Motivering Bopa Spoorstraat
Tekst van het document
7.7.2 Kabels en leidingen 7.7.2.1 Algemeen Er kunnen kabels en leidingen in of nabij het besluitgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen, rioleringsleidingen of gasleidingen), beschermingszones en dergelijke. Kabels en leidingen zijn onderdeel van de fysieke leefomgeving, waarvoor gemeenten regels moeten stellen, gericht op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten (artikel 2.1 Ow). Incidenten met kabels en leidingen kunnen zorgen voor ongemak, maar ook voor gevaar, (maatschappelijke) ontwrichting of (milieu)schade. Daarom is het van belang rekening te houden met kabels en leidingen.
7.7.2.2 Toetsing In het besluitgebied bevinden zich een hogedrukgasleiding (Liander) en watertransportleiding (Vitens). Deze zijn op dermate afstand gepositioneerd van de nieuwe gebouwen dat dit planologisch geen invloed zal hebben. In het besluitgebied zijn daarnaast datatransportkabels aanwezig en de gebruikelijke kabels en leidingen. Sommige hiervan zullen moeten worden verlegd.
7.7.2.3 Conclusie Er zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van deze bopa.
7.7.3 Ontplofbare Oorlogsresten 7.7.3.1 Algemeen Het grondgebied van de gemeente Nijmegen is in de Tweede Wereldoorlog langdurig en intensief strijdtoneel geweest. Daarom is in grote delen van de gemeente nog steeds de kans aanwezig op het aantreffen van niet gesprongen explosieven (officiële term tegenwoordig: Ontplofbare Oorlogsresten). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de afwegingen omtrent het stellen van regels aan activiteiten, is het wenselijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in het besluitgebied waarop deze bopa betrekking heeft.
7.7.3.2 Toetsing Uit de informatie die is opgenomen in de Milieuatlas Nijmegen is het besluitgebied gedeeltelijk verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van afgeworpen munitie en geschutsmunitie:
63
Donkergroen = onderzocht op OO tot maximaal -5m MV, lichtgroen = onderzocht tot -3m MV Oranje = verdacht op OO vanaf -0,5m MV tot -4m MV Roze = verdacht op OO vanaf maaiveld tot -4m MV Zonder kleur = onverdacht Bij het vaststellen van de nieuwe kaart met verdachte gebieden begin 2025 is een groot gedeelte van het verdachte gebied in het besluitgebied afgewaardeerd. De grondroerende werkzaamheden kunnen hier regulier worden uitgevoerd maar standaard is het advies om te werken met het protocol “toevalsvondst van een explosief” en dit vóór aanvang van de werkzaamheden te bespreken met de aannemer. Het protocol is verkrijgbaar via bevoegdgezagOOO@nijmegen.nl Grondroerende werkzaamheden in op OO verdacht gebied dienen onder OOO-condities te worden uitgevoerd. Dit is vastgelegd in de Arbowetgeving.
7.7.3.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met Ontplofbare Oorlogsresten.
7.7.4 Windhinder 7.7.4.1 Algemeen Wind kan hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen, waarbij sprake kan zijn verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Ow). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Het Rijk heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen regels opgesteld. Er is dan ook geen formele, landelijke vastgestelde eis voor windhinder en windgevaar. Wel wordt voor de beoordeling vaak gebruik gemaakt van de NEN 8100. De NEN 8100 (norm voor windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving) geeft aan wanneer er aanleiding is om 64
onderzoek te doen naar windhinder. In de NEN 8100 wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. Windgevaar is een situatie waarin een windsnelheid van meer dan 15 m/s optreedt, waardoor ernstige problemen voor personen tijdens het lopen veroorzaakt kunnen worden. Windhinder is overlast door wind, en treedt volgens NEN 81000 op vanaf 5 m/s. Onderzoek naar windhinder is noodzakelijk bij een bouwhoogte van meer dan 30 meter.
7.7.4.2 Toetsing Uit het eerder windonderzoek (bijlage 15) blijkt dat er in het besluitgebied geen verwachting is voor het voorkomen van windgevaar. Dit windonderzoek is nog toereikend voor het huidige plan. Voor windhinder geldt dat het windklimaat niet aan de verwachtingen voldoet voor ingangen en verblijfsgebieden (zitjes) (het onderzoek benoemt dit als windklasse D; slecht windklimaat):
Bij de positionering van de gebouwentrees is rekening gehouden met de aanbevelingen uit het rapport windhinderonderzoek van DGMR door de entrees te positioneren in een gebied met windhinderklasse A (geen hinder). Dit is ook voor de zitjes buiten gedaan. Daarnaast kunnen alle vier de gebouwen ter plaatse van de entrees van luifels worden voorzien. Er kan een zone van 5 meter voor de realisatie van luifels in deze bopa worden aangewezen.
7.7.4.3 Conclusie In de plannen wordt door positionering van de entrees en zitjes voldaan aan de uitgangspunten voor een aanvaardbaar windklimaat. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
65
7.7.5 Sociale veiligheid Sociale veiligheid wordt gedefinieerd als “de ervaring van (on)veiligheid van een individu veroorzaakt door de inrichting in relatie tot menselijk handelen in de openbare ruimte. Het betreft niet alleen de overlast en criminaliteit die een persoon ervaart, maar ook de onveiligheidsbeleving.” De gevoelens van onveiligheid nemen toe door toenemende overlast, verloedering en criminaliteit in de fysieke leefomgeving. Deze gevoelens van (on)veiligheid bepalen de mate van sociale veiligheid in een gebied. Onveiligheid of het gevoel hebben dat het onveilig is in een gebied, kan ervoor zorgen dat mensen worden belemmerd in hun sociale bezigheden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de sociale veiligheid in de fysieke leefomgeving kan worden bevorderd. Dit kan door het nemen van drie typen maatregelen: 1. Maatregelen gericht op de keuze en situering van de verschillende doelgroepen: deze maatregelen zijn gericht op het kiezen voor een woningbouwprogramma dat gericht is op doelgroepen die naar verwachting niet bijdragen aan een vergroting van de problematiek in het gebied, maar juist bijdragen aan de versterking van de sociale cohesie binnen en tussen doelgroepen in dit gebied. 2.
Maatregelen gericht op menging van functies en doelgroepen: door menging van woningbouw en andere functies, als winkels, commerciële dienstverlening en horeca met terrassen, wordt een gebied zowel overdag als ’s avonds levendig. Door winkelstraten en horeca wordt ontmoeting tussen bewoners gestimuleerd. Het toevoegen van woningen zorgt voor meer ‘ogen op straat’. De menging van verschillende doelgroepen zorgt ervoor dat segregatie wordt tegengegaan. 3. Maatregelen gericht op de inrichting van de openbare ruimte: door toepassing van de ZETA-richtlijnen kan worden gezorgd voor een adequate vormgeving en inrichting van de openbare ruimte, die de sociale veiligheid van het besluitgebied en de directe omgeving bevorderen. De afkorting ZETA staat voor Zichtbaarheid, Eenduidigheid, Toegankelijkheid en Aantrekkelijkheid.
7.7.4.2 Toetsing Het ontwerp voor het terrein van SSH& en de openbare ruimte zijn op elkaar afgestemd en bieden ruimte aan verblijf in de buitenruimte en ontmoeten. Uitgangspunt voor het ontwerp is de zonering in deelgebieden waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen “rust”, “ruis” en “reuring”. In het park komen de verschillende gebruikersgroepen uit de campusdriehoek samen. Daar is ruimte voor meer actief verblijf in de buitenruimte. Daar is reuring. Naar de Spoorstraat ter hoogte van de studentenhuisvesting krijgt dit een invulling die beter past bij de woonbestemming en die specifiek is ingericht voor de bewoners en hun bezoekers. Daar is ruis. Daar ontmoeten de bewoners van de verschillende gebouwen elkaar in de buitenruimte. De Spoorstraat wordt een autoluwe straat. Het wooncomplex wordt autovrij. Autoverkeer is er beperkt tot verhuisbewegingen en ondersteunende diensten als afvalinzameling en onderhoud. Rust is er rondom de woningen in het complex, waar het terrein een groene inrichting krijgt. De gebouwen zijn alleen voor de bewoners en hun bezoekers. De centrale ontmoetingsruimte in de toren is ook alleen toegankelijk voor bewoners. Ook in de gebouwen wordt er onderscheid gemaakt tussen “rust”, “ruis” en “reuring”. Rondom de entrees van de gebouwen zijn de gemeenschappelijke voorzieningen in de gebouwen gesitueerd.
Op de route naar de woongedeelten zijn er de fietsenstalling, entreehal en wasruimte met ontmoetingsgelegenheid. De route voert zo van reuring en ruis naar de rustige woongangen. Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met sociale veiligheid door te zorgen voor goed zicht, voldoende verlichting, levendigheid en overzichtelijke routes.
7.7.4.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met de sociale veiligheid.
7.8
Gezondheidsaspecten
7.8.1 Gezondheid 7.8.1.1 Algemeen
66
De gezondheid van de mens wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg en de sociale en fysieke leefomgeving. Een gemeente is verantwoordelijk voor de volksgezondheid van haar inwoners. Door middel van de Visie op gezondheid 2040 en de Omgevingsvisie ‘De Nabije Stad’ geeft de gemeente Nijmegen inhoud aan deze verantwoordelijkheid. Een gezonde leefomgeving is één van de speerpunten van de Visie op gezondheid en het creëren van een gezondere leefomgeving opgenomen als één van de leidende principes bij het ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. Als het gaat om de fysieke leefomgeving dan heeft deze op verschillende manieren invloed op de gezondheid van de inwoners. Denk bijvoorbeeld aan kwaliteit van woningen, luchtkwaliteit, aanwezigheid van groen en inrichting van de openbare ruimte. Bij het verlenen van een bopa willen we rekening houden met het belang van gezondheid van onze inwoners. Het gaat dan om bescherming en bevordering van de gezondheid en om het faciliteren van een gezondere leefstijl. Bij het bieden van bescherming gaat het om bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt, elektromagnetische straling en de gevolgen van klimaatverandering.
Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering) en het stellen van regels voor activiteiten over aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen, bodemkwaliteit en hittebestendigheid/verkoeling. Op deze aspecten is ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering. Bij het bevorderen van gezondheid en faciliteren van een gezondere leefstijl gaat het om een aantrekkelijke en veilige inrichting en om maatregelen die bijdragen aan een gezondere leefstijl. Het gaat dan om mogelijkheden tot bewegen, spelen, sporten en ontspanning en om de aanwezigheid van dagelijkse voorzieningen in de buurt. Maar ook om mogelijkheden van het maken van gezonde keuze als het gaat om voeding, ontmoeten, sociale veiligheid en verkeersveiligheid. Verder gaat het om gedragsbeïnvloedende maatregelen, zoals rookvrije openbare locaties. De fysieke omgeving kan op verschillende manieren positieve dan wel negatieve invloed hebben op de gezondheid van inwoners. Daarom wordt de invloed van het initiatief op gezondheid van gebruikers en de directe omgeving (naast de verschillende onderdelen) ook in totaliteit bekeken en afgewogen. Een negatief effect op gezondheid vanuit één aspect wordt niet automatisch gecompenseerd door een positief effect op een ander aspect.
Dit hangt van de situatie en de betrokken aspecten af.
7.8.1.2 Toetsing De gezonde leefomgeving is uitgewerkt in 8 onderwerpen. 1. Beweegvriendelijke omgeving Er wordt aandacht besteed aan langzaam verkeer en mogelijkheden voor beweging en ontmoeting. Het pocketpark en het UFT knooppunt faciliteren ontmoeting en sporten. Met de inrichting van de autoluwe Spoorstraat ontstaat er meer ruimte en veiligheid voor voetgangers en fietsers. Belangrijke voorwaarde is dat bij de uitwerking van deze buitenruimten de gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid voor personen met een beperking wordt betrokken. 2. Gezond milieu De locatie ligt nabij drukke wegen en het spoor. Voor deze milieuaspecten is het belangrijk om het advies van de GGD zoveel mogelijk na te volgen. Het advies van de GGD is onderdeel van de BOPA procedure. 3. Groene en klimaatbestendige omgeving Bij de groeninrichting zijn biodiversiteit en de aanpak van hittestress betrokken. Daarnaast is in het stedenbouwkundig beeldkwaliteitsplan te zien dat ook de daken worden meegenomen in dit verhaal door deze zo groen mogelijk in te richten. 4. Ruimte voor ontmoeten en verbinden Ontmoeten binnen en buiten is onderdeel van de inrichting van de openbare ruimte. Er zijn verschillende soorten ontmoetingsruimten binnen in de gebouwen en ook buiten zijn mogelijkheden voor ontmoeting.
In de buitenruimte zijn er verschillende zones voor ontmoeting, plekken met meer reuring en stillere zones. 5. Gezond en sociaal wonen voor iedereen 67
De plek ligt centraal en in de nabijheid van voorzieningen. Zoals reeds genoemd onder punt 2 is een gezond (woon)milieu van belang. 6. Functiemenging waar mogelijk Het programma hier is enkel wonen met ruimte voor ontmoeting voor bewoners en bezoekers. Gezien de woningbehoefte en de nabijheid van andere functies in de omgeving is het geplande programma passend. 7. Gezonde en duurzame voedselomgeving Er is veel aandacht besteed aan een groene klimaatadaptieve uitwerking van het plan. Het gebied biedt zeker ook kansen voor eetbaar groen, bijvoorbeeld in de vorm van een gezamenlijke moestuin. Dit heeft twee voordelen; gezonde voedselmogelijkheden voor bewoners en in het geval van bijvoorbeeld een moestuin een mogelijkheid om de sociale cohesie te versterken bij het gebruiken en onderhouden van deze voedselomgeving. 8. Schoon en veilig Een schone en veilige omgeving zijn belangrijke voorwaarden voor een leefomgeving die voor iedereen gebruiksvriendelijk is. Hierbij zijn onder meer goede zichtbare, goed verlichte en veilige verblijfsplekken en (langzaam)verkeersroutes van belang. Hier moet rekening mee worden gehouden in de inrichting van de buitenruimte.
7.8.1.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met gezondheid.
7.8.2 Bewegen, ontmoeten spelen en sporten (Boss) 7.8.2.1 Algemeen Het uitvoeringskader BOSS geeft kaders voor de mogelijkheden om te bewegen, ontmoeten, spelen en sporten. Het biedt handvatten voor de vormgeving van de openbare ruimte en levert een bijdrage aan het concreter maken van de omgevingsvisie, met name op het gebied van gezondheid. Binnen het BOSS-kader zijn er vier lagen: 1. Bovenwijkse beweegnetwerken; 2. Groene sociale knooppunten; 3. Buurtplekken; 4. Ruimte op straat. Op de voorliggende gebiedsontwikkeling zijn de beschrijvingen en uitgangspunten die BOSS geeft voor bovenwijkse beweegnetwerken, groene sociale knooppunten, buurtplekken en ruimte op straat van toepassing. Vanuit het BOSS-kader wil de gemeente ruimte maken voor bewegen, ontmoeten, spelen en sporten voor alle inwoners. Ook jongeren hebben recht op plekken in de openbare ruimte. Het realiseren van meer en kwalitatief betere faciliteiten zodat een groeiend aantal jongeren kan sporten en ontmoeten is een van de actiepunten van het uitvoeringsprogramma in het BOSS-kader.
7.8.2.2 Toetsing In de kern van het besluitgebied komt een pocketpark. Dit park biedt mogelijkheden voor bewegen/sporten en ontmoeten, met name gericht op jongeren vanaf 12 jaar. In het park komen onderdelen van een Urban Fit Track (UFT). De UFT is een herkenbare route van circa 2,5 km die door de openbare ruimte van Nijmegen Noord loopt. Langs deze route liggen verschillende knooppunten die de gezondheid, het bewegen en ontmoeten van inwoners stimuleren. De route kan gebruikt worden door jong en oud, alleen of in groepsverband. De UFT kan ook gebruikt worden door mensen met een beperking. Verder komen rond de entrees van het studentencomplex groene ruimten, waarbinnen het ontmoeten wordt gestimuleerd.
7.8.2.3 Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met bewegen, ontmoeten spelen en sporten.
68
7.8.3 Toegankelijkheid 7.8.3.1 Algemeen De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de openbare ruimte, gebouwen en (delen van) de stad en het ommeland. Eén van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is dan ook het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Het Bkl geeft (in artikel 5.162) aan dat een bopa voor een project dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
7.8.3.2 Toetsing De gebouwen zijn toegankelijk volgens de eisen uit het Bbl. Personen met een handicap en ouderen kunnen het studentencomplex bezoeken. In het meest noordelijk gelegen gebouw zijn 3 miva woningen (mindervalide woning) opgenomen (een woning voor een mobiel beperkt persoon, een woning voor een persoon met een auditieve beperking en een woning voor een persoon met een visuele beperking). Ook de openbare ruimte wordt zo ingericht dat deze voor iedereen toegankelijk en goed bruikbaar is.
7.8.3.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met toegankelijkheid.
7.9
M.e.r.-beoordeling
7.9.1. Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan (inclusief bopa) en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets vindt plaats aan de hand van de criteria van bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. 7.9.2 Toetsing Bij het bestemmingsplan Dorp Lent - 14 (Spoorstraat) is reeds getoetst of er door de beoogde woningbouw negatieve milieueffecten zijn te verwachten. Uit de afweging is gebleken dat dit niet het geval is. Een m.e.r.beoordeling of MER is daarom niet aan de orde. De conclusie van die toetsing1 geldt ook voor deze bopa.
1
De M.E.R,-beoordeling is te vinden op: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0268.BP141W14VG01/b_NL.IMRO.0268.BP141W14-VG01_tb13.pdf
69
7.9.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
70
8. Financiële haalbaarheid Overheden zijn bij medewerking aan een ontwikkeling verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de (bouw)activiteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is om een overeenkomst te sluiten, dan is de publiekrechtelijke weg verplicht: het bevoegd gezag verhaalt de kosten op basis van de regels in het omgevingsplan, een bopa of een projectbesluit. Het kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten; • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Een overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Deze ontwikkeling in het besluitgebied Spoorstraat voorziet in de ontwikkeling van maximaal 531 woningen met bijhorende buitenruimte en infrastructuur. De bijbehorende grondexploitatie geschiedt voor rekening en risico van de gemeente Nijmegen en is onderdeel van de door de gemeenteraad vastgestelde grondexploitatie Waalsprong. Alle gronden in de grondexploitatie zijn in gemeentelijk eigendom. De kosten kunnen worden verhaald via de uitgifte van de gronden. Daarnaast heeft de gemeente subsidies aangevraagd voor de inrichting van de openbare ruimte. Daarmee is het kostenverhaal verzekerd. Er hoeft dus geen publiekrechtelijk kostenverhaal plaats te vinden.
Ook is er hierdoor sprake van een financieel-economisch haalbaar plan.
71
9. Conclusie 9.1 Algemeen Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een bopa alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Voor de bopa gelden ook de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies. Voorliggende bopa betreft een opeenvolgende bopa (gefaseerd) conform artikel 12.27a Bkl. Voorliggende bopa beschrijft het ruimtelijke kader. In bijlage 1 Voorschriften 98-Bopa-20250807 (Spoorstraat) zijn de voorschriften gesteld waaraan een opvolgende aanvraag omgevingsvergunning moet worden getoetst. Hierbij hoort een ruimtegebruikskaart waarin de ruimtelijke kaders voor de ontwikkeling zijn vastgelegd. Deze is als bijlage 2 opgenomen. Daarnaast geldt de gemeentelijke regelgeving (via https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/): Omgevingsplan gemeente Nijmegen. Eveneens gelden de regels van (via https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/): • Rijk; • Provincie; en • Waterschap.
9.2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In afwijking van het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt in het besluitgebied een meer compact wooncomplex voor studenten, bestaande uit vier gebouwen, mogelijk gemaakt. De afwijking van het tijdelijke deel van het omgevingsplan is nodig, om een passende intensivering van de woonfunctie en herinrichting van het gebied mogelijk te kunnen maken. Dit betekent dat het aantal toegestane woningen moet worden vergroot. Er is een uitbreiding van de maximale bouwhoogte voor het meest noordelijke gebouw, een aanpassing van het bouwvlak voor het wooncomplex en van het maximale bebouwingspercentages nodig. De compacte opzet van het wooncomplex biedt (extra) ruimte voor een kwalitatief hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte binnen het besluitgebied, met een pocket-park, aangepaste parkeervoorzieningen en een verbeterde verkeersveilige ontsluiting. Voor de realisatie van deze inrichting moet worden afgeweken van de functies ‘Groen’, ‘Water’ en ‘Wonen’. De afwijking draagt bij aan de optimale invulling van het besluitgebied. Het nieuwe wooncomplex maakt stedenbouwkundig onderdeel uit van de driehoek Spoorstraat, Graaf Alardsingel, Margaretha van Mechelenweg. Dit gebied is in de planvorming opgevat als een campus met de verschillende functies (brandweer, Citadelcollege, sporthal en studentenwoningen).
Door het hele gebied te benaderen als één campus-landschap en centraal in het gebied een groen ‘hart’ (het pocket-park) te realiseren gaan deze functies fysiek en sociaal bij elkaar horen. Het plan zorgt voor behoud van de in het gebied aanwezige monumentale bomen. De herinrichting van het gebied, met het pocket-park en sport- en spelvoorzieningen (Urban Fit Track), levert een bijdrage aan een goede woonkwaliteit voor de toekomstige bewoners van het studentenwooncomplex en een kwaliteitsverbetering voor de gebruikers van de omliggende functies (school en brandweerkazerne) en de bewoners van de omliggende woonbuurten in Nijmegen-Lent. Dit plan draagt bij aan de realisatie van de ambities uit de Omgevingsvisie Nijmegen ‘De Nabije Stad 2050’ voor Nijmegen-Noord: naast de bijdrage aan een divers woonmilieu in Nijmegen-Noord, door de realisatie van woonruimte voor studenten, zorgt dit plan voor versterking van het groen rond de Spoorstraat. Binnen het te ontwikkelen groengebied worden sportvoorzieningen aangelegd voor een Urban Fit Track. Hiermee wordt het bewegen en ontmoeten gestimuleerd. Voor de realisatie van het wooncomplex voor studenten wordt een mobiliteitsconcept toegepast dat afwijkt van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid.
Door de ligging direct naast station Nijmegen Lent, de aanwezigheid van de snelfietsroute Het Groentje en de doelgroep studenten, die overwegend geen auto bezit, leent deze locatie zich 72
voor een autoluw wooncomplex. Hierdoor is het mogelijk om een 0-norm voor bewonersparkeren toe te passen. Dit mobiliteitsconcept ondersteunt de duurzame en stedelijke ambities van de gemeente, bevordert actieve mobiliteit en beperkt het ruimtebeslag door auto’s. De aspecten van de fysieke leefomgeving geur, klimaatadaptatie, duurzaamheid, cultuurhistorie, sociale veiligheid en gezondheid vormen geen belemmering voor de realisatie van dit plan. De aspecten van de fysieke leefomgeving geluid, trilling, luchtkwaliteit, water, omgevingsveiligheid en de natuuren landschapsaspecten soortenbescherming en bescherming van monumentale bomen vormen geen belemmering voor de realisatie van dit plan, mits wordt voldaan aan de in bijlage 1 opgenomen voorschriften. De aspecten van de fysieke leefomgeving bodem, archeologie omgevingsveiligheid en het natuur- en landschapsaspect biodiversiteit vormen geen belemmering voor de realisatie van dit plan, mits wordt voldaan aan de in het omgevingsplan opgenomen regels. Op grond van bovenstaande kan voor het plan voor de realisatie van een wooncomplex voor studenten worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9.2 Instructieregels Het plan past binnen het relevante beleid van het Rijk en de provincie Gelderland. Verder voldoet het plan aan de instructieregels van het Rijk en de provincie Gelderland
9.3 Voorwaarden Deze bopa is uitsluitend uitvoerbaar als voldaan wordt aan de voorschriften uit bijlage 1.
73
10. Verwerking in het omgevingsplan 10.1 Algemeen Gemeenten hebben de verplichting om buitenplanse omgevingsplanactiviteiten binnen 5 jaar in het omgevingsplan. Als er veel bopa's gelden naast het omgevingsplan, kan het namelijk onduidelijk zijn welke activiteiten op een locatie zijn toegestaan. Daarom bepaalt artikel 4.17 van de Omgevingswet dat gemeenten een voortdurende bopa verwerken in het omgevingsplan. Dit gebeurt binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de bopa. Deze verplichting geldt vanaf 1 januari 2032.
10.2 Wijze waarop deze bopa verwerkt wordt De aanwijzingen voor de fysieke leefomgeving, zoals opgenomen in de ruimtegebruikskaart bij deze motivering, zullen in het omgevingsplan worden overgenomen. Dit betekent dat het “Openbaar toegankelijk gebied” en “Wonen” en de daarbij horende voorschriften in het omgevingsplan worden opgenomen. De voor deze aanwijzingen geldende voorschriften zullen in de regels van het omgevingsplan worden overgenomen. Dit geldt ook voor de omgevingsnormen voor maximum bouwhoogte en maximum bebouwingspercentage, die aan deze aanwijzingsvlakken zijn gekoppeld.
74
Bijlagen Bijlage 1 Voorschriften Bijlage 2 Ruimtegebruikskaart Bijlage 3 Samenvatting participatieproces Bijlage 4 Kader Beeldkwaliteit Spoorstraat Lent Bijlage 5 Mobiliteitsconcept Spoorstraat Lent Bijlage 6 Akoestisch onderzoek Bijlage 7 Trillingsonderzoek Bijlage 8 Natuurtoets Waardenburg ecology Bijlage 9 Vervolgonderzoeken vleermuizen, kleine zoogdieren en beschermde nesten (SILVAVIR ecologisch advies) Bijlage 10 Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit provincie Gelderland Bijlage 11 Stikstofonderzoek Bijlage 12 0-meting huidige kwaliteit van de aanwezige bomen Bijlage 13 Beschouwing van de omgevingsveiligheid Bijlage 14 Advies Veiligheidsregio Gelderland Zuid Bijlage 15 Windhinderonderzoek
75