CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Preview wijzigingsbesluit OP-2024-01

Besluitronde (raadsvergadering) 16 april 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Definitief besluit 'Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2024-01' (19/2025)46.174 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

tot 1900 (roze);

2.

1900-1945 (blauw);

3.

1945-1965 (groen);

4.

1965- heden (paars);

5.

Waalsprong (geel).

Door de agrarische activiteiten die in het verleden plaatsvonden in het deel van Nijmegen ten noorden van de Waal (m.n. kassenteelt en boomgaarden), komen bestrijdingsmiddelen hier op grote schaal voor in de bodem. De omvang van deze activiteiten waren dermate groot dat deze op het niveau van een bodembeheerzone bepalend zijn voor de bodemkwaliteit. Door de strenge hergebruiksnormen voor grond verontreinigd met drins wordt het hergebruik van deze grond sterk beperkt. Het is daarom logisch om het kader van het bodembeheer te gebruiken om de mogelijkheid voor het hergebruik van deze grond te verruimen. Er zijn daarom in de loop van de tijd twee deelgebieden toegevoegd:

67

6.

Waalsprong ophoging (turquoise);

7.

Waalsprong-kassen (donkerpaars).

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

De homogene deelgebieden zijn zo gekozen, dat binnen zo’n gebied een vergelijkbare bodemkwaliteit wordt verwacht. Dan nóg kunnen de gehaltes van een bepaalde stof binnen zo’n gebied behoorlijk variëren. Er is dus niet een enkel vast gehalte aanwezig, maar een bepaalde verdeling van gehaltes. Het is deze verdeling die een homogeen deelgebied karakteriseert. Om het deelgebied toch getalsmatig te kunnen kenmerken wordt gebruik gemaakt van statistische kentallen. In Nijmegen worden de P95 als basis gebruikt. In 95 procent van de gevallen ligt de bodemkwaliteit voor de gehaltes van de essentiële stoffen onder de vastgestelde waarde en in 5 procent daarboven. De Nota Bodembeheer vormt de basis voor voorliggende thematische wijziging van het omgevingsplan. Dit wijzigingsbesluit voorziet in een grotendeels beleidsneutrale vertaling van de Nota Bodembeheer naar juridische regels in het omgevingsplan. Dit betekent dat het beleid uit de Nota bodembeheer inhoudelijk een-op-een wordt overgenomen in het omgevingsplan. Deze thematische wijziging heeft dus als doel het vigerende bodembeleid over te nemen en te integreren in (de structuur van) het omgevingsplan. Het beleid ten aanzien van bodem(beheer) gaat namelijk over de fysieke leefomgeving en hoort daarom thuis in het omgevingsplan. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt het bodembeheergebied van de gemeente Nijmegen aangewezen.

Dit bodembeheergebied beslaat in principe de hele bodem binnen het totale Ambtsgebied, met uitzondering van alle waterbodems (o.a. de Waal, het Maas-Waal kanaal, uiterwaarden, sloten en vijvers) binnen het Ambtsgebied. Het beheer van de waterbodem is een verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat en Waterschap Rivierenland. De hierboven genoemde 7 deelgebieden zijn vertaald naar ‘locaties’ in dit wijzigingsbesluit, zodat per deelgebied de juiste regels worden getoond in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

1.3.4.3 Bodemenergieplannen Stationsdistrict en Winkelsteeg De gemeente Nijmegen heeft voor de ontwikkelgebieden Stationsdistrict en Winkelsteeg bodemenergieplannen opgesteld. De ondergrond heeft een beperkte warmte en koude capaciteit. Daarom moeten de bodemenergiesystemen goed op elkaar worden afgestemd om die ondergrond zo efficiënt mogelijk te kunnen gebruiken. Om te borgen dat zo veel mogelijk partijen in de toekomst gebruik kunnen maken van bodemenergie wil de gemeente randvoorwaarden stellen aan het gebruik van bodemenergie. Regie op de ondergrond is gewenst en zorgt voor het voorkomen van ongewenste interferentie (negatieve interactie) tussen bodemenergiesystemen onderling of met andere ondergrondse functies. Hiertoe zijn in het bodemenergieplannen gebruiksregels opgesteld.

1.4 Wat we willen bereiken 1.4.1 Rijksdoelen 1.4.1.1 Omgevingswet Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten meer bestuurlijke afwegingsruimte om te sturen op (het bereiken van) doelen. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Bij het beschermen gaat het om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Om deze doelen te bereiken, kent de wet instrumenten voor gemeenten. Zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Eén van de doelen van de wet is het stellen van regels die eenvoudig, overzichtelijk, snel en adequaat kunnen worden uitgevoerd zodat maatschappelijke doelen efficiënter en effectiever kunnen worden bereikt. In artikel 2.1 van de Omgevingswet is bepaald dat gemeenten deze instrumenten in ieder geval kunnen inzetten voor het beschermen van de gezondheid (derde lid onder b) en het beschermen van het milieu (derde lid onder c). Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Dit wijzigingsbesluit is opgesteld met het oog op het beschermen van de fysieke leefomgeving tegen bodemverontreiniging en efficiënt gebruik van grondstoffen. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt concreet invulling gegeven aan de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Voorliggend wijzigingsbesluit beoogt bovendien de regels over bodem te bundelen op één plek, namelijk in het omgevingsplan.

1.4.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe

68

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. De kern van deze nieuwe aanpak is het integraal werken aan verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken. Het streven naar integraliteit, dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten, te weten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; • Afwentelen wordt voorkomen.

Binnen het NOVI-programma ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’ werkt het Rijk aan de beleidsontwikkeling om het water- en bodemsysteem meer sturend te laten zijn in ruimtelijke ontwikkelingen. Dit is opgenomen in de beleidsbrief ‘Water en Bodem Sturend’ van het kabinet uit november 2022. Het programma heeft de ambitie om toe te werken naar vitale bodems, een efficiënt en duurzaam ingerichte ondergrond en voldoende grondwater van een geschikte kwaliteit. Een vitale bodem wordt hierbij gedefinieerd als een bodem die zowel chemisch, fysisch als biologisch in balans is en de gewenste ecosysteemdiensten kan leveren. Doorwerking in dit wijzigingsbesluit In het algemeen wordt door middel van deze thematische wijziging beoogd een gezonde leefomgeving te waarborgen, de kwaliteit van de bodem te beschermen en waar mogelijk te verbeteren. Verder wordt ingezet op de mogelijkheden voor toezicht en handhaving om te kunnen optreden bij activiteiten die een negatief effect (kunnen) hebben op de kwaliteit van het grondwater. Zodoende draagt dit wijzigingsbesluit bij aan de realisatie van de in de NOVI en het daarbij behorende programma ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’ doelstellingen

1.4.2 Provinciale doelen 1.4.2.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – geeft de Omgevingsvisie hier richting aan. Doorwerking in dit wijzigingsbesluit In 2050 is Gelderland klimaatneutraal. De provincie wil dit bereiken door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt niet actief aangestuurd op bodemenergie, maar wordt het gebruik van de ondergrond voor bodemenergiesystemen wel gereguleerd. Daarmee wordt voorkomen dat bodemenergiesystemen elkaar negatief beïnvloeden, zodat de bodem efficiënt benut kan worden. Voor de thematische wijziging op bodem hoeft verder geen rekening te worden gehouden met de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’. De visie vormt dus geen belemmering voor de uitvoering van deze wijziging van het omgevingsplan op het thema bodem.

1.4.3 Regionale doelen

69

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

1.4.3.1 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen

Concept

Op 1 januari 2021 is de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen opgericht. Dit is de opvolger van het regionaal orgaan Arnhem Nijmegen. In de Groene Metropoolregio werken 18 gemeenten uit de regio Arnhem Nijmegen samen aan de realisatie van vijf grote regionale opgaven: Circulaire regio, Productieve regio, Ontspannen regio, Groene groeiregio en Verbonden regio. Met een regionale agenda wordt hier vorm en inhoud aan gegeven. De regionale agenda werkt door in het gemeentelijk beleid. Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Het regionale beleid doet geen uitspraken over het thema bodem en is derhalve niet van belang voor deze thematische wijziging. Daarom worden de regionale ambities in relatie tot dit wijzigingsbesluit verder buiten beschouwing gelaten.

1.4.4 Gemeentelijke doelen 1.4.4.1 Omgevingsvisie 'Nijmegen Stad in Beweging' Op 28 oktober 2020 stelde de gemeenteraad van Nijmegen de Omgevingsvisie 2020-2040 vast: Nijmegen - Stad in beweging. In de omgevingsvisie legt de gemeente Nijmegen haar langetermijnvisie tot 2040 voor de stad vast, met richtinggevende speerpunten voor de sociaaleconomische en fysieke leefomgeving. In de visie staan vier opgaven centraal: • economisch veerkrachtige stad; • sociale en gezonde stad; • aantrekkelijke stad; • duurzame stad.

De omgevingsvisie dient vier doelen: a. Een kader en inspiratie bieden voor initiatiefnemers uit de stad. b. Het geven van spelregels voor afstemming met de omgeving bij ontwikkelingen. c. Het in samenhang presenteren van de Nijmeegse ambities, als uitgangspunt bij het werk van medewerkers van de gemeente. d. Te gebruiken als sturingsinstrument voor het college van B&W en de gemeenteraad bij ruimtelijke ontwikkelingen en investeringen. De vier opgaven voor Nijmegen zijn goed te combineren, we kijken daarom naar integrale oplossingen. Waarbij we een vraagstuk vanuit meerdere invalshoeken benaderen en de oplossing bijdraagt aan het oplossen van meerdere problemen. Hieronder de kern van de richtinggevende keuzes uit de omgevingsvisie. Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Voor het besluitgebied is vooral de opgave 'Groen, gezonde stad' relevant. We willen als stad bijdragen aan de gezondheid van onze inwoners en het verbeteren van de biodiversiteit. Een gezonde leefomgeving is daarbij een belangrijk integraal thema, waarbij het o.a. gaat om luchtkwaliteit, geluidsbelasting, hitte, groen en water, bewegen en mobiliteit, ontmoeten en voorzieningen. Dichtbij huis zijn er mogelijkheden om te ontmoeten, wandelen, spelen en sporten. Daarvoor ontwikkelen we onder meer een netwerk van aantrekkelijke beweegroutes op stad- en wijkniveau.

In het algemeen wordt door middel van deze thematische wijziging beoogd een gezonde leefomgeving te waarborgen en de kwaliteit van de bodem waar mogelijk te verbeteren. In de omgevingsvisie wordt ingezet op (speel)voorzieningen op wijkniveau, buurtmoestuinen en stadslandbouw. Dit zijn functies waarbij personen (waaronder ook kinderen) in contact komen met de bodem. Om de gezondheid van onze inwoners te waarborgen bevat dit wijzigingsbesluit daarom ook enkele beleidsrijke wijzigingen. Zo is de definitie van ‘bodemgevoelige locatie’ (artikel 5.89h Bkl) uitgebreid met: • een speeltuin, speelplein of anderszins aangewezen locatie waar kinderen spelen; • een volkstuinencomplex; • een buurtmoestuin; en • aangewezen locaties voor stadslandbouw.

Bij het toevoegen van een dergelijke bodemgevoelige locatie vindt de gemeente Nijmegen het wenselijk dat bodemonderzoek plaatsvindt. Met dit wijzigingsbesluit wordt dit juridisch verankerd in het omgevings-

70

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

plan. Daarmee draagt voorliggend besluit bij aan het creëren, verbeteren en waarborgen van een groene, gezonde stad. Een andere relevante opgave is de energieopgave. Nijmegen heeft als doel uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Om dit te bereiken wordt voor de ontwikkelgebieden Winkelsteeg en Stationsdistrict ingezet op open bodemenergiesystemen. Omdat de ondergrond een beperkte warmte en koude capaciteit heeft, moeten de bodemenergiesystemen goed op elkaar worden afgestemd om die ondergrond zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Er is sprake van schaarste in deze gebieden en daarom is sturing nodig. Voor zowel het Stationsdistrict als Winkelsteeg zijn dan ook bodemenergieplannen opgesteld. Daarmee wordt geborgd dat zo veel mogelijk partijen in de toekomst gebruik kunnen maken van bodemenergie. Om hier goed op te kunnen sturen worden de voornoemde ontwikkelgebieden aangewezen als ‘interferentiegebied’. Dit betekent dat het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem in deze gebieden vergunningplichtig wordt. Daarmee kan gestuurd worden op het voorkomen van negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling. Gelet op het voorgaande draagt dit wijzigingsbesluit bij aan de in de omgevingsvisie geformuleerde doelen voor een duurzame en groene, gezonde stad.

1.5 Wat we gaan wijzigen 1.5.1 Inleiding Met de voorliggende wijziging worden regels voor het thema bodem geïntegreerd in het omgevingsplan. Het betreft een zogenaamde ‘thematische wijziging’. Dit betekent dat deze regels voor het hele Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen gaan gelden. Doel van deze wijziging is het vertalen van het Nijmeegs bodembeleid (zoals dit al van toepassing was vóór 1 januari 2024) naar regels in het omgevingsplan. Deze regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid van personen en het beschermen van het milieu en vormen een aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op de wijzigingen. De toelichting op de afzonderlijke artikelen staan in de artikelgewijze toelichting bij het omgevingsplan.

1.5.2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen door middel van een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Een gebiedsaanwijzing is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met dit omgevingsplan worden vijf gebieden aangewezen voor het thema bodem: het bodembeheergebied en vier bodemkwaliteitsgebieden. De gebiedsaanwijzingen zijn geometrisch begrensd en krijgen daarmee een juridische status. Het bodembeheergebied van de gemeente Nijmegen beslaat in principe het hele Ambtsgebied, met uitzondering van de waterbodems (o.a. de Waal, het Maas-Waal kanaal en de uiterwaarden). Het beheer van de waterbodem is een verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat en Waterschap Rivierenland en maakt derhalve geen onderdeel uit van het bodembeheergebied. Naast het aanwijzen van het bodembeheergebied zijn de 7 deelgebieden uit de Nota Bodembeheer 2021 vertaald naar zogenaamde bodemkwaliteitsgebieden. In dit wijzigingsbesluit worden 5 bodemkwaliteitsgebieden aangewezen: • Bodemkwaliteit – bestaande stad tot 1945 • Bodemkwaliteit – bestaande stad 1945 tot 1965 • Bodemkwaliteit – bestaande stad vanaf 1965 • Bodemkwaliteit – Waalsprong • Bodemkwaliteit – Veur Lent

De ligging van een locatie binnen één van deze bodemkwaliteitsgebieden bepaalt de zwaarte van de onderzoekslast. In een gebied dat verdacht is op bodemverontreiniging is de onderzoekslast vanzelfsprekend groter dan in een gebied dat niet verdacht is. Tegelijkertijd is de ondergrond complex en zijn de hierboven genoemde bodemkwaliteitsgebieden in een aantal gevallen te generaliserend. Binnen een gebied dat niet verdacht is op bodemverontreinigingen kan plaatselijk toch sprake zijn van een verdachte bodemlocatie. Deze verdachte locaties zijn daarom opgenomen in een extern register, dat voortdurend actueel wordt gehouden. Het register bevindt zich op een externe, vrij toegankelijke website (milieuatlas). Dit register vindt zijn grondslag in artikel 3.9 van dit omgevingsplan.

71

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

Naast het bodembeheergebied en de bodemkwaliteitsgebieden wordt in hoofdstuk 3 een ‘Beperkingengebied energie - interferentiegebied’ aangewezen. Een interferentiegebied is een gebied waarbinnen bodemenergiesystemen worden toegepast. Daarbij kan negatieve interferentie ontstaan tussen bodemenergiesystemen onderling. Om dit te voorkomen is het wenselijk aanvullende regels te stellen aan het aanleggen van bodemenergiesystemen in deze gebieden.

1.5.3 Beschermen van de fysieke leefomgeving In hoofdstuk 4 van het omgevingsplan worden de komende jaren regels opgenomen om de fysieke leefomgeving te beschermen. Deze wijziging ziet toe op het toevoegen van regels ten aanzien van bodem. Aan hoofdstuk 4 wordt een afdeling 4.2 (Bodem) toegekend. In deze afdeling wordt een paragraaf 4.2.1 toegevoegd, waarin regels worden gesteld aan het ‘bouwen of uitbreiden van een bodemgevoelig gebouw’ en het ‘toevoegen van een bodemgevoelige locatie’. Deze regels vinden hun grondslag in de bruidsschat en de Nota Bodembeheer 2021. De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid van personen tegen bodemverontreiniging. Paragraaf 4.2.1 bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Deze waarden vormen een aanvulling op de interventiewaarden bodemkwaliteit in bijlage IIa bij het Bal. De lijst met stoffen waarvoor een interventiewaarde is opgesteld is limitatief en beperkt. Zo ontbreekt bijvoorbeeld PFAS. Omdat voor veel activiteiten wordt gerefereerd aan deze lijst, is er geen basis om bij die activiteiten eisen te stellen als er een hoog gehalte wordt aangetroffen. Onder de Wet bodembescherming werd ook gewerkt met INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging) of met eerder vastgestelde normen.

In het vervolg van paragraaf 4.2.1 is een vergunningplicht opgenomen voor het toevoegen van een bodemgevoelige locatie of het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Dit vindt zijn grondslag in de bruidsschat. Aanvullend daarop wordt het in Nijmegen wenselijk geacht óók te kunnen toetsen aan de bodemkwaliteit bij het uitbreiden van een bestaand bodemgevoelig gebouw of het uitbreiden van een bodemgevoelige locatie (uitbreidingen groter dan 50 m2) en bij het toevoegen van woonruimte of een maatschappelijke functie in een bestaand bodemgevoelig gebouw (bijvoorbeeld bij het transformeren van een kantoorgebouw naar wonen). We vinden het namelijk belangrijk dat we onze bewoners beschermen tegen de gevolgen van eventuele bodemverontreinigingen.

1.5.4 Milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 7 van het omgevingsplan is voorbehouden aan regels over milieubelastende activiteiten. Met dit wijzigingsbesluit worden in hoofdstuk 7 drie nieuwe afdelingen toegevoegd met algemene bepalingen (7.1), regels over bodembeheer (7.2) en regels over energie (7.3). Deze regels vormen enerzijds een aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), anderzijds bevat hoofdstuk 7 maatwerkregels waarmee wordt afgeweken van het Bal. De regels in afdeling 7.2 zijn niet alleen gesteld met het oog op het beschermen van het milieu, maar ook met het oog op de gezondheid van onze inwoners. De regels in afdeling 7.3 zijn gesteld met het oog op het voorkomen van negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling en op andere ondergrondse functies. Graven in de bodem Ten aanzien van graven in de bodem worden er – in aanvulling op het Bal – twee informatieplichten opgenomen. Deze informatieplichten zijn ingesteld zodat de gemeente toezicht kan houden op nieuwe activiteiten of veranderingen. Bij het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde ontvangt de gemeente graag het uitvoerde voorafgaand bodemonderzoek, zodat de kwaliteit van de bodem geregistreerd kan worden binnen de gemeentelijke organisatie en er ook meteen getoetst kan worden.

Het besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels over een spoedreparatie (graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit). Deze regels zijn onverminderd van toepassing. De gemeente Nijmegen vindt het van belang dat de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) bij een spoedreparatie zo spoedig mogelijk op de hoogte wordt gesteld van de locatie, tijdstip en aard van een spoedreparatie. Om deze reden is een informatieplicht ingesteld. Tijdelijk uitnemen van grond Verder wordt in het omgevingsplan een algemene regel voor het tijdelijk uitnemen van grond opgenomen. Op grond van de Rijksregels mag grond na een ‘bewerking’ niet worden teruggebracht. Het toevoegen van een groenproduct wordt als zo’n bewerking beschouwd. Met een algemene regel wordt het toegestaan om uitgenomen grond (met een kwaliteit boven landbouw en natuur) terug aan te brengen op de oorspronkelijke locatie, na toevoeging van een groenproduct. Daarmee wordt voorkomen dat, bijvoorbeeld bij het planten van bomen, de uitgegraven grond volledig moet worden afgevoerd, terwijl het als bomen-

72

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

grond op de oorspronkelijke locatie kan worden hergebruikt. Dit sluit aan bij de ambities van de gemeente Nijmegen ten aanzien van circulariteit.

Concept

Saneren van de bodem Regels voor het saneren van de bodem zijn opgenomen in het Bal. In een aantal gevallen is het mogelijk af te wijken van deze regels. De memorie van toelichting bij het Bal beschrijft in welke gevallen dit mogelijk is. Saneringsaanpak Een mogelijke saneringsaanpak is het aanbrengen van een laag grond of baggerspecie. Op grond van artikel 4.1241, derde lid onder b van het Bal dient een afdeklaag met een minimale dikte van 1,0 meter aangebracht te worden. Het Bal biedt de mogelijkheid om met een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van minder dan 1,0 meter toe te staan. Het huidige beleid van de gemeente Nijmegen (Beleidsnota Bodem 2012) biedt de mogelijkheid een afdeklaag van 0,5 meter toe te passen bij gronden die gebruikt worden voor industrie/bedrijven. De gemeente vindt het wenselijk dit beleid voort te zetten. Om deze reden wordt in artikel 7.13 een afdeklaag met een minimale dikte van 0,5 meter voorgeschreven. Daarmee wordt voorkomen dat bij iedere sanering maatwerkvoorschiften opgelegd moeten worden om af te kunnen wijken van de minimale afdeklaag van 1,0 meter uit het Bal (artikel 4.1241, derde lid onder b). De bodemkwaliteit die met een sanering moet worden gerealiseerd, is per gebied verschillend en wordt bepaald door de functie die aan het gebied is toegekend.

De gemeente heeft de mogelijkheid om voor een of meerdere stoffen een afwijkende waarde vast te stellen door voor die stoffen in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen. De gemeente wenst van deze mogelijkheid gebruik te maken en heeft in dit wijzigingsbesluit per deelgebied terugsaneerwaarden opgenomen. Deze terugsaneerwaarden vinden hun grondslag in de Nota bodembeheer 2021 en worden beleidsneutraal overgenomen in het omgevingsplan. Nazorg In de bruidsschat zijn regels opgenomen voor nazorg nadat sanering onder de Omgevingswet heeft plaatsgevonden. Daarbij is onder meer bepaald dat een afdeklaag voor onbepaalde tijd in stand gehouden, onderhouden en vervangen moeten worden. Deze bruidsschatregels worden een-op-een overgenomen en krijgen een definitieve plek in afdeling 7.2. De gemeente voegt één artikel toe aan de bruidsschatregels over nazorg. Dit artikel biedt de grondslag voor een register waarin wordt bijgehouden op welke locaties een afdeklaag is aangebracht. In dit register staan de afdeklagen die zijn aangebracht onder de Wet bodembescherming én de Omgevingswet. Dit register wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders, is voor eenieder toegankelijk en altijd actueel. Door het register te raadplegen wordt duidelijk op welke locaties de nazorg van toepassing is.

Dit register is ingesteld met het oog op dienstverlening, zodat perceeleigenaren eenvoudig kunnen nagaan of er een afdeklaag op hun perceel aanwezig is. Toepassen (en opslaan) van bouwstoffen, grond of baggerspecie Het Bal bevat een informatieplicht voor het toepassen van bouwstoffen. Om eventueel te kunnen handhaven, voorafgaand aan de activiteit in te grijpen of na afronding van de activiteit te controleren, wordt met dit wijzigingsbesluit een meldingsplicht ingesteld. Het verschil tussen de meldingsplicht en de informatieplicht is dat het bij de meldingsplicht verboden is om te starten zonder dat op tijd een melding is gedaan. Dat betekent dat de gemeente de activiteiten mag stilleggen als de melding niet op tijd is gedaan. Het Bal staat toe om aanvullende (niet afwijkende) meldingsplichten op te nemen voor milieubelastende activiteiten die in het Bal staan. Een voorwaarde hierbij is dat dit nodig is voor (artikel 2.14 Bal) onder andere: • het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer; en • het beschermen van de kwaliteit van het grondwater.

Omdat Nijmegen verschillende grondwaterbeschermings- en waterwingebieden kent, vinden we het van belang de informatieplicht uit het Bal om te zetten in een meldingsplicht. Voor het toepassen van grond of baggerspecie zijn maatwerkregels opgenomen. Dit is een voortzetting van bestaan beleid. In het Bkl zijn kwaliteitseisen opgenomen voor het toepassen van grond of baggerspecie. In artikel 7.21 worden de kwaliteitseisen uit de Nota Bodembeheer 2021 (vastgesteld d.d. 22 de-

73

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

cember 2021) van toepassing verklaard. Deze kwaliteitseisen gelden in afwijking van de kwaliteitseisen als genoemd in artikel 4.1272 van het Bal. Ook voor het opslaan van grond of baggerspecie zijn maatwerkregels opgenomen. Ook dit is een voortzetting van bestaand beleid. In artikel 4.1250, tweede lid, van het Bal is bepaald wanneer het uitvoeren van een eindonderzoek nodig is bij het opslaan van grond of baggerspecie. In aanvulling op dit artikel is met dit wijzigingsbesluit geregeld dat het uitvoeren van een eindonderzoek niet nodig is wanneer de grond of baggerspecie wordt opgeslagen op een gesloten verhardingslaag, bestaande uit beton, asfalt, asfaltbeton, betonplaat, bestrating met klinkers of tegels of rijplaten. Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico In de bruidsschat zijn regels opgenomen voor activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Deze bruidsschatregels worden een-op-een overgenomen en krijgen een definitieve plek in afdeling 7.2. Gesloten bodemenergiesysteem installeren In artikel 22.260 van de bruidsschat zijn regels opgenomen voor het aanleggen van gesloten bodemenergiesystemen. Deze bruidsschatregels worden een-op-een overgenomen en krijgen een definitieve plek in afdeling 7.3.

Met voorliggende wijzigingsbesluit wordt de vergunningplicht in de bruidsschat ‘geactiveerd’ voor de ontwikkelgebieden Stationsdistrict en Winkelsteeg. Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen, zoals deze voor inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing was. Op grond van dit artikel geldt er een vergunningplicht voor gesloten bodemenergiesystemen in een interferentiegebied of met een vermogen van 70 kW of meer. Voor gesloten bodemenergiesystemen buiten een interferentiegebied en met een vermogen kleiner dan 70 kW blijft de meldingsplicht in paragraaf 4.111 van het Bal van toepassing.

1.5.5 Hoe de wijzigingen zich verhouden tot de bruidsschat In het tijdelijke omgevingsplan (bruidsschat) zijn de volgende regels opgenomen voor bodembeheer: Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN • Artikel 22.29, derde lid - Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen • Artikel 22.30 - Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie • Artikel 22.31 - Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.7 Bodembeheer • Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem • Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit • Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten • Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

De regels in afdeling 22.2 waren gekoppeld aan de activiteit ‘bouwwerk bouwen’. De wens bestaat om dit breder te trekken. De gemeente vindt het namelijk van belang dat er ook voorafgaand bodemonderzoek plaatsvindt bij het toevoegen van woonruimte of het starten van enkele specifieke maatschappelijke activiteiten (waarbij personen in direct contact met de bodem kunnen komen) al dan niet in een bestaand bodemgevoelig gebouw. Daarom wordt in dit wijzigingsbesluit niet alleen gesproken over het bouwen

74

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

van een bodemgevoelig gebouw, maar over ‘het bouwen of uitbreiden van een bodemgevoelig gebouw of het toevoegen van een bodemgevoelige locatie’. De regels hieromtrent zijn vervat in paragraaf 4.2.1 van het omgevingsplan. De bruidsschatregels uit de artikelen 22.29 (derde lid), 22.30 en 22.31 zijn hierin geïntegreerd en komen derhalve te vervallen. Paragraaf 4.2.1 is dus geen beleidsneutrale vertaling van de bruidsschatregels, maar bevat dus een aanscherping van deze regels. Dit doen we met het oog op het beschermen van de gezondheid van personen. Met dit wijzigingsbesluit komt paragraaf 22.3.7 van de bruidsschat te vervallen. Deze paragraaf bevat drie subparagrafen met regels over nazorg bij saneren (22.3.7.1), kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (22.3.7.2) en activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (22.3.7.3). De regels in subparagraaf 22.3.7.1 zijn ongewijzigd overgenomen en verplaatst naar paragraaf 7.2.6 van het omgevingsplan. Ook de regels in subparagraaf 22.3.7.3 zijn ongewijzigd overgenomen en nu ondergebracht in paragraaf 7.2.10 van het omgevingsplan. De regels ten aanzien van kleinschalig graven boven de interventiewaarden (22.3.7.2) komen te vervallen. Deze regels worden niet overgenomen in het permanente omgevingsplan.

Wel overnemen zou een aanscherping van het oude beleid zijn, die zou leiden tot een extra last voor de initiatiefnemer en tot een substantiële verhoging van de toezichturen. Gezien de geringe omvang van het grondverzet draagt deze regel niet veel bij aan bescherming van het milieu. De motivering van het Rijk bij artikel 22.30 van de bruidsschat bevestigt dit. Daarin wordt gesteld dat ‘de grens van 25 m3 bedoeld is om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt.’ Tot slot komt met voorliggend wijzigingsbesluit ook artikel 22.260 te vervallen. De regels uit dit artikel worden ongewijzigd overgenomen en verplaatst naar paragraaf 7.3.1 van het omgevingsplan. Daarbij wordt een actieve koppeling wordt gelegd met het in hoofdstuk 3 aangewezen interferentiegebied.

1.6 Haalbaarheid 1.6.1 Wijze van bekostiging Omdat het voorliggende wijzigingsbesluit geen kostenverhaalplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, is het niet nodig de kosten publiekrechtelijk te verhalen. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsbesluit worden betaald uit gemeentelijke middelen.

2 Thematische wijziging natuurinclusief bouwen 2.1 Inleiding 2.1.1 Aanleiding voor dit wijzigingsbesluit Sinds 1 januari 2024 heeft Nijmegen een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en regels van het Rijk. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen. Met de voorliggende wijziging worden regels met betrekking tot natuurinclusief bouwen toegevoegd aan het omgevingsplan. Nijmegen is de stad aan de Waal met het meeste aantal inwoners van de Provincie Gelderland. Een stad die blijft groeien en daarmee een opgave heeft om voldoende woningen en een prettige leefomgeving te realiseren. Dat doen we samen met bewoners, ondernemers, woningbouworganisaties, zorg- en welzijnsorganisaties en andere belanghebbenden. Daarbij is een van de uitgangspunten groen en natuurinclusief. De gemeente Nijmegen hecht grote waarde aan een prettige leefomgeving. Voor haar burgers, maar ook voor de flora en fauna in de omgeving. Uitgangspunten uit de omgevingsvisie (Omgevingsvisie Nijmegen 2020-2040) zijn: ‘We nemen de natuur mee in onze plannen en kiezen voor ‘natuurinclusief bouwen’.

Om natuurinclusief bouwen beter te implementeren is het afgelopen jaar de ’Toolbox natuurinclusief bouwen, Leidraad voor de gemeente Nijmegen’ (verder benoemd als Toolbox nib Nijmegen) opgesteld. Deze Toolbox nib is op 28 november 2023 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De gemeenteraad is hierover op 24 januari 2024 geïnformeerd middels een brief. De Toolbox nib is van toepassing op de hele gemeente. Om de Toolbox nib in alle situaties toe te passen zijn regels nodig in het Omgevingsplan. Voorliggende wijziging voorziet hierin.

75

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

2.1.2 Wat houdt de 'Toolbox natuurinclusief bouwen' in? De Toolbox nib maakt onderdeel uit van de Uitvoeringsagenda biodiversiteit en is een instrument om meer ruimte te creëren voor de natuur in de bebouwde omgeving van Nijmegen. De Toolbox nib Nijmegen richt zich tot het zogenoemde ‘groenblauwe weefsel’ en is bedoeld voor de hele stad. Hiermee stimuleren we het behouden en versterken van biodiversiteit daar waar de stad natuurbehoud niet als hoofdfunctie heeft, maar waar wel mogelijkheden liggen om natuur de ruimte te geven. Met de Toolbox nib Nijmegen krijgt biodiversiteit een volwaardige plek in het integrale ontwerp- en realisatieproces, wordt er nagedacht over het natuurlijk systeem en dragen we gezamenlijk bij aan het behoud en versterking van bedreigde, maar ook de meer algemene plant- en diersoorten. De Toolbox nib kent een habitatbenadering met twee belangrijke pijlers: (1) het aanbrengen van verblijfplaatsen in/aan een gebouw voor gebouwbewonende soorten (d.w.z. gierzwaluw, huismus en vleermuizen) en (2) het realiseren van groenmaatregelen t.b.v. een geschikte leefomgeving voor zogenoemde doelsoorten. De doelsoorten vertegenwoordigen een specifiek leefgebied en geven richting aan de keuzes die worden gemaakt bij de toepassing van natuurinclusieve maatregelen.

Naast het treffen van natuurinclusieve maatregelen stimuleert de Toolbox nib Nijmegen om bestaand groen en bestaande verblijfsvoorzieningen te behouden. De Toolbox nib Nijmegen is van toepassing op gebouwen en daaraan gerelateerde grond op de kavel van de initiatiefnemer. De Toolbox is zowel van toepassing op nieuwbouw als bestaande bouw.

2.1.3 Begrenzing besluitgebied Het gebied waar dit besluit over gaat (besluitgebied) wordt begrensd door het Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen. Het Ambtsgebied omvat alle gronden die binnen de grenzen van gemeente Nijmegen gelegen zijn. Besluitgebied van deze wijziging

Gemeente Nijmegen

2.1.4 Proces en procedure Ontwerpfase De gemeente maakt het ontwerp-wijzigingsbesluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB). Tegelijk met de bekendmaking

76

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Het LVBB levert de wijziging automatisch door aan het Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijzen in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. Vaststellingsfase De wijziging van het omgevingsplan wordt ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd. Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het wijzigingsbesluit gepubliceerd in het gemeenteblad via de LVBB. Tussen de vaststelling van het wijzigingsbesluit en de bekendmaking moeten in beginsel minimaal 2 weken zitten. Inwerkingtreding Een wijziging van het omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen.

2.2 Voorbereiding en participatie 2.2.1 Algemeen Participatie vindt in een zo vroeg mogelijk stadium plaats. Dit geldt ook voor het gesprek met andere bestuursorganen (ketenpartners) die bij de thematische wijziging betrokken moeten worden. Als leidraad voor de participatie gelden de verschillende stappen uit het participatiebeleid voor het ruimtelijk domein. Dit start met een verkennende fase en het maken van een participatieplan. Na het opstellen van het ontwerp-wijzigingsbesluit start de formele procedure.

2.2.2 Participatie Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld ‘het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen’. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het beoogde doel. Dit wijzigingsbesluit bevat regels die tot doel hebben de biodiversiteit te behouden en te versterken, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een prettige leefomgeving. In het kader van het opstellen van de Toolbox nib zijn er in het voorjaar van 2023 drie brainstormsessies georganiseerd met interne en externe belanghebbenden die op relatief grote schaal in aanraking komen met het natuurinclusief bouwen. De volgende belanghebbenden zijn bij de brainstormsessies betrokken: ontwikkelaars, woningcorporaties, architecten, experts en interne vakdisciplines.

Naast de plenaire brainstormsessies is er meermaals onderling contact geweest met de desbetreffende belanghebbenden om hun input en belang zo zorgvuldig mee te nemen in het proces. In het najaar van 2024 is een stadspanelonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het ophalen van informatie vanuit het perspectief van de inwoners. Het stadspanelonderzoek helpt onder andere om te peilen in hoeverre inwoners bekend zijn met en bewust zijn van biodiversiteit en natuurinclusief bouwen. De onderzoeksresultaten worden gebruikt bij het uitdragen van de toolbox richting inwoners op het gebied van communicatie en uitvoering. In het participatieplan, die als bijlage bij deze motivering is gevoegd, is meer informatie te vinden over het participatietraject. De resultaten van participatie zijn vastgelegd in een participatieverslag dat tevens te vinden is als bijlage II Participatieverslag natuurinclusief bouwen bij deze motivering.

77

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

2.2.3 Vooroverleg ketenpartners

Concept

Voor de wijzigingen met betrekking tot natuurinclusief bouwen is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot vooroverleg. Het gaat om gemeentelijk beleid dat geen negatieve externe werking heeft. Als de wijzigingen belangen van ketenpartners raken, dan zal dit alleen in positieve zin zijn. In het kader van het opstellen van de Toolbox nib is uiteraard wel advies ingewonnen bij zowel interne als externe deskundigen en zijn belanghebbenden betrokken, zie hiervoor het participatieplan.

2.3 Hoe het nu is geregeld 2.3.1 Algemeen 2.3.1.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de relevante bestaande regelgeving voor het thema natuurinclusief bouwen.

2.3.1.2 Wettelijk stelsel Het stelsel omgevingsrecht bestaat uit de Omgevingswet, vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en een Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In de vier AMvB’s staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet: • Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage. • Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. • Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit, voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is.

Het bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. • Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Instructieregels Voor een aantal onderwerpen gelden instructieregels vanuit het Rijk of de provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Er zijn drie varianten van een instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'. • ‘In acht nemen’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aan die instructieregel móét voldoen. • ‘Rekening houden met’ betekent in het kader van de instructieregel dat er sprake is van een zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging, zonder dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. Afwijken is alleen toegestaan als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft. Het afwijken moet wel goed worden gemotiveerd. • ‘Betrekken bij’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten. De bestuurlijke afwegingsruimte is groot.

2.3.2 Rijksregels 2.3.2.1 Besluit bouwwerken leefomgeving Op dit moment is er landelijk nog geen wet- en regelgeving die betrekking heeft op natuurinclusief bouwen. Voormalig demissionair minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Hugo de Jonge heeft op 7 mei 2024 een ontwerp-wijzigingsbesluit van het Bbl voorgelegd aan de Tweede en Eerste Kamer. Met

78

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

deze wijziging wordt natuurinclusief (ver)bouwen verplicht gesteld. Concreet gaat het om de eis om bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie verblijfsvoorzieningen te realiseren voor beschermde diersoorten, zoals de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. De beoogde datum van inwerkingtreding van het gewijzigde Bbl is 1 juli 2025.

2.3.3 Gemeenteregels

Concept

2.3.3.1 Algemeen Op dit moment worden regels voor natuurinclusief bouwen enkel bij grotere gebiedsontwikkelingen (nieuwbouw) meegegeven. De juridische borging vond in eerste instantie enkel privaatrechtelijk plaats in een exploitatie- of koopovereenkomst. In enkele gevallen is de toepassing van de toolbox ook publiekrechtelijk geregeld via een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan. Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan gelden regels voor natuurinclusief bouwen in heel Nijmegen en is de regeling op een eenduidige (publiekrechtelijke) manier geborgd.

2.4 Wat we willen bereiken 2.4.1 Europese doelen 2.4.1.1 Natuurherstelwet Op 17 juni 2024 hebben de Europese lidstaten in de Raad van de EU de natuurherstelwet officieel goedgekeurd. Het doel van de wet is de schade aan de Europese natuur tegen 2050 compleet te herstellen. De wet kent doelstellingen voor natuurherstel in verschillende, aangetaste ecosystemen. Voor de lidstaten van de Europese Unie betekent Inwerkingtreding van de Natuurherstelwet dat ze verplicht zijn om maatregelen te nemen om uiterlijk in 2030 minstens 30% van alle, in lijsten genoemde, beschadigde ecosystemen te herstellen. In 2040 moet dit 60% zijn en in 2050, 90%. Tot in 2030 moeten lidstaten bij de uitvoering van de herstelmaatregelen prioriteit geven aan Natura 2000-gebieden. Voor Natura 2000gebieden geldt al een verslechteringsverbod, dat voortkomt uit de reeds bestaande Europese Habitatrichtlijn. Oftewel, deze gebieden mogen niet achteruitgaan. Dit verslechteringsverbod wordt niet uitgebreid naar gebieden buiten de Natura 2000-gebieden. Er is tot 2030 geen wettelijke herstelverplichting om maatregelen voor andere gebieden binnen deze ecosystemen te implementeren. De wet kent enkele specifieke doelstellingen om de aangetaste ecosystemen te herstellen: • Bestuivende insecten: verplichte maatregelen nemen, zodat de afname van bestuivers tegen 2030 is omgebogen. De voortgang elke zes jaar monitoren.

• Bosecosystemen: verplichte maatregelen treffen om de biodiversiteit van bosecosystemen te vergroten en een positieve trend rondom dood hout, bosvogels en het risico op bosbranden te creëren. Bijdragen aan het planten van 3 miljard extra bomen tegen eind 2030. • Stedelijke ecosystemen: geen nettoverlies aan groene stedelijke ruimten en boomkroonbedekking tegen 2030, tenzij stedelijke ecosystemen meer dan 45% van de groene ruimte beslaan. Positieve trend creëren tot de toestand “bevredigend” is. • Landbouwecosystemen: stijgende trend creëren voor minstens twee van de drie indicatoren: (1) de aantallen grasvlinders en akker- en weidevogels, (2) het aandeel organische koolstof in minerale akkerbodems en (3) het aandeel landbouwgrond met zeer uiteenlopende landschapselementen. Vernatten van veengebieden: herstel van 30% in 2030, 40% in 2040 en 50% in 2050. Dit houdt echter geen verplichting in voor landbouwers en particuliere grondeigenaren. • Rivierconnectiviteit: het in kaart brengen en wegnemen van barrières die de connectiviteit van oppervlaktewater belemmeren, zodat in 2030 25.000 km aan rivieren vrij kunnen stromen.

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt concreet invulling gegeven aan de doelstelling voor de ‘bestuivende insecten’ en de ‘stedelijke ecosystemen’.

2.4.2 Rijksdoelen 2.4.2.1 Omgevingswet Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten meer bestuurlijke afwegingsruimte om te sturen op (het bereiken van) doelen. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Bij het beschermen gaat het om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Om deze doelen te bereiken, kent de wet instrumenten voor

79

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

gemeenten. Zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Eén van de doelen van de wet is het stellen van regels die eenvoudig, overzichtelijk, snel en adequaat kunnen worden uitgevoerd zodat maatschappelijke doelen efficiënter en effectiever kunnen worden bereikt. Artikel 4.3 van de Omgevingswet geeft de grondslag om regels te stellen over bouwactiviteiten en in artikel 4.21 is opgenomen dat deze regels worden gesteld met het oog op onder andere duurzaamheid.

Concept

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt concreet invulling gegeven aan het oogmerk duurzaamheid. Natuurinclusief bouwen ten behoeve van het behouden en versterken van de biodiversiteit draagt bij aan een duurzame fysieke leefomgeving.

2.4.2.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. De kern van deze nieuwe aanpak is het integraal werken aan verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken. In de NOVI worden de nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Een van deze belangen is ‘het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit’. De opgave is het herstellen en versterken van de biodiversiteit zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Dat betekent dat op termijn de condities zodanig zijn dat alle beschermde soorten en habitats in goede staat kunnen voortbestaan en tussentijds niet verslechteren. Er wordt aangegeven dat bij belangrijke ontwikkelingen als de uitbreiding van woongebieden en infrastructuur rekening moet worden gehouden met natuur (natuurinclusief ontwikkelen).

Natuurinclusief ontwikkelen van stedelijke regio’s en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Het opnemen van regels voor natuurinclusief bouwen in het omgevingsplan draagt bij aan de opgave uit de NOVI om de biodiversiteit te herstellen en te versterken. Zodoende wordt met dit wijzigingsbesluit uitvoering gegeven aan de in de NOVI opgenomen doelen.

2.4.3 Provinciale doelen 2.4.3.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – geeft de Omgevingsvisie hier richting aan. Ten aanzien van biodiversiteit zijn in de omgevingsvisie van de provincie Gelderland de volgende ambities opgenomen: • In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. • In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Het opnemen van regels voor natuurinclusief bouwen in het omgevingsplan draagt bij aan de opgave uit de Gelderse omgevingsvisie om de biodiversiteit te beschermen en stimuleren. Met dit wijzigingsbesluit wordt uitvoering gegeven aan de in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland opgenomen doelen.

2.4.4 Regionale doelen

80

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

2.4.4.1 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen

Concept

Op 1 januari 2021 is de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen opgericht. Dit is de opvolger van het regionaal orgaan Arnhem Nijmegen. In de Groene Metropoolregio werken 18 gemeenten uit de regio Arnhem Nijmegen samen aan de realisatie van grote regionale opgaven. Met een regionale agenda wordt hier vorm en inhoud aan gegeven. De regionale agenda werkt door in het gemeentelijk beleid. De Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen heeft vijf opgaven bepaald: • Groene groeiregio | ruimtelijke opgaven & woningbouw • Productieve regio | economie en arbeidsdmarkt • Ontspannen regio | leefbaarheid, natuur en landschap, cultuur en erfgoed • Verbonden regio | mobiliteit en bereikbaarheid • Circulaire regio | circulariteit, duurzaamheid, klimaat en energie

Binnen de opgave ‘Circulaire regio’ is de doelstelling opgenomen dat de regio toonaangevend wil worden in circulair denken en duurzaam handelen, in Nederland én Europa. De focus ligt hierbij op: duurzame verstedelijking, grondstoffen- en afvalketens, klimaatbestendig groen en water en de energietransitie. Binnen de opgave ‘Groene groeiregio’ heeft de regio twee speerpunten bepaald: a. Wonen in balans: versnellen van de woningbouw; en b. Leefomgeving: verbinden van de ruimtelijke opgaven. De Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen ondersteunt gemeenten bij het realiseren van toekomstbestendige woningen. Huisvesting waarbij natuur en landschap, kwaliteit van leven en economische aspecten zijn meegenomen. Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Met het opnemen van regels over natuurinclusief bouwen in het omgevingsplan wordt bijgedragen aan zowel de opgaves ‘Circulaire regio’ en ‘Groene groeiregio’ en aan het al gemene doel om toekomstbestendige woningen te realiseren.

2.4.5 Gemeentelijke doelen 2.4.5.1 Omgevingsvisie 'Nijmegen Stad in Beweging' Op 28 oktober 2020 stelde de gemeenteraad van Nijmegen de Omgevingsvisie 2020-2040 vast: Nijmegen - Stad in beweging. In de omgevingsvisie legt de gemeente Nijmegen haar langetermijnvisie tot 2040 voor de stad vast, met richtinggevende speerpunten voor de sociaaleconomische en fysieke leefomgeving. In de visie staan vier opgaven centraal: • economisch veerkrachtige stad; • sociale en gezonde stad; • aantrekkelijke stad; • duurzame stad.

De vier opgaven voor Nijmegen zijn goed te combineren, we kijken daarom naar integrale oplossingen. Waarbij we een vraagstuk vanuit meerdere invalshoeken benaderen en de oplossing bijdraagt aan het oplossen van meerdere problemen. Hieronder de kern van de richtinggevende keuzes uit de omgevingsvisie. Doorwerking in dit wijzigingsbesluit Voor het besluitgebied is vooral de opgave 'Groen, gezonde stad' relevant. We willen als stad bijdragen aan de gezondheid van onze inwoners en het verbeteren van de biodiversiteit. Het doel van het opnemen van regels over natuurinclusief bouwen in het omgevingsplan is om de biodiversiteit te behouden en te versterken. In de omgevingsvisie staat ook letterlijk: “We nemen de natuur mee in onze plannen en kiezen voor ‘natuurinclusief bouwen’. Dat betekent dat we bewust ruimte creëren voor de natuur in de groenstructuur. Gelet op het voorgaande wordt met dit wijzigingsbesluit uitvoering gegeven aan de in de omgevingsvisie geformuleerde doelen ten aanzien van een duurzame en groene, gezonde stad.

2.5 Wat we gaan wijzigen

81

Concept

(van 24-2-2025 15:39)

Concept

2.5.1 Inleiding Met de voorliggende wijziging worden regels voor het thema bodem geïntegreerd in het omgevingsplan. Het betreft een zogenaamde ‘thematische wijziging’. Dit betekent dat deze regels voor het hele Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen gaan gelden. Doel van deze wijziging is het juridisch borgen van de Toolbox nib in onze regels voor bouwen. Deze regels zijn gesteld met het oog op het bevorderen van de natuur (in de stad) en vormen een aanvulling op de regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op de wijzigingen. De toelichting op de afzonderlijke artikelen staan in de artikelgewijze toelichting bij het omgevingsplan.

2.5.2 Regels voor natuurinclusief bouwen In hoofdstuk 6 van het omgevingsplan worden de komende jaren regels opgenomen die betrekking hebben op bouw, aanleg- en sloopactiviteiten. Deze wijziging ziet toe op het toevoegen van regels ten aanzien van natuurinclusief bouwen. De regels worden gekoppeld aan de bouwactiviteit. De vergunningplicht voor bouwactiviteiten bevindt zich dit moment nog in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (hoofdstuk 22, artikel 22.26). Met deze wijziging worden er aan het permanente deel van het omgevingsplan bijzondere aanvraagvereisten en beoordelingsregels toegevoegd aan de vergunningsplicht voor bouwactiviteiten (artikel 22.26). We nemen deze aanvullende regels op in afdeling 6.6 'Duurzaamheid'. Er is gekozen deze regels onder te brengen in een aparte afdeling omdat het gaat om 'activiteitoverstijgende' regels voor het bouwen. Met andere woorden; deze regels gelden voor meerdere type bouwactiviteiten en zijn een aanvulling op de ruimtelijke regels in de toekomstige afdeling 6.1 'Bouwactiviteiten'. Afdeling 6.6 bestaat uit twee paragrafen: • 6.6.1 Algemene bepalingen • 6.6.2 Natuurinclusief bouwen

Paragraaf 6.6.1. bevat uitsluitend een algemeen toepassingsbereik, waarin is bepaald dat de regels in afdeling 6.6 gaan over het bevorderen van duurzaamheid bij bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. In de toekomst kan deze afdeling aangevuld worden met aanvullende duurzaamheidseisen voor bouw-, aanlegen sloopactiviteiten, zoals deze bijvoorbeeld al zijn opgenomen in het Chw-bestemmingsplan voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. De inhoudelijke regels voor natuurinclusief bouwen zijn opgenomen in paragraaf 6.6.2. Ook deze paragraaf bevat een toepassingsbereik. Daarmee wordt aangegeven voor welke activiteiten de regels voor natuurinclusief bouwen gaan gelden en waar deze gaan gelden. De regels over natuurinclusief bouwen zien zowel op de nieuwbouw van een hoofdgebouw, als op het uitbreiden of ingrijpend wijzen van een bestaand hoofdgebouw waarbij tenminste 25% van de bouwschil wijzigt. In deze wijziging is echter geregeld dat de aanvraagvereisten en beoordelingsregels voor het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw pas gelden vanaf 1 januari 2026. De regels voor natuurinclusief bouwen gaan gelden voor het hele Ambtsgebied. Omwille van rechtvaardigheid blijven afspraken over natuurinclusief bouwen die zijn vastgelegd in bestaande privaatrechtelijke overeenkomsten (anterieur/koop) in stand.

Ook bij lopende onderhandelingen is de Toolbox nib Nijmegen nog niet verplicht. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij reeds aangeboden c.q. publiek bekend gemaakte bouwenveloppen, grondaanbiedingen en tenderdocumenten. Zodoende is in paragraaf 6.6.2 een regel met een eerbiedigende werking opgenomen. Op vrijwillige basis kunnen initiatiefnemers uiteraard de keuze maken om wel natuurinclusieve maatregelen te treffen conform de Toolbox nib. De inhoudelijke regels ten aanzien van natuurinclusief bouwen zijn vervat in de specifieke beoordelingsregels (artikel 6.6) en bijzondere aanvraagvereisten (artikel 6.5). Deze regels vullen de artikelen 22.29 en 22.35 uit hoofdstuk 22 (tijdelijk omgevingsplan) aan. In de bijzondere aanvraagvereisten wordt aangegeven welke documenten met betrekking tot natuurinclusief bouwen aangeleverd moeten worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden/ingrijpend wijzigen van een hoofdgebouw. In de specifieke beoordelingsregels is bepaald dat de aanvraag om een omgevingsvergunning alleen verleend wordt als voorzien wordt in voldoende natuurinclusieve maatregelen. Daarbij wordt getoetst aan de normen in de Toolbox nib. De gerealiseerde natuurinclusieve maatregelen dienen duurzaam in stand te worden gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=a30a45f2-0b3e-496b-bf90-4f04f8f023c4