CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijmegen Stadsbosjes Beheerplan

Besluitronde (raadsvergadering) 21 december 2022, gemeente NijmegenBij agendapunt: D13 d.d. 15 november 2022 inzake Beheervisie Stadsbosjes32.127 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4

BEHEERDOELEN VOOR EEN LEEFBARE STAD

De opgaven die gemeente Nijmegen oppakt in het kader van de leefbaarheid van de stad zijn onder andere beschreven in de omgevingsvisie ‘Nijmegen in Beweging’. Dit betreft uitdagingen waaraan stadsbreed gewerkt wordt. Als beschreven in hoofdstuk 3 leveren de stadbosjes daaraan een bijdrage, maar de schaal en het multifunctionele karakter van de stadsbosjes maken dat deze bijdrage grenzen kent. Significant vergroten van de bijdrage die de stadsbosjes leveren aan de grote stedelijke leefbaarheidsthema’s vraagt om concessies ten aanzien van de andere waarden en specifieke identiteitsdragers van stadsbosjes en ten aanzien van de andere functies die de bosjes vervullen. De bijdrage die de stadsbosjes in de huidige situatie leveren aan de leefbaarheid van onze stad wordt toch optimaal benut.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

29

Buiting Advies

BOSKLIMAAT Door schaduw en verdamping van water heeft groen in het algemeen een verkoelend effect. Zeker in bos is dit effect dermate groot dat de temperatuur in bos duidelijk voelbaar lager is dan in de stad. Het is dan ook niet voor niets dat veel mensen tijdens warme dagen verkoeling zoeken in de stadsbosjes. Vanuit deze functie zijn de volgende beheerdoelen geformuleerd: ▪ Bij en na uitvoering van beheermaatregelen moet zorggedragen worden voor behoud van voldoende kroonbedekking. Een bedekking van gemiddeld 60% wordt daarbij als minimum gehanteerd. Hiermee wordt voorkomen dat het bosklimaat en daarmee het verkoelend effect van bos verloren gaat; ▪ Bij en na uitvoering van beheermaatregelen in de randen van stadsbosjes moet ten minste 60% van de bosranden gesloten blijven om te grote aantasting van het bosklimaat te voorkomen; ▪ Zitbankjes zijn goed verdeeld over zonnige locaties (belangrijk van najaar tot voorjaar) en schaduwrijke locaties (belangrijk in zomer). WATERBERGING In stadsbosjes komt nauwelijks tot geen verharding voor, waardoor hemelwater vrij in de bodem kan infiltreren. Dit principe draagt in de versteende stedelijke omgeving in belangrijke mate bij aan de afvoer van hemelwater tijdens piekbuien en creëert een buffer voor droge perioden.

De veelal kleine oppervlakte van de stadsbosjes maakt dat de capaciteit voor het infiltreren en bufferen van water beperkt is. Water uit de omringende stad kan daardoor niet ongelimiteerd in de stadsbosjes worden opgevangen. Door de grote milieudynamiek die dit teweeg zou brengen is het goed mogelijk dat de duurzame instandhouding van de bosjes zoals we die nu kennen in het geding komt. Per stadsbosje wordt daarom bepaald wat de capaciteit is voor waterinfiltratie of -berging, rekening houdend met de boomsoortensamenstelling, gebruiksfuncties en eventuele beschermde of anderszins bijzondere flora en fauna. Deze capaciteit is bepalend voor de mate waarin hemelwater uit de omringende stad in de stadsbosjes wordt opgevangen. ZIEKTEN EN PLAGEN Net als mensen hebben ook bomen en struiken te kampen met ziekten en plagen. Sommige daarvan komen al lange tijd voor in onze omgeving, andere zijn meer recentelijk voor het eerst aangetroffen. Het is dan ook aannemelijk dat ook in de toekomst nieuwe ziekten en plagen hun intrede zullen doen. Aantastingen die samenhangen met het natuurlijk verval of die geen directe bedreiging vormen voor de instandhouding van de stadsbosjes beschouwen we als onderdeel van de natuurlijke processen waaraan we in de stadsbosjes ruimte bieden. We accepteren daarbij ook dat bepaalde boomsoorten mogelijk uit de bosjes zullen verdwijnen.

Evenwel richten we ons met het groenbeheer op stadsbosjes met een goede vitaliteit en op het vergoten van het aanpassingsvermogen en de weerbaarheid tegen ziekten en plagen. Diversiteit zien we daarin als belangrijkste sleutel. Wanneer ziekten en plagen leiden tot overmatige hinder of zelfs gevaar voor de gezondheid van mensen, zoals eikenprocessierups of roetschorsziekte, of als de instandhouding van stadsbosjes in het geding komt, is maatwerk geboden.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

30

Buiting Advies

5

BEHEERMAATREGELEN

Zoals in de inleiding van deze beheervisie al is benoemd zijn stadsbosjes doorlopend aan verandering onderhevig. Dit wordt veroorzaakt door de groei van bomen, struiken en planten, maar ook door invloeden van buitenaf en het gebruik van de bosjes. Als beheerder van de stadsbosjes bewegen we gedeeltelijk mee met deze verandering. We geven ruimte aan natuurlijke processen en kiezen ervoor de bosjes niet in een vast omlijnd beeld te gieten. Maar zeker in de stad kent deze keuze grenzen. Wanneer deze ontwikkeling leidt tot onveilige situaties, tot significante beperking van de gebruiksmogelijkheden of tot het verdwijnen van bijzondere planten en dieren die van de stadsbosjes afhankelijk zijn, treffen we maatregelen om de ontwikkeling bij te sturen. In dit hoofdstuk zijn de maatregelen beschreven die we daarbij ter beschikking hebben.

5.1

BOOMVEILIGHEID

5.1.1 BOOMVEILIGHEIDSCONTROLE Een boom is vatbaar voor ziekten, afwijkende groei en aftakelingsverschijnselen. Met het ouder worden van een boom kan dit leiden tot onveilige situaties voor mens en materieel. De periodieke controle van bomen is de eerste stap in het voorkomen van onveilige situaties. DOEL Tijdens boomveiligheidscontrole (BVC) maken we een onderbouwde inschatting van de staat waarin bomen verkeren, door zichtbare afwijkingen tijdig te signaleren. Waar nodig worden aanbevelingen gedaan voor nader onderzoek of het treffen van maatregelen. Hiermee zijn we in staat adequaat te handelen wanneer eventuele veiligheidsrisico’s aan de orde zijn. UITVOERING Tijdens een BVC worden bomen onderzocht op visuele mechanische en biologische afwijkingen aan de kroon, stam, stamvoet en maaiveld. Bomen waaraan geen afwijkingen worden geconstateerd, worden conform de gangbare frequentie van eens per vier jaar opnieuw gecontroleerd. Worden wel afwijkingen geconstateerd, maar leiden deze niet tot een acuut veiligheidsrisico, dan kan worden besloten de inspectie met een hogere frequentie uit te voeren. In de situatie waarin wel sprake is van een (mogelijk) veiligheidsrisico, dan wordt, al dan niet op basis van aanvullend onderzoek, bepaald of en welke maatregelen getroffen moeten worden.

Dit laatste kan variëren van het verwijderen van dode takken tot, in het uiterste geval, het vellen van een boom.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

31

Buiting Advies

5.1.2 ONDERHOUDSNOEI Bomen in de stadsbosjes krijgen zo veel mogelijk de ruimte om uit te groeien in hun natuurlijke groeivorm. Ingrijpen in de groeivorm gebeurt dan ook uitsluitend wanneer dat nodig is voor de veiligheid of om te voldoen aan de verplichte takvrije zone boven wegen en paden. Deze maatregel betreft dan ook vooral bomen in de directe nabijheid van wegen, paden en andere gebruiksruimten in en rond de stadsbosjes. DOEL Onderhoudssnoei wordt ingezet met als doel een boom zo lang mogelijk in het bos te behouden. Dat begint soms wanneer een boom nog jong is en takken ontwikkelt die een belemmering vormen voor het gebruik van wegen en paden. Bij oudere bomen is deze maatregel vooral gericht op het verwijderen van dode of anderszins gevaarlijke takken. UITVOERING De noodzaak tot onderhoudssnoei wordt vastgesteld tijdens de BVC. Probleemtakken en dode takken worden verwijderd. Het is daarbij van belang dat de natuurlijke vorm van de boom zo veel mogelijk wordt gehandhaafd. Takmateriaal dat vrijkomt bij snoeiwerkzaamheden wordt in beginsel achtergelaten in achterliggende bosvakken of (gedeeltelijk) verwerkt in takkenrillen. Wanneer achtergebleven snoeihout een te grote impact heeft op de beeldkwaliteit of leidt tot overlast, wordt snoeihout afgevoerd.

5.1.3 BEHEER RISICOBOMEN Wanneer aan bomen tijdens de BVC gebreken worden aangetroffen die mogelijk een veiligheidsrisico vormen, is sprake van een risicoboom en vraagt dit om handelen. DOEL Maatregelen ten behoeve van risicobomen zijn erop gericht het risico voor mens en materiaal weg te nemen of zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te beperken en daarbij de boom voor de toekomst te behouden wanneer dat mogelijk is. UITVOERING Ingrijpen in risicobomen is altijd maatwerk en afhankelijk van de aard en ernst van de situatie. Zijn de aard en ernst onvoldoende bekend, dan kan eerst nader boomtechnisch onderzoek worden uitgevoerd. Fysieke maatregelen aan risicobomen kunnen variëren van doodhoutsnoei tot het vellen van een boom. Maatregelen als kroonverankering en groeiplaatsverbetering worden in de stadsbosjes niet toegepast. Bij het bepalen van de noodzakelijke maatregelen wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken en de levensverwachting van de boom. Als stelregel hanteren we dat ingrijpende beheermaatregelen aan individuele bomen worden uitgevoerd wanneer de boom in het stadbosje een belangrijke ecologische, esthetische of cultuurhistorische rol speelt die niet zonder meer door een nevenstaande boom kan worden overgenomen én de boom na uitvoering van de maatregelen een levensverwachting van ten minste tien jaar heeft.

Ook worden de zwaarte van de noodzakelijke beheermaatregel en de eventuele noodzaak tot periodieke herhaling van de maatregel hierin meegewogen.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

32

Buiting Advies

5.2

STUREN IN DE BESTAANDE BEGROEIING

5.2.1 BOMEN VELLEN Onveilige situaties, ongewenste ontwikkelingen in de stadsbosjes of het begeleiden van de vegetatie tot een stabiele, duurzame begroeiing kunnen aanleiding geven tot het vellen van bomen. DOEL Met uitzondering van bomen die verwijderd moeten worden uit oogpunt van veiligheid, is het doel van deze maatregel nooit het vellen van een boom zelf. Deze maategel wordt ingezet wanneer dat bijdraagt aan één van de beheerdoelen als beschreven in het voorgaande hoofdstuk. Het vellen van bomen betreft daarmee feitelijk een verzameling van instrumenten waaronder: ▪ Vrijstellen van bijzondere bomen zodat deze duurzaam behouden kunnen worden (bijvoorbeeld dikke, markante, beeldbepalende, historisch of ecologisch waardevolle bomen); ▪ Bevoordelen van stabiele, vitale en toekomstbestendige bomen in bosjes die nog in ontwikkeling zijn zodat deze gezond en veilig oud kunnen worden; ▪ Sturen in de soortensamenstelling door gewenste boomsoorten te bevoordelen; ▪ Verwijderen van (zaadbronnen van) ongewenste soorten, bijvoorbeeld invasieve exoten of sterk woekerende soorten; ▪ Versterken van de lichtinval ten behoeve van de struiklaag, kruidlaag of volgende generatie bomen; ▪ Verwijderen van risicobomen in de nabijheid van wegen en paden, waarvoor geldt dat snoei niet langer een acceptabele maatregel is.

UITVOERING Het vellen van bomen gebeurt alleen na een zorgvuldige afweging en in de meeste gevallen op basis van een positieve selectie. Dit laatste betekent dat eerst bepaald wordt welke bomen of elementen in de stadsbosjes behouden of bevoordeeld moeten worden, waarna bepaald wordt of daarvoor andere bomen moeten wijken. Bomen worden altijd zó geveld dat schade aan de blijvende vegetatie zo veel mogelijk wordt beperkt. Waar mogelijk blijft de gevelde boom in zijn geheel of in delen in het bos achter als aanvulling op het aandeel dood hout. Deze afweging wordt gemaakt op basis van de hoeveelheid vrijkomend materiaal en de beschikbare ruimte. Plaatselijk -en met een maximum van vier stuks per hectare- kan worden overwogen om een boom niet op maaiveldhoogte, maar op enkele meters hoogte af te zagen zodat het onderste stamdeel nog enkele jaren van waarde is voor spechten, boomklevers, zwammen en andere organismen. Dit is vooral zinvol bij dikke bomen. De maatregel wordt uitsluitend ingezet wanneer daartoe een noodzaak bestaat. In elk stadsbosje wordt doorgaans eens per vijf jaar bepaald of daarin bomen geveld moeten worden. Bomen waarvan wordt bepaald dat zij verwijderd dienen te worden, worden bij voorkeur binnen een jaar na de controle geveld en afgevoerd.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

33

Buiting Advies

5.2.2 ONTWIKKELEN MANTELVEGETATIE Mantelvegetaties zijn zones aan de buitenrand van de bosjes waarin struiken dominant zijn. Ze vormen de overgang tussen opgaand bos en open ruimte. Struiken ontvangen hier meer zonlicht dan onder bomen en hebben vaak een uitbundigere bloei en vruchtvorming. Mantels zijn waardevol voor vogels, vlinders, amfibieën en vele andere soortgroepen en zijn -niet onbelangrijk- mooi om te zien. Bovendien zorgen mantelvegetaties door hun dichte bladerdek voor een visuele barrière tussen de stadsbosjes en de wegen en bebouwde omgeving daaromheen.

noord

zuid

bos

mantel

zoom

berm/ grasland

Afbeelding 7, schematische weergave van een geleidelijke bosrandzone. Aan de zuidzijde van een bosje is de ontwikkeling van een waardevolle bosrandzone kansrijker vanwege de zoninval.

DOEL Doel van deze maatregel is het ontwikkelen van een gevarieerde geleidelijke overgangszone tussen opgaand bos en open vegetatie (grasland of berm) door het sturen van de verhouding tussen bomen en struiken. Het ontwikkelen van een mantelvegetatie vraagt een zone van ten minste enkele meters breed. Of deze maatregel wordt ingezet hangt daarom af van de omvang en inrichting van een bosje. UITVOERING Mantelvegetaties worden vanwege de zoninval vooral ontwikkeld aan de zuidzijde of eventueel de oost- of westzijde van bosjes. Daar wordt plaatselijk gezorgd voor voldoende zonlicht op de struiklaag door de bedekking van de kroonlaag in de randzone terug te brengen tot 40% of minder. Bij onvoldoende aanwezigheid van struiken in de randzone, kunnen groepen struiken van gewenste soorten worden geplant. Bij bestaande mantelvegetaties is het zaak dat deze niet weer dichtgroeit met bomen. Daarom wordt in mantelvegetaties eens per vijf jaar opslag van boomsoorten verwijderd. Aanvullend kunnen waardevolle struiken van minder voorkomende soorten worden bevoordeeld door daaromheen andere struiken af te zetten. Ongewenst woekerende soorten zoals braam of haagwinde worden periodiek verwijderd.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

34

Buiting Advies

5.2.3 BEHEER STRUIKLAAG AAN PADEN Vooral waar genoeg zonlicht door het kronendak valt kunnen struiken uitgroeien tot een dichte, ondoordringbare begroeiing. In de directe omgeving van paden kan dit aanleiding vormen tot sturende beheermaatregelen. DOEL Deze maatregel dient twee doelen. Ten eerste wordt hiermee de toegankelijkheid van de paden in de stadsbosjes behouden door te voorkomen dat deze worden overgroeid door struiken; het zogenoemde overkoken. En ten tweede heeft deze maatregel tot doel de sociale veiligheid in de bosjes te behouden of verbeteren door ruimte en overzicht rond de paden te creëren waar dat wenselijk is. UITVOERING Op plekken waar dat wenselijk is wordt de ondergroei van de stadsbosjes afgezet zodat de afstand tussen de struikvegetatie en de paden wordt vergroot. Struiken en opslag van bomen worden daarbij geheel verwijderd zodat geen onnatuurlijk gevormde struiken ontstaan en de noodzaak tot regelmatig ingrijpen wordt voorkomen (zie afbeelding 8). Afbeelding 8, door struiken aan paden geheel te verwijderen krijgen de struiken daarachter de ruimte om vrij uit te groeien. Zij ontwikkelen een mooiere groeivorm en staan op voldoende afstand tot het pad om te voorkomen dat opnieuw overlast ontstaat. Worden struiken gesnoeid dan ontstaat na verloop van tijd een onnatuurlijke groeivorm en moet regelmatig opnieuw worden ingegrepen.

effect van struiken afzetten

effect van struiken snoeien

5.2.4 VERWIJDEREN ONGEWENSTE SOORTEN Sommige boom-, struik- of plantensoorten zijn in stadsbosjes niet gewenst. Dit kan zijn omdat ze hinderlijk kunnen zijn voor bezoekers, zoals reuzenberenklauw, omdat ze sterk woekerend gedrag (kunnen) vertonen, zoals Aziatische duizendknoop, of omdat ze op een specifieke locatie bijzondere waarden van een stadsbosje bedreigen, bijvoorbeeld een populatie van beschermde soorten die overgroeid dreigt te raken door braamstruweel. Dergelijke soorten kunnen zich spontaan in de stadsbosjes hebben gevestigd of bijvoorbeeld verspreid zijn vanuit gestort tuinafval. DOEL Doel van deze maatregel is het beperken van de aanwezigheid van ongewenste soorten tot een acceptabel niveau op de plek waar ze ongewenst zijn. Naarmate een soort dominanter aanwezig is of in staat is snel in aandeel toe te nemen, wordt de maatregel strikter toegepast. In veel gevallen is volledige verwijdering van een soort niet haalbaar of niet nodig. Een uitzondering hierop geldt voor alle soorten die zijn opgenomen op de meest recente Unielijst Invasieve Exoten en voor soorten die, eenmaal gevestigd, zeer moeilijk te bestrijden zijn. Voor deze soorten wordt in principe een nul-beleid gehanteerd. Zij worden dan ook actief bestreden, gericht op volledige verwijdering. UITVOERING Bestrijding van ongewenste soorten is altijd maatwerk.

De meest effectieve aanpak, de frequentie van ingrijpen en de mate waarin een soort bestreden moet worden is afhankelijk van de specifieke soort, van de locatie en van de reden waarom de soort bestreden moet worden. Deze maatregel wordt dan ook per stadsbosje nader ingevuld.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

35

Buiting Advies

5.3

AANPLANTEN

Spontane ontwikkelingen in de stadsbosjes leiden niet altijd tot de gewenste situatie. Behalve het gericht verwijderen kan ook het toevoegen van beplanting wenselijk zijn voor de duurzame instandhouding van de stadsbosjes en de functies die zij vervullen in de stad.

5.3.1 AANPLANTEN BOMEN Het aanplanten van bomen wordt gedaan met het oog op de toekomst. Direct na aanplant bevinden de nieuwe bomen zich veelal nog in de struiklaag, maar het kan jaren tot decennia duren voordat de bomen hun rol in het kronendak zullen vervullen. Bij de keuze voor het moment van aanplant, de beoogde functie van de nieuwe bomen, de locatiekeuze en de soortenkeuze is het dan ook goed om zowel te kijken naar de directe omgeving van bomen op het moment van aanplant als naar de ruimte in het kronendak waar de boom uiteindelijk in zal groeien. DOEL Aanplanten van bomen kan uit oogpunt van verschillende doelen wenselijk zijn. De meest voorkomende voorbeelden hiervan zijn: ▪ Aanvullen van het bomenbestand waar te veel open ruimte is ontstaan na noodzakelijk velling, natuurlijke uitval of calamiteiten in het bosje; ▪ Vroegtijdig inbrengen van een nieuwe generatie bomen waar wordt verwacht dat oude bomen op relatief korte termijn zullen uitvallen; ▪ Inbrengen van boomsoorten die een duidelijke ecologische en/of esthetische meerwaarde hebben ten opzichte van het huidige bomenbestand; ▪ Het vergroten van de schaduwdruk op plekken waar ongewenste soorten zijn verwijderd, ter voorkoming van opnieuw uitlopen of nieuwvestiging van deze soorten.

UITVOERING Afhankelijk van de situatie worden nieuwe bomen individueel aangeplant of is (kleinschalige) vlaktegewijze aanplant wenselijk. Vooral in de kleinere stadsbosjes heeft individuele aanplant van bomen in de regel de voorkeur. Daarbij wordt gebruik gemaakt van veren: jong plantmateriaal met een lengte van minimaal 150cm tot veelal 200cm, soms langer. In specifieke situaties kan worden gekozen voor grotere bomen, maar vanwege de hogere kosten, de kleinere kans op goed aanslaan van de boom en het feit dat hiervoor vaak zwaarder materieel nodig is, heeft dit niet de voorkeur. Bij grotere stadsbosjes of daar waar dit door omstandigheden meer geschikt is, kan worden gekozen voor vlaktegewijze aanplant van bomen. In dat geval wordt gebruik gemaakt van drie- of vierjarig bosplantsoen dat met een dichtheid van 30 tot 50 bomen per are. Worden aangeplant met meerdere soorten, dan worden deze groepsgewijs gemengd. Daarmee wordt voorkomen dat minder concurrentiekrachtige soorten uit de beplanting verdwijnen. Vlaktegewijze aanplant gebeurt bij voorkeur in een wild heterogeen plantverband (afbeelding 9). Zowel bij individuele aanplant als bij vlaktegewijze aanplant wordt de soortenkeuze zorgvuldig afgestemd op de beschikbare (toekomstige) ruimte, de beschikbare hoeveelheid licht, het doel van de aanplant en de specifieke kenmerken van het betreffende stadsbosje.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

36

Buiting Advies

Afbeelding 9, schematische weergave van verschillende plantverbanden. Bij voorkeur wordt bij vlaktegewijze aanplant een wild heterogeen plantverband gebruikt, waarin bomen of struiken in een onregelmatig patroon worden geplant, met sterk variërende onderlinge afstanden. Dit leidt tot een los, natuurlijk beeld.

regelmatig

wild

wild heterogeen

5.3.2 AANPLANTEN STRUIKEN In de regel is de ontwikkeltijd van struiken aanzienlijk korter dan die van bomen. Met gerichte aanplant van struiken kunnen in veel gevallen dan ook vrij snel resultaten worden geboekt. DOEL Net als bij bomen geldt ook voor de aanplant van struiken dat daarmee meerdere beheerdoelen worden gediend. Niet zelden wordt meerdere doelen tegelijkertijd bijgedragen. Voorbeelden hiervan zijn: ▪ Sturen van betreding van stadsbosjes, bijvoorbeeld het dichtplanten van ongewenste olifantenpaadjes; ▪ Ontwikkelen van een mantelvegetatie in randen van stadsbosjes; ▪ Inbrengen van boomsoorten die een duidelijke ecologische en/of esthetische meerwaarde hebben ten opzichte van het huidige bomenbestand; ▪ Het vergroten van de schaduwdruk op plekken waar ongewenste soorten zijn verwijderd, ter voorkoming van opnieuw uitlopen of nieuwvestiging van deze soorten. UITVOERING Struiken worden vrijwel altijd in groepen aangeplant, waarbij gebruik gemaakt wordt van drie- of vierjarig plantsoen. De struiken worden met een dichtheid van circa 50 struiken per are geplant, bij voorkeur in een wild heterogeen plantverband (zie ook afbeelding 9). Wordt gebruik gemaakt van meerdere soorten, dan worden de soorten groepsgewijs gemengd waarbij een groep van één soort ten minste gelijk is aan de omvang die één volledig uitgegroeid exemplaar van de betreffende soort kan bereiken.

Daarmee wordt voorkomen dat door verschil in concurrentiekracht beheeringrepen noodzakelijk zijn om de gewenste soorten in de beplanting te houden. De soortenkeuze wordt zorgvuldig afgestemd op de beschikbare (toekomstige) ruimte, de beschikbare hoeveelheid licht, het doel van de aanplant en de specifieke kenmerken van het betreffende stadsbosje. Bij aanplant van struiken in de directe nabijheid van wegen, paden en gebruiksruimte wordt voldoende afstand gehouden tussen de aanplant en de rand van de verharding, zodat de struiken aan de rand in hun natuurlijke habitus kunnen uitgroeien zonder dat zij daardoor de begaanbaarheid van wegen en paden belemmeren (zie ook afbeelding 8).

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

37

Buiting Advies

5.3.3 PLANTEN EN INBOETEN GEOFYTEN Geofyten zijn planten waarvan gedurende een deel van het jaar alleen de ondergrondse delen (zoals bollen, knollen of wortelstokken) in leven zijn. In de regel duiken deze planten in het voorjaar op boven het maaiveld, komen in bloei en verwelken in de maanden daarna. Behalve diverse inheemse soorten behoren ook veel zogenoemde stinzensoorten tot deze plantengroep. In meerdere Nijmeegse Stadsbosjes komen geofyten voor zoals boshyacinten, verschillende soorten narcissen en krokussen, bosanemoon, daslook, vogelmelk, aronskelk en diverse andere soorten. DOEL Geofyten worden aangeplant als aanvulling op de bestaande kruidlaag in de stadsbosjes, met als doel het aandeel bloeiende soorten te vergroten. Dit draagt bij aan de belevingswaarde van een (deel van) een stadbosje, maar vergroot bij een goede soortenkeuze ook het aanbod van stuifmeel en nectar voor bijen en hommels die in het voorjaar op zoek gaan naar voedselbronnen. Om de grote diversiteit tussen de stadsbosjes te bewaren wordt deze maatregel niet in alle stadsbosjes toegepast, maar ligt de nadruk op bosjes met een meer parkachtig karakter en op bosjes waar geofyten nadrukkelijk horen bij het bostype dat bij de betreffend groeiplaats past. UITVOERING Waar deze maatregel van toepassing is worden geofyten groepsgewijs aangeplant.

Daarbij gelden de volgende richtlijnen: ▪ Per plantgroep wordt maar één soort ingeplant; ▪ Geofyten worden vooral, maar niet uitsluitend, aangeplant op veel bezochte plekken in de stadsbosjes, zoals entreezones, kruisingen van paden, rond markante bomen, nabij bankjes etc.; ▪ Er worden uitsluitend goed verwilderende soorten ingeplant zodat de maatregel niet periodiek herhaald hoeft te worden; ▪ Bij de soortenkeuze is er een sterke voorkeur voor inheemse soorten, aangevuld met oorspronkelijke stinzensoorten. Gebruik van gecultiveerde of veredelde soorten wordt voorkomen; ▪ Bij de soortenkeuze wordt rekening gehouden met de waarde die de planten hebben voor wilde bijen en andere wilde insecten. Soorten die hoofdzakelijk van waarde zijn voor honingbijen worden niet of in beperkte mate toegepast. ▪ Bij toepassing van meerdere soorten, worden bij voorkeur soorten gekozen met verschillende bloeiperioden zodat de totale bloeiperiode van de kruidlaag wordt verlengd.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

38

Buiting Advies

5.4

OVERIGE MAATREGELEN

5.4.1 MAAIEN BERMEN VAN BOSPADEN Door meer beschikbaar zonlicht, verrijking door bijvoorbeeld hondenuitwerpselen of verdichting door betreding ontstaat in bermen van bospaden niet zelden een andere vegetatie dan verder van de paden die soms hinderlijk kan zijn voor bosbezoekers. DOEL Doel van deze maatregel is het voorkomen van hinderlijke vegetatie in de randen van bospaden en zodoende de bospaden toegankelijk te houden voor bosbezoekers. UITVOERING Bermen van bospaden worden periodiek gemaaid. Hiermee worden grassen en kruiden kort gehouden zodat ze niet over de bospaden groeien. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat zich in de bermen opslag van bomen en struiken vestigt die, wanneer deze uitgroeit de toegankelijkheid van paden zal beperken. Deze maatregel is in de regel minder noodzakelijk in (delen van) stadsbosjes waar sprake is van een hoge schaduwdruk of intensieve betreding. De noodzaak tot ingrijpen wordt per beheerronde voor elk stadsbosjes bepaald en wordt alleen daar uitgevoerd waar dat nodig is.

5.4.2 AANLEG EN ONDERHOUD TAKKENRILLEN DOEL Takkenrillen kunnen bijdragen aan het reguleren van de betreding, zoals het afschermen van kwetsbare terreindelen of het afsluiten van ongewenste olifantenpaadjes, of om ecologische redenen worden aangelegd, bijvoorbeeld als schuilplaats voor kleine zoogdieren of amfibieën. UITVOERING Takkenrillen worden aangelegd tot maximaal een meter hoogte en worden opgebouwd met wat dikker en vooral lang tak- en stammateriaal zodat ze goed in elkaar gevlochten kunnen worden en niet te snel verteren. De rillen worden op voldoende afstand van paden aangelegd zodat tussen de ril en het pad ruimte is voor struiken en de rillen niet in het directe zicht liggen. In de directe nabijheid van ecologisch waardevolle bosvegetaties worden geen takkenrillen aangelegd omdat het verrijkend effect van de geconcentreerde biomassa een nadelig effect kan hebben op de soortensamenstelling van de kruidlaag. Tak- en tophout droogt uit en verteert, waardoor de rillen geleidelijk inzakken. Om die reden worden de rillen periodiek, maar ten minste elke vijf jaar aangevuld met nieuw materiaal. Maximaal 50% van het dode hout in een bosje wordt verwerkt in takkenrillen. De rest blijft op de bosbodem achter.

5.4.3 ONDERHOUD BOSPADEN Plassen of modderige plekken in bospaden worden door veel bosbezoekers vermeden. Bosbezoekers lopen eromheen, waardoor het pad geleidelijk steeds breder zal worden, of creëren zelfs nieuwe paden door het bos. In beide gevallen kan dit leiden tot slijtage aan de begroeiing. Jaarlijks worden de bospaden nagelopen op slijtageplekken. Waar nodig worden gerichte maatregelen getroffen.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

39

Buiting Advies

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

40

Buiting Advies

6

BEHEER PER STADSBOSJE

De voorgaande hoofdstukken beschrijven de visie en de daaruit voortvloeiende beheerdoelen voor de Nijmeegse Stadsbosjes in algemene zin. Maar in de praktijk zijn geen twee stadsbosjes hetzelfde. De bosjes verschillen onderling sterk op gebied van ontstaansgeschiedenis, gebruik en inrichting. Ook de invloed van en interactie met de omringende stad verschilt sterk per bosje. We beschouwen deze diversiteit als een waardevol kenmerk van de Nijmeegse Stadsbosjes en richten ons dan ook op het behoud daarvan. Behoud van de kenmerkende eigenschappen van elk van de bosjes vraagt om een nuancering van de beheervisie en om maatwerk in de beheerpraktijk. Zo zal de nadruk die op elk van de beschreven beheerdoelen wordt gelegd per stadsbosje verschillen. Hetzelfde geldt voor de beschreven maatregelen; de intensiteit waarmee, de wijze waarop en het doel waarmee maatregelen worden uitgevoerd is per stadsbosje anders. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op de specifieke kenmerken van de verschillende stadsbosjes.

6.1

PARTICIPATIE

Tijdens het opstellen van deze beheervisie zijn alle stadsbosjes bezocht samen met omwonenden, vertegenwoordigers van de participatiegroepen en vertegenwoordigers van het IVN en natuurwerkgroepen. Tijdens deze terreinbezoeken is in een open gesprek ingegaan op de bijzonderheden van elk van de stadsbosjes en is besproken hoe deze vertaald moeten worden naar concrete maatregelen voor de komende beheerperiode. In diverse bosjes is daarnaast besproken welke werkzaamheden door participatiegroepen en omwonenden zelf worden uitgevoerd. Gemeente Nijmegen waardeert deze betrokkenheid en streeft ernaar deze samenwerking in de toekomst voort te zetten. In dat kader zal in de komende beheerperiode met enige regelmaat contact worden gezocht met de betrokkenen waar het gaat om de planning, concrete uitvoering en nazorg van beheermaatregelen.

6.2

SAMENHANGEND BEHEER

Deze beheervisie focust op het beheer van bosjes en in het bijzonder op het beheer van de bomen en struiken daarbinnen. In veel bosjes is meer dan alleen bosbeheer aan de orde. Zo ligt in een aantal bosjes één of meer poelen en wordt bij meerdere bosjes de ecologische en recreatieve waarde vooral bepaald door de samenhang tussen bos en gras-kruidenvegetaties. Bij de uitvoering van het stadsbosbeheer wordt voor die bosjes waarbij dat relevant is een goede afstemming gezocht met het beheer van poelen, als beschreven in het concept poelenbeheerplan, en met het maaibeheer, vastgelegd in de Nota Maaibeheer.

6.3

TOELICHTING PER BOSJE

Per stadsbosje is een beknopte beschrijving opgenomen. Hierin wordt ingegaan op de algemene kenmerken van het betreffende bosje waaronder de ligging, de historie en de ecologische en recreatieve waarde van het bosje. Ook is, als uitwerking van de algemene beheervisie per bosje het beheerdoel beschreven en is een toelichting opgenomen op de uit te voeren beheermaatregelen. In deze uitwerking van de beheervisie per stadsbosje is voldoende ruimte behouden om jaarlijks te kunnen anticiperen op de actuele beheerbehoefte en, bijvoorbeeld in overleg met participatiegroepen, nuances aan te brengen in de concrete uitvoering van maatregelen.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

41

Buiting Advies

1 PATERSBOS

ALGEMEEN Oppervlakte

1,38 hectare

Ligging

Gelegen in de wijk Hunnerberg en begrensd door de Pater Blommaertlaan in het noorden, de Pater Leijdekkersstraat in het westen, het lindelaantje aan de Nicolaas Molenaarstraat in het oosten en bebouwing en parkeerterreinen in het zuiden. Het bos maakt geen deel uit van een groter groengebied, maar sluit wel aan op andere groenstructuren in de wijk.

Bodem

Niet geclassificeerd, maar vermoedelijk holtpodzolgrond; grof zand.

KENMERKEN Algemeen

Bosje met een parkachtige sfeer, ontworpen in de nog goed herkenbare landschapsstijl. Door de zware bomen en breed uitgegroeide struiken heeft het bosje een volwassen uitstraling dat wordt gekenmerkt door een veelheid aan boom- en struiksoorten. In het voorjaar valt het bos flink op door grote groepen voorjaarsbloeiers. In het centrum van het bosje ligt een kleine kunstmatige poel.

Historie

In 1910 is gestart met de aanleg van het Patersbos in de voormalige kloostertuin van de paters Jezuïeten. Passend bij het tijdsbeeld werd het groengebiedje ontworpen in de landschapsstijl. De vele exotische boom-, struik- en plantensoorten herinneren aan de tijd waarin paters die terugkwamen uit missie planten meenamen. Het bos kwam in 1991 in bezit bij de gemeente, waarna het openbaar toegankelijk werd.

Ecologie

Mede dankzij het intensieve en gedetailleerde beheer van de Werkgroep Patersbos draagt het bos in belangrijke mate bij aan de biodiversiteit van Nijmegen. De soortenen structuurrijke begroeiing en het grote aandeel oude bomen vormt het habitat van diverse vogelsoorten, vlinders en eekhoorns. Zowel het kleine poeltje als het omringende bos maken daarnaast deel uit van het habitat van meerdere amfibieënsoorten, waaronder salamanders. Opvallend zijn de sterk vertegenwoordigde voorjaarsbloeiende plantensoorten, die grotendeels behoren tot de groep stinzenflora.

Natuurparel

Aangewezen als mogelijke natuurparel op basis van parelsoorten daslook en lelietjevan-dalen en bijzondere soorten appelvink, boomklever en goudvink.

Gebruik

Het bos wordt intensief bezocht en goed gewaardeerd door wandelaars en spelende kinderen. Met bescheiden takkenrillen wordt aangegeven dat betreding buiten de paden ongewenst is. Loslopende honden, het zonder overleg met gemeente of werkgroep en dus niet plan- en doelmatig uitvoeren van beheermaatregelen (vooral verwijderen van begroeiing) en het -niet toegestane- plukken van planten als daslook zijn in het Patersbos beheerknelpunten.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

42

Buiting Advies

BEHEERDOEL Het beheer richt zich op duurzame instandhouding van het bosje, de recreatieve en ecologische waarde voor de ruime omgeving en de historische waarde ervan. Voortvloeiend uit het laatste geldt dat de wens om 80% van het bomen- en struikenbestand uit inheemse soorten te laten bestaan, in het Patersbos niet van toepassing is. Het grote aandeel niet-inheemse soorten is een verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis. In het kader van de duurzame instandhouding wordt in de komende beheerperiode ook aandacht besteed aan het inbrengen van een nieuwe generatie bomen, die de rol van de oude bomen kunnen overnemen wanneer zij in de toekomst zullen uitvallen. BEHEERMAATREGELEN ▪ Bomen vellen (par 5.2.1): bomen die vanwege ouderdom of andere oorzaken dermate sterk aftakelen dat zij een veiligheidsrisico vormen voor bezoekers of passanten, worden verwijderd. Incidenteel kan de onderstam worden behouden met het oog op biodiversiteit; ▪ Beheer begroeiing aan paden (par 5.2.3): struiken, laaghangende takken en andere begroeiing die de begaanbaarheid van officiële paden in het Patersbos belemmeren worden verwijderd; ▪ Verwijderen ongewenste soorten (par 5.2.4): in het geval zich (invasieve) niet-inheemse of andere sterk woekerende soorten vestigen of uitbreiden in het bosgebied, worden deze verwijderd. In het Patersbos betreft dat onder meer opslag van esdoorn.

Bij het verwijderen wordt de juiste methode gekozen die enerzijds opnieuw uitlopen van de soorten voorkomt en anderzijds zo min mogelijk bodemverstoring veroorzaakt. Tijdig handmatig uittrekken heeft daarbij de voorkeur; ▪ Aanplanten bomen (par 5.3.1): Waar door uitval van oude bomen ruimte in het kronendak is ontstaan worden plaatselijk nieuwe bomen of kleine groepjes van bomen geplant. De soortkeuze wordt daarbij goed afgestemd op de hoeveelheid beschikbaar zonlicht. Met het oog op vandalisme en de plaatselijk weelderige struiklaag wordt bij voorkeur wat groter plantmateriaal gebruikt; ▪ Aanplanten struiken (par 5.3.2): Plaatselijk is uitbreiding of verdichting van de struiklaag wenselijk. Ook het dichtplanten van ongewenste olifantenpaadjes kan reden zijn tot het planten van nieuwe struiken. Struiken worden geplant in kleine groepen met een relatief hoge dichtheid; ▪ Aanplanten geofyten (par 5.3.3): de vegetatie van voorjaarsbloeiers vormt een belangrijke identiteitsdrager van het Patersbos. Waar nodig wordt deze vegetatie aangevuld of hersteld. Hiervoor worden bij voorkeur authentieke stinzensoorten gebruikt en geen gecultiveerde bolgewassen; ▪ Aanleg en onderhoud takkenrillen (par 5.4.2): Overmatige betreding buiten de paden is ongewenst. Lage takkenrillen worden gebruikt om de paden te markeren.

Plaatselijk worden hogere takkenrillen onderhouden met het oog op biodiversiteit en educatie; ▪ Onderhoud bospaden (par 5.4.3): Stagnerend hemelwater zorgt plaatselijk voor slecht begaanbare paden. Hier worden passende maatregelen getroffen om de paden begaanbaar te houden zodat men niet om de slechte plekken heen loopt en zo onbedoeld het pad verbreedt. INRICHTINGSMAATREGELEN Bij de belangrijkste ingang(en) tot het bos wordt een informatiebord geplaatst waarop bezoekers worden geïnformeerd over de bijzondere waarden van het Patersbos én over de regels die worden gesteld aan het gebruik ervan. Overwogen kan worden aanvullend de volgende inrichtingsmaatregelen te treffen: ▪ Door plaatselijk eenvoudige gootjes in de paden te plaatsen kan afstromend hemelwater worden weggeleid van de paden en worden deze beschermd tegen erosie. Hiermee kunnen noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan paden in de toekomst worden voorkomen of beperkt; ▪ Toevoegen van nestgelegenheid voor eekhoorns kan de zichtbaarheid van deze soort vergroten; ▪ Middels hydrologisch onderzoek kan worden bepaald of hemelwater uit de directe omgeving naar het Patersbos kan worden geleid. Door hier gecontroleerd water te laten infiltreren kunnen de gevolgen van droge perioden mogelijk worden verzacht.

Dit onderzoek zal de haalbaarheid hiervan moeten uitwijzen, maar moet ook inzicht verschaffen in de gevolgen voor de vegetatie en de begaanbaarheid van de paden, zodat hierover een goede afweging gemaakt kan worden.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

43

Buiting Advies

ORGANISATIE BEHEER Gemeente Nijmegen is eindverantwoordelijk voor het beheer. Vanuit die rol controleert de gemeente de veiligheid van bomen en voert zij meer intensieve maatregelen uit zoals het snoeien van gevaarlijke takken en het verwijderen van omgevallen bomen. Het dagelijks beheer van het Patersbos wordt echter verzorgd door de Werkgroep Patersbos. De vrijwilligers van de werkgroep monitoren de ontwikkeling van het bos, voeren snoei-, plant- en opruimwerkzaamheden uit, leggen takkenrillen aan en zorgen voor de educatie- en informatievoorziening rond het bosje. In het dagelijks beheer vervult de gemeente een faciliterende rol. BIJZONDERHEDEN In het ouder wordende bos ontstaat geleidelijk meer ruimte in het kronendak, die ingevuld wordt met nieuwe bomen. Met het oog op de historische kwaliteit van het Patersbos verdient het aanbeveling om bij de keuze van aan te planten boomsoorten in eerste instantie uit te gaan van het oorspronkelijke bomenbestand én van een breed soortenpallet. Wel moet daarbij gekeken worden naar de geschiktheid van die soorten voor deze groeiplaats en het huidige (veranderende) klimaat en of soorten inmiddels worden geweerd omdat deze als invasieve exoot zijn aangemerkt (bijvoorbeeld hemelboom). In het hele Patersbos geldt dat parkmeubilair ongewenst is.

Parkmeubilair heeft in het verleden veel ongewenst (nachtelijk) gebruik in het bos aangetrokken en is daarom met opzet uit het bos verwijderd.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

44

Buiting Advies

PATERSBOS

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

45

Buiting Advies

2 BOSJE VAN VROOM

ALGEMEEN Oppervlakte

1,64 hectare

Ligging

Het bosje ligt in de wijk Brakkestein aan de Schepenenstraat. Tussen het bosje en de Schepenenstraat in het noorden ligt een grasstrook met een parkfunctie.

Bodem

Niet geclassificeerd, maar vermoedelijk holt- of loopodzolgrond met grof siltig zand en grind.

KENMERKEN Algemeen

Het Bosje van Vroom heeft een sterk parkachtig karakter en wordt door paden in vier vlakken verdeeld die worden omgeven door een randzone van gras, bosplantsoen en, aan de Baljuwstraat, een geschoren haag. De paden zijn tweezijdig voorzien van laanbomen: esdoorn en Amerikaanse eik, die de parksfeer van het bosje dragen, maar ook grote hoeveelheden zaailingen produceren in de bosvakjes. De bosvakjes zelf bevatten diverse loof- en naaldboomsoorten, zowel in- als uitheems. In de struiklaag bepalen opslag van esdoorn en Amerikaanse eik en struiksoorten als hulst het beeld, met daaronder veel braam en klimop. In de noordwestrand staan enkele imposante, beeldbepalende bomen (zomereik en haagbeuk). Met name in de westrand komen groepjes voorjaarsbloeiers voor zoals krokus en boshyacint.

Historie

Het bosje maakte deel uit van landgoed Haselünne van de familie Vroom, gesticht in 1924 door Nico Dreesmann, dat na zijn dood in bezit kwam van zijn kleinzoon Ruud Vroom, directeur van Vroom&Dreesman Nijmegen. Sinds 1964 is ‘Park Vroom’ een openbaar groengebied. Het bospad, beginnend ter hoogte van Baljuwstraat 24 is een restant van de hoofdas van het oorspronkelijke landgoed.

Ecologie

Het bosje is een groene uitloper van het bosgebied Heumensoord ten zuiden ervan en draagt bij aan de verbinding tussen dat natuurgebied en de stadsnatuur van Nijmegen.

Natuurparel

Aangewezen als mogelijke natuurparel op basis van bijzondere soorten appelvink, boomklever, bosuil, goudvink en vuurgoudhaan.

Gebruik

Het bosje is vanaf de Baljuwstraat op twee punten en via de grasstrook in het noorden te betreden. Door de bescheiden omvang leent het zich voor een korte wandeling, maar ook om er bijvoorbeeld op warme dagen de schaduw op te zoeken. Ondanks de aanlijn- en opruimplicht leiden honden en hun uitwerpselen regelmatig tot overlast. Met het oog op de omwonenden is meer zitgelegenheid gewenst in het bosje.

BEHEERDOEL In dit bosje past een parkachtige uitstraling met statige lanen, bloeiende struiken en planten, gelegenheid om er te verblijven met kans op een ontmoeting met vogels, eekhoorns en vlinders. Het beheer richt zich op behoud en versterking van juist die kenmerken. Behoud van de historische lanenstructuur is belangrijk, hoewel op lange termijn (als zich dat aandient) vervanging met andere boomsoorten wenselijk is. Op de korte termijn is het versterken van de kruid- en struiklaag een belangrijk beheerdoel, evenals het sturen in de samenstelling van de nieuwe generatie bomen.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

46

Buiting Advies

BEHEERMAATREGELEN ▪ Bomen vellen (par 5.2.1): bomen die vanwege ouderdom of andere oorzaken dermate sterk aftakelen dat zij een veiligheidsrisico vormen voor bezoekers of passanten, worden verwijderd. Incidenteel kan de onderstam worden behouden met het oog op biodiversiteit. In de ondergroei worden waar nodig jonge bomen verwijderd met als doel andere boomsoorten dan Amerikaanse eik en esdoorn te bevoordelen. Ook ter behoud van de fraaie bomen in de noordrand van het bosje kunnen sterk concurrerende bomen worden verwijderd; ▪ Beheer begroeiing aan paden (par 5.2.3): struiken, laaghangende takken en andere begroeiing die de begaanbaarheid van de paden in het Bosje van Vroom belemmeren worden verwijderd; ▪ Verwijderen ongewenste soorten (par 5.2.4): opslag van Amerikaanse vogelkers wordt, indien aanwezig, periodiek verwijderd. Opslag van Amerikaanse eik en esdoorn wordt verwijderd op het moment dat deze de onderkant van de kronen van volwassen bomen bereikt.

Om opnieuw uitlopen van de afgezette bomen te beperken, kunnen bomen of struiken worden geplant; ▪ Aanplanten bomen (par 5.3.1): plaatselijk kunnen bomen worden aangeplant waar voldoende ruimte in het kronendak beschikbaar is door uitval van of verwijderen van bomen (zie bovenstaand) en in de ondergroei geen bomen, anders dan Amerikaanse eik of esdoorn aanwezig zijn; ▪ Aanplanten struiken (par 5.3.2): waar na het verwijderen van Amerikaanse eik en esdoorn ruimte beschikbaar komt, worden groepsgewijs struiken geplant in relatief hoge dichtheid om opnieuw uitlopen te beperken. Ook ter aankleding van de lanen en paden worden plaatselijk struiken toegevoegd. De voorkeur gaat uit naar struiksoorten met een opvallende bloei, vruchtdracht en/of herfstverkleuring. In de oostelijke randzone worden na het verwijderen van opslag schaduwverdragende en wintergroene soorten geplant, waaronder hulst, taxus en/of rododendron; ▪ Aanplanten geofyten (5.3.3): in de kruidlaag worden groepsgewijs voorjaarsbloeiers ingeplant. Hiervoor worden bij voorkeur geen gecultiveerde bolgewassen gebruikt, maar enkele authentieke stinzensoorten met verschillende bloeiperiode; ▪ Onderhoud bospaden (par 5.4.3): Waar nodig worden de paden opgeknapt, waarbij de nadruk ligt op de hoofdas. INRICHTINGSMAATREGELEN In het bosje worden enkele bankjes bijgeplaatst.

Bij de belangrijkste toegangspunten worden afvalbakken geplaatst voor hondenuitwerpselen. Ook wordt een informatiebord geplaatst waarop bijzonderheden over het bosje en gedragsregels worden benoemd en ruimte is voor aankondigingen. Tot slot worden enkele nestkasten opgehangen voor vogels en bijvoorbeeld eekhoorns om de wilde fauna in het bosje zichtbaarder te maken. ORGANISATIE BEHEER Gemeente Nijmegen is verantwoordelijk voor het beheer van het Bosje van Vroom. Waar wenselijk worden maatregelen vooraf afgestemd met omwonenden. De mogelijkheden worden verkend om omwonenden meer bij beheermaatregelen te betrekken, bijvoorbeeld bij het planten van voorjaarsbloeiers. BIJZONDERHEDEN Door de aanwezigheid van het JOP en de sociale controle in en rond het bosje is van ongewenst gebruik in het Bosje van Vroom relatief weinig sprake.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

47

Buiting Advies

BOSJE VAN VROOM

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

48

Buiting Advies

3 AUGUSTIJNENBOSJE

ALGEMEEN Oppervlakte

2,03 hectare

Ligging

Gelegen in de wijk Heseveld en begrensd door de Graafseweg, Oude Graafseweg, de Verbindingsweg en het terrein van het Augustijnenklooster en de Boskapel.

Bodem

Niet geclassificeerd, maar waarschijnlijk een haarpodzolgrond met grof, leemarm, grindrijk zand. Vermoedelijk is de oorspronkelijke bodem door de mens verrijkt.

KENMERKEN Algemeen

De volwassen uitstraling van het bos wordt, gedragen door zware beuken, gemengd met o.a. linden, eiken en esdoorns. Het kronendak is wisselend gesloten en open, als gevolg van uitgevallen bomen (veelal beuken) door vorderende leeftijd en droogte. Ook de ondergroei is wisselend open en gesloten, met hulst, imposante taxusbomen, esdoornopslag, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers en laurierkers. Braam is plaatselijk dominant in de kruidlaag. In het bos bevindt zich een grasveld: een korte zichtas tussen de Graafseweg en het appartementencomplex. In de winter van 2022 zijn veel dode en gevaarlijke bomen in het bos verwijderd. Daarbij zijn paden verbreed en delen van de onderbegroeiing erg open geworden.

Historie

Kadastrale kaarten geven het oostelijke deel van het bosje sinds de tweede helft van de 19e eeuw weer als bos. In 1889 is aan dit deel de Geldersche roomboterfabriek gebouwd. Het terrein tussen de fabriek en de Verbindingsweg (destijds landgoed Dennendaal) werd in 1923 door de Augustijnen aangekocht waarna een klooster werd gebouwd aan de Graafseweg. In het westelijke deel stond Villa Dennendaal, vanaf 1956 in gebruik als opvangtehuis voor daklozen. In 1990 maakte de villa plaats voor het huidige appartementencomplex Dennendaal, waarna het bos aan de gemeente werd overgedragen en werd opengesteld voor publiek.

Ecologie

Het grote aandeel inheemse bomen en struiken en de oude bomen met holten en gaten maken het bosje waardevol voor veel diersoorten met een voorkeur voor oud bos. Als onderdeel van een groen lint tussen de Graafseweg en de Oude Graafseweg is het bos van belang voor verspreiding van flora en fauna door de stad. Een ecologische verbinding tussen dit bos en de landgoederen bij Hees is gewenst en wordt momenteel onderzocht.

Natuurparel

Onderdeel van natuurparel Bosgebied Oude Graafseweg, aangewezen op basis van parelsoorten bermooievaarsbek, kleine ruit, lelietje-van-dalen en maarts viooltje en bijzondere soorten eikenpage, appelvink, boomklever, bosuil en vuurgoudhaan. Ook is de beekrombout als parelsoort genoemd, maar daarvoor is dit bosje ongeschikt.

Gebruik

Het bos is bereikbaar via twee toegangen, aan de Oude Graafseweg en aan de Verbindingsweg. Beide toegangen zijn vormgegeven met een fraai vormgegeven poort. In het bos bevinden zich enkele bospaden die een rondwandeling mogelijk maken. Met uitzondering van bakken voor hondenuitwerpselen zijn geen voorzieningen aanwezig. Vanwege ongewenst gebruik is parkmeubilair in het verleden uit het bos verwijderd. Herplaatsen hiervan is niet gewenst.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

49

Buiting Advies

BEHEERDOEL De focus ligt op de duurzame instandhouding van het bosje. Dit betekent dat geanticipeerd wordt op de teruglopende vitaliteit van beuken door het aandeel van droogteresistente boomsoorten en de diversiteit in de boomsoortensamenstelling te vergroten. Bestaande bomen van gewenste (klimaatbestendige) soorten worden behouden en bevoordeeld en plaatselijk worden bomen toegevoegd. Het toenemende zonlicht dat door het kronendak valt wordt tevens benut voor het bevorderen van een soortenrijke onderbegroeiing, zowel in het bos als in de rand aan de Graafseweg. BEHEERMAATREGELEN ▪ Bomen vellen (par 5.2.1): bomen die een verhoogd veiligheidsrisico vormen, worden geveld. Vanwege de verwachting dat in de toekomst meer bomen zullen uitvallen, worden voorlopig geen bomen geveld om andere redenen (zoals vrijzetten van andere boomsoorten). Van te vellen bomen met holten of gaten die geschikt zijn als verblijfplaats voor vogels of vleermuizen kan worden overwogen de onderstam te laten staan. Stam- en takhout dat vrijkomt bij de velling wordt zo veel mogelijk in het bos achtergelaten, maar bij een overmaat kan hout gedeeltelijk worden afgevoerd; ▪ Verwijderen ongewenste soorten (par 5.2.4): opslag van esdoorn wordt periodiek uit het terrein verwijderd.

Doel is niet perse het volledig verwijderen van de soort, maar wel het voorkomen dat esdoorn in de toekomst een te dominante positie krijgt; ▪ Aanplanten bomen (par 5.3.1): plaatselijk, waar door velling van bomen voldoende licht in het kronendak is ontstaan, worden kleine groepen bomen geplant. Hiervoor worden toekomstbestendige soorten gebruikt, rekening houdend met gevolgen van toenemende droogte op deze locatie. De voorkeur gaat uit naar inheemse soorten, met een klein aandeel andere Europese soorten omwille van de klimaatbestendigheid van het bos; ▪ Aanplanten struiken (par 5.3.2): open delen in de randzone aan de Graafseweg worden ingeplant met struiken. Ook in de delen waar het bos erg open is geworden als gevolg van vellingswerkzaamheden wordt het bos hersteld door groepen struiken te planten. Struiken worden strategisch geplant zodat de oorspronkelijke paden in het bos weer als zodanig herkenbaar worden en de gewenste dimensies krijgen (niet te breed).

In de braamvegetatie in de flanken van het grasveld worden groepen hazelaar en krent geplant, eventueel aangevuld met wilde rozen om de zichtas te versterken én een geleidelijke overgang tussen bos en gras te creëren; ▪ Aanleg en onderhoud takkenrillen (par 5.4.2): vrijkomend hout uit vellingen in het terrein wordt waar nodig gebruikt om de paden in hun oorspronkelijke breedte en ligging te markeren zodat de openheid die na de recente velling is ontstaan snel de kans krijgt te herstellen. Ten noorden van de poort aan de Verbindingsweg wordt een takkenril met dik hout (stammen) aangelegd om het daar ontstane pad af te sluiten. Aanvullend wordt het pad dichtgeplant zodat het definitief weer aan de bosvegetatie kan worden toegevoegd. INRICHTINGSMAATREGELEN Bij de ingang aan de Oude Graafseweg wordt een informatiebord geplaatst waarop specifieke kenmerken van het bos worden benoemd, gedragsregels worden benoemd en ruimte is voor aankondigingen. ORGANISATIE BEHEER Sinds 2010 is Stichting Augustijnenbos actief in het bos. De werkgroep ruimt wekelijks zwerfvuil op en spreekt gebruikers aan op ongewenst gedrag. Daarnaast worden allerlei beheerwerkzaamheden uitgevoerd waaronder het bestrijden van esdoornopslag en het snoeien van vegetatie langs paden.

Groot onderhoud als het vellen van bomen en grootschalige planten wordt uitgevoerd door de gemeente, zo mogelijk samen met de Stichting BIJZONDERHEDEN Het verdient aanbeveling om de vitaliteit van met name beuken goed te monitoren, zodat tijdig aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden in het geval veel beuken dreigen uit te vallen.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

50

Buiting Advies

AUGUSTIJNENBOSJE

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

51

Buiting Advies

4 DOUGLASBOSJE

ALGEMEEN Oppervlakte

2,37 hectare

Ligging

Het bosje ligt in stadsdeel Dukenburg, ten zuidoosten van de van Schuylenburgweg en het Steve Bikoplein en maakt deel uit van het grotere groengebied ‘Grand Canal’. Het gebied ten noorden van het bosje is recentelijk heringericht waarbij een deel van de groene ruimte, grenzend aan het Douglasbosje is bebouwd.

Bodem

Poldervaaggronden met zware zavel. De ondergrond is van oorsprong een terrasvlakte met meanderende en vlechtende geulen, waardoor de bodemgesteldheid lokaal varieert. De groeiplaats is in het oosten zichtbaar rijker dan in het westen van het bos.

KENMERKEN Algemeen

Het Douglasbosje is aangelegd op rabatten (verhogingen tussen greppels). De rabatten zijn nog altijd aanwezig, maar door de dichte ondergroei van braam moeilijk te zien. Het bosje is geplant als monoculture van douglassparren; de naamgever van het bosje. In de loop der tijd hebben zich ook andere boomsoorten gevestigd, maar vooral in de onderetage, in de boomlaag is de (niet-inheemse) douglasspar verreweg dominant. In het westen van het bosje is een deel van de bomen gekapt ter voorkoming van een onveilige situatie, ontstaan door de sterk teruglopende vitaliteit van bomen in deze hoek. De ondergroei van bomen en struiken is daarbij gespaard en aangevuld met nieuwe aanplant van inheemse loofsoorten. In het zuiden is plaatselijk een fraaie bosrand aanwezig van diverse struiksoorten.

Historie

Het huidige bosje is in 1934 als productiebos geplant, maar ook daarvoor stond hier al bos. Het bos was deel van landgoed Duckenburg. Het naastgelegen water is een overblijfsel van het ‘Grand Canal’: een lange vijver in de formele tuin op het landgoed, in 1690 gegraven in opdracht van Willem van Schuylenburg, als zichtlijn tussen de oude burcht en Wijchen. De restanten van de historische eikenlaan ten noorden van het bosje zijn een overblijfsel van de oprijlaan van het landgoed.

Ecologie

De dominante boomsoort douglasspar is in ons land zeer arm aan insectenleven en daarmee ook voor veel vogels weinig interessant. Toch bieden de bomen een geschikt leefgebied aan diverse soorten waaronder appelvinken, goudhaantjes en havikken (broedend), maar ook eekhoorns. Door de hoge schaduwdruk onder de douglassen is de ondergroei matig ontwikkeld. Daar staat tegenover dat de zuidelijke bosrand en het omgevormde bosdeel in het westen een positief bijdrage leveren aan de biodiversiteit, met potentie voor verdere ontwikkeling.

Natuurparel

Het Douglasbosje is aangewezen als stapsteen voor de bijzondere soort appelvink.

Gebruik

Het bos wordt door een onverhard wandelpad doorkruist. Twee zijpaden verbinden dat pad met het noordelijk en zuidelijk gelegen terrein. In het omgevormde deel zijn door de daar ontstane openheid diverse olifantenpaadjes ontstaan. Vermoedelijk zal een deel daarvan geleidelijk weer dichtgroeien wanneer de nieuwe bosgeneratie zich verder ontwikkelt. In het bos zijn geen recreatieve voorzieningen aanwezig.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

52

Buiting Advies

BEHEERDOEL De cultuurhistorie van het Douglasbosje als (productie)naaldbos op rabatten wordt als een kwaliteit van het Douglasbosje beschouwd. De spontane ontwikkeling van het bos koerst echter op een ander bostype: gemengd loofbos. De instandhouding van het huidige beeld vraagt om vlaktegewijs beheer met op termijn relatief grootschalige ingrepen (vlaktegewijze kap en herplant). Dergelijke ingrijpende maatregelen zijn ongewenst. Daarom wordt ervoor gekozen het bos zo lang mogelijk in de huidige vorm in stand te houden, maar te accepteren dat het bos zichzelf geleidelijk transformeert naar een gemengd bos, waarin ruimte is voor inheemse loofboom- en struiksoorten, gemengd met spontane opslag van douglassparren. De rabattenstructuur wordt als cultuurhistorisch relict in stand gehouden. In de noordrand van het bos wordt de vegetatie van bramen en struiken zo dicht mogelijk gehouden om inloop vanuit de nieuwe woonwijk en het ontstaan van olifantenpaadjes te beperken. Aan de zuidrand wordt gestreefd naar een soortenrijke bosrand met een geleidelijke gradiënt van het Grand Canal naar het opgaande bos. BEHEERMAATREGELEN ▪ Bomen vellen (par 5.2.1): bomen die een verhoogd veiligheidsrisico vormen, worden geveld.

Aanvullend worden periodiek enkele bomen in het bos geveld om de meest vitale, mooiste en ecologisch waardevolste bomen voldoende ruimte te geven om zich duurzaam in het bos te kunnen handhaven. Deze aanpak sluit aan bij het gangbare huidige en historische beheer van dit en andere douglasbossen. Takhout dat vrijkomt bij velling wordt zo veel mogelijk in het bos achtergelaten, maar bij een overmaat kan het gedeeltelijk worden afgevoerd. Zo mogelijk wordt het takhout benut voor behoud van de ondoordringbare bosrand aan de noordzijde van het bos. Stamhout wordt grotendeels benut voor duurzame toepassingen zodat het bijdraagt aan de langdurige vastlegging van koolstof; ▪ Ontwikkelen mantelvegetatie (par 5.2.2): de bestaande mantelvegetatie in delen van de zuidrand én de rand met braam en struiksoorten in het noorden krijgen extra ruimte zich te ontwikkelen en zo mogelijk uit te breiden door te zorgen voor voldoende lichtinval (zo nodig middels maatregel vellen bomen); ▪ Verwijderen ongewenste soorten (par 5.2.4): opslag van esdoorn en Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers wordt periodiek uit het terrein verwijderd, indien aanwezig; ▪ Aanplanten bomen (par 5.3.1): uitsluitend waar door uitval van bomen plaatselijk veel ruimte beschikbaar komt én de bestaande ondergroei onvoldoende potentie heeft zich te ontwikkelen tot duurzaam bos, worden aanvullend bomen geplant van inheemse

soorten, passend op deze groeiplaats; ▪ Aanplanten struiken (par 5.3.2): aanvullend aan de bestaande groep met struiksoorten in de zuidelijke bosrand, worden nieuwe groepen met struiken geplant in de zuidelijke en oostelijke bosrand. INRICHTINGSMAATREGELEN Bij de entreezones wordt een informatiebord geplaatst waarop specifieke kenmerken van het bos worden benoemd, gedragsregels worden benoemd en ruimte is voor aankondigingen. Ook worden de entreezones voorzien van een afvalbak voor hondenuitwerpselen. ORGANISATIE BEHEER Gemeente Nijmegen is verantwoordelijk voor het beheer van het Douglasbosje. Waar wenselijk worden maatregelen vooraf afgestemd met omwonenden. BIJZONDERHEDEN Plaatsen van bankjes en andere recreatieve voorzieningen in het bos is ongewenst. Hiervoor is de graszone tussen het bos en het Grand Canal beter geschikt.

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

53

Buiting Advies

DOUGLASBOSJE

Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen

54

Buiting Advies

5 UILENBOSJE

ALGEMEEN Oppervlakte

3,18 hectare

Ligging

Het Uilenbosje ligt in stadsdeel Dukenburg, in de wijk Lankforst en wordt globaal begrensd door Lankforst 10e straat, het Duckenburgpad, het Valckenaerpad en de Van Apelterenweg. Gras en waterpartijen rond het bosje vallen niet onder dit beheerplan.

Bodem

De ondergrond is een terrasvlakte met meanderende en vlechtende geulen, waardoor de bodem lokaal varieert. De bodem bestaat uit lichte en/of zware zavel. Het bodemtype is niet geclassificeerd.

KENMERKEN Algemeen

Het Uilenbosje is een zomereikenbos, aangelegd op rabatten (verhogingen tussen greppels). Het kronendak is overwegend gesloten, maar door teruglopende vitaliteit van de eiken plaatselijk transparant. De ondergroei bestaat uit opslag van vooral gewone esdoorn en beuk, en struiken als hulst, vlier, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, hazelaar en rododendron. De kruidlaag bevat veel braam en klimop. De klimop groeit soms tot hoog in de bomen. De eiken zijn matig vitaal, waarschijnlijk door een combinatie van factoren als droogte, eikenbastkever en wintervlinder. In het recente verleden zijn daarom diverse eiken noodgedwongen geveld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=e5442fdf-d710-4e19-b939-b2d8467f21af