Preview wijzigingsbesluit OP-2024-01
Tekst van het document
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»). Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd.
Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden ge-
50
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
kozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd. Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd.
Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276, 22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid.
Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt. NN De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen.
Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor
51
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.
Concept
Onderdeel c Op grond van artikel 22.26 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst. Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is. Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
OO Na sectie ' Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie Eerste lid: In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd. Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel. Tweede lid: Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen.
Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat. Derde lid:
52
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
Concept
PP De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld. Onderdeel j Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel 22.29, derde lid, en 22.30). Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening. QQ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.126 lid 2 Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming). [Vervallen] RR De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
53
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
Artikel 22.127 lid 1 Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is. a. In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen. b. In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. [Vervallen] SS De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.127 lid 2 De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit. [Vervallen] TT De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.127 lid 3 In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust,
54
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet. [Vervallen]
Concept
UU De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.128 lid 1 De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit. [Vervallen] VV De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.128 lid 2 Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren. [Vervallen] WW De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.128 lid 3 De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond. [Vervallen] XX De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.83 lid 1 Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
55
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan. Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften. YY De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.96 lid 1 Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan. Het gaat in deze paragraaf dus om: landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde: – a. zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en – b. paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren. ZZ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming. Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmoge-
56
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
lijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Concept
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
57
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem. Tweede lid: Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
AAA De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.127 Toepassingsbereik In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf. Eerste lid: Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is. a. In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen. b. In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
Tweede lid: De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit. Derde lid: In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust.
Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet. BBB De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht. eerste lid: De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden.
Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit. Tweede lid: Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren. Derde lid: De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.
58
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
CCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Concept
Artikel 22.260 lid 1 Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen. [Vervallen] DDD De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.260 lid 2 Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. [Vervallen] EEE Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen. Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. FFF De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk In artikel 22.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in artikel 22.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien.
In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In
59
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in artikel 22.279 hierop aanvullend.
Concept
GGG Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
60
Concept
Bijlage II BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN Begripsbepalingen
(van 24-2-2025 15:39)
Motivering 1 Thematische wijziging bodem 1.1 Inleiding
Concept
1.1.1 Aanleiding voor dit wijzigingsbesluit Sinds 1 januari 2024 heeft Nijmegen een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal rijksregels voor bouwen en milieu (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden regels voor activiteiten in de bodem toegevoegd aan het omgevingsplan. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming komen te vervallen. Deze wijziging in de wetgeving betekent enerzijds dat de gemeenten meer ruimte krijgen om een eigen invulling te geven aan de regelgeving rond bodemkwaliteit en bodembescherming. Anderzijds zorgt deze wetswijziging ook voor enkele leemten in de regelgeving. Met de Omgevingswet wordt de regelgeving voor bodem gedeeltelijk gedecentraliseerd en krijgen gemeenten de ruimte om af te wijken en maatwerk toe te passen. Daarmee krijgen gemeenten de mogelijkheid het bodembeleid in lijn te brengen met de lokale situatie en ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit. Gemeenten kunnen aanvullende eisen opnemen of juist regels versoepelen. Deze regels moeten door gemeenten in het omgevingsplan worden opgenomen.
Het aanvullen of afwijken van Rijks- of provinciale regels voor bodem kan via een maatwerkregel. Dit is vergelijkbaar met gebiedsspecifiek beleid uit het Besluit bodemkwaliteit. Er zijn wel voorwaarden verbonden aan deze beleidsvrijheid. Zo moeten gemeenten voldoen aan de gestelde instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het oog op het beschermen van de gezondheid is het wenselijk de ontstane leemten in de regelgeving op te vullen. Het gaat hierbij om regels die extra bescherming bieden en bestaande gemeentelijke regels met betrekking tot bodemkwaliteit. Deze gemeentelijke regels zijn niet in het Bal of de bruidsschat opgenomen. Met het oog op de bescherming van de gezondheid van onze inwoners is het daarom belangrijk aanvullende regels voor bodemactiviteiten op te nemen. Dit wijzigingsbesluit voorziet daarin. In de Nota van Uitgangspunten voor het omgevingsplan (deel II) is aangegeven dat we voor het verhuizen van de bruidsschatregels voor bodem nog ruim de tijd hebben (tot 2032). Omdat de wens bestaat een aantal bruidsschatregels te laten vervallen, is besloten direct alle regels voor het onderwerp bodembeheer (in paragraaf 22.3.7 (bodembeheer)) te verhuizen naar het permanente deel van het omgevingsplan. Daarmee worden dus de eerste bruidsschatregels verplaatst naar een definitieve plek binnen het omgevingsplan.
De bruidsschat bevat ook een vergunningplicht voor het installeren van gesloten bodemenergiesystemen. Deze vergunningplicht geldt uitsluitend voor gesloten bodemenergiesystemen gelegen in een zogenaamd interferentiegebied of voor gesloten bodemenergiesystemen met een vermogen van 70 kW of meer. Deze interferentiegebieden dienen aangewezen te worden in het omgevingsplan. Met dit wijzigingsbesluit wordt hier invulling aan gegeven. Daarbij worden het Stationsdistrict en Winkelsteeg aangewezen als interferentiegebied. De bruidsschatregels voor het installeren van gesloten bodemenergiesystemen (artikel 22.260) worden direct verplaatst naar het permanente deel van het omgevingsplan. Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan.
1.1.2 Begrenzing besluitgebied Het gebied waar dit besluit over gaat (besluitgebied) wordt begrensd door het Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen. Het Ambtsgebied omvat alle gronden die binnen de grenzen van gemeente Nijmegen gelegen zijn.
61
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
Besluitgebied
Besluitgebied van dit wijzigingsbesluit Gemeente Nijmegen
1.1.3 Proces en procedure Ontwerpfase De gemeente maakt het ontwerp-wijzigingsbesluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB). Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Het LVBB levert de wijziging automatisch door aan het Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijzen in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. Vaststellingsfase De wijziging van het omgevingsplan wordt ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd. Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het wijzigingsbesluit gepubliceerd in het gemeenteblad via de LVBB. Tussen de vaststelling van het wijzigingsbesluit en de bekendmaking moeten in beginsel minimaal 2 weken zitten.
Inwerkingtreding Een wijziging van het omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen.
1.2 Participatie en ambtshalve wijzigingen
62
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
1.2.1 Algemeen
Concept
Participatie vindt in een zo vroeg mogelijk stadium plaats. Dit geldt ook voor het gesprek met andere bestuursorganen (ketenpartners) die bij de thematische wijziging betrokken moeten worden. Als leidraad voor de participatie gelden de verschillende stappen uit het participatiebeleid voor het ruimtelijk domein. Dit start met een verkennende fase en het maken van een participatieplan. Na het opstellen van het ontwerp-wijzigingsbesluit start de formele procedure.
1.2.2 Participatie Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld ‘het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen’. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het beoogde doel. Dit wijzigingsbesluit bevat regels die tot doel hebben de gezondheid van personen en het milieu te beschermen. Voor dit wijzigingsbesluit is een participatieplan opgesteld, dat als bijlage bij deze motivering is opgenomen. Omdat de voorliggende wijziging van het omgevingsplan een voortzetting vormt van het bestaande beleid ten aanzien van bodem en de interpretatie van deze regels specialistische kennis van bodem(activiteiten) vergt, is besloten participatie te beperken tot het raadplegen van ketenpartners en belanghebbende organisaties (zie paragraaf 2.3).
1.2.3 Vooroverleg ketenpartners en andere organisaties Het voorliggende wijzigingsbesluit is voor advies voorgelegd aan de volgende ketenpartners en organisaties: • Provincie Gelderland • Waterschap Rivierenland • Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) • GGD Gelderland-Zuid • Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) • Vitens Gelderland • Natuur en milieufederatie Gelderland • Gelders Ondergrond Overleg (GOO)
Het concept-ontwerpbesluit wordt voor advies voorgelegd aan de vaste ketenpartners en enkele organisaties die betrokken zijn bij het behartigen van de belangen in de ondergrond. De reacties en adviezen worden gebundeld en voorzien van een reactie in een participatieverslag. Voor zover deze reacties of adviezen leiden tot een aanpassing van het ontwerpwijzigingsbesluit, worden deze voor de start van de formele wijzigingsprocedure verwerkt in het ontwerpwijzigingsbesluit.
1.2.4 Zienswijzen Het ontwerp wijzigingsbesluit 'Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2024-01' heeft in de periode van donderdag 5 december 2024 tot en met woensdag 15 januari 2025 voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is één zienswijze binnengekomen. De zienswijze is in de Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen samengevat en voorzien van reactie. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen in het wijzigingsbesluit.
1.2.5 Ambtshalve wijzigingen In de periode tussen de ter inzage legging van het ontwerp wijzigingsbesluit en het definitief maken van het besluit zijn ambtelijk nieuwe inzichten opgedaan. Deze inzichten hebben geleid tot ambtshalve wijzigingen. De concrete wijzigingen zijn opgenomen in de Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen’. In deze nota is tevens gemotiveerd waarom de aanpassingen zijn doorgevoerd. De aanpassingen hebben niet geleid tot een fundamentele wijziging van de inhoud van het wijzigingsbesluit.
63
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
1.3 Hoe het nu is geregeld 1.3.1 Algemeen 1.3.1.1 Inleiding
Concept
Dit hoofdstuk beschrijft de relevante beleidskaders en bestaande regelgeving voor het thema bodem.
1.3.1.2 Wettelijk stelsel Het stelsel omgevingsrecht bestaat uit de Omgevingswet, vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en een Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In de vier AMvB’s staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet: • Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage. • Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. • Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit, voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is.
Het bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. • Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Instructieregels Voor een aantal onderwerpen gelden instructieregels vanuit het Rijk of de provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Er zijn drie varianten van een instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'. • ‘In acht nemen’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aan die instructieregel móét voldoen. • ‘Rekening houden met’ betekent in het kader van de instructieregel dat er sprake is van een zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging, zonder dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. Afwijken is alleen toegestaan als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft. Het afwijken moet wel goed worden gemotiveerd. • ‘Betrekken bij’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten. De bestuurlijke afwegingsruimte is groot.
1.3.2 Rijksregels 1.3.2.1 Besluit activiteiten leefomgeving Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd de bescherming van de bodem tegen verontreinigingen geregeld in de Wet bodembescherming. Ook werd de sanering van verontreinigde bodem en grondwater in deze wet geregeld. Tevens wordt de aanpak bij grensoverschrijdende gevallen van verontreiniging beschreven. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming opgegaan in één van de vier AMvB’s: het Besluit activiteiten leefomgeving. Het Bal stelt regels aan milieubelastende activiteiten, waaronder het toepassen van bouwstoffen, toepassen van grond en baggerspecies en het aanleggen en gebruiken van gesloten bodemenergiesystemen.
1.3.2.2 Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit is op 1 januari 2024 in werking getreden. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Regeling bodemkwaliteit stellen regels aan de kwaliteitsborging bij bodembeheer, de milieuverklaringen
64
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
bodemkwaliteit en regels voor het verhandelen van bouwstoffen. De regels die gesteld worden hebben betrekking op de genoemde activiteiten uit het Bal. De regels die in het Bal gesteld worden zijn beschermend van aard. Het Bal wijst daarom aan voor welke activiteiten een vergunningsplicht geldt. Voornamelijk gaat het Bal over milieubelastende activiteiten en wateractiviteiten. Sommige milieubelastende activiteiten gaan over activiteiten die te maken hebben met de bodem of het grondwater. In hoofdstuk 3 van het Bal worden vergunningplichtige gevallen aangewezen die onder andere gelden voor het uitvoeren van milieubelastende activiteiten, waaronder activiteiten die de bodem raken. In hoofdstuk 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald in welke vorm een bodemonderzoek aangeleverd dient te worden en welke inhoud een rapport moet bevatten. Ook wordt er benoemd tot welke bodemkwaliteit de bodem hersteld moet worden bij verontreiniging. Daarnaast is in paragraaf 4.111 van het Bal een meldingsplicht opgenomen voor het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem. De regels uit het Bal werken door op lokaal niveau, zonder rekening te houden met lokale omstandigheden. Daarom krijgen gemeenten de ruimte om onder voorwaarden (en op onderdelen) af te wijken van het Bal en maatwerk toe te passen.
Daarmee krijgen gemeenten de mogelijkheid het bodembeleid in lijn te brengen met de lokale situatie en ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit. Gemeenten kunnen aanvullende eisen opnemen of juist regels versoepelen. Deze regels moeten door gemeenten in het omgevingsplan worden opgenomen. Het aanvullen of afwijken van Rijks- of provinciale regels voor bodem kan via een maatwerkregel. Dit is vergelijkbaar met gebiedsspecifiek beleid uit het Besluit bodemkwaliteit en de beleidsmatige invulling die Nijmegen al gegeven had aan de Wet bodembescherming. Er zijn wel voorwaarden verbonden aan deze beleidsvrijheid. Zo moeten gemeenten voldoen aan de gestelde instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt invulling gegeven aan de voornoemde beleidsvrijheid en worden de maatwerkmogelijkheden rond de regels uit het Bal toegepast. Hierdoor wordt het Bal in overeenstemming gebracht met het al bestaande Nijmeegse bodembeleid. Door deze thematische wijziging worden de gemeentelijke bodemregels in lijn gebracht met de op Rijksniveau gestelde regels. Waar nodig en mogelijk worden maatwerkregels toegepast, waarmee het bestaande bodembeleid - zoals dat voor 1 januari 2024 van toepassing was - kan worden voortgezet.
Door de integratie van bodemregels in het omgevingsplan kan bij toekomstige ontwikkelingen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gewaarborgd worden.
1.3.2.3 Regeling bodemkwaliteit 2022 De Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk) is in 2022 vastgesteld en hoort bij het Bbk. De Regeling bodemkwaliteit bevat nadere uitwerkingen van onderwerpen uit het Besluit. De volgende onderwerpen worden in de regeling behandeld: • aanwijzing van de werkzaamheden en normdocumenten die onder de erkenningsregeling kwalibo vallen; • regels aan hoe bij twijfel onderzoek gedaan kan worden naar de vraag of sprake is van een vormgegeven of een niet-vormgegeven bouwstof, of dat sprake is van een bouwstof, grond of baggerspecie; • nadere regels over de afgifte van de verschillende milieuverklaringen bodemkwaliteit voor bouwstoffen, grond, baggerspecie en de (water)bodem; • alle normen die horen bij de kwaliteitseisen voor bouwstoffen, grond of baggerspecie en de daarbij horende toetsregels. De normen staan in de bijlagen van de Rbk 2022; en • aanwijzing van Beoordelingsrichtlijnen en normdocumenten.
1.3.2.4 Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier AMvB’s. De AMvB’s geven uitvoering aan de Omgevingswet. In het Bkl worden waarden gesteld aan de omgeving. Het besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Paragraaf 5.1.4 gaat over het beschermen van de gezondheid en het milieu. In deze paragraaf zijn waarden opgenomen waaraan milieutechnisch voldaan moet worden. In deze paragraaf gaat het dan met name om geluid, trillingen, geur en de bodemkwaliteit. Voor deze thematische wijziging is de bodemkwaliteit van belang. De verdere uitwerking vindt plaats in subparagraaf 5.1.4.5. In deze subparagraaf worden waarden vastgelegd voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Verder wordt in het Bkl toegelicht dat in het omgevingsplan een of meer bodembeheergebieden kunnen worden toegewezen. Ook het indelen van de landbodem in bodemfunctieklassen vindt zijn grondslag in dit besluit. Het bodembeheergebied en de bodemfunctieklassen dienen in het omgevingsplan opgenomen te worden. In dit wijzigingsbesluit wordt het bodembeheergebied van de gemeente Nijmegen aangewezen. Dit bodembeheergebied beslaat in principe het hele Ambtsgebied, met uitzondering van de waterbodem (o.a. de Waal, het Maas-Waal kanaal en de uiterwaarden). Het beheer van de waterbodem is een verantwoor-
65
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
delijkheid van Rijkswaterstaat. Het bodembeheergebied is in de Nota Bodembeheer opgedeeld in deelgebieden. Deze zijn vertaald naar ‘locaties’ in dit wijzigingsbesluit, zodat per deelgebied de juiste regels worden getoond in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Concept
1.3.3 Provinciale regels 1.3.3.1 Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de omgevingsvisie richt de omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. In de Omgevingsverordening worden onderwerpen besproken die relevant zijn voor voorliggende thematische wijziging. Zo gaat afdeling 4.4 over milieubelastende activiteiten. In deze afdeling worden regels gesteld aan activiteiten op en in de bodem (paragraaf 4.4.2.). De omgevingsverordening stelt onder andere regels aan de het saneren van de bodem, het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en het wegnemen van risico’s bij verontreiniging van het grondwater. Aan deze regels moet altijd voldaan worden. De betreffende paragraaf bevat geen instructieregels voor gemeenten, maar uitsluitend een informatieplicht voor degene die de activiteit verricht.
Daarnaast worden er in paragraaf 4.3.4 tot en met 4.3.8 regels gesteld aan respectievelijk koude-warmte-opslagvrije zones, boringsvrije zones en (minder) kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden. Dergelijke zones zijn binnen de gemeente Nijmegen niet aanwezig. Er gelden derhalve geen beperkingen voor bodemenergiesystemen. Hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening bevat wel instructieregels voor het omgevingsplan. In afdeling 5.5 zijn instructieregels opgenomen voor waterwingebieden. De regels in dit wijzigingsbesluit gaan gelden voor het hele Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen, waarbinnen waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden zijn gelegen. De artikelen 5.56 en 5.57 van de omgevingsverordening stellen dat het omgevingsplan geen activiteiten of functies mag toestaan die een groter risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater dan de activiteit of functie die al rechtmatig op die locaties wordt verricht of is toegestaan vóór 1 januari 2024. Dit wijzigingsbesluit is juist gericht op het beschermen van het milieu tegen verontreinigingen van het grondwater en vormt dus geen risico voor de kwaliteit daarvan. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels ten aanzien van waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De artikelen 5.58 en 5.59 bevatten instructieregels voor het lozen in het grondwater en lozen van grondwater op of in de bodem.
Dit wijzigingsbesluit beperkt zich tot het stellen van regels over bodembeheer en het beschermen van de gezondheid van personen tegen bodemverontreinigingen. Regels over lozen (afvalwaterbeheer) worden op een later moment aan het omgevingsplan toegevoegd. Met deze thematische wijziging ten aanzien van bodem wordt voldoende rekening gehouden met de provinciale regelgeving op het gebied van bodem. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.3.4 Gemeentelijke regels 1.3.4.1 Omgevingsplan gemeente Nijmegen In hoofdstuk 22 van het omgevingsplan is de bruidsschat opgenomen. De bruidsschat bestaat uit gedecentraliseerde Rijksregels die we als gemeente kunnen aanpassen aan de lokale omstandigheden. De bruidsschat bevat onder andere regels over milieubelastende activiteiten. Die regels zijn opgenomen in afdeling 22.3. Daarin zijn onder meer regels gesteld over het beheer van de bodem(kwaliteit). Ook worden er voor verschillende milieubelastende activiteiten (zoals het installeren van gesloten bodemenergiesystemen) specifieke regels gesteld met betrekking tot de bodem. De gemeente kan deze Rijksregels laten vervallen, aanpassen of (ongewijzigd) overnemen.
1.3.4.2 Nota Bodembeheer De Nota Bodembeheer gaat over het toepassen van grond en de terugsaneerwaarden bij bodemsanering. Deze nota bevat regels over het hergebruiken van grond met als doel minder primaire grondstoffen te moeten gebruiken en de afvoer van grond te voorkomen. De nota bestaat uit twee delen: een uitvoerings-
66
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
deel en een technisch deel. In het uitvoeringsdeel worden de beleidsmatige en juridische kaders en de afbakening van de Nota Bodembeheer toegelicht. Ook staan daarin de vastgestelde regels voor het toepassen van grond en bodemsanering, die respectievelijk voortkomen uit het Besluit Bodemkwaliteit en de voormalige Wet Bodembescherming. In het technische deel staat de onderbouwing van de regels.
Concept
Deelgebieden
Overzicht deelgebieden Nota bodembeheer Milieuatlas gemeente Nijmegen
In de Nota Bodembeheer is Nijmegen op basis van de ontwikkelingsgeschiedenis ingedeeld in 5 homogene deelgebieden: 1.