Motivering Toegangsweg kavel 7 NYMA (42-Bopa-20241106)
Tekst van het document
41
5.7.1.2 Toetsing Er zijn geen relevante risicobronnen in het besluitgebied of de directe omgeving aanwezig. Een weg is geen (beperkt-) kwetsbaar object en dus ook niet relevant als ‘risico-ontvanger’. Ook wat betreft bluswatervoorziening en bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten zijn er op voorhand geen onvolkomenheden.
5.7.1.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze Bopa.
5.7.2 Kabels en leidingen 5.7.2.1 Algemeen Er kunnen kabels en leidingen in of nabij het besluitgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen, rioleringsleidingen of gasleidingen), beschermingszones en dergelijke. Kabels en leidingen zijn onderdeel van de fysieke leefomgeving, waarvoor gemeenten regels moeten stellen, gericht op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten (artikel 2.1 Ow). Incidenten met kabels en leidingen kunnen zorgen voor ongemak, maar ook voor gevaar, (maatschappelijke) ontwrichting of (milieu)schade. Daarom is het van belang rekening te houden met kabels en leidingen.
5.7.2.2 Toetsing De ontsluitingsweg zal in de ondergrond worden voorzien van open elementenverharding. Mogelijk moeten kabels in mantelbuizen gelegd worden. Dit wordt in het kader van het bouwrijp maken met de desbetreffende beheerders besproken. Het is de bedoeling een voertuigen luwe ontsluitingsweg aan te leggen.
5.7.2.3 Conclusie Het onderdeel kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze Bopa.
5.7.3 Ontplofbare Oorlogsresten 5.7.3.1 Algemeen Het grondgebied van de gemeente Nijmegen is in de Tweede Wereldoorlog langdurig en intensief strijdtoneel geweest. Daarom is in grote delen van de gemeente nog steeds de kans aanwezig op het aantreffen van niet gesprongen explosieven (officiële term tegenwoordig: Ontplofbare Oorlogsresten). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de afwegingen omtrent het stellen van regels aan activiteiten, is het wenselijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in het besluitgebied waarop deze Bopa betrekking heeft.
5.7.3.2 Toetsing Uit de informatie die is opgenomen in de Milieuatlas Nijmegen is het besluitgebied verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van afgeworpen munitie, dumpmunitie of geschutmunitie. Het terrein is echter naoorlogs opgehoogd met 1 à 1,5 meter waardoor de voorgenomen werkzaamheden binnen de ophogingslaag blijven. Bij grondroerende werkzaamheden moet het protocol “toevalsvondst van een explosief” worden gebruikt.
5.7.3.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met niet gesprongen explosieven.
42
5.8
Gezondheidsaspecten
5.8.1 Gezondheid 5.8.1.1 Algemeen De gezondheid van de mens wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg en de sociale en fysieke leefomgeving. De gemeente Nijmegen is verantwoordelijk voor de volksgezondheid van haar inwoners. Het volksgezondheidsbeleid en de uitvoering daarvan ligt vast in de Gezondheidsagenda. Eén van de speerpunten van deze agenda is een gezonde fysieke leefomgeving. Dit speerpunt is opgenomen in de omgevingsvisie onder ‘Groene, gezonde stad’. De fysieke leefomgeving heeft op verschillende manieren invloed op de gezondheid van de inwoners. Denk bijvoorbeeld aan kwaliteit van woningen, luchtkwaliteit, aanwezigheid van groen en inrichting van de openbare ruimte. De Omgevingswet gaat over de inrichting en activiteiten in de fysieke leefomgeving. Eén van de maatschappelijke doelen van deze wet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij het verlenen van een BOPA willen we rekening houden met het belang van gezondheid van onze inwoners. Het gaat dan om bescherming en bevordering van de gezondheid en om het faciliteren van een gezondere leefstijl.
Bij het bieden van bescherming gaat het om bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt, elektromagnetische straling en de gevolgen van klimaatverandering. Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering) en het stellen van regels voor activiteiten over aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen, bodemkwaliteit en hittebestendigheid/verkoeling. Op deze aspecten is ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering. Bij het bevorderen van gezondheid en faciliteren van een gezondere leefstijl gaat het om een aantrekkelijke en veilige inrichting en om maatregelen die bijdragen aan een gezondere leefstijl. Het gaat dan om mogelijkheden tot bewegen, spelen, sporten en ontspanning en om de aanwezigheid van dagelijkse voorzieningen in de buurt. Maar ook om mogelijkheden van het maken van gezonde keuze als het gaat om voeding, ontmoeten, sociale veiligheid en verkeersveiligheid. Verder gaat het om gedragsbeïnvloedende maatregelen, zoals rookvrije openbare locaties. De fysieke omgeving kan op verschillende manieren positieve dan wel negatieve invloed hebben op de gezondheid van inwoners.
Daarom wordt de invloed van het initiatief op gezondheid van gebruikers en de directe omgeving (naast de verschillende onderdelen) ook in totaliteit bekeken en afgewogen. Een negatief effect op gezondheid vanuit één aspect wordt niet automatisch gecompenseerd door een positief effect op een ander aspect. Dit hangt van de situatie en de betrokken aspecten af.
5.8.1.2 Toetsing Het feit dat groen op de betreffende kavel wordt gecompenseerd/behouden blijft en de verkeersveiligheid wordt verbeterd, is positief.
5.8.1.3 Conclusie Bij de ontwikkeling is voldoende rekening gehouden met gezondheid.
5.9
M.e.r.-beoordeling
5.9.1. Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan (inclusief 43
BOPA) en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets vindt plaats aan de hand van de criteria van bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
5.9.2 Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet aan de orde is. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor alle milieuaspecten geldt dat er geen significant negatief effect optreedt.
5.9.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
44
6. Financiële haalbaarheid 6.1
Wijze van bekostiging
De voorliggende ontwikkeling maakt deel uit van de grondexploitatie Stadsbrug (Nyma-Mercuriuspark), welke op 15 oktober 2003 door de gemeenteraad van Nijmegen is vastgesteld. Deze grondexploitatie bevat onder meer kosten voor sloop, (ver)bouw, openbare ruimte en gemeentelijke plankosten. Dekking van de kosten vindt onder meer plaats door gronduitgifte (verkoop en erfpacht). Derhalve kan gesteld worden dat de voorliggende ontwikkeling financieel haalbaar is. Via onder andere gronduitgifte is het kostenverhaal verzekerd en hoeft bij de vaststelling van de Bopa geen exploitatieplan o.i.d. vastgesteld te worden.
45
7. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) Voorliggende Bopa motivering beschrijft het ruimtelijke kader. In bijlage 1 Voorschriften Toegangsweg kavel 7 NYMA (42-Bopa-20241106) zijn de voorschriften gesteld waaraan de aanvraag omgevingsvergunning moet worden getoetst. Hierbij hoort een ruimtegebruikskaart waarin de globale ruimtelijke kaders voor de ontwikkeling zijn vastgelegd. Deze is als bijlage 2 opgenomen. Daarnaast geldt tevens de gemeentelijke regelgeving (via https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/): Omgevingsplan gemeente Nijmegen. Eveneens gelden de regels van (via https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/): • Provincie; • Waterschap; en • Rijk. Ter informatie het volgende: Onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is een voortvloeisel uit de Arbowetgeving (in het bijzonder Arbobesluit 4.10), waarin staat dat een initiatiefnemer de verplichting heeft om werkzaamheden veilig uit te laten voeren. Toezicht en handhaving gebeurt door de Arbeidsinspectie van het ministerie SZW. Het advies is om door middel van opsporing door een gecertificeerd opsporingsbedrijf of een vooronderzoek uit te voeren waarbij onderzocht wordt of het gebied ten gevolge van naoorlogse grondroering niet langer verdacht is.
46
8. Verwerking in het omgevingsplan 8.1
Algemeen
Gemeenten hebben de verplichting om buitenplanse omgevingsplanactiviteiten binnen 5 jaar in het omgevingsplan. Als er veel Bopa's gelden naast het omgevingsplan, kan het namelijk onduidelijk zijn welke activiteiten op een locatie zijn toegestaan. Daarom bepaalt artikel 4.17 van de Omgevingswet dat gemeenten een voortdurende Bopa verwerken in het omgevingsplan. Dit gebeurt binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de Bopa. Deze verplichting geldt pas vanaf 1 januari 2032.
8.2
Wijze waarop deze Bopa verwerkt wordt
Voorliggende motivering Bopa maakt een ontsluitingsweg mogelijk. Binnen deze Bopa zijn de ruimtelijke kaders weergegeven. Na realisatie kan de bestaande situatie worden vastgelegd, conform de uitgangspunten van het Omgevingsplan.
47
9. Bijlagenoverzicht Bijlage 1 Voorschriften Toegangsweg kavel 7 NYMA (42-Bopa-20241106) - Bijlage bij voorschriften A Begrippen en Wijze van meten Bijlage 2 Ruimtegebruikskaart Toegangsweg kavel 7 NYMA (42-Bopa-20241106) Bijlage 3 Quickscan soorten- en gebiedenbescherming NYMA-terrein, Nijmegen Bijlage 4 AERIUS-berekening en conclusie Stikstof Bijlage 5 Advies Veiligheidsregio Gelderland-Zuid Bijlage 6 Boom Effect Analyse (BEA)
48