CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3_Toelichting

Besluitronde (raadsvergadering) 29 november 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Centrum-Stationsomgeving -3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan) (108/2023)25.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toetsingskader spoorweglawaai De bescherming die in hoofdstuk 4 Spoorwegen van het Besluit geluidhinder wordt geboden (art. 106 Wgh) is van toepassing bij: realisatie van een geluidsgevoelige bestemming (via een ruimtelijk besluit) in de zone langs een spoorweg aangegeven op de geluidplafondkaart of op de zonekaart aanleg/wijziging van een spoorweg die is aangegeven op de zonekaart saneringswoningen langs een spoorweg die is aangegeven op de zonekaart Voor spoorwegen aangegeven op geluidsplafondkaart deze kaart wordt in artikel 1.4a uit het Besluit geluidhinder (Bg) de omvang van deze zone geregeld. Deze is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond (GPP). Nijmegen kent geen spoorwegen die niet op de geluidsplafondkaart staan. Hoogte GPP Kleiner dan 56 dB 56 tot 61 dB 61 tot 66 dB 66 tot 71 dB 71 tot 74 dB 74 dB of meer

Breedte van de geluidszone in meters 100 200 300 600 900 1200

Op basis van het Geluidregister blijkt de geluidszone van het spoor hier een breedte te hebben van 100 meter. Er is zodoende een kleine overlap met dit plan. Binnen deze zone wordt er getoetst op de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare waarde. De voorkeursgrenswaarde voor wonen bedraagt 55 dB. De maximaal toelaatbare waarde is 68 dB. Toetsingskader industrielawaai De grens van de geluidszone voor industrieterreinen wordt in het bestemmingsplan vastgelegd.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

37

Dit gebied ligt niet binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein.

Resultaten akoestisch onderzoek Het plangebied ligt binnen de geluidzones van de Tunnelweg, De Marialaan, Tweede Oude Heselaan en de spoorlijn Arnhem-Nijmegen-Den Bosch/Venlo. Het bestemmingsplan maakt nieuwe woningen mogelijk en daarom zijn de geluidbelastingen door de verschillende bronnen berekend. De geluidsbelastingen door het wegverkeer zijn gebaseerd op de verkeersprognoses voor 2033. De geluidsbelasting veroorzaakt door het spoor is gebaseerd op het geluidsmodel van ProRail dat is opgesteld voor het onderzoek naar het Ontwerp Tracébesluit voor het Programma Hoofdstructuur Spoor (PHS).

Resultaten akoestisch onderzoek, zie Bijlage 6 Akoestisch onderzoek

Wegverkeer

Voorkeursgrenswa arde

Tunnelweg – 48 tweede Oude Heeselaan Spoorverkee Voorkeurswaarde r Arnhem-Nijm 55 egen-Den Bosch-/Venlo

Maximale Hoogste berekende toelaatbare geluidsbelasting 2033 incl. aftrek waarde art. 110 Wgh (woon-beste mmingen) 63 59

Maximale waarde 68

Hoogste berekende geluidsbelasting. <55

De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbij geen bijzondere eisen worden gesteld aan nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. Voor spoorweglawaai is de voorkeursgrenswaarde 55 dB. Hogere geluidsbelastingen kunnen worden toegestaan als hiervoor een apart hogere waardenbesluit wordt genomen. In het bijbehorende akoestisch onderzoek staat ook welke maatregelen de geluidsbelasting kunnen verlagen. In het hogere waardenbesluit staat welke maatregelen worden getroffen en welke afwegingen zijn gemaakt om de hogere geluidsbelastingen toe te staan. Aan het hogere waardenbesluit zijn de volgende indelingseisen verbonden: Voor woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld geldt dat: de woning ten minste één geluidsluwe zijde heeft; ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe zijde van de woning ligt, als de geluidsbelasting van de woning groter is dan 53 dB ten gevolge van wegverkeer;

Geluid van inrichtingen Bij hantering van de richtafstanden van de VNG Is een goed leefklimaat aannemelijk. Omdat voor enkele inrichtingen de richtafstand voor geluid niet gehaald wordt, is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat: De geluidsbelasting op de bestaande bebouwing ten gevolge van de inrichtingen in dit plan,

38

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

exclusief laad en losactiviteiten niet hoger is dan de streefwaardes voor gemengd gebied. De overschrijdingen als gevolg van laad en los activiteiten op de bestaande bebouwing is door de beperkte omvang aanvaardbaar. De gemiddelde geluidbelasting op de oostgevel van de nieuwbouw ten gevolge van het spooremplacement is 5dB hoger dan de maximaal toelaatbare waarde voor gemengd gebied. De gemiddelde geluidbelasting op de noordgevel van de nieuwbouw ten gevolge van het spooremplacement is 2dB hoger dan de maximaal toelaatbare waarde voor gemengd gebied. Vanuit de Wgh en dus het Hogere Waardebesluit worden hier reeds maatregelen voorgeschreven. Aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk. De gemiddelde geluidsbelasting op de oostgevel van de nieuwbouw ten gevolge van de horeca in dit plan is 7 dB hoger is dan de maximaal toelaatbare waarde voor gemengd gebied. Maatregelen zijn noodzakelijk. Beperken van de bron of de overdracht is niet wenselijk. De overschrijdingen van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van dit plan zijn ten gevolge van laad en losactiviteiten. De overschrijdingen als gevolg van laad en los activiteiten op de nieuwbouw is door de beperkte omvang aanvaardbaar.

Vanwege de berekende geluidsniveaus moeten, door de initiatiefnemer voor de woningen waarvoor een overschrijding van de grenswaarde is berekend, voldoende gevelmaatregelen worden genomen zodat een goed woon - en leefklimaat wordt gecreëerd. Hierom dient voor de woningen die een te grote geluidbelasting ondervinden van het spooremplacement en de horeca, te allen tijde te worden voldaan aan de maximaal toelaatbare binnenwaarde van: 1.

2.

30 db(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau * a. Te verminderen met 5dB tussen 19:00 en 23:00 b. Te verminderen met 10 dB tussen 23:00 en 7:00 c. Het geluid als gevolg van laad en losactiviteiten tussen 7:00 en 19:00 wordt hier buiten beschouwing gelaten 50 dB(A) voor het maximale geluidniveau* a. Te verminderen met 5dB tussen 19:00 en 23:00 b. Te verminderen met 10 dB tussen 23:00 en 7:00 c. Het geluid als gevolg van laad en losactiviteiten tussen 7:00 en 19:00 wordt hier buiten beschouwing gelaten

In de regels van het bestemmingsplan zijn deze maximaal toelaatbare binnenwaarden door middel van een voorwaardelijke verplichting zekergesteld.

*Deze normen garanderen een kwaliteitsniveau gelijk aan datgeen wat ervaren wordt bij een geluidbelasting conform het activiteitenbesluit minus de minimale geluidwering voor industrielawaai van 20dB

Cumulatie van geluid Op een deel van de noord- en de oostzijde van het hoogbouwblok is er sprake van cumulatie van weg- en railverkeer. De oostgevel wordt bovendien belast door geluid van het emplacement. De geluidsbelastingen van het wegverkeer en het spoor blijven ruim onder de maximale waarden waardoor de geluidsituatie bij de woningen, waarbij cumulatie optreedt, niet onaanvaardbaar is. De optredende cumulatie is wel aanleiding om bij de geplande aanpassingen van de sporen rond het station (vanwege het Programma Hoog Frequent Spoor - PHS) te streven naar zo stil mogelijk spoorconstructies. Dit is niet alleen prettig voor de toekomstige bewoners van de

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

39

nieuwbouw maar ook voor de bewoners in de bestaande woningen. Aanvullende notitie geluid, zie Bijlage 7 Op 3 oktober 2023 is door DGMR een aanvullende notitie opgesteld. Uit deze notitie volgt dat de gemiddelde waarden voor geluid voldoen aan stap 2 van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. De piekgeluiden kunnen als aanvaardbaar worden beschouwd en er blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat van omwonenden.

Conclusie Op basis van de uitgevoerde akoestische onderzoeken kan worden gesteld dat er vanuit de Wet geluidhinder geen belemmeringen bestaan voor het bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

Bij toetsing van een ruimtelijk plan op luchtkwaliteit moet conform regelgeving gelet worden op de volgende twee aspecten: a. b.

Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit.

Ad a. Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer titel 5.2 ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen. Deze betreffen de stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, fijn stof (PM10), koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, lood en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen overschrijdingen geconstateerd voor de stoffen NO2 en PM10. Het luchtkwaliteitonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen. De grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet luchtkwaliteit zijn weergegeven in onderstaande tabel. De regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteitseisen is verder uitgewerkt in AMvB's en Ministeriële regelingen. Bij het faciliteren van ruimtelijke plannen moet volgens de Nederlandse wetgeving de verandering van de luchtkwaliteit door het plan worden getoetst.

Jaargemiddelde grenswaarde NO2

norm 40 µg/m3

ingangsdatum 1 januari 2015

Jaargemiddelde grenswaarde PM10

40 µg/m3

1 juni 2011

Daggemiddelde grenswaarde PM10

max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3

1 juni 2011

Een ruimtelijke ontwikkeling kan doorgang vinden indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; de luchtkwaliteit door de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), of; bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de ruimtelijke ontwikkeling, de luchtkwaliteit in een gebied rondom het project per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor

40

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, of; de ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in, past binnen, of is in elk geval niet strijdig met een vastgesteld programma zoals het NSL (Wm artikel 5.16.1.d), of; er geen grenswaarden worden overschreden door de ruimtelijke ontwikkeling.

Wat betreft de bijdrage van een plan aan de luchtkwaliteit is het Besluit Niet In Betekenende Mate Bijdragen (Luchtkwaliteitseisen) van belang, die gelijk met de wetswijziging van kracht is geworden. Plannen die niet meer dan 3% bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen in de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5. In het onderhavige plan bestaat het voornemen om op de locatie een hotel, woningen, co-working spaces, commerciële dienstverlening en lichte horeca te realiseren. Voorheen was er een kantoorgebouw aanwezig. De netto verkeersaantrekkende werking van deze ontwikkeling veroorzaakt geen verslechtering van de luchtkwaliteit van 3% of meer (vergelijkbaar met verkeersaantrekkende werking van 1500 woningen). Daarmee valt de wijziging binnen de grenzen van het Besluit Niet In Betekenende Mate Bijdragen en hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden. Ad b. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit. Op 16 januari 2009 is het Besluit “gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)” in werking getreden. Met deze AMvB wordt de bouw van zogenaamde gevoelige bestemmingen in de nabijheid van (snel)wegen beperkt. Het besluit heeft als doel het beschermen van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.

Over gemeentelijke wegen zegt het besluit niets en is derhalve geen beperking voor het plan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Ziekenhuizen, woningen, sportaccommodaties en horeca worden dus niet als gevoelige bestemming gezien. In de landelijke "GGD-Richtlijn medische milieukunde: luchtkwaliteit en gezondheid" adviseert de GGD ten aanzien van het bouwen van gevoelige bestemmingen langs drukke gemeentelijke wegen (meer dan 10.000 mvt/etm): geen afstandscriterium; niet bouwen direct langs een drukke weg (dus niet in 1e lijnsbebouwing); GGD heeft het advies “niet in 1e lijnsbebouwing” aangevuld met dat dit minimaal moet gelden binnen 50 meter van de rand van de drukke gemeentelijke weg. De Tunnelweg is een drukke gemeentelijke weg met meer dan 10.000 mvt/etmaal. Geadviseerd wordt voor een eventuele buitenschoolse opvang of kinderdagverblijf een afstand van minimaal 50 meter aan te houden en het liefst zo ver mogelijk van de weg af te situeren. Gezien kavelgrootte en de volumeopgaaf zou dit mogelijk moeten zijn.

Daarnaast wordt geadviseerd sowieso rekening te houden met de gezondheid van de bewoners en is het aan te raden dat luchtbehandelingssystemen van luchtkwaliteitsfilters worden voorzien zodat de inname van fijn stof en roetdeeltjes binnen gebouwen voor een groot deel gereduceerd kunnen worden. Uit de onderstaande figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentratie NO2 ter plaatse onder de 25 µg/m3 bedraagt. Ter plaatse van het plan worden de grenswaarden niet overschreden. Luchtkwaliteit is daarom geen beperking voor het plan.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

41

Figuur 18. Concentratiekaart stikstofdepositie. Op basis van de bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.6

Ruimtelijke veiligheid

4.6.1

Inleiding

In het kader van het Instrument Ruimtelijke Veiligheid is gekeken naar de volgende aspecten. Gezondheid Ontplofbare oorlogsresten (OOO) Externe veiligheid Hoogwater Evenementen Bereikbaarheid en opkomsttijden Natuurbrand Sociale Veiligheid

Hieronder zal per aspect een korte beschouwing gegeven worden van de situatie. Vervolgens wordt een en ander kort samengevat.

4.6.2

Constateringen

Gezondheid Drukkere verkeerswegen liggen op dusdanig beperkte afstand van het plangebied dat de luchtkwaliteit op die grond wellicht van mindere kwaliteit is. Een en ander is nader toegelicht in paragraaf 4.4.

Ontplofbare oorlogsresten (OOO) Het plangebied is verdacht op de volgende categorieën: Afwerpmunitie ( in de noordwest-hoek van het plangebied, dit in verband met voltreffer tijdens bombardement op 22 februari 1944 op de bakkerij schuin tegenover op de Marialaan)

42

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

Geschutsmunitie ( gehele plangebied ) Dumpmunitie ( in verband met geschutsopstellingen en munitiedepots in het plangebied). De verticale afbakening voor afwerpmunitie is op basis van sonderingsgegevens in de nabijheid van het plangebied vastgesteld op 9 +NAP. De exacte vaststelling van het verdachte gebied voor de afwerpmunitie volgt begin november 2021. Tevens wordt nog onderzocht in hoeverre daarbij de verdenking op vliegtuigbommen met chemische vertragingsontstekers een belemmerende factor wordt in relatie tot de uit te voeren (civieltechnische) werkzaamheden. Voor geschutsmunitie als dumpmunitie hanteren we een diepte van respectievelijk 2,5 en 2 meter beneden maaiveld.

Figuur 19: verdacht gebied Ontplofbare oorlogsresten ter plaatse van plangebied en nabije omgeving. Mate van verdachtheid is gebaseerd op de beschikbare historische bronnen. Los van het bombardement op 22 februari 1944 wordt er nog melding gemaakt van de vondst in 1944 van niet-ontplofte projectielen aan de Koninginnelaan, plus twee ruimingen door de EODD na de oorlog waarbij diverse explosieven en 1200 stuks kleinkaliber munitie zijn verwijderd. Op een luchtfoto van 15 maart 1945 (hieronder) zijn de diverse stellingen in het plangebied goed te zien.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

43

Figuur 20: luchtfoto 15 maart 1945 Op basis van deze gegevens is het advies om de werkzaamheden in het plangebied voorafgaand te laten onderzoeken op OO. Daar waar dat niet mogelijk is omdat er nog bebouwing staat dienen de ondergrondse sloopwerkzaamheden begeleid te worden door een opsporingsbedrijf. Onder de funderingen dient dit plaats te vinden vanaf waar geroerde grond eindigt tot op maximaal 9 meter +NAP. Daar waar alleen in na de oorlog geroerde grond wordt gewerkt kunnen werkzaamheden uitgevoerd worden zonder OOO-begeleiding. Daarbij geldt echter wel dat tijdens een toolbox meeting voorafgaand aan de werkzaamheden ter plekke het protocol toevalsvondsten besproken dient te worden. In het kort: wordt er tijdens werkzaamheden een verdacht object aangetroffen, leg dan de werkzaamheden stil, evacueer de aanwezigen en bel dan de politie. Zij bepalen vervolgens ( eventueel in overleg met de EODD) eventuele vervolgstappen. Het is de verantwoording van de initiatiefnemer/opdrachtgever (in het kader van Arbowetgeving) om hieraan gevolg te geven. Externe veiligheid De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen.

In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en risicovolle transportroutes, zoals wegen, vaarwegen en spoorwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en buisleidingen. Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden/-afstanden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden. De volgende risicobronnen hebben invloed op het bestemmingsplan gebied. Transportrisico's Het Spoor Nijmegen-Arnhem De Waal

44

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

Toetsing aan Plaatsgebonden risico (PR) Onder het PR wordt verstaan de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een gevarenbron bevindt, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen van die bron. Voor het plaatsgebonden risico zijn grenswaarden (PR*10-6) als toetsingswaarden aangegeven voor kwetsbare objecten en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Daar waar gesproken wordt van een PR contour wordt de PR*10-6 contour bedoeld. Over het plangebied liggen geen PR 10-6 contouren.

De verantwoording van het groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans weer op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers binnen het invloedsgebied van de beschouwde risicobron. Het groepsrisico dient verantwoord te worden. De risico's van het spoorvervoer van gevaarlijke stoffen op het plangebied zijn berekend door de ODRN (zie Bijlage 8 Risico spoor op plangebied, 21 juli 2022) , het plangebied ligt binnen de 200 meter vanaf het spoor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De bestaande dichtheid langs het spoor in de stationsomgeving is al hoog en neemt door de ontwikkeling van het plan nog iets toe. Met name in de nachtperiode, waar de meerderheid van de goederentreinen rijden, zullen er meer personen verblijven op de nieuwe locatie. Een kantoorlocatie wordt immers vervangen voor een ontwikkeling met appartementen, een hotel, winkels en horeca. In de berekening van het groepsrisico is een toename van in totaal 1200 personen in de nachtperiode gemodelleerd en 650 in de dagperiode. Zoals blijkt uit de berekening is de toename van het groepsrisico echter gering, van 0,45 (blauwe lijn in figuur) naar 0,46 (rode lijn) maal de oriëntatiewaarde. De toename ligt dus onder de 10% waardoor een beperkte verantwoording op grond van het Bevt (Bevt, art 8 lid 2a) mogelijk is.

Figuur 21. Groepsrisico met voorziene ontwikkelingen op het voormalige UWV terrein. De appartementen die worden gerealiseerd in het plangebied zijn kwetsbare objecten volgens de definitie van het Bevt/Bevi. Volgens de beleidsvisie externe veiligheid van Nijmegen (feb 2014) dient de groepsrisicoverantwoording zwaar te worden uitgevoerd indien kwetsbare objecten worden gerealiseerd binnen de 200 meter contour van het spoor. De visie is opgesteld

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

45

voordat het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking is getreden. Met dit basisnet zijn de risico's langs het spoor aanzienlijk gereduceerd. Hierdoor staan aanvullende maatregelen zoals bouwkundige maatregelen niet meer in verhouding tot een eventueel verder reduceren van het risico. Alleen de zeer kwetsbare objecten worden uitgesloten binnen een veiligheidszone van 200 meter vanaf het spoor en dus ook in dit nieuwe plangebied. Over de Waal worden ook grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd. De afstand tot het plangebied is echter dusdanig groot (950 meter) dat alleen een zeer onwaarschijnlijk toxisch scenario het plangebied kan bereiken. In de beleidsvisie uit 2014 is hiervoor een standaard verantwoording opgesteld op pagina 33. De veiligheidsregio Gelderland Zuid (zie Bijlage 9 VRGZ advies) heeft in haar advies aangegeven dat de bereikbaarheid van het plangebied voldoende is. Ook is in de directe omgeving van het spoor voldoende bluswater voorhanden. Er is dus geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen.

Hoogwater Het plangebied ligt niet in een overstroombaar gebied. Dit aspect is daarmee niet relevant voor dit gebied.

Evenementen In het plangebied zijn geen evenemententerreinen voorzien.

Bereikbaarheid en opkomsttijden Het plangebied is vanuit de brandweerposten Nijmegen Centrum en Nijmegen Noord binnen 8 minuten bereikbaar. Bij ontsluiting van het gebied is het belangrijk dat de diverse functies in het gebouw bereikbaar zijn voor hulpverleningsdiensten langs twee niet samenvallende routes. In beginsel moeten de (brandweer)ingangen van een pand tot op 10 meter benaderbaar zijn door brandweervoertuigen conform Bouwbesluit 2012. Uitwerking hiervan kan conform de “Handreiking bluswater en bereikbaarheid” van Brandweer Nederland.

Bluswatervoorziening In de omgeving van het gebouw is in principe voldoende bluswater aanwezig om een beginnende brand in het gebouw te kunnen blussen. Mogelijk dienen er, afhankelijk van de locatie van brandweeringangen, brandkranen of putten bijgeplaatst te worden. Voor een woning voldoet in beginsel 30 mS/u aan bluswater, voor de overige functies is 60 mS/u het uitgangspunt. Bij hoogbouw boven 20 m en panden met een grote inzetdiepte worden conform Bouwbesluit droge blusleidingen aangelegd. Bij de vulpunten van deze leidingen dient tevens een bluswatervoorziening aanwezig te zijn. In dit gebouw is tevens een parkeergarage voorzien. Nederland kent een toenemend gebruik van elektrische auto’s. Een belangrijk aandachtspunt in de komende jaren zal echter zijn dat een accubrand in deze auto’s niet of nauwelijks te blussen is. Bij verbranding van de accu komen

46

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

zeer toxische stoffen vrij. Parkeren van deze auto’s in (ondergrondse) parkeergarages levert de brandweer dus mogelijk bij brand zeer grote dilemma’s op. Daarbij is het laden van de accu een kansverhogende factor. Het is niet uitgesloten dat een dergelijke onblusbare brand leidt tot verlies van het pand.

Natuurbrand Het plangebied wordt niet bedreigd door natuurbranden.

Conclusie: Op grond van bovenstaande analyse zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6.3

Advies

Uit voorgaande constateringen kunnen de volgende adviezen worden gedestilleerd. Externe veiligheid Bluswatervoorzieningen voor en bereikbaarheid van het spoor mag niet door deze ontwikkeling belemmerd worden. Uitgangspunt is dat een modern pand voldoende geïsoleerd wordt om in een overleefbaar klimaat voor toxische water- en spoorincidenten te voorzien. Daarvoor moeten wel ramen, deuren en ventilatieopeningen gesloten worden. Belangrijk is dat mechanische ventilatie op een centrale plaats/centrale plaatsen af te schakelen is. Het toekomstige Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kent voor zeer kwetsbare objecten maatregelen om de overleefbaarheid van een incident met brandbaar gas te vergroten. Toepassing op dit (kwetsbare) object, is niet wettelijk verplicht, maar kan de overlevingsmogelijkheden wel vergroten. Vluchtroutes (inpandig en uitpandig) dienen van het spoor weg te leiden, met die verstande dat het gehele capaciteit van ontvluchting van het gebouw van de bron af gerealiseerd moet kunnen worden. Per definitie helpt het als personen in een plangebied bekend zijn met de omgevingsrisico's: risicocommunicatie naar gebruikers van het plangebied is dus belang. Gezien de nabijheid van het spoor raden wij af om in dit gebouw functies gericht op verminderd zelfredzame personen te realiseren (zeer kwetsbare objecten).

Deze maatregelen kunnen in geval van ongevallen met gevaarlijke stoffen het aantal slachtoffers reduceren. Er zal, gezien de geringe afstand tot de risicobron, echter altijd een restrisico blijven.

Bereikbaarheid Conform het Bouwbesluit dient de toegang van een pand waar mensen verblijven tot 10 meter benaderbaar te zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Brandweervoertuigen zijn daarbij maatgevend. Tevens dient er een opstelplaats te zijn van waaruit doeltreffend een verbinding met gelegd kan worden met de bluswatervoorziening.

Bluswatervoorziening

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

47

Gezien de hoogte van het gebouw en de verwachte inzetdiepte zullen hierin één of meer droge blusleidingen aangelegd moeten worden conform Bouwbesluit. Binnen 40 meter van de brandweeringangen dient een bluswatervoorziening aanwezig te zijn (norm is 30 m3/u voor woningen; 60m3/u voor overige functies). Belangrijk is dat er rekening gehouden wordt met de positionering van opstelplaatsen en bluswatervoorziening t.o.v. vulpunten voor droge blusleidingen. In het pand wordt een parkeergarage gerealiseerd. Verwachting is dat hier in toenemende mate elektrische auto's in geparkeerd worden. De accu's leveren een brandrisico op waarbij de auto vrijwel niet meer te blussen is. Dit zou kunnen escaleren tot een grote, onbeheersbare brand, die de draagconstructie van het pand bedreigd. Hoewel er nog geen duidelijkheid is op passende maatregelen om zo'n brand te voorkomen of te beperken, vragen wij aandacht hiervoor. Aangezien het laden een verhoogd risico lijkt te geven, is het raadzaam in de parkeergarage geen laadpunten aan te leggen.

4.6.4

Conclusie

Met inachtneming van de bovenstaande adviezen bestaan er vanuit veiligheidsoogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Bodem

Het bestaande bestemmingsplan wordt gewijzigd van bestemmingen Kantoor, Gemengd, Groen en Verkeer naar Gemengd. Het bevoegd gezag moet bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren over relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2 Awb). Het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, waaronder de bodem. Ook moet inzicht bestaan over de uitvoerbaarheid van het plan (artikel 3.1.6 Bro). Bodemverontreiniging kan hierop van invloed zijn. Daarom wordt de bodemkwaliteit in relatie tot het bestemmingsplan beoordeeld. Bodemkwaliteit Er zijn binnen de grenzen van het plangebied al meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. De bodemkwaliteit is beoordeeld op basis van de volgende rapporten (in chronologische volgorde): 1.

Verslag van onderzoek naar bodemverontreiniging in de gemeente Nijmegen. Van Swaay fase I nader onderzoek. Gemeente Nijmegen, april 1987, 2. Uitloogonderzoek kwikhoudende grond, Tauw bv, 51618.87, oktober 1987, 3. Onderzoek naar de speciatie van kwik, Van Swaay terrein. Nijmegen, Tauw bv, R3124894.AO1/JJS, augustus 1990, 4. Verslag van onderzoek naar bodemverontreiniging in de gemeente Nijmegen. Voormalig bedrijf Van Swaay. Nader onderzoek fase 2, Gemeente Nijmegen, april 1991, 5. Nader onderzoek fase 2, Nader bodemonderzoek Van Sway te Nijmegen, Tauw bv, R3194310.003/GNO; augustus 1994, 6. Notitie mogelijke uitgangspunten voor risicobenadering saneringsvarianten voor de locatie Van Swaay te Nijmegen, Tauw bv, R3378063.T03/RGL, maart 1995, 7. Aanvullend bodemonderzoek Van Swaay terrein te Nijmegen, Tauw bv, R3378063.T02/RGL, april 1995, 8. Risicovariant in het kader van het saneringsonderzoek voor het Van Swaay terrein Tunnelweg te Nijmegen, Tauw bv, R3378063.T05/RGL, juli 1995, 9. Saneringsonderzoek fase 2 Van Swaay terrein Tunnelweg te Nijmegen, Tauw bv, R3378063.T06/RGL, november 1995, 10. Deelsaneringsplan fase I Van Swaay-terrein Eerste Oude Heselaan te Nijmegen, Tauw bv, R002/3760278/RGL/D01/D, 1-10-1999, 11. Archief- en bodemonderzoek noordelijk terreindeel voormalig Van Swaay-terrein te

48

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

Nijmegen, Tauw bv, R001-3891313TPB-D02-D, 25-9-2001, 12. Actualiserend grondonderzoek noordelijk en zuidelijk Van Swaay-terreindeel te Nijmegen, Tauw bv, R001-3969703IKO-D01-D, 28-2-2002, 13. Historisch onderzoek en luchtfoto interpretatie zuidelijk terreindeel Van Swaay te Nijmegen, Tauw bv, R001-4208226IKO-D01-D, 25-4-2002, 14. Aanvullend onderzoek diepe grondwaterverontreinigingen zuidelijk terreindeel Van Swaay te Nijmegen, Tauw bv, R001-3979962IKO-D01-D, 10-1-2003, 15. Evaluatierapport aanleg in situ systeem zuidelijk tyerreindeel Van Swaay-terrein te Nijmegen, Tauw bv, R005-3891313KLU-D01-D, 11-2-2003, 16. Digitaliseren beschikbare onderzoeksgegevens van Swaay te Nijmegen, Tauw bv, R001-4251040EMH-D01-D, 28-3-2003, 17. Actualisatie grondwaterkwaliteit en vervolgstappen t.a.v. diepe grondwaterverontreiniging zuidelijk deel 'Van Swaay-terrein' te Nijmegen, Tauw bv, R001-4290946EMH-D01-D, 22-8-2003, 18. Tussenevaluatie in situ sanering 2003 zuidelijk terrein Van Swaay te Nijmegen, Tauw bv, R003-3981525EMH-D01-D,21-11-2003, 19. Overzicht monitoringsresultaten tot en met januari 2004 MKB van Swaay te Nijmegen, Tauw bv, B001-4309779EMH-D01-D, 16-2-2004, 20. Variantenafweging voormalig Van Swaay terrein te Nijmegen, Tauw bv, R001-4329722ECL-V01-NL, 9-12-2004, 21.

Resultaten grondbemonstering oktober 2006 en interpretatie van de bestaande verontreinigingsgegevens van het Van Swaaij terrein, Bioclear, 2006.2760, 22-11-2006, 22. Notitie met resultaten bemonstering grondwater en oliekarakterisatie op de locatie Eerste Oude Heselaan 11 (voormalig van Swaaij terrein) te Nijmegen, Bioclear, 2006.2670, 78-8-2007, 23. Tussentijdse rapportage nul-monitoring van Swaaij terrein, Bioclear, 2006.2760/5885, 10-12-2008, 24. Tussentijdse rapportage nul-monitoring van Swaaij terrein, Bioclear, 2006.2760/6423, 31-10-2009, 25. Aanvullende werkzaamheden locatie van Swaaij te Nijmegen, Bioclear, 20062760/6701, 1-4-2010, 26. Beheerplan van Swaaij terrein te Nijmegen, Bioclear, 20062670/7143, 3-12-2010, 27. Verkennend en asbest onderzoek Fresiastraat 3 te Nijmegen, Tauw bv, R001-1271808MCR-V01-baw-NL, 17-9-2019, 28. Actualiserend bodemonderzoek UWV van Swaaij-terrein Nijmegen, Bioclear, 201195608/12357 versie 2, 10-6-2020' 29. Nader en aanvullend bodemonderzoek Koninginnelaan te Nijmegen, ABO Milieuconsult, ANL22-6588 versie 2, 27-1-2023.

Uit deze bodemonderzoeken blijkt het volgende: Verontreinigingssituatie vaste bodem De onderstaande beschrijving van de verontreiniging heeft betrekking op het plangebied. Het plangebied beslaat voor een klein stuk een deel van het voormalige Van Swaay-terrein. Het grootste deel van het plangebied grenst direct ten westen aan het voormalige van Swaay terrein. Gedeputeerde staten van de provincie Gelderland heeft in een besluit vastgelegd dat het van Swaay-terrein een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. De verontreiniging is ontstaan door de voormalige activiteiten van van Swaay. Bijna het hele plangebied is verontreinigd geraakt door de activiteiten op het voormalige van Swaay-terrein. De verontreiniging wordt behalve op het van Swaay-terrein zelf ook aangetroffen op het aangrenzende terrein aan de westkant De exacte grens van de verontreiniging is op het westelijk deel van het plangebied ter plaatse van de huidige Fresiastraat richting de Koninginnelaan globaal in beeld.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

49

In de bovengrond (tot 1,5 m-mv) van het hele plangebied worden puin- , baksteen- en kooldeeltjes en slakken aangetroffen. Op het voormalige van Swaay-terrein plaatselijk ook tot op grotere diepte. De vaste bodem op het van Swaay-terrein is verontreinigd met kwik en PAK in matig tot sterk verhoogde concentraties (overschrijding van tussen- en interventiewaarde). In het algemeen blijkt uit de onderzoeken dat op het voormalige van Swaay-terrein in de bovenste meter de hogere kwik concentraties worden aangetroffen (meer dan 10 keer de Interventiewaarde). Naar de diepte toe nemen de concentraties met kwik af. Op 2,5 -3,0 m-mv worden lagere kwik concentraties aangetroffen tussen de achtergrondwaarde en de interventiewaarde. Plaatselijk wordt de kwik verontreiniging aangetroffen tot op 6-8 m-mv in de bodem. De Pak verontreiniging wordt plaatselijk tot 6 m-mv aangetroffen; Op het deel van het plangebied dat zich ten westen van het van Swaay-terrein bevindt, worden in de bovenste meter tot anderhalve meter ook verhoogde concentraties kwik aangetroffen. Deze overschrijden de interventiewaarde niet maar zijn wel hoger dan de Lokale Maximale Waarde. Op dit deel wordt in de laag van 0,5-0,7 minus maaiveld over een klein oppervlak ook een laag aangetroffen waar voor PAK de interventiewaarde wordt overschreden.

Daarnaast worden op beide terreindelen andere metalen (koper, zink en lood) PFAS en pcb's licht verhoogd aangetroffen.

Verontreinigingssituatie grondwater Het grondwater op de locatie is licht verontreinigd met barium, molybdeen, naftaleen, anthraceen, tetrachlooretheen,1,1,2-trichloorethaan en chloorfenolen. Plaatselijk is het grondwater matig verontreinigd met arseen; op beperkte schaal is het grondwater sterk verontreinigd met kwik. Op het zuidoostelijke deel van het plangebied bevindt zich een kern waar het grondwater sterk verontreinigd is met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie. Deze kern is in zowel horizontale als verticale richting afgeperkt. De verontreiniging wordt niet beneden de kleilaag , die zich op 17-20 m-mv. bevindt, aangetoond. In 2020 is een bodemonderzoek uitgevoerd dat het hele plangebied beslaat De overige uitgevoerde bodemonderzoeken zijn gedateerd en ouder dan 5 jaar. Samengevat komt uit de bodemonderzoeken een vrij compleet beeld van de te verwachten bodemkwaliteit naar voren. De bodemonderzoeken zijn voor zover het de verontreiniging op het voormalige van Swaay-terrein betreft wel voor een groot deel gedateerd, dat wil zeggen ouder dan vijf jaar. Onlangs heeft er een actualisatie onderzoek plaatsgevonden (rapportnumme 28 in het hierboven opgesomde overzicht van onderzoeken) dat het gehele plangebied omvat.

Besluiten Wbb binnen het plangebied Er zijn een aantal beschikkingen genomen met betrekking tot de aangetroffen verontreiniging op een deel van het plangebied. Het gaat om de verontreiniging afkomstig van het voormalige van Swaay-terrein. In 1997 is door gedeputeerde staten een beschikking genomen op ernst en urgentie: Voormalig van Swaaij-terrein Nijmegen, kenmerk MW94.57264-6022005, d.d. 18 juni 1997. Hierin staat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering urgent is. De risico's voor de volksgezondheid worden niet overschreden. Ook zijn er geen actuele ecologische risico's. Wel raakt een bodemvolume van meer dan 1000m3 per jaar verontreinigd maar minder dan 5000 m3. In het besluit is aangegeven dat een sanering binnen 4 jaar moet starten, uiterlijk in 2001. In het besluit is aangegeven dat maatschappelijke argumenten een reden kunnen vormen om de aanvang van de sanering op een later tijdstip te bepalen. Als gebruiksbeperkingen is in het besluit opgenomen dat het afsluitend hekwerk in stand moet worden gehouden en dat bij bronbemaling binnen de grenzen van de

50

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

verontreiniging of in de directe omgeving rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het opgepompte water moet worden gezuiverd voordat het geloosd kan worden en dat voorkomen moet worden dat door bronbemaling de bodem ter plaatse opnieuw of verder verontreinigd raakt. Tegelijkertijd is een keuze gemaakt voor een saneringsvariant op basis van een ingediend saneringsonderzoek (Saneringsonderzoek fase 2 Van Swaay terrein Tunnelweg te Nijmegen, Tauw bv, november 1995). De gekozen variant heeft als doel voor het totale Van Swaay-terrein een IBC-eindsituatie (isoleren, controleren en beheersen) te bereiken. De aanpak bestaat uit een in-situ deelverwijdering van de mobiele PAK verontreiniging in de onverzadigde en verzadigde zone. Gestreefd wordt naar een eindige grondwater maatregel. Ter voorkoming van contact met verontreinigde grond wordt een leeflaag aangebracht. Een nazorgplan wordt opgesteld voor het in stand houden van de leeflaag en om blijvend de ligging van de (niet-mobiele) grondwaterverontreiniging te controleren. De gekozen variant is uitgewerkt in een saneringsplan (Deelsaneringsplan fase I Van Swaay-terrein Eerste Oude Heselaan te Nijmegen, Tauw bv, 1-10-1999). Op 15 december 1999 heeft gedeputeerde staten in een beschikking ingestemd met de uitwerking van de saneringsaanpak. De sanering zou in twee fasen worden uitgevoerd.

In de eerste fase worden maatregelen getroffen om blootstelling te voorkomen en worden maatregelen getroffen om verder verspreiding te voorkomen van de verontreiniging. In fase 2 worden de overige maatregelen uitgewerkt. De tweede fase zou starten in 2002. De maatregelen in de eerste fase bestonden uit het plaatsen (aanvullend) hekwerk om terreindelen af te sluiten; en de verwijdering van de mobiele PAK-verontreinigingen door middel van in-situ-maatregelen. Deze in situ maatregel is voortijdig gestopt omdat deze te weinig rendement had en er op grotere diepten buiten de invloedssfeer van het in situ saneringssysteem hoge gehaltes verontreiniging werden aangetroffen. Na aanvullend onderzoek in de periode van 2004 tot en met 2009 is er in 2010 een beheerplan opgesteld voor de grondwaterverontreiniging. Verwacht wordt dat de verontreinigingssituatie in het grondwater binnen 30 jaar tot een stabiele eindsituatie zal leiden. Dit plan is nu in uitvoering. Het betreft monitoring van de verontreinigingssituatie in het grondwater teneinde op termijn een stabiele eindsituatie te kunnen vaststellen. De uitwerking van fase 2, de aanleg van een leeflaag, heeft nog niet plaatsgevonden maar wordt afgestemd op de toekomstige ontwikkeling van het terrein.

Op basis van het recente bodemonderzoek en het sluiten van de drinkwaterwinning Nieuwe markt kan een nieuw besluit worden genomen waarmee de grenzen van het geval worden aangepast en in plaats van urgentie, geen spoed wordt vastgesteld voor het geval van verontreiniging.

Bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde bestemming Er staat vast dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Hierop is door gedeputeerde staten in 1997 een beschikking genomen op ernst en urgentie (kenmerk MW94.57264-6022005,). Een belangrijk gegeven is dat op basis van de bestaande bodemonderzoeken een deel van het plangebied sterk verontreinigd is. In 1999 is door gedeputeerde staten ingestemd met een saneringsplan. Dit wordt gefaseerd uitgevoerd. De sanering van de eerste fase loopt. Fase 2, de aanleg van een leeflaag moet voor het plangebied uitgewerkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkelingen in het

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

51

plangebied. Het besluit op ernst en urgentie van 1997 staat toe dat verontreinigde grond overal binnen de grenzen van het geval herschikt mag worden. In dit kader moet een actueel en compleet overzicht van de bodemkwaliteit voorhanden zijn. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt herschikt op plaatsen waar de bodem minder verontreinigd is. Dat is in strijd met het stand-still principe. Mogelijk moet voorafgaand aan de ontwikkeling een nieuw besluit worden genomen. Dit lijkt vooralsnog niet noodzakelijk, mits de bodemkwaliteit voldoende gedetailleerd in beeld wordt gebracht. De bodem moet worden gesaneerd om deze geschikt te maken voor de woonbestemming. De initiatiefnemer moet daarom een saneringsplan indienen waarin de kwaliteit van de grond en de sanerende maatregelen (onder andere saneringswijze verontreinigde grond en herstel/leeflaag) worden beschreven. Er zijn verschillende saneringsmogelijkheden om de functies die in het plangebied worden mogelijk gemaakt te realiseren (de verontreiniging geheel ontgraven, aanbrengen van een leeflaag, het gehele gebied voorzien van een verharding/bebouwing, of combinaties hiervan). De saneringsaanpak heeft wellicht gevolgen voor andere aspecten. Daarom moet duidelijk zijn voor welke saneringsaanpak wordt gekozen en wat dat betekent voor de andere aspecten waarop wordt getoetst.

(Wat zijn de gevolgen van een saneringsaanpak waarbij wordt gekozen voor verharding en bebouwing voor bijvoorbeeld opvang van hemelwater op eigen perceel, de mogelijkheden voor groen, klimaatadaptatie, etc.).

Risico's, belemmeringen en maatregelen De aangetoonde lichte tot sterke verontreinigingen vormen geen risico bij de huidige gebruiksvorm (braakliggend/kantoorgebouw). Omdat voor de realisering van de toekomstige bestemming graafwerkzaamheden nodig zijn moet een saneringsplan worden opgesteld. In het saneringsplan wordt beschreven welke werkzaamheden worden uitgevoerd om de bestemming te kunnen realiseren. In geval van een bodemsanering hoeft niet het hele geval van bodemverontreiniging gesaneerd te worden, maar volstaat een deelsanering (het geval van ernstige bodemverontreiniging is groter dan het plangebied). Op de plaatsen waar de vaste bodem gesaneerd moet worden, volstaat een duurzame afdeklaag (in de vorm van bebouwing en/of verharding), of het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van minimaal 1 meter. Het grondwater is ook verontreinigd, met name met PAK, aromaten en minerale olie. Voor de grondwaterverontreiniging is al een beheerplan opgesteld en in uitvoering. De verwachting is dat er binnen 30 jaar een stabiele eindsituatie zal ontstaan. In het beheerplan is beschreven hoe dit wordt gecontroleerd door de verspreiding van de grondwaterverontreiniging te monitoren.

Wanneer een bemaling nodig is binnen de grondwater verontreiniging of in de directe omgeving daarvan om de plannen te kunnen realiseren, moet voorkomen worden dat de grondwaterverontreiniging zich verspreid. Ook wanneer een KWO installatie wordt aangebracht moet rekening worden gehouden met de grondwaterverontreiniging. Eventuele overtollige (verontreinigde) grond hoeft niet altijd hoeft te worden afgevoerd, maar kan binnen de contouren van soortgelijke bodemkwaliteit worden herschikt. Dit maakt de saneringskosten bij ontwikkeling beheersbaar en vrij goed voorspelbaar. Op grond van de reeds uitgevoerde onderzoeken wordt niet verwacht dat er nog onvoorziene grootschalige verontreiniging, anders dan de bekende verontreiniging, aanwezig is.

52

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

Conclusie Op basis van het voornoemde wordt bij het realiseren van de gewijzigde bestemming geen onoverkomelijke maatschappelijke en financiële belemmeringen verwacht ten gevolge van een bodemverontreiniging. Hoewel de bodemkwaliteit nog niet volledig in beeld is, zijn de bestaande bodemonderzoeken toereikend voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen, is aanvullend of actualiserend bodemonderzoek wel noodzakelijk, indien noodzakelijk gevolgd door plaatselijke bodemsanering. In opdracht van de gemeente Nijmegen wordt inmiddels een actualiserend onderzoek uitgevoerd.

4.8

Water

Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. Binnen het Besluit ruimtelijke ordening (21 april 2008) is de watertoets verankerd. Algemeen Het plangebied ligt in de wijk Wolfskuil en maakt deel uit van de waterhuishoudkundige inrichting van het hoofdbemalingsgebied De Biezen. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023 en de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' (2013) relevant. Er vinden wijzigingen plaats als gevolg van de voorgenomen bestemming. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten'. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels. Oppervlaktewater In of in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Het uitgangspunt bij stedelijke uitbreidingen is grondwaterneutraal bouwen. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en stromen in de omgeving niet wijzigen. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door maatregelen tijdens bouwrijp maken en bouw of een waterbestendig bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen. Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken zet de gemeente in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Pas als die onvoldoende soelaas bieden, komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Dit sluit ondergronds bouwen niet uit. Dat is mogelijk mits voldoende technische maatregelen worden getroffen zodat de bouw waterdicht is.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

53

In de Waterwet is naast de gemeentelijke zorgplicht voor regenwater ook een zorgplicht voor grondwater opgenomen. Gelet op de verantwoordelijkheden van particulieren strekt deze zorgplicht niet zover dat gemeenten ook gehouden zijn (ter voorkoming van grondwateroverlast) maatregelen te nemen op percelen die in particulier eigendom zijn. Eigenaren moeten zelf zorgen voor een goede staat van de bij hen in eigendom zijnde percelen en gebouwen. Zij moeten in dat kader zelf bouwkundige maatregelen treffen. Dit speelt vooral bij ondergronds bouwen. Voor indicatieve informatie over de grondwaterstanden wordt verwezen naar de milieuatlas van de gemeente Nijmegen die te vinden is via http://kaart.nijmegen.nl/milieu/. De grondwaterstand is van belang voor de eventuele bouw van een kelder of een verdiepte parkeervoorziening en het (tijdelijk) lozen van het bronneringswater. Op de milieuatlas is ook informatie te vinden over (resultaten en onderzoek naar) de waterdoorlatendheid van de bodem. Riolering/hemelwater De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich in de straten aan drie zijdes van het plangebied, namelijk de Fresiastraat, de Koninginnelaan en de Tunnelweg (zuidelijk fietspad). De riolering in deze drie straten is uitgevoerd als gemengd stelsel. In de Koninginnelaan ligt infiltratieriolering.

Het hemelwater dat afstroomt van de straat wordt er in de bodem geïnfiltreerd. De vuilwaterriolen in de straat voeren het afvalwater uit die straat af en voeren het gemengde water door dat uit andere gebieden afstroomt.

Figuur 22. Overzicht riolering. Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. De gemeente Nijmegen hanteert bij de duurzame omgang met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer'. Hemelwater mag dus ook niet naar percelen van andere eigenaren afstromen en daar overlast veroorzaken. In de nota is geschreven dat de gemeente maatwerk kan toepassen. Voor de ontwikkelingen in het kader van de ontwikkeling van de stationsomgeving stelt de gemeente uit die grond aanvullende eisen. Voor de omgang met hemelwater geldt voor dit plan een bergingsopgave van 60 mm ten opzichte van het afwaterende oppervlak. Het verdient aanbeveling deze opgave integraal voor tenminste de

54

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

UWV-locatie en beter nog voor de hele stationsomgeving te benaderen. Bij de infiltratie van hemelwater dient waar mogelijk conform het convenant 'Duurzaam bouwen in het KAN' (2000) gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Het niet toepassen van uitlogende materialen is een voorbeeld. Het convenant is in 2013 geactualiseerd als Het groene akkoord. Voor plannen waarbij hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan bij de gemeente worden ingediend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan gevoegd zijn. De nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' geeft de inhoud van een dergelijk plan weer. Hiertoe is onderzoek naar bodemgesteldheid en grondwaterstanden nodig. Geen bijgevoegd goedgekeurd plan betekent een niet-ontvankelijke bouwaanvraag. Voor plannen met meer dan 500 m2 verhard oppervlak en directe lozing op het oppervlaktewater moet een waterhuishoudkundig plan bij het waterschap worden ingediend. Omdat geen sprake is van directe lozing op het oppervlaktewater hoeft geen waterhuishoudkundig plan bij het waterschap worden ingediend. Voor plannen met extra verharding in het natte gedeelte van het stedelijk gebied is compenserende waterberging nodig. Het verharde oppervlak neemt niet toe. Daarnaast ligt het plangebied in het droge gedeelte van Nijmegen.

Omdat het verharde oppervlak niet toeneemt en omdat het plan niet in het natte gedeelte van het stedelijk gebied ligt, is geen compenserende waterberging nodig. Omdat het hemelwater op eigen terrein in de bodem geïnfiltreerd moet worden, is de conclusie dat het plan geen negatieve effecten op het rioleringsstelsel of (indirect) oppervlaktewatersysteem heeft. Voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig. Het afvalwater van de gebouwen in het plangebied moet worden aangesloten op de openbare riolering. Voor het maken van nieuwe aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering moet een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering. Aansluitleidingen op de openbare riolering zijn standaard 125. Maximaal zijn aansluitleidingen 160. Vanwege de verwachte hoeveelheden afvalwater worden alleen aansluitingen op bestaande of inspectieputten gemaakt. De locaties van de aansluitingen dienen in overleg met Kwaliteitsbeheer Riolering bepaald te worden en haar toestemming te hebben. Goedgekeurde aansluitingen op de riolering zijn onderdeel van het bij de aanvraag van de omgevingsvergunning in te dienen goedgekeurde waterhuishoudkundige plan. Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken van deze aansluiting op de aanvrager verhaald.

Indien voor de afvoer van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden, zijn geen kosten verschuldigd. Bouwen boven gemeentelijke riolering is niet toegestaan en kan betekenen dat riolering verlegd of dat de inrichting gewijzigd moet worden. Bij hoofdtransportleidingen dient rekening gehouden te worden met niet te bebouwen stroken aan weerszijden van de leiding van 6 meter. Deze eis is vastgelegd in artikel 2.5.19 van de Nijmeegse bouwverordening. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden gesteld dat er op een juiste wijze invulling is gegeven aan het vereiste van duurzaam waterbeheer.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

55

4.9

Flora en Fauna

4.9.1

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming is 1 januari 2017 inwerking getreden Deze wet staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Onder de Wet natuurbescherming geldt, dat onderzocht moet worden of (ruimtelijke) ingrepen effect hebben op beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde bosopstanden.

4.9.1.1

Beschermde gebieden (Natura 2000 gebieden)

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Het Natura 2000 netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. In en om Nijmegen gaat het om de Natura 2000 gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort'. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die handelingen uitvoert met eventuele nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Deze vergunning moet bij de provincie aangevraagd worden. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van deze beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Voor de Natura 2000 gebieden geldt tevens de externe werking. Ontwikkelingen in de nabijheid van deze gebieden mogen geen significante gevolgen hebben voor de aanwezige natuurwaarden in deze gebieden. Houd ook rekening met de stikstofdepositie.

56

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

Figuur 23. Situering plangebied (roodomcirkeld) t.o.v. dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied (groen gearceerd) Eind mei 2019 heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Raad van State heeft een streep gezet door het PAS. Iets specifieker: de Raad van State heeft geoordeeld dat het PAS niet meer gebruikt mag worden voor het geven van toestemming voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Er moet per geval een stikstofbeoordeling worden gemaakt om in beeld te brengen of wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens de stikstofstukken (zie Bijlage 10 Notitie stikstofdepositie, 16 februari 2023) is de stikstofdepositietoename van deze ontwikkeling in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase niet groter dan 0,00 mol/ha/jr. De berekening heeft plaatsgevonden met de meest recente versie van Aerius (release januari 2023). Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) zijn op voorhand uit te sluiten. De Wnb staat dus niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

57

4.9.1.2

Beschermde soorten

De soortenbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Wet natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); en Beschermingsregime andere soorten (Nationaal). Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De wet hanteert daarbij het "nee, tenzij principe". Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Dit betekent dat voor nieuwe ontwikkelingen waar negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, een oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd: een quick scan 'flora en fauna' en zo nodig een vervolgonderzoek. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe moet een Wet natuurbescherming ontheffing voor soorten bij de Provincie aangevraagd worden. Daarnaast is in de wet een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Bij uitvoering van activiteiten moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt worden.

Op 25 maart 2019 heeft Bureau Waardenburg een quick scan beschermde soorten uitgevoerd op UWV terrein (zie Bijlage 11 Quickscan Flora en Fanua, 25 maart 2019).

Uit de quick scan blijkt dat de te kappen platanen en te slopen bebouwing hebben mogelijk betekenis als verblijfplaats voor vleermuizen (Beschermingsregime Habitatrichtlijn). Het spoortalud kan betekenis hebben als vliegroute voor vleermuizen en als verblijfplaats voor steenmarter. Geadviseerd wordt om de betekenis van het UWV gebouw en spoortalud voor vleermuizen en de steenmarter te onderzoeken door het uitvoeren van nader veldonderzoek. Het plangebied heeft mogelijk betekenis voor enkele beschermde soorten grondgebonden zoogdieren (muizen, egel). Voor handelingen in het kader van ruimtelijke ontwikkeling die kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. Voor de huismus heeft het groen in het plangebied betekenis als leefgebied. Geadviseerd wordt om leefgebied voor huismus te behouden of terug te brengen na de ingreep om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen. De beplanting rond het schoolterrein heeft betekenis als broedbiotoop van algemeen voorkomende vogelsoorten. Bij uitvoering van de werkzaamheden moet hiermee rekening worden gehouden worden. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Een aanvullend onderzoek is noodzakelijk.

Uit dit vervolgonderzoek 4 november 2019 (zie Bijlage 12 Aanvullend onderzoek vleermuizen en steenmarters, 4 november 2019) komen de volgende conclusies:

Enkel het gebouw heeft functie voor vleermuizen, daarmee heeft de het te ontwikkelen gebied voor de west entree geen effect. Ook voor de steenmarter geldt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Er zijn namelijk geen waarnemingen of sporen gevonden van de steenmarter binnen het plangebied. Gezien de toekomstige ontwikkelingen in het totale gebied is in het voorjaar van 2021 een

58

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)

tijdelijk mitigatiegebied gemaakt voor de aanwezige huismussen. Daarmee wordt gebied dat tijdelijk niet beschikbaar is voor de huismussen tijdens de bouwfase gecompenseerd. Na de bouwfase wordt het gebied o.a. voor de huismus aantrekkelijk gemaakt. Het tijdelijke fourageergebied voor de huismus wordt echter pas opgeheven als het totale gebied voldoende mogelijkheden biedt.

Actualisatie onderzoeken Bovenstaande rapporten zijn recent geactualiseerd. Op 6 oktober 2022 is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, zie Bijlage 13 Quickscan Wnb, 6 oktober 2022. Uit de Quickscan blijkt dat: Het plangebied biedt geschikte groeiplaatsen voor de beschermde soort wilde averuit. Geadviseerd wordt om de aanwezigheid van exemplaren binnen het plangebied te onderzoeken. Het plangebied heeft mogelijk een functie voor vleermuizen en steenmarter als verblijfplaats. Geadviseerd wordt om nader onderzoek naar deze soorten uit te voeren. Het plangebied vormt essentieel foerageergebied voor de huismus. Noodzakelijk is om het totaaloppervlakte essentieel foerageergebied te bepalen en om te beoordelen of er nabij het plangebied kwalitatief/kwantitatief voldoende alternatief leefgebied voor huismus beschikbaar is. Naar aanleiding van de resultaten dient in consult met de provincie te worden bepaald of er een ontheffing nodig is. De bebouwing heeft mogelijk functie als nestplaats voor gierzwaluw. Geadviseerd wordt om de aanwezigheid van gierzwaluwnesten in het gebouw te onderzoeken. De beplanting binnen het plangebied heeft betekenis als broedbiotoop van algemeen voorkomende vogelsoorten. Bij uitvoering van de werkzaamheden moet hiermee rekening worden gehouden worden (zie randvoorwaarden).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=b0fce918-340f-4633-b343-dc87fa7b1ecb