Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord van RIVM
Tekst van het document
Een indicatieve inschatting van de emissiereducties ten gevolge van dit scenario, is gemaakt door adviesbureau TAUW. Pagina 33 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
-
-
4.2.2
Belangrijk uitgangspunt voor de berekeningen is dat in het doeljaar 2030, het vastgestelde beleid volledig wordt uitgevoerd en effectief is. Het is dus ook belangrijk dat omringende landen hun Europese verplichtingen volledig nakomen en problemen zoals die zich in het verleden voordeden zoals met onder andere mestfraude en sjoemeldiesels tot het verleden behoren. De status van de prognoses voor 2025 is niet helemaal te vergelijken met die van 2030. Voor een deel van de (decentrale) maatregelen is niet precies bekend wanneer ze worden ingevoerd en wanneer ze volledig effectief zullen zijn. Dat is een ander uitgangspunt dan voor 2030. Voor de maatregelen waarvoor dit wel bekend is, is uitgegaan van deze informatie. Voor andere maatregelen zijn de effecten ingeschat door interpolatie.
Prognose 2025 en 2030 bij de verschillende scenario’s De prognose volgens het KEV-scenario is de prognose die wordt gebruikt voor de berekening van de grootschalige concentratiekaarten Nederland in GCN/GDN (Hoogerbrugge et al., 2021). Het vastgestelde rijksbeleid kan worden gevonden in de Klimaat- en Energie Verkenning (PBL 2020a; PBL 2020b). Annex 1 geeft, specifiek voor 2030, een overzicht van het lucht- en stikstof-gerelateerde beleid. Een uitgebreide lijst van ander vastgesteld (met name klimaat)beleid is te vinden in de Klimaat- en Energie Verkenning. De prognoses 2025 en 2030 ten gevolge van het voorgenomen beleid zijn eveneens gebaseerd op de KEV2020. De invulling van de specifiek voor het SLA gedefinieerde beleidspakketten door rijk, provincies en gemeenten zijn geanalyseerd door adviesbureau TAUW in opdracht van het ministerie van IenW. De resultaten hiervan zijn samengevat in (TAUW, 2021) en weergegeven in Annex 2 bij dit rapport. De bijbehorende emissiereducties worden weergegeven in onderstaande Tabel 4 in de kolommen ‘VES’. Vanwege het feit dat het beleidspakket onder het ILL-scenario verder nog ontwikkeld en geïmplementeerd moet worden, is geen effect voor het jaar 2025 doorgerekend. De maatregelen die in het ILL-scenario worden meegenomen, zijn ook verwerkt in Annex 2.
De benaming ‘illustratief scenario’ wordt hier gebruikt, omdat in dit scenario voornamelijk geagendeerd beleid (zowel klimaatbeleid als stikstofbeleid) wordt meegenomen. Dat betekent dat dit beleid nog verder uitgewerkt moet worden; en door PBL op dit moment nog niet is voorzien van een (voldoende betrouwbare) inschatting van de doorwerking op reducties in PM10, NO2 en NH3. De door adviesbureau TAUW op verzoek van het ministerie van IenW ingeschatte effecten, zijn in onderstaande Tabel 4 opgenomen in de kolommen ‘ILL’. De resultaten van dit scenario zijn in dit rapport alleen meegenomen om een indicatie te geven van wat verdergaand beleid op andere beleidsterreinen kan bijdragen aan een verdere verbetering van de luchtkwaliteit en gezondheid. Dit betekent dat de resultaten van dit scenario daarmee uitsluitend als gevoeligheidsanalyse dienen te worden beschouwd en niet bedoeld zijn om invulling te geven aan het beleid en de effecten van het beleid op andere beleidsterreinen. Pagina 34 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Niet alleen heeft PBL nog geen (voldoende betrouwbare) inschatting kunnen maken van de effecten van dit beleid, maar ook de ruimtelijke verdeling van bijbehorende emissiereducties is nog onbekend. Voor de doorrekening in dit rapport is uitgegaan van een gelijke verdeling van emissiereducties over het land, wat in de praktijk waarschijnlijk anders zal uitpakken. Daarom worden in dit rapport de resultaten van deze doorrekening alleen getoond in tabellen en niet in de figuren. Een laatste kanttekening bij het ILL-scenario, is dat – zoals uit dit rapport blijkt – het verschil in de effecten tussen het VES- en het ILL-scenario betrekkelijk klein is. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het illustratief scenario ook nog onvoldoende emissiebeperking oplevert om de beleidsambities voor de desbetreffende beleidsterreinen stikstof en klimaat voor 2030 te realiseren, zoals 30% minder uitstoot van ammoniak en 55% minder CO2-emissie (met navenante vermindering van NOx- en fijnstofuitstoot uit fossiel energiegebruik).
Pagina 35 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Tabel 4 Emissie per SLA-sector in referentiejaar 2016, 2019, tussenjaar 2025 en doeljaar 2030 en de trend 2016-2030 bij verschillende scenario’s
(in kiloton)
emissie
prognose 2025
Trend 2016-2030
SLA Sector
2016
2019
KEV
VES
KEV
VES
ILL
KEV
VES
ILL
Binnenvaart, recreatievaart HDO en bouw Industrie (incl. energie, afval, op- en overslag) Landbouw Luchtvaart, rail Mobiele werktuigen Totaal consumenten Totaal Wegverkeer Zeescheepvaart, visserij
0,01 3,85
0,01 4,54
0,01 4,62
0,01 4,62
0,01 4,62
0,01 4,62
0,01 4,62
14% 20%
14% 20%
14% 20%
2,28 112,62 0,00 0,01 7,23 4,25 0,02
1,94 105,55 0,00 0,01 6,71 4,28 0,02
2,46 104,43 0,00 0,01 7,13 5,07 0,02
2,29 103,36 0,00 0,01 7,13 5,04 0,02
2,53 102,04 0,00 0,01 7,30 5,45 0,02
2,26 100,37 0,00 0,01 7,30 5,41 0,02
2,26 91,34 0,00 0,01 7,30 5,41 0,02
11% -9% -16% 22% 1% 28% 11%
-1% -11% -16% 22% 1% 27% 11%
-1% -19% -16% 22% 1% 27% 11%
Ammoniak totaal
130,27
123,05
123,76
122,48
121,98
119,99
110,97
-6%
-8%
-15%
Binnenvaart, recreatievaart HDO en bouw Industrie (incl. energie, afval, op- en overslag) Landbouw Luchtvaart, rail Mobiele werktuigen Totaal consumenten Totaal Wegverkeer Zeescheepvaart, visserij
0,93 1,28
0,82 1,40
0,75 1,53
0,75 1,53
0,64 2,25
0,63 2,25
0,63 2,25
-31% 75%
-32% 75%
-32% 75%
8,19 6,47 0,11 1,04 7,52 4,44 2,97
7,81 5,45 0,10 0,88 6,78 4,05 2,98
8,29 5,37 0,10 0,37 5,69 3,68 2,73
7,85 4,79 0,09 0,35 5,68 3,62 2,73
8,33 4,95 0,10 0,26 5,20 3,64 2,60
7,63 4,04 0,10 0,23 5,18 3,53 2,60
7,63 3,83 0,10 0,23 5,18 3,43 2,60
2% -23% -12% -75% -31% -18% -13%
-7% -38% -12% -78% -31% -20% -13%
-7% -41% -12% -78% -31% -23% -13%
Fijnstof (PM10) totaal
32,95
30,27
28,51
27,38
27,95
26,19
25,86
-15%
-21%
-22%
Pagina 36 van 82
ILL
prognose 2030
RIVM-rapport 2021-0114
(in kiloton)
emissie
prognose 2025
Trend 2016-2030
SLA Sector
2016
2019
KEV
VES
KEV
VES
ILL
KEV
VES
ILL
Binnenvaart, recreatievaart HDO en bouw Industrie (incl. energie, afval, op- en overslag) Landbouw Luchtvaart, rail Mobiele werktuigen Totaal consumenten Totaal Wegverkeer Zeescheepvaart, visserij
27,41 6,45
25,29 5,74
26,30 3,39
23,16 3,39
25,58 2,78
20,82 2,78
20,82 2,78
-7% -57%
-24% -57%
-24% -57%
51,60 39,84 5,96 23,08 9,55 87,20 105,26
45,66 34,97 5,64 20,80 7,98 73,05 111,59
42,37 32,06 6,06 14,06 6,98 49,47 93,50
40,52 32,05 5,69 13,32 6,98 46,97 93,50
36,27 31,72 6,19 12,02 6,02 38,57 80,98
33,39 31,69 6,46 10,87 6,02 34,97 80,98
31,15 31,31 6,46 10,87 5,56 24,69 80,98
-30% -20% 4% -48% -37% -56% -23%
-35% -20% 8% -53% -37% -60% -23%
-40% -21% 8% -53% -42% -72% -23%
Stikstofoxiden (als NO2) totaal
356,34
330,71
274,20
265,57
240,12
227,13
213,77
-33%
-36%
-40%
Pagina 37 van 82
ILL
prognose 2030
RIVM-rapport 2021-0114
Ammoniak De uitstoot van NH3 neemt onder het KEV-scenario naar verwachting af naar ongeveer 122 kiloton in 2030. Dit is een afname van 6% ten opzichte van 2016. Deze daling wordt vooral verklaard door afnemende emissies in de landbouw. De geraamde emissiedaling in de landbouw ten opzichte van 2016 is ruim 9%. Deze daling wordt verklaard door de afname van dieraantallen en door een geleidelijke overgang naar emissiearme stallen. De daling vindt grotendeels plaats bij stallen en mestopslag. Onder het VES-scenario is er een beperkte verdere afname (ongeveer 8% afname van emissies ten opzichte van 2016 in plaats van 6% afname onder het KEV-scenario). Dit is vooral een gevolg van een verlaging van het eiwitgehalte in ruwvoer van melkkoeien en effecten van de interimomgevingsverordening in Noord-Brabant. Onder het ILL-scenario is er een fors additioneel effect van bijna 9 kton NH3, als gevolg van het beleid op het gebied van stikstof, dat nog in ontwikkeling is. Zoals eerder opgemerkt is dit slechts een indicatieve inschatting, omdat nog onduidelijk is hoe het stikstofbeleid verder ingevuld gaat worden. Ook is onbekend hoe het beleid zal uitpakken voor wat betreft de verdeling van de emissiereducties over Nederland.
Voor het ILL-scenario en de berekening van de bijbehorende gezondheidswinst is er, bij gebrek aan betere informatie, van uitgegaan dat de reducties gelijkmatig over het land zijn verdeeld. In de praktijk valt te verwachten dat de effecten meer regionaal zullen optreden. Stikstofdioxiden De uitstoot van stikstofdioxiden in Nederland neemt onder het KEVscenario tot 2030 af tot 240 kton. Dat betekent een daling van meer dan 30% ten opzichte van 2016. De wegverkeersemissies laten onder het KEV-scenario een ruime halvering (-56%) zien, als gevolg van Europese wetgeving op het gebied van emissies van nieuwe voertuigen. Ook dalen de emissies door instroom van elektrische personenauto’s. De NOxemissies dalen verder onder het VES- en ILL-scenario, waarin onder andere is gerekend met maatregelen als zero-emissie-stadsdistributie, de invoer van milieuzones in diverse gemeenten en het stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer en fietsen. Ook in de sector industrie (met voor SLA hierin ook begrepen de energiesector, de afvalsector en de op- en overslag) dalen de emissies fors ten opzichte van 2016 (bijna 30%). Specifiek in de industrie is er een daling van 9% (bijna 3 kton). In de sub-sector energie vindt onder andere een daling van de emissies plaats bij elektriciteitsproductie, een toename van het aandeel zon en wind en een daling bij de olie- en gaswinning.
Wat verder bijdraagt aan de reducties in de industrie is de maatregel scherper vergunnen. In het rapport van TAUW (TAUW, 2021) zijn maatregelen en berekende emissiereducties gedocumenteerd. Opvallend is dat de NOx-emissies voor de luchtvaart onder het VES- en ILLscenario hoger zijn dan onder het KEV-scenario. Waar in het KEV-scenario wordt uitgegaan van een maximaal aantal vliegbewegingen van 500.000 op Schiphol en het gesloten blijven van Lelystad Airport voor commerciële vluchten, gaan het VES- en ILL-scenario uit van verdere groei van het aantal vliegbewegingen en openstelling van Lelystad Airport voor commerciële vluchten. Dit volgt uit de uitgangspunten voor de scenario’s zoals die in de KEV 2020 zijn vastgelegd. In het VES-scenario is voor de Pagina 38 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
luchtvaart rekening gehouden met de maatregel ‘nul emissie van grondoperaties’. Fijnstof (PM10 en PM2,5) Door de toevoeging van condenseerbaar fijnstof aan de ER (zie 3.1.2), neemt de fijnstofemissie uit houtstook toe tot ongeveer 23% van de landelijke emissie PM2,5. De dalende trend in de uitstoot van fijnstof (PM10) zet naar 2030 door. De meeste sectoren laten in het KEV-scenario een daling zien. De grootste emissiedaling onder het KEV-scenario wordt verwacht bij de sector consumenten en de sector landbouw. De emissies bij huishoudens dalen mede doordat verouderde houtkachels worden vervangen. Het PBL geeft in de KEV2020 een optimistischer inschatting van de emissiereductie dan in het verleden. De PM10-uitstoot door huishoudens (inclusief condenseerbaar fijnstof) daalt tussen 2016 en 2030 naar verwachting met circa 2,3 kiloton. De emissies in de landbouw dalen door verdergaande stalaanpassingen en een daling van de dieraantallen. Bij verkeer kan de daling hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de Europese emissiewetgeving. Die wetgeving heeft het gebruik van roetfilters op vrijwel alle nieuwe dieselmotoren noodzakelijk gemaakt, ook bij binnenvaartschepen en mobiele werktuigen. Een roetfilter kan vrijwel alle fijnstof uit het uitlaatgas verwijderen (maar leidt wel tot extra NO2uitstoot). De emissies dalen verder onder het VES- en ILL-scenario.
Onder deze scenario’s laten de sectoren landbouw en industrie de grootste daling zien, door invoeren van een maatregel als scherper vergunnen (onderzijde van de range voor ‘Best Beschikbare Technieken’) in de industrie; en in de landbouw het sectorplan pluimvee, waardoor emissies uit huisvestingssystemen verder zullen dalen (TAUW, 2021). 4.2.3
Emissieprognoses buitenland Voor de toekomstige buitenlandse emissies zijn de ramingen gebruikt uit het National Air Pollution Control Programmes (NAPCP)-scenario van ‘the second clean air outlook’ die IIASA in 2020 in opdracht van de Europese Commissie heeft opgesteld. Dit NAPCP-scenario houdt rekening met het vastgestelde beleid en de effecten van het additionele beleid dat landen hebben gerapporteerd in hun nationale actieplannen, de NAPCPs. Daarin geven ze aan hoe ze willen gaan voldoen aan de verplichtingen voor de Nationale Emissie Plafonds (NEC) voor 2030. Deze plannen zijn door de Europese Commissie geanalyseerd en voldoende bevonden voor het voldoen aan de afspraken die in Europa onder de NECrichtlijn zijn gemaakt (emissieplafonds NOx, SOx, NH3, NMVOS, PM2,5). Tabel 5 toont de gebruikte emissieramingen 2030 voor de buurlanden. Tabel 5 Internationale emissieraming 2030 (op basis van NAPCP's)
(in kton)
België Duitsland Frankrijk Verenigd Koninkrijk
Bron: IIASA
PM10 28 132 147 100
NOx 81 469 326 405
NH3 60 446 494 214 Pagina 39 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Pagina 40 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
5
Concentraties
5.1
Definities en uitgangspunten -
-
De Europese Luchtkwaliteitsrichtlijn (2008/50/EG) bevat de Europese voorschriften voor het uitvoeren van metingen die geschikt zijn om de wettelijke normen mee te toetsen. Belangrijke criteria hierbij zijn het minimale aantal meetpunten (per zone en agglomeratie), de plaatsing (locatie van de meting en plaatsing van de meetapparatuur), de wijze van monsterneming, de toe te passen meetmethode voor iedere stof, het tijdvak van de meting en het percentage gevalideerde concentraties. Metingen in Nederland die aan deze voorschriften voldoen, zijn voor iedereen inzichtelijk via www.luchtmeetnet.nl. De meetresultaten vormen onder andere een belangrijke basis voor het kalibreren van de rekenmodellen (GCN en NSL); en daarnaast voor het vaststellen van trends in de concentraties. Deze systematiek van meten en modelleren wordt gebruikt voor het berekenen van blootstelling en effecten op de gezondheid (levensduurverlies, verlies aan levensjaren) in het SLA. In de fijnstofberekeningen voor het SLA wordt uitgegaan van de zogenoemde ‘molgewicht’-benadering. Zoals in het GCN-rapport (Hoogerbrugge et al., 2021) wordt uitgelegd, kan de toedeling van de concentratie fijnstof aan sectoren op verschillende manieren worden gedaan. De manier waarop hangt af van het doel van de toedeling.
Dit geldt vooral voor de toedeling aan de sectoren van het secundair anorganisch aerosol (SIA) van de fijnstofconcentratie. Een gebruikelijke methode is deze toedeling te doen op basis van de massa van de verschillende aerosolen. Deze toedeling geeft echter een minder goede inschatting van het effect van emissiebeperkende maatregelen bij een sector op de fijnstofconcentratie. Een alternatieve toedeling is daarom een toedeling op basis van molaire verhoudingen (aantal deeltjes). Onderstaand figuur geeft de verschillen tussen beide benaderingen. Wanneer wordt gerekend met het aantal deeltjes (molair) in plaats van de massa van de deeltjes, wordt de relatieve bijdrage van de landbouw substantieel groter.
Figuur 7 Relatieve bijdrage verschillende sectoren: molaire en massabenadering Bron: Hoogerbrugge et al., 2021
Pagina 41 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
-
-
-
5.2
Wanneer voor deze alternatieve toedeling wordt gekozen, werkt dit door in de toerekening van de effecten van emissiebeperkende maatregelen op de fijnstofconcentraties. Bij de mol-basisbenadering zijn deze groter voor de landbouw en kleiner voor andere sectoren dan bij de voor het SLA gebruikte toedeling op massabasis. In de mol-basisbenadering zou de relatieve bijdrage van de landbouw aan de fijnstofconcentraties en uiteindelijk ook aan levensduurverlies dus groter zijn dan in de voor dit rapport gebruikte massabasisbenadering. De berekening van de concentraties volgt de GCN-methodologie. Dit betekent dat voor het zichtjaar de langjarige meteorologie wordt gehanteerd, die is gebaseerd op het gemiddelde over de periode 2005-2014. Dit om schommelingen in de uitkomsten van prognoseberekeningen te voorkomen. In GCN 2021 is een aantal nieuwe wetenschappelijke inzichten verwerkt. Deze worden toegelicht in hoofdstuk 6 van het GCNrapport 2021 (Hoogerbrugge et al., 2021); en samengevat in paragraaf 5.1.2. Deze wijzigingen beïnvloeden ook de resultaten van de SLA-berekeningen, waardoor de uitkomsten van de huidige berekeningen minder goed vergelijkbaar zijn met de eerder in 2019 uitgevoerde berekeningen. Voor deze voortgangsmeting is gebruikgemaakt van de GCN/GDNkaart die is gepubliceerd in maart 2021. Voor GCN/GDN is gebruikgemaakt van OPS versie 5.0.1.0.
Omdat het in SLA gaat over blootstelling en gezondheidseffecten gerelateerd aan PM10 en NO2 (en alleen deze stoffen worden gebruikt voor berekeningen met de GHI), wordt in dit hoofdstuk primair ingegaan op deze stoffen.
Nieuwe inzichten en effecten op concentratie Er zijn tal van wijzigingen in de (OPS-)berekeningen voor 2016, die worden toegelicht in het GCN-rapport (Hoogerbrugge et al., 2021). Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar dat rapport. Samengevat zijn de volgende wetenschappelijke inzichten verwerkt in de GCN-kaarten die ook voor de SLA-berekeningen worden gebruikt: • De organische componenten in fijnstof zijn nu beter berekend – waaronder het condenseerbaar fijnstof ten gevolge van sfeerverwarming door consumenten (houtstook). Dit leidt tot hogere fijnstofconcentraties toegerekend aan sfeerverwarming bij consumenten. • Ook NOx uit landbouwgronden wordt sinds deze ronde in de ER meegenomen. Dit leidt voornamelijk tot verschuivingen in de ruimtelijke verdeling van de berekende NO2-concentraties over Nederland. • Gebruik van Palmesbuisjes-resultaten en daarmee samenhangend aanpassingen in de kalibratiemethode voor NO2. Dit heeft tot gevolg dat de NO2-concentraties in NoordwestNederland omhoog zijn bijgesteld en in Zuidoost-Nederland omlaag. • Doorontwikkeling van de manier waarop het OPS-model omgaat met chemische processen in de atmosfeer en dan met name van de bijdrage die ammoniak levert aan de vorming van secundair fijnstof (zie paragraaf 5.1.1). Gevolg hiervan is dat de Pagina 42 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
•
•
geprognosticeerde fijnstofconcentraties in 2030 enkele microgrammen lager worden berekend. De meteo: door een verfijning in de methodiek voor het verwerken van de meteo in de kalibratie, is met name voor NOx en NO2 de gemiddelde kalibratie omlaag bijgesteld en daarmee ook de te verwachten concentratie voor 2030. De periode waarover de kalibratie is bepaald, verschilt ten opzichte van de SLA-berekeningen in 2019. Voor SLA2019 was dat de periode 2012-2016, voor SLA2021 is de periode 20152019 gebruikt. Het vijfjaars gemiddelde van de gemeten PM10concentraties is in die periode met ongeveer 1.7 µg/m3 gedaald. De kalibratie is het verschil tussen metingen en model.
Samengevat hebben alle nieuwe inzichten, inclusief nieuwe inzichten in emissies zoals aangegeven in hoofdstuk 3, het onderstaande effect op de gemiddelde berekende concentraties in Nederland voor het referentiejaar 2016. De wijzigingen werken zoals eerder aangegeven ook door in de prognoses voor 2030. SLA2019
SLA2021
NO2 gemodelleerd:
15,91
Kalibratie:
-1,08
16,49 -2,02
NO2 gekalibreerd:
14,83
14,47
NO3 gemodelleerd:
4,56
4,15
SO4 gemodelleerd:
1,83
1,86
NH4 gemodelleerd:
1,7
PFS gemodelleerd: Kalibratie: Zeezout: Secundair Organisch Aerosol: PM10 totaal, gekalibreerd:
3,19 4,6 2,22
1,19 3,29 3,3 2,22
NO2 concentraties 2016:
PM10 concentraties 2016:
5.3
0,57 18,09
16,58
Trend in concentraties en prognoses Trend in concentraties NO2 en PM10 Figuur 8 toont het verloop van de NO2-concentraties in Nederland sinds 1990 op verschillende typen meetstations. De gegevens voor deze figuur zijn afkomstig uit de luchtmeetnetten in Nederland (zie: www.luchtmeetnet.nl). De concentraties vertonen een dalende trend, hetgeen in lijn is met de (inter)nationale emissie-ontwikkeling. Dit komt vooral door maatregelen die zijn getroffen ten aanzien van de sectoren verkeer, industrie en de energie (zie hoofdstuk 4). Ook de buitenlandse emissies zijn fors gedaald: sinds 2000 met 40-60% (zie Tabel 3 in paragraaf 4.1.3).
Pagina 43 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Figuur 8 Trend in (gemeten) NO2-concentraties in de lucht voor verschillende typen meetstations
De laatste jaren lijkt de daling minder sterk en daarvoor zijn enkele verklaringen mogelijk. Zo stijgt het aandeel stikstofdioxide in de uitlaatgassen van verkeer door de gecombineerde toepassing van fijnstoffilters, oxidatiekatalysatoren en andere maatregelen. Een andere mogelijke oorzaak is dat door strengere eisen aan motorvoertuigen de gemiddelde uitstoot per voertuig weliswaar vermindert, maar door een toename van het aantal gereden kilometers kan het netto effect op de totale emissies beperkt zijn. Zie voor een uitgebreidere toelichting (CLO, 2021a). Bovenstaande Figuur 8 toont ook de spreiding van de meetwaarden rond het gemiddelde. Daaruit blijkt dat de EU-grenswaarde van 40 µg/m3 jaargemiddeld op de meetpunten vrijwel niet meer wordt overschreden. Ook op basis van NSL-modelberekeningen is in het meest recente jaar (2020), mede als gevolg van het effect van de COVID-pandemie, geen sprake van overschrijdingen. In 2019 waren er nog wel enkele normoverschrijdingen (de Smet, 2021).
Pagina 44 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Figuur 9 Trend in (gemeten) PM10-concentraties in de lucht voor verschillende typen meetstations
De (gemeten) gemiddelde concentratie fijnstof (PM10) in Nederland neemt af, zoals Figuur 9 laat zien (CLO, 2021b). Net als bij NO2 is dit in lijn met dalende emissies in Nederland en de ons omringende landen. De grootste daling komt van de sectoren industrie en energie. Daarentegen is in de landbouw (pluimveehouderij) juist sprake geweest van een stijging ten gevolge van aanpassingen in stalsystemen. Er zijn forse verschillen van jaar op jaar door meteorologische fluctuaties. De figuur laat ook zien dat er op de meetpunten geen overschrijdingen meer worden gemeten van de Europese norm van 40 µg/m3 jaargemiddeld. Daarnaast bestaat er een grenswaarde voor de daggemiddelde concentratie, die op niet meer dan 35 dagen overschreden mag worden. Overschrijdingen van de norm voor de daggemiddelde concentratie treden sinds 2011 op de meetstations niet meer op. De NSL-berekeningen laten nog één overschrijding van de dagnorm zien in 2020. De jaargemiddelde norm is in 2020 niet overschreden (de Smet, 2021). Prognose concentraties NO2 en PM10 in Nederland De resultaten van de doorrekening van de SLA-emissiescenario’s (KEVen VES-scenario) naar concentraties in Nederland op 1*1 km (GCNniveau), worden in de onderstaande figuren 10 en 11 weergegeven.
De legenda van de figuren is zo gekozen, dat de figuren tevens inzicht geven in de locaties in Nederland waar in 2016 en 2030 bij verschillende scenario’s de oude en de nieuwe WHO-advieswaarden worden gerealiseerd; zie hiervoor ook hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6. Voor een inzicht in de concentraties in het meest recente jaar wordt verwezen naar de website van GCN/GDN (zie: RIVM Geodatasite | Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en Pagina 45 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
GDN)). In maart 2022 zal op deze website een nieuwe kaart voor het jaar 2021 op basis van de meest recente inzichten voor verschillende stoffen ter beschikking worden gesteld.
Figuur 10 Concentraties NO2 in 2016 en in 2030 bij verschillende scenario’s (KEVen VES-scenario). Detailniveau 1*1 km. Bron: GCN/GDN
Figuur 10 toont de NO2-concentraties in het referentiejaar 2016 en het doeljaar 2030, bij het KEV-scenario en het VES-scenario. Duidelijk is dat de concentratie ten gevolge van het vastgestelde beleid (KEV) afneemt; onder het VES-scenario daalt de concentratie verder. Figuur 10 toont overschrijdingen van de wettelijke norm (tevens de oude WHOadvieswaarde) van 40 µg/m3 op diverse locaties in 2016. Dergelijke overschrijdingen komen in 2030 (op het getoonde schaalniveau van 1*1 km) niet meer voor. Pagina 46 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Figuur 11 en 12 tonen respectievelijk de PM10- en PM2,5-concentraties in 2016 en onder de verschillende scenario’s in 2030. Er is sprake van een sterke daling van de concentraties tussen 2016 en 2030. Er is in 2030 vooral nog sprake van verhoogde PM10-concentraties in gebieden in de Randstad en in gebieden met intensieve veehouderij in het (zuid)oostelijk deel van Nederland. Figuur 12 toont dat voor PM2,5 veel meer sprake is van een deken over Nederland, met in 2030 hogere concentraties over een veel groter gebied.
Figuur 11 Concentraties van PM10 in 2016 en 2030 bij verschillende scenario’s (KEV- en VES-scenario). Detailniveau niveau 1*1 km. Bron: GCN/GDN
Pagina 47 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Figuur 12 Concentraties van PM2,5 in 2016 en 2030 bij verschillende scenario’s (KEV- en VES-scenario). Detailniveau niveau 1*1 km. Bron: GCN/GDN
De legenda’s van Figuur 10, 11 en 12 zijn afgestemd op de WHOadvieswaarden en de door WHO voorgestelde interimdoelen (zie ook hoofdstuk 3). De oude WHO-advieswaarde voor NO2 van 40 µg/m3 wordt in 2030 niet meer overschreden. Voor PM10 zal de oude advieswaarde (20 µg/m3) op enkele gebieden na overal worden gehaald. Dan gaat het met name om de industriegebieden in IJmond en Rijnmond, de directe omgeving van Schiphol en intensieve veehouderij en enkele drukke wegen in de Randstad. Duidelijk is dat de nieuwe PM2,5-advieswaarden (5 µg/m3) veel scherper zijn dan die voor PM10 (15 µg/m3). PM10 bestaat voor ongeveer twee Pagina 48 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
derde deel uit PM2,5. Voor de huidige EU-grenswaarden gold nog dat het halen van de PM10-waarden normaal gesproken voldoende was om ook te voldoen aan de PM2,5-eisen. Dat wordt nu anders. Dit blijkt ook uit de doorrekening van de VES-emissie-scenario’s voor PM2,5 (zie figuur 12). Tabel 6 en 7 tonen de relatieve bronbijdrage van de SLA-sectoren aan de concentraties van PM10 en NO2 in 2016, 2019 (representeert het ‘recente jaar’ beter dan 2020, vanwege COVID19 in dat jaar), 2025 en 2030 bij verschillende scenario’s. De bijdrage uit het buitenland is voor PM10 belangrijker dan de binnenlandse bijdrage. De categorie ‘overig’ (bestaande uit onbekende en natuurlijke bronnen) wordt niet beïnvloed door het SLA-beleid en draagt in 2030 voor iets minder dan de helft bij aan de totale PM10-concentratie. Belangrijke bronnen voor PM10 in 2016 zijn landbouw, industrie, verkeer en consumenten. Het belang van de bijdrage van consumenten kan onder andere worden verklaard uit het meenemen van het condenseerbare deel van fijnstof in de berekeningen. Omdat vooral de bijdrage van verkeer vrij sterk daalt richting 2030, neemt de relatieve bijdrage van andere sectoren, zoals industrie (ondanks een daling in de industriële emissies) toe. Voor NO2 is de binnenlandse bijdrage de belangrijkste bron.
Hier overschat het model de binnenlandse en buitenlandse bijdrage; een kalibratie aan de metingen levert een negatieve bijdrage op voor ontbrekende bronnen. De bijdrage van het wegverkeer is zoals verwacht de belangrijkste bron voor NO2. Ten gevolge van het beleid daalt de bijdrage van deze bron vrij sterk richting 2030. Ook hier neemt de relatieve bijdrage van de andere bronnen daardoor toe.
Pagina 49 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Tabel 6 Relatieve (Nederlandse) bronverdeling concentraties PM10 in 2016, 2019 (recent jaar), 2025 en 2030 bij verschillende scenario’s (KEV, VES en ILL)
Hoofsectoren SLA Industrie (incl. energie, afval, op- en overslag) Totaal Wegverkeer Mobiele werktuigen Luchtvaart, rail Zeescheepvaart, visserij Binnenvaart, recreatievaart Landbouw HDO en bouw Totaal consumenten
2016
2019
2025 KEV
PM10 2025 VES
18% 19% 6% 1% 6% 4% 24% 3% 18%
20% 18% 6% 1% 7% 4% 24% 3% 18%
23% 16% 4% 1% 8% 5% 21% 4% 17%
23% 16% 4% 1% 8% 5% 21% 4% 18%
25% 15% 4% 1% 7% 5% 22% 4% 17%
25% 14% 4% 1% 8% 5% 21% 4% 18%
26% 12% 4% 1% 8% 5% 21% 4% 19%
Totaal NL
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Nederland Buitenland NS_NCP Overig
4,30 6,19 0,31 6,09
3,99 5,57 6,09
3,36 4,32 0,28 6,09
3,26 4,32 0,28 6,09
3,13 3,35 0,25 6,17
2,96 3,35 0,25 6,17
2,84 3,35 0,25 6,17
Totaal Concentratie
16,58
15,64
13,77
13,67
12,65
12,49
12,36
Pagina 50 van 82
2030 KEV
2030 VES
2030 ILL
RIVM-rapport 2021-0114
Tabel 7 Relatieve (Nederlandse) bronverdeling concentraties NO2 in 2016, 2019 (recent jaar), 2025 en 2030 bij verschillende scenario’s (KEV, VES en ILL)
Hoofdsectoren SLA Industrie (incl. energie, afval, op- en overslag) Totaal Wegverkeer Mobiele werktuigen Luchtvaart, rail Zeescheepvaart, visserij Binnenvaart, recreatievaart Landbouw HDO en bouw Totaal consumenten
2016
2019
2025 KEV
NO2 2025 VES
7% 40% 12% 2% 9% 8% 15% 2% 5%
7% 38% 12% 2% 10% 8% 16% 2% 5%
8% 32% 11% 3% 11% 10% 18% 2% 5%
8% 32% 11% 2% 12% 10% 18% 2% 5%
8% 29% 11% 3% 11% 12% 20% 2% 5%
8% 28% 10% 3% 12% 10% 22% 2% 6%
8% 22% 11% 3% 13% 11% 24% 2% 6%
Totaal NL
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Nederland Buitenland NS_NCP Overig
10,78 5,71 0,49 -2,02
9,87 5,02 -2,01
8,05 3,63 0,43 -2,00
7,77 3,64 0,43 -2,00
7,32 2,53 0,37 -1,79
6,89 2,55 0,37 -1,79
6,33 2,58 0,38 -1,79
Totaal Concentratie
14,47
12,87
9,68
9,42
8,06
7,65
7,12
2030 KEV
2030 VES
2030 ILL
Pagina 51 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Pagina 52 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
6
Blootstelling
6.1
Definities en uitgangspunten -
-
-
6.2
Bij de ontwikkeling van de GHI is, voor blootstellingsberekeningen, het ‘Basisregister Adressen en Gebouwen’ (BAG) van 2015 als uitgangspunt genomen. Dit zal in de volgende versie van de GHI worden herzien naar een recent BAG; maar vooralsnog wordt gerekend met het BAG2015. In gebieden met stadsontwikkeling sinds 2015 kan hierdoor sprake zijn van een onderschatting van de blootstelling. Voor de blootstellingsberekeningen zijn de concentratieberekeningen van GCN/GDN verrijkt met hoog detailniveau-berekeningen van het NSL. Hiervoor zijn de resultaten van NSL2020 (betekent de rapportage over het jaar 2019) als uitgangspunt gebruikt. Ook de gegevens voor de prognose 2030, zoals aangeleverd voor NSL2020 zijn gebruikt. In dit hoofdstuk wordt alleen ingegaan op landelijke effecten, alhoewel in de figuren ook effecten op gemeenteniveau worden getoond. Voor meer specifieke informatie op lokaal niveau wordt verwezen naar www.rivm.nl/lucht/SLA (in ontwikkeling).
Blootstelling in Nederland Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in Nederland en de ontwikkeling hierin op basis van verschillende scenario’s waarin maatregelen worden getroffen om de uitstoot van stikstofoxiden en fijnstof verder terug te dringen. De vertaalslag van concentraties naar gezondheidseffecten verloopt via blootstellingsberekeningen. Het voornaamste verschil met een benadering gebaseerd op luchtkwaliteitsnormen (concentraties), is dat bij blootstelling rekening wordt gehouden met waar mensen wonen. Dit vergroot in principe de beleidsefficiency en kan ook worden gezien als een belangrijk voordeel van de SLA-aanpak. Maatregelen kunnen daarmee vooral worden gericht op gebieden waar veel mensen verblijven. Waar de concentraties hoog zijn maar waar geen mensen verblijven, treden minder gezondheidseffecten op. Natuurlijk moet in deze gebieden wel aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen worden voldaan. Ook geeft het gebruik van blootstelling in plaats van concentraties inzicht in welke mate mensen zijn blootgesteld, op welke locaties de blootstelling het hoogst is en hoe de verschillende scenario’s hierop inwerken. Zo kan worden geborgd dat er geen groepen in Nederland zijn die nauwelijks baat hebben bij de maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
Er kan overwogen worden om specifieke maatregelen te treffen op zogeheten hotspots om het risico op gezondheidseffecten voor de hoogst blootgestelde groepen te verkleinen. RIVM heeft hiervoor in 2021 een methode ontwikkeld, waarin ook van de GHI gebruik wordt gemaakt (Swart en Ruyssenaars, 2021).
Pagina 53 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
De Figuren 13, 14 en 15 tonen de blootstellingsverdeling in Nederland op gemeenteniveau voor NO2 in het referentiejaar 2016 en het doeljaar 2030. De histogrammen tonen de bijbehorende blootstellingsverdeling voor de gehele Nederlandse populatie. De gemiddelde blootstelling aan NO2 daalt van 18,7 µg/m3 naar 9,5 µg/m3 onder het VES-scenario. Dit is voor Nederland gemiddeld dus onder de nieuwe WHO-advieswaarde van 10 µg/m3. Maar zoals onderstaande figuren tonen, zijn er aanzienlijke verschillen over het land, wat ook correspondeert met het beeld dat de concentraties laten zien (hoofdstuk 5). In 2030 zijn bij het scenario vastgesteld beleid (KEV) nog steeds ruim 8 miljoen mensen blootgesteld aan niveaus boven de WHO-advieswaarde voor NO2. Onder het VESscenario betreft dit nog ruim 6,5 miljoen mensen.
2-10 ug/m3 10-12 ug/m3 12-14 ug/m3 14-16 ug/m3
Inwoners
Categorie
16-18 ug/m3
<10 ug/m3
611379
20-25 ug/m3
10-15 ug/m3
3056425
25-30 ug/m3
15-20 ug/m3
7024112
20-25 ug/m3
4407026
25-30 ug/m3
1637067
30-35 ug/m3
188691
35-40 ug/m3
14100
18-20 ug/m3
Procent van de bevolking
60%
>40 ug/m3
1189
Gemiddelde
18.71
40%
20%
0%
0
5
10
15
20
25
Concentratie [ug/m3]
30
35
40
45
Figuur 13 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling NO2 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op woonadressen in Nederland (rechts) in 2016 (SLA-referentiejaar)
2-10 ug/m3 10-12 ug/m3 12-14 ug/m3 14-16 ug/m3 16-18 ug/m3
Categorie
Inwoners
<10 ug/m3
8721909
10-15 ug/m3
6782131
60%
15-20 ug/m3
1418238
20-25 ug/m3
17631
25-30 ug/m3
80
30-35 ug/m3
0
Procent van de bevolking
35-40 ug/m3
0
>40 ug/m3
0
Gemiddelde
10.22
40%
20%
0%
0
5
10
15
20
25
Concentratie [ug/m3]
30
35
40
45
Figuur 14 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling NO2 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op woonadressen in Nederland (rechts) in 2030 bij vastgesteld beleid (KEV)
Pagina 54 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
2-10 ug/m3 10-12 ug/m3 12-14 ug/m3 14-16 ug/m3
Categorie
Inwoners
<10 ug/m3
10255914
10-15 ug/m3
6163194
60%
15-20 ug/m3
520712
20-25 ug/m3
147
25-30 ug/m3
22
30-35 ug/m3
0
Procent van de bevolking
35-40 ug/m3
0
>40 ug/m3
0
Gemiddelde
9.47
40%
20%
0%
0
5
10
15
20
25
Concentratie [ug/m3]
30
35
40
45
Figuur 15 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling NO2 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op woonadressen in Nederland (rechts) in 2030 bij voorgenomen en SLA-beleid (VES)
De Figuren 16, 17 en 18 tonen de blootstellingsverdeling over Nederland voor PM10. Het gewogen gemiddelde over Nederland daalt van 17,9 µg/m3 naar 13,7 µg/m3. Landelijk gemiddeld is dit onder de nieuwe WHO-advieswaarde van 15 µg/m3, maar ook hier gelden aanzienlijke verschillen over het land. In 2030 wordt de oude WHO-advieswaarde van 20 µg/m3 (dit is de WHO-interimwaarde 4, IT4) onder het VES-scenario nog voor slechts enkele duizenden mensen overschreden, terwijl de nieuwe advieswaarde van 15 µg/m3 nog voor ruim 3 miljoen mensen op het woonadres wordt overschreden.
10-14 ug/m3 14-15 ug/m3 15-16 ug/m3 16-17 ug/m3 17-18 ug/m3 18-19 ug/m3
Categorie
60%
Procent van de bevolking
Inwoners
<10 ug/m3
19-20 ug/m3
0
10.0-12.5 ug/m3
0
12.5-15.0 ug/m3
878879
15.0-17.5 ug/m3
4684610
17.5-20.0 ug/m3
10442602
20.0-22.5 ug/m3
914565
>22.5 ug/m3
19332
Gemiddelde
17.92
40%
20%
0%
0
5
10
15
20
Concentratie [ug/m3]
25
30
35
Figuur 16 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling PM10 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op het woonadres in Nederland (rechts) in 2016 (SLA-referentiejaar)
Pagina 55 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
10-14 ug/m3 14-15 ug/m3 15-16 ug/m3
Categorie
Procent van de bevolking
60%
Inwoners
<10 ug/m3
0
10.0-12.5 ug/m3
2647541
12.5-15.0 ug/m3
11263458
15.0-17.5 ug/m3
2959579
17.5-20.0 ug/m3
64614
20.0-22.5 ug/m3
4795
>22.5 ug/m3
2
Gemiddelde
13.9
40%
20%
0%
0
5
10
15
20
Concentratie [ug/m3]
25
30
35
Figuur 17 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling PM10 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op het woonadres in Nederland (rechts) in 2030 bij vastgesteld beleid (KEV)
10-14 ug/m3 14-15 ug/m3 15-16 ug/m3
Categorie
60%
Inwoners
<10 ug/m3
0
10.0-12.5 ug/m3
3053544
12.5-15.0 ug/m3
11613164
15.0-17.5 ug/m3
2245325
17.5-20.0 ug/m3
23441
Procent van de bevolking
20.0-22.5 ug/m3
4512
>22.5 ug/m3
2
Gemiddelde
13.71
40%
20%
0%
0
5
10
15
20
Concentratie [ug/m3]
25
30
35
Figuur 18 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling PM10 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op het woonadres in Nederland (rechts) in 2030 bij voorgenomen en SLA-beleid (VES)
De Figuren 19, 20 en 21 tonen de blootstellingsverdeling over Nederland voor PM2,5. Deze daalt gemiddeld over Nederland van 10,6 µg/m3 in 2016 naar 7 µg/m3 in 2030 onder het VES-scenario. Landelijk blijft het gemiddelde, ongeacht naar welk scenario wordt gekeken, boven de nieuwe WHO-advieswaarde van 5 µg/m3. In 2030 wordt de oude WHOadvieswaarde (interimwaarde 4 van de WHO) van 10 µg/m3 onder het VES-scenario vrijwel niet meer overschreden, terwijl slechts 0,5 miljoen mensen wonen op adressen waar wordt voldaan aan de nieuwe advieswaarde van 5 µg/m3.
Pagina 56 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
6-7 ug/m3 7-8 ug/m3 8-9 ug/m3 9-10 ug/m3 10-11 ug/m3 11-12 ug/m3
Categorie
60%
Inwoners
< 5.0 ug/m3
12-13 ug/m3
5.0-7.5 ug/m3
0 120559
7.5-10.0 ug/m3
4381748
10.0-12.5 ug/m3
11903839
12.5-15.0 ug/m3
531921
Procent van de bevolking
15.0-17.5 ug/m3
1922
> 17.5 ug/m3
0
Gemiddelde
10.59
40%
20%
0%
0
5
10
Concentratie [ug/m3]
15
20
25
Figuur 19 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling PM2,5 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op het woonadres in Nederland (rechts) in 2016 (SLA-referentiejaar)
<5 ug/m3 5-6 ug/m3 6-7 ug/m3 7-8 ug/m3 8-9 ug/m3
Categorie
60%
Inwoners
< 5.0 ug/m3
518840
5.0-7.5 ug/m3
10005876
7.5-10.0 ug/m3
6392205
10.0-12.5 ug/m3
23053
12.5-15.0 ug/m3
16
Procent van de bevolking
15.0-17.5 ug/m3
0
> 17.5 ug/m3
0
Gemiddelde
7.09
40%
20%
0%
0
5
10
Concentratie [ug/m3]
15
20
Figuur 20 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling PM2,5 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op het woonadres in Nederland (rechts) in 2030 bij vastgesteld beleid (KEV)
Pagina 57 van 82
25
RIVM-rapport 2021-0114
<5 ug/m3 5-6 ug/m3 6-7 ug/m3 7-8 ug/m3 8-9 ug/m3
Categorie
60%
Inwoners
< 5.0 ug/m3
670458
5.0-7.5 ug/m3
11532707
7.5-10.0 ug/m3
4727575
10.0-12.5 ug/m3
9244
12.5-15.0 ug/m3
5
Procent van de bevolking
15.0-17.5 ug/m3
0
> 17.5 ug/m3
0
Gemiddelde
6.95
40%
20%
0%
0
5
10
Concentratie [ug/m3]
15
20
25
Figuur 21 Gemiddelde bevolkingsgewogen blootstelling PM2,5 per gemeente (links) en de verdeling van de blootstelling op het woonadres in Nederland (rechts) in 2030 bij voorgenomen en SLA-beleid (VES)
6.3
Haalt Nederland de oude en nieuwe WHO-advieswaarden in 2030? In hoofdstuk 5 is reeds aangegeven dat in 2030 de oude WHOadvieswaarde voor NO2 van 40 µg/m3 niet meer overschreden wordt. Voor PM10 zal de oude advieswaarde (20 µg/m3) in 2030 op enkele gebieden na overal worden gehaald. Dan gaat het met name om de industriegebieden in IJmond en Rijnmond, de directe omgeving van Schiphol en de intensieve veehouderij en enkele drukke wegen in de Randstad. Paragraaf 6.1.2 geeft met een iets andere invalshoek ook inzicht in het halen van zowel de oude als de nieuwe WHO-advieswaarden in Nederland in 2030 onder het VES-scenario. Daarbij is getoetst aan de blootstellingsberekeningen die met het SLA-instrumentarium zijn uitgevoerd op een hoog detailniveau (NSL). Resultaten worden weergegeven op het niveau van gemeenten en van woonadressen in Nederland. Uit de berekeningen blijkt dat de nieuwe WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor Nederland in 2030 niet haalbaar zijn met het SLA-beleid. De WHO-advieswaarde voor PM2,5 is daarbij het meest stringent. Vanwege de beleidsonzekerheden in het illustratieve scenario, is hieraan in het kader van dit rapport niet getoetst. De WHO-advieswaarde voor ozon is eveneens flink aangescherpt en die waarde kan eigenlijk alleen maar gehaald worden als de emissie van methaan (CH4) op het noordelijk halfrond wordt verlaagd.
De afspraken die hierover in Glasgow tijdens de COP26 van het Klimaatverdrag zijn gemaakt zijn veelbelovend, maar er moet nog onderzocht worden wat ze betekenen voor de gemiddelde piekconcentraties in Nederland, vooral in de zomerperiode. Omdat er nog geen verkenningen voor de Nederlandse luchtkwaliteit beschikbaar zijn voor de periode 2030-2050, is nog niet te zeggen of de nieuwe advieswaarden bijvoorbeeld in 2040 of 2050 wel haalbaar zijn. Verdergaande maatregelen zullen vooral gezocht moeten worden op het gebied van energie, transport, landbouw en ruimtelijke ordening, omdat Pagina 58 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
verdere aanscherping van de emissie-eisen voor nieuwe stookinstallaties en brandstofauto’s steeds minder effect zal hebben. Het bevorderen van een versnelde vervanging van oude voertuigen en stookinstallaties kan nog wel een (tijdelijke) bijdrage leveren.
Pagina 59 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Pagina 60 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
7
Gezondheidseffecten SLA
7.1
Definities en uitgangspunten Definities en uitgangspunten rond de GHI zijn al nader beschreven in hoofdstuk 2. Enkele belangrijke aspecten voor de berekeningen met de GHI worden hier samengevat: - Gezondheidseffecten doen zich ook voor onder de huidige wettelijke normen. Daarom is het, ondanks dalende trends en het niet meer overschrijden van de EU-grenswaarden (zie Figuren 8 en 9), belangrijk om de concentraties van PM10 en NO2 verder te verlagen om daarmee de SLA-gezondheidsdoelstellingen te realiseren. Dit sluit ook aan bij de bevindingen in de herziene WHO-advieswaarden (WHO, 2021), die meer specifiek op gezondheidseffecten zijn gericht en die substantieel lager zijn dan de huidige EU-normen en de oude WHO-advieswaarden. - In de GHI wordt gerekend met de gecombineerde blootstelling aan PM10 en NO2: het zogenoemde ‘2 componenten model’. Deze keuze is gemaakt omdat mensen niet worden blootgesteld aan alleen PM10 of alleen NO2, maar aan een mengsel van deze stoffen. In de GHI wordt niet aan afzonderlijke maatregelen gerekend die veelal gericht zijn op één component, maar aan maatregelpakketten. Om een indruk te krijgen van de gezondheidseffecten van individuele maatregelen op lokaal niveau, ontwikkelt het RIVM ander instrumentarium. Zie www.rivm.nl/lucht/SLA (nog in ontwikkeling).
- De GHI rekent, op basis van de DUELS-studie (Fischer, 2015) niet aan andere stoffen dan PM10 en NO2 (zoals ozon en PM2,5). Daarop wordt in dit hoofdstuk dan ook verder niet ingegaan. De GHI omvat momenteel geen andere gezondheidseffecten dan verloren levensjaren en vroegtijdige sterfte. Er zal de komende jaren wel gewerkt worden aan uitbreiding van de GHI, waardoor het dan ook mogelijk wordt om effecten van andere stoffen en andere gezondheidseffecten mee te nemen. - Zoals afgesproken bij de ontwikkeling van de GHI, houdt het RIVM bij de berekening rekening met een drempel van 5 µg/m3 voor PM10 en NO2 (zie Gerlofs-Nijland et al., 2019). De voornaamste gedachte hierachter is dat dit concentratieniveaus zijn waarvan op dit moment wordt gedacht dat een verdere verlaging niet of nauwelijks mogelijk is, omdat dit de niveaus zijn die hoofdzakelijk door natuurlijke factoren worden bepaald. Door de introductie van deze drempelwaarde wordt in de GHI alleen gerekend aan het ‘beïnvloedbare deel’ van luchtverontreiniging. - In dit hoofdstuk wordt alleen ingegaan op landelijke effecten, alhoewel in de figuren ook effecten op gemeenteniveau worden getoond. Voor meer specifieke informatie op lokaal niveau wordt verwezen naar www.rivm.nl/lucht/SLA (in ontwikkeling).
7.2
Gezondheidseffecten berekend met de gezondheidsindicator Deze paragraaf gaat in op de rekenresultaten van de GHI. De berekeningen zijn gebaseerd op de emissies (hoofdstuk 4), de concentratieberekeningen (hoofdstuk 5) en de blootstelling Pagina 61 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
(hoofdstuk 6). Gezondheidseffecten zijn niet berekend voor het jaar 2025, omdat het detailniveau van informatie dat daarvoor nodig is (het NSL-detailniveau), niet beschikbaar is. Daarmee zouden resultaten voor 2025 onvergelijkbaar zijn met die van 2030. De GHI rekent twee indicatoren uit: • De gemiddelde levensduurverkorting (LXL). Dit is een ‘individuele’ effectmaat die wordt berekend op het woonadres, maar die kan gemiddeld worden over groepen zoals over buurten, wijken en gemeenten of over heel Nederland. Deze indicator is relevant voor de beoordeling van het SLA-doel: 50% gezondheidswinst ten gevolge van binnenlandse bronnen. • Het aantal verloren levensjaren (YLL) voor de gehele Nederlandse populatie of over grote groepen. Deze indicator is geschikt om de kosteneffectiviteit van beleidsmaatregelen te bepalen en desgewenst de effecten te monetariseren ten behoeve van kosten/batenafwegingen. Dit kan door het aantal verloren levensjaren te vermenigvuldigen met de gemiddelde waarde van een levensjaar (zoals gehanteerd in maatschappelijke kostenbatenanalyses, MKBA) (de Bruyn et al., (2017)). De eerste indicator geeft inzicht in hoe het individuele gezondheidsrisico door luchtverontreiniging onder Nederlanders is verdeeld en leent zich bij uitstek om op een kaart te zetten, om bijvoorbeeld inzichtelijk te maken waar ‘hotspots’ in risico door luchtverontreiniging optreden.
De tweede indicator geeft inzicht in het groepsrisico en is bij uitstek geschikt om een afweging te maken voor de vraag met welke maatregelen de grootste gezondheidswinst voor een grotere bevolkingsgroep te behalen valt. De twee indicatoren vullen elkaar zodoende aan. RIVM maakt in de effectberekeningen voor deze indicatoren onderscheid naar binnenlandse bronnen, buitenlandse bronnen en overige (natuurlijke en onbekende) bronnen. Resultaten van de berekeningen die RIVM heeft gedaan voor de verschillende scenario’s, zijn samengevat in Tabel 8.
Pagina 62 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
Tabel 8 Procentuele afname in 2030 van de bijdrage aan het levensduurverlies (LXL) per sector. En als totaal voor Nederland: de bijdrage van binnenlandse bronnen, buitenlandse bronnen en het totaal inclusief natuur/onbekende bronnen. Weergave voor verschillende scenario’s
Sector S22 S44 S45 S41 S43 S42 S31 S21 S19 S88 S99 S00
Industrie (incl. energie, afval, op- en overslag) Totaal wegverkeer Mobiele werktuigen Luchtvaart, rail Zeescheepvaart, visserij Binnenvaart, recreatievaart Landbouw HDO en bouw Totaal consumenten Totaal binnenlandse bronnen Totaal buitenlandse bronnen Natuurlijke en onbekende bronnen Totaal
2030 t.o.v. 2016 KEV VES ILL -5% -50% -48% 21% -15% -1% -33% -28% -30% -43% -51% 4%
-11% -56% -54% 13% -14% -17% -36% -28% -30% -47% -51% 4%
-13% -67% -55% 13% -15% -17% -41% -28% -31% -52% -52% 4%
-41%
-44%
-47%
Tabel 8 laat zien dat, op de sector luchtvaart/railverkeer na, alle sectoren in Nederland in de verschillende scenario’s een bijdrage leveren aan het verminderen van het levensduurverlies. Een negatief getal in de tabel drukt uit dat een bijdrage wordt geleverd aan een daling van het levensduurverlies, wat overeenkomt met levensduurwinst. Bij volledige uitvoering van vastgestelde en voorgenomen rijksmaatregelen en decentrale uitvoeringsplannen (VES) berekent RIVM een gezondheidswinst van 47%. Gegeven alle onzekerheden komt dat in de buurt van het SLA-doel 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te behalen voor de negatieve gezondheidseffecten afkomstig van binnenlandse bronnen. Bij uitvoering van de geagendeerde klimaaten stikstofmaatregelen zal dat doel met meer zekerheid kunnen worden bereikt. Voor het ILL-scenario berekent RIVM 52% gezondheidswinst. Belangrijk aandachtspunt is dat voor het halen van de berekende potentiële gezondheidswinst onder ieder van de scenario’s, het essentieel is dat al het beleid dat is doorgerekend ook volledig en met de veronderstelde effectiviteit tot uitvoering wordt gebracht. In deze context lijkt de toevoeging van het VES-scenario aan de gezondheidswinst bescheiden (4% toename voor wat betreft het binnenlandse deel), maar een deel van het voor SLA gedefinieerde beleid is al in uitvoering en is meegenomen in het KEV-scenario.
Daarnaast is de uitvoering van het SLA ook van belang om te borgen dat vastgesteld beleid onder het KEV-scenario volledig wordt uitgevoerd. Daarvoor is juist de samenwerking tussen de verschillende overheden, zoals voorgestaan in het SLA, van belang. Zoals Tabel 8 ook laat zien, is de totale gezondheidswinst die wordt geboekt voor alle antropogene én natuurlijke bronnen gezamenlijk, Pagina 63 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
kleiner dan de winst uit de (bekende) antropogene binnenlandse en uit de buitenlandse bronnen. Bij het bepalen van het totale effect wordt ook rekening gehouden met de natuurlijke en onbekende bronnen. Deze bronnen worden door het beleid niet beïnvloed en leveren dus geen bijdrage aan gezondheidswinst. Daardoor is de totale berekende gezondheidswinst in deze tabel kleiner dan de berekende winst voor binnen- of buitenlandse bronnen. Onderstaande Tabel 9 laat zien wat de uitgerekende gezondheidswinst van de verschillende beleidsscenario’s is. Dit wordt uitgedrukt in de twee indicatoren in de gezondheidsindicator: vermindering van verloren levensjaren (YLL) en verminderd levensduurverlies (LXL). Tabel 9 Effecten van beleidsscenario’s voor de indicatoren in de GHI: vermindering van verloren levensjaren (YLL) en verminderd levensduurverlies (LXL) door binnenlands en buitenlands beleid
dYLL (uitgedrukt in jaren. YLL 2016: 122900) dLXL (uitgedrukt in maanden. LXL 2016: 8) winst
2030 t.o.v. 2016 KEV VES ILL 50261 53667 57292 3,3 3,5 3,8 41% 44% 47%
Het gemiddelde levensduurverlies ten gevolge van blootstelling aan PM10 en NO2 is in 2030 onder het VES-scenario afgenomen van acht maanden naar 4,5 maanden: een winst van 3,5 maanden. Het aantal verloren levensjaren neemt met ruim 53.000 jaar af. Uitgaande van een waardering van een levensjaar van 50.000 tot 110.000 euro (de Bruyn et al., 2017), komt de totale gezondheidswinst in geld uitgedrukt neer op circa 2,6 tot 5,8 miljard euro in 2030. Daarin zijn dan alleen de baten van gewonnen levensjaren meegenomen en niet de baten in de vorm van minder ziekte, minder natuurschade (onder andere door minder stikstofdepositie) en minder schade aan landbouwgewassen en materialen. Deze zijn echter naar verwachting aanzienlijk lager dan de berekende baten ten gevolge van gewonnen levensjaren. Verder is in het genoemde bedrag ook nog geen rekening gehouden met de (extra) gezondheidsbaten die in het buitenland ontstaan ten gevolge van maatregelen in Nederland. De effecten van een verminderde bijdrage vanuit het buitenland aan Nederland zijn wel meegerekend. Bij het berekenen van de gezondheidseffecten moet steeds in het achterhoofd worden gehouden dat luchtverontreiniging een grensoverschrijdend probleem is. Datzelfde geldt dus ook voor de effecten van het luchtkwaliteitsbeleid.
Niet alleen importeert Nederland een aanzienlijk deel van de luchtverontreiniging uit het buitenland, maar Nederland exporteert ook een aanzienlijk deel van de luchtverontreiniging naar de buurlanden. Nederland is een netto exporteur, wat inhoudt dat er meer luchtverontreiniging vanuit Nederland naar de buurlanden gaat, dan de hoeveelheid die Nederland uit de buurlanden importeert. Bij kostenbatenafwegingen moet er rekening mee worden gehouden dat binnenlandse maatregelen ook gezondheidswinst in het buitenland opleveren. En dat gezondheidswinst in Nederland ook voortvloeit uit maatregelen in het buitenland. Pagina 64 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
De Figuren 22 t/m 24 tonen het gemiddeld verlies aan levensduur (LXL) in 2016 en in opeenvolgende kaarten bij de verschillende scenario’s voor 2030. Let wel dat het hier gaat om het levensduurverlies gekoppeld aan de totale blootstelling in Nederland; wat betekent dat niet alleen de effecten van binnenlands beleid worden getoond, maar ook de effecten van buitenlands beleid op een vermindering van de concentratie en de blootstelling in Nederland. Per figuur wordt het gemiddeld verlies per gemeente getoond; en ook (in de vorm van een histogram) een overzicht gegeven van het levensduurverlies op het woonadres voor heel Nederland. De legenda bij de histogrammen laat zien hoeveel inwoners van Nederland welke berekende levensduurverkorting ondervinden (in maanden).
10 8 6 4
Categorie
Procent van de bevolking
Inwoners 0
<2 mnd
60%
2-4 mnd
6
4-6 mnd
1874377
6-8 mnd
6056206
8-10 mnd
7704631
10-12 mnd
1254522
12-14 mnd
48790
>14 mnd
1458
Gemiddelde
8
40%
20%
0%
0
2
4
6
8
10
12
14
Gezondheidseffecten - afname levensverw achting (maanden)
16
Figuur 22 Berekend gemiddeld levensduurverlies in 2016 (referentiejaar) ten gevolge van de gecombineerde blootstelling aan NO2 en PM10 per gemeente (links) en per woonadres in Nederland (rechts)
10 8 6 4
Categorie
Inwoners
<2 mnd
60%
0
2-4 mnd
4523452
4-6 mnd
10367771
6-8 mnd
2030662
8-10 mnd
18060
10-12 mnd
44
Procent van de bevolking
12-14 mnd
0
>14 mnd
0
Gemiddelde
4.7
40%
20%
0%
0
2
4
6
8
10
12
Gezondheidseffecten - afname levensverw achting (maanden)
Figuur 23 Berekend gemiddeld levensduurverlies in 2030 ten gevolge van de gecombineerde blootstelling aan NO2 en PM10 per gemeente (links) en per woonadres in Nederland (rechts) bij de uitvoering van het vastgestelde beleid (KEV)
Pagina 65 van 82
14
16
RIVM-rapport 2021-0114
10 8 6 4
Categorie
Inwoners
<2 mnd
60%
0
2-4 mnd
5336191
4-6 mnd
10391117
6-8 mnd
1211215
8-10 mnd
1453
10-12 mnd
14
Procent van de bevolking
12-14 mnd
0
>14 mnd
0
Gemiddelde
4.48
40%
20%
0%
0
2
4
6
8
10
12
Gezondheidseffecten - afname levensverw achting (maanden)
14
Figuur 24 Berekend gemiddeld levensduurverlies in 2030 ten gevolge van de gecombineerde blootstelling aan NO2 en PM10 per gemeente (links) en per woonadres in Nederland (rechts) bij de uitvoering van het voorgenomen en SLAbeleid (VES)
Uit de histogrammen in de Figuren 22 t/m 24 is af te lezen dat niet alleen het gemiddeld verlies in levensduur afneemt door verbetering van de luchtkwaliteit, maar dat de verdeling van het verlies ook ‘smaller’ wordt. Dat betekent dat de ongelijkheid in Nederland wat betreft de effecten van luchtkwaliteit kleiner wordt. Dit is een neveneffect van de scenario’s die er in hun algemeenheid op zijn gericht de gemiddelde luchtkwaliteit te verbeteren. Het aantal mensen waarvan de levensverwachting door luchtkwaliteit (gemiddeld) met meer dan acht maanden afneemt, daalt van 9 miljoen in 2016 naar 18.000 in het KEV-scenario en minder dan 1.500 in het VESscenario in 2030. Deze bijvangst geeft inzicht in het potentiële effect van specifieke lokale maatregelen op hotspots die mogelijk minder kosteneffectief zijn dan generieke maatregelen, maar die wel kunnen bijdragen aan een meer uniforme verdeling van het risico van luchtkwaliteit in de samenleving. Met de GHI kan verder op lokaal niveau worden ingezoomd om locaties met een verhoogd risico te identificeren. Het totale aandeel van de binnenlandse en buitenlandse bronnen in het gezondheidseffect ‘levensduurverlies’ (gezondheidsindicator) neemt in 2030 bij de verschillende scenario’s af ten opzichte van 2016 (Tabel 10).
De bijdrage van natuurlijke en onbekende bronnen neemt relatief juist toe, omdat deze bijdrage niet wordt beïnvloed door beleid en daardoor in de tijd relatief in belang toeneemt.
Pagina 66 van 82
16
RIVM-rapport 2021-0114
Tabel 10 Relatieve bijdrage aan levensduurverlies in Nederland
Sector S88 S99 S00
2016
2030
Totaal binnenlandse bronnen Totaal buitenlandse bronnen Natuurlijke en onbekende bronnen
47% 33% 20%
KEV 42% 25% 33%
Totaal
100%
100%
VES 40% 26% 34%
ILL 38% 27% 36%
100%
100%
De bijdrage van de binnenlandse bronnen is nog verder opgesplitst naar de verschillende binnenlandse sectoren. Tabel 11 laat de relatieve bijdrage in 2030 zien van de verschillende sectoren aan de binnenlandse bijdrage, bij de verschillende scenario’s. Tabel 11 Relatieve sectorbijdragen aan gemiddeld levensduurverlies, per scenario
S22 S44 S45 S41 S43 S42 S31 S21 S19
KEV
2030 VES
ILL
12% 32% 11% 1% 7% 6% 11% 4% 14%
16% 24% 9% 3% 9% 9% 11% 5% 15%
16% 23% 8% 3% 10% 8% 11% 5% 16%
17% 18% 9% 3% 10% 9% 12% 6% 17%
100%
100%
100%
100%
Sector
2016
Industrie (incl. energie, afval, op- en overslag) Totaal wegverkeer Mobiele werktuigen Luchtvaart, rail Zeescheepvaart, visserij Binnenvaart, recreatievaart Landbouw HDO en bouw Totaal consumenten Totaal
De belangrijkste binnenlandse bijdrage aan levensduurverlies komt zowel in referentiejaar 2016 als in 2030 van de sector verkeer. Het relatieve aandeel van de sector consumenten is, nu ook rekening wordt gehouden met het condenseerbaar fijnstof ten gevolge van houtstook, in belang gestegen. De bijdrage van consumenten is qua niveau vergelijkbaar met die van de industrie. 7.3
Verschillen met de doorrekening in 2019 De voor deze voortgangsmeting berekende potentiële gezondheidswinst (levensduurwinst in 2030 ten opzichte van 2016 door het nemen van maatregelen voor binnenlandse bronnen) is 47% op basis van het VESscenario. Bij de eerdere doorrekening in 2019, berekende het RIVM een gezondheidswinst van 49%. Ook de relatieve verdeling van de bijdragen van de SLA-sectoren ziet er in deze voortgangsmeting enigszins anders uit dan in de doorrekening in 2019. De doorrekening in 2019 was gebaseerd op alleen een pakket van rijksmaatregelen en enkele lokale maatregelen met een generiek effect voor Nederland. In het VES-scenario dat in 2021 is doorgerekend, zijn ook lokale maatregelen opgenomen die vooral een lokaal effect laten zien en minder bijdragen aan een generiek effect. Daarnaast is ook een deel van de maatregelen die in 2019 onder het SLA zijn doorgerekend, Pagina 67 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
inmiddels onderdeel van het vastgestelde beleid (het KEV-scenario in dit rapport). Ingeschatte effecten op de emissies in deze voortgangsmeting laten zich daarom lastig vergelijken met de eerdere doorrekening in 2019. Een ander belangrijk verschil is het meenemen van condenseerbaar fijnstof voor de bron ‘sfeerverwarming consumenten’, waardoor de relatieve bijdrage van de sector consumenten in het totaal is toegenomen. Enkele effecten die van invloed kunnen zijn op de inschatting van de effectiviteit van maatregelen in termen van gezondheidswinst worden hieronder weergegeven. (1) Herberekening naar aanleiding van een geconstateerde dubbeltelling RIVM heeft begin 2021 bij een herberekening gevonden dat er in 2019 voor een deel van de berekende verkeersbijdrage aan concentraties op hoog detailniveau een dubbeltelling heeft plaatsgevonden. Daardoor is de gezondheidswinst ten gevolge van SLA-beleid in 2019 iets te rooskleurig ingeschat (scheelt circa 0,5%). (2) Verschil in maatregelen Een van de lokale maatregelen met generiek effect die in 2019 wel is doorgerekend, maar niet is opgenomen in de decentrale uitvoeringsplannen in 2021, is de overkapping van op- en overslag. Deze maatregel is dus ook niet doorgerekend voor deze voortgangsmeting.
(3) Verschil in inschatting van effectiviteit van maatregelen Adviesbureau TAUW heeft zowel in 2019 als dit jaar (TAUW, 2021) de inschatting van de effecten van maatregelen op de emissies voor de verschillende scenario’s uitgevoerd. Hieronder wordt een kwalitatieve inschatting van de verschillen weergegeven. • Landbouw Emissiereducties voor pluimvee en varkens zijn in 2021 iets conservatiever ingeschat dan in 2019. Daarentegen is de emissiereductie NH3 uit melkveestallen nu iets optimistischer ingeschat dan in 2019. • Consumenten Het verduurzamen van woningen kent nu een iets optimistischer effectschatting dan in 2019 (NOx-emissiereducties). Het verschil is echter zeer beperkt. Effecten van maatregelen op het vlak van sfeerverwarming zijn in 2021 substantieel pessimistischer ingeschat. Daarbij moet dan meteen worden opgemerkt dat de inschatting in het KEV-scenario door PBL van te behalen emissiereducties door vervanging van houtkachels in 2030 (ecodesign) in deze voortgangsmeting optimistischer is dan in de vorige doorrekening. Dat heeft substantiële invloed op de te realiseren gezondheidswinst (zie Tabel 8), die voor de sector consumenten groter is dan in 2019 werd voorzien en vastgelegd in de SLA-sectordoelen. • Industrie Emissiereducties (van met name NOx) te behalen met SLAmaatregelen zijn in 2021 conservatiever ingeschat dan in 2019, maar het verschil is beperkt.
Pagina 68 van 82
RIVM-rapport 2021-0114
•
•
•
Binnenvaart De haalbare reductie voor NOx-emissies in 2030 wordt in 2021 positiever ingeschat dan in 2019; de haalbare reductie voor PM10 in 2030 is daarentegen pessimistischer ingeschat. Verkeer Zero emissie Openbaar Vervoer is in 2021 beperkt optimistischer ingeschat dan in 2019 en de sectorindeling is in 2021 iets gedetailleerder gemaakt dan in 2019. Voor verkeer wordt verder in 2021 met een aantal lokale verkeersmaatregelen gerekend, die in 2019 niet zijn meegenomen in het rijksmaatregelenpakket. Mobiele bronnen Hier is sprake van een substantieel verschil in inschatting ten opzichte van 2019. De effectiviteit van maatregelen in 2030 wordt voor zowel NOx als PM10 lager ingeschat dan in 2019, met de opmerking dat in 2019 waarschijnlijk een overschatting van de effectiviteit heeft plaatsgevonden.