Inspraakreactie P. Vos deel IV.pdf
Tekst van het document
kader wijst het College op de samenhang tussen de mensenrechten die hier aan de orde
zijn. De wijze van huisvesting is bijvoorbeeld bepalend voor de effectieve toegang tot sociale voorzieningen, zoals schoten, gezondheidszorg, en maatschappelijke en economische participatiemogelijkheden.
De Rijksoverheid draagt ook de (eind)verantwoordelijkheid voor de feitelijke uitvoering van dit beleid door de woningcorporaties. Het is immers vaste rechtspraak van het EHRM40
en het HvJ EU4' dat een Staat ook gebonden is aan zijn rechtstreeks werkende verdragsverplichtingen wanneer het publieke taken, zoals sociale huisvesting, laat uitoefenen door een privaatrechtelijke organisatie.
5.2
Effectief handhavingsmechanisme en preventief toezicht
Het voorgaande betekent dat het College verwacht dat de Rijksoverheid niet alleen een beleidskader voor standplaatsenbeleid op gemeentelijk niveau tot stand brengt waarin het recht van woonwagenbewoners te wonen conform de behoefte die voortvloeit uit hun
culturele identiteit en cultuur leidend zijn, maar ook dat de Rijksoverheid erop toe ziet dat dit recht effectief wordt beschermd bij de uitvoering van dit beleidskader door zowel gemeenten, woningcorporaties en beheerders. Concreet betekent dit dat een vrijblijvende
39 Zie bijv. EHRM 18 januari 2001, 27238/95 (Chapman t. VK) en EHRM 17 oktober 2013, 27013/07 (Winterstein e.a. t. Frankrijk).
40 Zie bijv. EHRM 1 maart 2005, app.no. 22860/02 Wos t. Polen), EHRC 2005/54, m.nt. A.M.L Jansen.
41 Zie bijv. HvJ EU
10 oktober 2017 C-413/15.
handreiking42 onvoldoende is en dat het College verwacht dat de Rijksoverheid erop zal toezien dat gemeentelijk beleid inzake woonwagenstandplaatsen daadwerketijk voldoet aan de eisen ontwikkeld in de rechtspraak van het EHRM en het HvJ EU. Er dient dan ook een effectief handhavingsmechanisme ontwikkeld te worden waarbij individuele burgers zich met hun klachten tot de overheid kunnen richten wanneer hun recht op passende huisvesting conform hun culturele identiteit door gemeenten en woningcorporaties niet of onvoldoende wordt gerespecteerd. Het huidige systeem van klachtmechanismen (Nationale Ombudsman en College) is reactief en alleen toereikend bij individuele klachten. De Rijksoverheid komt daarnaast een rol in de preventieve sfeer toe, van toezichthouder op blijvende - naleving van het beleid door de diverse betrokken actoren (gemeenten en Provincies).
5.3
Aanbevelingen
- Bescherming tegen discriminatie, en waarborging van rechtszekerheid en duidelijkheid zijn leidende uitgangspunten voor beleid en regelgeving, ook bij het te vormen beleid inzake standplaatsen voor woonwagenbewoners;
- Zorg dat op gemeentelijk niveau voldoende kennis aanwezig is over het meest recente
mensenrechtelijk kader43 waarbinnen een standplaatsenbeleid geplaatst dient te worden. Uit de behandeling van zaken die bij het College aanhangig worden gemaakt blijkt bijvoorbeeld regelmatig dat in een gemeentelijke woonvisie geen rekening wordt gehouden met het feit dat het wonen conform de culturele identiteit geen gewone 'woonwens' is maar een mensenrecht. Hetzelfde geldt voor woningcorporaties die denken te hebben voldaan aan hun verplichtingen uit de gelijkbehandelingswetgeving wanneer zij woonwagenbewoners op gelijke voet met andere huurders toegang geven tot het aanbod binnen de sociale woningbouw, zonder rekening te houden met het feit dat het wonen in een woonwagen een beschermde woonvorm is. Er bestaat op gemeentelijk niveau vaak onvoldoende kennis van de positieve verplichtingen die voortvloeien uit het Europeesrechtetijk kader. Het is aan de Rijksoverheid over hier de regie te nemen en dit kader inzichtelijk te maken voor de actoren op gemeentelijk niveau en te monitoren dat het mensenrechtelijk kader wordt gerespecteerd;
-Zorg als Rijksoverheid ervoor dat toezicht wordt gehouden op de naleving van de mensenrechten in beleid en uitvoering, en zorg voor de inrichting van een effectieve klachtmogeli j kheid;
- Plaats het gemeentelijk standplaatsenbeleid in een breder kader gericht op de verbetering van de maatschappelijke positie van woonwagenbewoners. Het recht op adequate huisvesting hangt nauw samen met andere mensenrechten van woonwagenbewoners, zoals het recht op toegang tot onderwijs, de gezondheidszorg en de
arbeidsmarkt44. Een gemeentelijk standplaatsenbeleid dat 'mensenrechtenproof is dient er rekening mee te houden dat deze mensenrechten met elkaar samenhangen en alleen in combinatie met elkaar effectief kunnen worden uitgeoefend;
- Ga in gesprek met de doelgroep en inventariseer wat zij als een schending van hun mensenrechten ervaren. Kennis van de eigen rechten en mogelijkheden om effectieve (rechts)middelen ter bescherming tegen ongerechtvaardigde inbreuken van hun rechten
42 De vroegere (VROM-)Handreiking voor gemeenten is daarvan een voorbeeld.
43 Zoals bijv. neergelegd in ' Een EU-kader voor de nationale strategieen voor integratie van de Roma tot 2020 (EU-kader)' van de Europese Commissie en de meeste recente rechtspraak van het EHRM en het HVJ EU inzake het recht op adequate huisvesting van woonwagenbewoners.
44 Zie bijv. " OPRE JOINT STATEMENT ON EVICTIONS OF ROMA AND TRAVELLERS IN EUROPE" van 29 juni 2016.
Advies inzake het woonwagen- en standplaatsenbeleid 20
zijn daarbij cruciaal. Een veelgehoorde klacht tijdens zittingen bij het College inzake gemeentelijk standplaatsenbeleid is dat woonwagenbewoners zich in de bejegening door medewerkers van de gemeente, woningcorporaties en beheerders tekort gedaan voelen. Zij ervaren dat hun verzoeken en hun klachten niet serieus genomen worden. En zij ervaren de bejegening als gebaseerd op bepaalde vooronderstellingen en vooroordelen. Dit maakt dat geschillen inzake huisvestiging van woonwagenbewoners vaak niet op een
praktische en pragmatische wijze opgelost kunnen worden, terwijl hier wel mogelijkheden toe bestaan. Het College zou dan ook willen aanbevelen om blijvend te investeren in een overlegstructuur met woonwagenbewoners in plaats van een overlegstructuur over woonwagenbewoners.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
Het College voor de Rechten van de Mens
Directoraat-Generaal
Mr. dr. CM. Van ECk
Directie woningmarkt
m
i- m
c l.
Bestuur en Wonen
Postbus 16001
3500 DA Utrecht
enntactoersoon
Kenmerk
2018-0000049782 Uw kenmerk
Datum
22 januari 2018
Betreft
Verzoek om advies inzake standplaatsenbeleid
Geachte mevrouw Van Eck,
Zoals bekend is het ministerie van Binnenlandse Zaken Koninkrijksrelaties (BZK),
in overleg met onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners, bezig een nieuw beleidskader te formuleren met betrekking tot het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid. Hiermee geeft het ministerie invulling aan een van de aanbevelingen van de Nationale Ombudsman (NOM) in zijn rapport 'Woonwagenbewoner zoekt standplaats' van mei 2017. In dit kader komen enkele vragen aan de orde waarover ik graag het advies van het College voor de Rechten van de mens zou ontvangen. Dit advies zal betrokken worden bij het opstellen van het nieuwe beleidskader voor lokaal woonwagen- en standplaatsenbeleid, dat past binnen het mensenrechtelijk kader zoals zich dat in de laatste jaren heeft ontwikkeld. Met u is over deze vragen reeds contact geweest. Het betreft het volgende:
1.
2.
Wie horen er bij de groep van woonwagenbewoners (die met enig recht aanspraak kunnen maken op een standplaats). Op dit moment zijn in beeld Roma, Sinti en woonwagenbewoners (afstammelingen van de klassieke reizigers), rondtrekkende circusartiesten en kermisexploitanten. De NOM stelt voor ter afbakening van de groep het afstammingsbeginsel te hanteren bij de toewijzing van standplaatsen. Voor komen moet worden dat dit leidt tot etnische registratie. Hoe ziet het College dit? De culturele identiteit van woonwagenbewoners dient beschermd te worden. Echter welke elementen kunnen hierin worden onderscheiden? kunnen de woonvorm en het wonen in familieverband als de essentiele
elementen worden gezien of zijn er nog andere kenmerken die
bescherming behoeven van mensenrechtelijk perspectief? Voldoet een gemeente aan het mensenrechtelijk kader als ze voorziet in voldoende standplaatsen waar woonwagenbewoners in familieverband kunnen samenleven?
3.
Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld. Echter gezien de
specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners kunnen ze niet zonder meer gelijkgesteld worden met andere woningzoekenden. Het is de verantwoordelijkheid van onder meer de gemeente om te voorzien in
Pagina 1 van 2
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen
Directie Woningmarkt
Datum
voldoende huisvesting. Dat houdt in dat de gemeente zowel aandacht heeft voor de huisvesting voor de woningzoekenden die zich richten op de
22januari 2018 Kenmerk
reguliere woningmarkt als op woningzoekenden die zich richten op
2018-0000049782
woonwagens en standplaatsen. Op welke wijze kan een gemeente op een
goede manier voldoen aan het mensenrechtelijk kader voor woonwagenbewoners zonder dat reguliere woningzoekenden worden benadeeld? Op basis van onder meer de Algemene wet gelijke behandeling mogen ook aanbieders van diensten, zoals woningcorporaties, geen ongerechtvaardigd onderscheid maken. Is erten aanzien van de huisvesting van woonwagenbewoners een verschil tussen de wijze waarop een gemeente en een woningcorporatie dit mensenrechtelijk kader moeten toepassen en hoe kan een woningcorporatie daaraan worden gehouden? 4.
Er is veel variatie in de hoeveelheid standplaatsen die gemeenten hebben
per 10.000 inwoners. Hieraan liggen deels historische feiten ten grondslag (bijvoorbeeld dat er in het verleden een groot woonwagencentrum in de gemeente was), maar soms ook actief gemeentelijk beleid, zoals het zogenoemde uitsterfbeleid. Wat mag van een gemeente verwacht worden? Is het mogelijk een norm voor gemeenten te geven?
5.
De laatste jaren heeft het Rijk een beperkte rol gespeeld op het terrein van woonwagenbeleid. In 2017 heeft de minister van BZK besloten invulling te geven aan de aanbevelingen van de NOM. Het ministerie reikt een beleidskader aan waarbinnen de gemeente zijn beleid kan voeren. Het ministerie wil tevens een actieve rol spelen in het bekendmaken van dit nieuwe beleidskader aan gemeenten en anderen. Heeft u specifieke aanbevelingen inzake de wijze waarop de bewustwording van het mensenrechtelijk kader inzake woonwagenstandplaatsenbeleid bij
gemeenten, woningcorporaties en andere betrokkenen kan worden verhoogd? Welke opdracht heeft de Rijksoverheid nadat dit nieuwe beleidskader is bekendgemaakt?
Ik zou het bijzonder op prijs stellen indien u een advies over deze vragen kunt geven voor 1 maart 2018. Uw advies kan mede gebruikt worden in de communicatie rond het nieuwe beleidskader zoals hierboven aangegeven. Met vriendelijke groet,
De plv. Directeur-Generaal Bestuur en Wonen,
Drs. EJ. van Kempen
Pagina 2 van 2
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
> Retouradres Postbus 20011 2500 EA Den Haag Ministerie van
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA
DEN HAAG
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties Turfmarkt 147
Den Haag Postbus 20011
2500 EA Den Haag Kenmerk
2018-0000865108 Uw kenmerk
Datum Betreft
18 DEC 2018 Brief aan gemeenten over het beleidskader gemeentelijk standplaatsenbeleid
In het Algemeen Overleg van 18 oktober 2018 heb ik toegezegd een brief aan de gemeenten te sturen om enkele aspecten van het beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid te verduidelijken.
Hierbij bied ik u een afschrift van deze brief aan, die heden aan alle colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten in Nederland is verzonden. In het Verslag Algemeen Overleg van 14 november heb ik de motie van de leden
Koerhuis en Ronnes overgenomen (Kamerstukken II, 2018-2019, 32 847, nr. 445), die vraagt om een overzicht van de protest- en kraakacties, waar de knelpunten zitten en hoe die kunnen worden opgelost. Bijgaand treft u dit overzicht aan, dat logischerwijs deels achterhaald kan zijn op het moment dat u deze brief ontvangt, Voor de oplossingen van de knelpunten verwijs ik naar bijgevoegde brief. Om een einde te maken aan de actie ligt de oplossing naar mijn oordeel voor een belangrijk deel in het aangaan van het gesprek tussen gemeente en de woonwagenbewoners. In een flink aantal gemeenten zijn de protestacties beeindigd. In een aantal lopen ze nog.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
drs. K.H. Olldngn
Pagina 1 van 4
Ministerie van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties Kenmerk
2018-0000865108
Overzicht demonstrates en acties van
woonwagenbewoners stand van zaken 14 december 2018 Gemeente
Mill en Sint Hubert
Gebeurtenis
De Brabantse gemeente Mill en Sint Hubert heeft een kort geding aangespannen tegen een groep
woonwagenbewoners die sinds 23 September een stuk grond in Mill bezetten. De gemeente wil dat de woonwagenbewoners met hun caravans vertrekken. De woonwagenbewoners voeren actie omdat ze vinden dat er in de gemeente niet genoeg standplaatsen zijn. Inmiddels Nissewaard
is deze actie beeindigd. In Spijkenisse demonstreerde een aantal woonwagenbewoners door het claimen van een
groenstrook. Een caravan van deze woonwagenbewoners is in brand gestoken, waarna een bewoner met ademhalingsproblemen overgebracht moest worden naar het ziekenhuis.
Beek
Smallingerland
Buren
De woonwagenbewoners stopten met de demonstratie op 30-11-2018. In december bespreekt de gemeente met de woonwagenbewoners een plan van aanpak voor het tekort aan standplaatsen. De actie is gestaakt. De woonwagenbewoners die op een parkeerplaats in Beek bivakkeerden om aandacht te vragen voor het tekort aan standplaatsen (in de regio is er is een wachtlijst van 77 woonwagenbewoners), hebben na een gesprek met de wethouder op 9 november 2018 besloten terug te gaan naar hun oude plekken. Beek inventariseert in januari 2019 de hoeveelheid standplaatsen die nodig zijn specifiek in de gemeente Beek. De actie is opgeschort. Er was een demonstratie op het voormalig woonwagenkamp bij Drachstercompagnie. De actie is gestaakt. Sedert 12-10-2018 caravans op afgesloten terrein aan de Nieuwslagseweg, op voormalig woonwagenkamp, hier moest men op 25-10-2018 vertrekken (uitspraak rechter), nu heeft men de demonstratie verplaatst (zonder overleg met gemeente) naar een openbare parkeerplaats. De bewoners gaan in februari in gesprek met de gemeente Buren om in Ingen of Maurik een nieuwe permanente plek te vinden. De actie is opqeschort.
Leudal
In het centrum van Heythuysen hebben zo'n dertig woonwagenbewoners een stuk grond dat de gemeente te koop heeft gezet voor een aantal dagen bezet. Zij vroegen hiermee aandacht voor het tekort aan standplaatsen. Na
een toezegging van de gemeente dat zij medio 2019 in haar nieuwe woonwagenbeleid rekening gaat houden met de woonwensen van woonwagenbewoners, is de actie
Pagina 2 van 4
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties Kenmerk 2018-0000865108
Heerlen
Maastricht
Zoetermeer
Rijssen-Holten
Nuth
Alkmaar
Heerhugowaard Renkum
Overbetuwe
Papendrecht
opgeschort. Woonwagenbewoners voeren al sinds begin oktober actie voor meer standplaatsen door een terrein aan de Cronjestraat te bezetten. Heerlen heeft geen grote bezwaren tegen het uitbreiden van het aantal standplaatsen voor woonwagens, maar wil daar alleen onder bepaalde voorwaarden toe overgaan. De actie is opgeschort. Sinds 12 oktober demonstratie woonwagenbewoners op twee plekken in Maastricht vanwege uitsterfbeleid. De gemeente wilde de betoging verbieden omdat het in strijd zou zijn met het bestemmingsplan, maar de voorzieningsrechter wees dit af. In januari is er een gesprek voorzien tussen de bewoners en de gemeente. De actie loopt nog. Woonwagenbewoners uit Zoetermeer voeren actie tegen de volgens hen slechte behandeling door de gemeente. De bewoners vinden dat gemeenten meer standplaatsen moeten creeren. De actie is opgeschort. Op een woonwagenlocatie aan de Reigerstraat in Rijssen wordt actie gevoerd. Drie gezinnen, die er met caravans en een tent zijn neergestreken, willen er een standplaats. De actie loopt nog. In Nuth is de entree naar het vroegere kamp aan de Spoorstraat bezet. Zij wachten volgens een van de actievoerders al 21 jaar op nieuwe standplaatsen. Een tiental woonwagenbewoners demonstreerde voor meer standplaatsen.
Nadat de gemeente heeft zich positief heeft uitgesproken over een extra locatie voor de woonwagenbewoners en de woonwagenbewoners heeft uitgenodigd heeft voor een gesprek, is de demonstratie opgeschort. Woonwagenbewoners demonstreren om aandacht te vragen voor meer standplaatsen. Demonstratie met twee kampeerwagens en twee tenten door een groep van ca. 20 voormalige woonwagenbewoners die een gesprek met de burgemeester eisten. Dat gesprek heeft plaatsgevonden. De actie is opgeschort. Spijtoptanten willen een eigen kamp met zes standplaatsen. Om deze wens kracht bij te zetten reizen ze door het dorp. Uiteindelijk besliste de rechter dat de actie beeindigd moest worden. De actie is opgeschort. Demonstratie met spandoeken, de woonwagenbewoners wensen standplaatsen voor hun kinderen. De actie loopt nog.
Utrecht
Bewoners in onder andere IJsselstein en Utrecht hadden
gedemonstreerd. Daarmee pleitten ze voor meer
Pagina 3 van 4
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties Kenmerk 2018-0000865108
Best
Zwolle
Peel en Maas
woonwagenplaatsen, omdat volgens de vereniging duizenden mensen wachten op een standplaats. Na overleg met de gemeente is de demonstratie opgeschort. Demonstratie met spandoeken voor het gemeentehuis door tientallen boze Sinti. Aanleiding was het recent afzetten van twee ontruimde vakken terwijl er onvoldoende vakken zijn. Zij hebben een gesprek gehad met burgemeester, die verwacht dat de behoefte in januari duidelijk is. Daama wordt gekeken wat men kan doen in regionaal verband. De actievoerders verblijven op een parkeerplaats bij een volkstuinencomplex en zeggen pas weg te gaan als er in Zwolle meer standplaatsen komen. Op korte termijn 250 staanplaatsen nodig op basis van inventarisatie woonwagenbewoners. De actie loopt nog. Er werd gedemonstreerd omdat de gemeente weigert standplaatsen aan te leggen. De woonwagenbewoners staakten hun demonstratie nadat de gemeente dreigde met boetes.
Haarlem
Capelle aan den IJssel
Boxmeer
Harderwijk
Stein
In navolging van acties bij tal van woonwagenkampen elders in het land zijn ook bewoners aan de Oorkondelaan in de Haarlemse Slachthuisbuurt een protest begonnen voor meer standplaatsen. Woonwagenbewoners hebben caravans op de lege plaatsen gezet om zo aandacht te vragen voor bewoners die graag op het kamp willen wonen maar geen toestemming kregen van de gemeente en woningcorporatie Havensteder. Na een akkoord bereikt tussen de actievoerders, de gemeente Capelle en woningcorporatie Havensteder is de actie beeindigd. Woonwagenbewoners in Boxmeer hebben hun actie gestaakt. Dat gebeurde na de toezegging van de gemeente Boxmeer naar een geschikte locatie voor een woonwagenkamp te zoeken. Er werd gedemonstreerd met spandoeken omdat de woonwagenbewoners meer staanplaatsen willen. Gemeente gaat onderzoeken hoeveel standplaatsen er nodig zijn. Een amendement met betrekking tot het opnemen in de Woonvisie van de behoefte aan woonwagenstandplaatsen is unaniem aangenomen in de Raadsvergadering. Ook hier voeren Sinti actie. In Stein bezetten ongeveer 50 Sinti een parkeerplaats vlakbij het gemeentehuis. Vanwege het tekort aan standplaatsen staan veel kinderen van Sinti illegaal, men verlangt standplaatsen en legalisatie door de gemeenten. Er is op 8 november een gesprek geweest.
Stein beoogt een integrale aanpak van de problematiek van de Sinti en heeft recent besloten deze aanpak in 2019 door te zetten.
Pagina 4 van 4
AFSCHRIFT
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
Aan de colleges van Burgemeester en Wethouders
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen
Directie Woningmarkt Contactpersoon Frenk Wiersma T
0621702452
frenk.wiersma@minbzk.nl
Kenmerk
2018-0000865258 Uw kenmerk
Datum
18 DEC 2018
Betreft
Toelichting op het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid
Geacht college van Burgemeester en Wethouders,
Op 23 juli 2018 heeft mijn ministerie het Beleidskader gemeentelijk woonwagenen standplaatsenbeleid aan u gestuurd1. Dit beleidskader reikt gemeenten het mensenrechtelijke kader aan waarmee zij het lokale woonwagenbeleid kunnen ontwikkelen. Daarbij is u verzocht te bezien in hoeverre uw beleid in
overeenstemming is met de mensenrechten die moeten worden gerespecteerd bij het vaststellen van het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid.
Na de publicatie van het beleidskader heb ik van verschillende gemeenten vragen gekregen over de status en reikwijdte hiervan. Nadat zich enkele voorvallen en
acties hebben voorgedaan, is de aandacht voor het beleidskader toegenomen en daarmee ook het aantal vragen. Met deze brief ga ik op deze vragen in. Aanleiding voor een nieuw beleidskader
Het vorige (inmiddels vervallen) kader voor dat rijksbeleid was vastgelegd in diverse Kamerstukken, brochures en handreikingen. Aan gemeenten werden meerdere beleidsopties aangereikt waaruit, afhankelijk van de lokale omstandigheden, gekozen kon worden. Een van de beleidsopties die werd aangegeven was de mogelijkheid van een nuloptie, die bekend staat als uitsterfbeleid2.
Uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, oordelen en advies van het College voor de Rechten van de Mens, de erkenning van de woonwagencultuur als immaterieel cultureel erfgoed en uiteraard ook het rapport
van de Nationale ombudsman3 hebben geleid tot het inzicht dat het woonwagenen standplaatsenbeleid zoals dat tot dan toe werd gevoerd, op rijksniveau en vaak ook op lokaal niveau, onvoldoende rekening houdt met het mensenrechtelijk kader en dat een herziening van het woonwagen- en standplaatsenbeleid op dit
1 Brief 23 juli 2018, kenmerk 2018-0000644451 2 Betreft de handreiking van ministerie van VROM: Werken aan woonwagenlocaties, 2006.
3 Rapport NOM 'Woonwagenbewoner zoekt standplaats', 17 mei 2017. Pagina 1 van 4
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen
Directie Woningmarkt Kenmerk
vlak noodzakelijk was. Dit richt zich in elk geval op het uitsterfbeleid als
2018-0000865258
hierboven benoemd.
Consequenties voor beleid
Het nieuwe beleidskader van juli 2018 beschrijft de mensenrechtelijke kaders die gerespecteerd dienen te worden voor met name de woonbehoefte en woonvorm
van woonwagenbewoners. Het is niet het beleidskader dat vraagt om een eventuele herziening van het lokale beleid, maar het zijn de mensenrechten van woonwagenbewoners die in het beleidskader zijn beschreven en die nopen tot een
herziening van dat beleid. Het beleidskader gaat niet in op de mogelijke inzet en bevoegdheden van gemeenten op andere beleidsterreinen dan het
huisvestingsbeleid van woonwagenbewoners, zoals de door een aantal gemeenten genoemde bestrijding van ondermijnende activiteiten en criminaliteit. Het
beleidskader staat dat ook niet in de weg. Ook laat het beleidskader ruimte om te sturen op locatie en omvang van woonwagenlocaties.
Met het beleidskader kunnen gemeenten toetsen of hun lokale beleid in lijn is met het mensenrechtelijk kader. Alleen van de gemeenten die strijdigheid in het beleid vaststellen, worden aanpassingen verwacht. Dit betreft in elk geval gemeenten die een uitsterfbeleid voerden.
Het beleidskader geeft in geen geval een grondslag om zich standplaatsen zonder toestemming en de benodigde vergunningen toe te eigenen. Ik betreur de situatie die in sommige gemeenten is ontstaan, waarbij gemeenten en woonwagenbewoners naar aanleiding van acties van woonwagenbewoners tegenover elkaar zijn komen te staan. Acties, zoals het bezetten van gemeentelijke gronden of kraken van standplaatsen, helpen niet om de constructieve dialoog tussen woonwagenbewoners en gemeenten verder te brengen. Dat geldt in versterkte mate in die situaties waarbij demonstranten
gemeentelijke grond claimen. Mijn ministerie kan de gemeenten waar dit speelt ondersteunen.
Reele verwachtingen
Met gemeenten stel ik vast dat het tijd kost om de benodigde wijzigingen in het
beleid doorte voeren. De zorgvuldigheid vraagt dat ook. Lokale situaties zijn verschillend. Specifiek als het gaat om met elkaar de woonruimteverdeling, huurvormen en woonvormen beter af te stemmen op de woonbehoefte. Ook zal in voorkomende gevallen de gemeenteraad betrokken moeten worden bij de vaststelling van bijvoorbeeld een bestemmingsplan en het beschikbaar stellen van
budgettaire middelen. Daarnaast staat in het Interbestuurlijk Programma dat provincies worden betrokken bij het standplaatsenbeleid. Dit alles vraagt om een gecodrdineerde interbestuurlijke aanpak.
Zoals ook bij het ontwikkelen van woningen het geval is zullen de voorbereidingen de nodige tijd kosten om tot een zorgvuldige en rechtmatige inpassing te komen. Ook kunnen beperkingen in de ruimte die beschikbaar is het realiseren van
voldoende aanbod belemmeren. Net als op de rest van de woningmarkt kunnen daardoor (tijdelijke) tekorten ontstaan waardoor gewacht moet worden totdat geschikte woonruimte beschikbaar komt. Daar staat tegenover dat er zich lokaal Pagina 2 van 4
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen
Directie Woningmarkt Kenmerk
ook mogelijkheden voor kunnen doen waardoor op kortere termijn extra aanbod gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld als er standplaatsen niet gebruikt worden en er toewijzingsbeleid is op basis waarvan de plekken in gebruik kunnen worden
2018-0000865258
genomen. Door de grote verscheidenheid in de lokale situaties dient lokaal te
worden beoordeeld wat redelijke termijnen zijn. Gesprekken gemeenten en woonwagenbewoners
Ik meen dat een goede ontwikkeling van het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid in uw gemeente gebaat is met een constructieve dialoog tussen gemeente, woningcorporatie(s) en woonwagenbewoners. Voor deze
dialoog is inzet van alle partijen nodig. De opzet van een dergelijke dialoog, maar ook de beleidsontwikkeling en -uitvoering vragen tijd en slagen alleen bij wederzijds vertrouwen. In dat licht betreur ik, zoals al opgemerkt, dat in sommige gemeenten, gemeenten en woonwagenbewoners door de acties van
woonwagenbewoners tegenover elkaar zijn komen te staan.
Op 24 oktober 2018 hebben vertegenwoordigers van mijn ministerie gesproken met vertegenwoordigers van 20 gemeenten. Deze gemeenten gaven aan dat zij met het beleidskader aan de slag gaan en wezen erop dat de uitwerking van het beleidskader in het algemeen op lokaal/regionaal niveau tijd vergt en afstemming vraagt tussen onder andere woningcorporaties, politie, brandweer, buurtbewoners en de woonwagenbewoners zelf. De gemeenten vroegen verder aandacht voor (ondermijnende) criminaliteit die ook plaatsvindt op bepaalde woonwagenlocaties. Hierop ga ik hieronder nader in. Ook gaven de gemeenten aan zich ongemakkelijk te voelen bij de acties van woonwagenbewoners en dat zij daarvan veel hinder ondervinden.
Op 25 oktober 2018 is door vertegenwoordigers van mijn ministerie gesproken met vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners. De vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners gaven aan zelf niet aan deze acties deel te nemen, dan wel hiertoe te hebben opgeroepen, maar ze ook niet te willen veroordelen. De vertegenwoordigers wezen op het recht op demonstratie, maar hebben wel
herhaald geadviseerd aan hun achterban de demonstraties ordelijk en zonder hinder te laten verlopen. De woonwagenbewoners vroegen wel begrip te hebben voor het ongeduld van de woonwagenbewoners met het oog op een groot tekort aan standplaatsen en de vele jaren dat zij reeds strijden voor een herziening van het beleid. Zij pleitten ervoor dat gemeenten het gesprek aangaan met de woonwagenbewoners om toe te lichten hoe de gemeente het beleidskader zal implementeren.
Op 29 november 2018 heeft een vertegenwoordiger van mijn ministerie gesproken met ambtenaren van een groot deel van de Limburgse gemeenten. Daar kwamen vooral praktische vragen rond het opstellen en uitvoeren van een nieuw woonwagenbeleid aan de orde. Een vergelijkbaar gesprek met de gemeenten in Twente is voorzien voor begin 2019.
Er zijn meerdere voorbeelden waarbij gemeenten en woonwagenbewoners in gezamenlijkheid zoeken naar mogelijkheden om invulling te geven aan een woonwagen- en standplaatsenbeleid dat past binnen de mensenrechtelijke Pagina 3 van 4
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen
Directie Woningmarkt Kenmerk
kaders. Dit biedt de kans om elkaar mee te nemen in de wensen, verwachtingen, voorwaarden en beperkingen die er over en weer zijn. Dit zal naast het nodige
2018-0000865258
geduld vooral vragen om wederzijds vertrouwen. (Ondermijnende) criminaliteit
Uit een aantal gemeenten komen signalen dat het beleidskader de aanpak van ondermijnende activiteiten en criminaliteit, die zich voor een deel kan afspelen op woonwagenlocaties, zou kunnen bemoeilijken. Zoals gezegd gaat het beleidskader alleen over de mensenrechten met betrekking tot de huisvesting van woonwagenbewoners. Dit staat dus volledig los van de gemeentelijke aanpak van (ondermijnende) criminaliteit. De aanpak van criminaliteit in algemene zin geldt niet specifiek voor een bepaalde bevolkingsgroep. Mijn collega van Justitie en Veiligheid en ik denken, vanuit onze verantwoordelijkheid voor de bestrijding van ondermijning, dat het van belang is om met elkaar te bekijken waar dergelijke risico's zich concreet voordoen en hoe deze vorm van criminaliteit het best kan
worden voorkomen en aangepakt. In het Strategisch Beraad Veiligheid hebben wij, samen met onder andere vertegenwoordigers van gemeenten, het onderwerp besproken. Daarnaast zijn wij graag bereid met gemeenten die op dit punt problemen ondervinden in gesprek te gaan. Uiteindelijk gaat het erom daar waar dit speelt een goede balans te vinden tussen beide doelstellingen: het respecteren van de mensenrechten van woonwagenbewoners en een adequate bestrijding van (ondermijnende) criminaliteit.
Ook met de vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners is herhaaldelijk over dit onderwerp gesproken. De vertegenwoordigers delen de opvatting dat criminaliteit op woonwagenlocaties dient te worden aangepakt. Zij bepleitten dat het onderzoek specifiek gericht moet zijn op degenen die hierbij betrokken zijn. Ondersteuning
Sinds het verschijnen van het beleidskader is er vanuit het ministerie op verschillende wijze ondersteuning geboden aan gemeenten om het beleidskader nader te duiden. Hiervoor hebben onder andere gesprekken in het land plaatsgevonden, als hierboven beschreven. De komende tijd zal mijn ministerie dit voortzetten als daar behoefte aan is.
Het is inmiddels gebleken dat er daarnaast tal van uitvoeringsvragen naar voren komen. Ik wil de gemeenten graag helpen met de beantwoording van deze vragen en daarom onderzoek ik de mogelijkheden om een informatie- en expertisepunt op het terrein van woonwagen- en standplaatsenbeleid in te richten. Hierover wordt u nog nader gemformeerd. De Tweede Kamer stuur ik een afschrift van deze brief.
Hoogachtend, De minister van
3innenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
drs. K.H. Oil
Pagina 4 van 4
MENSENRECHTELIJK KADER WOONWAGENBELEID Een handreiking voor gemeenten Leonie Huijbers,1 update 2 juli 2015 Introductie Het Public Interest Litigation Project (PILP) van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) heeft vorig jaar het Nederlandse decentrale woonwagenbeleid opgepakt als zijn eerste zaak. Wij onderzoeken hierbij de legitimiteit van verschillende vormen van woonwagenbeleid, waaronder het ‘uitsterfbeleid’ of zoals het Ministerie van VROM het noemt de ‘nuloptie’ of het ‘afbouwbeleid’.2 Wij betwijfelen namelijk of dit beleid en andere vormen van woonwagenbeleid voldoen aan de (minimum)eisen van mensenrechten. Om meer duidelijkheid te scheppen over de mensenrechtelijke normen die spelen bij dit beleid, wordt hieronder het Europees en internationaal juridisch kader besproken en wordt een aantal aandachtspunten voor gemeenten op een rijtje gezet waaruit een advies aan gemeenten volgt. Het mensenrechtelijk kader Het College voor de Rechten van de Mens (het College), dat zetelt in Utrecht en zich inzet voor de bescherming van mensenrechten in Nederland, oordeelde onlangs dat het uitsterfbeleid van woonwagenkampen discriminerend is.3 Hoewel het oordeel van het College een advies is en dus niet bindend, hebben zijn oordelen veel gezag.
Volgens het College wordt er bij een woonwagenbeleid waarbij vrijgekomen standplaatsen niet meer beschikbaar worden gesteld voor woonwagenbewoning en vervolgens worden verwijderd een verboden onderscheid gemaakt tussen woonwagenbewoners en andere mensen (artikel 7a, eerste lid, Algemene wet gelijke behandeling).4 Het College wijst erop dat ‘de [woonwagen]woonvorm een essentieel onderdeel is van de woonwagencultuur’5 en dat een woonwagenbeleid ‘de kern van de levenswijze van de [woonwagen]bevolkingsgroep’ niet hoort aan te tasten.6 Ook het toezichthoudend orgaan van het Europees Sociaal Handvest (ESH), het Europees Comité inzake Sociale Rechten (ECSR), heeft (in een klacht tegen België) geoordeeld dat het gebrek aan woonwagenstandplaatsen het recht van het gezin op sociale, wettelijke en economische bescherming (artikel 16 ESH) en het non-discriminatie beginsel (artikel E ESH) schendt.7 De overheid – daarbij dus ook de gemeenten – zou in haar ruimtelijke planning voldoende rekening moeten houden met de behoeften van woonwagenbewoners om in woonwagenkampen te wonen.8 In dat 1
Leonie Huijbers is promovenda bij de vaksectie Internationaal en Europees Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en tevens coördinator van het PILP dossier ‘uitsterfbeleid woonwagenkampen’, http://pilpnjcm.nl/dossiers/uitsterfbeleid-woonwagenkampen/. 2 VROM 6374, Werken aan Woonwagenlocaties. Handreiking voor Gemeenten: Over Beleid en Handhaven (oktober 2006), p. 6. 3 College voor de Rechten van de Mens 2015-61, para. 4 en 2014-165 en 167, para. 3.19. 4 College voor de Rechten van de Mens 2015-61, para. 3.10 en 2014-165 en 167, para. 3.13. Artikel 7a, eerste lid AWGB behelst ‘Onverminderd artikel 7 is onderscheid op grond van ras verboden bij sociale bescherming, daaronder begrepen sociale zekerheid, en sociale voordelen’. 5 College voor de Rechten van de Mens 2015-61, para. 3.12. 6 College voor de Rechten van de Mens 2015-61, para. 3.10. 7 ECSR 62/2010, International Federation of Human Rights t. België (21 maart 2012), para. 121. 8 ECSR 62/2010, para. 141.
1
licht zou er dus geïnventariseerd moeten worden wat deze behoeften zijn ten aanzien van woonwagenstandplaatsen, bijvoorbeeld door een inventarisatie van de vraag naar en interesse in de koop of huur van een standplaats. Ook de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI), een onafhankelijk orgaan van de Raad van Europa dat discriminatie in Europese landen monitort, geeft nadrukkelijk aan dat het noodzakelijk is voor de Nederlandse autoriteiten om voldoende woonwagens beschikbaar te stellen zodat woonwagenbewoners volgens hun cultuur en traditie kunnen leven.9 Daarmee wordt een direct verband gelegd tussen het beschikbaar stellen van voldoende woonwagenstandplaatsen en de woonwagenidentiteit en -cultuur; een cultuur die bescherming toekomt.10 Als laatste, maar niet de minste, heeft het hoogste mensenrechterlijk orgaan van Europa, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich gebogen over de toepassing van het woonwagenbeleid in verschillende Europese landen. Het Hof behandelt dit beleid onder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven beschermt.
Daaronder valt eveneens het recht op respect voor de woning – en de woonwagen indien deze is ‘versteend’.11 Voorop staat, volgens het Hof, dat het woonwagenleven een wezenlijk onderdeel is van de cultuur en etnische identiteit van Roma en woonwagenbewoners.12 Dit betekent een tweetal zaken voor het bepalen van het woonwagenbeleid – zowel voor het algemene beleid als voor individuele beslissingen. Ten eerste heeft de Nederlandse overheid, waaronder ook de gemeenten, een verplichting om de woonwagencultuur te beschermen én te faciliteren.13 In het beleid moet er dus speciale aandacht zijn voor deze levensstijl, wat vraagt om een gedifferentieerde behandeling van de belangen van woonwagenbewoners (artikel14 EVRM, het discriminatieverbod).14 Dat betekent niet dat er evenveel woonwagenstandplaatsen moeten zijn als het statische aantal woonwagenbewoners in een land, maar dat er feitelijk voldoende mogelijkheden moet zijn om in een woonwagen te wonen (‘effective enjoyment’).15 Ten tweede zal de overheid bij het inperken van dit recht, waarbij ze een bepaalde beoordelingsvrijheid heeft, de speciale belangen van de woonwagenbewoners mee moeten wegen.16
9
De ECRI beveelt de Nederlandse autoriteiten aan ‘de behoeften van Roma, Sinti en reizigers die in woonwagens wonen, te inventariseren en ervoor te zorgen dat er voldoende standplaatsen beschikbaar zijn, zodat zij volgens hun tradities en cultuur kunnen leven’, CRI(2013)39, para. 169, zie ook paras. 159-168. 10 Zie ook College voor de Rechten van de Mens 2015-61, para. 3.11 en 2014-167 en 167, para. 3.16. 11 EHRM 29 september 1996, appl.no. 20348/92 (Buckly/VK), para. 54 en EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), para. 69. Het Hof spreekt van ‘home’ wat een breder concept is dan de term ‘woning’. Ten aanzien van ‘verstening’ van woonwagens geeft het Hof aan dat het nomadisch bestaan voortleeft in de geest van woonwagenbewoners, zie EHRM 27 mei 2004, appl.no. 66746/01 (Connors/VK), para. 93. 12 EHRM 18 januari 2001, appl.no. 27238/95 (Chapma/VK), para. 73. 13 EHRM Winterstein (2013), para. 76 onder (ζ). 14 Het Aristotelische stramien dat ‘ongelijke gevallen ongelijk behandeld dienen te worden naar mate van hun ongelijkheid’ valt onder artikel 14 van het EVRM, zie EHRM 6 april 2000, appl.no. 34369/97 (Thlimmenos/Griekenland), para. 44. 15 EHRM Winterstein (2013), para. 76 onder (β) en EHRM Chapman (2001), para. 98-99. 16 EHRM Winterstein (2013), para. 76 onder (α)-(δ).
Hierin geeft het Hof aan dat overheden ten aanzien van het huisvestingsbeleid in principe een grote beoordelingsvrijheid hebben, maar dat deze kleiner wordt naarmate
2
Het belang van een woonwagenbewoner zou volgens het Hof extra zwaar moeten meewegen in het geval van uitzetting uit de woonwagen. In dat geval is het van belang of er alternatieve huisvesting beschikbaar is die voldoet aan de specifieke behoeften van de betreffende woonwagenbewoner.17 In de lijn van het eerder genoemde oordeel van het College kan dit worden geïnterpreteerd als dat ‘de leefwijze van woonwagenbewoners zodanig specifiek is dat en gelijkwaardig woongenot alleen mogelijk is op een [woonwagen]standplaats’.18 Het gemeentelijk beleid Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat in het kader van de mensenrechten het woonwagenleven een plaats dient te krijgen in het beleid van gemeenten, waarbij rekening moet worden gehouden met de cultuur en identiteit van woonwagenbewoners, en daarmee erkenning in de samenleving.
Aangezien met de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999 de eerste verantwoordelijkheid voor het woonwagenbeleid bij de gemeenten is neergelegd, volgt hier kort een bespreking van het gemeentelijk woonwagenbeleid.19 Dit laat onverlet dat deze bevindingen van toepassingen kunnen zijn op nationaal beleid, dat op advies van de ECRI zou moeten worden ontwikkeld ten aanzien van Roma, Sinti en woonwagenbewoners (ook voor wat betreft woonwagenstandplaatsen).20 Ten eerste dienen gemeenten bij het bepalen van het woonwagenbeleid rekening te houden met de specifieke belangen van woonwagenbewoners.21 Het bewonen van een woonwagen kan dan ook niet worden weggezet als een simpele ‘woonwens’. Het moet worden gezien als een wezenlijk onderdeel van de woonwagencultuur en - identiteit wat vraagt om een gedifferentieerde behandeling (artikel 14 EVRM).22 Uit artikel 8 EVRM volgt dat bij het bepalen van het woonwagenbeleid een afweging moet worden gemaakt tussen de algemene belangen van de gemeente en de belangen van de woonwagenbewoners. De uitkomst van deze afweging dient redelijk te zijn.
Bovendien mogen er geen maatregelen genomen worden die dit feitelijk in de weg staan, bijvoorbeeld door onredelijk hoge huren te vragen voor standplaatsen.23 Ten tweede is het van belang om een mogelijk tekort aan standplaatsen te ondervangen.24 Dit betekent niet dat het noodzakelijk is dat er evenveel woonwagenstandplaatsen zijn als er vraag naar
het beleid dichterbij de kern van artikel 8 EVRM komt. Dat is onder meer het geval bij aantasting van de identiteit van een individu of de woning (‘home’). 17 EHRM Winterstein (2013), para. 76 onder (ε). 18 College voor de Rechten van de Mens 2014-165 en 167, para. 3.15, met verwijzing naar het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken, zoals ook genoemd in Gerechtshof ’s-Gravenhage, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1592 (30 juni 2009), para. 4.5. 19 Zie VROM 6374 (2006), p. 3. Wat betreft de beleidsopties voor gemeenten die meegegeven zijn door het VROM in deze handreiking is PILP evenzo kritisch. De ‘nuloptie’ is al door het College discriminerend bevonden (College voor de Rechten van de Mens 2014-165 en 167, para. 3.19), maar ook het ‘afbouwbeleid’ kan volgens PILP gekwalificeerd worden als een uitsterfbeleid. De derde optie, het ‘woonvisiebeleid’, houdt volgens het PILP eveneens te weinig rekening met de specifieke belangen van woonwagenbewoners waardoor het in strijd lijkt te zijn met het internationale mensenrechtelijk kader. 20 De ECRI in CRI(2013)39, para. 165 en eerder al in CRI(2008)3, para. 90. 21 Zie CRI(2013)39, para. 169. 22 Zoals eerder aangegeven dienen ongelijke gevallen ongelijk behandeld te worden. 23 EHRM Winterstein (2013), para. 76 onder (β)-(ζ).
24 In verschillende documenten van internationale organisaties wordt het gebrek aan woonwagenstandplaatsen in Nederland aangekaart, zie o.a. FRANET National Focal Point (Art. 1, Dutch
3
is, maar in de ruimtelijke planning dient het woonwagenleven voldoende gefaciliteerd te worden. Om inzicht te krijgen in de vraag naar woonwagenstandplaatsen zouden gemeenten een wachtlijst kunnen opstellen en de wachttijd inventariseren. In ieder geval is duidelijk uit de oordelen van het College dat een woonwagenbeleid wat gericht is op het laten verdwijnen of inkrimpen van het aantal woonwagenstandplaatsen discriminerend is. Ook een beleid waarin de mogelijkheid tot het laten groeien van het aantal standplaatsen wordt geblokkeerd (een vaststaand handhavings- of stabilisatiebeleid) lijkt het woonwagenleven in de verdrukking te brengen en daarmee in strijd te zijn met artikel 8 EVRM en de artikelen 16 en E ESH. Ook bij de bespreking van alternatieven dient er rekenschap te worden gegeven aan de specifieke belangen van woonwagenbewoners. Ten derde dient ten aanzien van individuele gevallen de belangen van de betreffende woonwagenbewoner in acht te worden genomen.
Zeker bij uitzetting dienen er zwaarwegende redenen te zijn; daarbij is antisociaal gedrag niet voldoende om uitzetting te rechtvaardigen.25 Daarbij zouden de procedurele standaarden moeten worden toegepast, wat onder meer volgens het EHRM inhoudt dat de beslissing tot uitzetting bij een rechtmatige bewoning altijd voorgelegd dient te worden aan een onafhankelijke rechtbank.26 Eveneens betekent een gelijke behandeling in dat een uitzetting van een woonwagenbewoner niet zou mogen leiden tot een opheffing van de standplaatsen, wat in feite neer zou komen op een afbouwbeleid.27 Conclusie Uit dit juridisch onderzoek volgt de conclusie dat bij het bepalen en toepassen van het gemeentelijk woonwagenbeleid rekening moet worden gehouden met de voorwaarden en verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8 EVRM, artikelen 16 en E ESH en artikel 7a AWGB. Het is daarbij cruciaal dat de specifieke belangen van woonwagenbewoners vanwege hun cultuur en identiteit worden erkend en meegewogen bij het bepalen van het gemeentelijk beleid en bij individuele beslissingen.
knowledge centre on discrimination), The Situation of Roma (2012), pp. 23-24 en RAXEN National Focal Point (auteur: Rita Schriemer), Housing Conditions of Roma and Travellers (2009), pp. 4 en 17. 25 EHRM Connors (2004), para. 89, ‘The mere fact that anti-social behavior occurs on local authority gypsy sites cannot, in itself, justify a summary power of eviction, since such problems also occur on local authority housing estates and other mobile home sites and in those cases the authorities make use of a different range of powers and may only proceed to evict subject to independent court review of the justification of the measure’. 26 EHRM Winterstein (2013), para. 76 onder (δ). 27 Een voorbeeld daarvan is te vinden in de gemeente Utrecht op de locatie Augsto Sandinostraat (Noordoost).
4
Aan de colleges van Burgemeester en Wethouders
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen Directie Woningmarkt
Kenmerk 2018-0000865258 Uw kenmerk
Datum
18 december 2018
Betreft
Toelichting op het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid
Geacht college van Burgemeester en Wethouders, Op 23 juli 2018 heeft mijn ministerie het Beleidskader gemeentelijk woonwagenen standplaatsenbeleid aan u gestuurd1. Dit beleidskader reikt gemeenten het mensenrechtelijke kader aan waarmee zij het lokale woonwagenbeleid kunnen ontwikkelen. Daarbij is u verzocht te bezien in hoeverre uw beleid in overeenstemming is met de mensenrechten die moeten worden gerespecteerd bij het vaststellen van het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid. Na de publicatie van het beleidskader heb ik van verschillende gemeenten vragen gekregen over de status en reikwijdte hiervan. Nadat zich enkele voorvallen en acties hebben voorgedaan, is de aandacht voor het beleidskader toegenomen en daarmee ook het aantal vragen. Met deze brief ga ik op deze vragen in. Aanleiding voor een nieuw beleidskader Het vorige (inmiddels vervallen) kader voor dat rijksbeleid was vastgelegd in diverse Kamerstukken, brochures en handreikingen. Aan gemeenten werden meerdere beleidsopties aangereikt waaruit, afhankelijk van de lokale omstandigheden, gekozen kon worden. Eén van de beleidsopties die werd aangegeven was de mogelijkheid van een nuloptie, die bekend staat als uitsterfbeleid2.
Uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, oordelen en advies van het College voor de Rechten van de Mens, de erkenning van de woonwagencultuur als immaterieel cultureel erfgoed en uiteraard ook het rapport van de Nationale ombudsman3 hebben geleid tot het inzicht dat het woonwagenen standplaatsenbeleid zoals dat tot dan toe werd gevoerd, op rijksniveau en vaak ook op lokaal niveau, onvoldoende rekening houdt met het mensenrechtelijk kader en dat een herziening van het woonwagen- en standplaatsenbeleid op dit
1
Brief 23 juli 2018, kenmerk 2018-0000644451 Betreft de handreiking van ministerie van VROM: Werken aan woonwagenlocaties, 2006. 3 Rapport NOM ‘Woonwagenbewoner zoekt standplaats’, 17 mei 2017. 2
Pagina 1 van 4
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen Directie Woningmarkt Kenmerk 2018-0000865258
vlak noodzakelijk was. Dit richt zich in elk geval op het uitsterfbeleid als hierboven benoemd. Consequenties voor beleid Het nieuwe beleidskader van juli 2018 beschrijft de mensenrechtelijke kaders die gerespecteerd dienen te worden voor met name de woonbehoefte en woonvorm van woonwagenbewoners. Het is niet het beleidskader dat vraagt om een eventuele herziening van het lokale beleid, maar het zijn de mensenrechten van woonwagenbewoners die in het beleidskader zijn beschreven en die nopen tot een herziening van dat beleid. Het beleidskader gaat niet in op de mogelijke inzet en bevoegdheden van gemeenten op andere beleidsterreinen dan het huisvestingsbeleid van woonwagenbewoners, zoals de door een aantal gemeenten genoemde bestrijding van ondermijnende activiteiten en criminaliteit. Het beleidskader staat dat ook niet in de weg. Ook laat het beleidskader ruimte om te sturen op locatie en omvang van woonwagenlocaties. Met het beleidskader kunnen gemeenten toetsen of hun lokale beleid in lijn is met het mensenrechtelijk kader. Alleen van de gemeenten die strijdigheid in het beleid vaststellen, worden aanpassingen verwacht. Dit betreft in elk geval gemeenten die een uitsterfbeleid voerden. Het beleidskader geeft in geen geval een grondslag om zich standplaatsen zonder toestemming en de benodigde vergunningen toe te eigenen.
Ik betreur de situatie die in sommige gemeenten is ontstaan, waarbij gemeenten en woonwagenbewoners naar aanleiding van acties van woonwagenbewoners tegenover elkaar zijn komen te staan. Acties, zoals het bezetten van gemeentelijke gronden of kraken van standplaatsen, helpen niet om de constructieve dialoog tussen woonwagenbewoners en gemeenten verder te brengen. Dat geldt in versterkte mate in die situaties waarbij demonstranten gemeentelijke grond claimen. Mijn ministerie kan de gemeenten waar dit speelt ondersteunen. Reële verwachtingen Met gemeenten stel ik vast dat het tijd kost om de benodigde wijzigingen in het beleid door te voeren. De zorgvuldigheid vraagt dat ook. Lokale situaties zijn verschillend. Specifiek als het gaat om met elkaar de woonruimteverdeling, huurvormen en woonvormen beter af te stemmen op de woonbehoefte. Ook zal in voorkomende gevallen de gemeenteraad betrokken moeten worden bij de vaststelling van bijvoorbeeld een bestemmingsplan en het beschikbaar stellen van budgettaire middelen. Daarnaast staat in het Interbestuurlijk Programma dat provincies worden betrokken bij het standplaatsenbeleid. Dit alles vraagt om een gecoördineerde interbestuurlijke aanpak. Zoals ook bij het ontwikkelen van woningen het geval is zullen de voorbereidingen de nodige tijd kosten om tot een zorgvuldige en rechtmatige inpassing te komen.
Ook kunnen beperkingen in de ruimte die beschikbaar is het realiseren van voldoende aanbod belemmeren. Net als op de rest van de woningmarkt kunnen daardoor (tijdelijke) tekorten ontstaan waardoor gewacht moet worden totdat geschikte woonruimte beschikbaar komt. Daar staat tegenover dat er zich lokaal Pagina 2 van 4
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen Directie Woningmarkt Kenmerk 2018-0000865258
ook mogelijkheden voor kunnen doen waardoor op kortere termijn extra aanbod gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld als er standplaatsen niet gebruikt worden en er toewijzingsbeleid is op basis waarvan de plekken in gebruik kunnen worden genomen. Door de grote verscheidenheid in de lokale situaties dient lokaal te worden beoordeeld wat redelijke termijnen zijn. Gesprekken gemeenten en woonwagenbewoners Ik meen dat een goede ontwikkeling van het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid in uw gemeente gebaat is met een constructieve dialoog tussen gemeente, woningcorporatie(s) en woonwagenbewoners. Voor deze dialoog is inzet van alle partijen nodig. De opzet van een dergelijke dialoog, maar ook de beleidsontwikkeling en –uitvoering vragen tijd en slagen alleen bij wederzijds vertrouwen. In dat licht betreur ik, zoals al opgemerkt, dat in sommige gemeenten, gemeenten en woonwagenbewoners door de acties van woonwagenbewoners tegenover elkaar zijn komen te staan. Op 24 oktober 2018 hebben vertegenwoordigers van mijn ministerie gesproken met vertegenwoordigers van 20 gemeenten. Deze gemeenten gaven aan dat zij met het beleidskader aan de slag gaan en wezen erop dat de uitwerking van het beleidskader in het algemeen op lokaal/regionaal niveau tijd vergt en afstemming vraagt tussen onder andere woningcorporaties, politie, brandweer, buurtbewoners en de woonwagenbewoners zelf.
De gemeenten vroegen verder aandacht voor (ondermijnende) criminaliteit die ook plaatsvindt op bepaalde woonwagenlocaties. Hierop ga ik hieronder nader in. Ook gaven de gemeenten aan zich ongemakkelijk te voelen bij de acties van woonwagenbewoners en dat zij daarvan veel hinder ondervinden. Op 25 oktober 2018 is door vertegenwoordigers van mijn ministerie gesproken met vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners. De vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners gaven aan zelf niet aan deze acties deel te nemen, dan wel hiertoe te hebben opgeroepen, maar ze ook niet te willen veroordelen. De vertegenwoordigers wezen op het recht op demonstratie, maar hebben wel herhaald geadviseerd aan hun achterban de demonstraties ordelijk en zonder hinder te laten verlopen. De woonwagenbewoners vroegen wel begrip te hebben voor het ongeduld van de woonwagenbewoners met het oog op een groot tekort aan standplaatsen en de vele jaren dat zij reeds strijden voor een herziening van het beleid. Zij pleitten ervoor dat gemeenten het gesprek aangaan met de woonwagenbewoners om toe te lichten hoe de gemeente het beleidskader zal implementeren. Op 29 november 2018 heeft een vertegenwoordiger van mijn ministerie gesproken met ambtenaren van een groot deel van de Limburgse gemeenten. Daar kwamen vooral praktische vragen rond het opstellen en uitvoeren van een nieuw woonwagenbeleid aan de orde.
Een vergelijkbaar gesprek met de gemeenten in Twente is voorzien voor begin 2019. Er zijn meerdere voorbeelden waarbij gemeenten en woonwagenbewoners in gezamenlijkheid zoeken naar mogelijkheden om invulling te geven aan een woonwagen- en standplaatsenbeleid dat past binnen de mensenrechtelijke Pagina 3 van 4
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen Directie Woningmarkt Kenmerk 2018-0000865258
kaders. Dit biedt de kans om elkaar mee te nemen in de wensen, verwachtingen, voorwaarden en beperkingen die er over en weer zijn. Dit zal naast het nodige geduld vooral vragen om wederzijds vertrouwen. (Ondermijnende) criminaliteit Uit een aantal gemeenten komen signalen dat het beleidskader de aanpak van ondermijnende activiteiten en criminaliteit, die zich voor een deel kan afspelen op woonwagenlocaties, zou kunnen bemoeilijken. Zoals gezegd gaat het beleidskader alleen over de mensenrechten met betrekking tot de huisvesting van woonwagenbewoners. Dit staat dus volledig los van de gemeentelijke aanpak van (ondermijnende) criminaliteit. De aanpak van criminaliteit in algemene zin geldt niet specifiek voor een bepaalde bevolkingsgroep. Mijn collega van Justitie en Veiligheid en ik denken, vanuit onze verantwoordelijkheid voor de bestrijding van ondermijning, dat het van belang is om met elkaar te bekijken waar dergelijke risico’s zich concreet voordoen en hoe deze vorm van criminaliteit het best kan worden voorkomen en aangepakt. In het Strategisch Beraad Veiligheid hebben wij, samen met onder andere vertegenwoordigers van gemeenten, het onderwerp besproken. Daarnaast zijn wij graag bereid met gemeenten die op dit punt problemen ondervinden in gesprek te gaan.
Uiteindelijk gaat het erom daar waar dit speelt een goede balans te vinden tussen beide doelstellingen: het respecteren van de mensenrechten van woonwagenbewoners en een adequate bestrijding van (ondermijnende) criminaliteit. Ook met de vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners is herhaaldelijk over dit onderwerp gesproken. De vertegenwoordigers delen de opvatting dat criminaliteit op woonwagenlocaties dient te worden aangepakt. Zij bepleitten dat het onderzoek specifiek gericht moet zijn op degenen die hierbij betrokken zijn. Ondersteuning Sinds het verschijnen van het beleidskader is er vanuit het ministerie op verschillende wijze ondersteuning geboden aan gemeenten om het beleidskader nader te duiden. Hiervoor hebben onder andere gesprekken in het land plaatsgevonden, als hierboven beschreven. De komende tijd zal mijn ministerie dit voortzetten als daar behoefte aan is. Het is inmiddels gebleken dat er daarnaast tal van uitvoeringsvragen naar voren komen. Ik wil de gemeenten graag helpen met de beantwoording van deze vragen en daarom onderzoek ik de mogelijkheden om een informatie- en expertisepunt op het terrein van woonwagen- en standplaatsenbeleid in te richten. Hierover wordt u nog nader geïnformeerd. De Tweede Kamer stuur ik een afschrift van deze brief. Hoogachtend, De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
drs. K.H. Ollongren Pagina 4 van 4
Il est temps de remédier à l’hostilité profonde à l’encontre des gens du voyage (fr) Het is tijd om de diepgewortelde afwijzing van Travellers aan te pakken. (nl)
Een artikel door Nils Muižnieks, commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, over de situatie van Travellers in Europa. Het is verschenen op 4 februari 2016 op de website van de Raad van Europa. Aan de hand van ervaringen van Roma, Travellers in o.a. Ierland, België, Frankrijk, Engeland doet hij een beroep op overheden om de discriminatie een halt toe te roepen. Hij bepleit o.a. dat er meer gerichte aandacht komt de erkenning van de specifieke cultuur, identiteit en de levenswijze van deze groepen, voor eliminatie van discriminerende bepalingen, voor erkenning van de woonwagen als woonvorm, voor het wegwerken van de onderwijsachterstanden, bouwen van extra woonwagenlocaties, stoppen van ontruimingen van woonwagencentra. In deze notitie en andere Europese wet‐en regelgeving wordt onder de term Travellers alle mensen begrepen, die van oudsher een nomadische manier van leven hebben of hadden, zoals in Gypsies, Roma, Manouches, Sinti, Romani / Taters of Yenish . In Nederland heeft het betrekking op Roma, Sinti en woonwagenbewoners of reizigers. Omdat de Europese commissie haar artikelen alleen in het Engels en Frans publiceren heb ik met dank aan Google Translate een Nederlandse vertaling gemaakt, waarbij ik de term Travellers in de Nederlandse tekst heb laten staan. ©Woonwagenwijzer
‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐
Het is tijd om de diepgewortelde afwijzing van Travellers aan te pakken. In oktober 2015, zijn 10 personen omgekomen bij een brand die uitbrak in een woonwagenkamp in de buurt van Dublin. Aansluitend op deze tragische gebeurtenis hebben buurtbewoners het initiatief van de overheid om vervangende huisvesting te regelen voor de overlevende leden van de groep op een nabijgelegen locatie voorkomen, door het blokkeren van wegen die leiden naar de nieuwe woonwagenlocatie. Helaas, illustreert deze gebeurtenis goed hoe diepgewortelde afwijzing of vijandigheid ten opzichte van Travellers, Gypsies, Roma, Manouches, Sinti, Romani / Taters of Yenish, * nog steeds het leven bepaald van deze mensen in een groot aantal landen waar ze wonen, waaronder België, Frankrijk, Ierland, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. Mede dankzij het strenge op assimilatie gerichte beleid in het verleden met als doel vestiging in een vaste woonplaats, trekken deze groepen niet meer rond, of ze doen dat slechts een deel van het jaar. Echter, ze geven nog steeds de voorkeur aan het wonen in een woonwagen boven het wonen in een stenen huis en willen de mogelijkheid van het seizoensgebonden reizen behouden.
Deze manier van leven wordt ernstig gehinderd en bedreigd door het gebrek aan het trekkersplaatsen, het steeds vaker voorkomen van ontruimingen, vijandigheid en afwijzing door de meerderheid van de bevolking en de wijdverbreide discriminatie. Dit is al decennia lang het geval. De geschiedenis van de Travellers in Europa wordt gekenmerkt door vervolgingen, uitzettingen en schendingen van het recht gericht op gedwongen huisvesting in een vaste woonplaats en op het uitwissen van hun cultuur en manier van leven. Op Travellers gerichte maatregelen bestonden uit het onttrekken van kinderen uit de ouderlijke macht, beperkingen van de trekvrijheid, en inbeslagnames van caravans. De effecten van beleid in het verleden zijn vandaag de dag nog steeds voelbaar. In verschillende landen, blijven de overheden beleidsmaatregelen treffen die Travellers dwingen om te verhuizen naar in slechte staat verkerende woningen. Zij weigeren ook de specifieke identiteit en de cultuur van Travellers te erkennen, inclusief degenen die het leven in een vaste woonplaats hebben geaccepteerd. De bijdrage die Travellers aan de geschiedenis en cultuur van de Europese landen wordt over het hoofd gezien.
Tekort aan standplaatsen, uitzettingen en discriminatie. Bij het doen van onderzoek naar Travellers in het Verenigd Koninkrijk op het internet, was een van de bovenste links die verscheen op mijn scherm was een advertentie voor "Onmiddellijke verwijdering van rondtrekkende Gypsy enTravellers” te beginnen met de volgende woorden: " Geen enkele verhuurder of grondeigenaar wil een kamp van Gypsies, Travellers op hun land ... ". Helaas, dit is geen geïsoleerd beeld. Ik ben bezorgd over de aanhoudende vijandigheid en de terughoudendheid van de lokale overheden om Travellers een plek te bieden. Regelmatig worden ook verontrustende gevallen van haatdragende taal door lokale politici gerapporteerd. In alle landen waar Travellers leven, is er een nijpend tekort aan locaties voor de tijdelijk en langdurig verblijf. In Ierland bijvoorbeeld, leven ongeveer 800 Travellers langs de kant van de weg zonder riolering. In het Verenigd Koninkrijk, wees een studie uit 2012 uit dat ongeveer 20% van de Travellers woonden op illegale woonwagenlocaties. In Brussel is op dit moment geen doortrekkersterrein.