CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 3_Regels_Bijlagen

Besluitronde (raadsvergadering) 29 november 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Centrum-Stationsomgeving -3 (hoek Tunnelweg-Koninginnelaan) (108/2023)33.219 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bestemmingsplan worden aangevraagd en zal het initiatief alsnog moeten voldoen aan de reguliere parkeernorm.

Op basis van ervaringscijfers kan ook naar de parkeereis gekeken worden. Initiatiefnemers kunnen

deze ervaringscijfers aanbieden en dit kan door de gemeente worden meegewogen in de bepaling van de uiteindelijke norm.

Tijdelijke bouwwerken: Voor tijdelijke bouwwerken geldt voor de eerste 2 jaar een vrijstelling op het parkeerartikel. Het gaat

hier om bouwwerken waarbij de functie van het gebouw ondersteunend is aan de hoofdfunctie van het bestaande gebouw. Denk bijvoorbeeld aan noodlokalen of een opslagunit. Overigens geldt de

vrijstelling alleen voor het tijdelijke gebouw. Parkeerplaatsen die tijdelijk komen te vervallen moeten direct gecompenseerd worden. In de aanvraag van de vergunning moet de tijdelijkheid worden

aangegeven. Bij dergelijke ontwikkeling wordt een praktijkbenadering van parkeren gevraagd. Een tijdelijke ontwikkeling mag namelijk niet onevenredige overlast in de omgeving veroorzaken. De gemeente beoordeelt of dit acceptabel is.

Lichte horeca in de binnenstad: Er is sinds 2013 een nieuwe beleidslijn voor het toestaan van lichte horeca in de randgebieden van het stadscentrum. Bij lichte horeca gaat het om lunchrooms, ijssalon, broodjeszaken etc. waar geen

alcohol wordt geschonken. Deze horeca vestigt zich veelal in panden waarin voorheen detailhandel gevestigd was. Er rust al een parkeereis op het pand. Voor omvorming van detailhandel naar lichte horeca en vice versa wordt een vrijstelling van de parkeereis gegeven. Zie kaart 1 voor gebiedsafbakening van de binnenstad.

Ondersteunende horeca: Naast lichte horeca treffen we ook ondersteunende horeca bij detailhandel aan. Dit houdt in dat aan een bestaande functie een kleine voorziening voor horeca wordt toegevoegd. Bijvoorbeeld een

35/48

koffiecorner in een kledingzaak. Een parkeernorm is hiervoor niet nodig, omdat er op de hoofdfunctie zelf al een parkeernorm zit. Men komt niet alleen voor de horeca naar het desbetreffende pand.

Woning splitsing Het splitsen van een zelfstandige woonruimte in meerdere zelfstandige woningen mag geen

onevenredig grote negatieve invloed hebben op het verkeer en de parkeerdruk in de omgeving van de betreffende woning.

Onder een zelfstandige woonruimte wordt verstaan een woonruimte, met een eigen toegang, die door één huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van één of

meer wezenlijke voorzieningen (zoals toiletruimte, badruimte en keuken) buiten die woonruimte, dan wel een standplaats voor een woonwagen. Is er geen sprake van een zelfstandige woonruimte, dan

wordt er gesproken over kamerverhuur. Hiervoor geldt de Huisvestingsverordening 2020 en het -in voorbereiding zijnde- facetbestemmingsplan kamerverhuur of een opvolger van de Huisvestingsverordening 2020 en het facetbestemmingsplan kamerverhuur.

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een project binnen gereguleerd parkeergebied, uitgezonderd de vergunninggebieden Centrum + B (klink hier voor de digitale kaart), waarbij een bestaande zelfstandige woning wordt gesplitst in meerdere zelfstandige woonruimten, gelden onderstaande regels: 1.

Ook na een woningsplitsing dient er voldoende parkeerplaatsen te zijn. Extra parkeerplaatsen dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd, conform het beleid opgenomen in deze

beleidsregels (zie kaart 1 en parkeernormen in artikel 2). Indien en voor zover er niet voldaan kan worden aan de parkeernormen, verleend/vergund het college een ontheffing/afwijking 2.

met inachtneming van het volgende.

Als wordt aangetoond dat de realisatie van parkeergelegenheid op eigen terrein niet mogelijk

is, dan is parkeren in de openbare ruimte mogelijk. Dit kan echter alleen als er nog voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is. Als grens van de beschikbare parkeercapaciteit wordt een

bezettingspercentage van 85% gehanteerd. In de binnenstad is de parkeerdruk vrijwel altijd

boven de 85%. In de binnenstad hanteren we daarom een bezettingsgraad van 95%. Het is dan 3.

ook niet mogelijk om extra parkeerdruk in de openbare ruimte af te wikkelen.

Als er niet voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is (parkeerdruk na uitgifte maximaal aantal vergunningen na splitsing >85%), dan komen de nieuwe adressen niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Als er wel voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is, dan wordt per adres, zoals ontstaan na splitsing van de zelfstandige woning wordt, maximaal één

bewonersvergunning verstrekt. Indien het oude adres niet vervalt, kan aan de bewoner van dat adres ook maximaal één parkeervergunning worden verleend. Per pand en/of adressengroep zoals is ontstaan als gevolg van de woningsplitsing worden maximaal 5 bewonersvergunningen verstrekt.

Er hoeft geen bijdrage in het bereikbaarheidsfonds betaald te worden. Er wordt middels deze regeling geen ontheffing/afwijking van de parkeerregels verleend/vergund voor zover de parkeerbehoefte toeneemt als gevolg van een toename van het bruto-vloeroppervlak.

Artikel 7. Niet naburige parkeerplaatsen Onder bepaalde voorwaarden is het, voor niet-woonfuncties, mogelijk om akkoord te gaan met het

voorzien in de parkeerbehoefte op aangekochte parkeerplaatsen, die op loopafstand van de locatie van het project liggen (artikel 6). Het huren van parkeergelegenheid beschouwen we niet als een duurzame

36/48

parkeeroplossing. Voordat overgegaan wordt tot deze uitzondering moet allereerst gekeken worden of er redenen zijn om niet af te wijken van de regels: Bijvoorbeeld in de volgende situaties: •

de te kopen parkeerplaats is (via een omgevingsvergunning) gekoppeld aan een ander bestaand gebouw/gebruik.

•

Het gebruik van de aan te kopen parkeerplaats levert strijdig gebruik volgens het bestemmingsplan op.

•

de te kopen parkeerplaats ligt niet binnen een loopafstand zoals geschetst in tabel 10 van het perceel waarop het project plaatsvindt (bijv. het perceel waarop een gebouw gebouwd gaat worden).

Als geen sprake is van bovenstaande situaties, dan kan in afwijking van de regel dat er op eigen terrein wordt geparkeerd, een vergunning worden verleend mits de hieronder genoemde eindsituatie maar wordt bereikt.

Koop en erfdienstbaarheid De eindsituatie moet als volgt zijn: 1.

De aanvrager van de omgevingsvergunning moet zakelijk gerechtigde zijn van zowel de gronden

2.

De gemeente moet een afschrift hebben gekregen van de akte van levering met betrekking tot

3.

4.

waarop het project wordt gerealiseerd als de gronden waarop de parkeerplaats(en) is/zijn gelegen. genoemde gronden.

Genoemde gronden moeten in eigendom zijn overgedragen (verkocht en geleverd) aan degene die de omgevingsvergunning heeft aangevraagd c.q. daarop is een exclusief beperkt zakelijk recht gevestigd t.b.v. het parkeren;

In overleg met en na goedkeuring door de gemeente Nijmegen moet een perceel zijn aangewezen, welk perceel in eigendom is van de gemeente Nijmegen, ten behoeve waarvan door de eigenaar van zowel het perceel waarop het project wordt gerealiseerd als het perceel waarop de

parkeerplaats(en) is/zijn gelegen, een erfdienstbaarheid wordt verleend. Het perceel waarop het

project wordt gerealiseerd wordt samen met het perceel waarop de parkeerplaatsen zijn gelegen, aangemerkt als dienend erf. Het perceel van de gemeente Nijmegen wordt aangemerkt als het 5.

heersend erf.

Er wordt door de eigenaar van zowel het perceel waarop het project wordt gerealiseerd als het perceel waarop de parkeerplaats(en) is/zijn gelegen, ten behoeve van het in overleg met de gemeente Nijmegen aangewezen gemeentelijk perceel, een erfdienstbaarheid verleend,

inhoudende om op, boven of onder de aangewezen erven het gebruik voor parkeren te dulden dan wel zich te onthouden van gedragingen welke dit parkeren te niet doet; ten behoeve van de 6.

gebruikers van het project waarop de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft.

Wanneer het verlenen van een erfdienstbaarheid niet mogelijk is, maar het beoogde effect van de verplichting door middel van het aangaan van een kwalitatieve verplichting of vestiging van een

kettingbeding met boetebeding door de eigenaar van zowel het perceel waarop het project wordt gerealiseerd, als het perceel waarop de parkeerplaats(en) is/zijn gelegen, ten behoeve van het in

overleg met de gemeente Nijmegen aangewezen gemeentelijk perceel wordt getroffen inhoudende de verplichting voor de eigenaar van het dienend erf om de parkeerplaatsen enkel en alleen te

laten gebruiken door de gebruikers van het project waarop de aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft.

Op deze manier wordt bereikt dat het perceel waarop het project wordt gerealiseerd en de gronden

waarop de parkeerplaatsen zijn gelegen de facto enkel nog als één gezamenlijk geheel aan een derde kunnen worden overgedragen. Tevens wordt bereikt dat de eigenaar van de gronden waarop de

37/48

parkeerplaatsen zijn gelegen de parkeerplaatsen niet laat gebruiken (bijv. door verhuur) door anderen dan gebruikers van bijv. het gebouw ten behoeve waarvan de parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Het zal in de praktijk natuurlijk voorkomen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning een

voorlopig koopcontract afsluit waarin een ontbindende voorwaarde is opgenomen voor het geval de

gevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd. In dat geval zal er ook gewacht moeten worden met de definitieve vestiging van een erfdienstbaarheid.

In dat geval kan van de regel dat op eigen terrein wordt geparkeerd worden afgeweken, als aan de volgende punten wordt voldaan: 1. 2. 3.

Er moet een voorlopige koopovereenkomst met betrekking tot de parkeerplaats(en) zijn

afgesloten en de gemeente moet hier een afschrift van hebben gekregen.

Een notaris moet een concept akte m.b.t. de vereiste erfdienstbaarheid hebben opgesteld en de

gemeente moet hier een afschrift van hebben gekregen.

De verkoop en de levering van de gronden + de definitieve vestiging van de erfdienstbaarheid

moeten gegarandeerd worden door deze als voorwaarde te koppelen aan de verleende omgevingsvergunning.

Artikel 8. Bereikbaarheidsfonds auto De aanvrager van de omgevingsvergunning moet ten alle tijden proberen om de parkeerplaatsen aan te leggen of anderszins maatregelen hebben genomen om de bereikbaarheid te garanderen (aantoonbaar fietsplan of OV-plan). Dit staat onder andere in hoofdstuk 1 en wordt ook in artikel 5 nader uitgelegd. Als bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning niet (volledig) voldaan kan worden aan de

parkeereis, dan dient voor het restant van de parkeeropgave een financiële bijdrage te worden geleverd per niet gerealiseerde parkeerplaats. Dit is alleen mogelijk bij niet-woonfuncties, met uitzondering van autovrije complexen zoals beschreven onder “autovrije complexen” in artikel 4.

De gemeente hanteert verschillende compensatiebedragen per parkeerplaats. In onderstaande tabel

zijn de afkoopbedragen per parkeerplaats opgenomen. De beoordeling of gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden van de afkoopregeling ligt altijd bij de gemeente. De zones komen overeen met de gebieden als opgenomen in kaart 1. Zone:

Bijdrage:

Binnenstad /

€ 20.000,-

1e en 2de Schil

€ 15.000,-

Rest bebouwde kom:

€ 5.000,-

Buitengebied:

€ 2.400,-

centrum:

Tabel 12. Compensatiebedragen per parkeerplaats

De instelling, voeding en gebruik van het bereikbaarheidsfonds wordt geregeld via de ‘Verordening

Bereikbaarheidsfonds gemeente Nijmegen’. De besteding van het fonds is in handen van het College van Burgemeester en Wethouders.

38/48

Artikel 9. Onderbouwing fietsparkeernormen BELEIDSREGEL 7: Bij het bepalen van de fietsparkeereis van niet-woonfuncties wordt gebruik gemaakt van de zone-indeling zoals weergegeven in kaart 1.

Met het stellen van fietsparkeernormen wil de gemeente Nijmegen het fietsgebruik faciliteren en

stimuleren. Het voorzien in kwalitatief hoogwaardige fietsparkeervoorzieningen draagt hieraan bij. De reden om de fiets te nemen in plaats van de auto is namelijk mede afhankelijk van de kwaliteit,

bruikbaarheid en functionaliteit van de fietsparkeervoorzieningen bij de plaats van bestemming.

Daarnaast wil de gemeente Nijmegen voorkomen dat de kwaliteit van de openbare ruimte afneemt door het niet kunnen stallen van de fiets. Daarom eisen we dat de fietsenstallingsvoorziening op eigen

terrein wordt opgelost. Uitgezonderd bestaande situaties, waarbij geen uitbreiding of functiewijziging wordt toegepast.

Middels het facetbestemmingsplan parkeren en de opgenomen parkeerregels in nieuwe

bestemmingsplan worden deze regels van toepassing verklaard op het hele grondgebied van Nijmegen. Omwille van de eenduidigheid is bij het opstellen van de fietsparkeernormen zoveel mogelijk

aansluiting gezocht bij de systematiek rond de parkeernormen voor de auto. Voor het bepalen van de

hoogte van de fietsparkeernormen zijn de Fietsparkeerkencijfers van het CROW (maart 2020, versie 4) als basis gebruikt. Op basis van fietsgebruikcijfers van het Kenniscentrum Fietsberaad gaan we voor Nijmegen uit van gemiddeld fietsgebruik.

Voor de binnenstad zoals aangegeven in kaart 1 passen we geen fietsparkeernormen toe. Behalve

wanneer het gaat om wonen, scholen, ziekenhuizen, supermarkten, kantoren en functies met een grote bezoekersaantrekkende werking (in tabellen aangegeven met ‘grote aantallen’). Hiervoor zijn drie redenen: •

Allereerst kent de binnenstad al hoogwaardige fietsenstallingen. En wordt op basis van de nota

‘Meer ruimte voor voetganger, fietser en consument in de binnenstad’ gewerkt aan het verbeteren van de fietsbereikbaarheid. • •

Hiernaast willen we graag de fietsenstallingen concentreren.

De binnenstad heeft tenslotte maar beperkte ruimte voor het toevoegen van fietsenstallingen in de openbare ruimte. Conform het binnenstadsbeleid ‘Binnenstad van de toekomst’ willen we ruimte bieden aan de transformatie van de binnenstad.

Het college van B&W heeft de discretionaire bevoegdheid om af te wijken van de regels omtrent fietsparkeernormering.

Gebiedsindeling De gebiedsindeling voor de toepassing van de fietsparkeernormen is conform de gebiedsindeling voor

de normering voor de auto. Hierbij gaat het om de gebieden centrum (=Binnenstad + Centrum in kaart 1), schil/overloopgebied (schil 1e en 2e ring in kaart 1), rest bebouwde kom en buitengebied. Niet alle functies gaan uit van deze gebiedsindeling. Indien dit niet van toepassing is staat dit duidelijk in onderstaande tabellen aangegeven.

Artikel 10. Fietsparkeernormen

39/48

BELEIDSREGEL 8: Bij het bepalen van de fietsparkeereis van niet-woonfuncties wordt gebruik gemaakt van de fietsparkeernormen zoals opgenomen artikel 11.

Het Bouwbesluit (artikel 4.31) verplicht bij nieuwbouwwoningen een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen op te bergen. Voor niet-woonfuncties is geen verplichting opgenomen. In de

gemeentelijke Huisvestingsverordening en de Beleidsregels Kamerverhuur zijn aanvullend eisen opgenomen ten aanzien van het beschikken over een inpandige fietsparkeervoorziening als

voorwaarde van het omzetten van woonruimte in niet-zelfstandige woonruimte of bewoning door drie of meer personen.

Kantoor (personeel)

Locatie

Norm

Eenheid

Centrum

2.0

100 m2 BVO

Schil

2,0

Bebouwde

1,5

Buitengebied

0,9

NS-station

1,1

Alle gebieden

6,0

Balie

Minimaal 6

Aantal

Norm

Eenheid

Opmerking

<250

4,3

10 leerlingen

250-500

5,0

>500

6,2

Kom

Kantoor met balie (bezoekers)

Opmerking

Tabel 13. Fietsparkeernorm Kantoren

leerlingen Basisschoolleerlingen

Basisschool medewerkers

Middelbare school leerlingen

Alle gebieden

0,4

10 leerlingen

10

100 m2 BVO

Grote aantallen

40/48

Middelbare school medewerkers

Centrum

0,6

Schil

0,5

Bebouwde

0,4

Kom

100 m2 BVO

ROC-leerlingen

12

100 m2 BVO

ROC-medewerkers

0,9

100 m2 BVO

Locatie

Norm

Eenheid

Binnen de

2,5

100 m2 BVO

2,7

100 m2 BVO

0,25

100 m2 BVO

0,25

100 m2 BVO

Op ov-locaties lager

Tabel 14. Fietsparkeernorm Scholen

Winkelcentrum

bebouwde

Opmerking

kom Supermarkt

Binnen de

bebouwde kom

Bouwmarkt

Binnen de

bebouwde kom

Tuincentrum

Vaak voldoende ruimte voor

fietsparkeer-

plekken en evt. uitbreidingen Tabel 15. Fietsparkeernorm Winkelen en boodschappen

Fastfoodrestaurant

Locatie

Norm

Eenheid

Opmerking

Centrum en

10

100 m2 BVO

Terras meetellen

Rest

3.5

schil

bebouwde kom

41/48

Buitengebied Restaurant (eenvoudig)

2.5 7,0

100 m2 BVO

Bijvoorbeeld

pannenkoekenhuis Terras meetellen

Restaurant (luxe)

2,0

100 m2 BVO

Café

7,0

100m2 BVO

Norm

Eenheid

Opmerking

Apotheek (bezoekers)

7

Locatie

Kleine aantallen

Apotheek (medewerkers)

4

Locatie

Kleine aantallen

Begraafplaats / crematorium

5

Gelijktijdige

Kleine aantallen

Gezondheidscentrum,

1,3

100 m2

0,4

100 m2

30

100

Tabel 16. Fietsparkeernorm Horeca

Locatie

inclusief huisarts, fysio,

plechtigheid

tandarts e.d. (bezoek)

Gezondheidscentrum,

inclusief huisarts, fysio, tandarts e.d. (pers.) Kerk / moskee

zitplaatsen

Protestanten meer dan

katholieken, moslims het minst

Ziekenhuis (bezoekers)

0,4

100 m2 BVO

Grote aantallen

Ziekenhuis (personeel)

0,6

100 m2 BVO

Grote aantallen

Tabel 17. Fietsparkeernorm Gezondheidszorg en maatschappelijke voorzieningen

Locatie Bibliotheek Bioscoop

Centrum

Norm

Eenheid

3,0

100 m2 BVO

7,8

100 m2 BVO

Opmerking

Grote aantallen

42/48

Schil

4,3

Rest

1,4

bebouwde Kom Fitness en dansstudio

Centrum

6,0

Schil

3,7

Rest

2,0

bebouwde

100 m2 BVO

Kom Museum

0,9

100 m2 BVO

Sporthal*

2,5

100 m2 BVO

Sportveld

50

Ha netto

Sportzaal

4,0

100 m2 BVO

Stadion

9,0

100

Grote aantallen

Stedelijke evenement

32

100 bezoekers

Grote aantallen

Centrum

24

100

Grote aantallen

Schil

21

Rest

18

Theater

bebouwde

terrein

zitplaatsen

zitplaatsen

Kom Zwembad (openlucht)

28

100 m2 bassin

Grote aantallen

Zwembad (overdekt)

20

100 m2 bassin

Grote aantallen

Tabel 18. Fietsparkeernorm Sport, cultuur en ontspanning * een sporthal is een locatie waar toernooien en (opeenvolgende) wedstrijden plaatsvinden, bij een sportzaal is dat niet het geval en gaat het bijvoorbeeld om een gymzaal zonder tribunes.

Busstation

Locatie

Norm

Eenheid

Centrum

42

Halterende

Opmerking

buslijn

43/48

Carpoolplaats

Schil

42

Halterende

Rand

0,8

Auto-

bebouwde kom

buslijn

parkeerplaats

Tabel 19. Fietsparkeernorm Overstappen

Artikel 11. Toepassingskader Parkeernormen Fiets BELEIDSREGEL 9: De fietsparkeereis voor niet-woonfuncties wordt bepaald door de parkeervraag van de oude functie af te trekken van de parkeervraag van de nieuwe functie (salderen).

BELEIDSREGEL 10: Bij een bouwontwikkeling of gebruikswijziging hoeft dus alleen te worden voorzien in de extra parkeerbehoefte. Het staat een initiatiefnemer of initiatiefnemer altijd vrij om méér fietsparkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren dan de parkeereis.

BELEIDSREGEL 11: Bij het bepalen van de fietsparkeereis van niet-woonfuncties wordt gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages zoals opgenomen in tabel 2. Bij dubbelgebruik kan de

fietsparkeereis naar beneden worden bijgesteld, mits de initiatiefnemer dit onderbouwt met een fietsparkeerbalans.

BELEIDSREGEL 12: Parkeervoorzieningen voor fietsen bij niet-woonfuncties komen altijd op eigen

terrein, al dan niet inpandig, tenzij wordt voldaan aan tenminste één van de afwijkingscriteria / vrijstellingen zoals beschreven in artikel 12.

BELEIDSREGEL 13: Bij appartementencomplexen wordt een gemeenschappelijke fietsenberging in

combinatie met een inpandige berging als gelijkwaardig aan een individuele fietsenberging conform het Bouwbesluit beschouwd als voldaan wordt aan hetgeen beschreven in artikel 13.

Bepalen van de fietsparkeereis De fietsparkeernorm wordt gebruikt om het aantal te realiseren fietsparkeerplaatsen te berekenen bij

nieuwe ontwikkelingen, de fietsparkeereis. Hiervoor wordt de omvang van de functie vermenigvuldigd met de fietsparkeernorm. De uitkomst hiervan wordt naar boven afgerond.

Bij nieuwbouwplannen wordt enkel naar de behoefte van de nieuwe functie gekeken op basis van het

programma en de ligging in stad. Bij verbouwplannen worden de nieuwe en oude fietsparkeerbehoefte gesaldeerd. De fietsparkeerbehoefte van de oude functie wordt hierbij afgetrokken van de fietsparkeerbehoefte van de nieuwe functie.

De normen opgenomen in de tabellen gelden voor functies waarvan het te verwachten fietsgebruik

groot is en daarmee een duidelijke impact heeft op de openbare ruimte. Het is mogelijk dat voor een bepaalde functie geen specifieke norm is vastgesteld. Voor deze functies gelden dan ook geen

44/48

fietsparkeernormen. Dit laat onverlet dat een aanvrager wel zorg moet dragen voor het realiseren van voldoende fietsparkeerplaatsen.

Dubbelgebruik Net als bij de autoparkeernormen, mag rekening gehouden worden met dubbelgebruik van de

fietsparkeerplaatsen als binnen de ontwikkeling verschillende functies worden gerealiseerd onder de voorwaarde dat de fietsparkeerplaatsen redelijkerwijs door alle gebruikers van het plan gebruikt

kunnen worden (qua openbaarheid en ligging). De dubbelgebruikpercentages voor de auto kunnen ook gebruikt worden voor de fiets.

Oplossen op eigen terrein De fietsparkeerplaatsen dienen op openbaar toegankelijk eigen terrein gerealiseerd te worden, met uitzondering van fietsparkeerplaatsen voor personeel. Deze fietsparkeervoorziening hoeft niet openbaar toegankelijk te zijn.

De fietsparkeerplaatsen dienen te voldoen aan de kwaliteitseisen van Fietsparkeur en de vigerende

CROW-richtlijnen. Verder geldt dat de fietsenstalling logisch en overzichtelijk moet zijn ingedeeld, er binnen en vanuit de fietsenstalling naar de bijbehorende bestemming een logische, snelle en

eenvoudige routing is (bij voorkeur binnendoor) en de sociaal veiligheid is gewaarborgd door een goede indeling en verlichting (bij voorkeur daglichttoetreding).

Daarnaast dienen fietsparkeervoorzieningen zichtbaar en herkenbaar te liggen aan de aanvoerroute en zoveel mogelijk aan te sluiten bij het ‘natuurlijke’ gedrag van de fietser om de fiets zo dicht mogelijk bij de bestemming te kunnen stallen. Om los parkeren van fietsen op straat te voorkomen heeft een gelijkvloerse (centrale) fietsvoorziening de voorkeur boven een ongelijkvloerse fietsvoorziening.

Artikel 12. Vrijstelling van de fietsparkeereis In de binnenstad is voldoende fietsparkeergelegenheid voor het binnenstadsbezoek. Voor

ontwikkelingen met uitzondering van: wonen, scholen, ziekenhuizen en kantoren en functies met een grote bezoekersaantrekkende werking (in tabellen aangegeven met ‘grote aantallen’) passen we geen fietsparkeernorm toe.

Ontwikkelingen buiten de binnenstad krijgen, met uitzondering van: wonen, kamerverhuur, scholen en ziekenhuizen vrijstelling wanneer het een ontwikkeling betreft met een fietsparkeereis van maximaal 5 fietsparkeerplaatsen. Het gaat hierbij veelal om kleine ontwikkelingen (uitbreidingen van bestaande

situaties) met minimale impact op de openbare ruimte. Bijvoorbeeld uitbreiding van een supermarkt met 172 m² bvo.

Het te realiseren aantal fietsparkeerplaatsen kan worden teruggebracht als er sprake is van een locatie

waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de fietsparkeereis te voldoen. Van belang is dat bij afwijkingen van de fietsparkeereis de noodzaak en de verschillende effecten zorgvuldig worden afgewogen.

Fietsparkeerplaatsen niet op eigen terrein: Het te realiseren aantal fietsparkeerplaatsen kan op een andere locatie worden gerealiseerd indien

sprake is van een ontwikkellocatie waarbij de openbare ruimte wordt mee ontwikkeld en het ruimtelijk of financieel onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de fietsparkeereis te voldoen. De

45/48

fietsparkeervraag kan dan op acceptabele loopafstand van de ontwikkeling en in openbaar toegankelijk gebied alsnog worden gerealiseerd. Hierbij houden we rekening met de karakteristieken van de wijk.

Bij afwijking van het realiseren van fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein wordt als eis gesteld dat geen hinder voor voetgangers en voertuigen wordt gecreëerd en dat de fietsparkeervoorzieningen logisch worden ingericht voor de gebruiker.

Elektrische fiets, buitenmaatse fietsen en brommers/scooters: Het gebruik van de elektrische fiets, buitenmaatse fietsen (waaronder de bakfiets) en (elektrische) scooters neemt toe. We stellen echter geen normen voor het percentage fietsklemmen dat bij een ontwikkeling moet voldoend aan elektrisch fietsgebruik, gebruik van buitenmaatse fietsen en

scooters/brommers. Het is aan de ontwikkelende partij om een inschatting te maken van het aantal klemmen dat geschikt moet zijn voor elektrisch fietsgebruik, gebruik van bakfietsen en

brommers/scooters. Hiermee behouden we flexibiliteit en kunnen we inspelen op de meest recente wensen en eisen. Bij functies waarbij men voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van scooters,

brommers en andere vervoersmiddelen (afhalen en bezorgen) moet wel hiervoor een deel gereserveerd worden.

Artikel 13. Gemeenschappelijke inpandige fietsenberging bij een woongebouw Het Bouwbesluit stelt in artikel 4.31, lid 1, voor woningen een individuele fietsenberging verplicht van 5 m². In dit artikel wordt toegelicht hoe een gemeenschappelijke inpandige fietsenstalling -in

combinatie met een inpandige berging- zodanig kan worden ingericht dat dit door de gemeente Nijmegen als gelijkwaardig aan een individuele fietsenberging conform het Bouwbesluit wordt

beschouwd. Een aantal aspecten is hierbij van belang: het aantal fietsplekken per woning, de eisen aan de inpandige berging in de woning, de bereikbaarheid en het beheer van de gemeenschappelijke fietsenberging.

Aantal fietsplekken Het aantal fietsplekken per woning moet voldoen aan het onderstaande schema. Het is toegestaan om dubbele fietsenrekken toe te passen. Er dienen echter wel altijd twee plekken per woning in een laag rek beschikbaar te zijn

Gebruiksoppervlakte woning (m2)

Aantal plekken in

Benodigde interne

< 50

2

n.v.t.

>50 - 75

3

2,7

>75

4

2,7

fietsenrek

berging (m2)

Aangezien de toelichting van het Bouwbesluit stelt dat een fietsenberging ook bedoeld is voor het

opbergen van spullen, moet er bij woningen groter dan 50m2 een berging van 2,7 m² in de woning te worden gerealiseerd.

46/48

Makkelijke bereikbaarheid inpandige fietsenberging Fietsenbergingen worden bij nieuwbouw doorgaans inpandig gerealiseerd, waarbij men lange gangen

en meerdere deuren door moet om deze te bereiken. De slechte bereikbaarheid van deze bergingen is vaak reden voor bewoners om hun fietsen buiten (op straat) te parkeren. De bereikbaarheid van de inpandige stalling is daarom een voorwaarde voor het toestaan van de gemeenschappelijke fietsenberging.

De bereikbaarheid is een samenspel van een aantal factoren. Bij een bouwplan waarbij men aanspraak

wil maken op deze gelijkwaardigheid dient bij de aanvraag van een omgevingsvergunning daarom een onderbouwing te worden gevoegd ten aanzien van de bereikbaarheid. Onderstaande aspecten dienen hierbij in ieder geval aan de orde te komen: • • • •

de berging is bereikbaar via 1 deur,

er zitten elektronische sloten op de deuren naar de fietsenberging, de berging is gelegen op maaiveld niveau,

al het hoogteverschil wordt overbrugd door hellingbaan

Bij een gemeenschappelijke fietsenberging is een goed beheer van belang. De aanvrager moet aantonen dat: •

privaatrechtelijk is vastgelegd dat ieder appartement het aantal plekken krijgt toegewezen conform bovenstaande tabel,

•

er afspraken over gebruik en beheer in het huishoudelijke reglement worden opgenomen.

Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel Deze regeling treedt in werking onder gelijktijdige intrekking van “Beleidsregels parkeren, parkeernormen auto en fiets”, een dag na publicatie in het gemeenteblad. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels parkeren 2022.

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van: 5 april 2022.

de gemeentesecretaris mr. drs. A.H. van Hout

de burgemeester drs. H.M.F. Bruls

Bijlagen Bijlage 1. Vereisten voor parkeeronderzoek

47/48

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning kan van de eis om de parkeereis op eigen terrein op te vangen worden afgeweken. De aanvrager dient hiervoor voldoende onderzoek te doen. De gemeente Nijmegen stelt de volgende eisen bij een parkeeronderzoek:

Om voor een afwijking in aanmerking te komen, dient de aanvrager een parkeeronderzoek uit te laten voeren naar de vraag of er binnen een redelijke loopafstand voldoende ruimte op de openbare weg aanwezig is om de parkeerbehoefte van het project op te vangen. De redelijke loopafstanden zijn genoemd in artikel 5. Hierbij moet de aanvrager het volgende in acht nemen: 1.

Het parkeeronderzoek moet door een verkeerskundig adviesbureau, met ervaring op het gebied

2.

Het onderzoeksgebied, het aantal tellingen en de momenten waarop er geteld zal worden, moet

3.

van parkeertellingen, worden uitgevoerd.

vooraf in overleg met de gemeente worden vastgesteld.

Ten aanzien van het aantal tellingen en de momenten waarop er geteld zal worden, gelden de volgende richtlijnen: •

De tellingen moeten plaats vinden binnen een periode van 14 dagen, waarbij er op minimaal 2 werkdagen in de ochtend, de middag, de avond en de nacht periode wordt geteld.

•

De tellingen moeten plaats vinden op representatieve momenten. Tellingen tijdens een

vakantieperiode (schoolvakantie) of op een feestdag worden in beginsel geacht niet te zijn

gedaan op een representatief moment. Bij de aanwezigheid van voorzieningen (dat zijn alle

andere functies dan “woonfuncties”) in het onderzoeksgebied geldt dat er ook op 1 koopavond en 1 zaterdagochtend of -middag moet worden geteld. Dit geldt ook als het project zelf een 4.

voorziening betreft.

Betreft het een aanvraag voor een project dat is gelegen buiten een gereguleerd parkeergebied

(dus buiten een gebied waarin bijvoorbeeld betaald parkeren is ingevoerd), dan mag de telling ook

alleen buiten het gereguleerde gebied plaatsvinden (de tellingen mogen dan alleen plaats vinden in 5.

een gebied waar geen betaald parkeren is ingevoerd).

Als uitgangspunt geldt dat de bezettingsgraad binnen het onderzoeksgebied is gesteld op 85% voor de bestaande functies. De overige 15% is gereserveerd voor zogenaamd zoekverkeer (dit

betekent dat er enkel restruimte op de openbare weg aanwezig is indien en voor zover er uit de

tellingen blijkt dat er feitelijk een lagere bezettingsgraad is dan 85%). Uitzondering hierop zijn het aantal Kiss & ride parkeerplaatsen. Zij mogen wel gebruik maken van deze 15% omdat Kiss & ride 6.

zich tot een tijdelijke bezetting beperkt.

Gebieden die binnen een redelijke loopafstand liggen, maar tegelijkertijd binnen de binnenstad (zie kaart 1) vallen, mogen niet worden meegenomen in het onderzoek omdat binnen de

binnenstad de bezettingsgraad op 95% is gesteld en de overige 5% aan zoekverkeer wordt 7.

toegerekend.

De uitkomsten van het parkeeronderzoek moeten in een onderzoeksrapport overgelegd worden aan het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders behoudt zich het recht in geval van gerede twijfel om extra onderzoek te vragen, en / of een

8.

eigenstandig onderzoek te verrichten.

Ten aanzien van het onderzoeksrapport geldt de volgende verplicht gestelde opmaak: • •

Inleiding: vraagstelling, probleemstelling en doelstelling

Situatie plangebied: omschrijving locatie, omschrijving project in relatie tot parkeereis, omschrijving parkeermogelijkheden op eigen terrein, omschrijving noodzakelijk aantal parkeerplaatsen in openbaar gebied

•

Werkwijze parkeeronderzoek: het onderzoeksgebied, data en tijdstippen van het tellen en het aantal tellingen

• •

Resultaten parkeeronderzoek: overzicht uitkomst tellingen en constateringen Conclusie en advies: conclusie en aanbevelingen.

48/48

Natuur Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen Westerkwartier Stationsgebied Oplegnotitie

Datum: 2 februari 2023

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

Aanleiding De gemeente Nijmegen hecht grote waarde aan een prettige leefomgeving. Voor haar burgers , maar ook voor de flora en fauna in de omgeving. Uitgangspunten uit de omgevingsvisie (Omgevingsvisie Nijmegen 2020-2040) zijn: We nemen de natuur mee in onze plannen en kiezen voor ‘natuurinclusief bouwen’. Om natuurinclusief bouwen te implementeren in de bouwplannen, is voor de Waalsprong de “Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen, Leidraad voor de Waalsprong” (verder benoemd als Toolbox Waalsprong) opgesteld. Deze Toolbox Waalsprong is gebaseerd op de omgeving, de gewenste soorten en de ambitie en gekoppeld aan de Leidraad natuurinclusief bouwen, renoveren en verduurzamen van de Provincie Gelderland. Voor de rest van de stad gaat een dergelijke Toolbox ook opgesteld worden. Deze is echter op dit moment nog niet beschikbaar. Deze oplegnotitie is bedoeld om de Toolbox Waalsprong toepasbaar te maken voor het plangebied. Daarom is in de oplegnotitie een kaart toegevoegd voor de ruimtelijke context. De systematiek en de puntenwaardering zijn ongewijzigd; een eventuele wijziging daarvan vereist tijd en afstemming met diverse interne disciplines. Totdat een nieuwe Toolbox beschikbaar is dient deze oplegnotitie gebruikt te worden zodat kansen die zich op korte termijn voordoen niet onbenut blijven. De toolbox is een gemeentelijk beleidsinstrument.

Daarnaast is er vanuit de Wet natuurbescherming de verplichting om de bij sloop van het voormalige UWV gebouw verloren gegane verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis te compenseren door 8 vervangende verblijfplaatsen die geschikt zijn als zomer- en paarverblijfplaats te realiseren in de nieuwbouw. Let op: de voorwaarden uit de ontheffing Wet natuurbescherming blijven ten alle tijde van toepassing! Ook kan het zijn dat de onderzoeksgegevens verouderd raken en dat de noodzaak tot (aanpassing van) ontheffing opnieuw aan de provincie moet worden voorgelegd. De oplegnotitie staat los van de Wet natuurbescherming.

Waar doen we het voor Het doel van het natuurinclusief ontwikkelen en bouwen is het versterken van de stedelijke biodiversiteit en het vergroten van de belevingswaarde voor de bewoners. Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten die er zijn. Voor de mens is biodiversiteit van groot belang; voor ons welzijn, een goede ontwikkeling van gewassen en het voorkomen van ziekten en plagen. Variatie is belangrijk voor evenwicht in de natuur en maakt haar minder kwetsbaar. Tevens willen we met de groene maatregelen uit de toolbox een bijdrage leveren aan het tegengaan van hittestress, wateroverlast en droogte. Klimaatadaptieve maatregelen moeten bijdragen aan het terugdringen of tenminste beheersbaar houden van de effecten van klimaatverandering. De Nijmeegse klimaatadaptieve ambities zijn opgenomen in de omgevingsvisie.

Stap 1 – bepalen aantal potentiele verblijfplaatsen Gebouwbewonende soorten hebben hun broed- en verblijfsplaatsen in of tegen gebouwen. Huismussen leven al eeuwenlang in de omgeving van mensen, gierzwaluwen zijn in West-Europa sterk geassocieerd met mensen en ook de gewone dwergvleermuis is een echte cultuurvolger en is dan ook veel in de bebouwde omgeving te vinden. Door moderne bouwtechnieken zijn gebouwen echter vaak ontoegankelijk geworden en blijven weinig spontane spleten en gaten over die gebruikt kunnen worden door deze gebouwbewonende dieren. De nieuwe bebouwing in het plangebied kan echter ook in potentie veel nest- en verblijfplaatsen bieden wanneer daarin bewust ruimte wordt gecreëerd. Deze kans willen we benutten. Het ambitieniveau van de aantallen te realiseren potentiele verblijfplaatsen is gebaseerd op de van oudsher ruim aanwezige spontane kieren en gaten in gebouwen en gewenste variatie in microklimaat en omgeving. Voor de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis kan het plangebied dan in relatie met de groene omgeving geschikte huisvesting bieden.

1

Vanwege de noodzakelijke ecologische keuzes en uitwerkingen moet de ontwikkelaar zich tijdens dit proces laten adviseren door een (eigen) ecologisch adviseur. De gemeente heeft een toetsende rol.

2

Stap 1a rekenkundige bepaling Het onderstaande rekenmodel dient gebruikt te worden om de aantallen te realiseren potentiele verblijfplaatsen te bepalen. Dit komt overeen met stap 1 uit de Toolbox Waalsprong.

Definities - Een kopgevel is de eerste en laatste gevel aan weerszijden van een huizenrij, huizenblok, tweekappers of (appartementen-)gebouw. Bij samengestelde hoogbouw en bouwcomplexen is een kopgevel ook herkenbaar doordat deze tussen de eerste en laatste gevel in de hoogte uitsteekt. Dit uitsteken wordt gekwantificeerd in een verschil in goothoogte van minimaal 20% ten opzichte van de daarnaast lager gelegen gevel.

Stap 1b plaatsing binnen plangebied De aantallen die voortkomen uit het rekenmodel van stap 1a dienen binnen het plangebied gerealiseerd te worden. Het is niet noodzakelijk dat de verdeling naar gevels uit het rekenmodel wordt aangehouden. Binnen de invloedsfeer van het plangebied dient gezocht te worden naar de beste locaties voor de potentiele verblijfplaatsen. Oftewel, binnen het plangebied dient geschoven te worden met de nestvoorzieningen.

Stap 1c ecologische potenties De aantallen die voortkomen uit het rekenmodel van stap 1a dienen binnen het plangebied gerealiseerd te worden. Binnen de invloedsfeer van het plangebied dient gezocht te worden naar de beste locaties voor de potentiele verblijfplaatsen. De uiteindelijke locatiebepaling van de verblijfplaatsen is afhankelijk van ecologische potenties. Daarbij zijn onder andere van belang de situering van de bouwblokken (bezonning) en de aanwezigheid van belemmerende elementen in de in- en uitvliegzone en verlichting. Deze factoren dienen in het ontwerpproces meegenomen te worden zodat er “bijgeschaafd” kan worden. Uitgangspunt is in een vroegtijdig stadium de opgave voor potentiele verblijfplaatsen mee te nemen, zodat er rekening kan worden gehouden met ecologische eisen. Het is weinig doelmatig om aan een voltooid ontwerp als laatste de verblijfplaatsen toe te voegen. Het is noodzakelijk dat er een (eigen) ecoloog betrokken wordt die deze factoren in het ontwerpproces meeneemt, zodat er geen voorzieningen gesitueerd worden op gevels die niet kansrijk zijn. Er kan alleen worden afgeweken van de aantallen uit stap 1a wanneer uit een ecologische onderbouwing blijkt dat dit niet leidt tot potentieel geschikte nest- en verblijfplaatsen voor de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis.

Om tot duurzame vestiging van deze soorten te komen, zijn nestvoorzieningen alleen niet genoeg. Wanneer zij geen plek hebben om te foerageren, is de waarde van de nestvoorzieningen beperkt. Voor écht natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is meer nodig.

Stap 2 – ruimtelijke context Om de bepalen binnen welke ruimtelijke context de natuurinclusieve maatregelen genomen worden is in de Toolbox Waalsprong het plangebied ingedeeld in vier zones (stap 2 uit de Toolbox Waalsprong). Aansluitend op deze indeling en karakterisering is het plangebied Westerkwartier Stationsgebied benoemt als Stedelijke zone.

3

Figuur 1 Ruimtelijke context

Stap 3 – inwisselbaarheid van verblijfplaatsen In de Stedelijke zone zijn groene maatregelen verplicht. In onderstaande tabel is weergegeven dat in het ‘stedelijke’ Westerkwartier Stationsgebied voor de gewone dwergvleermuis en huismus minimaal 25% van de verblijfplaatsen móet en maximaal 50% van de verblijfplaatsen màg worden ingewisseld voor groene maatregelen. Het betreft inwisselen van òfwel 25% òfwel 50% van de verblijfplaatsen. Het vrijwillig treffen van extra groene maatregelen is uiteraard mogelijk en zeer gewenst.

In de Toolbox worden de groene maatregelen gewaardeerd met punten. Elke groene maatregel heeft een ecologische waarde van 1 tot 6 punten, zie bijlage A van de Toolbox Waalsprong. Bij de inwisseling van 25% nestvoorzieningen dienen er tenminste 6 punten gerealiseerd te worden. De 8 verblijfplaatsen die geschikt zijn als zomer- en paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis komen voort uit de wettelijke verplichting en staan daarom vast.

4

Stap 4 – bepalen van type maatregelen Voor Westerkwartier Stationsgebied dient minimaal 6 punten gescoord te worden aan groene maatregelen. Dit betekent dat per omgevingsvergunningaanvraag 6 punten gescoord dienen te worden uit de Toolbox, zoals opgenomen in “Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen Westerkwartier Stationsgebied”. Dit kan ook door middel van samenwerking/ bundeling van omgevingsvergunningaanvragen door middel van een “Plan van Aanpak natuurinclusieve maatregelen” in beeld worden gebracht, en zowel in de vorm van gebouwgebonden maatregelen, als ook maatregelen in de buitenruimte. In dit plan van aanpak staat (ten minste) welke maatregelen, waar, wanneer gerealiseerd worden en wie daarvoor verantwoordelijk is. Uit oogpunt voor natuur is een combinatie van verblijfplaatsen, foerageergebied én dekking gewenst. In bijlage A van de toolbox en in bijlage E ‘Mitigatiecatalogus’ vindt u een praktische handleiding voor natuurinclusief bouwen met uitgewerkte voorbeelden. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: - minstens 5 jaar in goede staat moeten blijven; - realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij; - beantwoorden aan het doel. Bij twijfel moeten de maatregelen worden goedgekeurd door de opdrachtgever om mee te kunnen wegen in de beoordeling.

Stap 5 – uitleg en verantwoording De ontwikkelaar verantwoordt in een toelichting hoe de beste locaties voor de potentiele verblijfplaatsen zijn bepaald, wat de groenmaatregelen inhouden en waar het komt. In de fase van het Voorlopig Ontwerp (VO) stuurt u naar de gemeente de volgende documenten ter toetsing: - een tekening met legenda waarop de potentiele verblijfplaatsen en groenvoorzieningen staan ingetekend; - de schriftelijke toelichting en verantwoording van de gemaakte keuzes (ecologisch advies). - Bij samenwerking met andere partijen een “Plan van Aanpak natuurinclusieve maatregelen”

Erratum

In de Toolbox Waalsprong zijn nog enkele onderwerpen genoemd. Hierover het volgende: - De algemene maatregelen zoals benoemd in bijlage A tabel A zijn zeer gewenst, echter zijn dit geen fysieke maatregelen die in de openbare ruimte te herkennen zijn. Vandaar dat deze algemene maatregelen niet meetellen in de minimaal te behalen score. De maatregelen benoemd in tabel B Opstalgebonden maatregelen en tabel C Omgevingsgebonden maatregelen tellen wel mee als groene maatregel. - De maatregelen zoals benoemd in tabel B en C dienen in verhouding te staan tot de opgave en te beantwoorden aan het doel. Bij twijfel moeten de maatregelen worden goedgekeurd door de gemeente Nijmegen om te kunnen meewegen in de beoordeling.

5

TOOLBOX NATUURINCLUSIEF ONTWIKKELEN EN BOUWEN Leidraad voor de Waalsprong Gemeente Nijmegen

14 JANUARI 2020 GEWIJZIGD DOOR GEMEENTE NIJMEGEN

TOOLBOX NATUURINCLUSIEF ONTWIKKELEN EN BOUWEN

Contactpersonen VERIAN KLARUS Adviseur Natuur

T +31 6 151 186 072 M +31 6 151 186 072 E verian.klarus@arcadis.com

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland

MAX KLASBERG Stadsecoloog

T +31 6 27 06 06 69 E max.klasberg@arcadis.nl

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

Arcadis Nederland B.V. Postbus 33 6800 LE Arnhem Nederland

2 van 57

INHOUDSOPGAVE 1

2

INLEIDING

4

1.1

Ambitie voor de Waalsprong

4

1.2

Inwisselen van verblijfplaatsen voor groen

4

1.3

Uitgangspunten groene omgevingsmaatregelen

5

1.4

Inzet van de leidraad binnen Waalsprong

5

LEIDRAAD NATUURINCLUSIEF BOUWEN

6

2.1

Stap 1 – bepalen aantal nestvoorzieningen uit SMP-N

6

2.2

Stap 2 – bepalen van de relevante zone

7

2.3

Stap 3 – bepalen van de inwisselbaarheid van aan te brengen nestvoorzieningen

9

2.4

Stap 4 – bepalen van type maatregelen

10

2.5

Stap 5 – registratie en presentatie maatregelen

11

BRONNEN

56

BIJLAGEN BIJLAGE A – RELEVANTE MAATREGELEN PER SOORT EN ZONE (TOOLBOX)

12

BIJLAGE B – INWISSELEN VERBLIJFPLAATSEN VOOR GROENE MAATREGELEN

19

BIJLAGE C – INFORMATIE DOELSOORTEN

21

BIJLAGE D – INFORMATIE OVER DE ZONES

33

BIJLAGE E – OVERZICHT MOGELIJKE MAATREGELEN VOOR DE DOELSOORTEN IN MITIGATIECATALOGUS

40

BIJLAGE F – PROJECTFORMULIER NATUURINCLUSIEF ONTWIKKELEN EN BOUWEN

45

BIJLAGE G – REKENVOORBEELDEN REFERENTIEPROJECTEN

46

COLOFON

57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

3 van 57

1

INLEIDING

1.1

Ambitie voor de Waalsprong

Nijmegen is de stad aan de Waal met het meeste aantal inwoners van de Provincie Gelderland. Een stad die blijft groeien en daarmee een opgave heeft om voldoende woningen en een prettige leefomgeving te realiseren. Voor haar burgers, maar ook voor de beschermde flora en fauna in de omgeving. De gemeente heeft op dit vlak al de nodige resultaten geboekt: • Handvat Natuurinclusief bouwen en ontwerpen. • Notitie ‘Groen in Nijmegen(-Noord), Hapklare blokjes voor een natuurinclusieve wijk’. • Soortenmanagementplan Nijmegen (SMP-N) voor het duurzame behoud van beschermde soorten binnen de Waalsprong. Op basis hiervan is door de provincie een gebiedsontheffing verleend in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het SMP-N streeft de gemeente naar een effectieve en efficiënte instandhouding en versterking van een aantal (beschermde) diersoorten bij de ontwikkelingen in de Waalsprong. Onderdeel van het SMP-N is tevens het natuurinclusief bouwen dat zich richt op de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis. Tussen gemeente Nijmegen en de provincie is een ambitieniveau afgesproken over de betreffende gebouwgebonden diersoorten. Zie ook onderstaande tabel. Daarnaast gaat het ook om aanvullende maatregelen zoals gevelgroen en heggen. Tabel 1 - Ambitieniveau natuurinclusief bouwen SMP-N

Soort woning

Gewone dwergvleermuis

Gierzwaluw

Huismus

Hoogbouw Vanaf 2020 circa 1.800 woningen (volgens rekenmodel 40 gebouwen)

1 winterverblijfplaats per kopgevel

20 voorzieningen per kopgevel/gevel met gewenste oriëntatie

20 voorzieningen per kopgevel

Grondgebonden woningen Vanaf 2020 circa 3.000 woningen

1.2

Totaal circa 40 voorzieningen

1 voorziening per kopgevel Totaal circa 375 voorzieningen

Totaal circa 800 voorzieningen

Totaal circa 800 voorzieningen

3 voorzieningen per woning aan de voorgevel

3 voorzieningen per woning aan de achtergevel

Totaal circa 9.000 voorzieningen Totaal circa 9.000 voorzieningen

Inwisselen van verblijfplaatsen voor groen

Om tot duurzame vestiging van de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis te komen, zijn nestvoorzieningen alleen niet genoeg. Wanneer de soorten geen plek hebben om te foerageren, is de waarde van de nestvoorzieningen beperkt. Voor écht natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is dus meer variatie in de maatregelen nodig. Daarom wordt door de gemeente de mogelijkheid geboden om de verplichte nestvoorzieningen uit SMP-N in sommige gevallen ‘in te wisselen’ met groene omgevingsmaatregelen. Dat is vooral van belang in een meer stenige omgeving met weinig tuinen en openbaar groen. Zie bijlage B voor de achtergrond van deze keuze. Voor dit doel is de onderhavige Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen opgesteld. Met deze groene omgevingsmaatregelen wordt ook de stedelijke biodiversiteit versterkt, de belevingswaarde voor de toekomstige bewoners vergroot en een bijdrage geleverd aan klimaatadaptatie. In dit kader dient nog vermeld te worden dat het niet gaat om waterbergingsvraagstukken. Het watersysteem van de Waalsprong is namelijk al klimaatbestendig opgezet en wordt beheerd vanuit het waterhuiskundig plan. Desalniettemin kunnen groene omgevingsmaatregelen - waarmee het versteende areaal wordt beperkt positief doorwerken op de waterhuishouding in de Waalsprong.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

4 van 57

1.3

Uitgangspunten groene omgevingsmaatregelen

Om de waarde van de verplicht te plaatsen nestvoorzieningen vanuit de SMP-N tot uiting te laten komen, kan een percentage hiervan ingeruild worden voor maatregelen niet-zijnde nestvoorzieningen. Dit percentage varieert van 0 tot 50%, afhankelijk van de zone waar de ontwikkeling plaatsvindt. De toolbox natuurinclusief bouwen en ontwikkelen helpt om invulling te geven aan deze ruil. Daarbij biedt de toolbox een weg naar passende maatregelen voor het beoogde doel van de gemeente Nijmegen: een leefomgeving creëren waar zowel de mens als de natuur baat bij heeft. Uitgangspunten daarbij zijn als volgt: 1. Natuurinclusief bouwen is niet als eenduidig voorschrift in een wet of contract te vatten. De gemeente wil de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars in het werken met en voor de biodiversiteit bevorderen. 2. De maatregelen waar de gemeente Nijmegen mee wil werken hebben betrekking op: • zowel flora als fauna; • het bevorderen van de biodiversiteit; • klimaatadaptatie: het tegengaan van hittestress als gevolg van klimaatverandering en/of; • belevingsfunctie: het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving voor inwoners én bezoekers 3. Maatregelen werken door op diverse schaalniveaus en elementen in de Waalsprong.

Denk hierbij aan: • specifieke elementen inbouwen voor specifieke (dier)soorten, zoals neststenen voor de huismus; • gebouw gebonden ingrepen, zoals gevelgroen en groene daken; • gebouw gebonden buitenruimtes, zoals tuinen; • publieke ruimtes en openbaar groen, zoals parken, speeltuinen en groenstroken. 4. De toolbox richt zich specifiek op het creëren van een gunstige leefomgeving voor de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis (de gebouw gebonden soorten). Maatregelen die genomen worden vanuit de SMP-N en de toolbox hebben een algemeen positief effect op de biodiversiteit. Hierdoor hebben ook andere (niet beschermde) soorten profijt van de voorzieningen. 5. Passende maatregelen zijn in de toolbox (bijlage A en bijlage B) te vinden. Ter inspiratie zijn daar ook maatregelen in meegenomen ten behoeve van andere soorten dan enkel de gebouw gebonden soorten. 6. Door middel van een helder stappenplan kunnen ontwikkelaars en architecten bepalen wat er nodig is voor hun specifieke project. De overtuiging is dat het inruilen van een percentage van de verplichte voorzieningen, ten behoeve van foerageergebied en voedselvoorziening, ontwikkelaars en bouwers een positievere stimulans geeft om aan de slag te gaan met natuurinclusieve maatregelen. Daarnaast wordt met het ‘inruilen’ van de min of meer ‘onzichtbare’ nestvoorzieningen, een getroffen maatregel voor natuur zichtbaarder.

Dit draagt bij aan de bewustwording van bewoners. Tot slot wordt door middel van een aantal natuurinclusieve maatregelen invulling gegeven aan het nevendoelen: het voorkomen van hittestress. Op deze manier wordt de waarde van de maatregelen die getroffen worden vanuit het SMP-N geoptimaliseerd op gebiedsniveau.

1.4

Inzet van de leidraad binnen Waalsprong

Het werken met onderhavige leidraad is van toepassing voor nieuwbouwprojecten binnen het plangebied de Waalsprong vanaf 2020. Het gebied wordt globaal begrensd door de A15 in het noorden, de Zandsestraat en Vossenpelsestraat in het oosten, de Waal met uiterwaarden in het zuiden, en de Waaldijk in het westen. Verschillende delen in de Waalsprong zijn reeds ontwikkeld of worden op dit moment ontwikkeld. Het is van groot belang om de natuurinclusieve maatregelen vroegtijdig in het project mee te nemen, namelijk bij het formuleren van uitgangspunten (planuitwerkingskader / programma van eisen). Hoe vroeger in het planproces, hoe meer mogelijkheden om natuurinclusieve maatregelen in te passen zonder of met een geringe kostenverhogende werking. Andersom geldt dat late inbreng van natuurinclusieve uitgangspunten tot knelpunten kan leiden en soms tot afstel. Dat kan dus voorkomen worden door inbreng van voorstellen en ideeën tijdens de haalbaarheids- en uitgangspuntenfase van een nieuwbouwproject.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

5 van 57

2

LEIDRAAD NATUURINCLUSIEF BOUWEN

2.1

Stap 1 – bepalen aantal nestvoorzieningen uit SMP-N

Vanuit het SMP-N is er de ambitie om voor de gebouwgebonden soorten nestvoorzieningen aan te brengen in de nieuwe bebouwing binnen de Waalsprong. Het gaat daarbij specifiek om de gewone dwergvleermuis, gierzwaluw en huismus. Op basis van onderstaande tabel kan in deze stap worden bepaald hoeveel maatregelen er voor het betreffende project moeten worden getroffen. Dit is niet afhankelijk van de zone waar de ontwikkeling plaatsvindt (zie volgende stap). Soort woning

Gewone dwergvleermuis

Appartementen en 1 winterverblijfplaats per hoogbouw kopgevel Grondgebonden woningen

1 voorziening per kopgevel

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

Gierzwaluw

Huismus

20 voorzieningen per kopgevel/gevel met gewenste oriëntatie

20 voorzieningen per kopgevel

3 voorzieningen per woning aan de voorgevel

3 voorzieningen per woning aan de achtergevel

6 van 57

2.2

Stap 2 – bepalen van de relevante zone

Als tweede stap is het van belang om te bepalen binnen welke ruimtelijke context de natuurinclusieve maatregelen genomen worden. Er wordt gewerkt met vier zones, die ook toegepast worden in het kader van de SMP-N in de Waalsprong voor een afbeelding van de indeling van het gebied: • Landschappelijk wonen • Groen stedelijk • Stedelijk • Bedrijventerrein Zie onderstaande kaart voor de begrenzing van deze zones. In bijlage D is een nadere omschrijving van deze zones te vinden. Daarin staat ook vermeld welke soorten er mogelijk voorkomen of voor welke soorten de ruimtelijke context kansen biedt.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

7 van 57

Figuur 1 zones in de Waalsprong

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

8 van 57

2.3

Stap 3 – bepalen van de inwisselbaarheid van aan te brengen nestvoorzieningen

In de vorige stap wordt duidelijk hoeveel nestvoorzieningen er aangebracht moeten worden. Onderstaande tabel laat zien welk percentage daarvan ingewisseld kan of dient te worden voor groene omgevingsmaatregelen. Dit is afhankelijk van de soort en de zone waarin het project wordt gerealiseerd. Zie voor nut, noodzaak en uitgangspunten ook paragraaf 1.2 en bijlage B. Samenvattend gesteld, is het uitwisselen van nestvoorzieningen voor groenvoorzieningen facultatief behalve in de Stedelijke zone waar verplicht 25% van de nestvoorzieningen voor de gewone dwergvleermuis en huismus moeten worden ingewisseld voor groenvoorzieningen. In de zone Landschappelijk wonen is geen uitwisseling met groenvoorzieningen mogelijk. Voor particuliere kavels geldt in alle gebieden dat er geen uitwisseling kan plaatsvinden met groenvoorzieningen. De reden hiervan is dat het hier gaat om een enkele woning en het duidelijk moet zijn voor de particulier welke voorzieningen hij/zij moet treffen. Daarnaast zijn de kavels dusdanig groot dat op basis van ervaring redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze al in ruime mate groen worden ingericht.

Zone

Landschappelijk wonen

Groen stedelijk

Inwisselbaarheid nestvoorzieningen en groene maatregelen Gewone dwergvleermuis

Gierzwaluw

Huismus

0%

0%

0%

Maximaal 25%

Maximaal 25%

Maximaal 25%

Minimaal 25% en maximaal 50% Stedelijk

Voor zover de afstand tussen project en grenszone Landschappelijk wonen > 25 meter1

Bedrijventerrein

Maximaal 25%

Minimaal 25% en maximaal 50% 0%

Voor zover de afstand tussen project en grenszone Landschappelijk wonen > 100 meter

Maximaal 25%

Maximaal 25%

1 Indien de afstand van de grens van het projectgebied kleiner is dan 25 meter respectievelijk 100 meter, dan kan worden uitgewisseld

conform Groen stedelijk Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

9 van 57

2.4

Stap 4 – bepalen van type maatregelen

Het is aan de gemeentelijke ontwikkelaar en/of opstalontwikkelaar om de betreffende maatregelen te realiseren binnen het project. Afhankelijk van de zone moet en kan dit worden ingewisseld door groene omgevingsmaatregelen (zie stap 3). Dit hangt uiteraard ook af van de wensen en mogelijkheden binnen het project. In bijlage A staan de maatregelen die per zone nuttig zijn. Voor het wisselen van verblijfplaatsen voor groene omgevingsmaatregelen wordt gewerkt met punten. Elke maatregel heeft een ecologische waarde van 1 tot 6 punten, zie bijlage A. Als leidraad geldt het volgende uitgangspunt per soort: • Bij het inwisselen van 25% van de nestvoorzieningen, dienen tenminste 6 punten per project te worden gerealiseerd waarbij het gaat om aparte maatregelen. • Voor het inwisselen van 50% van de nestvoorzieningen dienen minimaal 9 punten per project te worden gerealiseerd waarbij het eveneens gaat om aparte maatregelen. Uit oogpunt voor natuur is de realisatie van een combinatie van nestvoorziening, foerageergebied én dekking aan te raden. Er kan ook worden gekozen voor het realiseren van leefgebied van een bepaalde soort. Hier is alle keuzevrijheid. Het is daarbij wenselijk om af te stemmen met de ecoloog van de gemeente.

In de praktijk kan het dus zijn dat bijvoorbeeld voor een project in de groenstedelijke zone 25% van alle nestvoorzieningen wordt ingewisseld voor andere (groen)maatregelen en 6 punten gescoord worden uit de maatregelentabel van bijlage A. Deze punten mogen alleen gehaald worden met afzonderlijke maatregelen. Een bomenlaan van 9 bomen mag dus niet 3x meetellen als ‘cluster van 3 inheemse bomen’. Het gaat er namelijk om dat gestreefd wordt naar een gevarieerd aanbod van groen in het leefgebied van de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis. Verder is het ook mogelijk dat bestaande bomen of groenstroken worden ingepast binnen een nieuwbouwproject. De betreffende elementen (bijvoorbeeld een cluster met bomen) tellen in dat geval mee als maatregel. Uit oogpunt van biodiversiteit heeft dit zelfs de voorkeur. In bijlage G is een aantal concrete rekenvoorbeelden bij referentieprojecten uitgewerkt. Als de aard en/of omvang van een project sterk afwijkt van de referentieprojecten kan maatwerk nodig zijn.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

10 van 57

2.5

Stap 5 – registratie en presentatie maatregelen

Het is wenselijk om de gekozen maatregelen te registreren via het formulier in bijlage F. • Daarmee houdt de gemeente het overzicht en kan desgewenst gerapporteerd worden naar de provincie gelet op de wettelijke verplichtingen uit SMP-N, al of niet in de vorm van een kaartbeeld. • Het formulier kan voor het betreffende project gebruikt worden als onderdeel van de ontwikkelopgave. • De mogelijkheid om andere projecten binnen de Waalsprong te kunnen gebruiken als voorbeeld en inspiratiebron.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

11 van 57

BIJLAGE A – RELEVANTE MAATREGELEN PER SOORT EN ZONE (TOOLBOX) Onderstaande tabel geeft weer in welke zone welke maatregel passend is, voor welke soort. Dit wordt weergegeven door middel van een getal (punten). Het getal geeft de zwaarte van de maatregel weer. Zodoende is het mogelijk te bepalen welk aandeel van het in te ruilen aantal nestvoorzieningen ingewisseld kan of moet worden voor welk type groene maatregel. De groene maatregelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: A. Algemeen, B. Opstalgebonden en C. Omgevingsgebonden. Voor opstalontwikkelaars gaat het primair om gevel-, dak- of tuinmaatregelen (categorie B). Met de inzet van een ecoloog en/of het treffen van andere algemene maatregelen zoals een informatiefolder of goede borging van de maatregelen kunnen ook nog punten worden verdiend (categorie A). Maximaal de helft van de te scoren punten mogen uit deze categorie (A) komen. De Omgevingsgebonden maatregelen (categorie C) zijn bedoeld voor ontwikkelaars die openbaar groen aanleggen. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: • in goede staat moeten blijven; • realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij; • beantwoorden aan het doel. Bij twijfel moeten de maatregelen worden goedgekeurd door de gemeente Nijmegen om mee te kunnen wegen in de beoordeling.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

12 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

13 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

14 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

15 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

16 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

17 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

18 van 57

BIJLAGE B – INWISSELEN VERBLIJFPLAATSEN VOOR GROENE MAATREGELEN Motivatie Een deel van de te realiseren nestvoorzieningen vanuit de SMP-N kan en zal ingeruild worden voor groene omgevingsmaatregelen. Dit percentage varieert van 0 tot 50%, afhankelijk van de zone waar de ontwikkeling plaatsvindt. De ‘toolbox natuurinclusief bouwen en ontwikkelen’ helpt om invulling te geven aan deze ruil. Daarbij biedt de toolbox een weg naar passende maatregelen voor het beoogde doel van de gemeente Nijmegen: een leefomgeving creëren waar zowel de mens als de natuur baat bij heeft. Overwegingen en uitgangspunten daarbij zijn als volgt: 1. De toolbox richt zich specifiek op het creëren van een gunstige leefomgeving voor de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis (de gebouw gebonden soorten). Maatregelen die genomen worden vanuit de SMP-N en de toolbox hebben een algemeen positief effect op de biodiversiteit. Hierdoor hebben ook andere (niet beschermde) soorten profijt van de voorzieningen. 2. Maatregelen hebben een ruimere doorwerking in de Waalsprong, namelijk: • specifieke elementen inbouwen voor specifieke (dier)soorten, zoals neststenen voor de huismus; • gebouw gebonden ingrepen, zoals gevelgroen en groene daken; • gebouw gebonden buitenruimtes, zoals tuinen; • publieke ruimtes en openbaar groen, zoals parken, speeltuinen en groenstroken. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7e957212-c751-4c5a-b887-15c3867f654f