Preview wijzigingsbesluit OP-2024-01
Tekst van het document
Bodembeheergebied
/join/id/regdata/gm0268/2024/34aad304581a426da7500084764fc022/nld@202502-24;13572629
bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad /join/id/regda1945 tot 1965 ta/gm0268/2025/f9cb90c121154bea8c6a72dcffbff8e3/nld@202502-24;13572629 Bodemkwaliteitgebied bodemverontreiniging onbekend
/join/id/regdata/gm0268/2024/2a395513054a41f282b341ae97cf3e38/nld@202502-24;13572629
bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad /join/id/regda1965 tot heden ta/gm0268/2025/7a2c6695a8c84d5391f8cfdc075d613f/nld@202502-24;13572629 bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad /join/id/regdatot 1945 ta/gm0268/2025/e90f8007cadc41bc983e93b2e3aaca34/nld@202502-24;13572629
31
Bodemkwaliteitsgebied - verdacht op bodemverontreiniging
/join/id/regdata/gm0268/2024/c79bb8d0bbab462c84d2408d700bede4/nld@2025-02-24;13572629
Bodemkwaliteitsgebied - niet verdacht op bodemverontreiniging
/join/id/regdata/gm0268/2024/ebd46ce99b5f45c782cf19847884458d/nld@202502-24;13572629
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept 32
Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent
/join/id/regdata/gm0268/2025/af5966d07921438fab4ff7c68b987240/nld@202502-24;13572629
bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong
/join/id/regdata/gm0268/2025/3851d41d6966452b999197b463ce3083/nld@202502-24;13572629
Bodemkwaliteitsgebied - verdacht op bodemverontreiniging door gewasbestrijdingsmiddelen
/join/id/regdata/gm0268/2024/0a41e2797307477bae75521a31371dc5/nld@202502-24;13572629
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
HH Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Concept
Bijlage II BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN Begripsbepalingen
33
Voor de toepassing van hoofdstuk 22dit omgevingsplan wordt verstaan onder: aansluitafstand:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000:
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07-02-2014, met wijzigingsblad van 10-02-201811-2021;
bebouwingsgebied:
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
bedrijfsgebouw
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan.
bodemgevoelige locatie
bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alsmede een locatie waar als gevolg van het gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond, waaronder verstaan: a. een speeltuin, speelplein of anderszins aangewezen locatie waar kinderen spelen; b. een volkstuinencomplex; c. een buurtmoestuin; en d. aangewezen locaties voor stadslandbouw.
BRL SIKB 2000:
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 57.0, 1207-1203-20132022;
BRL SIKB 7000:
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringengraven in de bodem, saneren van de bodem, grondwatersanering en ingrepen in de waterbodem, versie 57.0, 1907-0603-2014, met wijzigingsblad van 12-02-20152022;
concentratiegebied geurhinder en veehouderij:
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
distributienet voor warmte:
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
geurgevoelig object:
a.
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
gebouw: 1. dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.
Concept
b.
34
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en 3. dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
gezoneerd industrieterrein:
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
groenproduct
organische producten, niet zijnde afvalstoffen, die worden gebruikt ter verbetering van de fysisch-chemische kwaliteit van grond. Voorbeelden zijn compost, gecomposteerd boomschors of veen. Dierlijke mest en zuiveringsslib vallen niet onder deze definitie.
ISO 11423-1:
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a. varkens, kippen, schapen of geiten; en b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1. rundvee tot 24 maanden; 2. kalkoenen; 3. eenden; of 4. parelhoenders;
landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:
NEN 5725:20172023: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:
NEN 5740:2009/A12023:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 20162023;
NEN 6090:
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept 35
NEN-EN 858-1/A1:
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GCMS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
NEN-EN-ISO 12846:
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
straatpeil:
a.
b.
36
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
Traject 1
de visueel verontreinigde geroerde bovengrond.
Traject 2
de visueel schone ongeroerde ondergrond.
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
verdachte bodemlocatie
een locatie die verdacht is op het aantreffen van bodemverontreinigingen, zoals opgenomen en begrensd in het register met verdachte bodemlocaties als bedoeld in artikel 3.9, of een locatie die verdacht is op grond van een vooronderzoek conform NEN 5725.
warmteplan:
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
woonruimte
besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip
II De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.30 lid 1 In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd. Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel. [Vervallen] JJ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.30 lid 2 Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat. [Vervallen] KK De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
37
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Artikel 22.30 lid 3
Concept
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. [Vervallen] LL Na sectie ' Begripsbepalingen' worden 67 secties ingevoegd, luidende:
Artikel 1.3 Normadressaat De normadressaat is degene tot wie de norm zich richt. Bij de regels in het omgevingsplan is de hoofdregel dat de normadressaat degene is die de activiteit verricht. In de planregels is vastgelegd dat aan de regels in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in het omgevingsplan nadrukkelijk anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 1.4 Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht ziet op de gehele fysieke leefomgeving en is daarmee gelijk aan de reikwijdte van de Omgevingswet. De zorgplicht geldt voor eenieder die een activiteit als bedoeld in dit omgevingsplan verricht.
Artikel 3.1 Aanwijzing In dit artikel wordt een 'beperkingengebied energie' aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Beperkingengebied energie - interferentiegebied' worden interferentiegebieden geometrisch begrensd. Een interferentiegebied is een gebied waarbinnen bodemenergiesystemen worden toegepast. Daarbij kan negatieve interferentie ontstaan tussen verschillende bodemenergiesystemen. Om negatieve interferentie te voorkomen heeft de gemeente Nijmegen bodemenergieplannen opgesteld.
Artikel 3.2 Doelen De ondergrond (bodem) heeft een beperkte warmte en koude capaciteit. Daarom is het van belang bodemenergiesystemen goed op elkaar af te stemmen, zodat de ondergrond zo efficiënt mogelijk gebruikt kan worden. Om te borgen dat zo veel mogelijk partijen in de toekomst gebruik kunnen maken van bodemenergie in het Stationsgebied en Winkelsteeg wil de gemeente randvoorwaarden stellen aan het gebruik van bodemenergie. Om deze reden worden in dit omgevingsplan zogenaamde interferentiegebieden aangewezen, met als doel de bodem op een zo efficiënt mogelijke wijze te benutten voor bodemenergiesystemen.
Artikel 3.3 Regels voor interferentiegebieden Dit artikel dient als richtingaanwijzer. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de regels voor bodemenergiesystemen.
Artikel 3.4 Aanwijzing In dit artikel wordt het bodembeheergebied aangewezen. Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van maatwerk om een soepelere kwaliteitseis op te nemen voor het toepassen van grond en baggerspecie, geldt de maatwerkregel voor het bodembeheergebied. Dit volgt uit artikel 4.1273, 4.1275, 4.1277 en 4.1279 van het Bal. De instructieregel richt zich zowel tot gemeenten als
38
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
waterbeheerders. Een belangrijke voorwaarde voor soepelere kwaliteitseisen is dat toe te passen partijen grond of baggerspecie afkomstig moeten zijn uit dat aangewezen bodembeheergebied. Als een groter gebied wordt aangewezen waaruit de grond of baggerspecie afkomstig mag zijn, betekent dit niet dat de grond of baggerspecie zonder meer ook buiten de grenzen van de gemeente mag worden toegepast. Dat is alleen het geval als de andere gemeente(n) dat in hun omgevingsplan hebben bepaald. Een gemeente heeft immers geen bevoegdheden buiten de grenzen van de gemeente. Deze bepaling komt overeen met de bepaling uit het voormalige Besluit bodemkwaliteit, waarin de gemeente bij gebiedsspecifiek beleid moet borgen dat de bodemkwaliteit binnen een aangewezen gebied niet verslechtert. Deze voorwaarde uit het Besluit bodemkwaliteit is omgezet in een instructieregel als voorwaarde voor het stellen van soepelere kwaliteitseisen binnen het bodembeheergebied. Dit staat in artikel 5.89o van het Bkl.
Artikel 3.5 Doelen In dit omgevingsplan zijn regels opgenomen voor het bodembeheergebied. Deze regels hebben tot doel de gezondheid van personen te beschermen, alsmede het milieu te beschermen tegen bodemverontreiniging.
Artikel 3.6 Bodemfunctieklasse Veel activiteiten met grond worden getoetst aan het gebruik van de bodem. De kwaliteit van de grond moet hierbij aansluiten en geen risico leveren. Het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart kan worden ingedeeld in drie functieklassen: a. Landbouw/natuur b. Wonen c. Industrie Uit de toetsing blijkt dat de gemiddelde kwaliteit van alle deelgebieden voldoet aan de klasse 'Wonen' of aan de klasse 'Landbouw/natuur'. De klasse 'Landbouw/natuur' is de strengste klasse. Hieronder vallen onder andere volkstuinen en speelplaatsen. Hiervoor is geregeld dat altijd schone grond moet worden toegepast. Daarom zijn die niet als apart deelgebied opgenomen en valt het hele bodembeheergebied in de functieklasse Wonen.
Artikel 3.7 Regels voor het beschermen van de fysieke leefomgeving Dit artikel dient als richtingaanwijzer. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de bodemregels die zijn opgenomen met het oog op het beschermen van de gezondheid van de mens.
Artikel 3.8 Regels voor het beschermen van het milieu Dit artikel dient als richtingaanwijzer. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de bodemregels die zijn opgenomen met het oog op het beschermen van het milieu.
Artikel 3.9 Register van verdachte bodemlocaties Dit artikel bevat een register van verdachte bodemlocaties. In dit register wordt bijgehouden welke locaties verdacht zijn op bodemverontreiniging. Dit register wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders, is voor eenieder toegankelijk en wordt voortdurende actueel gehouden. Door het register te raadplegen wordt duidelijk of een locatie is aangemerkt als verdachte bodemlocatie. Voor verdachte bodemlocaties kunnen andere regels gelden dan voor onverdachte locaties. De verdachte bodemlocaties zijn in het register raadpleegbaar onder het tabblad 'Bodem'.
39
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
Artikel 3.10 Aanwijzing In dit artikel wordt een bodemkwaliteitsgebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Bodemkwaliteit - bestaande stad tot 1945' worden de gebieden die verdacht zijn op bodemverontreiniging geometrisch begrensd.
Artikel 3.11 Aanwijzing In dit artikel wordt een bodemkwaliteitsgebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Bodemkwaliteit - bestaande stad 1945 tot 1965' worden de gebieden waarvan de bodemkwaliteit (en de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen) onbekend is geometrisch begrensd.
Artikel 3.12 Aanwijzing In dit artikel wordt een bodemkwaliteitsgebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Bodemkwaliteit - bestaande stad vanaf 1965' worden de gebieden die niet verdacht zijn op bodemverontreiniging geometrisch begrensd.
Artikel 3.13 Aanwijzing In dit artikel wordt een bodemkwaliteitsgebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Bodemkwaliteit - Waalsprong' worden de gebieden die verdacht zijn op bodemverontreiniging met gewasbestrijdingsmiddelen geometrisch begrensd.
Artikel 3.14 Aanwijzing In dit artikel wordt een bodemkwaliteitsgebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Bodemkwaliteit - Veur Lent' wordt het stadseiland Veur Lent geometrisch begrensd. Het stadseiland is geen onderdeel van het bodembeheergebied, omdat het buitendijks is gelegen. We spreken daarom van de waterbodem. De waterbodem wordt beheerd door Rijkswaterstaat.
Artikel 4.1 Algemeen toepassingsbereik Dit artikel bevat een algemeen toepassingsbereik. Het algemeen toepassingsbereik geeft aan over welke activiteiten de regels in dit hoofdstuk gaan.
Artikel 4.2 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 4.2.1 worden regels gesteld over het bouwen of uitbreiden van een bodemgevoelige gebouw, alsmede het toevoegen van bodemgevoelige locaties. Deze regels gelden ook bij het toevoegen van woonruimte of het starten van een maatschappelijke voorziening in een bestaand bodemgevoelig gebouw, zoals een kantoorgebouw.
40
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Artikel 4.3 Oogmerken
Concept
Dit artikel bevat de oogmerken van de in deze paragraaf opgenomen regels. De regels in deze paragraaf worden gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid van personen tegen bodemverontreinigingen.
Artikel 4.4 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem Bij het toevoegen van een bodemgevoelige locatie of het bouwen of uitbreiden van een bodemgevoelig gebouw, moet bij de beoordeling van de vergunningaanvraag bepaald worden of voldoende rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid van personen. Dit artikel regelt dat de voorgestelde activiteit moet voldoen aan de toelaatbare bodemkwaliteit op de locatie. Als deze niet voldoet moet aannemelijk gemaakt worden dat er maatregelen genomen worden, waardoor de locatie alsnog geschikt gemaakt kan worden. In het tweede lid zijn de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van een standaard bodem aangevuld met aanvullende waarden (lokaal maatwerk). Voor het omrekenen naar een standaard bodem moet gebruik worden gemaakt van bijlage G onderdeel II van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Het derde lid bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem in aanvulling op het tweede lid. Deze aanvullende waarden gelden uitsluitend voor volkstuincomplexen, buurtmoestuinen en locaties die zijn aangewezen voor stadslandbouw. Voor de stoffen PCB28, PCB52, PCB101, PCB118, PCB138, PCB153 en PCB180 gelden afwijkende (strengere) waarden in volkstuincomplexen, buurtmoestuinen en locaties voor stadslandbouw.
Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit ‘het geval van verontreiniging’ genoemd. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging ter plaatse van een ontwikkeling. Het vijfde lid heeft betrekking op de aanwezigheid van asbest in de bodem. De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest en respirabele asbestvezels, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Het gaat dan ook niet om de gemiddeld gemeten concentratie, maar bij elke overschrijding van de interventiewaarde bodemkwaliteit moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3.
Artikel 4.5 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bodemgevoelige locatie of bodemgevoelige functie toevoegen Op locaties waar bodemgevoelige activiteiten plaatsvinden is het borgen van de geschikte bodemkwaliteit van belang. Dit artikel bevat daarom een vergunningplicht voor het toevoegen of uitbreiden van een bodemgevoelige locatie. Bij nieuwbouw kan de gemeente daarop toezien, maar een wijziging in gebruik (zonder bouwactiviteit) is in sommige gevallen toegestaan door algemene regels. Er moet voorkomen worden dat ongewenste risico’s ontstaan, en we stellen daarom ook een vergunningplicht in bij het toevoegen van woonruimte of het starten van maatschappelijke activiteiten in een bestaand bodemgevoelig gebouw.
Artikel 4.6 Uitzondering op vergunningplicht Dit artikel bevat een uitzondering op de vergunningplicht als bedoeld in artikel 4.5. Voor locaties waar geen verdenking is op de aanwezigheid van een puntbron, en ook geen indicatie is van een heterogene, diffuse bodemkwaliteit, beschouwen we de bodemkwaliteitskaart als voldoende betrouwbare indicatie dat een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit niet is te verwachten. Een bodemonderzoek levert dan geen nieuwe inzichten in de bodemkwaliteit op en is daarmee een onnodige investering voor de initiatiefnemer. Op locaties gelegen in 'Bodemkwaliteit - bestaande
41
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
stad vanaf 1965' geldt er geen vergunningplicht. Voor het uitbreiden van een bestaande bodemgevoelige locatie met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 50 m2 geldt ook geen vergunningplicht.
Concept
Artikel 4.7 Inperking van uitzondering: verdachte bodemlocaties Dit artikel bevat een inperking van de uitzondering in artikel 4.6 eerste lid. Het kan namelijk voorkomen dat binnen het 'Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965' locaties zijn gelegen die zijn aangemerkt als verdachte bodemlocatie. Op deze verdachte bodemlocaties blijft de vergunningplicht uit artikel 4.5 in stand.
Artikel 4.8 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Op locaties waar bodemgevoelige activiteiten plaatsvinden is het van belang te borgen dat de bodemkwaliteit daar ook geschikt voor is. Bij nieuwbouw kan de gemeente daarop toezien, maar wijziging van gebruik (zonder bouwactiviteit) hoeft niet altijd gemeld te worden onder de standaard regels. We willen voorkomen dat er ongewenste risico’s kunnen ontstaan, en stellen daarom een vergunningplicht in bij het ontstaan van een bodemgevoelige locatie. Door deze plicht op te nemen in het Omgevingsplan borgen we dat niet zomaar een bodemgevoelige locatie kan ontstaan zonder tijdige aanlevering van informatie. We vinden het belangrijk om te borgen dat het gebruik van de locatie veilig is en blijft. We vragen daarom als onderdeel van de vergunningplicht om gegevens aan te leveren over de kwaliteit van de bodem op de locatie. Welke gegevens aangeleverd moeten worden is afhankelijk van het type locatie zoals gedefinieerd in dit artikel.
Artikel 4.9 Eisen aan bodemonderzoek Als op grond van het omgevingsplan een bodemonderzoek wordt geëist als onderdeel van de vergunningaanvraag voor bodemgevoelige locaties, geeft dit artikel aan op welke wijze de digitale informatie uit het bodemonderzoek moet worden aangeleverd. Daarbij is de vigerende versie van de Basisregistratie Ondergrond (IMBRO) leidend. Bij deze standaardisering wordt zo veel mogelijk aangesloten op bestaande protocollen, standaarden en normen, zodat de informatie eenduidig is en eenvoudig verwerkt kan worden door de gemeente.
Artikel 4.10 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bodemgevoelige locatie of bodemgevoelige functie toevoegen Als een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelige locatie wordt aangevraagd, moet bij de beoordeling van de vergunningaanvraag worden bepaald of hierbij voldoende rekening is gehouden met het beschermen van personen. Dit artikel regelt dat een omgevingsvergunning voor het toevoegen van een bodemgevoelige locatie uitsluitend wordt verleend indien voldaan worden aan de toelaatbare bodemkwaliteit op de locatie. Als deze niet voldoet moet aannemelijk gemaakt worden dat er maatregelen genomen worden, waardoor de locatie alsnog geschikt gemaakt kan worden. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een bodemgevoelige locatie, en bekend is dat de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden op die locatie, moet de aanvrager aantonen dat er voldoende maatregelen worden getroffen. De maatregelen zijn gericht op het wegnemen of minimaliseren van de risico’s die worden veroorzaakt door de overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Maatregelen kunnen bestaan uit sanering en/of andere beschermende maatregelen. Bij de vergunning aanvraag worden de bescheiden aangeleverd waaruit blijkt wanneer welke maatregelen worden genomen.
In artikel 4.8 zijn bijzondere aanvraagvereisten opgenomen voor bodemonderzoeken.
Artikel 4.11 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.29 regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Artikel 4.11 eerste lid vult artikel 22.29 aan.
42
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Het tweede en derde lid geven aan wanneer de beoordelingsregel in het eerste lid niet van toepassing is.
Concept
Artikel 4.12 Voorschriften bij omgevingsvergunning Er zijn gebieden waar de bodemkwaliteit niet voldoet aan de (toekomstige) gebruiksfuncties. Met dit artikel kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.5 of artikel 22.26, om risico’s te voorkomen.
Artikel 6.1 Algemeen toepassingsbereik Dit artikel bevat een algemeen toepassingsbereik. Het algemeen toepassingsbereik geeft aan over welke activiteiten de regels in deze afdeling gaan.
Artikel 6.2 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 6.6.2 worden regels gesteld over natuurinclusief bouwen. Bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie van gebouwen (o.a. woningen), is de Toolbox Natuurinclusief Bouwen d.d. november 2023 van toepassing. De regels in deze paragraaf gelden alleen voor gebouwen met een hoogte van minimaal 4 meter en een oppervlakte van minimaal 25 m2. Er is gekozen voor een minimale hoogte van 4 meter vanwege het feit dat geschikte nestgelegenheden voor gebouwbewonende soorten als de gierzwaluw, huismus en vleermuizen een minimale hoogte van 3 meter vereisen. De minimale oppervlakte van 25 m2 komt voort uit het idee dat een oppervlakte van minder dan 25 m2 een geringe omvang biedt om te vergroenen, waarbij de vereiste inspanning slechts een beperkte bijdrage levert. Onder een ingrijpende renovatie wordt verstaan een renovatie waarbij tenminste 25% van de oppervlakte van de bouwschil verandert. Bovendien moet de verandering op de integrale bouwschil zijn uitgevoerd. De bouwschil bestaat uit de geïntegreerde onderdelen die de binnenruimte van een gebouw scheiden van de daar buiten gelegen onderdelen van de fysieke leefomgeving (Bijlage I Bbl).
De bouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn bij het vervangen van een dak of het optoppen van een bestaand gebouw.
Artikel 6.3 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking De Toolbox Natuurinclusief Bouwen is in november 2023 vastgesteld. Voor een aantal ontwikkelgebieden binnen de gemeente waren er op het moment van vaststelling reeds privaatrechtelijke afspraken gemaakt over het toepassen van natuurinclusieve maatregelen bij bouwactiviteiten. In deze gevallen gaan de privaatrechtelijke afspraken voor op de regels in deze paragraaf.
Artikel 6.4 Oogmerken Dit artikel somt op met welke oogmerken de regels voor natuurinclusief bouwen in dit omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen, waaronder de natuurbescherming. De regels in deze paragraaf zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Om de natuur te beschermen en verder te ontwikkelen in de stad, bevat deze paragraaf regels met het oog op het bevorderen van de biodiversiteit.
Artikel 6.5 Bijzondere aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken In artikel 22.26 is een vergunningplicht opgenomen voor het bouwen, uitbreiden of (ingrijpend) wijzigen van een hoofdgebouw. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dienen de gegevens en bescheiden als genoemd in het eerste lid (voor nieuwbouw) en tweede lid (voor bestaande bouw) verstrekt te worden. Deze gegevens en bescheiden zijn nodig om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.6.
43
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
In het derde lid is bepaald dat het tweede lid (bestaande bouw) pas vanaf 1 januari 2026 van toepassing is. Er is bewust voor gekozen om dit in een apart lid te regelen, zodat het derde lid na inwerkingtreding van het tweede lid (op 1 januari 2026) kan komen te vervallen.
Artikel 6.6 Specifieke beoordelingsregels binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken In artikel 22.26 is een vergunningplicht opgenomen voor het bouwen, uitbreiden of (ingrijpend) wijzigen van een hoofdgebouw. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen. Dit betreft een aanvulling op artikel 22.29 en is geformuleerd als een zogenaamde open norm. Om te kunnen beoordelen of er in voldoende mate maatregelen worden getroffen, wordt getoetst aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen d.d. november 2023. Op basis van deze toolbox kan eenvoudig vastgesteld worden of voldaan wordt aan de open norm. In het derde lid is bepaald dat het tweede lid (bestaande bouw) pas vanaf 1 januari 2026 van toepassing is. Er is bewust voor gekozen om dit in een apart lid te regelen, zodat het derde lid na inwerkingtreding van het tweede lid (op 1 januari 2026) kan komen te vervallen.
Artikel 6.7 Vergunningvoorschrift: in stand houden natuurinclusieve maatregelen De gerealiseerde natuurinclusieve maatregelen dienen duurzaam in stand te worden gehouden. De wijze waarop de instandhouding en het beheer geregeld zijn dient te worden beschreven in Bijlage B van de Toolbox natuurinclusief bouwen, die verstrekt moet worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Om de in stand houding van de toegepaste natuurinclusieve maatregelen te waarborgen, wordt er een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.
Artikel 7.1 Algemeen toepassingsbereik Dit artikel bevat een algemeen toepassingsbereik. Het algemeen toepassingsbereik geeft aan over welke activiteiten de regels in dit hoofdstuk gaan.
Artikel 7.2 Oogmerken Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 en 22.45 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 22.45. Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema’s, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.
Artikel 7.3 Algemeen toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze afdeling gelden. In afdeling 7.2 worden regels gesteld over bodembeheeractiviteiten.
44
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Artikel 7.4 Eisen aan bodemonderzoek
Concept
Wanneer op grond van deze afdeling een bodemonderzoek wordt geëist als onderdeel van de vergunningaanvraag, geeft dit artikel aan op welke wijze de digitale informatie uit het bodemonderzoek moet worden aangeleverd.
Artikel 7.5 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 7.2.2 worden regels gesteld over het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Artikel 7.6 Maatwerkregels: bijzondere indieningsvereisten informatieplicht Dit artikel bevat bijzondere (aanvullende) indieningsvereisten voor de informatieplicht in artikel 4.1220 van het Bal. Met deze maatwerkregel vragen we gegevens aan te leveren over de kwaliteit van de bodem op de locatie en eventueel aanwezige invasieve exoten. Welke gegevens aangeleverd moeten worden is afhankelijk van het type locatie zoals gedefinieerd in dit artikel. De bij de gemeente bekende invasieve exoten zijn opgenomen in de Groenatlas.
Artikel 7.7 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 7.2.3 worden regels gesteld over het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Artikel 7.8 Maatwerkregels: bijzondere indieningsvereisten meldingsplicht Dit artikel bevat bijzondere (aanvullende) indieningsvereisten voor de meldingsplicht in artikel 4.1225 van het Bal. Met deze maatwerkregel vragen we gegevens aan te leveren over eventueel aanwezige invasieve exoten op de locatie waar de activiteit wordt verricht. De bij de gemeente bekende invasieve exoten zijn opgenomen in de Groenatlas.
Artikel 7.9 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 7.2.4 worden in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving regels gesteld over het saneren van de bodem.
Artikel 7.10 Maatwerkregels: saneren van de bodem in het Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent Het stadseiland Veur Lent is geen onderdeel van het bodembeheergebied, omdat het een oppervlaktewaterlichaam betreft. We spreken dan over de waterbodem, waarvoor Rijkswaterstaat bevoegd gezag is. Dit betekent dat de saneringsmaatregelen in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn. Rijkswaterstaat stelt geen saneringseisen aan de waterbodem. De gemeente kan de gewenste kwaliteit wel 'bepalen' en de waterbodem, die daar niet aan voldoet, ontgraven. Om deze reden wordt in dit artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing verklaart op het 'Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent'. De terugsaneerwaarden voor het stadseiland zijn opgenomen in artikel 7.13 vijfde lid.
Artikel 7.11 Maatwerkregels: aanbrengen laag grond of baggerspecie Dit artikel gaat over het aanbrengen van een laag grond of baggerspecie als afdeklaag bij bodemsanering. Op grond van artikel 4.1241, derde lid onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving dient een afdeklaag met een minimale dikte van 1,0 meter aangebracht te worden. Uit de memorie van toelichting bij het Bal blijkt dat het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van minder dan
45
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
1,0 meter met een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel kan worden toegestaan. Het beleid van de gemeente Nijmegen (Beleidnota bodem 2012) gaat uit van het toepassen van een afdeklaag van 0,5 meter bij gronden die gebruikt worden voor industrie/bedrijven. Het is wenselijk dit beleid voort te zetten. Om deze reden wordt in dit artikel een afdeklaag met een minimale dikte van 0,5 meter voorgeschreven. Daarmee wordt voorkomen dat bij iedere sanering maatwerkvoorschiften opgelegd moeten worden om af te kunnen wijken van de minimale afdeklaag van 1,0 meter uit het Bal (artikel 4.1241, derde lid onder b).
Artikel 7.12 Maatwerkregels: verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak Dit artikel bevat maatwerkregels. De bodemkwaliteit die met een sanering moet worden gerealiseerd is per gebied verschillend. De gemeente heeft de mogelijkheid om voor een of meerdere stoffen een afwijkende waarde vast te stellen door in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen, die daartoe strekken. De terugsaneerwaarden zoals opgenomen in artikel 7.13 zijn een voortzetting van de terugsaneerwaarden zoals opgenomen in de Nota bodembeheer 2021, uitgesplitst per deelgebied.
Artikel 7.13 Terugsaneerwaarden Dit artikel bevat de terugsaneerwaarden per deelgebied zoals opgenomen in de Nota bodembeheer 2021.
Artikel 7.14 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.5 bevat regels over het verrichten van nazorg als sanering van de bodem heeft plaatsgevonden of bij een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Artikel 7.15 Register van locaties met nazorg Dit artikel bevat een register van locaties met nazorg. In dit register wordt bijgehouden op welke locaties onder de Wet bodembescherming of onder de Omgevingswet nazorg aan de orde is. Dit register wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders, is voor eenieder toegankelijk en wordt voortdurend actueel gehouden. Door het register te raadplegen wordt duidelijk op welke locaties de nazorg als bedoeld in artikel 7.16 van toepassing is.
Artikel 7.16 Nazorg na afloop van saneren van de bodem Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming. Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 7.16 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder). Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft.
Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan
46
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Concept
Artikel 7.16 lid 2 Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
Artikel 7.17 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.6 worden regels gesteld over het toepassen van bouwstoffen.
Artikel 7.18 Maatwerkregels: aanwijzing meldingsplichtige gevallen Dit artikel bevat een meldingsplicht voor het toepassen van bouwstoffen. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat uitsluitend een informatieplicht voor het toepassen van bouwstoffen. Om eventueel te kunnen handhaven, voorafgaand aan de activiteit in te grijpen of na afronding van de activiteit te controleren, wordt in dit omgevingsplan een meldingsplicht ingesteld. Het Bal staat toe om aanvullende (niet afwijkende) meldingsplichten op te nemen voor milieubelastende activiteiten die in het Bal staan. Een voorwaarde hierbij is dat dit nodig is voor (artikel 2.14 Bal) onder andere: • het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, • het beschermen van de kwaliteit van het grondwater Er zijn geen extra indieningsvereisten toegevoegd ten opzichte van de indieningsvereisten uit het Bal. De indieningsvereisten zijn opgenomen in artikel 7.19. De gemeente wenst een meldingsplicht in te stellen omdat er een risico bestaat op uitloging van de in dit artikel genoemde stoffen naar de bodem.
Artikel 7.19 Maatwerkregels: bijzondere indieningsvereisten meldingsplicht Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor de meldingsplicht als bedoeld in artikel 7.18. Er zijn twee extra indieningsvereisten ten opzichte van de indieningsvereisten voor de informatieplicht uit het Bal toegevoegd. Met deze extra indieningsvereisten kan getoetst worden of sprake is van een nuttige toepassing en er niet meer wordt toegepast dan nodig is.
Artikel 7.20 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.7 worden regels gesteld over het toepassen van grond of baggerspecie.
Artikel 7.21 Maatwerkregels: bijzondere kwaliteitseisen Dit artikel bevat maatwerkregels in overeenstemming met het Nijmeegse beleid ten aanzien van bodem. In het Besluit activiteit leefomgeving zijn kwaliteitseisen opgenomen voor het toepassen van grond of baggerspecie. Met dit artikel worden de kwaliteitseisen uit de Nota Bodembeheer 2021 (vastgesteld d.d. 22 december 2021) van toepassing verklaard. Deze kwaliteitseisen gelden in afwijking van de kwaliteitseisen als genoemd in artikel 4.1272, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving.
47
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
Artikel 7.22 Maatwerkregels: gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit Dit artikel bevat maatwerkregels in overeenstemming met het Nijmeegse beleid ten aanzien van bodem. Artikel 4.1267, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving bevat een opsomming van gegevens en bescheiden die in het kader van de informatieplicht voor het toepassen van grond of baggerspecie aangeleverd moeten worden. Uit deze opsomming volgt dat een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de ontvangende bodem aangeleverd moet worden. Artikel 4.1267, vierde lid van het Bal regelt vervolgens dat de eis om deze milieuverklaring aan te leveren in een aantal situaties niet geldt. Aan dit artikel uit het Bal voegen we een situatie toe, namelijk: het toepassen van grond in het bodembeheergebied dat is vrijgekomen in het bodembeheergebied.
Artikel 7.23 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.8 worden regels gesteld over het opslaan van grond of baggerspecie.
Artikel 7.24 Maatwerkregels: eindonderzoek bodem Dit artikel bevat maatwerkregels in overeenstemming met het Nijmeegse beleid ten aanzien van bodem. In artikel 4.1250, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer het uitvoeren van een eindonderzoek nodig is bij het opslaan van grond of baggerspecie. In aanvulling op dit artikel is in artikel 7.24 geregeld dat het uitvoeren van een eindonderzoek niet nodig is wanneer de grond of baggerspecie wordt opgeslagen op een elementenbodemvoorziening. Dit betreft een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht. Rijplaten worden hier ook onder geschaard.
Artikel 7.25 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.9 is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 7.26 Bodem: mitigerende maatregelen Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 7.25, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming. Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem). Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden.
Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maat-
48
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Concept
werkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt. Artikel 7.26 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is. Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
Artikel 7.27 Toepassingsbereik Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.3.1 worden regels gesteld over het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem.
Artikel 7.28 Oogmerken De ondergrond (bodem) heeft een beperkte warmte en koude capaciteit. Daarom is het van belang bodemenergiesystemen goed op elkaar af te stemmen, zodat de ondergrond zo efficiënt mogelijk gebruikt kan worden. Om te borgen dat zo veel mogelijk partijen in de toekomst gebruik kunnen maken van bodemenergie in het Stationsgebied en Winkelsteeg wil de gemeente negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling en op andere ondergrondse functies zoveel mogelijk voorkomen.
Artikel 7.29 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen, zoals deze voor inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing was. Op grond van dit artikel geldt er een vergunningplicht voor gesloten bodemenergiesystemen in een interferentiegebied of met een vermogen van 70 kW of meer. Voor gesloten bodemenergiesystemen buiten een interferentiegebied of met een vermogen kleiner dan 70 kW blijft de meldingsplicht in paragraaf 4.111 van het Bal van toepassing.
49
Concept
(van 24-2-2025 15:39)
Artikel 7.30 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Concept
De gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Artikel 7.31 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het aanleggen en gebruiken een gesloten bodemenergiesysteem wordt beoordeeld of het bodemenergiesysteem interfereert met andere bodemenergiesystemen en of er sprake is van doelmatig gebruik. Bij deze beoordeling worden de bodemenergieplannen betrokken. MM De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295. De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.