CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering Toegangsweg kavel 7 NYMA (42-Bopa-20241106)

Besluitronde (raadsvergadering) 11 maart 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Buitenplanse omgevingsplanactiviteit Toegangsweg kavel 7 NYMA (42-Bopa-20241106) (03/2026)18.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen. Voor Nijmegen betekent dit dat: • er minimaal 300 meter afstand wordt gerealiseerd tussen een snelweg en een gevoelige functie; • er geen gevoelige functies worden gerealiseerd in de eerstelijns bebouwing binnen een straal van 25 meter van een drukke weg (>10.000 voertuigen/etmaal); • reconstructie van gemeentelijke wegen binnen 50 meter van een gevoelige functie alleen plaats mag vinden als dit de luchtkwaliteit positief beïnvloedt. Decentrale omgevingswaarden In Nijmegen zijn geen facultatieve omgevingswaarden voor luchtkwaliteit van toepassing. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, net als een zogenaamde zorgplicht.

Deze regels verplichten bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven moeten preventieve maatregelen nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). We vragen van initiatiefnemers om aan te tonen op welke wijze in het project rekening wordt gehouden met de gezondheid van toekomstige bewoners en op welke wijze potentiële emissies naar de lucht worden gereduceerd.

5.2.3.2 Toetsing De ontwikkeling betreft geen gevoelig object en de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling is beperkt.

5.2.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze Bopa.

23

5.2.4 Geur 5.2.4.1 Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven) Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Nijmegen heeft nog geen normen voor geurhinder in het omgevingsplan opgenomen.

Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder, hanteert de gemeente het Gelders geurbeleid als toetsingskader. In het Gelderse geurbeleid is de eerste stap het vaststellen hoe (on)aangenaam de geur is die vrijkomt bij het bedrijfsproces. Daar zijn normen voor ontwikkeld (hedonische schaal). De mate van (on)aangenaamheid van de geur, de zogenoemde hedonische waarde, wordt vastgesteld volgens de Nederlandse Voor Norm (NVN) 2818. Deze norm is door de NEN-normcommissie geur opnieuw herzien en vastgesteld in 2019. Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat (die onderdeel is van het omgevingsplan). Op termijn worden de regels uit de Bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

5.2.4.2 Toetsing De ontwikkeling betreft geen geurveroorzakend of geurgevoelig object.

5.2.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze Bopa.

5.2.5 Bodem 5.2.5.1 Algemeen Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving. Daaronder wordt ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem verstaan. Onder de Omgevingswet is het wettelijk instrumentarium voor de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). 24

Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein.

5.2.5.2 Toetsing Voorliggende Bopa gaat niet om het toestaan van een bodemgevoelig gebouw, maar van een ontsluitingsweg voor het te realiseren bedrijfsterrein. Voor dit gebruik is geen toetsing van de bodemkwaliteit nodig. Als er in het kader van de realisatie van de weg graafwerkzaamheden worden verricht is het voor het melden van een milieubelastende activiteit wel nodig de bodemkwaliteit te kennen.

5.2.5.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde functie van het terrein.

5.2.6 Water 5.2.6.1 Algemeen Als onderdeel van het plan NYMA – Kavel 7 wordt een ontsluitingsweg naar het plan toe gerealiseerd. In totaal bedraagt het plangebied inclusief de ontsluitingsweg 8.980 m2. In het plangebied wordt door middel van droogvallende wadi’s 60 mm waterberging gerealiseerd. Daarnaast is de Waterschapsverordening van toepassing (beleidsregel 5.16). Hierin staat beschreven dat al het toegenomen verhard oppervlak gecompenseerd moet worden met 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, voordat op een waterschapslichaam wordt geloosd. Eveneens is de Waterschapsverordening voor het hele gebied van toepassing. Water- en bodemsysteem De locatie ligt op een stroomrug die is ontstaan omdat gedurende het Holoceen onder invloed van de zeespiegelstijging de rivieren in dit gebied veelvuldig hun loop verlegden. Stroomruggen zijn van oudsher de plaatsen die bij voorkeur voor bewoning hebben gediend. Begin 19e eeuw is daar bij een dijkdoorbraak een kolk ontstaan, die in de jaren 30 van de vorige eeuw WOII is opgevuld. De Koningsweg lag op de aansluiting met de huidige Weurtseweg op een hoogte van 11,2 m+NAP (topografische kaart 1931), zoals dat ook nu nog het geval is. De hoogte neemt nar het noorden wat af. Het te ontsluiten bedrijfsterrein ligt iets lager. De grondwaterstand is sterk afhankelijk van het peil van de Waal en kan enkele meters fluctueren.

Ook de stromingsrichting van het grondwater fluctueert met de stand van de Waal van noordoostelijke naar westelijke richting. Weging van de waterbelangen

Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Bkl volgt, dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een Bopa rekening dient te houden met de waterbelangen. Deze waterbelangen zijn belegd bij verschillende overheden. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling de belangen van de andere overheden/waterbeheerders raakt, moet vroegtijdig afstemming plaatsvinden over manieren waarop de ruimtelijke ontwikkeling en de waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Water en bodem sturend Volgens de Nijmeegse Klimaatadaptatiestrategie vormt het natuurlijk water en bodemsysteem het uitgangspunt bij stedelijke ontwikkelingen. We bouwen bij voorkeur niet op locaties waar dit vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet gewenst is, zoals in de droogdalen(langgerekte laagten) en gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden. Als we op basis van een integrale afweging toch voor de betreffende locatie kiezen, moet de bouw zodanig plaatsvinden, dat dit geen nadelige invloed heeft op de natuurlijke waterhuishouding.

25

Beheer van watersystemen Uit de instructieregels van het Bkl volgt, dat de gemeenteraad rekening dient te houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Dit betekent dat er sprake is van een motiveringsverplichting en een impliciete overlegverplichting. Het doel is om op deze wijze bij ruimtelijke planprocessen vroegtijdig afstemming te laten plaatsvinden tussen de betrokken overheden, en gezamenlijk te zoeken naar manieren waarop ruimtelijke ontwikkelingen en waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Waterbeheerprogramma 2022-2027: Versterken. Verbinden. Vergroenen. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma. Hierin stuurt het waterschap onder andere aan op het verbeteren van de waterkwaliteit en op ‘slim waterbeheer’. Hierbij geldt de volgende strategie: We moeten als eerste (grond)water zien vast te houden (infiltreren) en bergen voordat we het afvoeren. Daarnaast moeten we zuiniger omgaan met water. Hierbij volgen we de route van vroegtijdige waterbesparing naar beperking van watergebruik. We doen dit om minder afhankelijk te zijn van de aanvoer van water. Als de voorgaande stappen onvoldoende opleveren, moeten we als maatschappij leren accepteren dat er tijdelijk overlast of schade kan ontstaan.

Bij het volgen van deze route gaan we ervan uit dat de ruimtelijke inrichting van gebieden is afgestemd op de beschikbaarheid van zoet water. Waterschapsverordening De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. In deze verordening staan onder andere: • Regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen; • Regels voor onderhoud van onder andere sloten en beken; • Regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. De waterschapsverordening is bovendien van toepassing wanneer er sprake is van een lozing, onttrekking van water, aan- of afvoer van water of werkzaamheden bij dijken en wateren. In deze situaties moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd, waarbij het waterschap bevoegd gezag is. Oppervlaktewater en waterkering Ter bescherming tegen hoogwater beheert en onderhoudt het waterschap de waterkeringen in het rivierengebied. Nieuwe plannen mogen de waterveiligheid niet in gevaar brengen. Voor de benodigde waterberging voor kavel 7 geldt eveneens dat toetsing aan de regelgeving voor de bescherming van de waterkering plaatsvindt. De ontsluitingsweg valt buiten de zone van de primaire waterkering.

26

Figuur 1 Ontsluitingsweg in relatie tot de primaire waterkering Bij waterkeringen wordt rekening gehouden met het behoud van de waterkerende functie en het kunnen uitvoeren van doelmatig beheer en onderhoud. Bij een aanvraag van een watervergunning wordt bovendien getoetst in hoeverre ruimte is gereserveerd voor toekomstige aanpassingen aan en/of versterkingen van de waterkering conform het profiel van vrije ruimte. In de Waterschapsverordening waterschap Rivierenland zijn de regels vastgelegd ter bescherming van de waterkering. De ruimte langs de waterkering kent het waterstaatswerk, de beschermingszone en de buitenbeschermingszone. Iedere zone kent beperkingen voor de activiteiten die in de zone mogen plaatsvinden. De beperkingen zijn groter naarmate de afstand tot de waterkering kleiner is. Het waterschap ziet toe op de naleving van de waterschapsverordening. Door het plangebied ligt een primaire waterkering. Deze maakt deel uit van dijktraject 41-1 Land van Maas en Waal. De waterkering bestaat deels uit een groene dijk en is deels niet zichtbaar, omdat ze deel uitmaakt van een hoog gelegen terrein. Sinds 2017 is de nieuwe waterwet van kracht en worden waterkeringen ten opzichte van de nieuwe normen beoordeeld.

27

Voorkomen wateroverlast In de Klimaatadaptatiestrategie Nijmegen ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst (2023)’ wordt voor de verwerking van het hemelwater aangesloten bij de landelijke Maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving. Deze landelijke maatlat geeft aan dat er een range van 40 tot 70 millimeter water moet worden verwerkt op privaat terrein, of in daaraan gekoppelde extra voorzieningen binnen het besluitgebied, of binnen de watersysteemgrenzen. Hierbij hanteren we de volgende voorkeursvolgorde: 1. Besparen en benutten; het ontwerp van nieuwbouwwoningen dient te voorzien in waterbesparende maatregelen. 2. Vasthouden en infiltreren; bij voorkeur oppervlakkig. 3. Bergen; alleen als het niet anders kan, kan het hemelwater worden afgevoerd. De gemeente Nijmegen wil voorkomen dat het hemelwater het bodem- en watersysteem vervuilt. Daarom moet afstromend hemelwater zo schoon mogelijk blijven. Dit betekent dat er geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt. Om wateroverlast te voorkomen, moeten gebouwen zo worden gebouwd, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 mm in een uur. Dit kan bijvoorbeeld door het vloerpeil 20 cm boven het hoogste deel van de weg aan te leggen.

5.2.6.2 Toetsing Toegangsweg kavel 7 NYMA is een onderdeel van het overkoepelende plangebied ‘Kavel 7’. Specifiek voor dit perceel mag de hemelwatercompensatie plaatsvinden in het plangebied Kavel 7. Conform de regels in het vastgestelde bestemmingsplan Nijmegen Nyma (02-02-2022) (nu onderdeel van het Omgevingsplan van rechtswege) is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor waterberging: op de gronden met de bestemming 'Gemengd' is het bebouwen van de gronden slechts toegestaan als is voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter bebouwd oppervlak die tussen 12 en 48 uur na een bui weer voor 75% beschikbaar is. Deze maatregel dient binnen één jaar na oplevering van de in één omgevingsvergunning opgenomen gebouw(en) te zijn gerealiseerd en in stand te worden gehouden. De hemelwatercompensatie is opgenomen in het plan van Kavel 7. Als onderdeel van het plan NYMA - Kavel 7 wordt een ontsluitingsweg naar het plan toe gerealiseerd. In totaal bedraagt het plangebied inclusief de ontsluitingsweg 8.980 m2. In het plangebied wordt door middel van droogvallende wadi’s 60 mm waterberging gerealiseerd. Daarnaast is de Waterschapsverordening van toepassing (beleidsregel 5.16).

Hierin staat beschreven dat al het toegenomen verhard oppervlak gecompenseerd moet worden met 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, voordat op een waterschapslichaam wordt geloosd. Eveneens is de Waterschapsverordening voor het hele gebied van toepassing.

28

5.2.6.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Daarbij moet wel in de afwatering worden voorzien middels bermafwatering en/of kolken.

5.3

Klimaatadaptatie

5.3.1

Algemeen

Het klimaat verandert. Ook in Nijmegen ervaren we de laatste jaren steeds vaker wateroverlast, extreme hitte en droogte. Nijmegen wil deze problemen aanpakken door in 2050 klimaatbestendig te zijn. De door het college vastgestelde klimaatadaptatiestrategie ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst’ beschrijft de aanpak om dit doel te bereiken. In deze strategie staan per thema onze hoofddoelen: • Droogte: langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, fundering, wegen, groen, gronden oppervlaktewater en vitale en kwetsbare functies. • Hitte: een gezonde groene fysieke leefomgeving, met voldoende koelteplekken. Vitale en kwetsbare functies, groengebieden en ecologische verbindingen zijn bestand tegen hitte. • Wateroverlast: hevige neerslag leidt niet tot schade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar. • Gevolgbeperking overstroming: we zorgen voor gevolgbeperking van overstromingen bij overstroombare gebieden langs de Waal en buitendijkse gebieden. Daarnaast staan in deze strategie stadsbrede doelstellingen voor droogte, hitte en wateroverlast, waarmee we invulling geven aan wat we in Nijmegen verstaan onder klimaatadaptatie. In de klimaatadaptatiestrategie beschrijven we aan de hand van leidende principes en prestatie-indicatoren hoe we onze doelstellingen willen bereiken.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt hieraan getoetst. Verder zijn in de klimaatadaptatiestrategie een aantal prioritaire locaties benoemd. Op deze locaties zijn extra inspanningen nodig en willen we in 2035 hebben aangepakt. Op overige locaties worden de klimaatdoelstellingen bereikt door deze doelen te verbinden aan ruimtelijke ontwikkelingen.

5.3.2 Doelstellingen beleid Om deze hoofddoelstellingen te bereiken, hanteren we de volgende doelstellingen en leidende principes, die richting geven aan de oplossingen in dit besluitgebied: Droogte De afgelopen jaren hebben we ervaren wat de impact kan zijn van langdurige perioden van droogte. Zo ook in de Waalsprong met het bijna droogvallen van de watergangen. De hoeveelheid neerslag die valt kunnen we niet beïnvloeden maar we willen wel de impact van langdurige droogte zoveel mogelijk minimaliseren. Hierbij hanteren we de volgende leidende principes, die richting geven aan de oplossingen in dit besluitgebied: • We verharden alleen daar waar het moet, we vergroenen waar het kan • We kiezen voor klimaatbestendige beplanting, die past bij de bodem en de grondwaterstand • We besparen en benutten drinkwater • We houden regenwater vast en infiltreren het • We houden bodem en water zo schoon mogelijk Hitte De stijgende temperaturen leiden steeds vaker tot hittestress. We streven ernaar dat Nijmegen tijdens hitte een gezonde groene leefomgeving biedt, met voldoende koelteplekken. Ook willen we dat vitale en kwetsbare functies, zoals de energievoorziening en zorginstellingen, blijven functioneren.

Onze doelstellingen zijn: • We willen koelte en groen binnen bereik van iedereen • We willen voldoende schaduw op loop- en fietsroutes en verblijfsplaatsen • We willen voldoende groen in de buurten

29

Om deze doelstellingen te bereiken, hanteren we de volgende leidende principes: • We gebruiken de volgende voorkeursvolgorde voor verkoeling: 1. Koele groene omgeving 2. Warmte weren 3. Passief koelen 4. Actief koelen • We kiezen voor een evenwichtige spreiding van groen door de stad • 40 tot 50% warmtewerende oppervlakten bij nieuwbouw • We benutten de kansen voor het versterken van de biodiversiteit Wateroverlast Het veranderende klimaat zorgt ervoor dat extreme regenbuien onze stad vaker zullen raken. De huidige ondergrondse en bovengrondse infrastructuur is hierop nog niet ingericht, waardoor schade kan ontstaan. Korte tijd water op straat zullen we in de toekomst steeds vaker meemaken en vinden we daarom acceptabel. Schade willen we echter zoveel mogelijk proberen te voorkomen. We gaan hierbij uit van schade die optreedt bij een bui van 70 millimeter water in een uur, een bui die in 2050 eens in de 100 jaar valt. Onze doelstelling voor nieuwbouw is: • Bij nieuwbouw zodanig bouwen, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 millimeter per uur In de waterparagraaf staan de eisen voor de waterberging, het watersysteem en het grondwater.

Naast de hierboven beschreven doelstellingen en leidende principes hanteren we enkele aanvullende leidende principes die gelden voor alle genoemde klimaatthema’s: • We voorkomen afwenteling • We kiezen eerst voor natuurlijke oplossingen, daarna pas voor techniek Zie de klimaatadaptatiestrategie voor de verdere detaillering van de doelstellingen en leidende principes.

5.3.3 Toetsing Groen draagt in belangrijke mate bij aan het beperken van hittestress en het verhogen van de biodiversiteit.

5.3.4 Conclusie Bij deze ontwikkeling is voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie.

5.4

Duurzaamheidsaspecten

5.4.1 Algemeen Eén van de vier hoofdopgaven van de omgevingsvisie is het streven naar een duurzame stad. Nijmegen heeft de ambitie voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. We gaan uit van duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van onze grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en energieneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's. De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050).

5.4.2 Energie 5.4.2.1 Algemeen Nijmegen heeft zich tot doel gesteld uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die we dan nog gebruiken wekken we zoveel mogelijk duurzaam op. Uitgangspunt van de gemeente Nijmegen is dat bij nieuwbouw alle daken zoveel mogelijk vol komen te liggen met zonnepanelen. Alle (nieuwe) daken dienen dan ook geschikt te zijn voor zonnepanelen. 30

We streven naar slimme, lokale energieoplossingen, bijvoorbeeld door lokale, duurzame energie tijdelijk op te slaan en vraag en aanbod onderling af te stemmen. Aardgasvrij Nieuwbouw in de bestaande stad en de Waalsprong is aardgasvrij. De Waalsprong valt binnen het concessiegebied van het warmtenet. Nieuwbouw in de Waalsprong moet hier verplicht worden aangesloten op het warmtenet. Daarnaast heeft Nijmegen de ambitie om de bestaande stad van het aardgas te halen en delen van de stad aan te sluiten op een nog aan te leggen warmtenet.

5.4.2.2 Toetsing De ontwikkeling betreft de aanleg van een ontsluiting en geen gebouwen met energievraag.

5.4.2.3 Conclusie Bij de ontwikkeling is voldoende rekening gehouden met de doelen uit de omgevingsvisie ten aanzien van energie.

5.4.3 Circulariteit 5.4.3.1 Algemeen De regio Arnhem-Nijmegen wil zich profileren als circulaire regio. Vanaf 2030 wil de regio minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. We streven ernaar om zoveel mogelijk conceptueel, modulair en losmaakbaar (demontabel) te bouwen. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van hernieuwbare organische bouwmaterialen (bijvoorbeeld hout, hennep, vlas, etc.). De Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR methodiek) kan gebruikt worden als ontwerptool en beoordelingsmethodiek om de duurzaamheid van gebouwen in beeld te brengen. In de Grond-, weg- en waterbouw onderschrijft Nijmegen de uitgangspunten van het manifest duurzaam GWW; samen met onze ketenpartners willen we de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. We zetten in op circulariteit bij de aanleg van de openbare ruimte. Dit doen we met de volgende uitgangspunten: • We zetten in op ‘hergebruik tenzij’ vanuit de projecten. Eerst worden vrijkomende materialen binnen het project hergebruikt. Als dit niet mogelijk is worden objecten en materialen hergebruikt vanuit een ander project. Als dit niet mogelijk is dan worden materialen hergebruikt binnen de regio.

Hiervoor gebruiken we de digitale materialenbank DuSpot om vrijkomende materialen uit te wisselen; • Als er geen herbruikbare materialen beschikbaar zijn, dan kiezen we voor materialen met een lage milieu impact (Milieu Kosten Indicator en CO2-footprint); • Vrijkomende materialen die aan het einde van hun levensduur zijn, verwerken we zo hoogwaardig mogelijk. In dit geval is er nog nauwelijks verharding aanwezig. Dit biedt kansen om de uitgangspunten te vertalen in: • We zetten in op zo min mogelijk verharding. Bijvoorbeeld door gebruik van halfverharding of waterdoorlatende/halfopen verharding bij de parkeerplaatsen; • Waar elementenverharding nodig is, wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gerecyclede producten. Deze zijn bijvoorbeeld beschikbaar via DuSpot; • Waar gebruik wordt gemaakt van asfalt, wordt gekozen voor een warm mix asfalt.

5.4.3.2 Toetsing Er is sprake van zoveel mogelijk hergebruik binnen de infrastructurele aanpassingen. Extra verharding die wordt toegepast, wordt gecompenseerd met groene inrichting van Kavel 7.

5.4.3.3 Conclusie Bij de ontwikkeling is voldoende rekening gehouden met circulariteit.

31

5.5

Natuur- en landschapsaspecten

5.5.1 Soortenbescherming 5.5.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • er soorten aanwezig zijn; • welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn.

Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

5.5.1.2 Toetsing Het Flora en Fauna onderzoek bevat een groter gebied dan betrekking heeft op deze Bopa. De bestaande oude lindes blijven bij deze werkzaamheden behouden. Er dienen preventieve maatregelen genomen te worden om te voldoen aan de specifieke zorgplicht.

5.5.1.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met soortenbescherming inclusief de specifieke zorgplicht.

5.5.2 Gebiedsbescherming 5.5.2.1 Algemeen De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In en om Nijmegen liggen de Natura 2000-gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort', als onderdeel van het gebied ‘Rijntakken’. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

32

Voor activiteiten die mogelijk leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet er per geval een stikstofbeoordeling worden gemaakt. Dit om in beeld te brengen of deze activiteit invloed heeft op een Natura 2000-gebied en te beschouwen is als een Natura 2000-activiteit (activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.) Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincie. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. We verwijzen hiervoor naar paragraaf 3.3 van deze motivering. Houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang.

Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Uitzonderingen op de rijksregels zijn: • De rijksregels gelden alleen voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (voormalig buiten de bebouwde kom) • bomen/struiken die voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld • houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen • naaldbomen niet ouder dan 20 jaar die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen. • kweekgoed • populieren of wilgen van: • wegbeplantingen • beplantingen langs waterwegen, of • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden • Dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. • beplantingen die duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: • Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats. • De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid.

• Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken. • De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. • houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel. • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

5.5.2.2 Toetsing Er wordt hier een toegangsweg gerealiseerd voor dit deel van het terrein. De afstand tot het meest dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Rijntakken is 270m waardoor er geen invloed is op de hier aanwezige Flora en Fauna, exclusief de stikstofdepositie. Gezien de aard, omvang en duur van de 33

voorgenomen activiteit in een gebied waar momenteel veel bouwwerkzaamheden plaatsvinden en de afstand tot Natura 2000 gebieden is het uitgesloten dat de uit te voeren activiteit aantasting van relevante soorten en begroeiingen in Natura 2000 gebieden veroorzaakt. Het plangebied ligt niet in of nabij het NNN, een bijzonder natuurgebied of een bijzonder landschap. Gezien de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteit en de afstand tot deze natuurgebieden is het op voorhand uitgesloten dat de uit te voeren activiteit nadelige gevolgen voor deze gebieden veroorzaakt. Aangezien er geen houtopstanden gekapt worden, zijn er geen nadelige gevolgen voor houtopstanden bij deze Bopa. Significante stikstofdepositie op overbelaste gebieden van de Rijntakken veroorzaakt negatieve gevolgen op dit Natura 2000-gebied. Om deze negatieve gevolgen te voorkomen is het noodzakelijk dat een project geen significante stikstofdepositie heeft. Daarom is het verplicht dat mobiele werktuigen die ingezet worden voldoen aan de eisen van het convenant Schoon en Emissieloos bouwen (SEB). Bovendien speelt de afstand van het project tot de Rijntakken een rol bij het stikstofprobleem. Hoe korter de afstand tot de Rijntakken is, hoe sneller de grens van significante stikstofdepositie bereikt wordt.

Voor projecten die dicht bij de Rijntakken plaatsvinden kan, bovenop het SEB, inzet van elektrische mobiele werktuigen nodig zijn om te voldoen aan de grenswaarden. Volgens de stikstofberekening is de toename van stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet groter dan 0,00 mol/ha/jr. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn op voorhand uit te sluiten. De berekening heeft plaatsgevonden met de meest recente versie van Aerius. De omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit staat de uitvoerbaarheid van de Bopa niet in de weg.

5.5.2.3 Conclusie Bij de planvorming is voldoende rekening gehouden met gebiedsbescherming.

5.5.3 (Hoofd)boomstructuur 5.5.3.1 Algemeen Bomenplan Nijmegen Het Bomenplan Nijmegen (2021) vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De verschillende doelstellingen van dit bomenplan zijn: Gezonde bomen die we zo lang mogelijk behouden; Bomenkap zoveel mogelijk vermijden; Aanplant van bomen zoveel mogelijk stimuleren en Dat de belangrijkste bomen in de stad een groene beschermende verbindende structuur vormen. Het Bomenplan Nijmegen richt zich op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur We willen dat de belangrijkste bomen in de stad samen een groene beschermde verbindende structuur vormen die de stad dooradert. Uitgangspunt voor de hoofdboomstructuur zijn drie belangrijke waarden voor de stad, die het belang van instandhouding en uitbreiding of versterking rechtvaardigen. We richten ons op: 1. Beeldkwaliteit: lommerrijk groen en statige lanen 2.

Ecologie: verbindingselementen en bevordering van biodiversiteit 34

3. Cultuurhistorie: historische (veld)wegen en monumentaal stadsgroen We combineren de hoofdboomstructuur met andere doelen zoals de gezonde stad, klimaatadaptatie en beleving. Netwerk in de wijken Het is echter niet voldoende om alleen in te zetten op de hoofdboomstructuur. Ook een fijnmazig netwerk van bomen op wijkniveau is van groot belang: het vormt de routes om te bewegen, te wandelen en te fietsen in de wijk. Het maakt een buurt gezond, aantrekkelijk en leefbaar. Het voorkomt hitte-eilanden dichtbij huis en maakt de stad, juist in de wijken, klimaatadaptief. De hoofdboomstructuur vormt samen met het groen in de wijken, de totale groenstructuur van de stad Nijmegen. In de afbeelding is te zien dat het plangebied grenst aan een plek waar groene structuren aanwezig zijn. Deze dienen behouden te blijven.

5.5.3.2 Toetsing Aan de zuidzijde aan de Weurtseweg is een hoofdbomenstructuur aanwezig. Het betreft een bomenstructuur met de waardes ecologie en statige lanen en parken. Aan de oostzijde op de Nymaweg is ook een hoofdbomenstructuur aanwezig met de waarde statige lanen en parken. In de zuidwesthoek binnen de wijziging van de Bopa zijn 7 bomen aanwezig. De bomen zijn onderdeel van een oude historische laanstructuur. De laan liep in de 19e eeuw naar de dorpskern Weurt. De bomen hebben de gemeentelijke status monumentaal en zijn daarmee minimaal 70 jaar oud. Parallel aan deze 7 bomen is een nieuwe rij van 5 bomen aangeplant om de laan weer te herstellen. Onder de aanwezige bestaande kronen is een onverharde weg aanwezig. Deze weg ontsluit een achterliggend parkeerterrein. Vanuit de BEA komen de volgende resultaten:

De kwaliteit van de zilverlinden (boomnummers 8 t/ m 12) is goed. De bomen zijn 2 jaar geleden aangeplant, zijn vrij van noemenswaardige afwijkingen en gebreken. De zilverlinden hebben een redelijke tot goede conditie en een toekomstverwachting van meer dan 10 jaar. Met de voorgenomen plannen worden de zilverlinden 70 a 80 cm in westelijke richting verplaatst. Er zijn geen beperkende factoren waargenomen, waardoor een succesvolle 35

verplanting niet uitgevoerd zou kunnen worden. Echter de kronen van boom 1 en 2 hangen op huidige locatie boven de zilverlinden, welke in de toekomst een beperking kan zijn voor een goede kroonontwikkeling van de zilverlinden. Verplaatsen van de zilverlinden in westelijke richting zal een negatieve invloed hebben op de kroonontwikkeling. De kwaliteit van de boom 1 en 2 zijn goed. De bomen zijn vrij van noemenswaardige afwijkingen en gebreken, hebben een redelijke tot goede conditie en een toekomstverwachting van meer dan 10 jaar. De kwaliteit van boom 3, 4, 5 en 7 is verminderd. Boom 3 en 4 worden beheerd als knotboom en hebben holtes en rotting in de stam. Boom 5 is de kroon ingenomen mogelijk als gevolg van stormschade in verleden. Boom 3, 4 en 5 hebben een matige conditie en een toekomstverwachting van 5-10 jaar. Boom 6 heeft een omvangrijke holte aan oostzijde van de stam. Deze boom is met eerder uitgevoerde boomveiligheidscontrole afgekeurd en is in afwachting om te worden gerooid. Boom 7 is onlangs gekandelaberd vanwege een mechanisch defect aan noordzijde van de stam, rotting bij wond uitgebroken kroondeel. De boom heeft een redelijke conditie en een toekomstverwachting van 5-10 jaar. Het percentage wortelverlies dat wordt verwacht voor het realiseren van de nieuwe weg op locatie 1 en 3 wordt geschat op 15 a 20%.

Dit percentage is acceptabel en zal een beperkte invloed hebben, maar de te verwijderen wortels mogen geen diameter hebben groter dan 5 cm. Bij verwijderen van grotere wortels zullen conditievermindering en een verlaagde toekomstverwachting het gevolg zijn, waardoor bomen niet duurzaam behouden kunnen worden. Het percentage wortelverlies dat wordt verwacht voor het realiseren van de nieuwe weg op locatie 2 wordt geschat op 20 a 25%. Met name door de intensiviteit en de diameter van de aanwezige beworteling zullen (structurele) conditievermindering en een verlaagde toekomstverwachting het gevolg zijn, waardoor boom 2 niet duurzaam behouden kan worden. Indien de nieuwe weg wordt aangelegd op huidige locatie (groeiplaatsonderzoek locatie 3) wordt een percentage wortelverlies verwacht van 5 a 10%. Dit percentage is acceptabel en zal geen tot nauwelijks invloed hebben. Bij het voorgaande ontwerp werd de bestaande berm met circa 100 cm versmald, waardoor de bomen doorwortelbare ruimte zouden verliezen. Met het nieuwe ontwerp is bovenstaande wortelverlies niet meer van toepassing en blijft de 2m brede berm intact.

5.5.3.3 Conclusie Bij de planvorming is voldoende rekening gehouden met de gemeentelijke (hoofd)groenstructuur. Door het verplaatsen van de zilverlinden (boomnummers 8 t/m 12) in westelijke richting zal in de toekomst een knelpunt ontstaan met de kronen van boom 1 en 2. Het verplaatsen van de zilverlinden in oostelijke richting blijkt niet haalbaar te zijn door aanwezige kabels en leidingen. De bestaande grote groenstructuur is niet in gevaar en de jonge bomen zullen in de toekomst mogelijk een afwijkende kroonopbouw gaan ontwikkelen. Dit is voor de optimale ontwikkeling van deze bomen minder gewenst, maar de bomen kunnen wel gewoon groeien.

5.5.4 Biodiversiteit en hoofdgroenstructuur 5.5.4.1 Algemeen Biodiversiteit De biodiversiteit staat onder druk. Veel soorten lopen hard terug in aantallen en andere soorten sterven uit. Uit ervaring is gebleken dat door het toepassen van maatregelen zoals nieuwe natuur, natuurlijker bosbeheer en schonere, levende rivieren, de natuur zich weer (deels) kan herstellen. Om de bescherming en herstel van biodiversiteit te realiseren, is eind 2023 in Nijmegen de biodiversiteitsagenda vastgesteld. Groen draagt bij aan onze gezondheid en ons welzijn, het zorgt voor vermindering van hittestress en voor een betere luchtkwaliteit. Deze benaderingswijze vraagt om intelligent ruimtegebruik waarin ook functies gecombineerd worden. Natuur kan in een aantal gevallen prima samengaan met andere functies. Het beoogd 36

effect van de biodiversiteitsagenda is dan ook om naast de compensatie en mitigatie verplichting, herstel en versterking van de biodiversiteit sterk te bevorderen. Doelstellingen en uitgangspunten Het overkoepelende doel van de Biodiversiteitsagenda is behoud, herstel en versterking van de biodiversiteit in Nijmegen door behoud en uitbreiding van areaal en kwaliteit van de biodiversiteit in Nijmegen. We onderscheiden de volgende subdoelen: Subdoel 1: in de stedelijke Hoofdgroenstructuur (kerngebieden en ecologische verbindingen) worden in principe alleen ontwikkelingen toegestaan met een positief netto effect op de biodiversiteit. Afwijken hiervan is mogelijk als er sprake is van groot maatschappelijk belang. Hiervoor is een goedgekeurd compensatieplan nodig. Subdoel 2: bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de Hoofdgroenstructuur, wordt behoud en uitbreiding van de biodiversiteit vanaf de fase van de visieontwikkeling meegenomen. Naast deze doelen zijn er meer algemene zaken om rekening mee te houden en willen we dat biodiversiteitsbehoud en -herstel gebaseerd is op de volgende uitgangspunten: • Ecosysteembenadering. We streven zoveel mogelijk naar een natuurlijk zelfredzaam systeem (ecologisch in balans) en passen het liefst natuurlijke oplossingen toe. • Bodem en water sturend.

Binnen het nationale beleid worden water en bodem gezien als sturend voor de ruimtelijke ontwikkeling. • Behoud en herstel beschermde en niet beschermde soorten. Omdat het aantal soorten sterk afneemt en het aantal dieren en planten ook sterk vermindert richten we ons op het bereiken van een Basiskwaliteit Natuur. • Nieuwe leefgemeenschappen. Daar waar de situatie er om vraagt willen we het inrichten van een natuurlijke leefomgeving voor hier van nature voorkomende soorten die beter zijn toegerust op de klimaatveranderingen stimuleren/bevorderen. • Bijdrage aan het klimaatadaptatieplan. We streven er naar dat de biodiversiteit maatregelen aansluiten bij de klimaat-adaptieve maatregelen die getroffen worden. Denk aan een groen ingerichte wateropvangvoorziening (wadi). • Biodiversiteit publiek en privaat versterken. Bij ontwikkelingen streeft de gemeente naar een biodiverse/groene inrichting van de private ruimte. Hoofdgroenstructuur en groenblauw weefsel In de verbeelding van de Hoofdgroenstructuur is opgenomen waar de kerngebieden zijn (zoals natuurgebieden, beschermde bossen, parken en uiterwaarden) en hoe de ecologische verbindingen (zoals lanen en corridors) lopen. De hoofdgroenstructuur is ingebed in een stevig groenblauw weefsel in en op het gebouwde deel van de stad.

Om en door de stad lopen de regionale groenblauwe verbindingszones, zoals de Groene Corridors langs de spoorlijnen en de verbindingen die opgenomen zijn in het Groenblauw Raamwerk van de Groene Metropool regio. De Hoofdgroenstructuur en het groenblauwe weefsel versterken elkaar. Het groenblauwe weefsel zorgt voor kleine ecologische stapstenen die sommige soorten helpen om zich te verspreiden en geïsoleerde populaties te verbinden. In dit groenblauw weefsel streven we naar een Basiskwaliteit Natuur, terwijl we in de kerngebieden van de Hoofdgroenstructuur hogere biodiversiteitsdoelen hebben voor zeldzamere soorten of zelfs hele gebieden beschermen (Natura 2000 gebieden). Het groenblauwe weefsel ontstaat als resultaat van gezamenlijke acties van bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Van natuurinclusief bouwen en vergroenen van een bedrijventerrein tot extensiever maaien van een tuin, het aanleggen van een vijver of bloementuin en het ophangen van een nestkastje. Het versterken van het groenblauwe weefsel is in feite het natuurlijker maken van delen van de stad die niet als hoofdfunctie natuurbehoud hebben, maar waar wel mogelijkheden liggen om soorten de ruimte te geven (en daarmee tegelijkertijd de leefbaarheid van de mensen en dieren in de stad te vergroten).

Daarnaast wil de gemeente burgers, bedrijven en organisaties betrekken bij, en stimuleren op eigen grond een bijdrage te leveren aan inrichting en beheer van onderdelen.

5.5.4.2 Toetsing Er is geen plan ingediend voor wat betreft biodiversiteit. Natuurinclusief bouwen is niet van toepassing. Er wordt in het kader van deze Bopa immers geen bebouwing gerealiseerd. Vrijwel alle bestaande vegetatie blijft intact en wordt zoveel mogelijk ingepast bij de planvorming. Op het perceel staan geen houtopstanden.

5.5.4.3 Conclusie Bij de planvorming is voldoende rekening gehouden met biodiversiteit. 37

5.6

Erfgoedaspecten

5.6.1 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1.1 Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het (zoveel mogelijk) behouden van archeologische resten in de bodem (in situ) en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Het cultureel erfgoed van Nijmegen bestaat uit gebieden, objecten, gebouwen, structuren en ensembles vanaf de vroege prehistorie tot het recente verleden. Het cultureel erfgoed maakt deel uit van onze identiteit en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. Veel van het cultureel erfgoed is beschermd als monument. Onze ambities voor het cultureel erfgoed zijn opgenomen in de omgevingsvisie en in de Erfgoedstrategie 2020. De regels zijn opgenomen in de Erfgoedverordening Nijmegen 2021 en het Omgevingsplan gemeente Nijmegen (voorheen Facetbestemmingsplan Archeologie 2023).

In het Bkl (artikel 5.130) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd en regels ter voorkomen van aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast is het artikel gericht op het voorkomen van aantasting van de omgeving van monumenten. Omgeving van het monument Nieuw aan de Omgevingswet is de instructieregel voor cultureel erfgoed (bovengronds en ondergronds) ter bescherming van de omgeving van monumenten. Hierbij is het de bedoeling dat in het omgevingsplan regels worden gesteld om aantasting van de omgeving van monumenten te voorkomen. Het gaat bij dit onderdeel niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting van de omgeving van een monument die dat monument ontsiert of beschadigt. Omdat de omgeving van een monument verschillend kan zijn, gaan we werken met procesregels in het omgevingsplan. Dit betekent dat we bij afwijkingen van het omgevingsplan onderzoeken of de nieuwe ontwikkeling van invloed is op de omgeving van het monumenten. UNESCO-werelderfgoed Nijmegen is onderdeel van de Romeinse Limes. De Romeinse Limes is door UNESCO aangewezen als een gebied van uitzonderlijke universele waarde en heeft daarmee de status van UNESCO-werelderfgoed verworven.

De algemene rijksregels voor werelderfgoed staan in hoofdstuk 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarin worden regels gesteld aan de volgende activiteiten: • activiteiten die effect hebben op werelderfgoed; • activiteiten die direct of indirect gevolgen kunnen hebben voor werelderfgoed. Regels voor archeologie Om op een passende en effectieve wijze zorg te kunnen dragen voor het kostbare Nijmeegse bodemarchief wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst aan de regels voor archeologie in het omgevingsplan (waarin het voorheen geldende ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’ is opgenomen). Gemeentelijk beleid Cultuurhistorie Erfgoedverordening De aanwijzing van gemeentelijke monumenten, bouwhistorie monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stadsbeelden met stadsbeeldobjecten geschiedt op basis van de monumentenverordening. Afhankelijk van de beschermingsvorm is voor wijziging, verbouw en sloop al dan niet een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig.

38

Aandachtslijst Cultureel Erfgoed De aandachtslijst betreft een inventarisatie van onbeschermd waardevol erfgoed en is bedoeld om ongewenste sloop van cultureel erfgoed te voorkomen en herbestemming te stimuleren. De lijst is globaal getoetst aan de selectiecriteria uit de Monumentenverordening. Er is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Pas als er sprake is van een beschermingsprocedure zal dit onderzoek worden gedaan en worden de exacte cultuurhistorische waarden vastgesteld. Het college heeft de mogelijkheid om bij sloopplannen een beschermingsprocedure te starten. Op 18 maart 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad van Nijmegen vastgesteld. Nota Cultureel Erfgoed Het gemeentelijk erfgoedbeleid is vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed (vastgesteld 15 mei 2013). Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding. De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed ingezet wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen de eigen identiteit te behouden of te versterken.

De wettelijke verplichtingen en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is namelijk een factor die mede kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kunnen we niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. Notitie Cultuurhistorische Waardenkaart De Notitie Cultuurhistorische Waardenkaart (vastgesteld februari 2024) bepaalt dat de Cultuurhistorische Waardenkaart (thans in ontwikkeling) de basis is voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Deze Cultuurhistorische Waardenkaart vervangt de Cultuurhistorische Beleidskaart die onderdeel is van de Nota Cultureel Erfgoed (zie boven) en de gemeentelijke Omgevingsvisie (2020).

5.6.1.2 Toetsing Archeologie Voor een deel van het besluitgebied geldt op grond van het ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’ de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Deze dubbelbestemming kent geen vrijstellingsgrens in oppervlakte. Met het Selectiebesluit archeologie dd. 21-12-2021 is echter bepaald dat bodemingrepen tot 0,9 m vanaf het huidige maaiveld zonder archeologisch onderzoek kunnen worden toegestaan. Cultuurhistorie Vastgesteld beleid voor het plangebied: Het plangebied en direct omgeving heeft geen vastgestelde erfgoedstatus via Erfgoedverordening of Omgevingsplan. In de Cultuurhistorische Waardenkaart is de historische wegstructuur weergegeven. Cultuurhistorische waarde: In het besluitgebied en directe omgeving zijn cultuurhistorische waarden/elementen aanwezig. Het onderhavige plangebied is namelijk deel van de historische wegstructuur van de vm. Koningstraat. Deze is eeuwenoud en gaat is essentie terug op een route uit de Romeinse tijd. De dijkweg naar Weurt lag tot in de vroege 19de eeuw iets dichter bij de Waal, maar rond 1815 ontstond er hier bij een dijkdoorbraak een kolk, waar de weg vervolgens langs de zuidzijde omheen werd getrokken, waar het plangebied deel van uitmaakt. De kolk lag net ten noorden van het plangebied, tot deze ca. 1930 werd gedempt.

Deze weg de hoofdweg van Nijmegen naar Weurt en verder westelijk, maar in 1928 werd het kanaal aangelegd, en werd de hoofdweg over de huidige Weurtseweg getrokken naar de kanaalsluis. Begin jaren ’60 werd de dijk verlegd en het nieuwe bedrijventerrein voor de elektriciteitscentrale aangelegd, waarbij het noordwestelijke deel van de Koningstraat werd weggeschoven. Lange tijd had de weg ter plekke van het plangebied een wat verhoogde ligging op een klein dijklichaam, die nu nog enigszins herkenbaar is ten opzichte van het perceel ten noordoosten, dat lager is gelegen, (terwijl het terrein ten

39

zuidwesten ergens in de afgelopen decennia is opgehoogd). Vroeger is de weg geflankeerd geweest door laanbeplanting: de paar volgroeide bomen die er nu nog staan zijn daar een restant van. Implicaties voor het plan en aanbevelingen: Het is vanuit cultuurhistorie positief dat de wegstructuur in het onderhavige plan behouden blijft, en als zodanig in gebruik blijft (zuidelijke helft voor ontsluiting van perceel ten NO, en noordelijke helft voor langzaamverkeer). Het wordt toegejuicht dat de laanstructuur wordt versterkt. De planbeschrijving vermeld niet wat er met het reliëf gebeurt, maar vanuit cultuurhistorie geldt de dringende aanbeveling om het bestaande reliëf van het profiel van de vm. Koningstraat intact te houden, en het hoogteverschil met het perceel ten noordoosten in stand te houden, en het kleine restant van de oude sloot ten zuidoosten te behouden en eventueel door te trekken parallel aan de historische wegstructuur.

5.6.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er worden binnen de dubbelbestemming Waarde Archeologie - 1 geen bodemingrepen verricht die dieper gaan dan 90 cm beneden het bestaande maaiveld. Mocht er toch dieper dan 90 cm worden gegraven dan is archeologisch onderzoek verplicht. Een omgevingsvergunning wordt in dat geval alleen verleend als is aangetoond dat de aanwezige archeologische waarden niet worden geschaad als gevolg van de activiteit. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Veiligheidsaspecten

5.7.1 Omgevingsveiligheid 5.7.1.1 Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en risico’s door windturbines. Het risico wordt bepaald door de kans op een incident per jaar te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers dat kan vallen op een bepaalde locatie of in een gebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Naast deze risicobenadering is in de Omgevingswet een effectbenadering geïntroduceerd met het begrip ‘aandachtsgebieden’. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen.

Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Het plaatsgebonden risico wordt op basis van de vastgestelde afstanden vastgelegd in een contour. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. (artikel 5.15 van het Bkl).

40

Afbeelding: aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren (effectgebieden en geen risico-afstanden) zichtbaar op de kaart (Zie Atlas Leefomgeving op www.atlasleefomgeving.nl, Register externe veiligheid), zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. De gemeente mag een brand- of explosie –aandachtsgebied (of delen ervan) aanwijzen als voorschriftengebied waardoor er extra bouwkundige eisen gaan gelden voor nieuwe gebouwen. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties.

Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage VI). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen; de meeste basisscholen, kinderdagverblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw of op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren, aandachtsgebieden en het groepsrisico. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het toedelen van functies aan locaties. Daarnaast moet het bevoegd gezag motiveren (artikel 5.14 Bkl) waarom van een brand- en/of explosie-aandachtsgebied een voorschriftengebied wordt gemaakt als in dit gebied nieuwe (beperkt-) kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=66f43a8a-e42c-414d-91e7-1a56317b99c8