht. Voor zover mogelijk dient lichthinder echter altijd te worden voorkomen of te worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau van lichthinder. De aanvaardbaarheid is ook voor voorliggend voornemen beoordeeld. Voor het voornemen geldt dat er enkele sprake zal zijn van reguliere gebouwverlichting. De toekomstige woongebouwen zullen niet meer licht veroorzaken dan een woongebouw in de bebouwde omgeving. De lichtproductie zal gelijk zijn met een appartementengebouw inclusief parkeervoorzieningen van dezelfde omvang binnen bebouwd gebied.
7.3.1.3 Conclusie Verlichting van de openbare ruimte zal terughoudend worden aangebracht zonder overlast naar de omgeving te veroorzaken. Het voornemen zal niet voor overmatige lichthinder zorgen en acceptabel zijn binnen bebouwd gebied.
7.3.2 Geluid 7.3.2.1 Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Geluid is van invloed op de gezondheid. Daarom stellen we regels aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid afkomstig van bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Als de geluidbelastingen aanvaardbaar zijn conform art. 5.59 & art. 5.78 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan regels voor bepaling van de aanvaardbaarheid van spoorweglawaai, wegverkeerslawaai, industrielawaai, windturbines, schietbanen en “Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten”. In de omgevingsregeling (Or) staan de rekenregels en toelichtingen. Deze regels gelden bij (planologisch mogelijk gemaakte) gevels van geluidgevoelige gebouwen (art. 3.21 Bkl), randen van ligplaatsen voor woonschepen of staplaatsen voor woonwagens (art. 3.23 Bkl). De vereiste rekenhoogtes staan in art. 3.2 van de Omgevingsregeling. Het Bkl werkt met een stelsel van standaardwaarden en grenswaarden. Het geluidsniveau is altijd aanvaardbaar als er wordt voldaan aan de standaardwaarden (art. 5.64, art. 5.75, art.5.77 en art. 5.78 Bkl).
Voor bepaalde soorten geluidbronnen (bronsoorten) mag de standaardwaarde worden overschreden, maar niet de grenswaarde. Voor enkele andere bronsoorten kunnen op lokaal niveau lagere of hogere standaardwaarden vastgesteld worden (art. 5.66, art. 5.74 & art. 5.76 Bkl). Overschrijding van een standaardwaarde of toepassing van een hogere standaardwaarde mag als: • De cumulatieve geluidbelasting met andere geluidsbronnen aanvaardbaar is; • Er voldaan wordt aan de lokale beleidsregels. Overschrijding van een standaardwaarde of toepassing van een hogere standaardwaarde mag zonder zwaarwegende belangen nooit leiden tot een overschrijding van een grenswaarde (paragraaf 5.1.4.2a Bkl). Nijmegen heeft de “Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024” vastgesteld. In dit beleid staan de voorwaarden waaronder overschrijding van de standaardwaarde door wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai aanvaardbaar is. Nijmegen heeft bij vaststelling van deze bopa geen afwijkende standaardwaarden vastgesteld. 58
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De geluidbelasting door (spoor)wegen en industrieterreinen wordt beoordeeld binnen geluidaandachtsgebieden (Bkl art. 3.20, Or bijlage IVc). Geluidaandacht gebieden zijn gebieden langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Deze beoordeling vindt plaats bij: • De bepaling van de geluidsemissie door een spoorweg, weg, industrieterrein (Afdeling 3.5 Bkl). • Een wijziging van een omgevingsplan of aanvraag van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit die leidt tot het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen en locaties (paragraaf 5.1.4.2a Bkl). • Een wijziging van een omgevingsplan of aanvraag van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit die leidt tot wijziging van een weg, spoorweg of industrieterrein (paragraaf 5.1.4.2a Bkl). • Een wijziging van een omgevingsplan of aanvraag van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit die leidt tot 1,5 dB grotere geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen en locaties door wegen buiten het besluitgebied (art. 5.78af Bkl). Er zijn geluidaandachtsgebieden voor bronnen met geluidproductieplafonds (GPP’s), zoals hoofdspoorwegen, rijkswegen, provinciale wegen en industrieterreinen.
Met een geluidproductieplafond wordt de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid op een referentiepunt nabij een geluidbron bedoeld. Verder zijn er geluidaandachtsgebieden voor bronnen met een basisgeluidsemissie (gemeentelijke wegen). Vanuit de Aanvullingswet geluid Omgevingswet geldt een overgangsregeling voor provinciale wegen en industrieterreinen waarvoor nog geen GPP’s zijn vastgesteld. In dat geval geldt de Wet geluidhinder, met de daarbij behorende geluidzones, nog. Het Bkl, hoofdstuk 12, geeft hierbij aanvullende instructies. Binnen de geluidaandachtsgebieden gelden op grond van art. 3.35 & 5.78t Bkl de volgende standaardwaarden en grenswaarden: Geluidbronsoorten
Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarde Lden (dB)
in Grenswaarde in Lden (dB) Aanleg of aanpassing bron
50
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen 60
53
70
70
55
65
70
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
65
Tabel met geluidswaarden Toepassing van een waarde hoger dan de standaardwaarde is voor een nieuw geluidgevoelig gebouw of terrein niet aanvaardbaar zolang er geluidbeperkende maatregelen kunnen worden toegepast (art. 5.78u lid 3 Bkl). Geluidbeperkende maatregelen bij de bron of in de overdracht worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (art. 3.28 Bkl). De financiële doelmatigheid wordt bepaald met behulp van art. 3.49 t/m 3.54 Bkl en art. 3.51 bijlage Va Bkl. Deze toets geldt conform art 5.78s Bkl enkel in de geluidsaandachtsgebieden bepaald conform bijlage IVa van de Omgevingsregeling. De Nijmeegse “Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024” geven aan in welke situaties, en onder welke voorwaarden, een overschrijding van de standaardwaarde aanvaardbaar wordt geacht. Artikel 3 van deze beleidsregels geeft aan op welke soort locaties in de stad en bij welke gebruiksfuncties een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde toelaatbaat is. In artikel 4 staan de voorwaarden waaraan nieuwe woningen moeten voldoen.
59
Wordt voor één of meer van de bronsoorten de standaardwaarden overschreden, dan moet op basis van het art. 3.38 Bkl en de Omgevingsregeling art. 3.26, het gezamenlijke geluid berekend worden. De waarde van dit gezamenlijke geluid, minus de geluidwering van het bouwwerk, berekend op basis van art. 4.103 Bbl, dient 33 dB of lager te zijn. Deze 33 dB betreft het binnenniveau. Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten Onder deze noemer vallen alle activiteiten die niet onder een van de voorgaande categorieën vallen. Bij verlening van een bopa houdt de gemeente rekening met de aanvaardbaarheid van dit geluid in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor beoordeling van het risico op een mogelijk niet aanvaardbare geluidbelasting wordt aansluiting gezocht bij de milieuzonering nieuwe stijl van de VNG. Deze zonering rekent met een geluidruimte die een activiteit nodig heeft ten opzichte van gemengd gebied of een rustige woonwijk. Is de afstand kleiner dan de afstand van de activiteit tot de zonegrens, dan kan een plan leiden tot onwenselijke geluidbelastingen. Een te korte afstand kan daarbij leiden tot een beperking van de mogelijkheden voor een activiteit. Het uitgangspunt van gemeente Nijmegen is het respecteren van bestaande “geluidsrechten” en hierbij toe te zien op geluidbelastingen in lijn met de adviezen van de VNG.
Hogere geluidbelastingen dan de door de VNG geadviseerde geluidbelastingen zijn toelaatbaar mits deze aanvaardbaar zijn. Valt een (toekomstig) geluidgevoelig gebouw of terrein binnen een geluidzone van een (geprojecteerde) activiteit, dan wordt de geluidbelasting beoordeeld. Een geluidbelasting lager dan de standaardwaarde uit het art. 5.65 Bkl wordt aanvaardbaar geacht. Wordt de standaardwaarde uit het art. 5.65 Bkl overschreden, dan wordt het cumulatieve geluid met de andere activiteiten van deze categorie beoordeeld. Hoewel nog niet in beleidsregels vastgelegd, is het in het kader van de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties verdedigbaar om voor de beoordeling van het cumulatieve geluid op de gevel aan te sluiten bij de “Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024”.
7.3.2.2 Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).
7.3.2.2.1 Toetsing geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen Voor de toekomstige woongebouwen van Woonwaarts binnen het besluitgebied, geldt dat sprake is van nieuwe gebouwen met woonfunctie. Er is hierdoor sprake van geluidgevoelige gebouwen conform artikel 3.21 van het Bkl. De locaties zijn onder andere gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Graafseweg, O.C. Huismanstraat en de Serenadestraat. Daarnaast ligt het besluitgebied is de 'geluidzone - industrie' op basis van het industrieterrein Winkelsteeg dat gevestigd is tussen de Graafseweg en de Nieuwe Dukenburgseweg. De geluidzone berust voornamelijk op het bedrijf NXP. Vanwege de ligging in de geluidaandachtsgebieden op basis van de omliggende wegen en het nabijgelegen industrieterrein, is door Peutz een Quickscan geluid wegverkeer, railverkeer en industrie (Bijlage 8) opgesteld. In dit onderzoek wordt toegelicht waar de standaardwarde en grenswaarde worden overschreden en waar maatregelen benodigd zijn. De bevindingen uit de Quickscan worden hieronder toegelicht. Voor de woongebouwen van Woonwaarts geldt dat er een geluidluwe zijde met buitenruimte en slaapkamer aan deze zijde kan worden gerealiseerd door bijvoorbeeld het toepassen van een loggia, een gesloten (verhoogde) borstwering bij het balkon of door het plaatsen van voorzetramen (zoals SilentAir).
De meest geschikte oplossing is afhankelijk van de benodigde geluidreductie.
60
Bovenstaande geldt echter niet voor alle woningen. De overige woningen binnen het deelgebied van Woonwaarts beschikken zonder aanvullende maatregelen reeds over een geluidluwe zijde. Welke gebouwen wel maatregelen behoeven, is weergegeven op de onderstaande uitsneden.
Getal geeft de overschrijding aan in dB ten opzichte van 'geluidluw' Afhankelijk van de situering van de buitenruimte (wel of niet aan de geluidbelaste zijde) zijn aanvullende maatregelen nodig. Bij de oranje en rode bollen moet ten minste één slaapkamer aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd. Bij rood geldt dat de betreffende gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen moet worden uitgevoerd. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is een gevel die 2 typen maatregelen kan hebben: • geen te openen delen; • maatregelen waarmee het geluid op de te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied of nietgemeenschappelijke verkeersruimte, niet hoger is dan de grenswaarde. Op de onderstaande uitsnede is een samenvatting van de bevindingen voor de woongebouwen weergegeven.
61
Schetsmatig overzicht geluidmaatregelen woongebouwen Woonwaarts
7.3.2.2.2 Conclusie (spoor)wegen en industrieterreinen Mits voldaan aan de geluidwerende maatregelen en waarvan de werking is aangetoond middels een akoestisch onderzoek kan op basis van het bovenstaande worden geconcludeerd dat de aspecten (spoor)weglawaai en industrielawaai geen belemmering vormen voor de realisatie van het voorliggende voornemen. Voor de verdere uitwerking van het bouwplan zal ter zijner tijd nog een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd moeten worden. De bovenstaande getekende gebouwvolumes komen niet 1-op-1 overeen met de ingetekende bouwvolumes. Een gedeelte van de meest kritische kopse gevel ligt iets terug. Dit moet in het vervolgonderzoek juist worden meegenomen. Op het moment dat dit onderzoeken (bij de aanvraag bouwactiviteit) goed wordt uitgevoerd vormt het aspect 'Geluid' geen belemmering voor de uitvoering van deze BOPA. Daarnaast moet worden opgemerkt dat mogelijke bouwkundige maatregelen een extra investering zullen vergen, waardoor bouwkosten hoger uitvallen. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3.2.3 Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten 7.3.2.3.1 Toetsing geluid door activiteiten Met de realisatie van de woongebouwen worden geen nieuwe geluid producerende activiteiten mogelijk gemaakt. Woongebouwen zijn daarnaast op basis van de bestaande woonfuncties reeds toegestaan binnen het besluitgebied.
7.3.2.3.2 Conclusie geluid door activiteiten Er dient uiteindelijk aandacht te worden besteed aan de geluidsproductie van toekomstige (klimaat) installaties. Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten vormt geen belemmering voor het voorliggende voornemen.
62
7.3.3 Trilling 7.3.3.1 Algemeen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn voor de bescherming van de gezondheid en het milieu instructieregels opgenomen ter voorkomen en beperking van trillinghinder. Het toepassingsbereik van deze instructieregels is gekoppeld aan een combinatie van trillinggevoelige gebouwen én aan op locatie toegelaten activiteiten. Trillinggevoelige gebouwen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, gezondheidszorgfuncties (met bed) en kinderopvang (met bed).
Dit houdt in, dat bij het verlenen van de bopa moet worden gewaarborgd dat activiteiten, die daarin worden toegestaan, niet leiden tot onaanvaardbare trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Herz in trillinggevoelige ruimtes binnen trillinggevoelige gebouwen. De instructieregels voor trillingen uit het Bkl zijn echter niet van toepassing op doorgaand verkeer, spoorwegen en vaarwegen. Trillingshinder door spoorweg Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richtlijn (van Stichting Bouwresearch), Beleidsregel Trillingshinder Spoor van de Rijksoverheid en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillingshinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor normaliter geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.
Trillingshinder door milieubelastende activiteiten, anders dan wonen, bouw- en sloopwerkzaamheden, milieubelastende activiteiten in de openbare ruimte, doorgaand verkeer op (spoor)wegen en vaarwegen, evenementen en mobiele installaties. In de Bruidsschat, die onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan, zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie. De regels bieden trillinggevoelige gebouwen bescherming tegen trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt door een activiteit op een locatie. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. Zie Omgevingsplan/Bruidschat art. 22.88 en art. 5.87a.
7.3.3.2 Toetsing De spoorweg bevindt zich op circa 85 meter ten zuiden van het deelgebied van Woonwaarts. De afstand tussen de spoorweg en de huidige flat op de hoek van de Cantatestraat en de Serenadestraat bedraagt circa 96 meter. Er dient hierdoor rekening te worden gehouden met trillingen. Conform voorstel in het trillingsonderzoek is in de planregels van 'Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert' (overzijde van hetzelfde spoor) opgenomen dat bij de omgevingsvergunning voor bouwen voor trillingsgevoelige functies binnen 100 m van het spoor nader trillingsonderzoek nodig is. Trillingsgevoelige functies zijn omschreven in de SBR richtlijn-B. Het gaat onder andere om wonen, kantoren en kritische ruimtes zoals laboratorium of studiezalen. Voor voorliggend voornemen zal in de voorwaarden worden opgenomen dat voor woongebouwen die binnen 100 meter van het spoor worden gerealiseerd voor de aanvraag van de bouwvergunning een nader onderzoek naar trillingshinder nodig zal zijn. Voor het ruimtelijk regelen worden op basis van het bovengenoemde onderzoek ten aanzien van de uitvoerbaarheid geen belemmering verwacht. Op het moment dat dit onderzoeken goed wordt uitgevoerd vormt het aspect 'Trillingen' geen belemmering voor de uitvoering van deze bopa.
Wel moet worden opgemerkt dat mogelijke bouwkundige maatregelen een extra investering zullen vergen, waardoor bouwkosten hoger uitvallen. 63
7.3.3.3 Conclusie Er kan worden aangenomen dat het aspect 'Trillingshinder' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voornemen. Om echter zeker te zijn is trillingsonderzoek noodzakelijk. Deze bopa is uitsluitend uitvoerbaar voor het aspect 'Trillingshinder' als voldaan wordt aan het volgende voorschrift: • Ingebruikname van trillinggevoelige bebouwing in de zone tot 100 meter van het spoor is uitsluitend toegestaan nadat middels het nemen van maatregelen wordt voldaan aan de streefwaarde uit de Richtlijn B "Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn" van de Stichting Bouwresearch.
7.3.4 Luchtkwaliteit 7.3.4.1 Algemeen Voor luchtkwaliteit gelden doelen en omgevingswaarden. De doelen voor luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het Schone Lucht Akkoord, waarbij gemeente Nijmegen streeft naar het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit. Dit moet leiden tot een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Hierdoor leven mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit van leven. Initiatieven moeten een positieve bijdrage leveren aan de maatregelen die hieruit voortvloeien. Deze maatregelen zijn vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma 2020-2030 ('Op weg naar een gezonde luchtkwaliteit'). Naast het Schone Lucht Akkoord zijn in Afdeling 2.2. van het Bkl omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon opgenomen. In Nederland worden over het algemeen alleen mogelijke overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) verwacht. Als een BOPA activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide of fijnstof in de buitenlucht, dan moeten de omgevingswaarden uit afdeling 2.2. van het Bkl in acht worden genomen. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. In 2024 worden door de EU nieuwe omgevingswaarden vastgesteld. Hierbij worden de waarden verder aangescherpt en komen er voor meerdere stoffen resultaatsverplichtingen.