Motivering Rotonde Houtlaan (61-Bopa-20250128)
Tekst van het document
6.1.2.3 Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
6.1.2.4 Toetsing Parkeren Dit is niet van toepassing voor het wijzigen van het kruispunt Houtlaan – Kwekerijweg – Heyendaalseweg naar een rotonde met vrij-liggende fietspaden.
6.1.2.5 Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
6.2
Milieuaspecten
6.2.1 Geluid 6.2.1.1 Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Geluid is van invloed op de gezondheid. Daarom stellen we regels aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid afkomstig van bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Als de geluidbelastingen aanvaardbaar zijn conform art. 5.59 & art. 5.78 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan regels voor bepaling van de aanvaardbaarheid van spoorweglawaai, wegverkeerslawaai, industrielawaai, windturbines, schietbanen en “Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten”. In de omgevingsregeling (Or) staan de rekenregels en toelichtingen. Deze regels gelden bij (planologisch mogelijk gemaakte) gevels van geluidgevoelige gebouwen (art. 3.21 Bkl), randen van ligplaatsen voor woonschepen of staplaatsen voor woonwagens (art. 3.23 Bkl). De vereiste rekenhoogtes staan in art. 3.2 van de Omgevingsregeling. Het Bkl werkt met een stelsel van standaardwaarden en grenswaarden. Het geluidsniveau is altijd aanvaardbaar als er wordt voldaan aan de standaardwaarden (art. 5.64, art. 5.75, art.5.77 en art. 5.78 Bkl).
Voor bepaalde soorten geluidbronnen (bronsoorten) mag de standaardwaarde worden overschreden, maar niet de grenswaarde. Voor enkele andere bronsoorten kunnen op lokaal niveau lagere of hogere standaardwaarden vastgesteld worden (art. 5.66, art. 5.74 & art. 5.76 Bkl). Overschrijding van een standaardwaarde of toepassing van een hogere standaardwaarde mag als: • De cumulatieve geluidbelasting met andere geluidsbronnen aanvaardbaar is; • Er voldaan wordt aan de lokale beleidsregels. Overschrijding van een standaardwaarde of toepassing van een hogere standaardwaarde mag zonder zwaarwegende belangen nooit leiden tot een overschrijding van een grenswaarde (paragraaf 5.1.4.2a Bkl). 25
Nijmegen heeft de “Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024” vastgesteld. In dit beleid staan de voorwaarden waaronder overschrijding van de standaardwaarde door wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai aanvaardbaar is. Nijmegen heeft bij vaststelling van deze BOPA geen afwijkende standaardwaarden vastgesteld. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De geluidbelasting door (spoor)wegen en industrieterreinen wordt beoordeeld binnen geluidaandachtsgebieden (Bkl art. 3.20, Or bijlage IVc). Geluidaandacht gebieden zijn gebieden langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Deze beoordeling vindt plaats bij: • De bepaling van de geluidsemissie door een spoorweg, weg, industrieterrein (Afdeling 3.5 Bkl). • Een wijziging van een omgevingsplan of aanvraag van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit die leidt tot het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen en locaties (paragraaf 5.1.4.2a Bkl). • Een wijziging van een omgevingsplan of aanvraag van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit die leidt tot wijziging van een weg, spoorweg of industrieterrein (paragraaf 5.1.4.2a Bkl).
• Een wijziging van een omgevingsplan of aanvraag van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit die leidt tot 1,5 dB grotere geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen en locaties door wegen buiten het plangebied (art. 5.78af Bkl). Er zijn geluidaandachtsgebieden voor bronnen met geluidproductieplafonds (GPP’s), zoals hoofdspoorwegen, rijkswegen, provinciale wegen en industrieterreinen. Met een geluidproductieplafond wordt de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid op een referentiepunt nabij een geluidbron bedoeld. Verder zijn er geluidaandachtsgebieden voor bronnen met een basisgeluidsemissie (gemeentelijke wegen). Vanuit de Aanvullingswet geluid Omgevingswet geldt een overgangsregeling voor provinciale wegen en industrieterreinen waarvoor nog geen GPP’s zijn vastgesteld. In dat geval geldt de Wet geluidhinder, met de daarbij behorende geluidzones, nog. Het Bkl, hoofdstuk 12, geeft hierbij aanvullende instructies. Binnen de geluidaandachtsgebieden gelden op grond van art. 3.35 & 5.78t Bkl de volgende standaardwaarden en grenswaarden: Tabel 1 Geluidbronsoorten
Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarde in Lden (dB)
Grenswaarde in Lden (dB) Aanleg of aanpassing bron
50
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen 60
53
70
70
55
65
70
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
65
Toepassing van een waarde hoger dan de standaardwaarde is voor een nieuw geluidgevoelig gebouw of terrein niet aanvaardbaar zolang er geluidbeperkende maatregelen kunnen worden toegepast (art. 5.78u lid 3 Bkl). Geluidbeperkende maatregelen bij de bron of in de overdracht worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (art. 3.28 Bkl). De financiële doelmatigheid wordt bepaald met behulp van art. 3.49 t/m 3.54 Bkl en art. 3.51 bijlage Va Bkl. Deze toets geldt conform art 5.78s Bkl enkel in de geluidsaandachtsgebieden bepaald conform bijlage IVa van de Omgevingsregeling. 26
De Nijmeegse “Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024” geven aan in welke situaties, en onder welke voorwaarden, een overschrijding van de standaardwaarde aanvaardbaar wordt geacht. Artikel 3 van deze beleidsregels geeft aan op welke soort locaties in de stad en bij welke gebruiksfuncties een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde toelaatbaat is. In artikel 4 staan de voorwaarden waaraan nieuwe woningen moeten voldoen. Wordt voor één of meer van de bronsoorten de standaardwaarden overschreden, dan moet op basis van het art. 3.38 Bkl en de Omgevingsregeling art. 3.26, het gezamenlijke geluid berekend worden. De waarde van dit gezamenlijke geluid, minus de geluidwering van het bouwwerk, berekend op basis van art. 4.103 Bbl, dient 33 dB of lager te zijn. Deze 33 dB betreft het binnenniveau. Geluid door windturbines Nijmegen heeft twee windparken. Voor deze parken is een milieueffectrapportage (MER) opgesteld. Bij de toelating van geluidgevoelige gebouwen, standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonschepen wordt gerekend met de ruimte die op basis van de vergunning voor het windpark beschikbaar is. De standaardwaarden en voorwaarden zijn opgenomen in het art. 5.74 en art. 5.75 Bkl.
Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten Onder deze noemer vallen alle activiteiten die niet onder een van de voorgaande categorieën vallen. Bij verlening van een BOPA houdt de gemeente rekening met de aanvaardbaarheid van dit geluid in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor beoordeling van het risico op een mogelijk niet aanvaardbare geluidbelasting wordt aansluiting gezocht bij de milieuzonering nieuwe stijl van de VNG. Deze zonering rekent met een geluidruimte die een activiteit nodig heeft ten opzichte van gemengd gebied of een rustige woonwijk. Is de afstand kleiner dan de afstand van de activiteit tot de zonegrens, dan kan een plan leiden tot onwenselijke geluidbelastingen. Een te korte afstand kan daarbij leiden tot een beperking van de mogelijkheden voor een activiteit. Het uitgangspunt van gemeente Nijmegen is het respecteren van bestaande “geluidsrechten” en hierbij toe te zien op geluidbelastingen in lijn met de adviezen van de VNG. Hogere geluidbelastingen dan de door de VNG geadviseerde geluidbelastingen zijn toelaatbaar mits deze aanvaardbaar zijn. •
Valt een (toekomstig) geluidgevoelig gebouw of terrein binnen een geluidzone van een (geprojecteerde) activiteit, dan wordt de geluidbelasting beoordeeld. Een geluidbelasting lager dan de standaardwaarde uit het art. 5.65 Bkl wordt aanvaardbaar geacht. Wordt de standaardwaarde uit het art. 5.65 Bkl overschreden, dan wordt het cumulatieve geluid met de andere activiteiten van deze categorie beoordeeld. Hoewel nog niet in beleidsregels vastgelegd, is het in het kader van de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties verdedigbaar om voor de beoordeling van het cumulatieve geluid op de gevel aan te sluiten bij de “Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024”.
6.2.1.2 Toetsing geluid door (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen Deze locatie ligt in het geluidsaandachtsgebied van enkele gemeentewegen. Het plan leidt tot een wijziging van de ligging, het wegdek en de het gebruik van een gemeenteweg. Artikel 5.78j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), lid 1 definieert wanneer een wijziging van een gemeentweg kan leiden tot een hogere geluidbelasting. Het (Bkl) stelt in artikel 5.78m dat een Omgevingsplan en dus ook een BOPA er in de basis op toe ziet dat het geluid op geluidsgevoelige gebouwen door wijzigingen niet hoger is dan de standaardwaarde of indien hoger dan de standaardwaarde, niet hoger dan de waarde zonder de voorgestelde wijziging. Door een rotonde aan te leggen wijzig je het wegdek en verleg je feitelijk rijsroken met meer dan 2 meter en dus dient er een toets plaats te vinden. Hoewel niet in artikel 5.78m genoemd, is er daarmee ook sprake van een wijziging die van invloed is op de hoeveelheid optrekkend en remmend verkeer. Om deze reden is er een berekening gemaakt van de geluidbelasting op de geluidsgevoelige gebouwen in de toekomstige situatie. In die situatie is de verlaging van de maximumsnelheid van 50 km/u naar 30 km/u vanuit het gemeentelijke plan GOW 30 meegenomen.
27
Uit de berekening blijkt dat de standaardwaarde wordt overschreden. De waarde voor vaststelling wordt niet overschreden. Daarmee is er conform het Bkl sprake van een aanvaardbare situatie qua geluidbelasting en dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid.
6.2.1.4 Toetsing geluid van overige bronnen Dit gebied ligt ruim buiten de contouren voor windparken en windturbines. Er is geen nabijheid van buitenschietbanen en er zijn geen andere activiteiten in de nabijheid waarbij dit plan effect heeft op de geluidemissie of de overdracht er van.
6.2.1.5 Conclusie geluid door (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen en overige bronnen Het aspect geluid door (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen en overige bronnen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.
6.2.2 Trilling 6.2.2.1 Algemeen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn voor de bescherming van de gezondheid en het milieu instructieregels opgenomen ter voorkomen en beperking van trillinghinder. Het toepassingsbereik van deze instructieregels is gekoppeld aan een combinatie van trillinggevoelige gebouwen én aan op locatie toegelaten activiteiten. Trillinggevoelige gebouwen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, gezondheidszorgfuncties (met bed) en kinderopvang (met bed).
Dit houdt in, dat bij het verlenen van de BOPA moet worden gewaarborgd dat activiteiten, die daarin worden toegestaan, niet leiden tot onaanvaardbare trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Herz in trillinggevoelige ruimtes binnen trillinggevoelige gebouwen. De instructieregels voor trillingen uit het Bkl zijn echter niet van toepassing op doorgaand verkeer, spoorwegen en vaarwegen. Bij trillingshinder door een spoorlijn: Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn (van Stichting Bouwresearch) worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor van de Rijksoverheid en de Handreiking Nieuwbouw en 28
Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. Bij trillingshinder door milieubelastende activiteiten, anders dan wonen, bouw- en sloopwerkzaamheden, milieubelastende activiteiten in de openbare ruimte, doorgaand verkeer op (spoor)wegen en vaarwegen, evenementen en mobiele installaties: In de Bruidsschat – die onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan - zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie. De regels bieden trillinggevoelige gebouwen bescherming tegen trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt door een activiteit op een locatie. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen (artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat).
6.2.2.2 Toetsing Deze locatie ligt niet binnen de invloedsfeer van spoorlijnen of nabij grote industriële procesinstallaties. Tevens worden er geen drempels of andere oneffenheden aangelegd. Hierdoor is er geen risico op trillingen die in het kader van de SBR-B richtlijn (hinder voor personen) onwenselijk zijn. Hierdoor wordt automatisch ook niet de SBRA richtlijn (schade aan gebouwen) overschreden.
6.2.2.3 Conclusie Omdat er geen risico is op overschrijding van de SBR-B en SBR-A richtlijnen, is er geen sprake van onaanvaardbare trillingsniveaus. Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.
6.2.3 Luchtkwaliteit 6.2.3.1 Algemeen Voor luchtkwaliteit gelden doelen en omgevingswaarden. De doelen voor luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het Schone Lucht Akkoord, waarbij gemeente Nijmegen streeft naar het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit. Dit moet leiden tot een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Hierdoor leven mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit van leven. Initiatieven moeten een positieve bijdrage leveren aan de maatregelen die hieruit voortvloeien. Deze maatregelen zijn vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma 20202030 (‘Op weg naar een gezonde luchtkwaliteit’). Naast het Schone Lucht Akkoord zijn in Afdeling 2.2. van het Bkl omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon opgenomen. In Nederland worden over het algemeen alleen mogelijke overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) verwacht. Als een BOPA activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide of fijnstof in de buitenlucht, dan moeten de omgevingswaarden uit afdeling 2.2. van het Bkl in acht worden genomen. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. In 2024 worden door de EU nieuwe omgevingswaarden vastgesteld. Hierbij worden de waarden verder aangescherpt en komen er voor meerdere stoffen resultaatsverplichtingen.
De luchtkwaliteit hoeft in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Er bestaat namelijk een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal). Een BOPA voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: • aannemelijk is gemaakt dat het project niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde of niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; • aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het project per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; of bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het project samenhangende
29
•
maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.
Gevoelige functies De belangrijkste bepalende factor voor de blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer is de afstand tussen bron en ontvanger. Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen. Voor Nijmegen betekent dit dat: • er minimaal 300 meter afstand wordt gerealiseerd tussen een snelweg en een gevoelige functie; • er geen gevoelige functies worden gerealiseerd in de eerstelijns bebouwing binnen een straal van 25 meter van een drukke weg (>10.000 voertuigen/etmaal); • reconstructie van gemeentelijke wegen binnen 50 meter van een gevoelige functie alleen plaats mag vinden als dit de luchtkwaliteit positief beïnvloedt. Decentrale omgevingswaarden In Nijmegen zijn geen facultatieve omgevingswaarden voor luchtkwaliteit van toepassing. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten.
Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, net als een zogenaamde zorgplicht. Deze regels verplichten bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven moeten preventieve maatregelen nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). We vragen van initiatiefnemers om aan te tonen op welke wijze in het project rekening wordt gehouden met de gezondheid van toekomstige bewoners en op welke wijze potentiële emissies naar de lucht worden gereduceerd.
6.2.3.2 Toetsing Het betreft hier de realisatie van een rotonde. Dit draagt in niet betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast bevindt de locatie zich niet op een drukke weg (meer dan 10.000 voertuigbewegingen per dag) waardoor de afstandsnorm t.o.v. gevoelige functies niet van toepassing is.
6.2.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.
6.2.4 Geur 6.2.4.1 Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).
30
Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Nijmegen heeft nog geen normen voor geurhinder in het omgevingsplan opgenomen. Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder, hanteert de gemeente het Gelders geurbeleid als toetsingskader. In het Gelderse geurbeleid is de eerste stap het vaststellen hoe (on)aangenaam de geur is die vrijkomt bij het bedrijfsproces. Daar zijn normen voor ontwikkeld (hedonische schaal). De mate van (on)aangenaamheid van de geur, de zogenoemde hedonische waarde, wordt vastgesteld volgens de Nederlandse Voor Norm (NVN) 2818. Deze norm is door de NEN-normcommissie geur opnieuw herzien en vastgesteld in 2019. Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan.
Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat (die onderdeel is van het omgevingsplan). Op termijn worden de regels uit de Bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
6.2.4.2 Toetsing Het project betreft de realisatie van infrastructuur wat geen geurgevoelig object is. Daarnaast veroorzaakt het zelf ook geen geurhinder.
6.2.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.
6.2.5 Bodem 6.2.5.1 Algemeen Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving. Daaronder wordt ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem verstaan. Onder de Omgevingswet is het wettelijk instrumentarium voor de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein.
31
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
6.2.5.2 Toetsing Voorliggende BOPA gaat niet om het toestaan van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, maar om het omvormen van het kruispunt Heyendaalseweg – Houtlaan – Kwekerijweg naar een rotonde. Voor dit gebruik is geen toetsing van de bodemkwaliteit nodig. Als er in het kader van de realisatie van de rotonde graafwerkzaamheden worden verricht, is het omdat dit een milieubelastende activiteit betreft wel nodig om de bodemkwaliteit te kennen.
6.2.5.3 Conclusie Gezien het voorgaande hoeft geen toets van de bodemkwaliteit binnen het besluitgebied aan de toelaatbare bodemkwaliteit plaats te vinden.
6.2.6 Water 6.2.6.1 Algemeen Weging van de waterbelangen Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Bkl volgt, dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een BOPA rekening dient te houden met de waterbelangen. Deze waterbelangen zijn belegd bij verschillende overheden. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling de belangen van de andere overheden/waterbeheerders raakt, moet vroegtijdig afstemming plaatsvinden over manieren waarop de ruimtelijke ontwikkeling en de waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Water en bodem sturend Volgens de Nijmeegse Klimaatadaptatiestrategie vormt het natuurlijk water en bodemsysteem het uitgangspunt bij stedelijke ontwikkelingen. We bouwen bij voorkeur niet op locaties waar dit vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet gewenst is, zoals in de droogdalen(langgerekte laagten) en gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden. Als we op basis van een integrale afweging toch voor de betreffende locatie kiezen, moet de bouw zodanig plaatsvinden, dat dit geen nadelige invloed heeft op de natuurlijke waterhuishouding. Voorkomen wateroverlast In de Klimaatadaptatiestrategie Nijmegen ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst (2023)’ wordt voor de verwerking van het hemelwater aangesloten bij de landelijke Maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving.
Deze landelijke maatlat geeft aan dat er een range van 40 tot 70 millimeter water moet worden verwerkt op privaat terrein, of in daaraan gekoppelde extra voorzieningen binnen het besluitgebied, of binnen de watersysteemgrenzen. Hierbij hanteren we de volgende voorkeursvolgorde: 1. Besparen en benutten; het ontwerp van nieuwbouwwoningen dient te voorzien in waterbesparende maatregelen. 2. Vasthouden en infiltreren; bij voorkeur oppervlakkig. 3. Bergen; alleen als het niet anders kan, kan het hemelwater worden afgevoerd. De gemeente Nijmegen wil voorkomen dat het hemelwater het bodem- en watersysteem vervuilt. Daarom moet afstromend hemelwater zo schoon mogelijk blijven. Dit betekent dat er geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt. Om wateroverlast te voorkomen, moeten gebouwen zo worden gebouwd, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 mm in een uur.
32
6.2.6.2 Toetsing In de nieuwe situatie dient de verharding aan te sluiten op het riool. Het is niet de bedoeling dat het hemelwater afkomstige van de wegen afstroomt naar de groenvoorzieningen. Het projectgebied ligt namelijk binnen het grondwaterbeschermingsgebied. De provincie Gelderland schrijft voor dat hemelwater dat afstroomt van verharde oppervlakken niet direct in de bodem mag infiltreren binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Daarnaast is nauwelijks tot geen sprake van toename aan verharding en is compensatie niet nodig.
6.2.6.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.
6.3
Klimaatadaptatie
6.3.1
Algemeen
Het klimaat verandert. Ook in Nijmegen ervaren we de laatste jaren steeds vaker wateroverlast, extreme hitte en droogte. Nijmegen wil deze problemen aanpakken door in 2050 klimaatbestendig te zijn. De klimaatadaptatiestrategie ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst’ beschrijft de aanpak om dit doel te bereiken. In deze strategie staan per thema onze hoofddoelen: • Droogte: langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, fundering, wegen, groen, gronden oppervlaktewater en vitale en kwetsbare functies. • Hitte: een gezonde groene fysieke leefomgeving, met voldoende koelteplekken. Vitale en kwetsbare functies, groengebieden en ecologische verbindingen zijn bestand tegen hitte. • Wateroverlast: hevige neerslag leidt niet tot schade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar. • Gevolgbeperking overstroming: we zorgen voor gevolgbeperking van overstromingen bij overstroombare gebieden langs de Waal en buitendijkse gebieden. Daarnaast staan in deze strategie stadsbrede doelstellingen voor droogte, hitte en wateroverlast, waarmee we invulling geven aan wat we in Nijmegen verstaan onder klimaatadaptatie. In de klimaatadaptatiestrategie beschrijven we aan de hand van leidende principes en prestatie-indicatoren hoe we onze doelstellingen willen bereiken.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt hieraan getoetst. Verder zijn in de klimaatadaptatiestrategie een aantal prioritaire locaties benoemd. Op deze locaties zijn extra inspanningen nodig en willen we in 2035 hebben aangepakt. Op overige locaties worden de klimaatdoelstellingen bereikt door deze doelen te verbinden aan ruimtelijke ontwikkelingen.
6.3.4.2 Toetsing Om verdroging tegen te gaan is het (landelijk) beleid om daar waar mogelijk zo veel mogelijk hemelwater op te vangen op de locatie waar het valt. Daarom is in het ontwerp ervoor gekozen om het regenwater van de fiets- en voetpaden af te laten stromen naar de groenvakken om het daar op te vangen. Doordat het projectgebied binnen een drinkwaterbeschermingsgebied ligt mag het hemelwater van de openbare weg hier niet de bodem in stromen (eis bevoegd gezag = provincie in verband met mogelijke verontreinigingen). Daarmee wordt aan dit beleid voldaan. De waterhuishouding is getoetst op het huidige beleid en op capaciteit. Het aantal kolken dat wordt aangebracht is voldoende om het water van het verhard oppervlak dat hierop afwatert af te voeren. De afvoercapaciteit van de bestaande riolering waarop de kolken worden aangesloten is voldoende. Daarmee wordt hier door de wijziging van de bestaande situatie geen wateroverlast verwacht. Het plan is getoetst op basis van het beleid om 40% van de fiets- en voetpaden te voorzien van schaduw. Hiervoor wordt 21 juli 12:00uur als uitgangspunt aangehouden. Uit onderstaande analyse blijkt dat op dit tijdstip op 46% van de fiets- en voetpaden schaduw valt. Hiermee voldoet het ontwerp aan dit beleid. 33
6.3.4.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met klimaatadaptatie.
6.4
Duurzaamheidsaspecten
6.4.1 Algemeen Eén van de vier hoofdopgaven van de omgevingsvisie is het streven naar een duurzame stad. Nijmegen heeft de ambitie voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. We gaan uit van duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van onze grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en energieneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's. De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050).
6.4.2 Energie 6.4.2.1 Algemeen Nijmegen heeft zich tot doel gesteld uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die we dan nog gebruiken wekken we zoveel mogelijk duurzaam op. Uitgangspunt van de gemeente Nijmegen is dat bij nieuwbouw alle daken zoveel mogelijk vol komen te liggen met zonnepanelen. Alle (nieuwe) daken dienen dan ook geschikt te zijn voor zonnepanelen. We streven naar slimme, lokale energieoplossingen, bijvoorbeeld door lokale, duurzame energie tijdelijk op te slaan en vraag en aanbod onderling af te stemmen. 34
Aardgasvrij Nieuwbouw in de bestaande stad en de Waalsprong is aardgasvrij. De Waalsprong valt binnen het concessiegebied van het warmtenet. Nieuwbouw in de Waalsprong moet hier verplicht worden aangesloten op het warmtenet. Daarnaast heeft Nijmegen de ambitie om de bestaande stad van het aardgas te halen en delen van de stad aan te sluiten op een nog aan te leggen warmtenet.
6.4.2.2 Toetsing Het betreft hier de realisatie van een rotonde en geen nieuwbouw. Energie is hier dan ook niet van toepassing.
6.4.2.3 Conclusie Bij de planvorming hoeft geen rekening te worden gehouden met de doelen uit de omgevingsvisie ten aanzien van energie.
6.4.3 Circulariteit 6.4.3.1 Algemeen De regio Arnhem-Nijmegen wil zich profileren als circulaire regio. Vanaf 2030 wil de regio minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. We streven ernaar om zoveel mogelijk conceptueel, modulair en losmaakbaar (demontabel) te bouwen. In de Grond-, weg- en waterbouw onderschrijft Nijmegen de uitgangspunten van het manifest duurzaam GWW; samen met onze ketenpartners willen we de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. Uitgangspunt is om zo min mogelijk verharding toe te passen en waar verharding nodig is te kijken naar meer duurzame oplossingen, zoals (hergebruikte) klinkers of duurzaam asfalt. We zetten in op ‘hergebruik tenzij’. Eerst worden vrijkomende materialen binnen het project hergebruikt. Als dit niet mogelijk is worden objecten en materialen hergebruikt vanuit een ander project. Als dit niet mogelijk is dan worden materialen hergebruikt binnen de regio. Hiervoor gebruiken we de digitale materialenbank DuSpot om vrijkomende materialen uit te wisselen. Vrijkomende materialen die aan het einde van hun levensduur zijn, verwerken we zo hoogwaardig mogelijk.
6.4.3.2 Toetsing In het plan wordt zo min mogelijk nieuw materiaal toegepast en waar mogelijk wordt vrijkomend materiaal direct op locatie hergebruikt. We onderzoeken de mogelijkheid om ook de fundering her te gebruiken. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van hergebruikte betonstraatstenen en bij aanleg van het fietspad vermijden we gebruik van lichtrood gekleurd asfalt (asfalt met blank bitumen). Er wordt zoveel mogelijk groen behouden. We zetten in de aanbesteding in op emissiearme aanleg.
6.4.3.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met circulariteit.
6.5
Natuur- en landschapsaspecten
6.5.1 Soortenbescherming 6.5.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f).
35
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • er soorten aanwezig zijn; • welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
6.5.1.2 Toetsing Er is een Flora en Fauna Quickscan (Houtlaan, Nijmegen, quickscan Ow, 25-0298, d.pdf ; 20 mei 2025) uitgevoerd op dit specifieke gebied. Dit onderzoek is uitgevoerd door Waardenburg Ecology, zij zijn lid van het Netwerk Groene Bureaus en daarmee voldoen zij aan de kwaliteitseisen voor een Ecologisch onderzoek. Er dienen preventieve maatregelen genomen te worden om te voldoen aan de specifieke zorgplicht.
6.5.1.3 Conclusie Bij de planvorming is voldoende rekening gehouden met soortenbescherming mits er wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht.
6.5.2 Gebiedsbescherming 6.5.2.1 Algemeen De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In en om Nijmegen liggen de Natura 2000-gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort', als onderdeel van het gebied ‘Rijntakken’. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Voor activiteiten die mogelijk leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet er per geval een stikstofbeoordeling worden gemaakt. Dit om in beeld te brengen of deze activiteit invloed heeft op een Natura 2000-gebied en te beschouwen is als een Natura 2000-activiteit (activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.) Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincie. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de
36
bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. We verwijzen hiervoor naar paragraaf 3.3 van deze motivering. Houtopstanden buiten de bebouwingscontouren Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Deze rijksregels gelden alleen voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (voormalig buiten de bebouwde kom). Daarbij gelden op deze rijksregels een aantal uitzonderingen. Die uitzonderingen staan in het Bal (artikel 11.111).
6.5.2.2 Toetsing De huidige functie van kruispunt wordt veranderd naar een rotonde. De afstand tot het meest dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Rijntakken is meer dan 3,5km waardoor er geen invloed is op de hier aanwezige Flora en Fauna, exclusief de stikstofdepositie. Gezien de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteit in een gebied waar momenteel veel bouwwerkzaamheden plaatsvinden en de afstand tot Natura 2000 gebieden is het uitgesloten dat de uit te voeren activiteit aantasting van relevante soorten en begroeiingen in Natura 2000 gebieden veroorzaakt. Het plangebied ligt niet in of nabij het NNN, een bijzonder natuurgebied of een bijzonder landschap. Gezien de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteit en de afstand tot deze natuurgebieden is het op voorhand uitgesloten dat de uit te voeren activiteit nadelige gevolgen voor deze gebieden veroorzaakt. Nadelige gevolgen voor houtopstanden zijn er op deze BOPA niet, aangezien de houtopstanden zich buiten de 'bebouwingscontour houtkap’ bevindt. Significante stikstofdepositie op overbelaste gebieden van de Rijntakken veroorzaakt negatieve gevolgen op dit Natura 2000-gebied. Om deze negatieve gevolgen te voorkomen is het noodzakelijk dat een project geen significante stikstofdepositie heeft.
Daarom is het verplicht dat mobiele werktuigen die ingezet worden voldoen aan de eisen van het convenant Schoon en Emissieloos bouwen (SEB). Bovendien speelt de afstand van het project tot de Rijntakken een rol bij de stikstofbeoordling. Hoe korter de afstand tot de Rijntakken is, hoe sneller de grens van significante stikstofdepositie bereikt wordt. Voor projecten die dicht bij de Rijntakken plaatsvinden kan, bovenop het SEB, inzet van elektrische mobiele werktuigen nodig zijn om te voldoen aan de grenswaarden. Volgens de stikstofberekening is de toename van stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kleiner dan 0,00 mol/ha/jr. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn op voorhand uit te sluiten. De berekening heeft plaatsgevonden met de meest recente versie van Aerius. De omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit staat de uitvoerbaarheid van de BOPA niet in de weg.
6.5.2.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met gebiedsbescherming.
37
6.5.3 (Hoofd)boomstructuur 6.5.3.1 Algemeen Bomenplan Nijmegen Het Bomenplan Nijmegen (2021) vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De verschillende doelstellingen van dit bomenplan zijn: Gezonde bomen die we zo lang mogelijk behouden; Bomenkap zoveel mogelijk vermijden; Aanplant van bomen zoveel mogelijk stimuleren en Dat de belangrijkste bomen in de stad een groene beschermende verbindende structuur vormen. Het Bomenplan Nijmegen richt zich op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur We willen dat de belangrijkste bomen in de stad samen een groene beschermde verbindende structuur vormen die de stad dooradert. Uitgangspunt voor de hoofdboomstructuur zijn drie belangrijke waarden voor de stad, die het belang van instandhouding en uitbreiding of versterking rechtvaardigen. We richten ons op: 1. Beeldkwaliteit: lommerrijk groen en statige lanen 2.
Ecologie: verbindingselementen en bevordering van biodiversiteit 3. Cultuurhistorie: historische (veld)wegen en monumentaal stadsgroen We combineren de hoofdboomstructuur met andere doelen zoals de gezonde stad, klimaatadaptatie en beleving. Netwerk in de wijken Het is echter niet voldoende om alleen in te zetten op de hoofdboomstructuur. Ook een fijnmazig netwerk van bomen op wijkniveau is van groot belang: het vormt de routes om te bewegen, te wandelen en te fietsen in de wijk. Het maakt een buurt gezond, aantrekkelijk en leefbaar. Het voorkomt hitte-eilanden dichtbij huis en maakt de stad, juist in de wijken, klimaatadaptief. De hoofdboomstructuur vormt samen met het groen in de wijken, de totale groenstructuur van de stad Nijmegen. In de afbeelding is te zien dat het plangebied grenst aan een plek waar groene structuren aanwezig zijn. Deze dienen behouden te blijven.
6.5.3.2 Toetsing De Heyendaalseweg en de Houtlaan zijn hoofdbomenstructuren. Ze vallen onder de ‘Cultuurhistorische lanen’ en onder ‘Statige lanen en parken’. De aansluitende Kwekerijweg is ook een hoofdbomenstructuur, maar valt alleen onder 'Statige lanen en parken’. Er moeten 2 bomen uit deze structuur verwijderd worden (werkzaamheden en slechte kwaliteit), maar er worden ook nieuwe bomen aangeplant die deze laanstructuur in de toekomst weer gaan versterken.
38
6.5.3.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met de gemeentelijke (hoofd)groenstructuur. De herplantplicht van de bomen is een randvoorwaardelijke regel om dit werk mogelijk te maken. Voor de volledige compensatie-berekening, zie hoofdstuk 3.1.1.4a Groen en ecologie.
6.5.4 Biodiversiteit en hoofdgroenstructuur 6.5.4.1 Algemeen Biodiversiteitsagenda De biodiversiteit staat onder druk. Veel soorten lopen hard terug in aantallen en andere soorten sterven uit. Uit ervaring is gebleken dat door het toepassen van maatregelen zoals nieuwe natuur, natuurlijker bosbeheer en schonere, levende rivieren, de natuur zich weer (deels) kan herstellen. Om de bescherming en herstel van biodiversiteit te realiseren, is eind 2023 in Nijmegen de biodiversiteitsagenda vastgesteld. Groen draagt bij aan onze gezondheid en ons welzijn, het zorgt voor vermindering van hittestress en voor een betere luchtkwaliteit. Deze benaderingswijze vraagt om intelligent ruimtegebruik waarin ook functies gecombineerd worden. Natuur kan in een aantal gevallen prima samengaan met andere functies. Het beoogd effect van de biodiversiteitsagenda is dan ook om naast de compensatie en mitigatie verplichting, herstel en versterking van de biodiversiteit sterk te bevorderen. Doelstellingen en uitgangspunten Het overkoepelende doel van de Biodiversiteitsagenda is behoud, herstel en versterking van de biodiversiteit in Nijmegen door behoud en uitbreiding van areaal en kwaliteit van de biodiversiteit in Nijmegen.
We onderscheiden de volgende subdoelen: Subdoel 1: in de stedelijke Hoofdgroenstructuur (kerngebieden en ecologische verbindingen) worden in principe alleen ontwikkelingen toegestaan met een positief netto-effect op de biodiversiteit. Afwijken hiervan is mogelijk als er sprake is van groot maatschappelijk belang. Hiervoor is een goedgekeurd compensatieplan nodig. Subdoel 2: bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de Hoofdgroenstructuur, wordt behoud en uitbreiding van de biodiversiteit vanaf de fase van de visieontwikkeling meegenomen. Naast deze doelen zijn er meer algemene zaken om rekening mee te houden en willen we dat biodiversiteitsbehoud en -herstel gebaseerd is op de volgende uitgangspunten:
39
• Ecosysteembenadering. We streven zoveel mogelijk naar een natuurlijk zelfredzaam systeem (ecologisch in balans) en passen het liefst natuurlijke oplossingen toe. • Bodem en water sturend. Binnen het nationale beleid worden water en bodem gezien als sturend voor de ruimtelijke ontwikkeling. • Behoud en herstel beschermde en niet beschermde soorten. Omdat het aantal soorten sterk afneemt en het aantal dieren en planten ook sterk vermindert richten we ons op het bereiken van een Basiskwaliteit Natuur. • Nieuwe leefgemeenschappen. Daar waar de situatie erom vraagt willen we het inrichten van een natuurlijke leefomgeving voor hier van nature voorkomende soorten die beter zijn toegerust op de klimaatveranderingen stimuleren/bevorderen. • Bijdrage aan het klimaatadaptatieplan. We streven ernaar dat de biodiversiteit maatregelen aansluiten bij de klimaat-adaptieve maatregelen die getroffen worden. Denk aan een groen ingerichte wateropvangvoorziening (wadi). • Biodiversiteit publiek en privaat versterken. Bij ontwikkelingen streeft de gemeente naar een biodiverse/groene inrichting van de private ruimte. Hoofdgroenstructuur en groenblauw weefsel In de verbeelding van de Hoofdgroenstructuur is opgenomen waar de kerngebieden zijn (zoals natuurgebieden, beschermde bossen, parken en uiterwaarden) en hoe de ecologische verbindingen (zoals lanen en corridors) lopen.
De hoofdgroenstructuur is ingebed in een stevig groenblauw weefsel in en op het gebouwde deel van de stad. Om en door de stad lopen de regionale groenblauwe verbindingszones, zoals de Groene Corridors langs de spoorlijnen en de verbindingen die opgenomen zijn in het Groenblauw Raamwerk van de Groene Metropool regio. De Hoofdgroenstructuur en het groenblauwe weefsel versterken elkaar. Het groenblauwe weefsel zorgt voor kleine ecologische stapstenen die sommige soorten helpen om zich te verspreiden en geïsoleerde populaties te verbinden. In dit groenblauw weefsel streven we naar een Basiskwaliteit Natuur, terwijl we in de kerngebieden van de Hoofdgroenstructuur hogere biodiversiteitsdoelen hebben voor zeldzamere soorten of zelfs hele gebieden beschermen (Natura 2000 gebieden). Het groenblauwe weefsel ontstaat als resultaat van gezamenlijke acties van bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Van natuurinclusief bouwen en vergroenen van een bedrijventerrein tot extensiever maaien van een tuin, het aanleggen van een vijver of bloementuin en het ophangen van een nestkastje.
Het versterken van het groenblauwe weefsel is in feite het natuurlijker maken van delen van de stad die niet als hoofdfunctie natuurbehoud hebben, maar waar wel mogelijkheden liggen om soorten de ruimte te geven (en daarmee tegelijkertijd de leefbaarheid van de mensen en dieren in de stad te vergroten). Daarnaast wil de gemeente burgers, bedrijven en organisaties betrekken bij, en stimuleren op eigen grond een bijdrage te leveren aan inrichting en beheer van onderdelen. Natuurinclusief bouwen In Nijmegen bouwen we natuurinclusief. Dit betekent dat er bewust ruimte wordt gemaakt voor biodiversiteit op, aan of in een gebouw of de omgeving, zodat er meer verschillende planten- en diersoorten kunnen leven. Met de Toolbox ‘natuurinclusief bouwen Nijmegen’ creëert de gemeente standaard ruimte voor de natuur. Met deze toolbox wordt er niet alleen gekeken naar beschermde soorten, maar naar natuur in brede zin. Hiermee stimuleren we het behouden en versterken van biodiversiteit op plekken in de stad waar natuurbehoud niet vanzelfsprekend is. Op deze plekken liggen wel mogelijkheden om natuur meer ruimte te geven. De Toolbox geldt voor zowel nieuwbouw en op termijn ook bestaande bouw. Er wordt ingezet op: • Het aanbrengen van geschikte verblijfsplaatsen in of aan een gebouw voor gebouwbewonende soorten.
• Het realiseren van groenmaatregelen om een geschikte leefomgeving voor doelsoorten te creëren (planten en dieren die een specifiek leefgebied vertegenwoordigen). • Het (zoveel mogelijk) behouden van bestaand groen en bestaande verblijfsplaatsen voor dieren. Houtopstanden binnen de bebouwingscontouren Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Binnen deze bebouwingscontour zijn de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening van toepassing.
6.5.4.2 Toetsing Biodiversiteitsagenda en hoofdgroenstructuur: Voor uitvoering van dit plan moeten enkele bomen worden verwijderd, wat een negatief effect kan hebben op de functionaliteit van de ecologische verbinding. Op korte afstand van het plangebied blijft echter een ecologische 40
verbinding bestaan tussen Heyendaalseweg en Houtlaan via het kerngebied op RU-terrein. De bomen die verwijderd moeten worden, zullen worden gecompenseerd en er zal een meer biodiverse beplanting terugkomen in de uiteindelijke situatie. In het plan wordt zoveel als mogelijk bestaand groen behouden en wordt nieuw groen aangelegd. Daarmee is het onwaarschijnlijk dat de functionaliteit van de ecologische verbinding op termijn verslechtert door uitvoering van het plan. Doelstellingen en uitgangspunten: We planten meer bomen terug op diversere plaatsen waardoor we uiteindelijk een betere hoofdstructuur krijgen. Hoofdgroenstructuur en groenblauw weefsel: De 2 gemeentelijke bomen zijn onderdeel van de hoofdgroenstructuur. Deze 2, qua kwaliteit verminderde, bomen worden vervangen voor nieuwe bomen, die ook verder op het midden van de kruising komen te staan. Hierdoor wordt de structuur verbeterd. Natuurinclusief bouwen: Er wordt niks gebouwd in dit project, dus is niet van toepassing. Houtopstanden binnen de bebouwingscontouren: Nadelige gevolgen voor houtopstanden zijn er op deze BOPA niet, aangezien de houtopstanden zich buiten de 'bebouwingscontour houtkap’ bevindt.
6.5.4.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met biodiversiteit.
41
6.6
Erfgoedaspecten
6.6.1 Archeologie en cultuurhistorie 6.6.1.1 Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het (zoveel mogelijk) behouden van archeologische resten in de bodem (in situ) en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Het cultureel erfgoed van Nijmegen bestaat uit gebieden, objecten, gebouwen, structuren en ensembles vanaf de vroege prehistorie tot het recente verleden. Het cultureel erfgoed maakt deel uit van onze identiteit en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. Veel van het cultureel erfgoed is beschermd als monument. Onze ambities voor het cultureel erfgoed zijn opgenomen in de omgevingsvisie en in de Erfgoedstrategie 2020. De regels zijn opgenomen in de Erfgoedverordening Nijmegen 2021 en het Omgevingsplan gemeente Nijmegen (voorheen Facetbestemmingsplan Archeologie 2023).
In het Bkl (artikel 5.130) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd en regels ter voorkomen van aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast is het artikel gericht op het voorkomen van aantasting van de omgeving van monumenten. Omgeving van het monument Nieuw aan de Omgevingswet is de instructieregel voor cultureel erfgoed (bovengronds en ondergronds) ter bescherming van de omgeving van monumenten. Hierbij is het de bedoeling dat in het omgevingsplan regels worden gesteld om aantasting van de omgeving van monumenten te voorkomen. Het gaat bij dit onderdeel niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting van de omgeving van een monument die dat monument ontsiert of beschadigt. Omdat de omgeving van een monument verschillend kan zijn, gaan we werken met procesregels in het omgevingsplan. Dit betekent dat we bij afwijkingen van het omgevingsplan onderzoeken of de nieuwe ontwikkeling van invloed is op de omgeving van het monumenten. UNESCO-werelderfgoed Nijmegen is onderdeel van de Romeinse Limes. De Romeinse Limes is door UNESCO aangewezen als een gebied van uitzonderlijke universele waarde en heeft daarmee de status van UNESCO-werelderfgoed verworven.
De algemene rijksregels voor werelderfgoed staan in hoofdstuk 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarin worden regels gesteld aan de volgende activiteiten: • activiteiten die effect hebben op werelderfgoed; • activiteiten die direct of indirect gevolgen kunnen hebben voor werelderfgoed. Regels voor archeologie Om op een passende en effectieve wijze zorg te kunnen dragen voor het kostbare Nijmeegse bodemarchief wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst aan de regels voor archeologie in het omgevingsplan (waarin het voorheen geldende ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’ is opgenomen).
6.6.1.2 Toetsing Archeologie De uitvoering van de werkzaamheden dient vergezeld te gaan van archeologisch onderzoek in de vorm van een Opgraving variant archeologische begeleiding. Ten behoeve van dit archeologisch onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) voor een Opgraving variant archeologische begeleiding te worden opgesteld. Dit PvE moet voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden worden goedgekeurd door de gemeente Nijmegen.
42
6.6.1.3 Conclusie Archeologie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Deze BOPA is uitsluitend uitvoerbaar voor het aspect archeologie als wordt voldaan aan de volgende voorwaarde: De werkzaamheden worden archeologisch begeleid conform een goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) voor een Opgraving variant archeologische begeleiding.
6.6.1.4 Toetsing Cultuurhistorie De kruising Heyendaalseweg-Houtlaan-Kwekerijweg is historisch ontstaan uit de eeuwenoude doorgaande laan van de Heyendaalseweg en de daarop westwaarts aantakkende Houtlaan. Deze vormden tevens de begrenzing van het 18de-eeuwse landgoed Heyendaal, waar in de vorm van waardevolle groen- en wegstructuren nog veel van bewaard is gebleven in het moderne gebruik als universiteitscampus. Direct op en rond de kruising bevinden zich dan ook cultuurhistorische waarden die bescherming verdienen. Dit geldt met name voor de historische hoofdstructuur van de Heyendaalseweg met ten dele nog oude begeleidende boombeplanting. Door de verkeerskundige wijzigingen aan de kruising sinds ca. 1950 is structuur van de Heyendaalseweg als recht doorgaande historische hoofdweg vertroebeld. Het is nu zaak met de voorgenomen wijzigingen om die historische doorgaande lijn niet verder te vertroebelen en indien mogelijk juist te versterken (niet zozeer qua verkeersverloop als wel qua beeld, omwille van de herkenbaarheid). Direct ten westen van de kruising liggen hoge cultuurhistorische waarden in de vorm van het rijksmonumentale kloostercomplex Berchmanianum, Het onderhavige plan heeft daar geen invloed. Maar het is goed om rekening te houden met het in stand houden van de zichtlijn vanaf de Kwekerijweg op de toren van het Berchmanianum en deze niet te verstoren.
Tussen het Berchamianum en de Heyendaalseweg staat een trafohuisje uit het derde kwart van de 20ste eeuw dat wegens zijn historische architectonische verschijningsvorm cultuurhistorische waarde heeft. Mogelijk werd dit trafohuisje in direct verband met het destijds nieuwe Berchmanianum gebouwd. Behoud van het gebouwtje is daarmee uitdrukkelijk gewenst vanuit cultuurhistorisch perspectief. De aanleg van de nieuwe rotonde op de kruising Heyendaalseweg-Kwekerijweg-Houtlaan kent een groter ruimtebeslag dan het huidige kruisingsvlak. Dit betekent dat enkele van de bestaande bomen gerooid zullen moeten worden. In de nieuwe situatie is ruimte in de tussenliggende groenstroken van de rotonde voor de aanplant van enkele bomen. Met de locatie van deze nieuw te planten bomen wordt er rekening mee gehouden dat deze de zichtlijn vanuit de Kwekerijweg op het torentje van het Jezuietencollege Berchmanianum niet verstoren. Ook komen de bomen in het verlengde van de bestaande bomenrijen langs de Heyendaalseweg. Op deze manier ondersteunen zij het beeld van de historische doorgaande laan en fungeren als overgang tussen het noordelijk en zuidelijk.