CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3_Regels_Bijlagen

Besluitronde (raadsvergadering) 29 november 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Centrum-Stationsomgeving -3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan) (108/2023)33.219 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Zorgwoning: een woning in een wooncomplex die bedoeld is voor mensen die

uitsluitend met behulp van zorg/ondersteuning door derden zelfstandig kunnen

wonen. Het betreft daarbij een woning die geschikt is voor rollatorgebruik dan wel

voor rolstoelgebruik. In het wooncomplex zijn extra voorzieningen aanwezig, zoals een ontmoetingsruimte.

•

Kleine eenkamerwoning: een zelfstandige (koop- of huur-) woning (een studio of tiny house) met een eigen adres en een vloeroppervlak van maximaal 50 vierkante meter GO.

•

In het geval van een hospita/hospes situatie, waarbij maximaal twee onzelfstandige kamers

worden gerealiseerd, geldt enkel de parkeernorm voor woningen (waarbij de oppervlakte van de onzelfstandige kamers tot het grondoppervlak van de woning wordt gerekend). •

Prijscategorieën Nijmegen conform Uitvoeringsagenda Wonen (prijspeil 2021):

Huur

Koop

Sociaal

≤ € 752,33

Middelduur

€ 752,33 - € 988,61

Duur

> € 988,61

Goedkoop

< € 220.000

Middelduur

€ 220.000 - € 280.000

Duur

> € 280.000

De huurgrenzen voor sociale huur worden jaarlijks geactualiseerd op basis van landelijke

huurregelgeving. De laatst geldende huurregelgeving is van toepassing op deze beleidsregels. De maximale huurprijs voor middeldure huur is de huurprijs die gekoppeld is aan 185 punten in het

woningwaarderingsstelsel. De laatste aanpassing van het woningwaarderingsstelsel is van toepassing op deze beleidsregels.

De koopgrenzen zijn gebaseerd op het woonbehoefteonderzoek uit 2019. Indien nodig worden deze koopgrenzen geactualiseerd op basis van de lokale doorrekening van het driejaarlijkse Woon Onderzoek Nederland (WoON). De volgende doorvertaling vindt plaats in 2022. •

Voorheen werd onderscheid gemaakt tussen studentenhuisvesting met een campuscontract en

overig studentenhuisvesting. De parkeernorm voor studentenwoningen met campuscontract was

lager dan reguliere kamerverhuur. Dit terwijl het autobezit niet substantieel anders is tussen beide 9/48

type woningen. Het onderscheid is bovendien verwarrend voor ontwikkelaars. Dit onderscheid is daarom komen te vervallen. Bovenstaande parkeernorm voor ‘Kamerverhuur’ geldt alleen voor

(delen van) complexen bestaande uit niet-zelfstandige eenheden. Kamerverhuur is in de definitie van wonen namelijk altijd onzelfstandig. •

Een kleine eenkamer studentenwoning is een zelfstandige woonruimte (maximaal 50 vierkante meter GO) voor studenten in een gebouw of deel van een gebouw, met een eigen (door de het college toegekend) huisnummer, eigen toilet en douche en keuken (zie ook de vigerende

Huisvestingsverordening). Bovenstaande parkeernorm geldt voor (delen van) complexen bestaande uit kleinere zelfstandige eenkamerwoningen die alleen aan studenten worden verhuurd. De verhuurder van de betreffende studentenwoningen moet als zodanig bekend en hierop georganiseerd zijn. •

Het realiseren van een parkeerplaats op eigen terrein wordt niet toegestaan indien dit ten koste gaat van een parkeerplaats in de openbare ruimte. Dit geldt bijvoorbeeld bij het verharden van voortuinen t.b.v. van parkeren. Er wordt hiervoor geen inritvergunning verleend.

Voor meerdere parkeerplaatsen op eigen terrein kan wel een openbare parkeerplaats worden opgeheven. In dat geval dient dit positief bij te dragen aan de parkeerbalans.

Hierbij wordt een openbare parkeerplaats als 1 gerekend en een particuliere parkeerplaats als 0,6. Dit verschil ontstaat doordat een openbare parkeerplaats inwisselbaar is en door iedereen gebruikt kan worden. Deze regeling geldt echter niet in gebieden waar parkeerregulering is ingevoerd.

2.

Werken Binnen

Centru

Schil

Schil

Rest

Buiten-

0,9

0,9

1,3

1,4

1,4

2,3

1,3

1,3

1,6

1,7

2,0

3,3

1,1

1,1

1,5

1,6

1,9

2,1

0,4

0,4

0,5

0,6

0,7

0,8

0,8

0,8

1,1

1,2

1,3

1,7

n.v.t.

0,07

0,07

0,07

0,07

0,07

-stad Kantoor zonder baliefunctie

Commerciële

dienstverlening Bedrijf

arbeidsintensief /

bezoekersextensief Bedrijf

arbeidsextensief /

bezoekersextensief Bedrijfsverzamelgebo uw

Opslagbedrijf

m

1e ring

2e ring

BBK

gebied

Eenheid

100m2 BVO

100m2 BVO

100m2 BVO

100m2 BVO

100m2 BVO

unit

Bezoe k

5%

20%

5%

5%

5% 95%

(min 2 pp)

Tabel 2:Autoparkeernormen Werken

10/48

Toelichting: • • •

Kantoor zonder baliefunctie: bijvoorbeeld administratief en zakelijk.

Commerciële dienstverlening: bijvoorbeeld kantoren met een baliefunctie

Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief: bijvoorbeeld industrie, laboratorium of een werkplaats (relatief veel werknemers en relatief weinig bezoekers).

•

Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief: bijvoorbeeld loods, opslag of transportbedrijf (relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers).

•

Bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw dat dient om verschillende bedrijven en kantoren in te huisvesten.

Aan-huisgebonden beroepen In de bestemmingsplannen zijn regels opgenomen voor de uitoefening van een aan-huisgebonden beroep in samenhang met wonen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis.

Voor wat betreft parkeren geldt dat op eigen erf / terrein moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat wanneer: • • •

parkeren op eigen erf verkeerskundig niet mogelijk is, c.q. stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is, of om een andere reden niet mogelijk is,

het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten mag betreffen dat daardoor extra

verkeersmaatregelen -waaronder parkeervoorzieningen- noodzakelijk worden in het openbaar gebied. De aanvrager van omgevingsvergunning moet aantonen dus dat er in de directe omgeving voldoende alternatieve vrije parkeergelegenheid is (zie ook bijlage 1).

3.

Winkelen en boodschappen Binnen-

Centrum Schil 1e

Centrumfuncties

3,1

Buurtsupermarkt

stad

Schil 2e

Rest BBK

Buiten-

bezoek

ring

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

100 m2

99%

0,9

0,9

1,7

2,2

2,4

n.v.t.

100 m2

89%

Full-service

2,1

2,1

3,0

3,7

3,9

n.v.t.

100 m2

93%

Grote supermarkt

4,9

4,9

5,8

6,3

6,7

n.v.t.

100 m2

84%

Groothandel

n.v.t.

n.v.t.

4,9

4,9

4,9

n.v.t.

100 m2

80%

Groothandel

n.v.t.

n.v.t.

5,4

5,4

5,4

n.v.t.

100 m2

80%

supermarkt

(XL)

specialist

algemeen

gebied

Eenheid

ring

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

11/48

Buurtcentrum

n.v.t.

n.v.t.

2,1

2,6

2,7

n.v.t.

100 m2

72%

Wijkcentrum

n.v.t.

3,1

3,3

3,8

4,1

n.v.t.

100 m2

79%

Stadsdeelcentrum

n.v.t.

3,7

4,2

4,7

5,3

n.v.t.

100 m2

85%

Weekmarkt

0,15

0,15

0,15

0,15

0,15

0,15

100 m2

85%

Kringloopwinkel

n.v.t.

n.v.t.

0,9

1,0

1,4

2,0

100 m2

89%

Bruin- en

2,9

2,9

4,8

5,2

6,6

8,5

100 m2

92%

Woonwarenhuis /

0,9

0,9

1,3

1,4

1,4

1,7

100 m2

91%

Woonwarenhuis

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

4,0

4,4

100 m2

95%

Meubelboulevard

n.v.t.

n.v.t.

1,6

1,7

2,0

n.v.t.

100 m2

93%

Winkelboulevard

n.v.t.

n.v.t.

3,2

3,3

3,7

n.v.t.

100 m2

94%

Outletcentrum

n.v.t.

n.v.t.

7,8

8,3

8,6

9,4

100 m2

94%

Bouwmarkt

n.v.t.

n.v.t.

1,5

1,6

2,0

2,2

100 m2

87%

Tuincentrum

n.v.t.

n.v.t.

2,0

2,1

2,3

2,6

100 m2

89%

Groencentrum

n.v.t.

n.v.t.

2,0

2,1

2,3

2,6

100 m2

89%

Showroom

n.v.t.

0,7

0,9

0,9

1,3

1,3

100 m2

35%

(gemiddeld)

witgoedzaak

woonwinkel

(zeer groot)

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

BVO

Tabel 3. Autoparkeernormen Winkelen en Boodschappen

Toelichting:

12/48

•

Centrumfuncties: De autoparkeereis voor de binnenstad (zie kaart 1) wordt voor horeca en

detailhandel / funshoppen) berekend middels een algemene parkeernormen van 3,1 parkeerplaats per 100 m2 BVO. •

Er worden drie typen supermarkten onderscheiden 

Buurtsupermarkt - dit is een kleinere supermarkt (kleiner dan 600 m2

winkelvloeroppervlak -WVO) die meestal een duidelijk afgebakend verzorgingsgebied (=de directe omgeving) heeft. 

Fullservice supermarkt - dit soort supermarkten heeft speciale afdelingen voor

groente, vlees, kaas en brood. De oppervlakte is meestal tussen de 1.000 en 2.000 m2 WVO. 

Grote supermarkt (XL) – hebben een (zeer) uitgebreid assortiment met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 WVO (en vaak kleiner dan 4.000 m2 WVO). Het serviceniveau is hoog. In dit soort supermarkten worden vaak producten (brood, vlees) ter plekke bereid.

•

Groothandel specialist: een groothandel in levensmiddelen, bouwmaterialen of kantoorartikelen is meestal een grootschalige detailhandelsvestiging voor een specifieke productgroep op een

industrieterrein aan de rand van een stad, waar men uitsluitend als pashouder inkopen kan doen. •

Groothandel algemeen: een grootschalige detailhandelsvestiging op een industrieterrein aan de rand van een stad, waar men uitsluitend als pashouder inkopen kan doen.

•

Stadsdeel-, wijk- en buurtcentrum: ondersteunende winkelgebieden (voornamelijk voor doelgerichte boodschappen) die een aanvulling vormen op de binnenstad of het

hoofdwinkelgebied en waarbij collectieve parkeergarages worden gerealiseerd (dus niet iedere winkel zijn eigen parkeergarage). 

Een stadsdeelcentrum is altijd een aanvulling op een binnenstad of een

hoofdwinkelcentrum (50+ winkels). Bovendien is hier het merendeel van het centrum planmatig ontwikkeld. Bijvoorbeeld Nijmegen Dukenburg. 

Een wijkcentrum heeft een specifiek ondersteunende functie. Hieronder vallen onder andere winkelconcentraties met 5-10 winkels en 2 of meer supermarkten of

winkelgebieden met 10+ winkels in de detailhandel. Bijvoorbeeld Hof van Holland. 

Een buurtcentrum is een winkelconcentratie met minimaal 5 winkels en maximaal 9 winkels in de detailhandel. Daarnaast is er een of geen supermarkt in dit type winkelgebied aanwezig.

•

Weekmarkt: bij een weekmarkt kunnen globale parkeerkencijfers worden gehanteerd - er moet een forse marge in acht worden genomen.

•

Bruin- en witgoedzaken: het gaat om grootschalige, volumineuze vestigingen (elektronica,

huishoudelijke apparaten) die vaak gevestigd zijn in de eerste bebouwingsschil rondom het stadscentrum of in gebieden die aan de rand van de stad liggen. •

Woonwarenhuis/woonwinkel (overig): dit zijn detailhandelszaken die een breed assortiment

hebben voor het inrichten van woningen in de breedste zin van het woord. Het gaat hierbij o.a. om meubels, verf, behang, accessoires en verlichting. Hieronder vallen ook gespecialiseerde woonwinkels die zich toeleggen op keukens, zonwering, verlichting, bedden, enzovoort. •

Woonwarenhuis (zeer groot): dit zijn grootschalige detailhandelszaken die een breed assortiment hebben voor het inrichten van woningen in de breedste zin van het woord. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om meubels, verf, behang, accessoires en verlichting. Hieronder vallen ook

gespecialiseerde grootschalige woonwinkels die zich toeleggen op keukens, zonwering, verlichting, bedden, enzovoort. •

Winkelboulevard: een winkelboulevard of retailpark is een verzameling van meerdere, vaak grote detailhandelsvestigingen op korte loopafstand van elkaar (die in tegenstelling tot een woon- of meubelboulevard niet gericht zijn op een gezamenlijk thema).

13/48

Outletcentrum: een verzameling van meerdere detailhandelsvestigingen (o.a. kleding, accessoires,

•

speelgoed, interieur) op korte loopafstand van elkaar, die gezamenlijk een grootschalig

winkelgebied vormen (met een oppervlakte van 5.000 tot 40.000 m2 WVO). Een outletcentrum profileert zich meestal met lagere prijzen dan standaardwinkels.

Tuincentrum (inclusief buitenruimte): het betreft de middelgrote en grootschalige

•

detailhandelsvestigingen (> 1.000 m2 WVO). Er worden in deze centra ook aanverwante artikelen verkocht, zoals dierartikelen, seizoenartikelen (zoals kerstversiering), accessoires en

decoratiemateriaal voor in huis. De buitenruimte is verkoopruimte (voor klanten toegankelijk). Groencentrum (inclusief buitenruimte): het betreft kleinere tuincentra (< 2.000 m2 WVO). Er

•

worden in beperkte mate aanverwante artikelen verkocht (alleen aan groen gerelateerde zaken, zoals tuingereedschap, materiaal ten behoeve van klein tuinonderhoud en groengerelateerde

decoraties). Er worden geen seizoenartikelen (zoals kerstversiering) verkocht. Groencentra zijn meestal kleinere bedrijven met als achtergrond een hoveniersbedrijf of plantenkwekerij, die

fungeren als lokaal tuin­centrum. De buitenruimte is verkoopruimte (voor klanten toegankelijk).

4.

Sport, cultuur en ontspanning Binnen -stad

Centru m

Schil 1e Schil 2e Rest

ring

ring

BBK

Buiten- Eenhei gebied

Bibliotheek

0,2

0,2

0,5

0,6

0,8

1,1

Museum

0,3

0,3

0,5

0,6

0,9

n.v.t.

Bioscoop

2,2

2,2

6,9

7,4

10

12,7

Filmtheater/filmhuis

1,6

1,6

4,2

4,7

6,7

8,9

Theater/schouwburg

5,8

5,8

6,4

7,2

8,3

10,5

Musicaltheater

2,4

2,4

2,9

3,2

3,4

4,6

Casino

5,2

5,2

5,6

5,9

6,0

7,5

d

100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO

bezoek

97%

95%

94%

97%

87%

86%

86%

14/48

Binnen

Centru m

Schil 1e Schil 2e Rest

ring

ring

BBK

Buiten- Eenhei

Bowlingcentrum

1,1

1,1

1,7

2,0

2,3

2,3

Biljart-/snookercentrum

0,6

0,6

0,8

0,9

1,1

1,5

Dansstudio

1

1

3,3

3,6

4,9

6,9

0,9

0,9

2,9

3,2

4,2

6

-stad

Fitnesstudio/sportschoo l

gebied

Fitnesscentrum

1,2

1,2

3,9

4,2

5,7

6,9

Welnesscentrum

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

8,8

9,8

Sauna, hammam

2

2

4,1

4,4

6,1

6,8

voor grotere aantallen

1,2

1,2

1,8

1,9

2,4

3,2

Sportzaal

0,8

0,8

1,6

1,7

2,4

3,3

Sporthal (zie toelichting bezoekers).

Tennishal

0,2

0,2

0,3

0,4

0,4

0,4

Tennisbaan

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

Squashhal

1,5

1,5

2,3

2,4

2,6

3,1

Zwembad overdekt

n.v.t.

n.v.t.

9,7

10,2

10,5

12,3

d

Per

baan Per

tafel 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100

bezoek

89%

87%

93%

87%

90%

99%

99%

96%

94%

m2

87%

baan

95%

BVO

100 m2

BVO 100 m2

bassin

84%

97%

15/48

Binnen

Centru

n.v.t.

-stad

Zwembad openlucht

m

Schil 1e Schil 2e Rest

ring

ring

BBK

Buiten- Eenhei

n.v.t.

9,1

9,6

11,9

14,8

gebied

Sportveld

13,0

13,0

13,0

13,0

13,0

13,0

Stadion

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

Kunstijsbaan (<400m)

0,9

0,9

1,1

1,2

1,4

1,8

Kunstijsbaan (400m)

n.v.t.

n.v.t.

1,8

1,9

2,1

2,5

Ski- en snowboardhal

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2,1

n.v.t.

Jachthaven

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Golfcentrum (P&P)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0,0

49

54

Golfbaan (18 holes)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0,0

85

108

0,4

0,4

1,2

1,6

1,9

2,6

Indoorspeeltuin/kinders peelhal (klein/gem)

Indoorspeeltuin/kinders peelhal (groot)

Indoorspeeltuin/kinders peelhal (z groot)

1

2,2

1

2,2

1,8

3,1

2,3

3,6

2,8

4

3,6

4,9

d

100 m2

bassin Per ha netto

terrein Zitplaat s

100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO Ligplaa ts

per

centru m

per 18 holes 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO

bezoek

99%

95%

99%

98%

98%

98%

-

93%

98%

97%

98%

98%

16/48

Binnen

Centru m

Schil 1e Schil 2e Rest

ring

ring

BBK

Buiten- Eenhei

Kinderboerderij

0,4

0,4

1,2

1,6

1,9

2,6

Manege

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0,3

-stad

gebied

Dierenpark

4

4

4

4,0

4

4

Attractie- en pretpark

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

4

4

Volkstuin

n.v.t.

n.v.t.

1,1

1,2

1,2

1,3

n.v.t.

n.v.t.

5

6,3

8

11

2

2

2

2,0

2

2

2

2

2

2,0

2

2

Plantentuin (botanische tuin)

Sociaal cultureel centrum

Wijk- of verenigingsgebouw

Kartbaan

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2,1

n.v.t.

Klimhal

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2.1

n.v.t.

Bordeel

1

1

1

1,0

1

1

Overige sexinstelling

0,5

0,5

1

1,0

1

1

d

100 m2

BVO per

box per ha netto

terrein per ha netto

terrein per 10 tuinen per

tuin 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100 m2

BVO 100

bezoek

97%

90%

99%

99%

100%

99%

90%

95%

90%

m2

90%

Kamer

90%

BVO

100 m2

BVO

90%

Tabel 4. Autoparkeernormen Sport, cultuur en ontspanning

Toelichting:

17/48

•

Filmtheater/filmhuis: een uitgaansgelegenheid (met een ideële/culturele doelstelling) waar films bekeken kunnen worden. Het betreft voornamelijk kleinschaligere, artistieke films, die in het algemeen een minder groot publiek trekken dan de films in een bioscoop.

•

Musicaltheater: een musicaltheater is een grootschalig theater waar (vaak langlopende)

theaterproducties gepresenteerd worden. Dagelijks zijn er een of twee voorstellingen, voornamelijk ’s avonds. De capaciteit van een voorstelling ligt vaak tussen de 1.000 en 2.000 bezoekers. •

Bowlingcentrum: een bowlingcentrum is gericht op zowel professioneel als recreatief bowlen. Het betreft dus niet de recreatieve bowlingfaciliteiten bij campings, hotels en dergelijke.

•

Fitnessstudio/sportschool: met fitnessstudio/sportschool wordt gedoeld op kleinschaligere

voorzieningen (indicatie: circa 750 m2 bvo) waar voor het overgrote deel alleen gebruikgemaakt wordt van fitnessapparaten. •

Fitnesscentrum: bij een fitnesscentrum gaat het om zogenoemde grotere multifunctionele centra (> 1.500 m2 bvo) die een breed pakket aan activiteiten aanbieden. Dit betreft zowel individueel

trainen als groepslessen, diverse vormen van fitness zoals cardiofitness, krachttraining, spinning

en aerobics, eventueel in beperkte mate aangevuld met wellnessvoorzieningen zoals een sauna of een zonnebank. De nadruk ligt in een fitnesscentrum wel op de sportfunctie. •

Wellnesscentrum: hier wordt met wellnesscentrum gedoeld op de grotere zelfstandige (combinaties van) sauna’s, thermen en kuurcentra (en dus niet op voorzieningen bij hotels, bungalowparken of campings). Een sauna is een publieke badinrichting waar saunabaden genomen kunnen worden. Kuurcentra bieden naast saunabaden ook vaak geneeskundige therapieën aan en vaak zijn

faciliteiten aanwezig om te overnachten. Bij beide voorzieningen zijn vaak ook een massage-

/beautysalon en horeca aanwezig (meestal in de vorm van een restaurant). Het verzorgingsgebied van de bedoelde wellnessvoorzieningen is (boven)regionaal en soms zelfs landelijk. •

Kunstijsbaan: er wordt uitgegaan van een sobere semi-overdekte of overdekte 400 meter

kunstijsbaan, gecombineerd met een baan van 30 × 60 meter (op het middenterrein bijvoorbeeld), zonder grootschalige tribunes of andere extra’s, maar wel geschikt voor wedstrijden. Er wordt

onderscheid gemaakt in kunstijsbanen van 400 meter en in kleinere ijsbanen (voor bijvoorbeeld ijshockey en kunstrijden op de schaats). •

Golfoefencentrum (ook wel pitch & put genoemd): al dan niet in combinatie met een golfbaan kan er sprake zijn van een golf(oefen)cen­trum. Een dergelijk centrum wordt gevormd door

bijvoorbeeld een driving range (afslagplaatsen) en een oefenbaan, eventueel gecombineerd met andere oefenfaciliteiten (zoals oefenbunkers of een putting green). •

Golfbaan (18 holes): indicatief gesteld is voor de aanleg van een 18-holes golfbaan circa 60-70 hectare grond nodig. Als recreatief medegebruik plaatsvindt, is dit 25-50% meer.

•

Indoorspeeltuin/kinderspeelhal: indoorspeeltuinen zijn zelfstandig functionerende

speelgelegenheden voor kinderen tussen de twee en twaalf jaar die qua grootte, aard en prijs vallen tussen een wijkspeeltuin en een attractiepark. Er zijn bijvoorbeeld klimtoestellen,

luchtkussens, ballenbakken en glijbanen. De gemiddelde voorziening heeft overwegend een lokaal verzorgingsgebied. De afmetingen variëren meestal van 1.500 m2 bvo tot 3.500 m2 bvo. Er zijn echter ook voorzieningen die aanmerkelijk groter zijn. •

Sportzaal: een ruimte die geschikt is om op trainingsniveau om diverse zaalsporten in te beoefenen, zoals zaalvoetbal, tafeltennis, basketbal, volleybal en dergelijke.

•

Sporthal: een ruimte met kantine en tribune, die geschikt is om op wedstrijdniveau diverse

zaalsporten / balsporten in te beoefenen. Bij grotere aantallen bezoekers is de parkeernorm te laag en is maatwerk vereist. Hierbij wordt uitgegaan van 0,15 parkeerplaats per tribune- / zitplaats. •

5.

Sportveld: de parkeernorm is exclusief kantine, kleedruimte, oefenveldje en toiletten.

Horeca en (verblijfs-)recreatie

18/48

Binnen- Centru

Schil 1e

Schil 2e

Rest

Buiteng

stad

m

ring

ring

Camping

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0,0

n.v.t.

1,1

Bungalowpark

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0,0

1,5

2

Hotel (1*, 2*, 3*)

0,16

0,16

0,28

0,30

0,42

0,63

Hotel (4*, 5*)

0,42

0,42

0,68

0,72

0,93

1,18

4

4

4

4,5

5

n.v.t.

8

8

8

8,5

12

n.v.t.

Fastfoodrestaurant 5

5

5

5,0

15

15

Pension, BB, hostel 0,15

0,15

0,25

0,3

0,4

0,4

Discotheek

4,1

4,1

10,3

11,3

16,4

18,8

3

3

4

4,8

5

n.v.t.

Café / bar / cafetaria

Restaurant

Evenementen-, beurs-,

congresgebouw

ebied

Eenheid Standpl aats

Bungalo w

per

kamer per

kamer 100 m2 BVO

100 m2 BVO

100 m2 BVO per

kamer 100 m2 BVO

100 m2 BVO

bezoek

90%

91%

77%

65%

90%

80%

90%

95%

99%

99%

Tabel 5. Autoparkeernormen Horeca en (verblijfs-)recreatie

Toelichting: •

Er is sinds 2013 een beleidslijn voor het toestaan van lichte horeca in de randgebieden van het

stadscentrum. Bij lichte horeca gaat het om lunchrooms, ijssalon, broodjeszaken etc. waar geen

alcohol wordt geschonken. Deze horeca vestigt zich veelal in panden waarin voorheen detailhandel gevestigd was. Er rust al een parkeereis op het pand. Voor omvorming van detailhandel naar lichte horeca en vice versa wordt een vrijstelling van de parkeereis gegeven (artikel 7 “Situaties van bijzonder gemeentelijk belang”). •

Naast lichte horeca treffen we ook ondersteunende horeca bij detailhandel aan. Dit houdt in dat

aan een bestaande functie een kleine voorziening voor horeca wordt toegevoegd. Bijvoorbeeld een koffiecorner in een kledingzaak. Een parkeernorm is hiervoor niet nodig, omdat er op de

hoofdfunctie zelf al een parkeernorm zit. Men komt niet alleen voor de horeca naar het pand. •

Terrassen: indien de buitenruimte voor terras groter is dan de ruimte binnen, dan geldt een aanvullende parkeernorm. Het aantal m2 aan terras dat boven het bvo van de horecafunctie

19/48

“binnen” uitkomt, wordt bij de bvo van de horecafunctie opgeteld. Dus bijvoorbeeld een horeca van 50 m2 bvo met een terras van 200 m2 moet voor 150 m2 bvo extra parkeerplaatsen maken.

Binnen de bvo’s vallen ook de vaste gebruikers (eigenaar/personeel). Voor het terras geldt 100% bezoek.

Hotel: In Nederland geldt voor hotels een hotelclassificatiesysteem. Ze zijn ingedeeld in één van de

•

vijf sterrencategorieën. Een hotel met één ster biedt slechts basisvoorzieningen, een hotel met twee sterren biedt beperkt aanvullende voorzieningen, een hotel met drie sterren is een

middenklasse hotel, een hotel met vier sterren een eersteklas hotel en een hotel met vijf sterren is een luxehotel. In Nijmegen zijn de categorieën samengevoegd en is de parkeernorm opgenomen van de hoogste ster in de categorie.

Ondergeschikte functies ten behoeve van het hotel hebben geen eigen parkeernorm en worden dus

•

niet meegeteld bij de parkeerbalans. Een zelfstandig functionerend restaurant krijgt wel te maken met een eigen parkeernorm.

In de binnenstad (zie kaart 1) hoeft niet te worden voldaan aan het percentage voor bezoekers. Zij

•

kunnen gebruik maken van de openbare parkeergelegenheden (parkeerterrein en -garages). De

vaste parkeerbehoefte moet op eigen terrein worden opgelost. In alle andere gebieden geldt dat zowel de vaste parkeerbehoefte als de parkeerbehoefte voor bezoekers op eigen terrein moet

worden opgelost, omdat hier (nog) geen of weinig openbare parkeergelegenheden aanwezig zijn.

Ondergeschikte functies ten behoeve van het hotel hebben geen eigen parkeernorm en worden dus

•

niet meegeteld bij de parkeerbalans. Een zelfstandig functionerend restaurant krijgt wel te maken met een eigen parkeernorm.

6.

Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen

De wooneenheden, zoals die bij de zorgvoorzieningen zijn benoemd, betreffen wooneenheden voor

mensen met een beperkte (auto)mobiliteit. De parkeerplaatsen zijn vooral bedoeld voor het faciliteren van het eigen personeel en het bezoek van de bewoners. Binnen- Centru

Huisartsenpraktijk (centrum)

Apotheek Fysiotheratiepraktijk (centrum)

Consultatiebureau Consultatiebureau ouderen

Tandartsenpraktijk (centrum)

Schil 1e

Schil 2e

Rest

Buiteng

stad

m

ring

ring

ebied

1,8

1,8

2,2

2,3

2,7

3

2

2

2,5

2,6

2,9

n.v.t.

1

1

1,2

1,3

1,5

1,7

1

1

1,3

1,4

1,6

1,9

1,2

1,2

1,5

1,6

1,8

2,1

1,3

1,3

1,7

1,8

2,1

2,4

Eenheid bezoek Behand

elkamer Apothe ek

Behand

elkamer Behand

elkamer Behand

elkamer Behand

elkamer

57%

45%

57%

50%

38%

47%

20/48

Gezondheidscentrum

1,3

1,3

1,6

1,7

1,9

2,2

Ziekenhuis

1,3

1,3

1,5

1,6

1,6

1,9

Verpleeghuis /

beschermd wonen

Behand

elkamer 100 m2 BVO

55%

29% 100%

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

n.v.t.

Zorgwonen

0,85

0,85

0,85

0,85

0,85

0,85

Hospice

0,6

0,6

1

1,2

1,4

1,4

Psycholoog

1,25

1,25

1,45

1,45

1,5

1,5

Crematorium

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0,0

25,1

25,1

Begraafplaats

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0,0

26,6

26,6

Gevangenis

1,4

1,4

1,9

2,0

3

3,4

Religiegebouw

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

woonee (incl. nheid

Woonee nheid

Woonee nheid

behand

elkamer Plechtig heid

Plechtig heid 10

cellen Gebeds -plaats

personee l)

0,3 (incl.

personee l)

90%

57%

99%

97%

37%

-

Tabel 6. Autoparkeernormen Gezondsheidszorg en (sociale) voorzieningen

Toelichting: •

Verpleeghuis / beschermd wonen: beschermd wonen valt bestemmingsplantechnisch gezien in het algemeen onder de bestemming “maatschappelijke doeleinden”. Er is 24-uur zorg/begeleiding aanwezig in de woning of het woongebouw. De bewoners hebben een zorgindicatie.

•

Gezondheidscentrum: een locatie waar verschillende gezondheidsinstellingen onder een dak gevestigd zijn. Vaak zijn dit huisartsen, fysiotherapeuten, verloskundigen en/of een consultatiebureau.

•

Mantelzorg is intensieve zorg of ondersteuning. Mantelzorg is meer is dan de gebruikelijke hulp en zorg van huisgenoten voor elkaar. Mantelzorg vindt plaats tussen mensen die een sociale relatie met elkaar hebben. Hiervoor kan het wenselijk zijn om bij elkaar te wonen, maar toch een eigen

woonruimte te hebben. Er worden hiervoor soms aparte ruimtes gebouw, die gebruikt worden voor het verlenen van mantelzorg. Hiervoor geldt geen parkeereis.

21/48

7.

Onderwijsvoorzieningen Binnen- Centru

Schil 1e

Schil 2e

Rest

Buiten-

stad

m

ring

ring

0,8

0,8

1

1,1

1,1

1,4

peuterspeelzaal

0,8

0,8

1

1,1

1,1

1,4

basisonderwijs

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

2,3

2,3

3

3,2

3,3

3,9

Kinderdagverblijf (crèche)

Middelbare school (vmbo, havo; vwo)

BBK

gebied

ROC, MBO

3,2

3,2

3,8

4,0

4,2

4,9

Hogeschool

6,3

6,3

6,9

7,2

7,5

8,9

Universiteit

avondonderwijs of vrijetijdsonderwijs

9,7

9,7

11,5

12,1

12,7

14,8

3

3

4

4,5

5

9,5

Eenheid bezoek 100 m2 BVO

100 m2 BVO

-

-

per

loslokaa l

per 100 leerling en

per 100 leerling en

per 100 student en

per 100 student en

per 10

student en

11%

7%

72%

48%

95%

Tabel 7. Autoparkeernormen Onderwijsvoorzieningen (exclusief halen en brengen)

Toelichting: In bovenstaande parkeernormen voor onderwijsvoorzieningen is het halen en brengen van kinderen niet opgenomen. Hiervoor wordt uitgegaan van de volgende formule: ‘parkeerbehoefte = het aantal

leerlingen x het % leerlingen dat met de auto wordt gebracht x reductiefactor voor de parkeerduur x

reductiefactor voor het aantal kinderen per auto’. Dit komt in de praktijk neer op hetgeen beschreven in onderstaande tabel.

% halen en

brengen met de auto

Reductiefactor parkeerduur

Reductiefactor

aantal kinderen per auto

Aantal pp per kind

22/48

Groep 1 t/m 3

Groep 4 t/m 8

Kinderdagverblijf / BSO

Gastouder opvang

30% (30-60%) 5% (5-40%) 50% (50-80%) 50%

0,5

0,75

0,113

0,25

0,85

0,011

0,25

0,75

0,094

0,25

0,75

0,094

Tabel 8. Autoparkeernormen Onderwijsvoorzieningen - halen en brengen van kinderen

Voor parkeren bij gastouderopvang hoeft alleen rekening te worden gehouden met een extra

parkeerbehoefte voor halen en brengen. Om te voorzien in de parkeerbehoefte bij gastouderopvang dient deze binnen 100 meter van de locatie aanwezig te zijn.

Artikel 3. Verkeersgeneratie In CROW-publicatie 381 zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie opgenomen (gebaseerd op de huidige situatie in Nederland). Beide kencijfers staan volgens het CROW in relatie tot elkaar.

Verkeersgeneratie wordt bepaald door de ontwikkeling en door de capaciteit op het netwerk. Binnen een ruimtelijke ontwikkeling is de parkeernorm een belangrijke factor in de verwachte verkeersgeneratie.

De kencijfers verkeersgeneratie worden bij planvorming gebruikt om het aantal motorvoertuigenbewegingen per dag te berekenen.

De CROW-kencijfers bevatten een bandbreedte per functie. In Nijmegen hanteerden we voorheen het gemiddelde parkeerkencijfers en het gemiddelde kencijfer verkeersgeneratie. Aangezien we nu voor

een lagere parkeernorm kiezen (minimum kengetal in plaats van gemiddeld kengetal), ligt het voor de hand om bij initiatieven van een lagere verkeersgeneratie uit te gaan.

Dit sluit aan bij de gemeentelijke mobiliteitsdoelen. We zetten immers in op het niet verder laten

groeien van de totale verkeersbelasting van auto’s binnen de stad. De uitwerking hiervan betekent dat we niet de capaciteit bieden voor een hogere verkeersgeneratie.

Overeenkomstig de parkeernormen wordt bij berekening van de verkeersgeneratie bij initiatieven

uitgegaan van de gebiedsindeling zoals weergegeven in kaart 1. Hierbij wordt uitgegaan van een zestal zones waarbij in onderstaande tabel is aangegeven welke kencijfer gebruikt moet worden voor bepaling van de verkeersgeneratie.

Zone

Gebaseerd op CROW-kengetal

Binnenstad

Minimum kengetal centrum / sterk stedelijk

Centrum

Minimum kengetal centrum / sterk stedelijk

23/48

1e schil / overloop

Minimum kengetal Schil centrum / sterk stedelijk

2e schil / overloop

Tussen minimum en gemiddeld kengetal schil centrum/ sterk stedelijk

Rest bebouwde kom

Minimum kengetal rest bebouwde kom / sterk stedelijk

Buitengebied

Minimum kengetal buitengebied / sterk stedelijk

Tabel 9. Basis voor berekening verkeersgeneratie o.b.v. CROW kencijfers

De kencijfers verkeersgeneratie zijn niet overgenomen - bij toepassing moet gebruik worden gemaakt van de kengetallen zoals opgenomen in CROW-publicatie 381.

Artikel 4. Toepassing parkeernormen Auto Dit artikel gaat in op de wijze van toepassing van parkeernormen. Welke berekeningen moeten plaatsvinden en hoe deze moeten worden uitgevoerd. Ook wordt ingegaan op het gebruik van

bestaande parkeerplaatsen, de toepassing van dubbelgebruik (aanwezigheidspercentage) en wat de mogelijkheden zijn als men niet aan de parkeereis kan voldoen.

BELEIDSREGEL 3: De autoparkeereis wordt bepaald door de parkeervraag van de laatst toegestane situatie af te trekken van de parkeervraag van de nieuwe functie (salderen), tenzij sprake is van langdurige leegstand (minimaal 10 jaar).

BELEIDSREGEL 4: Bij een bouwontwikkeling of gebruikswijziging hoeft alleen te worden voorzien in de extra parkeerbehoefte. Hierbij wordt voor zowel de oude als de nieuwe parkeereis het aantal reële parkeerplaatsen gehanteerd, afgerond in hele getallen zoals omschreven in beleidsregel 3 (een

parkeereis van 1,3 en 1,9 worden bijvoorbeeld beide afgerond naar 2 parkeerplaatsen). Indien dit

afgeronde aantal benodigde parkeerplaatsen bij de nieuwe functie hoger is dan bij de oude functie, moet het verschil aan parkeerplaatsen worden aangelegd.

BELEIDSREGEL 5: Het realiseren van parkeerplaatsen bij ontwikkelingen moet op eigen terrein

plaatsvinden (huurders en kopers van nieuwbouwcomplexen met meerdere woningen komen hierbij

ongeacht de beschikbaarheid van parkeerplaatsen op eigen terrein niet meer in aanmerking voor een

parkeervergunning voor parkeren op straat), tenzij de aanvragen onderbouw voldoet aan tenminste één van de in dit artikel beschreven afwijkingscriteria / vrijstellingen.

Bepalen van de autoparkeereis

24/48

Kwaliteitseisen: De maten van een parkeerplaats die toegankelijk zijn vanaf de openbare weg zijn voor haaks parkeren

2,5x5m voor een enkele parkeerplaats. Voor een dubbele parkeerplaats bij een woning (geen openbaar parkeerterrein) moet rekening worden gehouden met 4,5x5. Voor langsparkeren minimaal 2,0x6,0m.

Iedere parkeerplaats moet direct bereikbaar zijn vanaf de openbare weg (het mag dus niet zo zijn dat je over een andere parkeerplaats moet rijden om op de openbare weg te kunnen komen). Dit geldt

echter niet voor zover het parkeerplaatsen op eigen terrein bij een grondgebonden woning betreft. Voor bereikbaarheid en bruikbaarheid wordt verwezen naar de vigerende CROW-richtlijnen (ASVV).

Parkeren voor minder validen: Bij het bepalen van de behoefte voor parkeerplekken voor minder validen houden we rekening met de vigerende CROW-richtlijnen: op 50 ‘gewone’ parkeerplaatsen moet één AGPP beschikbaar zijn. Bij nieuw te bouwen instellingen moet rekening worden gehouden met het aanleggen van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen conform deze richtlijn.

Het uitgangspunt hierbij is dat instellingen / voorzieningen waar een gehandicapte uit medische noodzaak naar toe moet gaan, over tenminste één algemene gehandicaptenparkeerplaats in de

nabijheid van de ingang beschikt. Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden aanvullend op de parkeereis gerealiseerd.

Stap a: bepalen van de parkeerbehoefte Een parkeerbalans laat zien hoeveel parkeerplaatsen op basis van de parkeernormen en met saldering

nodig zijn. Afronding van het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen vindt altijd naar boven plaats. Bij het opstellen van de parkeerbalans kan gebruik worden gemaakt van de volgende uitgangspunten:

Bestaande situatie In bestaande situaties kan het reeds aanwezige aantal parkeerplaatsen op eigen terrein in mindering worden gebracht op de nieuwe, totaal (bestaande bebouwing en uitbreiding) vast te stellen

parkeerbehoefte. Dit geldt uitsluitend als er sprake is van overcapaciteit. In overige situaties wordt de extra parkeerbehoefte vastgesteld op basis van het aantal m² uitbreiding.

In afwijking van beleidsregel 3 geldt voor gebieden waar een collectieve parkeernorm wordt toegepast

(zoals een centrumfunctie, stadsdeelcentrum, wijkcentrum en buurtcentrum), dat bij transformatie van

detailhandel naar woningen het bezoekersaandeel niet mag worden gesaldeerd. In dit geval mag alleen het vaste parkeerdeel worden meegenomen in de saldering. Voor centrumfuncties geldt dat de

parkeernorm van 3,1 pp/100m2 voor 99% uit bezoekers bestaat. Het vaste deel is hier dus maar 0,031 pp/100 m2 BVO. De reden hiervoor is dat het bezoekersparkeren veelal in een van de bestaande

25/48

parkeergarages plaatsvindt en dat zeker in de binnenstad / centrum en ondersteunende, grotere

winkelgebieden zoals Dukenburg, de omzetting van detail naar woningen niet tot minder bezoekers leidt.

Verbouw c.q. functiewijziging en sloop Bij een wijziging van gebruik en bij een verbouwing wordt op basis van de parkeernormen een

parkeereis berekend. Hierbij geldt dat de berekende parkeereis op basis van de nieuwe functie, wordt verminderd met de parkeereis (berekend volgens parkeernormen in artikel 2) van de laatste (legaal)

vergunde functie die komt te vervallen. Als de plaatsen tot het openbaar domein blijven behoren, kan dit ook in de planvorming worden geregeld. De initiatiefnemer van de nieuwe functie krijgt dan een beschikking dat hij een aantal parkeerplaatsen minder hoeft te realiseren en ook geen compensatiebedrag hoeft te betalen.

Nieuwbouw Bij een nieuwe planontwikkeling moet worden voldaan aan de parkeernorm die voor de functies gelden.

Parkeren bij (grootschalige) planontwikkeling (incl. ontwikkelen openbare ruimte) Bij nieuwe ontwikkelingen is parkeren op eigen terrein een randvoorwaarde. Als de initiatiefnemer

binnen het plangebied kan voldoen aan de parkeernorm dan wordt dat de randvoorwaarde (parkeren op eigen terrein is dan gelijk aan parkeren in het plangebied). Na oplevering worden dit openbare parkeerplaatsen, maar er is voldaan aan de parkeernorm.

Bij het vernieuwen van een woonwijk door woningcorporaties (sloop-nieuwbouw) is het vaak lastig om het parkeren volgens de nieuwe normen op te lossen. De openbare ruimte kan niet geheel worden verhard voor parkeerplaatsen. Per project wordt maatwerk geleverd. Berekend wordt wat de

hoeveelheid parkeerplaatsen zou moeten zijn in de bestaande situatie. Die wordt vergeleken met de hoeveelheid parkeerplaatsen die nodig is in de nieuwe situatie. Het verschil van het aantal

parkeerplaatsen moet worden opgelost bij een toename. De bestaande situatie is het uitgangspunt. Als er parkeerplaatsen vervallen door de planontwikkeling, dan moeten die wel elders worden gecompenseerd.

Parkeren op eigen terrein bij woningen Voornamelijk bij woningen blijkt in de praktijk dat garages niet wordt gebruikt voor het stallen van de auto, maar als bergruimte. Aangezien hier bij de parkeernormen geen rekening mee wordt gehouden, kan hierdoor parkeeroverlast in de straat ontstaan. De instandhouding van de parkeerplaatsen op

eigen terrein is dan ook wenselijk. Een oprit naar de garage die voldoet aan de afmetingen van een parkeerplaats wordt gezien als parkeerplaats op eigen terrein.

De bezetting van parkeerplaatsen op eigen terrein is lager dan de bezetting van openbare

parkeerplaatsen. Immers, als de eigenaar van een woning niet thuis is, kan een ander deze

parkeerplaats niet gebruiken. Het realiseren van een enkele parkeerplaats op eigen terrein ten koste van een openbare parkeerplaats betekent dus een achteruitgang in parkeercapaciteit. Het realiseren

van een enkele parkeerplaats op eigen terrein wordt dan ook niet toegestaan indien dit ten koste gaat van een parkeerplaats in de openbare ruimte (zie ook bijlage 1).

26/48

Bijzonderheden eigen terrein: •

Voor zover er sprake is van parkeren op eigen terrein bij woningen met een garage met oprit ervoor, geldt dat parkeerplaatsen in die garage (niet zijnde een parkeergarage bij een

appartementencomplex) niet meetellen als parkeerplaats in de zin van de parkeerregels. Een

parkeerplaats op de oprit naar een garage wordt wel gezien als een parkeerplaats in de zin van deze beleidsregels. Een garage zonder oprit wordt gezien als een parkeerplaats. •

Als het voor de bereikbaarheid van een parkeerplaats nodig is dat er een vergunningsplichtige inen uitrit wordt gerealiseerd, dan wordt, voor zover er sprake is van een

omgevingsvergunningsplichtig project, altijd als voorschrift gesteld dat er pas een begin met het project mag worden gemaakt als de benodigde in- uitritvergunning is verleend. Als echter al

duidelijk is dat een parkeerplaats niet zal kunnen ontsluiten naar de openbare weg, dan is deze parkeerplaats niet bereikbaar en telt deze dus niet mee. •

Bestaande parkeerplaatsen op maaiveld, die door een ontwikkeling verdwijnen, moeten één op één worden gecompenseerd door nieuwe parkeerplaatsen. Daarbij geldt als bijzondere

compensatieregeling het volgende. Indien er als gevolg van de aanleg (evt. met ontsluiting) van een parkeerplaats op eigen terrein bij een woning een openbare parkeerplaats verdwijnt, geldt dat ter compensatie van deze parkeerplaats, de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het

project op ten minste 2 parkeerplaatsen wordt gesteld (indien de openbare parkeerplaats niet gecompenseerd wordt door de aanleg van een nieuwe openbare parkeerplaats.

•

Als er op eigen terrein maar één auto kan worden geparkeerd, dan is opheffen van openbare

parkeercapaciteit ten behoeve van parkeren op eigen terrein alleen toestaan als er aantoonbaar,

voldoende overcapaciteit in de openbare ruimte is om de afname van openbare parkeerplek op te vangen. Daarvoor moet initiatiefnemer dan een parkeeronderzoek conform beleid opstellen (zie bijlage 1) .

Omgekeerd geldt dat als bij het opheffen van parkeergelegenheid ten behoeve van openbare

parkeercapaciteit (bijvoorbeeld door opheffen van de uitritconstructie) altijd uit wordt gegaan van de extra openbare parkeercapaciteit.

Aanbieden alternatieven voor de auto Voor ontwikkelingen die een duurzaam karakter hebben is het mogelijk maatwerk in de parkeernormen aan te brengen. Dit kan door de toepassing van bijzondere vrijstellingen. De volgende bijzondere vrijstellingen kunnen worden toegepast: •

Extra fietsparkeerruimte: als een ontwikkeling in een gebied met betaald parkeren voorziet in extra

fietsparkeervoorzieningen, dan kan het aantal te realiseren autoparkeerplaatsen met maximaal 10% worden verlaagd - in de verhouding vijf extra fietsparkeerplaatsen in plaats van één

autoparkeerplaats. Deze extra fietsparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd op eigen terrein en zijn bedoeld voor langparkeerders (bewoners, werkers, studenten). •

Deelauto’s: als bij een woningontwikkeling in een gebied met betaald parkeren structureel, dat wil zeggen voor minimaal 10 jaar, commercieel aangeboden deelauto’s op eigen terrein ter

beschikking worden gesteld, dan kan het aantal te realiseren autoparkeerplaatsen met maximaal 20% worden verlaagd in de verhouding één autodeelparkeerplaats in plaats van vier gewone autoparkeerplaatsen. Een parkeerplaats voor een deelauto vervangt dus vier reguliere autoparkeerplaatsen (= saldo -3 plaatsen).

Ook in niet-gereguleerd gebied is het mogelijk om deelauto’s te plaatsen. We leggen hierbij niet vooraf vast wat de korting op de parkeereis is of hoe deze moet worden toegepast. De ontwikkelaar moet het gebruik van de deelauto onderbouwen aan de hand van onder andere de locatie van de ontwikkeling (nabijheid voorzieningen en OV), de doelgroep (jongeren/gezinnen/ouderen) en welke vormen van

27/48

deelmobiliteit worden toegepast. Afhankelijk van de kwaliteit van het plan kan door de gemeente een korting worden gegeven van maximaal 20% (met verhouding 1 deelauto versus 4 reguliere auto’s). Hierbij is belangrijk dat de ruimte die wordt bespaard op het parkeren wordt gebruikt om extra kwaliteit toe te voegen aan de woonomgeving. •

Mobility as a Service (MaaS): als bij een ontwikkeling in een gebied met betaald parkeren voor alle toekomstige gebruikers van het betreffende pand een ‘Mobility as a Service’ concept beschikbaar wordt gesteld, voor een periode van minimaal 10 jaar, dan kan het aantal te realiseren

autoparkeerplaatsen met maximaal 20% worden verlaagd. Voorwaarde is dan wel dat er ook

daadwerkelijk alternatieve vervoersmiddelen voor de eigen auto (denk aan deelfiets, deelauto of goed openbaar vervoer) beschikbaar zijn.

De bijzondere vrijstellingen mogen niet bij elkaar worden opgeteld (veelal zien we dat een MaaS-

concept ook hand-in-hand gaat met een deelauto-initiatief of extra fietsvoorzieningen). Er geldt een

maximale verlaging van 20% van de parkeereis. Deze reductie geldt niet voor het bezoekersdeel van de parkeernorm van woningen en niet-woonfuncties (zie CROW-publicatie 381 voor aandeel bezoek). Hierbij moet worden voldaan aan de nadere regelgeving zoals opgenomen in de Beleidsregels Deelmobiliteit.

Rekenvoorbeeld: als het aantal te realiseren autoparkeerplaatsen voor bewoners (dus niet bezoekersdeel) 100 parkeerplaatsen bedraagt, dan kan deze middels bovenstaande mogelijkheden worden gereduceerd tot 80 parkeerplaatsen (maximaal -20%). Dit betekent een reductie van 20 parkeerplaatsen. Hiervoor moeten 5 deelauto’s worden geplaatst. Dit betekent dat het aantal te realiseren parkeerplaatsen 85 stuks bedraagt. Autovrije complex Een initiatiefnemer mag in gereguleerd parkeergebied voor autovrije complexen -met 20 of meer

appartementen- afwijken van de vastgestelde parkeernorm, onder voorwaarde dat de (toekomstige) gebruikers (=bewoners en ondernemers) niet worden gefaciliteerd in de openbare ruimte.

Binnen het betaald parkeergebied kan dit door het betreffende gebied uit het vergunninggebied te

lichten. Bewoners komen hierdoor niet in aanmerking voor een parkeervergunning. In niet gereguleerd parkeergebied is het niet mogelijk om autovrije complexen te realiseren, omdat de kans groot is dat hierdoor parkeerproblemen in de omgeving ontstaan. Er moet worden voldaan aan de parkeernorm.

De initiatiefnemer van een autovrij complex dient zich bewust te zijn dat (geheel of gedeeltelijk) wordt

gebouwd voor een doelgroep zonder auto. Bij aanvraag van de omgevingsvergunning dient derhalve de marktpotentie, aanvullende mobiliteitsvoorzieningen (waaronder in ieder geval extra

fietsvoorzieningen) en wijze waarop hierover met de toekomstige doelgroep wordt gecommuniceerd door de ontwikkelaar worden aangetoond. Dit om misverstanden achteraf te voorkomen. Per niet

gerealiseerde parkeerplaats moeten minimaal 2 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit boven op de al verplichte berging volgens het Bouwbesluit.

De ontwikkelingen dient, om overloop te voorkomen, op voldoende loopafstand van de grens van het gereguleerd parkeergebied te liggen. Hiermee wordt overlast in de omgeving voorkomen. Als grens

geldt een minimale loopafstand zoals opgenomen in tabel 10 - gemeten van de voordeur tot aan de dichtstbij gelegen openbare parkeerplaats zonder vorm van parkeerregulering.

Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor het bezoekersdeel van de parkeernorm van woningen en niet-woonfuncties (zie CROW-publicatie 381 voor aandeel bezoek).

Voor autovrije complexen gelden de afkoopbedragen per niet-gerealiseerde parkeerplaats, zoals beschreven in artikel 5. Het College van B&W kan hier gemotiveerd van afwijken.

28/48

Meerdere functies De parkeernormen worden gebruikt om de parkeerbehoefte te berekenen. Hiervoor wordt de omvang van de functie vermenigvuldigd met de parkeernorm. Uitgangspunt hierbij is toetsing aan de

hoofdfunctie. Eventuele ondergeschikte functies, zoals een kantoor of opslagruimte worden niet afzonderlijk getoetst.

Als meerdere zelfstandige functies binnen een ontwikkeling worden gerealiseerd, dan wordt de

parkeerbehoefte van de gehele ontwikkeling bepaald door de berekende parkeerbehoefte van de verschillende zelfstandige functies bij elkaar op te tellen.

Ook binnen een pand kan sprake zijn van meerdere hoofdfuncties, zoals: •

detailhandel die qua oppervlakte en qua functie ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van een niet-detailhandelsbedrijf of -voorziening;

•

ondergeschikte of ondersteunende horeca, waarbij duidelijk herkenbaar is dat de

hoofdactiviteit de kernactiviteit is die op het perceel plaatsvindt en het verstrekken van eten en

drinken alleen plaatsvindt als beperkt en ondergeschikt onderdeel van en voortvloeiende uit de hoofdactiviteit (bijvoorbeeld een proeverij bij een bierbrouwerij)

In deze gevallen wordt de parkeerbehoefte van beide functies apart berekend.

In gevallen waar de ondergeschikte functie aantoonbaar geen directe relatie met de hoofdfunctie heeft

(zoals een grote opslag ten behoeve van andere vestigingen in de regio) en deze functie meer dan 50% van het totaal aantal BVO inneemt, dient voor dit deel de parkeernorm van de hoofdfunctie exclusief het bezoekersdeel te worden gehanteerd.

Uitzonderingen De parkeereis is niet van toepassing bij kleine (her)ontwikkelingen (geen woonfunctie) waarbij het

verschil tussen de parkeerbehoefte van de oude functie (voor de ruimtelijke ontwikkeling) en de nieuwe functie (na de ruimtelijke ontwikkeling) voor de totale ontwikkeling kleiner is dan 1 parkeerplaats. Indien een uitbreiding in de binnenstad (zie kaart 1) niet meer bedraagt dan 100 m²

brutovloeroppervlakte, dan wel 10% van de totale brutovloeroppervlakte (als deze meer dan 100 m² is), behoeven er geen extra parkeervoorzieningen te worden aangelegd.

Openbare oplaadpunten De elektrische auto is in opkomst. Om elektrisch rijden verder te stimuleren zijn oplaadplaatsen nodig. Deze oplaadplaatsen nemen (deels) openbare parkeerruimte in beslag. Nijmegen kiest er vooralsnog niet voor om in de parkeernorm een verplicht aandeel op te nemen voor elektrisch vervoer.

Nijmegen hanteert als uitgangspunt dat wanneer bij ontwikkeling te verwachten is dat er een parkeerbehoefte van elektrische voertuigen is, de initiatiefnemer tijdens de planvorming

parkeercapaciteit kan reserveren voor elektrisch laden. CROW-publicatie 381 fungeert hierbij als richtlijn.

De voor elektrisch laden bestemde parkeerplaatsen maken hierbij 1-op-1 onderdeel uit van het conform de parkeereis te realiseren aantal parkeerplaatsen.

29/48

Volgens de Europese richtlijn EPBD III, moet er minimaal één oplaadplaats per totale

parkeergelegenheid worden aangelegd. Ook moet er leidinginfrastructuur (loze leidingen) worden aangelegd voor 1 op de 5 parkeervakken. Bij voorkeur worden deze geclusterd rondom het te realiseren oplaadpunt en niet verspreiden over de parkeervoorziening.

Afwijken naar boven Veelal is in de bovenstaande afwijkingsmogelijkheden sprake van het naar beneden afwijken van de parkeereis (minder parkeerplaatsen realiseren dan vereist volgens de parkeernormen). Het is echter ook mogelijk dat de wens bestaat om meer parkeerplaatsen te realiseren dan volgens de

parkeernormen toegestaan zijn. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om kleine nieuwbouwprojecten

waarbij de parkeergarage onder het gebouw iets meer parkeerplaatsen heeft dan volgens de norm is toegestaan (optimalisatie).

Het gaan niet om verhogen van de parkeernormen binnen een plan – dit is immers strijdig met de gemeentelijk doelen zoals verwoord in het Ambitiedocument Mobiliteit en de Nota Parkeren in Nijmegen 2020-2030.

Stap b: inspanningsverplichting van de aanvrager Uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein moet worden ingevuld. Dit betekent dat het parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden of dat erin, op of onder het bouwproject een parkeervoorziening moet worden gerealiseerd. Voor nieuwbouwlocaties is dit vaak geen probleem maar voor

ontwikkelingen in de binnenstad is dit vaak niet mogelijk: er is geen ruimte beschikbaar of de kosten van een gebouwde parkeervoorziening zijn exorbitant hoog, zodat er parkeerruimte elders moet

worden gevonden. Voor locaties in de binnenstad hoeven er voor bezoekers geen parkeerplaatsen te worden aangelegd. Deze bezoekers kunnen gebruik maken van de openbare parkeergarages. Bij een woningbouwontwikkeling met veel toekomstige openbare ruimte is het ook mogelijk om de

parkeerbehoefte op te lossen binnen het plangebied. Dit is wel afhankelijk van het programma. Aanvrager(s) van een omgevingsvergunning moet kunnen aantonen dat zij zich redelijkerwijs

voldoende hebben ingezet om de volgens de geldende norm benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen

te kunnen realiseren. Voldoende inspanning leveren betekent dat de aanvrager moet kunnen aantonen (bij de bouwaanvraag moet dit gemotiveerd worden toegelicht) dat het aanleggen van parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het bestemmingsplan dit verbiedt / onmogelijk maakt.

Soms komt de te grote parkeerbehoefte voort uit het programmatisch overvragen van de locatie (bijvoorbeeld veel kleine woningen in een gebouw). De aanvrager moet ook aantonen dat de

ontwikkeling met een beperkter programma (en daarmee dus minder parkeren) financieel onmogelijk is. Ook dan kan gezocht worden naar alternatieven.

Stap c: alternatieven Wanneer de indiener van de bouwaanvraag geen parkeergelegenheid op eigen terrein kan realiseren,

moet eerst gezocht worden naar alternatieven. Parkeerruimte kan gevonden worden in buurtstallingen, garages of privéstallingen in de directe nabijheid. Als voorwaarde geldt hierbij, dat de

parkeervoorziening niet in gebruik mag zijn voor een andere ontwikkeling. De loopafstand tot het object speelt hierbij een rol. In de binnenstad met schaarse ruimte worden langere loopafstanden geaccepteerd dan in het schil/overloop gebied en de rest bebouwde kom.

30/48

Als maat voor een situatie van de parkeerplaatsen ten opzichte van de functies kan de acceptabele

loopafstand tussen parkeerplaatsen met bestemmingsadres dienen. De acceptatie van de loopafstand hangt af van de parkeerduur en van het motief van het bezoek aan het bestemmingsadres. Deze

loopafstand moet niet worden verward met de straal voor invoering van betaald parkeren. Voor de

verschillende hoofdfuncties (zoals beschreven in artikel 5) wordt rekening gehouden met de volgende maximale loopafstanden:

Binnenstad / centrum

Schil/overloopgebied & Rest bebouwde kom

Wonen (§ 2.3.1)

400 meter

100 meter

Werken (§ 2.3.2)

750 meter

500 meter

Winkelen en boodschappen (§ 2.3.3)

600 meter

400 meter

Horeca (§ 2.3.4)

600 meter

250 meter

Sport, cultuur en ontspanning (§ 2.3.5)

600 meter

400 meter

Gezondheidszorg (§ 2.3.6)

150 meter

100 meter

Onderwijs(§ 2.3.7)

400 meter

100 meter

Overig

600 meter

400 meter

Tabel 10 Loopafstanden per functie

Deze afstanden gelden voor de kortste looproute over de openbare weg van ingang van het pand tot aan de parkeerplaats of ingang van de parkeervoorzieningen. Dit geldt zowel bij realisatie van

parkeergelegenheid op eigen terrein als bij gebruik van een collectieve voorziening in de omgeving, Deze loopafstanden worden ook gehanteerd voor parkeeronderzoeken.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen met een deels autoluwe inrichtingen waarbij bewoners in collectieve voorzieningen aan de rand van de betreffende wijk parkeren, wordt per plan bekeken of de gehanteerde loopafstand acceptabel is.

Stap d: parkeren in de openbare ruimte Wanneer is aangetoond dat er geen alternatieve parkeermogelijkheden zijn, zoals verwoord onder bij

stap c, is parkeren in de openbare ruimte mogelijk (parkeerterrein, op straat). Dit kan echter alleen als er nog voldoende ruimte op een parkeerterrein of op de openbare weg aanwezig is. Zie bijlage 1 voor de wijze waarop dit moet worden onderbouwd.

Als grens van de beschikbare parkeercapaciteit wordt een bezettingspercentage van 85% gehanteerd. Of wel: 85% van de beschikbare parkeercapaciteit mag bezet zijn. De overige 15% is nodig voor het opvangen van “zoekverkeer” (verkeer dat zoekt naar een parkeerplaats) en groei van het autobezit.

Voor Kiss&Ride bij scholen geldt de 85%-grens niet. Het gaat hierbij namelijk om zeer kortstondige

pieken, dat er tijdelijk wel 100% bezetting mogelijk is. De initiatiefnemer moet aantonen, door middel van een parkeeronderzoek, dat in de onder stap c genoemde loopafstanden rondom zijn

planontwikkeling voldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte aanwezig is. Dit moet met de 31/48

omgevingsaanvraag worden meegeleverd. De inspanningsverplichting voor het onderzoek ligt bij de

ontwikkelaar. De afkoopregeling van het niet kunnen realiseren van parkeren op eigen terrein is hier nog steeds van toepassing.

In de binnenstad is de parkeerdruk vrijwel altijd boven de 85%. In de binnenstad is het daarom niet mogelijk om extra parkeerdruk in de openbare ruimte af te wikkelen.

Stap e: afwijking parkeereis Het College kan in bijzondere gevallen op individuele gronden en het in het geval van een bijzonder

gemeentelijk belang , besluiten om af te wijken van de vigerende parkeerregels/normen (zie artikel 7). Het is mogelijk dat een planontwikkeling gerealiseerd wordt, zonder dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Tevens kan door het College besloten worden af te zien van een bijdrage in het bereikbaarheidsfonds.

In gebieden waar parkeerregulering geldt, kunnen bewoners dan geen parkeervergunning en een bezoekersvergunning aanvragen. Zij kunnen dan, indien zij dat willen, een abonnement in een parkeergarage afsluiten.

Artikel 5. Dubbelgebruik BELEIDSREGEL 6: Bij het bepalen van de autoparkeereis wordt gebruik gemaakt van de

aanwezigheidspercentages zoals opgenomen in tabel 2. Een initiatiefnemer moet de maatgevende parkeerbehoefte middels een parkeerbalans onderbouwen.

Indien binnen de ontwikkeling verschillende functies worden gerealiseerd (bijvoorbeeld wonen en

werken of wonen en horeca) moet bij het bepalen van de parkeereis rekening worden gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen door deze functies. De oplossing moet wel duurzaam zijn. Dat

betekent bijvoorbeeld dat bij toepassing van parkeren op afstand de parkeervoorziening zich op een acceptabele loopafstand van de functie bevindt. In tabel 10 zijn de acceptabele loopafstanden per

functie weergegeven. Als een woning wordt verkocht c.q. de huur wordt opgezegd, dan geldt dat ook voor de bij de woning behorende parkeerplaats. Toepassing van dubbelgebruik kan nooit leiden tot een totale parkeerbehoefte die lager is dat de parkeerbehoefte van de functie met de hoogste

parkeerbehoefte. Bewoners en hun bezoek zijn in deze geen verschillende functies; hier is geen dubbelgebruik mogelijk zonder aanvullende functies.

Het berekenen van de mate van dubbelgebruik geschiedt op basis van parkeernormen en

aanwezigheidspercentages op maatgevende momenten. Indien er geen aantoonbaar betere aanwezigheidspercentages uit de praktijk voor handen zijn, worden onderstaande aanwezigheidspercentages gebruikt.

Het geeft het percentage gebruikte parkeerplaatsen weer bij een bepaalde functie op een bepaald

moment; het zogenaamde ‘aanwezigheidspercentage’. De tabel moet als volgt worden gelezen. Als er bij de functie ‘woningen bewoners’ normatief 100 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd, zijn er op een werkdag overdag 50 in gebruik; op een werkdag avond 90 et cetera.

Werkdag ochtend

Werkda g

middag

Werkda

g avond

nacht

Koopavon d

Zaterda g

middag

Zaterda

g avond

Zondag

middag

32/48

woningen

50%

50%

90%

100%

80%

60%

80%

70%

woningen

10%

20%

80%

0%

70%

60%

80%

70%

kantoor/bedrijve

100%

100%

5%

0%

5%

0%

0%

0%

commerciële

100%

100%

5%

0%

75%

0%

0%

0%

detailhandel

30%

60%

10%

0%

75%

100%

0%

0% (***)

grootschalige

30%

60%

70%

0%

80%

100%

0%

0% (***)

supermarkt

30%

60%

40%

0%

80%

100%

40%

0% (***)

sportfuncties

50%

50%

100%

0%

100%

100%

100%

75%

sportfunctie

25%

25%

50%

0%

50%

100%

25%

100%

bioscoop/theate

5%

25%

90%

0%

90%

40%

100%

40%

sociaal medisch

100%

75%

10%

0%

10%

10%

10%

10%

verpleeghuis

100%

100%

50%

25%

50%

100%

100%

100%

ziekenhuis

60%

100%

60%

5%

60%

60%

60%

60%

ziekenhuismede

75%

100%

40%

25%

40%

40%

40%

40%

dagonderwijs

100%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

avondonderwijs

0%

0%

100%

0%

100%

0%

0%

0%

bewoners

bezoekers

n

dienstverlening

detailhandel

binnen

buiten

r/podium

patiënten/bezoe kers

werkers

Tabel 11. Aanwezigheidspercentage per functie en deel van de week (***) indien koopzondag 100%

Bovenstaande percentages worden toegepast wanneer minimaal twee functies gebruik kunnen maken

van dezelfde openbare parkeervoorziening. Hierbij gaat het om de mate waarin een parkeervoorziening afwisselend door bewoners of hun bezoekers of werknemers of de bezoekers van kantoren, bedrijven, winkels en andere commerciële voorzieningen kunnen worden gebruikt. Deze uitwisselbaarheid van

33/48

parkeerplaatsen zorgt ervoor dat de openbare ruimte efficiënt wordt benut. Voor functies die niet

vermeld staan in bovenstaande tabel dient een zo goed mogelijke inschatting te worden gemaakt van

de aanwezigheid op basis van een vergelijkbare functie (horeca bijvoorbeeld op basis van bioscoop), of worden uitgegaan van (door de initiatiefnemer aan te leveren) ervaringscijfers van een vergelijkbaar project elders in het land.

Artikel 6. Bijzondere gevallen Er kunnen redenen zijn om toch af te zien van de plicht tot het realiseren van parkeervoorzieningen.

Het gaat hierbij dus om ontwikkelingen met een bijzonder gemeentelijk belang. Het College heeft dan de mogelijkheid om af te wijken. Het gaat hierbij om de volgende situaties:

Problemen op eigen terrein De parkeernormen moeten niet leiden tot “problemen” op eigen terrein. Er is een trend waarbij het

aantal woningen, binnen het bouwvolume dat het bestemmingsplan mogelijk maakt, gemaximaliseerd

wordt (kleine studio’s of wooneenheden). De eis om het parkeren op eigen terrein op te lossen, leidt er dan vaak toe dat de volledige beschikbare grond rondom het gebouw ingezet wordt voor parkeren. Deze intensivering leidt tot ruimtelijk ongewenste situaties en aantasting van de woonkwaliteit, bijvoorbeeld verstoring van rust in achtertuinen en opoffering van groen voor verharding.

Bij de beoordeling van een plan dient niet alleen voldaan te worden aan de parkeernorm, maar dient

ook een afweging in ruimtelijke aanvaardbaarheid gemaakt te worden. Dit kan leiden tot een plan met een aanvaardbare parkeeroplossing in de openbare ruimte, of een verkleining van het

bouwprogramma. Binnen de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Nijmegen wordt de afweging van de ruimtelijke aanvaardbaarheid onderbouwd. Daarnaast is het ook niet wenselijk dat het

programma overvraagd wordt en dat het parkeren juist niet wordt opgelost op eigen terrein. Het

programma voor de locatie is dan dermate groot dat er geen ruimte meer overblijft voor parkeren op eigen terrein. Dit is niet ruimtelijk aanvaardbaar.

Wonen boven winkels: Wonen boven winkels, kantoren, horeca, detailhandel en commerciële functies: dit geldt alleen voor de binnenstad (zie kaart 1). Als er geen verandering in het aantal m2 bruto vloeroppervlak (m2 bvo) is, dan hoeft niet te worden voldaan aan de parkeernormen en er is geen bijdrage nodig aan het

bereikbaarheidsfonds. Als er wel een uitbreiding van het aantal m2 bvo’s is, dan gelden hiervoor de

parkeernormen. Aan het aandeel bezoekers (0,3 parkeerplaatsen) hoeft niet te worden voldaan. Deze kan worden opgelost in de bestaande parkeergarages.

Kleine woningen in de binnenstad (< 50 m2 GO): De parkeernorm in de binnenstad (zie kaart 1) kan worden losgelaten voor kleine woningen (<50 m² GO): in de binnenstad is het mogelijk om in plaats van het realiseren van parkeerplaatsen op ‘eigen terrein’ fietsstallingsvoorzieningen te realiseren. Dit geldt voor appartementen/woningen onder de

50m² GO. Per niet gerealiseerde parkeerplaats moeten dan minimaal 2 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit boven op de al verplichte berging volgens het Bouwbesluit. Bewoners van die

specifieke woningen hebben geen recht op een parkeervergunning. Wel kunnen ze een abonnement

nemen in één van de garages. Kan de fietsvoorziening niet op eigen terrein worden gerealiseerd, dan mag er een alternatief binnen maximaal 30 meter loopafstand vanaf de hoofdingang worden

34/48

gerealiseerd. Dit alternatief moet inpandig, zeer gemakkelijk toegankelijk, bruikbaar en sociaal veilig zijn. Voldaan moet worden aan de minimale maten van het Bouwbesluit.

Tijdelijk Anders Gebruiken (TAG): Bij tijdelijk anders gebruiken wordt er tijdelijk toegestaan dat een andere functie in een pand of op

braakliggende percelen (bv. van landbouwgrond naar speeltuin) wordt gevestigd. Omdat het hier vaak gaat om initiatieven die met beperkte middelen bedrijvigheid willen opstarten moet goed gekeken

worden naar de te hanteren parkeernorm. Maatwerk is hier belangrijk en goed mogelijk. Als de nieuwe parkeereis meer dan 10 plaatsen afwijkt van de oude parkeereis, dan wordt door de gemeente

beoordeelt of het mogelijk is om het initiatief door te laten gaan. De aanvrager hiervoor een onderzoek verrichten naar een oplossing/alternatief. Bij een verschil van minder dan 10 parkeerplaatsen kan worden afgeweken van de regels.

Een bestaand pand kent al een parkeernorm en parkeerbehoefte, dus daar wordt eerst naar gekeken. Het maatschappelijk en gemeentelijk belang staat bij ‘tijdelijk ander gebruik’ voorop, daardoor kan worden afgeweken van de parkeernormen. Dit kan alleen gedurende de periode dat tijdelijk anders gebruiken is toegestaan. Wordt de functie uiteindelijk permanent, dan moet een wijziging van het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7e957212-c751-4c5a-b887-15c3867f654f