Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3_Regels_Bijlagen
Tekst van het document
bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek TunnelwegKoninginnelaan) Bijlagen bij de regels Versie: vastgesteld
Colofon bestemmingsplan
Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek TunnelwegKoninginnelaan) IDN: NL.IMRO.0268.BP5503-VG01 Gemeente Nijmegen
Bureau Ruimtelijke Planvorming Korte Nieuwstraat 6 6511 PP Nijmegen www.nijmegen.nl
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
Staat van bedrijvigheid (toelichting)
Bijlage 2
Staat van bedrijvigheid
Bijlage 3
Beleidsregels Parkeren
Bijlage 4 stationsgebied
Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen westerkwartier
Bijlage 5
AMZ-cyclus
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
1
Bijlage 1 Staat van bedrijvigheid (toelichting) Algemeen Een goede ruimtelijke ordening omvat ook het zoveel als mogelijk voorkomen van hinder en gevaar voor kwetsbare bestemmingen door milieubelastende activiteiten. Dit kan onder meer worden bereikt door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten en hiervoor gevoelige functies. In de ruimtelijke ordening wordt dan ook gewerkt met "milieuzonering", die het mogelijk maakt om enerzijds hinder en gevaar voor alle betrokkenen te voorkomen en waarmee het anderzijds ook voor bedrijven mogelijk wordt gemaakt om zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Toepassing milieuzonering Sinds 1986 geeft de vereniging van Nederlandse Gemeenten een brochure uit over bedrijven en milieuzonering. Doel van deze brochure "Bedrijven en Milieuzonering" (verder: "de VNG-brochure") was, en is nog steeds, het bieden van een op de praktijk van de ruimtelijke planvorming gerichte handreiking voor maatwerk op lokaal niveau. De, in de tijd steeds geactualiseerde, VNG-brochure, is in Nederland inmiddels uitgegroeid tot het meest toegepaste en geaccepteerde hulpmiddel, om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen, concreet voor een locatie, in te vullen. Ook voor de toepassing van milieuzonering in dit plan wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure (editie 2009).
Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het vestigen van nieuwe bedrijven. De uitgangspunten met betrekking tot nieuwe bedrijfsvestigingen, maar ook nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijvigheid, worden in dit bestemmingsplan bepaald aan de hand van de methodiek zoals omschreven in de VNG- brochure. Hierbij wordt in principe een "milieuzone" aangehouden tussen bedrijvigheid en "gevoelige objecten". De omvang van deze milieuzone is enerzijds afhankelijk van de mogelijke milieubelasting veroorzaakt door de soort bedrijvigheid, en anderzijds van de omgeving waarbinnen het gevoelige object is gelegen. Deze "VNG-methodiek" vereist uiteraard enige toelichting. milieubelasting De potentiële milieubelasting veroorzaakt door een bepaalde vorm van bedrijvigheid wordt in de VNG-brochure per bedrijfstype bepaald in de bedrijvenlijst, in de VNG-brochure opgenomen als bijlage 1. De als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen Staat van Bedrijvigheid (verder: SvB), is een verbijzonderde afgeleide van deze bijlage 1 van de VNG-brochure.
De SvB is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijvigheid (naar hoofdcategorieën), al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal milieucategorieën, veelal direct overgenomen uit de VNG-publicatie, waarbij afwijkingen, hieronder in deze toelichting, nader worden verduidelijkt. De SvB is in zijn algemeenheid een categorale indeling, waarbij per bedrijfscategorie de mate van milieu-hygiënische hinderlijkheid, aan de hand van een aantal indicatoren (o.a. geur, gevaar, geluid, stof ), wordt aangegeven. In de SvB behorende bij dit bestemmingsplan zijn slechts drie milieuhinder-categorieën opgenomen: 1, 2 en 3.1. Hiervoor gelden specifieke milieuzones,
waarvan de straal wordt gegeven in door de zgn. "richtafstanden". Voor de genoemde milieuhinder-categorieën gelden richtafstanden van respectievelijk 10, 30 en 50 meter. Categorie 1 en 2 betreffen bedrijvigheid die wellicht toelaatbaar is tussen of soms zelfs onmiddellijk naast woonbebouwing. Categorie 3.1 betreft in principe kleine tot (middel)grote industrie. Deze categorie betreft activiteiten die slechts toelaatbaar zijn op afstand van woonbebouwing. De omgeving De in de SvB genoemde richtafstanden gelden in principe ten opzichte van een rustige woonwijk. De ervaren hinderlijkheid van bepaalde activiteiten hangt echter sterk samen met de reeds aanwezige belasting van de betreffende milieuaspecten. In bepaalde wijken heerst dan ook al een woon- en leefklimaat waar, zonder dat dit de kwaliteit van de leefomgeving aantast, in principe ook zwaardere bedrijvigheid kan worden toegelaten. In dit soort wijken geldt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik niet wenselijk is om de functiescheiding zo ver mogelijk door te voeren. Op grond van dit alles onderscheidt men in de VNG-brochure, al vanaf de eerste publicatie, een tweetal omgevingstypen ('rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'), waarvoor verschillende richtafstanden gelden.
Volgens de VNG-brochure kunnen de richtafstanden voor een 'rustige woonwijk', zonder dat dit ten koste gaat van het bestaande woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Dit betekent dat voor de in deze SvB toegestane hindercategorieën 1, 2 en 3.1, in de gemengde gebieden afstanden gelden van resp. 0, 10 en 30 meter. Deze "verkleining van de milieuzones" is overigens alleen mogelijk bij die milieuaspecten waarvan de ervaren hinderlijkheid wordt bepaald door de heersende achtergrondniveaus, zoals het geval is bij geluid of geur. Wanneer de richtwaarde voor gevaar (externe veiligheid) bepalend is voor de aan te houden afstand tussen bedrijvigheid en gevoelig object, is het uiteraard niet mogelijk om de milieuzone op deze manier te verkleinen. Gemotiveerd toepassen (functiemengingsgebieden) De toepassing van milieuzones en richtafstanden ten opzichte van de verschillende omgevingstypen, zoals een rustige woonwijk of gemengd gebied, gaat uit van het principe van functiescheiding.
Binnen bepaalde woongebieden bestaat echter van oudsher reeds een matige tot sterke functiemenging, waar milieubelastende en milieugevoelige functies op dusdanig korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, dat de richtafstanden (en dus functiescheiding) niet goed toepasbaar zijn, zonder dat hiermee ook het karakter van het gebied (ongewild) wordt aangetast. Daarnaast blijkt dat de door de aanwezige bedrijvigheid optredende overlast, door de betrokken aanwonenden, ook niet zozeer als hinderlijk wordt ervaren. Deze (niet als zodanig ervaren) milieuhinder wordt, binnen zekere grenzen (uiteraard wordt de mate van overlast wel begrensd door de milieuregelgeving), in deze gebieden ook geaccepteerd als de consequentie van het leven in een levendig gebied met functiemenging. Functiemenging wordt in deze gebieden, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra en horecaconcentratiegebieden, dan ook welbewust nagestreefd en conflicteert hier dus met het principe van milieuzonering. De onderkenning van dit dilemma was de belangrijkste wijziging in het principe van milieuzonering zoals omschreven in de VNG-brochure van 2007. In deze publicatie werd dan ook voor het eerst een zoneringslijst opgesteld voor gebieden met functiemenging (bijlage 4 van de VNG-brochure). Een voor de VNG-brochure nieuwe omgevingscategorie, naast de al in eerdere publicaties omschreven "rustige woonwijk" en
2
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
"gemengd gebied". In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie, ruimtelijk relevante, milieucategorieën: categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijvigheid zijn daarbij toereikend. Gebouwen zijn aanpandig indien zij constructief aan elkaar zijn gebouwd, waardoor contactgeluid via een constructieve verbinding mogelijk is; categorie B: activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Gebouwen zijn bouwkundig afgescheiden indien er sprake is van zelfstandige bouwkundige eenheden, die in constructief en functioneel opzicht te onderscheiden zijn (201303879/1/A2); categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder categorie B, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
In paragraaf 4.4 van de toelichting van dit bestemmingsplan is aangegeven welke wegen in het plangebied als gebiedsontsluitingswegen worden gezien. Deze gebiedsontsluitingswegen vormen de hoofdinfrastructuur waarlangs categorie C bedrijven kunnen worden toegestaan. Deze bedrijven kunnen direct of indirect (via een zijweg) zijn ontsloten op een gebiedsontsluitingsweg. Het is daarbij van belang dat er geen verkeershinder voor de omgeving plaatsvindt. Deze beoordeling geldt dus alleen voor als zodanig aangewezen gebieden met functiemenging. Buiten deze gebieden worden al deze bedrijven "gewoon" beoordeeld aan de hand van de in de VNG-brochure omschreven methodiek voor milieuzonering. Bijvoorbeeld een werkplaats waar kleding van leer gemaakt wordt, dient buiten de bovengenoemde aangewezen gebieden voor functiemenging, een minimale afstand van 30 meter in een woongebied en 10 meter in een gemengd gebied, aan te houden tot milieugevoelige objecten. Voor de duidelijkheid moet dan wel worden opgemerkt dat wat betreft de mate van overlast die een bedrijf mag veroorzaken naar gevoelige objecten (veelal genormeerd via het Activiteitenbesluit), geen verschil bestaat tussen een gebied met functiemenging en de andere woongebieden.
Wel zal het bevoegde gezag in functiemengingsgebieden gemakkelijker aan mogen nemen dat een bepaalde bedrijfsfunctie uit de A-, B- of C- categorie, past binnen een beoogde bestemming, zonder dat hiervoor diverse milieuonderzoeken moeten worden opgevraagd omdat niet wordt voldaan aan een bepaalde minimale afstand. Uiteraard geldt dit beleid niet voor alle bedrijfstypen. In een gebied met functiemenging wordt uiteraard niet beoogd om ruimte te maken voor een groot transportbedrijf of chemische fabriek, maar biedt de VNG-brochure een afwegingskader voor de soorten van bedrijvigheid waar functiemenging voor mogelijk is. Dit afwegingskader is ook toegepast bij de SvB, behorend bij dit bestemmingsplan: categorie A voor activiteiten in milieucategorie 1; categorie B voor activiteiten maximaal in categorie 1 voor wat betreft aspect gevaar; categorie 2 voor stof en geur; categorie 3.1 voor geluid met een index van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen); categorie C, als categorie B, maar met een maximale index van 2G (goederen) en 3P (personen).
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
3
Bovendien geldt de functiemenging-mogelijkheid niet voor alle bedrijven in een bepaalde bedrijfscategorie. Aangesloten wordt ook hier bij de VNG-brochure, waarin voor de toelaatbaarheid van de verschillende activiteiten, de volgende randvoorwaarden worden gegeven: 1. 2. 3. 4.
het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/ of laad en losactiviteiten vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten, inclusief opslag, geschieden hoofdzakelijk inpandig; de activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
Deze randvoorwaarden hebben als consequentie dat bepaalde gelijksoortige typen van milieubelastende activiteiten, juist in een gebied waar functiemenging wordt nagestreefd, toch volledig anders beoordeeld moeten worden. Bijvoorbeeld een school met een schoolplein kan dan op grond van de derde voorwaarde niet worden gezien als een type B activiteit. Milieuzonering blijft hier dus aangewezen, waardoor categorie 2 van toepassing blijft. Dit terwijl een school zonder schoolplein (of een schoolplein met een aantoonbaar ondergeschikte functie) in een functiemenging-gebied juist wel moet worden gezien als type B, conform de SvB. Het gaat immers, conform de jurisprudentie dienaangaande, bij de beoordeling om datgene wat "in hoofdzaak" plaats vindt bij een milieubelastende activiteit. Met andere woorden; het gaat hier om datgene wat in hoofdzaak milieubelastend is (in casu: het schoolplein). De acceptatie van het principe van functiemenging heeft er toe geleid dat de toepassing van de VNG-brochure in de bestemmingsplanpraktijk vanaf 2007 in plaats van het "gemotiveerd afwijken" als nieuw uitgangspunt het "gemotiveerd toepassen" heeft kozen. In de VNG-brochure (p.40) zelf wordt hierover opgemerkt: "Er kan naar keuze gebruik worden gemaakt van meerdere lijsten, voor de inpassing van activiteiten in gemengd gebied zijn de milieucategorieën A, B en C opgenomen [...].
Na vaststelling van de lijsten in het bestemmingsplan is bij afwijkingen uiteraard een zorgvuldige motivering nodig." Gemotiveerd afwijken De VNG-brochure is bedoeld als hulpmiddel en niet als blauwdruk. Ook wanneer functiemenging niet aan de orde is, laat jurisprudentie zien dat, van de brochure kan/moet worden afgeweken wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat, ondanks het voldoen aan de in de VNG-brochure genoemde richtafstanden, de bedrijfsvoering door nieuwe ontwikkelingen in sommige gevallen toch wordt beperkt. Of omgekeerd kan het ook aan de orde zijn dat een goed woon- en leefklimaat bij kleinere afstanden juist wel kan worden gewaarborgd. Belangrijke voorwaarde hierbij is echter wel dat aan dergelijke afwegingen een zeer gedegen nader onderzoek ten grondslag moet liggen. Er kan dus "mits zorgvuldig gemotiveerd", ook worden afgeweken van de in de VNG-brochure genoemde richtafstanden voor functiescheiding. Hierbij dienen ook de mogelijke (toekomstige) gevolgen voor het woon- en leefmilieu, toch al direct te worden meegewogen in de belangenafweging. De Raad van State meent dat een bevoegd gezag zich reeds bij de bestemmingsplanprocedure een oordeel dient te vormen of, uitgaande van de "representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden", geen onoverkomelijke problemen zijn te verwachten.
Hierdoor kan de belangenafweging dienaangaande ook niet worden doorgeschoven naar de Wabo- (milieu)vergunningverlening (o.a. ABRvS 200408416/1, Zaanstad). Bestemmingsplannen mogen immers geen bestemmingen bevatten die niet kunnen worden gerealiseerd omdat bij voorbaat al vaststaat dat niet aan de milieueisen kan worden voldaan. Vooralsnog valt uit de jurisprudentie nog niet eenduidig af te leiden wat dan de toetsingsgrondslag van deze nadere motivatie zou moeten zijn. Waarschijnlijk is dat hiervoor het Activiteitenbesluit kan worden gebruikt. Het Activiteitenbesluit is een algemene maatregel
4
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
van bestuur waarin regels zijn opgenomen die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen van bedrijfsactiviteiten, die gelden voor de overgrote meerderheid van de bedrijven in Nederland. De normen die het activiteitenbesluit bevat, hebben in principe geen 'omgekeerde werking', het bevat dus geen normen voor een 'redelijk woon- en leefklimaat' voor milieugevoelige functies. Het bestemmingsplan, dan wel een besluit tot afwijking daarvan, blijft hierdoor het middel om een woon- en leefklimaat van omwonende te beschermen (o.a. ABRvS 201302600/1/A1, Lingewaard). Toch kent de bestuursrechter in de praktijk al wel degelijk een omgekeerde werking toe aan de normen van het Activiteitenbesluit. Wanneer een bedrijf, door bijvoorbeeld nieuwvestiging van een woning, niet meer aan de normen van het Activiteitenbesluit zou kunnen voldoen, wordt het bestemmingsplan geacht niet meer te voldoen aan het uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening. Dit vanuit de gedachte dat indien aan het Activiteitenbesluit wordt voldaan, er in beginsel sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Of er bij vestiging van milieubelastende functies in een bestemmingsplan een redelijk woon- en leefklimaat aan milieugevoelige functies wordt geboden, wordt dus, zoals hierboven al uitgewerkt, in beginsel bepaald aan de hand van de richtafstanden, of mogelijkheid tot functiemenging, als omschreven in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Ook toekomstige ontwikkelingen worden dan geacht te zijn meegewogen. Wanneer aan de VNG-richtafstand, of voorwaarde voor functiemenging, wordt voldaan, dan hoeft er dus in principe geen toets meer aan het Activiteitenbesluit, of (soms) vigerende vergunning, plaats te vinden. Uiteraard geldt hiervoor wel de uitzondering dat, wanneer (onderbouwd) aannemelijk wordt gemaakt dat de criteria van de VNG-brochure in het concrete geval niet volstaan, nader onderzoek noodzakelijk is. Wanneer de richtafstand echter groter is dan in een voorliggende situatie kan worden gehaald, of wanneer niet aan de criteria voor functiemenging kan worden voldaan, is bedrijfsvestiging toch nog steeds niet helemaal uitgesloten. Dit omdat, door middel van een algemene afwijkingsbevoegdheid, ook de mogelijkheid geboden wordt, om van de, op de VNG-brochure gebaseerde, SvB af te wijken. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt ook voor bedrijfssoorten die niet op de lijst voorkomen en/of voor bedrijven uit een hogere milieuhindercategorie dan het bestemmingsplan toelaat.
Uiteraard dient hieraan wel een zorgvuldige motivering, in de bovenstaande zin, ten grondslag te liggen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij kwetsbare bestemmingen worden gerealiseerd, dient ook rekening te worden gehouden met de milieuzones rondom de bedrijven. Ook hier geldt dat bij inachtneming van de VNG-criteria in principe geen nader onderzoek noodzakelijk is. Maar net zoals bedrijven soms kunnen worden gerealiseerd op kortere afstanden dan volgens de VNG-richtlijnafstanden wenselijk is, kunnen omgekeerd ook woningen op geringere afstanden dan de richtafstanden toelaatbaar zijn, wanneer het betreffende bedrijf enerzijds geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft (wanneer er dus aannemelijk wordt gemaakt dat wordt uitgegaan van de "representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden") en er anderzijds sprake is van een "goed woon- en leefklimaat" ter plaatse van de geprojecteerde nieuwbouw. Of deze situatie zich inderdaad voordoet, kan worden beoordeeld aan de hand van het aanvullend toetsingskader, zoals opgenomen in bijlage 5 van de VNG-brochure. De jurisprudentie laat hierbij echter zien dat aan de normstelling van het Activiteitenbesluit de plaats toekomt die de VNG-brochure reserveert voor haar eigen normstelling in het "Toetsingskader voor ontheffingen en planherzieningen".
De gemeente Nijmegen zoekt dan ook bij de toepassing van dit VNG-toetsingskader aansluiting bij de jurisprudentie. De verbijzonderde Staat van Bedrijvigheid De keuze voor de bovenstaande wijze van milieuzonering betekent tevens dat, anders dan in
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
5
voorgaande bestemmingsplannen van de gemeente Nijmegen, ook detailhandel, dienstverlening, kantoren, sport, maatschappelijke, culturele en recreatieve functies zijn onderworpen aan de VNG-methodiek. Het doel hiervan is om duidelijkheid en rechtszekerheid ten aanzien van deze functies, met een vaak grote maatschappelijke impact, te verschaffen. De SvB is dan ook gemodelleerd in deze zin. De SvB van dit bestemmingsplan wijkt dan ook op enkele onderdelen af van de bedrijvenlijst van bijlage 1 van de VNG-publicatie. Allereerst valt qua vormgeving op dat, anders dan in de VNG-brochure (bijlage 1 van de VNG-brochure volgt de SBI-indeling), de indeling van de methodiek van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), is aangehouden. Hierbinnen werden vervolgens de verschillende functies en hoofdgroepen van de VNG-brochure (inclusief code) ingebracht. Tevens is aangegeven of de betreffende categorie in aanmerking komt voor functiemenging en zo ja, welk type (A, B of C) van toepassing is. Bijlage I van de VNG-brochure kan worden gezien als een samenvatting en tevens uitwerking van de door het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) uitgewerkte "Index per klasse bij de SBI 2008" (het bestand: sbi2008versie2012indexperklasse.xls; verder: "de CBS-lijst").
Voor zover niet geheel duidelijk is of een concreet bedrijf te plaatsen is in een bepaalde bedrijfscategorie van SvB, is er in dit bestemmingsplan voor gekozen om de (veel gedetailleerder) indeling uit de CBS-lijst uit 2012 bepalend te laten zijn. Om hierover echter onduidelijkheid te voorkomen, is dan ook bij ieder met name genoemd bedrijf de meer gedetailleerdere SBI-code van de CBS-lijst opgenomen, terwijl bij de omschrijving toch is aangesloten bij de Bijlage I van de VNG-brochure, waardoor de betreffende categorie-indeling van het specifieke bedrijf toch duidelijk te herleiden is. Daarnaast zijn er enkele inhoudelijke wijzigingen, die in het onderstaande puntsgewijs zullen worden toegelicht: in de lijn van het gestelde in de casus ABRvS 200004956/1 (Amsterdam) en de aanbevelingen dienaangaande in de VNG-brochure, zijn, gelet op de karakteristieken van het plangebied, in de SvB alleen bedrijven ondergebracht tot en met milieucategorie 3.1; gelet op het karakter van de omgeving zijn agrarische bedrijven, evenals dienstverlenende bedrijven in deze sector, niet opgenomen in de SvB. In aansluiting met de SVBP2012 hebben kantoren een eigen hoofdcategorie (sub D) gekregen, waarbinnen de diverse kantoor-aanduidingen in de VNG-brochure zijn ondergebracht.
Het betreft hier kantoren zonder overwegende baliefunctie, waarvan de grootte in principe dus bepalend is voor de te verwachten milieuhinder. Kantoren met (overwegende) baliefunctie zijn gerangschikt onder de categorie dienstverlening; ten opzichte van de VNG-publicatie is gekozen voor een afwijkende beoordeling van de hinderaspecten die samen hangen met autohandel- en reparatiebedrijven, benzinestations en aanverwante bedrijven. Gebleken is dat de overlast ten aanzien van "reparaties waarbij de garagedeuren niet zijn gesloten" of "buitenreparaties" in de woonbebouwing vooral 's zomers tot grote problemen kan leiden. Dit terwijl de opslag van brandstoffen en olieachtige producten op zichzelf voor ongewenste risico's zorgen, waardoor wij van mening zijn dat nieuw vestiging in woongebieden in principe niet gewenst is. Daarnaast zijn het naar onze mening niet alleen de bedrijfsprocessen zelf die in dit verband als risicovol moeten worden beoordeeld, maar ook de frequente verkeersbewegingen van en naar dit soort bedrijven, ook met motorvoertuigen die niet optimaal functioneren (en daarom voor onderhoudsbeurten of ter reparatie worden aangeboden).
De bedrijfstypen met SBI-2008 codes 45 en 473 zijn dan ook niet opgenomen in de SvB voor dit gebied; vergelijkbare overwegingen hebben bij bedrijfstypen die in de VNG-brochure zijn gerangschikt onder SBI-2008 code 4752 (bouwmarkten, tuincentra en hypermarkten), SBI-code 82992 (veilingen voor huisraad, kunst e.d.) en SBI-code 47.1 (supermarkten, warenhuizen) waar een potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking vanuit gaat (als bedoeld in categorie 2P, blz 83 van de VNG-brochure), er voor gezorgd dat deze niet zijn
6
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
opgenomen, dan wel zijn uitgezonderd in de SvB; in relatie tot de systematiek die bij dit bestemmingsplan ten aanzien van de categorie-indeling wordt gehanteerd, kon echter niet worden volstaan met het simpelweg niet benoemen van de bovenbedoelde detailhandel, die als categorie 2 hinderlijk wordt beschouwd in de VNG-brochure. Dit omdat dit type bedrijven dan via de restcategorie 47: "Detailhandel voor zover n.e.g." toch positief bestemd zou worden. Dit is opgelost door te verwijzen naar categorie 47.5/47.7 Winkels in overige (huishoudelijke) artikelen, excl. bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten (cat.2), waarmee deze uitzondering expliciet is gemaakt. Ook supermarkten en warenhuizen, beide met een verkeersbelasting 2P, zijn uitgezonderd door te verwijzen de SBI-categorieën 47.11 en 47.19.2, waarbij deze vormen van detailhandel expliciet zijn uitgezonderd.
Op basis van de hiermee opgedane ervaringen is de methodiek van de "Staat van horeca-activiteiten (model Nijmegen)" gehandhaafd. Deze horeca-activiteiten zijn nu weliswaar ook ondergebracht in de SvB, maar er worden nog steeds in de in de volgende drie categorieën onderscheiden:
Categorie 1: lichte horeca Dit betreft bedrijven die in beginsel alleen overdag en 's avonds geopend zijn en slechts in beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Hierbij gaat het vooral over (kleinschalige): restaurants, cafetaria's, ijssalons, koffiebars en dergelijke. Bedrijven van deze categorie met openingstijden uitsluitend in de dagperiode zijn geplaatst in categorie A. Bedrijven met avondopenstelling zijn ondergebracht in categorie B. Dit komt overeen met categorie 1 en 2 bij milieuzonering.
Categorie 2: middelzware horeca Onder categorie 2 vallen de volgende bedrijven: bedrijven die grotere hinder kunnen veroorzaken voor omwonenden door de ruime openingstijden (ook 's nachts). Hierbij kan worden gedacht aan café's en bars zonder al te zware muziekbelasting, taveernes, cocktailbars, etc. Deze bedrijven zijn over het algemeen passend binnen weinig gevoelige gebieden, zoals centrumgebieden met primair een functie voor detailhandel en voorzieningen. Het zijn bedrijven die passen binnen type B, of categorie 3.1 bij functiescheiding; bedrijven met een relatief grote verkeersaantrekkende werking: grotere restaurants, grotere hotels e.d. maar ook restaurants met een potentieel zeer hinderlijke haal- en brengservice. Deze bedrijven zijn vooral toelaatbaar langs de hoofdinfrastructuur. Dit zijn bij uitstek de categorie C bedrijven.
Categorie 3: zware horeca Bedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts zijn geopend en tevens een groot aantal bezoekers (verkeer) aantrekken, hetgeen grote hinder voor de omgeving met zich mee kan brengen, zoals: dancings, discotheken en partycentra. Gelet op het aantal incidenten wat bij dit type bedrijven heeft plaatsgevonden de afgelopen jaren, blijkt aan de aanwezigheid van dergelijke bedrijven ook meer risico's verbonden dan tot uiting komt in de VNG-brochure. Deze bedrijven zijn naar onze mening dan ook alleen toelaatbaar in specifiek voor dergelijke bedrijven aangewezen gebieden. Bovendien wordt bij dit
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
7
soort bedrijven zeker niet voldaan aan de randvoorwaarden voor bedrijven die aan de methodiek voor functiemenging gesteld zijn. Deze bedrijven zijn dan ook niet opgenomen in de hierboven uitgewerkte methodiek voor functiemenging (A,B en C-typering).
8
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan)
Staat van bedrijvigheid
GROOTSTE AFSTAND
CATEGORIE
VERKEER
VISUEEL
Bedrijven
10, 11
VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN
10.1
Slachterijen en vleesverwerking:
10.13
- vleeswaren en conservenfabrieken: p.o. <= 1000 m²
50
0
50 C
30
50
3.1
1G
1
10.13
- vleeswaren en conservenfabrieken: p.o. <= 200 m²
30
0
50
10
50
3.1
1G
1
10.20
Visverwerkingsbedrijven:
10.20
- verwerken (excl. Drogen, conserveren of roken): p.o. <= 300 m²
50
10
30
10
50
3.1
1G
1
10.31
Aardappelprodukten fabrieken:
10.31
- vervaardiging van snacks met p.o. < 2.000 m²
50
10
50
50 R
50
3.1
1G
1
10.5
Vervaardiging van zuivelproducten
10.52
- consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m²
B
10
0
30
0
30
2
1G
1
10.71
Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen: - v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens - vervaardigen van chocoladewerken met p.o. <= 200 m² - suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m²
B
30
10
30 C
10
30
2
1G
1
B
30
10
30
10
30
2
1G
1
B
30
10
30
10
30
2
1G
1
50
0
50
10
50
3.1
2G
1
10
0
30 C
0
30
2
1G
1
50
0
50
10
50
3.1
2G
2
B
10
0
50
10
50
3.1
1G
1
C
10
10
30
10
30
2
2G
2
B
30
0
50
0
50
3.1
1G
1
50
10
10
10
50
3.1
1G
1
50
10
30
10
50
3.1
2G
2
50
10
50
10
50
3.1
2G
1
-
10.71 10.82.2 10.82.2
- vervaardiging van snacks en vervaardiging van kant-en-klaarmaaltijden met p.o. < 2.000 m²
10.85 11.02 t/m 11.04
Vervaardiging van wijn, cider e.d.
13.30
Textielveredelingsbedrijven
13.9, excl. 13.93 14.1 14.3
Vervaardiging van overige textielwaren, excl. Vloerkleden en tapijt Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer)
14.11
Vervaardiging kleding van leer
B
15.1
Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van bont Lederwarenfabrieken (excl. kleding en schoeisel)
15.2
Schoenenfabrieken
16.10.2
Houtconserveringsbedrijven:
16.10.2
C
10
30
50
10
50
3.1
2G
1
16.2
- met zoutoplossingen Timmerwerkfabrieken, vervaardiging artikelen van hout, p.o. < 200 m2
B
0
30
50
0
50
3.1
1G
1
16.29
Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken
B
10
10
30
0
30
2
1G
1
17.12
Papier- en kartonfabrieken:
17.12
- p.c. < 3 t/u Drukkerijen, reproductie van opgenomen media
50
30
50 C
30 R
50
3.1
1G
2
14.2, 15.1
18
D
LUCHT
GEVAAR
A
FUNCTIEMENGING
GELUID
INDICES
STOF
AFSTANDEN IN METERS
BODEM
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI-2008
B
B
B
L
Staat van bedrijvigheid 18.12.9
Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen
B
10
0
30
0
30
2
1P
1
B
18.13
Grafische reproduktie en zetten
C
30
0
10
10
30
2
2G
1
B
18.14
Grafische afwerking
B
0
0
10
0
10
1
1G
1
18.14
Binderijen
C
30
0
30
0
30
2
2G
1
18.14
Overige grafische aktiviteiten
C
30
0
30
10
30
2
2G
1
18.2
Reproduktiebedrijven opgenomen media
B
0
0
10
0
10
1
1G
1
20.59
Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken
50
10
50
50 R
50
3.1
3G
2
B
21.20
Farmaceutische produktenfabrieken:
21.20
- formulering en afvullen geneesmiddelen
50
10
50
50 R
50
3.1
2G
1
B
21.20
- verbandmiddelenfabrieken
10
10
30
10
30
2
2G
1
22.11
Loopvlakvernieuwingsbedrijven:
22.11
- vloeropp. < 100 m2
50
10
30
30
50
3.1
1G
1
22.2
Kunststofverwerkende bedrijven:
22.22; 22.23
- productie van verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmaterialen
23.12 23.19
Glasbewerkingsbedrijven
C
D
B
50
30
50
30
50
3.1
2G
1
B
10
30
50
10
50
3.1
1G
1
B
10
10
30
10
30
2
1G
1
23.7
Natuursteenbewerkingsbedrijven: - zonder breken, zeven en drogen: p.o. <= 2.000 m²
B
10
30
50
0
50
3.1
1G
1
23.91
Slijp- en polijstmiddelen fabrieken
B
10
30
50
10
50
3.1
1G
2
25.1, 33.1
Constructiewerkplaatsen
25.1, 33.1
- gesloten gebouw, p.o. < 200 m2 Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. < 200 m2
B
30
30
50
10
50
3.1
1G
1
B
30
30
50
10
50
3.1
D
1G
2
B
B
10
30
50
10
50
3.1
D
1G
2
B
B
30
30
50
10
50
3.1
1G
2
B
B
30
10
30
10
30
2
1G
1
0
50
30
50
3.1
2G
1
B
50
30
50
3,1
2G
1
B B
L
23.2, 23.3 23.4 Aardewerkfabrieken: 23.2, 23.3 23.5 - vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW 23.7
25.5, 33.1 25.61, 33.11
26, 28, 33
Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven: Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. <200m2 Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. <200 m2 Kantoormachines- en computer reparatiebedrijven
26.1, 26.3, 26.4, 33.1
Vervaardiging van audio-, video- en telecomapparatuur e.d. incl. reparatie
30
26
Vervaardiging van audio, video- en telecomapparatuur ed incl. reparatie
30
25.62, 33.11 25.9, 33.1
26.12
D
D
26, 32, 33
Fabrieken voor gedrukte bedrading Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie
30.1, 33.15
Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:
30.1, 33.15
- houten schepen
C
30
30
50
10
50
3.1
2G
1
95.24
Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2
A
0
10
10
0
10
1
1P
1
32.1
Fabricage van munten, sieraden e.d.
B
30
10
10
10
30
2
1G
1
32.2
Muziekinstrumentenfabrieken
C
30
10
30
10
30
2
2G
2
32.3
Sportartikelenfabrieken
30
10
50
30
50
3.1
2G
2
32.4
Speelgoedartikelenfabrieken
30
10
50
30
50
3.1
2G
2
50
10
50
30
50
3.1
1G
2
B
30
0
30
0
30
2
1G
1
L
B
B
Staat van bedrijvigheid 32.99.1
Sociale werkvoorziening
32.99.9 35.13
Vervaardiging van overige goederen n.e.g. Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:
35.13
- < 10 MVA
35.13
- 10 - 100 MVA
35.13
B
0
30
30
0
30
2
30
10
50
30
50
3.1
0
0
30 C
10
30
0
0
50 C
30
50
0
0
10 C
10
10
35.13
Gasdistributiebedrijven: - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C
0
0
30 C
10
30
35.13
- gasontvang- en -verdeelstations, cat. D
0
0
50 C
50 R
35.12
Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt:
35.12
- blokverwarming
10
0
30 C
36.00
10
0
36.00
Waterwinning-/ bereiding- bedrijven: - bereiding met chloorbleekloog e.d. en/of straling Waterdistributiebedrijven met pompvermogen:
36.00
- < 1 MW
0
38.11
Vuilophaal-, straatreinigingsbedrijven e.d.
38.12
Gemeentewerven (afval-inzameldepots)
41, 42, 43
41, 42, 43
- bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m² Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m² - aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²
46
GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING (geen auto's of motorfietsen)
46.1
Handelsbemiddeling
46.21
Grth in akkerbouwprodukten en veevoeders, excl. 46.21.7 Ruwe tabak, verwerkingscapaciteit <500 ton/h
35.13
36.00
41, 42, 43
46.22
46.21.7, 46.31
Grth in bloemen en planten Grth in huiden, vellen en leder (incl. halffabrikaten) Grth in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen
46.32, 46.33
Grth in vlees, vleeswaren, zuivelprodukten, spijsoliën en- vetten en eieren,
46.24
46.34
1P
1
2G
2
2
1P
1
B
3.1
1P
1
B
1P
1
2
1P
1
50
3.1
1P
1
10
30
2
1P
1
50 C
30
50
3.1
1G
2
0
30 C
10
30
2
1P
1
50
30
50
10
50
3.1
2G
1
30
30
50
30 R
50
3.1
2G
1
B
C
10
30
50
10
50
3.1
2G
1
B
C
10
30
50
10
50
3.1
2G
1
B
B
0
10
30
10
30
2
1G
1
B
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
30
30
50
30 R
50
3.1
2G
2
10
10
30
0
30
2
2G
1
50
0
30
0
50
3.1
2G
1
30
10
30
50 R
50
3.1
2G
1
10
0
30
50 R
50
3.1
2G
1
B
B
B
C
D
Grth in dranken (geen zuivel) Grth in tabaksprodukten en rokersbenodigheden
C
0
0
30
0
30
2
2G
1
C
10
0
30
0
30
2
2G
1
C
10
10
30
0
30
2
2G
1
C
30
10
30
0
30
2
2G
1
46.38, 46.39
Grth in suiker, chocolade en suikerwerk Grth in koffie, thee, cacao en specerijen (geen ruwe) Grth in overige voedings- en genotmiddelen (incl. halffabrikaten)
C
10
10
30
10
30
2
2G
1
46.4, 46,5,46.73.3
Grth in consumentenartikelen, non-food (excl. Vuurwerk en munitie)
C
10
10
30
10
30
2
2G
1
4.64.99
Grth in vuurwerk en munitie:
46.35 46.36 46.37
Staat van bedrijvigheid
46.49.9 46.64; 46.65; 46.66
- consumentenvuurwerk, verpakt, opslag < 10 ton - consumentenvuurwerk, verpakt, opslag 10 tot 50 ton Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.
46.69
Groothandel in overige machines, apparaten en toebehoren voor industrie en handel
C
0
10
50
0
50
3.1
2G
1
46.9
Niet-gespecialiseerde groothandel
C
0
0
30
0
30
2
2G
1
46.71.1
Grth in vaste brandstoffen:
46.71.1
- klein, lokaal verzorgingsgebied
10
50
50
30
50
3.1
2P
2
46.73
Grth in hout en bouwmaterialen:
46.73
- algemeen: b.o. > 2000 m²
C
0
10
50
10
50
3.1
2G
2
46.73
- algemeen: b.o. <= 2000 m²
B
0
10
30
10
30
2
1G
1
46.73.5
zand en grind:
46.73.5
B
0
10
30
0
30
2
1G
1
46.74
- algemeen: b.o. <= 200 m² Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur:
46.74
- algemeen: b.o. > 2.000 m²
C
0
0
50
10
50
3.1
2G
2
46.74
- algemeen: b.o. < = 2.000 m²
B
0
0
30
0
30
2
1G
1
46.76
Grth in overige intermediaire goederen
C
10
10
30
10
30
2
2G
2
47.91
Postorderbedrijven
C
0
0
50
0
50
3.1
2G
1
49.32
Vervoer per taxi
B
0
0
30 C
0
30
2
2P
1
0
0
50 C
30
50
3.1
2G
1
0
0
30 C
10
30
2
D
1P
1
30
10
50 C
50 R
50
3.1
D
2G
2
46.49.9
C
10
0
30
10 V
30
2
2G
1
10
0
30
50 V
50
3.1
2G
1
C
0
0
30
0
30
2
2G
1
B
52.10.2, 52.10.9
- Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks) b.o. <= 1000 m² Pomp- en compressorstations van pijpleidingen Opslag in koelhuizen e.d.; Opslag in distributiecentra en overige opslag (niet in tanks, koelhuizen e.d.)
52.10.9
Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)
B
0
0
30 C
10
30
2
2G
1
56.2
Cateringbedrijven
B
10
0
30 C
10
30
2
1G
1
58.1
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
A
0
0
10 C
0
10
1
1P
1
62
Uitgeverijen (kantoren) Telecommunicatiebedrijven, excl. zendinstallaties Computerservice- en informatietechnologiebureau's e.d.
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
58, 63
Datacentra
B
0
0
30 C
0
30
2
1P
1
68
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
77.11
Verhuur van en handel in onroerend goed Verhuur en lease van personenauto's en lichte bedrijfsauto's
B
10
0
30
10
30
2
2P
1
77.12
Verhuurbedrijven voor transportmiddelen (excl. personenauto's)
C
10
0
50
10
50
3.1
D
2G
1
C
10
10
30
10
30
2
D
2G
2
C
10
0
50
10
50
3.1
D
2G
1
B
D
B
49.4 49.5
61
77.2
81.22
Verhuur van consumentenartikelen Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen Gespecialiseerde reiniging van gebouwen en industriële reiniging
50
10
30
30
50
3.1
1P
1
96.01.1
Tapijtreinigingsbedrijven
30
0
50
30
50
3.1
2G
1
96.01.1
Wasserijen en strijkinrichtingen
30
0
50 C
30
50
3.1
2G
1
96.01.2
Chemische wasserijen en ververijen
30
0
30
30 R
30
2
2G
1
96.01.3
Wasverzendinrichtingen
0
0
30
0
30
2
1G
1
77.3
B
B
L
B
L
Staat van bedrijvigheid B
Detailhandel
47
Detailhandel voor zover n.e.g. Winkels met algemeen assortiment, voedingsen genotmiddelen (geen supermarkten of vergelijkbare winkels met verkeersbelasting 2P)
47.11
47.5, 47.7
Winkels met een algemeen assortiment nonfood (geen warenhuizen ) Detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken of bakken Detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel Winkels in overige (huishoudelijke) artikelen, excl. Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten (cat.2)
47.78.9
Detailhandel in vuurwerk tot 10 ton verpakt
47.19.2 47.22 47.24
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
A
10
0
10
10
10
1
1P
1
A
10
10
10 C
10
10
1
1P
1
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
B
0
0
10
10 V
10
1
1P
1
B
0
0
30 C
0
30
2
2P
1
A
0
0
10 C
0
10
1
1P
1
30
10
30
30 R
30
2
1P
1
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
C
Dienstverlening
53
72.2
Post en koeriers FINANCIELE INSTELLINGEN EN VERZEKERINGSWEZEN Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek
74.20.3
Ontwikkelcentrales (foto en film)
C
10
0
30 C
10
30
2
2G
1
79.1
Reisbemiddeling en reisorganisatie
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
2P
1
64, 65, 66 72.1
63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, Overige zakelijke dienstverlening: kantoren 80tm82 met overwegende baliefunctie Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en 95.2 motorfietsen)
B
0
0
10
0
10
1
A
0
0
10
10
10
1
1P
1
96.01.3
Wasserettes, wassalons
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
96.02
Haar- en schoonheidsverzorging
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
96.09
Overige dienstverlening (rest)
A
0
0
10 C
0
10
1
1P
1
D
Kantoor A
0
0
10
0
10
1
1P
1
B
0
0
10
0
10
1
2P
1
C
0
0
30
0
30
2
3P
1
1
1P
1
63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, Kantoor zonder overwegende baliefunctie 80tm82 p.o. <500 m2 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, Kantoor zonder overwegende baliefunctie, 80tm82 p.o. >500 en <1000m2 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, Kantoor zonder overwegende baliefunctie, 80tm82 p.o. >1000m2
D
D
E
Maatschappelijke functies
47.73; 47.74
Apotheken; Winkels in drogisterij-, medische en orthopedische artikelen
A
0
0
0
10
10
84
Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen
B
0
0
10
0
10
1
2P
1
84.25
Brandweerkazernes
0
0
50 C
0
50
3.1
1G
1
85.2; 85.31 85.32; 85.4; 85.5
Primair en speciaal onderwijs; Algemeen vormend voortgezet onderwijs Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs
B
0
0
30
0
30
2
1P
1
B
10
0
30
10
30
2
2P
1
86.1
Ziekenhuizen
C
10
0
30 C
10
30
2
3P
2
D
B
Staat van bedrijvigheid 86.21; 86.22; 86.23
Artsenpraktijken, klinieken en dagbehandelcentra
B
0
0
10
0
10
1
2P
1
86.91, 86.92.3
Praktijken van verloskundigen en paramedici; preventieve gezondheidszorg
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
87.1
Verpleeghuizen
B
10
0
30 C
0
30
2
1P
1
88.91
B
0
0
30
0
30
2
2P
1
B
0
0
10
0
10
1
2P
1
94.1; 94.2
Kinderopvang en peuterspeelzaalwerk Culturele uitleencentra en openbare archieven; Musea, kunstgalerieën en expositieruimten Bedrijfs-, werkgevers- en beroepsorganisaties; Werknemersorganisaties
A
0
0
10
0
10
1
1P
1
94.91
Levensbeschouwelijke organisaties
B
0
0
30
0
30
2
2P
1
94.99.1
B
0
0
30 C
0
30
2
2P
1
96.03
Gezelligheidsverenigingen Uitvaartverzorging, mortuaria en begraafplaatsen, excl. crematoria
B
0
0
10
0
10
1
2P
1
F
Cultuur en ontspanning
59; 60
productie films, geluidopnamen, radio en TV
C
0
0
30 C
10
30
2
2G
1
59.14
Bioscopen
C
0
0
30 C
0
30
2
3P
1
85.52
Cultureel onderwijs
B
0
0
30
0
30
2
2P
1
85.52.1
Dansscholen
B
0
0
30 C
0
30
2
2P
1
90.04
Theaters, schouwburgen, concertgebouwen, evenementenhallen
C
0
0
30 C
0
30
2
3P
1
91.01; 91.02
Musea, ateliers, e.d.
B
0
0
10
0
10
1
2P
1
91.04.1
B
30
10
30 C
0
30
2
1P
1
92.00.9
Kinderboerderijen Exploitatie van amusements- en speelautomaten
B
0
0
30 C
0
30
2
1P
1
96.04
Sauna's, solaria, baden e.d.
B
10
0
30 C
0
30
2
1P
1
91.01; 91.02
D
G
Sport
93.11.1
Zwembaden:
93.11.1
- overdekt
C
10
0
50 C
10
50
3.1
3P
1
93.11.2
Sporthallen, excl. Ijshallen - en banen
C
0
0
50 C
0
50
3.1
2P
1
93.11.9
Overige sportaccomodaties:
93.11.9
skelter- en kartbanen, in een hal
B
10
0
50
10
50
3.1
2P
1
93.11.9
kunstskibanen
0
0
30 C
50 R
50
3.1
2P
2
93.11.9 93.12.1; 93.12.2
Golfbanen
B
0
0
10
0
10
1
2P
1
Veldsportcomplex (met verlichting)
B
0
0
50 C
0
50
3.1
2P
2
93.12.4
Tennisbanen (met verlichting)
B
0
0
50 C
0
50
3.1
2P
2
93.12.5
Paardensport en maneges
50
30
30
0
50
3.1
2P
1
93.12.9
Schietinrichtingen:
93.12.9
- buitenbanen met voorzieningen: boogbanen
0
0
30
30
30
2
1P
1
93.12.9
- binnenbanen: boogbanen
A
0
0
10 C
10
10
1
1P
1
93.13
Fitnesscentra
B
10
0
30 C
0
30
2
1P
1
93.14.4
Bowlen, kegelen, biljarten e.d.
B
0
0
30 C
0
30
2
2P
1
B
10
0
10
10
10
1
2P
1
A
10
0
10 C
10
10
1
1P
1
I
Horeca
55.10
Hotels e.d.
56.1
Lichte Horeca maaltijdenverstrekking
56.1
alleen dagopenstelling: automatiek, broodjeszaak, cafetaria, croissanterie, luchroom, ijssalon, snackbar e.d. (zonder bezorg- of brengservice)
Staat van bedrijvigheid
56.1 56.3
tevens avondopenstelling: bistro, brasserie, grillroom, restaurant zonder bezorg- en of afhaalservice
56.3
Lichte horeca drankenverstrekking alleen dagopenstelling: tearoom, koffiebar e.d. tevens avondopenstelling: huiskamercafe, schaakcafe, bar, ed
56.1
Middelzware horeca, maaltijdenverstrekking
56.1
Restaurant met afhaal- en brengservice (o.a. grillroom, pizzeria, chinees, shoarma)
56.3
Middelzware horeca, drankenverstrekking
56.3
56.3
Grand café's, Bierhuizen, Irish pubs, tavernes, cocktailbars, nachtclub's, etc. zalenverhuur zonder regulier gebruik tbv feesten of evenementen
56.1; 56.3
bedrijven in SBI- categorie 561 of 563 met een vloeroppervlake van meer dan 250 m2
56.3
Zware horeca
56.3
Feestcafé's, podiumcafé's, muziekcafé's Discotheken,Partycentra, zalenverhuur met regulier gebruik tbv feesten of evenementen e.d.
56.3
56.3
B
10
0
30 C
10
30
2
2P
1
A
10
0
10 C
10
10
1
1P
1
B
10
0
30 C
10
30
2
2P
1
C
0
0
30 C
10
30
2
3P
1
B
0
0
50 C
10
50
3.1
2P
1
B
0
0
50 C
10
50
3.1
2P
1
C
0
0
50 C
10
50
3.1
3P
1
0
0
50 C
30
50
3.1
D
3P
1
0
0
50 C
30
50
3.1
D
3P
1
Beleidsregels parkeren 2022 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, Gelet op artikel 3.1.2 van het besluit ruimtelijke ordening en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Besluit vast te stellen de: Beleidsregels Parkeren 2022
Hoofdstuk 1– Inleiding Met deze nota beoogt de gemeente Nijmegen te sturen op de leefbaarheid en bereikbaarheid van
Nijmegen. Nieuwe ontwikkelingen (nieuwbouw, functieverandering of uitbouw) kunnen gepaard gaan
met een parkeerbehoefte, een parkeervraag en een toenemend parkeerdruk in de openbare ruimte. Een te hoge parkeerdruk leidt tot ongewenst zoekverkeer en bereikbaarheids- en leefbaarheidsprobleem. De gemeente Nijmegen tracht dit probleem - zo veel mogelijk - te voorkomen door bij de
initiatiefnemer de verantwoordelijkheid neer te leggen om te voorzien in de parkeerbehoefte bij een
ontwikkeling. Bij deze verantwoordelijkheidsstelling is het hoofdmotief dat een parkeervraag bij een
ontwikkeling niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. In een tegenovergestelde situatie
zou de parkeerdruk op de openbare weg onder alle omstandigheden ongunstig worden belast. Deze belasting is onwenselijk, bezien vanuit de hoofddoelstellingen van deze nota.
In 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen de Herziene Nota Parkeernormen 2016
vastgesteld. De Herziene Nota Parkeernormen 2016 is hierna uitgewerkt in de ‘Beleidsregels parkeren’ d.d. 17 mei 2016 (nr. 61593). Omdat deze beleidsregels op onderdelen niet volledig waren, werd bij toetsing op deze beleidsregels tegen een aantal onduidelijkheden aangelopen.
In de nota Parkeren 2020-2030 staat dat Nijmegen is een stad in ontwikkeling is waar op verschillende locaties ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Dit betreft inbreidingslocaties of hoog-stedelijke uitbreidingen die om een andere mobiliteitsaanpak vragen: minder ruimte voor de auto. De oude
parkeernormen dragen enerzijds niet bij aan de gewenste mobiliteitstransitie en zorgen anderzijds tot de realisatie van parkeerplaatsen die in de praktijk niet worden gebruikt en hoge kosten voor een initiatiefnemer. Er is behoefte aan nieuwe normen die ons de komende jaren bij ruimtelijke
ontwikkelingen de mogelijkheid biedt om flexibiliteit en maatwerk toe te passen. Dit vormt de basis voor de voorgestelde beleidsregels in deze nota.
De wijze waarop bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning de parkeereis voor auto en fiets berekend en onderbouwd moeten worden, staat in de Beleidsregels parkeren 2022.
1/48
Hoofdstuk 2 – Uitgangspunten parkeernormen Waarom parkeernormen voor auto en fiets? De gebruikelijke wijze om de parkeerbehoefte bij (sloop)nieuwbouw, functieverandering (transformatie) of uitbouw (verder samengevat met: ontwikkelingen) te bepalen is om gebruik te maken van
parkeernormen. Voor een duurzame bereikbaarheid en leefbaarheid van een gebied of locatie is het
essentieel dat wordt gewaarborgd dat geen sprake is van te hoge autoparkeerdruk en/of ongewenst zoekverkeer. Ontwikkelingen mogen niet leiden tot overlast in de nabije omgeving.
Parkeerkencijfers, parkeernormen en parkeerbehoefte Met een parkeernorm wordt een berekening gemaakt van het aantal te realiseren parkeerplaatsen bij een ontwikkeling. Het CROW heeft in publicatie 381 kencijfers opgenomen die als handvat kunnen dienen voor een gemeente om parkeernormen vast te stellen.
De in deze nota opgenomen Nijmeegse parkeernormen zijn afgeleid van deze CROW-parkeerkencijfers. De basis voor de Nijmeegse parkeernormen is het minimum van de kencijfers van het CROW per
functie. Alleen in de ‘2de schil / overloop” is, ten behoeve van een stapsgewijze overgang, uitgegaan van het kengetal tussen minimum en gemiddeld. Deze keuze sluit aan bij de gemeentelijke
mobiliteitsdoelen. In het Ambitiedocument Mobiliteit (2019) wordt immers ingezet op het niet verder laten groeien van de totale verkeersbelasting van auto’s binnen de stad.
Toepassing van parkeernormen Bij het beoordelen van een ontwikkeling toetst de gemeente of rekening is gehouden met het vereiste aantal parkeerplaatsen. Om interpretatieverschil en willekeur bij toepassing van parkeernormen te
voorkomen, is het noodzakelijk dat de gemeente een eenduidige beleidslijn hanteert. Dit doet tevens recht aan rechtszekerheid en het rechtsgelijkheidsbeginsel waardoor de juridische houdbaarheid
verbetert. Er kunnen zich specifieke omstandigheden voordoen die aanleiding zijn om van de normen
in deze nota af te wijken. Een goede motivering is daarvoor essentieel. Dit wordt in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt.
Parkeren oplossen op eigen terrein Iedere initiatiefnemer van een plan is verantwoordelijk voor het realiseren van voldoende
parkeerruimte. Een nieuwe ontwikkeling mag geen parkeerproblemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat de initiatiefnemer ervoor zorgdraagt dat er voldoende parkeerruimte ten behoeve van de
ontwikkeling wordt gerealiseerd. Dit dient op eigen terrein te worden opgelost. Bij ontwikkelingen waar ook de openbare ruimte wordt mee ontwikkeld, is het mogelijk om het plangebied geheel te zien als tijdelijk eigen terrein.
Eigen terrein betekent niet per definitie fysiek op eigen terrein. Een parkeervoorziening die ten
behoeve van een ontwikkeling is gerealiseerd, maar niet op het terrein van die ontwikkeling ligt, kan
ook worden beschouwd als ‘eigen terrein’. Dit is bijvoorbeeld het geval als een aantal parkeerplaatsen wordt geclusterd op een pleintje dat alleen toegankelijk is voor bewoners, of als een parkeergarage
wordt gerealiseerd die bedoeld is als gemeenschappelijke parkeervoorziening voor meerdere functies. Zie artikel 4 tabel 10 voor de maximale loopafstanden die worden gebruikt tussen bouwobject en parkeerplaats.
2/48
Hoofdstuk 3 - Algemene bepalingen A. Definities •
Acceptabele loopafstand: de kortste looproute over de openbare weg van ingang van het pand tot aan de parkeerplaats of ingang van de parkeervoorzieningen.
•
Autoparkeereis: het aantal na saldering te realiseren autoparkeerplaatsen ten behoeve van een ontwikkeling.
•
Autoparkeernorm: een getal dat aangeeft hoeveel autoparkeerplaatsen voor een bepaalde functie nodig zijn.
•
Autoparkeerplaats: de minimaal benodigde ruimte om een auto te parkeren conform NEN 2443 (parkeergarages en parkeerterreinen).
• •
Bestaande functie: de laatst (legaal) vergunde situatie
Binnenstad: het deel van het historische centrum, inclusief stationsgebied, zoals weergegeven in kaart 1.
•
Bijzonder gemeentelijk belang: een project van grote betekenis voor de stad waarbij de leefbaarheid van de stad, het klimaat en werkgelegenheid een doelstelling is
•
BVO / bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van één of meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek overeenkomstig NEN 2580.
•
CROW: onafhankelijk kennisinstituut op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer. CROW ontwikkelt onder andere kencijfers op het gebied van verkeersgeneratie en fietsparkeren.
•
Dubbelgebruik: bij dubbelgebruik wordt dezelfde autoparkeerplaats gebruikt voor verschillende
functies. De autoparkeerplaats moet dan altijd vrij toegankelijk zijn voor de gebruikers van deze functies. Volledig dubbelgebruik is alleen mogelijk als het maatgevende moment waarop de parkeerbehoefte het grootst is, niet samenvalt voor de verschillende functies. •
Eigen terrein: het bouwoppervlak waarop de ontwikkeling wordt gerealiseerd, daaronder begrepen het daarbij behorende terrein dat als parkeerterrein is bestemd.
•
Fietsparkeerbalans: in een fietsparkeerbalans wordt de fietsparkeereis berekend en onderbouwd of en in welke mate dubbelgebruik van fietsvoorzieningen door verschillende functies mogelijk is. Hierbij wordt op verschillende tijdsmomenten gekeken naar het gebruik door de verschillende functies.
•
Fietsparkeereis: het aantal na saldering te realiseren fietsparkeerplaatsen ten behoeve van een ontwikkeling.
•
Fietsparkeernorm: een getal dat aangeeft hoeveel fietsparkeerplaatsen voor een bepaalde functie nodig zijn.
•
Fietsparkeerplaats: de ruimte die nodig is om een gangbare fiets te kunnen stallen, conform Fietsparkeur.
•
Fietsparkeur: toetsing en certificatie van fietsparkeersystemen op basis van eisen zoals te vinden op www.fietsparkeur.nl.
•
Gereguleerd parkeergebied: een gebied waar een vorm van parkeerregulering is ingevoerd, zoals betaald parkeren, vergunninghoudersparkeren of een blauwe zone.
•
Maatgevende moment: het moment waarop de parkeerbehoefte van verschillende functies binnen een ontwikkeling het hoogst is.
•
Mobility-as-a-Service: een mobiliteitsconcept, waarbij de consument gebruik maakt van verschillende transportmiddelen via één abonnement.
•
Openbare parkeercapaciteit: de voor alle parkeerders vanaf de openbare weg toegankelijke parkeercapaciteit.
•
Parkeerkencijfer: een pp de praktijk gebaseerd cijfer van de verwachte parkeerbehoefte.
3/48
•
Parkeernorm: het aantal auto-/ fietsparkeerplaatsen dat voor een functie gerealiseerd moet worden, uitgedrukt in een aantal auto-/ fietsparkeerplaatsen per eenheid, bijvoorbeeld een oppervlakte-eenheid.
•
Salderen: het berekenen van de parkeereis op basis van het verschil tussen de parkeervraag in de nieuwe situatie en de parkeervraag in de oude situatie (voor en na het realiseren van een
ontwikkeling, rekening houdend met aanwezigheidspercentages van de oude en nieuwe functie). •
Sociale huur: woningen waar bij het aangaan van de huurovereenkomst de huur niet hoger is dan de sociale huurgrens. In 2021 ligt deze grens op €752,33 per maand.
•
WVO: winkelvloeroppervlak
B.
Grondslag
Voorheen was toetsing van de parkeernormen geregeld in de Bouwverordening. Met ingang van 1 juli 2018 dienen parkeernormen echter opgenomen te worden in het bestemmingsplan.
In 2017 is een paraplubestemmingsplan vastgesteld, waarmee de beleidsregels parkeren van
toepassing is verklaard op alle bestemmingsplannen waarin de parkeernormen nog niet waren
opgenomen. Voor alle nieuwe bestemmingsplannen geldt de verplichting om een parkeernorm voor te schrijven, dan wel te verwijzen naar de Nota Parkeernormen.
In het facetbestemmingsplan is een dynamische verwijzing naar de beleidsregels Parkeren opgenomen. Dit houdt in dat wanneer gedurende de planperiode de beleidsregels parkeren wijzigen, de gewijzigde regels gelden. De bestemmingsplannen en beheersverordeningen hoeven daardoor niet opnieuw te worden herzien wanneer de beleidsregels parkeren wijzigen.
In alle nieuwe bestemmingsplannen is / wordt een parkeerregeling opgenomen met een dynamische verwijzing naar de beleidsregels parkeren. In deze regels is sprake van het parkeren en stallen van voertuigen - hieronder vallen ook fietsen.
C. Vaststelling en inwerkingtreding De beleidsregel worden vastgesteld in de collegevergadering van 5 april 2022 en treden één dag na publicatie in het Gemeenteblad inwerking.
D. Overgangsbepaling Een aanvraag voor een omgevingsvergunning die is ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wordt afgedaan op grond van de tot de inwerkingtreding van dit besluit geldende regels. Dit tenzij
toepassing van de nieuwe beleidsregels gunstiger voor de aanvrager van de omgevingsvergunning is. In dat geval zijn onderhavige beleidsregels van toepassing.
Bijlagen De bijlage 1 maakt onverkort en integraal onderdeel uit van de beleidsregels.
4/48
Hoofdstuk 4– Artikelen Artikel 1 Onderbouwing parkeernormen Nijmegen BELEIDSREGEL 1: Bij het bepalen van de autoparkeereis wordt gebruik gemaakt van de zone-indeling zoals weergegeven in kaart 1.
Parkeernormen zijn maatwerk Bij het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen is het de kunst om deze zo vast te stellen dat ze zo veel mogelijk recht doen aan de situatie ter plaatse. Dit betekent ook dat binnen een gemeente
verschillende parkeernormen voor eenzelfde functie kunnen gelden afhankelijk van de locatie van de functie (verschillende gebieden). Zaken als bereikbaarheid met het openbaar vervoer, fiets en het autobezit spelen daarbij een rol. De hoogte van de parkeernormen verandert in de tijd.
Nijmegen is in ontwikkeling: het aantal inwoners en de werkgelegenheid blijft de komende jaren
toenemen. Om deze groei te kunnen faciliteren vinden diverse ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De huidige parkeernormen dragen enerzijds niet bij aan de gewenste mobiliteitstransitie (minder
automobiliteit) en zorgen anderzijds tot de realisatie van onnodig veel parkeerplaatsen en hoge kosten voor een initiatiefnemer.
In het nieuwe parkeerbeleid is daarom opgenomen dat de parkeernormen worden geactualiseerd. Deze nieuwe parkeernormen bieden ons handvatten om de komende jaren bij ruimtelijke ontwikkelingen
flexibiliteit en maatwerk toe te passen. Hiermee sluit de parkeernormsystematiek aan op onze ambitie om de auto een minder dominante positie in het straatbeeld te geven en duurzaam vervoer te stimuleren
Gebiedstypen De basis voor de zone-indeling wordt gevormd door centrumzones met daar omheen verschillende ringen: binnenstad (stadscentrum + stationsgebied), centrum, schil 1e ring, schil 2de ring, rest bebouwde kom en buitengebied.
Bij het bepalen van deze zones is uitgegaan van logisch afgebakende gebieden met duidelijke grenzen. Daarbij is rekening gehouden met de ruimtelijke ontwikkelingen zoals op dit moment bekend.
Voor de gebieden rondom de treinstations is niet de stedelijkheidsgraad, maar de aanwezigheid van
een OV-knooppunt en daarmee goede alternatieven voor het gebruik en parkeren van de auto leidend
geweest (stations Lent, Dukenburg, Heijendaal Campus, station Goffert/NTC). Deze worden gezien als zijnde onderdeel van het gebied ‘centrum’.
Kaart 1. Stedelijkheidszones t.b.v. parkeernormering Zie KaartViewer - Mobiliteit (nijmegen.nl) voor een gedetailleerd overzicht.
5/48
Artikel 2. De parkeernormen BELEIDSREGEL 2: Bij het bepalen van de autoparkeereis wordt gebruik gemaakt van onderstaande autoparkeernormen.
6/48
De in dit artikel opgenomen autoparkeernormen zijn vaste normen (er mogen niet meer of minder autoparkeerplaatsen worden gerealiseerd bij een ontwikkelingen). Bij het bepalen van de autoparkeereis wordt gebruik gemaakt van onderstaande autoparkeernormen.
Per functie zijn de parkeernormen in bijgaande tabellen verwoord. Er is een indeling gemaakt in de volgende categorieën: 1.
Woningen
3.
Winkelen en boodschappen
2. 4. 5. 6. 7.
Werken
Sport, cultuur en ontspanning Horeca en (verblijfs-)recreatie
Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen Onderwijsvoorzieningen
De toe te passen parkeernormen zijn per functie onderverdeeld naar de in artikel 1 beschreven gebiedstypen.
In onderstaande tabellen staat een paar keer de afkorting ‘n.v.t.’. Dit betekent dat het CROW voor de
betreffende functie en gebied geen parkeerkencijfer heeft. Wanneer bij een functie ‘n.v.t.’ staat en een parkeernorm toch nodig is bij een ontwikkeling, dan wordt gekeken of voor de betreffende functie de parkeernorm van het meest vergelijkbare gebied kan worden gebruikt of voor de betreffende functie
een parkeernorm van een vergelijkbare functie kan worden gebruikt. Als dit niet mogelijk is, dan dient de aanvrager -op basis van ervaringen bij vergelijkbare ontwikkelingen aan te tonen welke
parkeernorm toepasbaar, De gemeente beoordeelt de onderbouwing en bepaalt of deze toereikend is. Ten aanzien van de binnenstad (zoals begrensd in geel op kaart 1), geldt voor alle functies dat er niet voldaan hoeft te worden aan de parkeernorm voor zover die geldt voor het “aandeel bezoekers”. Bezoekers van deze functies kunnen terecht in de openbare parkeergelegenheden.
1.
Woningen
Voor wonen wordt uitgegaan van onderstaande typen woningen. Er is hierbij gekozen om aan te sluiten op de type woningen en de kengetallen zoals gehanteerd door het CROW en niet meer te kiezen voor onze eigen differentiatiecriteria gebaseerd op grootte van de woning. De parkeervraag van een appartement is immers anders dan die van een vrijstaande woning.
Voor de categorieën ‘Koop, 2-onder-een-kap’, ‘Koop, rij’, ‘Koop, appartement duur’ en ‘Koop,
appartement gemiddeld’ wordt voor wat betreft het centrum en Schil 1e ring afgeweken van de CROWkencijfers. Hier is, vanwege de ontwikkelingen in deze zones zoals onder andere Hof van Holland, gekozen voor een parkeernorm van 1,3 per woning, zodat iedere woning over een parkeerplaats
beschikt. De CROW-kencijfers gaan hieruit van 0,9 tot 1,3 parkeerplaats per woning (inclusief 0,3 bezoek).
Onderstaande parkeernormen zijn inclusief de veronderstelde benodigde parkeerruimte voor
bezoekers. Voor de binnenstad (zie kaart 1) geldt echter een uitzondering. De parkeerbehoefte voor bezoekers hoeft niet te worden ingevuld door de ontwikkelaar. Bezoekers kunnen terecht in de openbare parkeergelegenheden. Hier hoeft dus alleen het bewonersdeel (=parkeernorm minus bezoekersdeel) te worden gerealiseerd.
7/48
Binnen -stad
Centrum
Schil 1e
Schil 2e
Rest
Buiten-
ring
ring
BBK
gebied
Bezoek
Koop, vrijstaand
1,2
1,3
1,4
1,6
1,7
2
0,3
Koop, 2-onder-een-kap
1,1
1,3
1,3
1,5
1,6
1,8
0,3
Koop, rij
1
1,3
1,3
1,4
1,4
1,6
0,3
Koop, appartement duur
1
1,3
1,3
1,4
1,5
1,7
0,3
0,9
1,3
1,3
1,3
1,3
1,5
0,3
0,8
0,8
0,9
1,1
1,1
1,2
0,3
Huur, huis, (middel)duur
1
1
1,2
1,4
1,4
1,6
0,3
Huur, huis, sociale huur
0,8
0,8
0,9
1,1
1,1
1,2
0,3
0,6
0,6
0,7
0,9
0,9
1
0,3
0,9
0,9
1,1
1,3
1,3
1,5
0,3
0,2
0,2
0,2
0,2
0,2
0,2
0,05
studentenwoning
0,2
0,2
0,2
0,2
0,2
0,2
0,05
Kleine eenkamerwoning
0,5
0,5
0,5
0,5
0,6
0,6
0,2
0,85
0,85
0,85
0,85
0,85
0,85
Koop, appartement gemiddeld
Koop, appartement goedkoop
Huur, appartement, sociale huur
Huur appartement, (middel)duur
Kamerverhuur (per kamer) Kleine eenkamer (zelfstandig)
Zorgwonen / beschut wonen (per kamer)
0,3 (incl personeel)
Tabel 1: Autoparkeernormen woningen (parkeernorm geldt per zelfstandige woning of waar vermeld per kamer)
Toelichting: •
De parkeernormen zijn inclusief de veronderstelde benodigde parkeerruimte voor bezoekers. Uit onderzoek blijkt dat de maximale parkeerbehoefte voor bezoekers uit 0,3 parkeerplaats per woning bedraagt (voor studentenkamers is dit minder). De parkeerplaatsen voor zover deze
voorzien in de parkeerbehoefte van bezoekers (het aandeel bezoekers” in bovenstaande tabel) moeten openbaar toegankelijk zijn. •
Als parkeerplaatsen niet op eigen terrein worden gerealiseerd, dan dienen deze
parkeervoorzieningen juridisch te zijn gekoppeld aan de woning. De parkeervoorziening maakt 8/48
zodoende integraal deel uit van de woning. Dit kan middels een kettingbeding in de koopovereenkomst worden vastgelegd of een erfdienstbaarheid. •
Appartement: een appartement is een woning in een groter gebouw (zoals een flat) of een woning met één woonlaag die is ontstaan na een woningsplitsing.
•
Zorgwonen is een woonvorm die valt onder de bestemming Wonen, maar waarbij specifiek is
aangegeven dat de bewoners met ondersteuning wonen en er een gemeenschappelijke ruimte aanwezig is. Er is geen 24 uurs zorg of begeleiding aanwezig. Deze woonvorm wordt ook wel beschut wonen genoemd. Hieronder de definities zoals ze zijn opgenomen in de uitgangspuntennotitie van bestemmingsplannen.
Zorgwonen: de huisvesting van één of meerdere personen in een gebouw, niet zijnde een woonwagen of woonboot, waarbij met behulp van zorg/ondersteuning door derden, zelfstandig gewoond wordt.