Motivering Bopa Spoorstraat
Tekst van het document
7.2.6 Water 7.2.6.1 Algemeen Weging van de waterbelangen Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Bkl volgt, dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een bopa rekening dient te houden met de waterbelangen. Deze waterbelangen zijn belegd bij verschillende overheden. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling de belangen van de andere overheden/waterbeheerders raakt, moet vroegtijdig afstemming plaatsvinden over manieren waarop de ruimtelijke ontwikkeling en de waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Water en bodem sturend Volgens de Nijmeegse Klimaatadaptatiestrategie vormt het natuurlijk water en bodemsysteem het uitgangspunt bij stedelijke ontwikkelingen. De gemeente bouwt bij voorkeur niet op locaties waar dit vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet gewenst is, zoals in de droogdalen (langgerekte laagten) en gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden. Als de gemeente op basis van een integrale afweging toch voor de betreffende locatie kiest, moet de bouw zodanig plaatsvinden dat dit geen nadelige invloed heeft op de natuurlijke waterhuishouding. Beheer van watersystemen
44
Uit de instructieregels van het Bkl volgt, dat de gemeenteraad rekening dient te houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Dit betekent dat er sprake is van een motiveringsverplichting en een impliciete overlegverplichting. Het doel is om op deze wijze bij ruimtelijke planprocessen vroegtijdig afstemming te laten plaatsvinden tussen de betrokken overheden, en gezamenlijk te zoeken naar manieren waarop ruimtelijke ontwikkelingen en waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Waterbeheerprogramma 2022-2027: Versterken. Verbinden. Vergroenen. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma. Hierin stuurt het waterschap onder andere aan op het verbeteren van de waterkwaliteit en op ‘slim waterbeheer’. Hierbij geldt de volgende strategie: als eerst (grond)water zien vast te houden (infiltreren) en bergen voordat het wordt afgevoerd. Daarnaast moet er zuiniger worden omgaan met water. Hierbij volgt de gemeente de route van vroegtijdige waterbesparing naar beperking van watergebruik, om minder afhankelijk te zijn van de aanvoer van water. Als de voorgaande stappen onvoldoende opleveren, moet de maatschappij leren accepteren dat er tijdelijk overlast of schade kan ontstaan.
Bij het volgen van deze route is het uitgangspunt dat de ruimtelijke inrichting van gebieden is afgestemd op de beschikbaarheid van zoet water. Waterschapsverordening De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. In deze verordening staan onder andere: • Regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen; • Regels voor onderhoud van onder andere sloten en beken; • Regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. De waterschapsverordening is bovendien van toepassing wanneer er sprake is van een lozing, onttrekking van water, aan- of afvoer van water of werkzaamheden bij dijken en wateren. In deze situaties moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Het waterschap is daarbij bevoegd gezag. Voorkomen wateroverlast In de Klimaatadaptatiestrategie Nijmegen ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst (2023)’ wordt voor de verwerking van het hemelwater aangesloten bij de landelijke Maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving. Deze landelijke maatlat geeft aan dat er een range van 40 tot 70 millimeter water moet worden verwerkt op privaat terrein, of in daaraan gekoppelde extra voorzieningen binnen het besluitgebied, of binnen de watersysteemgrenzen. Hierbij hanteren we de volgende voorkeursvolgorde: 1.
Besparen en benutten; het ontwerp van nieuwbouwwoningen dient te voorzien in waterbesparende maatregelen. 2. Vasthouden en infiltreren; bij voorkeur oppervlakkig. 3. Bergen; alleen als het niet anders kan, kan het hemelwater worden afgevoerd. De gemeente Nijmegen wil voorkomen dat het hemelwater het bodem- en watersysteem vervuilt. Daarom moet afstromend hemelwater zo schoon mogelijk blijven. Dit betekent dat er geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt. Om wateroverlast te voorkomen, moeten gebouwen zo worden gebouwd, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 mm in een uur. Dit kan bijvoorbeeld door het vloerpeil 20 cm boven het hoogste deel van de weg aan te leggen. 7.2.6.2 Gebiedsspecifiek Het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong Het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong 2009 (WIW 2009, kenmerk 9T9874.A0, d.d. 20-11-2009) beschrijft twee hoofdgebieden: het droogvallende watersysteem van De Grift en het zelfvoorzienende systeem van singels en plassen. Het WIW 2009 dient als waterhuishoudkundig kader voor ontwikkelingen in Nijmegen Noord en omvat gebiedsspecifieke randvoorwaarden en uitgangspunten ten aanzien van de inzameling en verwerking van hemelwater. Het besluitgebied ligt binnen het systeem van singels en plassen.
45
Huidige situatie In 2011 is een waterhuishoudkundig plan (kenmerk 11.0005969, d/d/ 14 maart 2011, Gemeente Nijmegen) opgesteld voor het gebied dat is ingeklemd tussen het spoor, de Margaretha van Mechelenweg en de Graaf Alardsingel. De rapportage beschrijft de waterhuishoudkundige kenmerken en bevat een detailontwerp van de waterhuishouding in dit gebied. De huidige situatie komt grotendeels overeen met het ontwerp in het waterhuishoudingplan van 2011. Dit ontwerp betreft het destijds nieuw te ontwikkelen gebied met de sporthal, de school en de brandweer. In het ontwerp zijn geen wijzigen opgenomen voor de woningen langs het spoor. Het afvalwater van de school, de sporthal en de brandweer wordt ingezameld en verpompt naar de kern van Lent. De woningen langs het spoor zijn aangesloten op gemengde riolering en afvalwater wordt via hetzelfde gemaal verpompt naar de kern van Lent. Op openbaar terrein zijn ten behoeve van de zuivering van regenwater wadi’s aangelegd. Overtollig regenwater wordt via een regenwaterriool in de Graaf Alardsingel geloosd op de singels. Wijzigingen en toekomstige situatie De parkeerplaats en het groen ten zuiden van de brandweer wordt heringericht, de woningen langs het spoor maken plaatst voor nieuwe woongebouwen en nabij station Lent wordt de inrichting gewijzigd. Als gevolg van de herinrichting moeten bestaande wadi’s verplaatst worden.
Nabij de woningen zijn wadi’s nodig om het regenwater van de omliggende verhardingen te zuiveren. De secundaire watergang ten westen van het Groentje wordt vervangen door een ondergrondse voorziening voor de afvoer van regenwater uit het gebied. Door de toename in de productie van afvalwater is er een nieuw gemaal nodig en komt het gemengd riool te vervallen. Verwerking, inzameling van regenwater en voorkomen van overlast Afstromend hemelwater van verhardingen wordt gezuiverd in wadi’s. Overtollig water wordt afgevoerd via een nieuwe ondergrondse regenwatervoorziening ten westen van Het Groentje en via de bestaande leidingen onder de Graaf Allardsingel geloosd op de singels. Dakwater van de nieuwe woongebouwen wordt niet gezuiverd in wadi’s. De inhoud van wadi’s is 10 liter per vierkante meter aangesloten verhard oppervlak. De regenwatervoorzieningen worden getoetst aan bui L08 en T=2 composiet (scenario 2050 laag) uit de Kennisbank Stedelijk Water. Bij L08 mag er geen water op straat ontstaan. De resultaten van de toetsing met T=2 worden gebruikt om het ontwerp te optimaliseren zodat water op straat bij T=2 wordt voorkomen of tot het minimum wordt beperkt (hinder is toelaatbaar, overlast voorkomen). Bij een bui van 70 millimeter in een uur mag niet meer overlast of schade ontstaan dan in de huidige situatie.
Grondwaterneutraal In het gebied dient grondwaterneutraal te worden gebouwd. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het projectgebied niet significant wijzigt ten opzichte van de oorspronkelijk situatie als gevolg van kunstmatige ontwateringsmiddelen. De GHG in het gebied wordt geschat op 9.5 m NAP. Afvalwater In 2017 is in het ‘Pompenplan Waalsprong’ vastgelegd hoeveel afvalwater in de Waalsprong geproduceerd wordt en op welke wijze deze getransporteerd wordt naar de RWZI Arnhem-Zuid (kenmerk: WAT9P3171R001UW, d.d. 9 juni 2017, RHDHV B.V.). Het afvalwater van de woongebouwen en de bestaande bebouwing zal in de nieuwe situatie worden ingezameld en verpompt naar het vuilwaterstelsel van de wijk Broodkorf dat in het bemalingsgebied ligt van Gemaal Woenderskamp. Eventuele afwijkingen ten opzichte van de uitgangspunten in het pompenplan, dienen ter goedkeuring voorgelegd worden aan Waterschap Rivierenland.
7.2.6.2 Toetsing Waterhuishoudkundig onderbouwing Voor de technische uitwerking van de waterhuishouding en de riolering wordt een waterhuishoudkundige onderbouwing opgesteld. Het ontwerp wordt afgestemd op het vigerende beleid en getoetst aan de eisen en randvoorwaarden die daaruit voortvloeien. De inhoud wordt afgestemd met Waterschap Rivierenland en aan hen ter goedkeuring voorgelegd. Het besluitgebied biedt voldoende mogelijkheden en ruimte om de benodigde waterhuishoudkundige maatregelen te treffen. 46
7.2.6.3 Conclusie Voorliggende bopa is uitsluitend uitvoerbaar voor het aspect water als voldaan wordt aan de volgende voorschriften: • Een opvolgende aanvraag omgevingsvergunning dient een door de gemeente en het waterschap goedgekeurd waterhuishoudkundige onderbouwing te bevatten en het plangebied moet in overeenstemming met deze waterhuishoudkundige onderbouwing worden ingericht, waarbij deze inrichting in stand moet worden gehouden; • Hemelwater dat van of via wegen en parkeervoorzieningen afstroomt, dient voorgezuiverd te worden voordat het geloosd wordt op oppervlaktewater. De zuiveringsvoorzieningen dienen een inhoud te hebben van 10 mm berging per m2 aangesloten verhard oppervlak; • Bij een bui van 70 millimeter in een uur mag niet meer overlast of schade ontstaan dan in de huidige situatie; • Particuliere voorzieningen voor vuilwater en hemelwater dienen op particulier terrein te liggen. Dat geldt bijvoorbeeld voor leidingwerk of vetafscheiders; • Bij de aanleg van drainage mag het drainagesysteem niet strijdig zijn met het belang van grondwaterneutraal bouwen; • Maatwerk over technische randvoorwaarden en uitgangspunten is uitsluitend mogelijk na instemming of op aanwijzing van Gemeente Nijmegen.
7.3
Klimaatadaptatie
7.3.1
Algemeen
Het klimaat verandert. Ook in Nijmegen ervaren we de laatste jaren steeds vaker wateroverlast, extreme hitte en droogte. Nijmegen wil deze problemen aanpakken door in 2050 klimaatbestendig te zijn. De klimaatadaptatiestrategie ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst’ (college 31 oktober 2023) beschrijft de aanpak om dit doel te bereiken. In deze strategie staan per thema onze hoofddoelen: • Droogte: langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, fundering, wegen, groen, gronden oppervlaktewater en vitale en kwetsbare functies. • Hitte: een gezonde groene fysieke leefomgeving, met voldoende koelteplekken. Vitale en kwetsbare functies, groengebieden en ecologische verbindingen zijn bestand tegen hitte. • Wateroverlast: hevige neerslag leidt niet tot schade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar. • Gevolgbeperking overstroming: we zorgen voor gevolgbeperking van overstromingen bij overstroombare gebieden langs de Waal en buitendijkse gebieden. Daarnaast staan in deze strategie stadsbrede doelstellingen voor droogte, hitte en wateroverlast, waarmee we invulling geven aan wat we in Nijmegen verstaan onder klimaatadaptatie. In de klimaatadaptatiestrategie beschrijven we aan de hand van leidende principes en prestatie-indicatoren hoe we onze doelstellingen willen bereiken.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt hieraan getoetst. In de klimaatadaptatiestrategie zijn een aantal prioritaire gebieden benoemd. Op deze locaties zijn extra inspanningen nodig om de doelstellingen te bereiken. De prioritaire gebieden willen we in 2035 hebben aangepakt. Op overige locaties worden de klimaatdoelstellingen bereikt door deze doelen te verbinden aan ruimtelijke ontwikkelingen.
7.3.4.2 Toetsing Het project ligt niet in een prioritair gebied voor klimaatadaptatie. De klimaatdoelen voor droogte, hitte en wateroverlast zijn van toepassing binnen het projectgebied. Hiervan worden de thema’s droogte en wateroverlast sterk bepaald door de terreininrichting en waterhuishouding. Het thema hitte speelt voor de langzaam vervoersverbindingen en voor woonruimtes. Om te voorkomen dat woonruimten in de zomer oververhit raken moeten maatregelen worden genomen. Dit wordt in de omgevingsvergunning met de verplichte BENG berekening (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) in het rekenonderdeel (TO juli) aangetoond. TO juli is de eis om te grote opwarming van woningen in de zomer te 47
voorkomen. In het huidige concept is koeling als onderdeel van de luchtbehandeling opgenomen. Hierbij is zonwering niet noodzakelijk; deze BOPA sluit het eventueel later aanleggen van zonwering niet uit. Toepassing van een sedumdak wordt onderzocht. Door de verdere vergroening en aanleg van een parkachtige buitenruimte wordt voor een koelere omgeving gezorgd.
7.3.4.3 Conclusie Het plan is getoetst aan het beleid van de gemeente en voldoet aan de uitgangspunten voor klimaatadaptatie.
7.4
Duurzaamheidsaspecten
7.4.1 Algemeen Eén van de vier hoofdopgaven van de omgevingsvisie is het streven naar een duurzame stad. Nijmegen heeft de ambitie voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. We gaan uit van duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van onze grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en klimaatneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's. De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven klimaatneutraal in 2050), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050).
7.4.2 Energie 7.4.2.1 Algemeen Nijmegen heeft zich tot doel gesteld uiterlijk in 2050 klimaatneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die we dan nog gebruiken wekken we zoveel mogelijk duurzaam op. We streven naar slimme, lokale energieoplossingen, bijvoorbeeld door lokale, duurzame energie tijdelijk op te slaan en vraag en aanbod onderling af te stemmen. Daarnaast streven we naar netbewuste nieuwbouw. Daarbij ontwikkelen we nieuwbouw met zo min mogelijk impact op het elektriciteitsnet. Zo kunnen we ook met de huidige netcongestie zo veel mogelijk nieuwbouw blijven realiseren. Aardgasvrij Nieuwbouw in de bestaande stad en de Waalsprong is aardgasvrij. De Waalsprong valt binnen het concessiegebied van het warmtenet. Nieuwbouw in de Waalsprong moet hier verplicht worden aangesloten op het warmtenet. Daarnaast heeft Nijmegen de ambitie om de bestaande stad van het aardgas te halen en delen van de stad aan te sluiten op een nog aan te leggen warmtenet. Waar dit kan, sluiten we nieuwbouw zoveel mogelijk aan op dit warmtenet. In delen van de stad waar (nog) geen warmtenet is, streven we naar nieuwbouw met warmtesystemen met zo laag mogelijke impact op het elektriciteitsnet.
Dit kan bijvoorbeeld door de toepassing van bodemenergiesystemen. Dit is een belangrijke stap in het netbewust ontwikkelen van nieuwbouw.
7.4.2.2 Toetsing Het wooncomplex wordt aangesloten op het warmtenet. Het complex voldoet aan de BENG-normen voor energieprestatie. Het past daarmee binnen het energiebeleid van de gemeente Nijmegen.
7.4.2.3 Conclusie Het plan is getoetst aan het beleid van de gemeente. Bij de planvorming is rekening gehouden met de doelen uit de omgevingsvisie ten aanzien van energie.
7.4.3 Circulariteit
48
7.4.3.1 Algemeen De regio Arnhem-Nijmegen wil zich profileren als circulaire regio. Vanaf 2030 wil de regio minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. Deze ambitie is ook in de Woondeal 2.0 vastgelegd. Naar verwachting neemt het aanbod van primaire bouwmaterialen, zoals zand en grind, de komende jaren aanzienlijk af. Hergebruik van vrijkomende materialen en toepassing van biobased materialen wordt daardoor steeds belangrijker om de bouw en openbare ruimte haalbaar en betaalbaar te houden. Gemeente en regio streven ernaar om zoveel mogelijk conceptueel, modulair, flexibel en losmaakbaar (demontabel) te bouwen. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van hergebruikte materialen of hernieuwbare organische bouwmaterialen (bijvoorbeeld hout, hennep, vlas, etc.). Bij sloop/vervanging van gebouwen vragen we de mogelijkheden voor het hergebruik van het bestaande gebouw, het casco, gebouwdelen of van de vrijkomende materialen ter plekke of elders te onderzoeken. We vragen initiatiefnemers om via de door de GMR (Groene Metropoolregio) in het kader van de Woondeal beschikbaar gestelde Circulaire Impactladder in beeld te brengen in hoeverre hun project aansluit bij de ambities van Nijmegen en de GMR.
In de Grond-, weg- en waterbouw onderschrijft Nijmegen de uitgangspunten van het manifest duurzaam GWW; samen met onze ketenpartners willen we de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. Uitgangspunt is om zo min mogelijk verharding toe te passen en waar verharding nodig is te kijken naar meer duurzame oplossingen, zoals klinkers of duurzaam asfalt. Vrijkomende materialen vrijkomende materialen verwerken we zo hoogwaardig mogelijk, bijvoorbeeld als grondstof voor nieuwe materialen in de bouw en de openbare ruimte.
7.4.3.2 Toetsing De locatie is trillingsgevoelig door haar ligging direct aan het spoor. De ambities op circulariteit van de gebouwen zijn daarom niet in te vullen met biobased materialen in het casco; deze zijn gevoeliger voor trillingen dan beton. Daarom ligt de focus bij circulariteit in dit project in de ontwerpfase op het vergroten van de levensduur van het gebouwde en duurzamer beton (bv met meer betonpuingranulaat). In het vervolgproces zal in overleg met de GMR de circulaire impactladder als meetinstrument ingezet worden (berekening en advies Volantis). De Gemeente en SSH& doen gezamenlijk onderzoek naar zo circulair mogelijke invulling van de buitenruimte, waarbij gesloten grondbalans, hergebruik van vrijkomende materialen en regentuinen met circulaire zitbanken een ambitie is.
7.4.3.3 Conclusie Het plan is getoetst aan het beleid van de gemeente. Bij de planvorming is rekening gehouden met de ambities op het gebied van circulariteit.
7.5
Natuur- en landschapsaspecten
7.5.1 Soortenbescherming 7.5.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of
49
planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • er soorten aanwezig zijn; • welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Soortmanagementplan (SMP) In 2018 is de gemeente Nijmegen samen met de provincie Gelderland de pilot Soortmanagementplan (SMP) gestart. Het SMP beschrijft hoe de staat van instandhouding in Nijmegen Noord van de ransuil, kerkuil, steenuil, roek, buizerd, rugstreeppad en grote modderkruiper wordt geborgd. Het SMP heeft geleid tot een gebiedsgerichte ontheffing van de voormalige Wet natuurbescherming voor genoemde soorten.
7.5.1.2 Toetsing In de natuurtoets van Waardenburg ecology van november 2022 (quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent, bijlage 8) en vervolgonderzoeken ten aanzien van vleermuizen, kleine zoogdieren en beschermde nesten (Silvavirecologisch advies, bijlage 8) zijn onderzocht wat de beschermwaardige ecologische waarden binnen het besluitgebied zijn. Het betreft hier vleermuizen, huismussen, algemeen voorkomende vogels en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren. Randvoorwaarde voor ecologie is dat deze soorten binnen het besluitgebied duurzaam in stand gehouden dienen te worden. Waardenburg ecology heeft een activiteitenplan opgesteld voor huismussen en Vleermuizen. Uit de natuurtoets van november 2022 en de aanvullende onderzoeken van december 2023 zijn de beschermde soorten vleermuizen en huismussen aangetroffen. Op basis van dit activiteitenplan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd bij de provincie Gelderland. In november 2024 heeft de provincie voor deze soorten een vergunning verleend. Inmiddels zijn alle tijdelijke maatregelen uit het activiteitenplan uitgevoerd. De permanente maatregelen worden ingepast in de plannen. Deze maatregelen zijn 32 ingebouwde nestkasten voor huismussen en 12 ingebouwde nestkasten voor de gewone dwergvleermuis in de nieuwbouw, 6 hulststruiken en 6 meidoorns in de openbare ruimte.
7.5.1.3 Conclusie Bij de planvorming wordt rekening gehouden met soortenbescherming, mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat de permanente maatregelen, beschreven in de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van de provincie (bijlage 10), worden ingepast in de plannen (de gebouwen).
7.5.2 Gebiedsbescherming 7.5.2.1 Algemeen De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In en om Nijmegen liggen de Natura 2000-gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort', als onderdeel van het gebied ‘Rijntakken’. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als 50
buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Voor activiteiten die mogelijk leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet er per geval een stikstofbeoordeling worden gemaakt. Dit om in beeld te brengen of deze activiteit invloed heeft op een Natura 2000-gebied en te beschouwen is als een Natura 2000-activiteit (activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.) Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincie. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
We verwijzen hiervoor naar paragraaf 3.3 van deze motivering. Houtopstanden buiten de bebouwingscontouren Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Deze rijksregels gelden alleen voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (voormalig buiten de bebouwde kom). Daarbij gelden op deze rijksregels een aantal uitzonderingen. Die uitzonderingen staan in het Bal (artikel 11.111).
7.5.2.2 Toetsing Stikstofdepositie Significante stikstofdepositie op overbelaste gebieden van de Rijntakken veroorzaakt negatieve gevolgen op dit Natura 2000-gebied. Om deze negatieve gevolgen te voorkomen is het noodzakelijk dat een project geen significante stikstofdepositie heeft. Daarom is het verplicht dat mobiele werktuigen die ingezet worden voldoen aan de eisen van het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB). Bovendien speelt de afstand van het project tot de Rijntakken een rol bij het stikstofprobleem. Hoe korter de afstand tot de Rijntakken is, hoe sneller de grens van significante stikstofdepositie bereikt wordt. Voor projecten die dicht bij de Rijntakken plaatsvinden kan, boven op het SEB, inzet van elektrische mobiele werktuigen nodig zijn om te voldoen aan de grenswaarden. Uit het stikstofonderzoek (bijlage 11) blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase op voorhand zijn uit te sluiten. De berekening heeft plaatsgevonden met de meest recente versie van AERIUS. De omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit staat de uitvoerbaarheid van de bopa niet in de weg.
Natura 2000 Uit de quickscan voor Spoorstraat Lent blijkt het volgende: Gezien de aard van de werkzaamheden en de ontwikkeling van nieuwbouwwijken in het gebied tussen het Natura 2000-gebied en het besluitgebied kunnen effecten van ruimtelijke en fysische aard op de
51
instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied ‘’Rijntakken” redelijkerwijs worden uitgesloten in zowel de aanleg- als de gebruiksfase’. Natuur netwerk Nederland Uit de quickscan voor Spoorstraat Lent blijkt het volgende: De voorziene ingreep leidt niet tot negatieve effecten (verlies/aantasting van oppervlakte, kwaliteit, wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang) van het GNN/GO. Een aanvullende toetsing (aan het verbod op ‘onevenredig’ of ‘significant’ aantasten van het GNN/GO (“Nee, tenzij-toets”) wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden buiten de bebouwingscontouren Uit de quickscan voor Spoorstraat Lent blijkt over houtopstanden het volgende: Binnen het besluitgebied bevinden zich bomen en struiken. Omdat het besluitgebied binnen de bebouwingscontour houtkap (bebouwde kom) ligt, is deze begroeiing geen onderdeel van een houtopstand die onder de Omgevingswet wordt beschermd.
7.5.2.3 Conclusie Het plan heeft geen gevolgen voor de bescherming van natuurgebieden.
7.5.3 (Hoofd)boomstructuur 7.5.3.1 Algemeen Bomenplan Nijmegen Het Bomenplan Nijmegen (2021) vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De verschillende doelstellingen van dit bomenplan zijn: Gezonde bomen zo lang mogelijk behouden; Bomenkap zoveel mogelijk vermijden; Aanplant van bomen zoveel mogelijk stimuleren; De belangrijkste bomen in de stad een groene beschermende verbindende structuur laten vormen. Het Bomenplan Nijmegen richt zich op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur We willen dat de belangrijkste bomen in de stad samen een groene beschermde verbindende structuur vormen die de stad dooradert. Uitgangspunt voor de hoofdboomstructuur zijn drie belangrijke waarden voor de stad, die het belang van instandhouding en uitbreiding of versterking rechtvaardigen. We richten ons op: 1. Beeldkwaliteit: lommerrijk groen en statige lanen 2.
Ecologie: verbindingselementen en bevordering van biodiversiteit 3. Cultuurhistorie: historische (veld)wegen en monumentaal stadsgroen We combineren de hoofdboomstructuur met andere doelen zoals de gezonde stad, klimaatadaptatie en beleving. Netwerk in de wijken Het is echter niet voldoende om alleen in te zetten op de hoofdboomstructuur. Ook een fijnmazig netwerk van bomen op wijkniveau is van groot belang: het vormt de routes om te bewegen, te wandelen en te fietsen in de wijk. Het maakt een buurt gezond, aantrekkelijk en leefbaar. Het voorkomt hitte-eilanden dichtbij huis en maakt de stad, juist in de wijken, klimaatadaptief.
52
De hoofdboomstructuur vormt samen met het groen in de wijken, de totale groenstructuur van de stad Nijmegen. In de afbeelding is te zien dat het besluitgebied grenst aan een plek waar groene structuren aanwezig zijn. Deze dienen behouden te blijven.
7.5.3.2 Toetsing Binnen het besluitgebied zijn 58 bomen aanwezig, waarvan zes bomen de beleidsstatus monumentaal hebben. De groeiplaatsen van deze monumentale bomen zijn beschermd. Voor 34 bomen geldt dat ze, vanwege de verwachte stamdiameter (30cm of meer), vergunningplichtig zijn voor de activiteit kappen. Op onderstaande kaart is de locatie van de monumentale bomen zichtbaar gemaakt en voor welke ruimte het beschermingsregime van toepassing is.
Afbeelding 13: Overzicht beschermde groeiplaatsen monumentale bomen
Voor de monumentale bomen geldt dat er geen activiteiten binnen de aangewezen groeiplaats van de boom mag plaatsvinden zonder dat onderzocht is of de bomen duurzaam inpasbaar zijn en of dat de activiteiten geen verslechtering van hun conditie veroorzaakt. Als er activiteiten rond deze bomen plaatsvinden, moet er een boomeffectanalyse worden uitgevoerd. In bijlage 12 is een 0-meting opgenomen van de huidige kwaliteit van de aanwezige bomen. De meest zuidelijke monumentale boom (nummer 35 op bovenstaande afbeelding) is, ten gevolge van de realisatie van het studentenwooncomplex, niet te handhaven. Deze monumentale boom zal, door zijn (beleidsmatig) beschermde status, onder voorwaarden kunnen worden gekapt. Dit betekent dat er compensatie voor deze boom moet plaatsvinden. In het algemeen geldt dat het aantal bomen binnen het besluitgebied minimaal behouden blijft. Dit bekent dat er vervanging van verwijderde (kapvergunningplichtige en monumentale) bomen moet plaatsvinden. De bomen binnen het besluitgebied maken ook onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur. De bomen aan de Griftdijk (ten noorden van de kruising met de spoorstraat) maken bovendien onderdeel uit van een cultuurhistorisch waardevolle laan (zie figuur Spoorstraat cultuurhistorische laan). Deze cultuurhistorisch 53
waardevolle laan langs de Griftdijk zal worden versterkt met een groene invulling. Deze groene invulling bestaat uit opgaand groen die de kwaliteit van de laanstructuur bevordert. De versterking van de hoofdboomstructuur (en hoofdgroenstructuur) met (opgaand) groen in en rond het besluitgebied zal onderdeel van de (her)inrichting van de openbare ruimte zijn.
Afbeelding 14:: Spoorstraat cultuurhistorische laan
7.5.3.3 Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met de gemeentelijke (hoofd)groenstructuur, mits de levensvatbare monumentale bomen binnen het besluitgebied worden beschermd en voorafgaand aan bouw- of aanlegactiviteiten rond deze bomen een boomeffectanalyse plaatsvindt.
7.5.4 Biodiversiteit en hoofdgroenstructuur 7.5.4.1 Algemeen Biodiversiteitsagenda De biodiversiteit staat onder druk. Veel soorten lopen hard terug in aantallen en andere soorten sterven uit. Uit ervaring is gebleken dat door het toepassen van maatregelen zoals nieuwe natuur, natuurlijker bosbeheer en schonere, levende rivieren, de natuur zich weer (deels) kan herstellen. Om de bescherming en herstel van biodiversiteit te realiseren, is eind 2023 in Nijmegen de biodiversiteitsagenda vastgesteld. Groen draagt bij aan onze gezondheid en ons welzijn, het zorgt voor vermindering van hittestress en voor een betere luchtkwaliteit. Deze benaderingswijze vraagt om intelligent ruimtegebruik waarin ook functies gecombineerd worden. Natuur kan in een aantal gevallen prima samengaan met andere functies. Het beoogd effect van de biodiversiteitsagenda is dan ook om naast de compensatie en mitigatie verplichting, herstel en versterking van de biodiversiteit sterk te bevorderen. Doelstellingen en uitgangspunten Het overkoepelende doel van de Biodiversiteitsagenda is behoud, herstel en versterking van de biodiversiteit in Nijmegen door behoud en uitbreiding van areaal en kwaliteit van de biodiversiteit in Nijmegen. We onderscheiden de volgende subdoelen:
54
Subdoel 1: in de stedelijke Hoofdgroenstructuur (kerngebieden en ecologische verbindingen) worden in principe alleen ontwikkelingen toegestaan met een positief netto-effect op de biodiversiteit. Afwijken hiervan is mogelijk als er sprake is van groot maatschappelijk belang. Hiervoor is een goedgekeurd compensatieplan nodig. Subdoel 2: bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de Hoofdgroenstructuur, wordt behoud en uitbreiding van de biodiversiteit vanaf de fase van de visieontwikkeling meegenomen. Naast deze doelen zijn er meer algemene zaken om rekening mee te houden en willen we dat biodiversiteitsbehoud en -herstel gebaseerd is op de volgende uitgangspunten: • Ecosysteembenadering. We streven zoveel mogelijk naar een natuurlijk zelfredzaam systeem (ecologisch in balans) en passen het liefst natuurlijke oplossingen toe. • Bodem en water sturend. Binnen het nationale beleid worden water en bodem gezien als sturend voor de ruimtelijke ontwikkeling. • Behoud en herstel beschermde en niet beschermde soorten. Omdat het aantal soorten sterk afneemt en het aantal dieren en planten ook sterk vermindert richten we ons op het bereiken van een Basiskwaliteit Natuur. • Nieuwe leefgemeenschappen.
Daar waar de situatie erom vraagt willen we het inrichten van een natuurlijke leefomgeving voor hier van nature voorkomende soorten die beter zijn toegerust op de klimaatveranderingen stimuleren/bevorderen. • Bijdrage aan het klimaatadaptatieplan. We streven ernaar dat de biodiversiteit maatregelen aansluiten bij de klimaat-adaptieve maatregelen die getroffen worden. Denk aan een groen ingerichte wateropvangvoorziening (wadi). • Biodiversiteit publiek en privaat versterken. Bij ontwikkelingen streeft de gemeente naar een biodiverse/groene inrichting van de private ruimte. Hoofdgroenstructuur en groenblauw weefsel In de verbeelding van de Hoofdgroenstructuur is opgenomen waar de kerngebieden zijn (zoals natuurgebieden, beschermde bossen, parken en uiterwaarden) en hoe de ecologische verbindingen (zoals lanen en corridors) lopen. De hoofdgroenstructuur is ingebed in een stevig groenblauw weefsel in en op het gebouwde deel van de stad. Om en door de stad lopen de regionale groenblauwe verbindingszones, zoals de Groene Corridors langs de spoorlijnen en de verbindingen die opgenomen zijn in het Groenblauw Raamwerk van de Groene Metropool regio. De Hoofdgroenstructuur en het groenblauwe weefsel versterken elkaar. Het groenblauwe weefsel zorgt voor kleine ecologische stapstenen die sommige soorten helpen om zich te verspreiden en geïsoleerde populaties te verbinden.
In dit groenblauw weefsel streven we naar een Basiskwaliteit Natuur, terwijl we in de kerngebieden van de Hoofdgroenstructuur hogere biodiversiteitsdoelen hebben voor zeldzamere soorten of zelfs hele gebieden beschermen (Natura 2000 gebieden). Het groenblauwe weefsel ontstaat als resultaat van gezamenlijke acties van bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Van natuurinclusief bouwen en vergroenen van een bedrijventerrein tot extensiever maaien van een tuin, het aanleggen van een vijver of bloementuin en het ophangen van een nestkastje. Het versterken van het groenblauwe weefsel is in feite het natuurlijker maken van delen van de stad die niet als hoofdfunctie natuurbehoud hebben, maar waar wel mogelijkheden liggen om soorten de ruimte te geven (en daarmee tegelijkertijd de leefbaarheid van de mensen en dieren in de stad te vergroten). Daarnaast wil de gemeente burgers, bedrijven en organisaties betrekken bij, en stimuleren op eigen grond een bijdrage te leveren aan inrichting en beheer van onderdelen. Natuurinclusief bouwen In Nijmegen bouwen we natuurinclusief. Dit betekent dat er bewust ruimte wordt gemaakt voor biodiversiteit op, aan of in een gebouw of de omgeving, zodat er meer verschillende planten- en diersoorten kunnen leven. Met de Toolbox ‘natuurinclusief bouwen Nijmegen’ creëert de gemeente standaard ruimte voor de natuur.
Met deze toolbox wordt er niet alleen gekeken naar beschermde soorten, maar naar natuur in brede zin. Hiermee stimuleren we het behouden en versterken van biodiversiteit op plekken in de stad waar natuurbehoud niet vanzelfsprekend is. Op deze plekken liggen wel mogelijkheden om natuur meer ruimte te geven. De Toolbox geldt voor zowel nieuwbouw en op termijn ook bestaande bouw. Er wordt ingezet op: • Het aanbrengen van geschikte verblijfsplaatsen in of aan een gebouw voor gebouwbewonende soorten. • Het realiseren van groenmaatregelen om een geschikte leefomgeving voor doelsoorten te creëren (planten en dieren die een specifiek leefgebied vertegenwoordigen). • Het (zoveel mogelijk) behouden van bestaand groen en bestaande verblijfsplaatsen voor dieren.
55
Houtopstanden binnen de bebouwingscontouren Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Binnen deze bebouwingscontour zijn de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening van toepassing. Invasieve exoten In de Europese Unie (EU) neemt het aantal invasieve exoten snel toe. Speerpunt van EU-brede aanpak is het terugdringen van ongewenste effecten op biodiversiteit en ecosystemen door beperking van import, handel, transport, bezit, gebruik, kweek en uitzetten van invasieve exoten die zijn opgenomen in de zo genoemde Unielijst. De Unielijst heeft een dynamisch karakter. De EU-verordening vereist drie opeenvolgende beheerstappen om schade door invasieve exoten te beperken: 1 voorkomen van introductie; 2 vroegtijdig signaleren en snel elimineren; 3 populatiebeheersing en indammen verspreiding. Voor elke te bestrijden soort is maatwerk nodig en invulling wordt aan individuele lidstaten overgelaten.
7.5.4.2 Toetsing Biodiversiteit en hoofdgroenstructuur In en om het gebied lopen verbindingsroutes voor biodiversiteit. Een deel van deze verbindingsroutes maken onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur (eerder beschreven in de hoofdbomenstructuur). In het kaartje hieronder (Spoorstraat bio verbindingszones) is verbeeld waar deze routes lopen.
Afbeelding 15: Spoorstraat bio verbindingszones
Zoals in paragraaf 7.5.3.2 is aangegeven, de groenstructuur versterkt met opgaand groen. Dit zal bijdragen aan het behoud en versterking van de biodiversiteitsverbindingen en de hoofdgroenstructuur. Natuurinclusief bouwen De toolbox natuurinclusief bouwen geldt als uitgangspunt voor de uitwerking van het ontwerp. Deze verplichte toepassing van de toolbox natuurinclusief bouwen is in het omgevingsplan vastgelegd. Het ontwerp komt in samenspraak met Gemeente Nijmegen onder begeleiding van een ecoloog tot stand. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal deze uitwerking worden getoetst aan het omgevingsplan. 56
Invasieve exoten Binnen het besluitgebied bevinden zich een aantal locaties met Japanse duizendknoop. Japanse duizendknoop staan op de Europese unielijst van invasieve exoten en moeten bestreden worden. Op onderstaand kaartje (locaties japanse duizendknoop) staan de bij gemeente Nijmegen bekende locaties van Japanse duizendknoop binnen het besluitgebied. Deze Japanse duizendknoop moet worden weggesaneerd uit het besluitgebied en er moeten maatregelen worden getroffen om verdere verspreiding te voorkomen. De gemeente zal maatregelen treffen tegen de Japanse duizendknoop.
Afbeelding 16: Locaties Japanse duizendknoop
7.5.4.3 Conclusie De aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal moeten voldoen aan de toolbox natuurinclusief bouwen. Bij de planvorming is rekening gehouden met de biodiversiteit en de hoofdgroenstructuur.
7.5.5 Eindconclusie natuur- en landschapsaspecten Het plan is getoetst aan de instructieregels uit het Bkl. Gezien het voorgaande is voldoende verzekerd dat de natuur- en landschapsaspecten binnen het besluitgebied voldoen aan de instructieregels uit het Bkl. Het plan is getoetst aan de instructieregels uit de provinciale verordening. Gezien het voorgaande is voldoende verzekerd dat de natuur- en landschapsaspecten binnen het besluitgebied voldoen aan de instructieregels uit de provinciale verordening. Het plan is getoetst aan het beleid van de gemeente. Gezien het voorgaande is voldoende verzekerd dat de natuuren landschapsaspecten binnen het besluitgebied voldoen aan het gemeentelijk beleid.
57
7.6
Erfgoedaspecten
7.6.1 Archeologie en cultuurhistorie 7.6.1.1 Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het (zoveel mogelijk) behouden van archeologische resten in de bodem (in situ) en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Het cultureel erfgoed van Nijmegen bestaat uit gebieden, objecten, gebouwen, structuren en ensembles vanaf de vroege prehistorie tot het recente verleden. Het cultureel erfgoed maakt deel uit van onze identiteit en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. Veel van het cultureel erfgoed is beschermd als monument. Onze ambities voor het cultureel erfgoed zijn opgenomen in de omgevingsvisie en in de Erfgoedstrategie 2020. De regels zijn opgenomen in de Erfgoedverordening Nijmegen 2021 en het Omgevingsplan gemeente Nijmegen (voorheen Facetbestemmingsplan Archeologie 2023).
In het Bkl (artikel 5.130) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd en regels ter voorkomen van aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast is het artikel gericht op het voorkomen van aantasting van de omgeving van monumenten. Omgeving van het monument Nieuw aan de Omgevingswet is de instructieregel voor cultureel erfgoed (bovengronds en ondergronds) ter bescherming van de omgeving van monumenten. Hierbij is het de bedoeling dat in het omgevingsplan regels worden gesteld om aantasting van de omgeving van monumenten te voorkomen. Het gaat bij dit onderdeel niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting van de omgeving van een monument die dat monument ontsiert of beschadigt. Omdat de omgeving van een monument verschillend kan zijn, gaan we werken met procesregels in het omgevingsplan. Dit betekent dat we bij afwijkingen van het omgevingsplan onderzoeken of de nieuwe ontwikkeling van invloed is op de omgeving van het monumenten. UNESCO-werelderfgoed Nijmegen is onderdeel van de Romeinse Limes. De Romeinse Limes is door UNESCO aangewezen als een gebied van uitzonderlijke universele waarde en heeft daarmee de status van UNESCO-werelderfgoed verworven.
De algemene rijksregels voor werelderfgoed staan in hoofdstuk 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarin worden regels gesteld aan de volgende activiteiten: • activiteiten die effect hebben op werelderfgoed; • activiteiten die direct of indirect gevolgen kunnen hebben voor werelderfgoed. Regels voor archeologie Om op een passende en effectieve wijze zorg te kunnen dragen voor het kostbare Nijmeegse bodemarchief wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst aan de regels voor archeologie in het omgevingsplan (waarin het voorheen geldende ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’ is opgenomen).
7.6.1.2 Toetsing Archeologie Het terrein is volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Langs de zuidrand van het besluitgebied is een smalle strook aanwezig die deel uitmaakt van een gebied zonder waarde of verwachting, oftewel vrijgegeven gebied. In het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023 (FBP) van de gemeente Nijmegen is de middelhoge verwachting van de archeologische beleidskaart vertaald naar de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4. In deze gebieden dienen in het geval van grondwerkzaamheden over een oppervlak van minimaal 500 m2 alle verstoringen 58
(inclusief sloop beneden maaiveld) van meer dan 30 cm -mv te worden voorafgegaan door archeologische maatregelen. De waarde van smalle strook aan de zuidrand van het besluitgebied is in het FBP vertaald naar vrijgave. In deze gebieden gelden op basis van het bestemmingsplan geen beperkingen meer. Op basis van de inrichtingsplannen en omvang van het besluitgebied kan worden geconcludeerd dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het bevoegd gezag van de gemeente Nijmegen heeft dan ook besloten een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is in januari 2025 uitgevoerd en in februari gerapporteerd: Scheeringa-Mulder, D.L. en E. Heunks, 2025: Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek aan de Spoorstraat te Lent, gemeente Nijmegen, Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 386 Deze rapportage is goedgekeurd door bevoegd gezag archeologie van de gemeente Nijmegen. Conclusies en aanbevelingen zijn overgenomen. De conclusie is dat archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is voorafgaand aan de geplande bodemingrepen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een nog op te stellen en goed te keuren Programma van Eisen.
Cultuurhistorie Om de cultuurhistorische waarden van het besluitgebied vast te stellen, is gekeken naar de beschikbare informatie van de gemeente Nijmegen (Historische atlas gemeente Nijmegen) en naar www.topotijdreis.nl. In 1815 is het besluitgebied nog onbebouwd. Het besluitgebied ligt aan de centrale ontsluitingsweg van het dorp Lent. In 1850 is de kern Lent gegroeid, maar het besluitgebied is nog steeds onbebouwd. Uit de beschikbare kaarten blijkt dat de locatie in gebruik is als grasland. De aanleg van de spoorlijn Arnhem - Nijmegen is in 1879 afgerond. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd de lijn geëlektrificeerd. Het besluitgebied is in dit jaar nog steeds onbebouwd. De eerste bebouwing verschijnt op de planlocatie omstreeks 1915. In hoofdstuk 2 van deze toelichting is reeds aangegeven hoe de Griftdijk samenhang heeft (gehad) met het besluitgebied.
Afbeelding 17: Besluitgebied in 1850 en 1915
Op basis van de Historische atlas van de gemeente Nijmegen zijn in het besluitgebied geen cultuurhistorische, landschappelijke of andere elementen aanwezig. In of nabij het besluitgebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Conclusie: Bij uitvoering van het project zijn er geen cultuurhistorische waarden in het geding.
7.6.1.3 Conclusie Het plan is getoetst aan de instructieregels uit het Bkl en Bal. Het plan is getoetst aan het beleid van de gemeente. Archeologie Voor het aspect archeologie geldt dat voorafgaand aan de geplande bodemingrepen archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven moet worden uitgevoerd. De uitvoering van dit onderzoek dient plaats te vinden op basis van goed te keuren Programma van Eisen. Cultuurhistorie 59
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
7.7
Veiligheidsaspecten
7.7.1 Omgevingsveiligheid 7.7.1.1 Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en risico’s door windturbines. Het risico wordt bepaald door de kans op een incident per jaar te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers dat kan vallen op een bepaalde locatie of in een gebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Naast deze risicobenadering is in de Omgevingswet een effectbenadering geïntroduceerd met het begrip ‘aandachtsgebieden’. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen.
Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Het plaatsgebonden risico wordt op basis van de vastgestelde afstanden vastgelegd in een contour. Groepsrisico. Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico (artikel 5.15 van het Bkl).
60
Afbeelding 18: Afbeelding: aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren (effectgebieden en geen risico-afstanden) zichtbaar op de kaart (Zie Atlas Leefomgeving op www.atlasleefomgeving.nl, Register externe veiligheid), zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. De gemeente mag een brand- of explosie –aandachtsgebied (of delen ervan) aanwijzen als voorschriftengebied waardoor er extra bouwkundige eisen gaan gelden voor nieuwe gebouwen. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties.
Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage VI). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen; de meeste basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw of op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren, aandachtsgebieden en het groepsrisico. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het toedelen van functies aan locaties. Daarnaast moet het bevoegd gezag motiveren (artikel 5.14 Bkl) waarom van een brand- en/of explosie-aandachtsgebied een voorschriftengebied wordt gemaakt als in dit gebied nieuwe (beperkt-) kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt.
61
7.7.1.2 Toetsing In de omgeving van het plan bevinden zich een tweetal risicobronnen. Dit zijn het naastgelegen spoor en de routering vervoer gevaarlijke stoffen die vanaf de oude stadbrug over de Prins Mauritssingel gaat. Er liggen geen milieubelastende activiteiten in de buurt met risicocontouren of aandachtsgebieden over het besluitgebied. Van beide risicobronnen ligt geen plaatsgebonden risicocontour (pr 10-6) over het besluitgebied. Nijmegen heeft in 2013 een routering vervoer gevaarlijke stoffen (over de weg) aangewezen. Deze route is aangewezen voor de veilige bevoorrading van bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken. Vervoerde stoffen zijn voornamelijk brandbare vloeistoffen met een effectgebied van 30 meter en een beperkte hoeveelheid brandbaar gas met een effectgebied van 200 tot 300 meter. Het besluitgebied ligt buiten het effectgebied van een brandbare vloeistof (30 meter). Op basis van een telling uit het verleden en de aanwezige bedrijven in de omgeving kan worden ingeschat dat het vervoer van brandbare gassen ongeveer 100 tankauto’s per jaar is. Op grond van het Bkl zijn er geen aandachtsgebieden langs de routering vervoer gevaarlijke stoffen. Gezien de transporthoeveelheden ligt het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde. Gezien het beperkt risico van de weg zijn aanvullende maatregelen niet realistisch.
Het spoor ligt op een afstand van 29-30 meter van het besluitgebied op een talud. Hierover worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën A, B2, C3, D3 en D4; respectievelijk 700, 200, 1050, 50 en 50 wagons per jaar volgens de prognose van het ‘basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ voor 2020. Het gerealiseerde vervoer ligt daar vrijwel elk jaar onder. Zo is de realisatie over het jaar 2024 ongeveer de helft van de prognose voor 2020. Op basis van de prognose is een risicoplafond vastgesteld. Alleen in de jaren 2016 en 2021 is er een kleine overschrijding geweest van het vervoer van wagons met propaanachtige stoffen. Langs het spoor liggen volgens het Bkl, bijlage VII drie aandachtsgebieden. De breedte is 30 meter voor het brandaandachtsgebied, 200 meter voor het explosie-aandachtsgebied en 300 meter voor een gifwolkaandachtsgebied. Een deel van het plan ligt in alle drie de aandachtsgebieden. Het gehele plan ligt in het gifwolk- en explosieaandachtsgebied. De studentenwoningen, die met deze bopa mogelijk worden gemaakt, zijn kwetsbare functies/gebouwen. Er worden geen zeer kwetsbare functie mogelijk gemaakt. Voor de gemeente is er geen verplichting om extra bouwkundige maatregelen voor te schrijven. Wel dient te worden gemotiveerd dat deze niet noodzakelijk zijn in een brand- en explosie-aandachtsgebied.
Ondanks de relatief geringe risico’s vanaf het spoor door de lage transporthoeveelheden is, gezien de nabijheid van het plan, gezocht naar optimalisatie van de veiligheidssituatie. Hiervoor heeft de Antea Group een beschouwing van de omgevingsveiligheid opgesteld (Bijlage 13). Hieruit blijkt dat er relatief eenvoudige maatregelen mogelijk zijn om de effecten van een incident met gevaarlijke stoffen op het spoor te beperken. De voorgestelde aanvullende maatregelen richten zich op het tegengaan van de effecten van plasbranden, explosies en gifwolken. Effecten van plasbranden kunnen worden tegengegaan door het op afschot leggen van (een deel van) de spoorstraat richting spoor, zodat een brandbare vloeistof vanaf het spoortalud aan de spoorzijde kan uitbranden en er geen plasbrand kan ontstaan die richting studentenwoningen drijft. De effecten van een explosie kunnen worden beperkt door toepassing van isolatieglas en glas voor doorvalbeveiliging. Deze maatregelen worden al genomen door de SSHN. Dit soort glas heeft kenmerken van scherfvrijglas en biedt dus voor een incident met een explosie en drukgolf op wat grotere afstand van het besluitgebied voldoende bescherming. Mogelijk is deze bescherming onvoldoende als een explosie exact ter hoogte van het besluitgebied optreedt.
De kans hierop is echter dusdanig gering (mede door de relatief geringe transporthoeveelheden) dat geen aanvullende bouwkundige eisen worden gesteld in deze bopa. Een kosteneffectieve maatregel tegen een gifwolkincident vormt de toepassing van een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem. Deze maatregels is voorgeschreven in het Bbl. Voor een incident op het spoor waarbij vluchten de beste optie is, wordt gekozen voor bredere nooduitgangen dan voorgeschreven in het Bbl. Dit is nodig gezien de hoeveelheid personen die daar in korte tijd van gebruik zouden moeten maken. De hoogte en toename van het groepsrisico is al verantwoord in het bestemmingplan Dorp Lent - 14 (Spoorstraat) uit 2023. In dit bestemmingsplan is geconcludeerd dat het groepsrisico zal toenemen met meer dan 10%, maar onder de oriëntatiewaarde zal blijven. Het huidige plan zorgt niet voor een verdere toename. Er is geen aanleiding is om, buiten de hierboven beschreven maatregelen, extra maatregelen te nemen. De Veiligheidsregio Gelderland Zuid geeft in een brief van 22 oktober 2025 (bijlage 14) aan hiermee akkoord te zijn.
62
7.7.1.3 Conclusie Het plan is getoetst aan de instructieregels uit het Bkl. Deze bopa is uitvoerbaar voor het aspect omgevingsveiligheid als voldaan wordt aan de volgende voorwaarde(n): De Spoorstraat (en de bijbehorende berm) wordt op afschot gelegd richting het spoor; Er wordt isolatieglas en glas met doorvalbeveiliging (dat kenmerken heeft van scherfvrij glas) toegepast; Er wordt een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem toegepast; Er worden bredere nooduitgangen dan voorgeschreven in het Bbl toegepast, met een breedte van 900mm, die de mogelijkheid bieden om van de bron (het spoor) af kunnen vluchten. De toepassing van een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem is een eis uit het Bbl. Hiervoor hoeven geen aanvullende voorwaarden te worden gesteld.