CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Handboek Nijmegen Toegankelijk 2026

Besluitronde (raadsvergadering) 8 juli 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: D26 d.d. 2 juni 2026 over Handboek Nijmegen Toegankelijk17.968 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Breedte obstakelvrij vloeroppervlak: 0,60 m aan weerszijden Breedte ribbelprofiel in looprichting: 0,30 m (één trottoirtegel breed). Breedte ribbelprofiel in looprichting: 0,60 m als de geleidelijn haaks op de gidslijn gepositioneerd is en ook mogelijk op onveilige plek. Minstens een lengte van: 1,20 m. Zo min mogelijk hoeken, knoop- en beslispunten . Bij richtingsverandering ≥ 45° en kruispunten waarschuwingsmarkering toepassen. ‘Leiden met lijnen’. Materiaal in contrastkleur met omgeving.

Aansluiting geleidelijn op gidslijn

Parallel: op afstand 0,60 m met 0,60 m overlap. Haaks: op 0,30 m eindigen voor begin gidslijn. Minder duidelijke gidslijnen als lijngoten met alleen een andere textuur: aankondigen met waarschuwingsmarkering.

Attentievlak

Attendeert de gebruiker op afbuiging van de richting (t-splitsing of kruispunt), een objectmarkering, de nabijheid van een hellingbaan, of de komst van een waarschuwingsmarkering. Bij afbuiging van de richting en bij objectmarkering: Lengte en breedte: 0,60 m x 0,60 m. Bij een voorwaarschuwing tussen geleidelijn en waarschuwingsmarkering: 0,30 m x 0,60 m. Het attentievlak heeft geen reliëf en kleur is hetzelfde als omliggende bestrating.

Waarschuwingsmarkering

Waarschuwt de gebruiker bij het naderen van een gevaarlijke situatie, zoals boven aan trappen, oversteekplaatsen en bij beëindiging van een geleidelijn zonder aansluitend op de geleidelijn een gidslijn gevolgd kan worden. Breedte van vlak in looprichting = 0,60 m. Lengte van vlak dwars op looprichting ≥ 0,60 m. Met noppen – ‘Noppen is stoppen’. Materiaal dat in kleur, tast en/of klank afwijkt van de aanwezige verharding (bij voorkeur geel). Afstand tot obstakel 0,30 m (bij spoorweg 0,60 m).

Objectmarkering

Objectmarkeringen worden aangebracht wanneer er zich aan de geleidelijn een object bevindt met voor de volger van de lijn relevante informatie en/of een relevante functie, bijvoorbeeld een informatiezuil of in het openbaar vervoer een OV-chipkaartlezer, kaartautomaat, S&A zuil. Wanneer het object zich niet rechtstreeks aan de geleidelijn bevindt, wordt met de objectmarkering aangegeven dat er een geleidelijn ("informatielijn") naar een informatiepunt loopt. Gemarkeerd vlak van 0,60 m x 0,60 m Afstand tot informatiepunt: ≥ 1,20 m Materiaal dat in kleur, tast en zo mogelijk klank afwijkt van de aanwezige bestrating (bij voorkeur in geel).

29

C. Tasten Instapmarkering

Wordt aangebracht in situaties waarbij er sprake is van een gefixeerde opstapplaats, bijvoorbeeld op bushaltes, taxistandplaatsen, "kiss and ride" plaatsen. Instapmarkering: Lengte en breedte: 0,90 m x 0,60 m. Materiaal dat in kleur, tast en zo mogelijk klank afwijkt van de aanwezige bestrating (bij voorkeur geel).

Hoge kwaliteit: Routegeleiding C. Tasten Routegeleiding

Looproutes worden waar mogelijk gemarkeerd door een gidslijn. Pas voorzieningen als geleidelijnen en markeringen toe bij ov-haltes, van ov-haltes naar publieke voorzieningen en bij een oversteeklocaties (met en zonder verkeerslichten), bij op- en afritten en trappen. Geleidelijnen mogen alleen op voetgangersveilige locaties (geen periodiek autoverkeer door markten, kermissen, bevoorrading) aangelegd worden. Laat geleidelijnen aansluiten op de aanwezige gidslijnen.

Houd de lijn vrij tegel

Toepassen van ‘Houd de lijn vrij stoeptegel’ om mensen bewust te maken van het belang van het vrijhouden van geleidelijnen. Pas toe op strategische plekken zoals oversteekplaatsen. De tegel wordt naast de geleidelijn geplaatst.

Figuur 6 Overgang geleidelijn in natuurlijke gidslijn (TG-lining)

Figuur 7 Een Houd de lijn vrij stoeptegel (TG-lining)

30

Routegeleiding (uitvoering en maatvoering) Standaard Detailboek Nijmegen Zie voor de juiste uitvoering van routegeleiding het Standaard Detailboek • 801 Geleidelijnen – Looproute • 802 Geleidelijnen - Aansluiting op natuurlijk gidslijn • 804 Geleidelijnen - Informatiepunt (objectmarkering)

Figuur 8 Attentievlak (PBTconsult, 2013)

Figuur 9 Objectmarkering (PBTconsult, 2013)

Figuur 10 Waarschuwingsmarkering (TGlining)

Figuur 11 Instapmarkering (PBTconsult, 2013)

31

C. Voetgangersoversteekplaats Oversteken kan een lastige of gevaarlijke handeling zijn. Mensen spelen daar vaak zelf al op in door vooral op bekend terrein te blijven en te kiezen voor eenvoudige routes met zo min mogelijk onverwachte situaties. Hieruit is bijvoorbeeld de voorkeur te verklaren voor traditionele kruispunten met een verkeersregelinstallatie (VRI) in plaats van rotondes. De inrichting van een oversteekvoorziening kan bijdragen aan de voorspelbaarheid en bruikbaarheid. Voor de zichtbaarheid is het creëren van vrije uitzichthoeken van belang. Denk aan vrij zicht op ooghoogte, ook voor mensen in een rolstoel en kinderen. Verder is het bij oversteekplaatsen van belang om de oversteekplaats zo te situeren dat de oversteeklengte zo klein mogelijk is. Oversteekplaatsen zijn voorzien van een verlaagde trottoirrand dan wel een verhoogd wegdek, zodat er geen hoogteverschillen ontstaan. Voor blinden- en slechtzienden dient er bij oversteekplaatsen een waarschuwingsmarkering te worden aangebracht. De geleidelijn dient zodanig te worden gepositioneerd dat vanaf de waarschuwingsmarkering loodrecht kan worden overgestoken naar de waarschuwingsmarkering aan de overkant. Daarnaast is het voor de toegankelijkheid belangrijk dat bij lange oversteekplaatsen (vanaf circa 7 meter) of bij drukke en onoverzichtelijke situaties in etappes kan worden overgestoken.

Hierdoor is minder snelle, gelijktijdige verwerking van informatie over verschillende verkeersstromen (rijrichtingen) nodig en ontstaat er bovendien een rustpunt voor de overstekende voetganger. Er zijn verschillende oversteekvoorzieningen: • Ongelijkvloerse oversteekvoorziening: de te kruisen verkeersstroom gaat plaatselijk omlaag of omhoog en de voetgangers kunnen op gelijke maaiveldhoogte blijven. Of voetgangers overbruggen het hoogteverschil bij een ongelijkvloerse oversteek, zoals bruggen, viaducten en tunnels. Door deze oversteek zijn er geen wachttijden, maar het neemt veel ruimte in beslag en hellingen zijn niet altijd toegankelijk; • Een geregelde voetgangersoversteekplaats (GOP) is een oversteekplaats waarin de doorgang is geregeld met verkeerslichten; • Met zebrapaden geregelde oversteekplaats (op kruispunt, rotonde of wegvak): door het toepassen van een zebrapad gaan voetgangers voor op het overige verkeer, waardoor hun wachttijd wordt beperkt; • Ongeregelde oversteekplaats biedt voetgangers geen recht op doorgang, maar hebben uitsluitend tot doel de herkenbaarheid en het verloop van de oversteekplaats voor een voetganger te markeren.

A. Zien Tekens

Voor tekens uitgaan van RVV-, NBD en gemeentenormen.

Markering

Zorg voor duidelijke, gemarkeerde oversteekplaatsen (niet vervaagd). Gebruik hierbij geen kleuren die niet herkend worden of verwarring veroorzaken bij oversteken, zoals bijvoorbeeld een regenboogzebrapad.

32

B. Horen Rateltikkers

Rateltikkers bij een geregelde oversteekplaats. Rateltikkers kunnen voor verwarring zorgen als ze niet altijd op dezelfde manier worden toegepast. Raadpleeg de Richtlijn Akoestische Signalering (RAS) voor de richtlijnen met betrekking tot rateltikkers (CROW).

C. Tasten Routegeleiding

Looproute waar mogelijk markeren door gidslijnen, zoals bestaande gevels, muren of randen. Op looproutes bij een oversteek, bij verkeerslichten en bij bushaltes geleidelijnen en waarschuwingsvlakken toepassen. De richting van de geleidelijn vóór de waarschuwingsmarkering dient de oversteekrichting aan te geven. Bij oversteekplaatsen met een VRI, moet de aanvraagknop voor groen licht altijd direct naast de geleidelijn worden geplaatst.

D. Verplaatsen Afrit

Afrit bij verkeerlicht voor voetgangers recht tegenover elkaar in trottoirbanden. Afrit 1,80 m of breder. Doorgang van een vluchtheuvel niet smaller dan de breedte van de oversteek. Voldoende opstelruimte op vluchtheuvel in oversteekrichting (2,00 m).

Loopoppervlak

Helling dwars op de looprichting afschot minder schuin dan 1:50. Stroefheid van loopoppervlak is minimaal 65 conform NEN 2873. Loopvlak van een vluchtheuvel moet vlak zijn en dus gelijk aan rijbaan.

Manoeuvreren

Manoeuvreerruimte rolstoel en scootmobiel = 2,10 m x 2,10 m.

E. Gebruiken Verplaatsing snelheid

Voetgangerslicht afstemmen op een verplaatsingssnelheid van < 0,80 m/s.

Middeneiland /middengeleider

Bij oversteek die minimaal 7 m is of bij drukke en onoverzichtelijke situaties. Lengte en breedte middeneiland minimaal 2,0 m x 1,80 m. Geleidelijnen en waarschuwingsmarkering op middeneiland aanbrengen.

Bediening

Bedieningsknop in signaalkleur en in looprichting aanbrengen. Niet aan de zijkant van de paal. Hoogte 1,00 m (minimaal 0,90 m en maximaal 1,20 m).

Lift

Breedte lifttoegang: 1,10 m. Liftkooi: 1,40 m x 2,00 m of 2,00 m x 1,40 m. Zo biedt de lift plaat aan de meeste typen mobiliteitshulpmiddelen op wielen en de gebruikers ervan.

33

Hoge kwaliteit: Voetganger oversteeklocatie C. Tasten Routegeleiding

Bij een oversteekplaats met een hoge intensiteit van voetgangers wordt de oversteek altijd gemarkeerd door middel van geleidelijnen, waarschuwingsmarkering, inclusief het middeneiland.

E. Gebruiken Oversteekondersteuning

Er kunnen extra faciliteiten voor bediening en voor oversteek-ondersteuning aangebracht worden. Denk aan een rateltikker of een verkeersregelaar bij evenementen.

Oversteekplaats (uitvoering en maatvoering) Standaard Detailboek Nijmegen Zie voor de juiste uitvoering van routegeleiding het Standaard Detailboek • 803 Geleidelijnen - Oversteekplaatsen

Figuur 12 Goed herkenbare oversteek door duidelijke markering (Gemeente Nijmegen)

Figuur 13 Onduidelijke oversteek (Alzheimer Nederland, 2015)

34

D. Straatmeubilair en rustpunten Straatmeubilair is een overkoepelende term voor verschillende objecten en voorzieningen die zich in de openbare ruimte bevinden. Straatmeubilair kan bedoeld zijn voor verschillende doeleinden, namelijk om: • Informatie te geven, zoals verkeersborden, paaltjes en hekken; • Te gebruiken, zoals zitgelegenheden, afvalbakken, brievenbussen en deelfietsen; • Het straatbeeld te verlevendigen, zoals bloembakken. Daarnaast kan straatmeubilair, mits goed vormgegeven en geplaatst, bijdragen aan de leesbaarheid van de omgeving en als gidslijnen functioneren. Ook kan een goede vormgeving en plaatsing bijdragen aan sociale veiligheid. Dit betekent dat bijvoorbeeld donkere en slecht zichtbare plekken zoveel mogelijk vermeden moeten worden.

A. Zien Contrast

Voldoende contrast van straatmeubilair met omgeving (minimaal LVR 30). Denk bijvoorbeeld aan grijze anti-parkeerbollen waar mensen over kunnen struikelen of zwart geschilderde lichtmasten die nauwelijks afsteken tegen de bestrating door te weinig contrast.

Verlichting

Minimaal 50 lux

C. Tasten Routegeleiding

Gidslijnen of eventueel geleidelijnen naar gebruiksobjecten. Deze aangeven met objectmarkering bij bedieningsobjecten en informatiepunten. Scherpe hoeken en randen vermijden in de vormgeving van objecten in de looproute en gebruiksobjecten. Verstoor de natuurlijke gidslijn niet met de uitrustplaatsen.

Taststok

De onderste 5 cm moet dicht zijn om te voorkomen dat straatmeubilair niet wordt getraceerd door een persoon met een taststok.

D. Verplaatsen Vrije doorloopruimte

Straatmeubilair buiten looproute plaatsen (zie afbeelding 14).

Paaltjes

Objecten zoals paaltjes en betonnen bollen bij voorkeur niet toepassen. Hoogte paaltjes is 0,90 m (minimaal 0,70 m).

Vernauwing

Bij vernauwing over maximaal 10,0 m minimaal 1,20 m Bij puntvernauwing over maximaal 0,5 m bij voorkeur 1,20 m (minimaal 0,90 m). en incidentele puntvernauwing is niet direct maatgevend voor kwaliteit van de gehele lengte van het trottoir, een terugkerende puntvernauwing kan dat wel zijn. Als de vernauwing langer is dan 1 meter, smaller is dan 0,90 meter of vaker dan één keer per 50 meter voorkomt, is deze maatgevend voor het hele trottoir, wat betekent dat het trottoir voor veel mensen niet bruikbaar is.

35

E. Gebruiken Gebruikshoogte

Onderrijdbaar, dus opstelruimte onder b x h minimaal 0,90 m x 0,75 m. Afstand bedieningselement tot de muur of ander object minimaal 0,50 m. Manoeuvreer ruimte bij objecten met bediening voor scootermobiel 2,10 m x 2,10 m. Hoogte bedieningselementen op gebruiksobjecten tussen 0,90 m en 1,20 m. Hoogte van informatie tussen 1,40 m en 1,60 m.

Herkenbaarheid

Gebruiksobjecten goed zichtbaar uitvoeren in karakteristieke en daarmee herkenbare kleur en vormgeving. Bedieningsobjecten met grote knoppen in signaalkleur.

Hoeveelheid straatmeubailr

Een openbare ruimte met (te) veel objecten is onoverzichtelijk, druk en rommelig. Zeker als de objecten verschillend zijn en niet in een zone of lijn staan. De ervaring van drukte hangt overigens niet alleen samen met de veelheid en variatie aan elementen; het gaat om het geheel. Architectuur, reclame-uitingen en verkeersdrukte spelen bijvoorbeeld ook een rol. Vermijd dus een grote hoeveelheid straatmeubilair, omdat dit concentratie afneemt voor het verkeer.

Hoge kwaliteit (Straatmeubilair) D. Verplaatsen Vernauwing

Bij (punt)vernauwing bij voorkeur 1,80 Wijs vaste plaatsen aan voor tijdelijke straatmeubilair zoals reclameborden (al dan niet rond lichtmasten), terassen, vuilniszakken, huisvuilcontainers. Denk ook aan vaste plaatsen voor deelvervoer.

Figuur 14 Duidelijke obstakelvrije doorloopruimte creëren (CROW, 2023)

36

Rustpunten De aanwezigheid van een rustpunten is naast een plek om uit te rusten ook een plek voor ontmoeting en draagt bij aan de sociale veiligheid (‘ogen op straat’). Een rustpunt kan verschillende vormen aannemen. Het kan gaan om banken of stoelen, maar ook om muurtjes en randen van plantvakken. Zorg ervoor dat rustpunten goed herkenbaar zijn. Qua kleur moeten ze contrasteren met de omgeving, zodat ze beter zichtbaar zijn en minder snel een obstakel vormen voor slechtzienden. Dit kan door banken of tafels in of direct langs de looproute aan de aanloopzijde te voorzien van een opstaande rand in een kleur die met de omgeving contrasteert.

B. Horen Armlegger

Plaats ook banken zonder armlegger in verband met beweegruimte voor gebarentaal.

D. Verplaatsen Afstand

Afstand tussen zitgelegenheden is locatieafhankelijk. Op drukke routes en in parken afstand tussen bankjes of alternatieve zitgelegenheden minder dan 200 m. Op ander locaties, zoals woonwijken, zijn ook zitgelegenheden nodig, maar op een grotere afstand.

Ruimte

Voorzie een standplaats voor een rollator, rolstoel of kinderwagen naast het rustpunt.

E. Gebruiken Leuning

Voorzie een rustpunt van een rugleuning. De rugleuning is niet te laag en heeft een armleuning, zodat iemand weer goed kan opstaan.

Beschutting

Uitrustplaats beschutten tegen weersinvloeden, zowel voorzien in plekken in de zon als in de schaduw.

Hoge kwaliteit (rustpunten) D. Verplaatsen Afstand

Afstand tussen twee rustpunten is maximaal 200 m bij drukke gebieden (zoals winkelgebieden) en parken. Veel mensen willen hier uitrusten waardoor de kans dan een bank bezet is, toeneemt. Deze afstand geldt ook in heuvelachtig terrein, bij trappen en bij hellingbanen.

37

Straatmeubilair (uitvoering en maatvoering) Loopruimte • •

• • • •

Vrije doorgang: Er dient een vrije doorgang voor voetgangers van 2,0 m (minimaal 1,80 m) over te blijven. In voetgangersgebieden dient er ten alle tijde een vrije doorgang voor nood- en hulpdiensten van ten minste 4,50 m over te blijven en rondom brandkranen moet een obstakelvrije ruimte aanwezig zijn met een diameter van 1,80 m. Uitstallingen (reclameborden enz.) buiten de looproute plaatsen en in ieder geval niet op gids- en geleidelijnen. Vrije breedte tussen objecten (puntvernauwing) in een looproute is bij voorkeur 1,20 m (minimaal 0,90 m). Afstanden tussen obstakels onderling in de lengterichting van het voetpad ≥ 2,00 m. Geen overstekende delen van obstakels die met de taststok op de grond niet zijn waar te nemen.

Gebruiksruimte •

De vrije manoeuvreerruimte bij gebruiksobjecten met bediening heeft een diameter van ten minste 2,10 m.In voetgangersgebieden dient er ten alle tijde een vrije doorgang voor nood- en hulpdiensten van ten minste 4,50 m over te blijven en rondom brandkranen moet een obstakelvrije ruimte aanwezig zijn met een diameter van 1,80 m.

Gebruikshoogte • • • • •

Hoogte van obstakels zodanig dat deze goed detecteerbaar zijn (geldt vooral voor plantenbakken, zitelementen en reclamevitrines). Informatie (gebruiksaanwijzingen en dergelijke) bevindt zich op een hoogte tussen 1,40 m en 1,60 m. Bedieningselementen van gebruiksobjecten bevinden zich op een hoogte tussen 0,90 m en 1,20 m. Invoer- en uitnameopeningen (voor bijvoorbeeld muntgeld, passen of producten) bevinden zich op een hoogte tussen 0,70 m en 1,35 m en is eventueel op twee hoogtes te bedienen. De afstand van een bedieningselement tot een muur of ander object is ten minste 0,50 m. Bij voorkeur worden knoppen in signaalkleur gebruikt voor attentie.

Bank • •

Vrije verharde ruimte voor plaatsen van rolstoel naast of tegenover een zitelement of tafel minimaal 1,20 m. Zithoogte zitelementen tussen 0,45 m en 0,55 m (liefst met rugleuning en armleggers) Zitdiepte zitelement minimaal 0,40 m, breedte minimaal 0,60 m per persoon tussen armleggers.

Tafel • •

Vrije verharde ruimte voor plaatsen van rolstoel naast of tegenover een zitelement of tafel minimaal 1,20 m Werkbladhoogte (tafels e.d.) 0,80 m. Vrije ruimte onder tafels: hoogte minimaal 0,75 m met een diepte van meer dan 0,60m. Vrije breedte voor rolstoel naast bankje of tafel minimaal 1,20 m.

38

Rustpunten (uitvoering en maatvoering) Afmetingen • • • • • • •

De zithoogte bevindt zich tussen 0,45 en 0,50m. De zitdiepte is minimaal 0,40 m. De zitbreedte is ten minste 0,60 m per persoon (gemeten tussen armleggers). Zitelementen zijn uitgerust met rugleuning en armleggers om de armkracht bij het opstaan te kunnen benutten, 0,20 - 0,30 m boven de zitting. De werkbladhoogte van tafels is 0,80m. De vrije ruimte onder tafels is ten minste 0,75 m over een diepte van ten minste 0,60 m. De vrije breedte voor een rolstoel naast of tegenover een zitelement of tafel is ten minste 1,20 meter; bankje of tafel minimaal 1,20 m.

39

E. Fietspad De fiets is een populaire vervoerswijze, zowel voor recreatief als utilitair gebruik. Om het fietsgebruik te faciliteren en te stimuleren is de kwaliteit van de fietsinfrastructuur en fietsfaciliteiten essentieel. Naast de reguliere fiets zijn er verschillende modellen ontworpen om de toegankelijkheid van de fietser te waarborgen. Voorbeelden hiervan zijn de duofiets, tandem, handbike of ligfiets. Deze fietsen verschillen van afmetingen en kijkhoogte van de gebruiker.

Figuur 15 Tandem en duofiets met afmetingen (CROW, 2024)

Belemmeringen voor de toegankelijkheid van fietsers hebben vaak te maken met: • De kwaliteit, breedte en verkanting van het wegdek; • Obstakels; • Drempels en inritten; Drukknoppen bij VRI’s; • Parkeerproblemen: te weinig plek, plekken te ver weg van de eindbestemming en moeilijk toegankelijke fietsenstallingen.

A. Zien Visuele markering

Zorg voor voldoende contrast (LVR 20) tussen het fiets- en voetpad en de omgeving, gebruik eventueel reflecterende markeringen zoals glasparels. Ook aanwezig objecten moeten visueel door voldoende contrast gemarkeerd zijn.

Tekens

Voor tekens uitgaan van RVV-, NBD en gemeente-normen.

D. Verplaatsen Vrije ruimte

Breedte fietspaden is voldoende om met twee fietsen naast elkaar te fietsen. Minimaal 2,00 m één richting en 3,50 m voor twee richtingen.

40

D. Verplaatsen Paaltjes

Paaltjes absoluut voorkomen! Wanneer echt nodig, zorg voor voldoende tussenruimte van minimaal 1,60 m en een hoogte van 0,75 m. Zorg ook voor voldoende contrast (LVR 30), ribbelmarkering en goede verlichting. Het meest wenselijk zijn ‘standaard’ roodwitte paaltjes die zijn aangelegd met heldere belijning.

Oppervlak

Niet te steil (helling is minder dan 1:25). Voorkom oneffenheden zoals kuilen, sleuven en opdruk van boomwortels.

E. Gebruiken Gebruiksruimte

De minimale gebruiksruimte voor één fiets is 1,20 m.

Hoogteverschil

Hoogteverschil aan de rand van het fietspad moeten < 5 cm zijn (berm). Bij grotere verschillen moet de breedte met 25 cm per zijde worden vergroot.

N.B. Het onderdeel fietspaden is opgenomen om de toegankelijkheid van gehandicaptenvoertuigen te waarborgen. Er is geen rekening gehouden met extreem brede fietsvoertuigen. In Nijmegen worden fietswegen en fietsstroken uitgevoerd in rood asfalt en volgens de richtlijnen van de nota “Nijmegen goed op weg”.

Fietspad (hoge kwaliteit) D. Verplaatsen Vrije ruimte

Doorfietsroutes tweerichtingsfietspaden minimale breedte 4,00 m.

Standaard Detailboek Nijmegen Zie voor de juiste uitvoering van paaltjes het Standaard Detailboek • 701 Straatmeubilair: Overzicht toe te passen afzetpalen • 702 Straatmeubilair: Overzicht toe te passen palen en markering fietspadstraat • 702 Straatmeubilair: Overzicht toe te passen palen en markering fietspad/straat

41

F. Fietsoversteekplaats Dat er in het ontwerp veel aandacht moet worden besteed aan de veiligheid van fietsers ter plaatse van kruispunten en oversteeklocaties, blijkt uit de ongevallenstatistieken. De functie van een kruispunt is het mogelijk maken van uitwisseling. Verkeer wordt ter plaatse van een kruispunt in de gelegenheid gesteld om af te slaan of over te steken (als alleen de mogelijkheid wordt geboden om over te steken, is het een oversteek en geen kruispunt). Voor de verkeersveiligheid geldt: hoe minder kruispunten, hoe beter. Minder kruispunten maken het netwerk echter minder functioneel. Bij oversteekvoorzieningen is het van belang dat er voldoende zicht is op aankomend verkeer en wachtende personen. Voor kwetsbare verkeersdeelnemers dient rekening te worden gehouden met langere opstarttijd door fysieke beperkingen, beperkte waarneembaarheid of concentratie of een langzamer vervoersmiddel zoals een elektrische rolstoel (bestuurder van een rolstoel mogen op het voet- én fietspad).

A. Zien Verlichting

Minimaal 50 lux

Visuele markering

Verkeerslicht: rood boven en groen onder.

Tekens

Voor tekens uitgaan van RVV-, NBD en gemeente-normen.

E. Gebruiken Bediening

Bedieningsknop in signaalkleur en in fietsrichting aanbrengen op een hoogte van 1,25 m.

42

G. Fietsparkeervoorziening Een beperkte toegankelijkheid van fietsenstallingen kan leiden tot het mijden van locaties of foutief parkeren in de openbare ruimte. Dit geldt vooral voor winkelcentra en binnensteden, waar de fiets niet altijd direct naast een voorziening kan worden geplaatst. Bij het realiseren van een fietsenstalling moet rekening worden gehouden met de toegankelijkheid van verschillende type fietsen. Denk aan stadsfietsen, elektrische fietsen, fietsen met brede banden, bakfietsen, driewielers, duo-fiets, handbike en ligfietsen. Daarnaast is het belangrijk om bij de inrichting van fietsparkeervoorzieningen rekening te houden met de sociale veiligheid van gebruikers. Goede verlichting en sociaal toezicht is hierbij van belang. Een fietsparkeervoorziening kan een parkeervoorziening op straat of het kan een inpandige fietsenstalling zijn. Er zijn verschillende typen fietsenstallingen die zowel op straat als inpandig geplaats kunnen worden namelijk; • Aanleunsysteem: Een aanleunsysteem (ook wel ‘nietje’ genoemd) is een fietsparkeervoorziening waar de fiets tegenaan leunt, en meestal ook aan vast kan worden gebonden. Deze stalling is geschikt voor alle modellen fietsen en scooters. • Klemsysteem met aanbindmogelijkheid: Klemsystemen zijn er met hoog-laagklemmen of laagklemmen met beugels voor het voorwiel of de voorvork, waardoor de fiets stabiel staat.

Deze functioneren ook als aanbindmogelijkheid. Deze stalling is niet geschikt voor alle fietsen en scooters/bromfietsen. Een grotere hart-op-hartafstand kan ervoor zorgen dat verschillende typen hier kunnen parkeren. Er bestaat ook een hoog-laagsysteem waarbij de fiets aan het stuur wordt opgehangen. Voordeel hiervan is dat het ook geschikt is voor fietsen met afwijkende wielbreedtes. Een nadeel is dat het niet geschikt voor fietsen met accessoires aan het stuur. • Etagerekken: Etagerekken zijn fietsparkeervoorzieningen met klem- en uitreksystemen, waarbij men dubbellaags kan parkeren. Het zorgt voor efficiënt ruimtegebruik, maar deze stalling is niet geschikt voor alle fietsen en scooters/bromfietsen. Daarnaast kan het voor veel mensen lastig zijn om de fiets in de hoge etage te tillen. Een mogelijke oplossing is de mogelijkheid om parkeerplaatsen op de onderste etage te reserveren – het liefst zo dicht mogelijk bij de ingang van de voorziening. • Fietskluis: een fietskluis is een individuele of collectieve fietsparkeervoorziening in de openbare ruimte. Deze stalling is niet geschikt voor alle fietsen en scooters / bromfietsen.

Fietsen op straat A. Zien Verlichting

Goede verlichting van de fietsenstalling is essentieel om de zichtbaarheid te verhogen en veiligheid te waarborgen (zie Verlichting, (pag. 65.)

43

D. Verplaatsen Beschikbare obstakelvrije ruimte

Gemakkelijke toegang naar een fietsparkeervoorziening, let op dat er een fiets bijvoorbeeld niet over een drempel getild moet worden en dat er voldoende ruimte is om van de fiets op en af te stappen.

Aangewezen plekken

Fietsen op straat moeten worden geparkeerd op aangewezen plekken zoals gemarkeerde vakken of fysieke stallingen met rekken voor (deel)fietsen. Deze staan buiten de vrije doorloopruimte.

E. Gebruiken Parkeren voor aangepaste rijwielen

Indien mogelijk: Voldoende parkeervoorzieningen voor aangepaste rijwielen (zoals driewielfiets en handbike). Deze zijn bij voorkeur gereserveerd, door middel van markering of bebording, voor aangepaste rijwielen.

Figuur 16 Voorbeeld fietsparkeerplaats aangepaste rijwielen (Gemeente Nijmegen).

44

Inpandige fietsenstalling A. Zien Verlichting

Goede verlichting van de entree en fietsenstalling is essentieel om de zichtbaarheid te verhogen en een veilige toegang te waarborgen. Bij voorkeur daglichttoetreding. In lijn met het politiekeurmerk is er een heldere, niet-verblindende en gelijkmatige verlichting over de hele oppervlakte van de ruimte (gemeten op de vloer), een gemiddelde horizontale verlichtingssterkte van minimaal 30 lux (Em), een gelijkmatigheid van minimaal 0,30 Uh en een kleurweergave van minimaal 70 (Ra).

D. Verplaatsen Entree

De entree en looproute naar de entree is bij voorkeur te gebruiken met de fiets, zodat de loopafstand minimaal is. Ook de breedte is van belang: de entree en looproute moeten breed genoeg zijn voor twee fietsers met de fiets aan de hand om elkaar te passeren, en toegankelijk zijn voor gehandicaptenvoertuigen (1,20 m).

Helling

Het heeft de voorkeur om de fietsenstalling op maaiveld te realiseren zodat de stalling gemakkelijk te bereiken en eenvoudig toegankelijk is. Indien dit niet haalbaar is, wordt bij een ondergrondse parkeerplaats een geul aangebracht waardoor een fietser met de fiets aan de hand, naar beneden of boven kan lopen. Voor mensen met een motorische beperking en bij gebruik van aangepaste fietsen is dit onbruikbaar. Door het toepassen van een fietslift kan iedereen de ondergrondse parkeervoorziening gebruiken.

E. Gebruiken Parkeren voor aangepaste rijwielen

Plaats parkeervoorzieningen voor aangepaste rijwielen (zoals driewielfiets en handbike). Deze zijn bij voorkeur gereserveerd, door middel van markering of bebording, voor aangepaste rijwielen.

Obstakels

Obstakels, zoals een fysieke afscheiding, banken of plantenbedden, zijn niet hoger dan 0,5 m vanwege de sociale veiligheid.

Openen

Indien een fietsenstalling geopend moet worden met bijvoorbeeld een drukknop, chipkaartlezer of code. Moet dit apparaat zich bevinden op een geschikte hoogte (0,90 en 1,20 m) en afstand van de entree zodat deze makkelijk gebruikt kan worden.

Fietsparkeervoorziening (hoge kwaliteit) E. Gebruiken Parkeren voor aangepaste rijwielen

Zorg dat fietsparkeervoorzieningen in gebieden met hoge kwaliteit ruimte bieden voor aangepaste fietsen (zoals een driewieler) en hiervoor ook een aanbindmogelijkheid is. Bij reguliere stallingen zijn deze vaak te klein, waardoor eigenaren deze fietsen op parkeerplekken voor brommers, scooters of bakfietsen moeten plaatsen. Deze plekken zijn echter niet bij elke fietsparkeervoorziening beschikbaar. Bovendien kunnen aangepaste fietsen daar niet veilig worden vastgemaakt. Aangezien aangepaste fietsen vaak duurder zijn dan tweewielfietsen en soms op maat worden gemaakt, baart dit de eigenaar veel zorgen. 45

H. Valbeveiliging bij hoogteverschillen Bij hoogteverschillen zijn veiligheidsmaatregelen nodig om te voorkomen dat mensen vallen. Onder valbeveiliging valt afrijbeveiliging en fysieke afscheiding. Voor een helling ≥ 1:25 of ≤ 4% en een hoogteverschil ≤ 0,25 m, wordt afrijbeveiliging toegepast. Voor hellingen ≥ 1:25 of ≤ 4% met een hoogteverschil van 0,25 - 1,0 m is een valbeveiliging noodzakelijk. Kleine hoogteverschillen (stoeprand, enkele traptreden) hoeven niet met fysieke afscherming te worden beveiligd. Wel moeten zij duidelijk herkenbaar zijn door voldoende helderheidscontrast. Ook valbeveiliging moet goed zichtbaar en contrasterend met de omgeving zijn.

Valbeveiliging (uitvoering en maatvoering) Afmetingen • • • •

Bij hoogteverschil langs looproute ≤ 0,25 m is de hoogte van de afrijbeveiliging ≥ 50 mm. Bij hoogteverschil langs looproute > 0,25 m is fysieke afscheiding noodzakelijk. En wordt valbeveiliging van 0,85-0,95 m hoog aangebracht. Tussenopeningen in afschermingen zijn maximaal 10 cm. De onderste 5 cm zijn dicht om te voorkomen dat met de taststok onder de valbeveiliging doorgaat.

Figuur 17 Afmetingen valbeveiliging (CROW, 2025a).

46

I. Korte trappen en op- en afstapjes Kleine hoogteverschillen komen veel voor. Een afstapje van 5 centimeter kan al een enorme val veroorzaken en een opstapje van 2 centimeter kan je heel makkelijk over struikelen. Voorkom dus afstapjes en maak een helling bij kleine hoogteverschillen. Ook trappen van enkele treden komen veel voor. Vanwege de begaanbaarheid, veiligheid en het gebruiksgemak dienen ook hoogteverschillen die uit enkele treden bestaan, te zijn voorzien van leuningen of een ander soort steun- of grijppunt.

A. Zien Contrast

De aanwezigheid van een leuning, contrasterend in kleur, attendeert mensen al op afstand op een trap of afstap. Breng ook helderheidscontrast aan op iedere traptrede om te voorkomen dat mensen korte trappen over het hoofd zien. Als de trap niet in contrast is met de omliggende bestrating, plaats dan een contrastmarkering over de volle breedte van de trap. Breng geen trapmarkering aan door stippen/bolletjes dit geeft visuele onrust.

D. Verplaatsen Oversteken afritten

•

• •

Afritten voor oversteken bij kruispunten: trottoirs bij voorkeur voorzien van verlaagde trottoirbanden anders opritten met helling minder steil dan 1:10 en een breedte van minimaal 1,80 m. Recht tegenover elkaar aanleggen. Aanbeveling: opritten voor woningen ook aanleggen met helling minder steil dan 1:10 (dan zijn deze ook bruikbaar als afritten voor hulpmiddelen).

Figuur 18 Trottoirverlaging (Gemeente Nijmegen, Standaard Detailboek)

47

J. Trap Bij hoogteverschillen kan gebruik worden gemaakt van een trap. Een trap dient voldoende ruimte te bieden om elkaar te kunnen passeren. Gebruik bij voorkeur maten die anticiperen op de groei van het aantal voetgangers. Door het toepassen van de minimummaten wordt het risico op ongevallen en gevaarlijke situaties verhoogd. Met steun en begeleiding van een leuning is een trap voor veel mensen begaanbaarder, veiliger en prettiger. De leuning geeft letterlijk houvast en kondigt het begin en eind van de trap aan. Bij hoogteverschillen is een waarschuwingsmarkering en een goede aansluiting van een gidslijn belangrijk. Aangezien een trap voor een toenemend aantal mensen niet toegankelijk is, is op looproutes als alternatief aanwezig, zoals een hellingbaan of een lift. Vanaf een hoogteverschil > 2 m gaat de voorkeur uit naar een lift boven een hellingbaan. Een lift dient bruikbaar te zijn voor mensen met een mobiliteitsbeperking die niet zelfstandig het hoogteverschil kunnen overbruggen door gebruik te maken van de trap. Ook hulpdiensten met een brancard moeten gebruik kunnen maken van een lift. Bij het toepassen van liften is het belangrijk dat deze goed worden beheerd en onderhouden.

A. Zien Visuele markering

De markering op de traptreden is contrasterend waardoor een betere diepte-inschatting mogelijk is (zie afbeelding 19).

C. Tasten Routegeleiding

Een gidslijn of geleidelijn naar onderzijde en aan bovenzijde van trap. Waarschuwingsmarkering boven aan trap (zie: onderstaande tabel over maatvoering). Bij bordessen is het van belang om te weten of de leuning doorloopt, of dat de leuning onderbroken wordt. In het laatste geval is ook op het tussenbordes een waarschuwingsmarkering nodig (en eventueel geleidelijnen bij een groot te overbruggen stuk).

D. Verplaatsen Loopruimte

Gebruik bij voorkeur maten die anticiperen op de groei van het aantal voetgangers. Door het toepassen van de minimummaten wordt het risico op ongevallen en gevaarlijke situaties verhoogd. De juiste maatvoering van treden, leuningen, de hoogte boven de trap en de manoeuvreer ruimte boven en onder de trap (zie: onderstaande tabel).

48

D. Verplaatsen Loopoppervlak

Het materiaal van de trap moet voldoende stroef zijn, zodat mensen niet uitglijden. Breng bij gladde materialen een antislipstrook aan; deze kan het beste worden gecombineerd met de markering van de treden. Stroefheid van loopoppervlak is minimaal 65 conform NEN 2873. Aandachtspunt: ligging van putten niet bij boven en onderkant helling.

Loopafstand

Bij grote hoogteverschillen de trap opdelen met tussenliggende bordessen (zie: onderstaande tabel over maatvoering).

Valbeveiliging

Leuningen aan beide zijden met de juiste maatvoering en stevigheid (zie: onderstaande tabel over maatvoering). De leuning is vrij omvatbaar.

Fietsgoot

Indien passend, kan een fietsgoot worden toegevoegd aan de trap. Kanttekening hierbij is dat een fietsgoot niet optimaal toegankelijk is om een fiets te verplaatsen.

Maatvoering en uitvoering trap De maatvoering van een trap is belangrijk voor de bruikbaarheid. Het gemak waarmee een trap kan worden gebruikt, hangt samen met de verhouding tussen de hoogte (optrede) en diepte (aantrede) van de treden. Dit zorgt voor een prettig en veilig loopritme. Afwijkende verhoudingen, zoals extra grote aantreden of wisselende op- en aantreden, kunnen zorgen voor een onprettige loop of zelfs struikelgevaar.

Valbeveiliging leuning • • •

Leuningen aan beide zijde van de trap. Hoogte van de leuning is minimaal 0,85 m en maximaal 0,95 m en voor kinderen en kleine mensen 0,60 m. Diameter van de leuning is minimaal 30 en maximaal 60 mm en 30 mm vanaf de wand.

Visuele markering •

Contrastmarkering met voldoende kleurcontrast (grijswaardenverschil K ≥ 0,3).

Geleiding • • •

Waarschuwingsmarkering bovenaan de trap op 0,60 m voor de eerste trede. Onderaan niet aanbrengen. Trap moet vindbaar zijn via gidslijn of geleidelijnen. Geleidelijn loopt onderaan de trap naar linkerzijde, bovenaan de trap naar rechterzijde. Linkerzijde, bovenaan de trap naar rechterzijde. Hart geleidelijn 0,9 m links van rechtertrapboom uitlijnen in de richting ‘naar beneden’.

Loopruimte • • •

Waarschuwingsmarkering bovenaan de trap op 0,60 m voor de eerste trede. Onderaan niet aanbrengen. Trap moet vindbaar zijn via gidslijn of geleidelijnen. Geleidelijn loopt onderaan de trap naar linkerzijde, bovenaan de trap naar rechterzijde. Linkerzijde, bovenaan de trap naar rechterzijde. Hart geleidelijn 0,9 m links van rechtertrapboom uitlijnen in de richting ‘naar beneden’. 49

Maat treden • • • • •

Optrede minimaal 0,15 m en maximaal 0,18 m (is verticale hoogte trede). Aantrede minimaal 0,30 m (is horizontale diepte van trede). Aantrede + 2 x optrede is minimaal 0,60 m en maximaal 0,65 m. Geen treden met een scherpe rand of overstekende tredeneuzen. Gesloten treden (niet in roosters uitvoeren).

Loopafstand • • • •

Vuistregel: bij elke 1,80 m hoogteverschil een bordes van minimaal 1,20 m x 1,20 m. Aantrede (is horizontale oppervlakte) van de bovenste en onderste trede markeren met contrastmarkering . Bovenste en onderste trede over de gehele breedte markeren met contrastmarkering. Bovenkant overige treden markeren met een breedte van 0,30 m lengte vanuit de wand.

Figuur 19 Gevisualiseerde maatvoering van een trap (gemeente Nijmegen)

Figuur 20 Trapmarkering (TG-lining) 50

K. Helling Overbrug kleine hoogteverschillen met een helling, dit gaat over hoogteverschillen ≤ 1,0m. Integreer grotere hoogteverschillen in het ontwerp van de buitenruimte. In alle gevallen is het van belang dat de helling niet te steil is. Hellingen die niet steiler zijn dan 1 : 25 of 4% worden gezien als ‘natuurlijk verloop’ (ook wel vals plat genoemd) en zijn zonder speciale voorzieningen in het trottoir op te nemen door de bestrating licht hellend uit te voeren. Bij een helling steiler dan 1 : 25 of 4% moet aan het begin en eind van de helling voor voetgangers met wielen (gebruikers van een rolstoel, scootmobiel, rollator of kinderwagen) voldoende horizontale ruimte beschikbaar zijn om te draaien. Op hellingen moeten een leuning aanwezig te zijn. De inspanning die nodig is om een helling op te gaan, hangt af van de steilheid van de helling in relatie tot de lengte. Om deze inspanning beperkt te houden, geldt dat naarmate het hoogteverschil groter is, de helling langer en minder steil moet zijn. Rustpunten op lange hellingen vergroten de bruikbaarheid ervan. Deze bordessen hoeven in principe niet gebruikt te kunnen worden om te draaien (tenzij de helling een hoek maakt).

C. Tasten Routegeleiding

Helling moet vindbaar zijn via gidslijn of geleidelijn. Natuurlijke gidslijn aanwezig naar leuning (optie geleidelijn aanbrengen).

D. Verplaatsen Loopruimte

Leuningen zoals bij trap. Vrije hoogte zoals bij trap. Manoeuvreerruimte boven en onder de helling groot genoeg voor scootermobiel – 2,10 m x 2, 10 m. Zie ook maatvoering hieronder.

Hoogteverschillen

Hellingshoek afhankelijk van het te overbruggen hoogteverschil (volgens onderstaande maatvoering). Eventueel een bordes toepassen om hoogteverschil in delen te overbruggen.

Bordes

Per 0,50 m hoogteverschil een bordes toepassen. Geschakelde hellingbanen en bordessen loodrecht op elkaar aansluiten en begin- en eindpunt onder een hoek van 0° of 90° ten opzichte van de normale voortbewegingsrichting aanbrengen.

Loopoppervlak

Stroefheid van loopoppervlak is minimaal 65 conform NEN 2873. Aandachtspunt: ligging van putten niet bij boven en onderkant helling.

Valbeveiliging

Valbeveiliging volgens de normen maatvoering (zie onderstaande tabel).

Leuning

Leuning aanbrengen aan beide zijden bij een overbrugd hoogteverschil ≥ 0,25 m.

51

Helling (uitvoering en maatvoering) Loopruimte • • •

Vrije breedte tussen de leuningen breder dan 1,20 m. Vrije hoogte boven helling meer dan 2,60 m. Vrije ruimte aan het begin en aan het eind van de helling groter dan 2,10 m x 2,10 m.

Hoogteverschil • • • • • • • •

Helling in de looprichting minder dan 1:25 (4 cm per m)(dit wordt beschouwd als normaal “vals plat”). Een hoogte kleiner dan 0,02 m is overbrugbaar met rolstoel – rollator. Hoogteverschil tussen 0,02 m en 0,1 m: helling minder dan 1:10. Hoogteverschil tussen 0,10 m en 0,25 m: helling minder dan 1:12. Hoogteverschil tussen 0,25 m en 0,50 m: helling minder dan 1:16. Hoogteverschil tussen 0,50 m en 1,00 m: helling minder dan 1:20. Hoogteverschil groter dan 1,00 m: helling minder dan 1:25. Hellingen steiler dan 1:25 moeten voorkomen worden. Anders alternatieve route of lift toepassen.

Valbeveiliging • • • • • • • •

Helling steiler dan 1 : 25 of 4%. Afrijbeveiliging, 0,05 m hoog tot 0,25 m hellinghoogte. Valbeveiliging, 1,0 m hoog tot 1,0 m hellinghoogte. Breedte van eventuele openingen in borstwering ≤ 0,10 m. Hoogte leuning tussen 0,8. 5 m en 0,95 m. Diameter leuning 30 tot 50 mm en vrij omvatbaar. Belastbaarheid leuning meer dan 2000N (200 kg). Afstand tussen openingen in afscherming minder dan 100 mm.

Figuur 21 Gevisualiseerde maatvoering helling (Gemeente Nijmegen)

52

L. Bushalten Het openbaar vervoer (OV) speelt een cruciale rol in het dagelijks leven van mensen. Voor sommige mensen is het zelfs onmisbaar om van A naar B te komen. De routes naar de haltes moeten bereikbaar en begaanbaar zijn. De routes moeten goed onderhouden, vrij van obstakels en ook bij slechte weersomstandigheden te begaanbaar zijn. Daarnaast is een goede vindbaarheid van belang. Ook moet men zich veilig voelen, vooral als je langer moeten wachten. Daarnaast dienen de voorzieningen op de halte zoals het informatiebord, een bankje en eventueel een abri toegankelijk zijn.

A. Zien Verlichting

Op perron minimaal 20 Lux, in abri (‘bushuisje’) 50 Lux. • Hoogte minimaal 4,5 m • Kleurtemperatuur (Tk) 3000K • Helderheidscontrast: Hogere kleurweergave-index, Ra > 60

Visuele markering

Instapplaats markeren door kleurcontrast met bij achterdeur rolstoeltegel, en bij de voordeur instaptegel. Perronrand markeren door kleurcontrast: afwisselend witte en zwarte tegels (is wettelijk).

Visuele relatie

Halteaanduiding en informatieborden op minimale vrije onderloophoogte van 2,20 m.

Tekens en borden

Plaats haltebord L03b. Het haltebord L03(a/b) markeert het punt waar bij de voorste deur ingestapt kan worden.

C. Tasten Routegeleiding

Iedere halte is voorzien van geleidelijnen. Daarnaast dient een instapmarkering op de halte aanwezig te zijn, dit is de opstelplaats en geeft de positie aan waar de deur van de bus opengaat. Naast dat halte zelf moet ook de route naar de halte voldoen aan routegeleiding. Indien er een oversteek van straten in de nabije omgeving is dan dient de geleidelijn aangelegd te worden bij deze oversteek en aansluiten op de bushalte.

D. Verplaatsen Loopruimte

Iedere reiziger heeft voldoende obstakelvrije ruimte nodig om zich te kunnen verplaatsen op en naar de halte / het perron. Een halte dient een minimale obstakelvrije ruimte te hebben van 1,50 m (90 cm voor een rolstoel en 60 cm voor een staande persoon). Bij voorkeur 2,10 meter (zie hoge kwaliteit).

Plaatsing objecten

• • •

Minimaal 1,20 m van perronrand. Objecten worden niet geplaatst bij in- en uitstapplaatsen. Objecten worden zo veel mogelijk aan een zijde buiten de looproute geplaatst, aan de achterzijde van het perron.

53

E. Gebruiken Reisinformatie

Naast een halteaanduiding moet een halte voorzien zijn van reisinformatie. Zie voor meer informatie het onderdeel route- en reisinformatie.

Afwatering

Aandachtspunt bij (het aanleggen van) bushaltes is de afwatering. Om te voorkomen dat een bus die komt aanrijden het hele perron (en dus ook de wachtende reiziger) nat spat, is een goede hemelwaterafvoer noodzakelijk; bij voorkeur van het perron af, in de richting van de rijbaan.

Zitmogelijkheid

Bij iedere halte ten minste één zitmogelijkheid met rug- en armleuning.

Hoge kwaliteit: Bushalte D. Verplaatsen Loopruimte

•

• •

Vrije breedte halteplaats minimaal 2,10 m. De perronbreedte is gemeten vanaf de perronband (die vaak al 0,30 meter breed is). De maat van 2,1 meter is gebaseerd op de manoeuvreerruimte ten behoeve van het passeren van een tweetal rolstoelen of bijvoorbeeld kinderwagens.” Op incidentele plaatsen mag een puntvernauwing voorkomen van 1,20 m (bij voorkeur 1,80 m), over een maximale lengte van 0,50 m. Vrije manoeuvreerruimte voor in- en uitstapplaats minimaal 2,10 m x 2,10 m (0,60 m uitschuifplank, 1,50 m manoeuvreerruimte).

E. Gebruiken Reisinformatie

• •

Palen met dynamische reisinformatie bij busstations moeten een audiofunctie hebben en aansluiten op de geleidelijn. Een service- en alarmzuil is aanwezig, deze is dag en nacht te gebruiken in situaties waarbij een reiziger extra informatie of hulp behoeft. Door middel van de serviceknop kan de reiziger om informatie vragen. De SOS-knop kan gebruikt worden bij noodgevallen. Op de zuil is een intercom aanwezig voor communicatie. De service- en alarmzuil sluit aan op de geleidelijn.

54

Bushalte (uitvoering en maatvoering) Maten perron • • •

Lengte van bus perron minimaal 8,00 m. Vrije breedte halteplaats minimaal 1,50 m bij voorkeur 2,10. Bij plaatselijke versmallingen (puntvernauwing) over een lengte van maximaal 0,5 m geldt een minimale vrije breedte van 1,2 m.

Hoogteverschil • • •

Hoogteverschil tussen busbaan en halteplaats: 0,18 m. Hoogteverschil tussen voertuig en halteplaats minder dan 20 mm. Nijmegen kent ‘kniel’-bussen en een uitschuifbare rolplank bij de achterdeur. Hoogteverschil tussen halteplaats en straat overbruggen met helling (zie eisen helling).

Abri (bushokje) • • • • • • • • •

Aanwezigheid van een abri is niet noodzakelijk, maar áls er een abri wordt geplaatst, dient deze ook toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers. Dit stelt eisen aan de maatvoering. De locatie van de abri dient niet te zijn gesitueerd bij de in- en uitstap van de rolstoel bij de tweede deur van de bus. Abri is minimaal 1,80 m breed en 0,90 m diep. Vrije hoogte in abri is minimaal 2,30 m. Vrije diepte zitje minimaal 0,30 m. Zithoogte zitje tussen 0,45 m en 0,50 m. Aandachtspunt: let op locatie lichtmast niet ter hoogte van instap. Wanneer er een abri aanwezig is op de halte kan ervoor gekozen worden het haltebord op het dak van de abri te plaatsen. Op deze manier vormt de haltepaal geen barrière op de halteplaats. Op transparante wanden dient een markering met een duidelijk helderheidcontrast te worden aangebracht op een hoogte van 1,40 m - 1,60 m, zodat deze ook herkenbaar zijn. Dit draagt bij aan de visuele toegankelijkheid. De overige materialen van de abri (zoals de randen van de wanden) dienen qua kleur en helderheid contrasterend te zijn met de omgeving.

Standaard Detailboek Nijmegen • • • • • • •

Zie voor de juiste uitvoering van bushaltes het Standaard Detailboek 805 Toegankelijkheid: Inrichting bushalte, halteren in haltehaven (voor gelede bussen) 805a: Toegankelijkheid: Inrichting bushalte, halteren in haltehaven (voor gelede bussen) 805b: Toegankelijkheid: Inrichting bushalte, halteren op de rijbaan (voor gelede bussen) 806: Toegankelijkheid: Inrichting bushalte, halteren op de rijbaan (voor gelede bussen) 806a: Toegankelijkheid: Inrichting bushalte, halteren in haltehaven 806b: Toegankelijkheid: Inrichting bushalte, halteren op de rijbaan.

55

M. Gehandicaptenparkeerplaats Voor de toegankelijkheid van parkeerplaatsen, zowel thuis als bij de bestemming, moet rekening worden gehouden met de situering en vormgeving van parkeerplaatsen.

A. Zien Tekens

•

(conform RVV) Parkeerplaats aanduiden met verkeersbord gehandicaptenparkeerplaats (E06). Bord is goed zichtbaar. Parkeerplaats aanduiden met witte kruismarkering (als extra attentie voor het tegengaan van oneigenlijk gebruik eventueel pictogram plaatsen met rolstoelsymbool van > 0,30 m x 0,30 m of het vak in afwijkende kleur bestrating). Indien de manoeuvreerruimte naast en achter de auto samenvalt met de rijbaan of een looproute, deze herkenbaar maken (bijvoorbeeld met markering).

•

• Vindbaarheid

Het makkelijk kunnen vinden van de auto is ook een aandachtspunt bij grote parkeergarages / parkeerplaatsen dit kan verbeterd worden door onderscheid te maken in kleuren of symbolen per verdieping / zone.

D. Verplaatsen Loopruimte

Parkeerplaats en eventueel parkeerautomaten moeten bereikbaar zijn via looproutes die aan de gestelde normen van Straatmeubilair voldoen.

Locatie

• • •

Valbeveiliging Gebruiksruimte

Gebouwgebonden gehandicaptenparkeerplaatsen worden zo dicht mogelijk bij de entree gesitueerd, bij voorkeur ≤ 35 m. Gehandicaptenparkeerplaatsen in parkeergarages worden zo dicht mogelijk bij stijgpunten of een toegankelijke uitgang gesitueerd, bij voorkeur ≤ 25 m. Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden evenredig verdeeld (over een stad).

Gehandicaptenparkeerplaatsen langs water zijn mogelijk, mits vrije breedte. minimaal 2,10 m en de juiste valbeveiliging aanwezig is. Aandachtspunt: bij lange rij parkeerplaatsen een oprit creëren zodat een rolstoelgebruiker direct van de weg het trottoir op kan.

E. Gebruiken Parkeerautomaat

• • •

Gratis

•

Gebruiksruimte vóór meter of automaat ≥ 2,1m × 2,1 m, drempelloos bereikbaar. Bedieningselementen van parkeermeter of -automaat bevinden zich tussen 0,9 m en 1,2 m. Informatie bij parkeermeter of -automaat bevindt zich op een hoogte tussen 1,4 m en 1,6 m. N.B. parkeren met een gehandicapten-parkeerkaart op publieke gehandicaptenparkeerplaats is in Nijmegen gratis.

56

Hoge kwaliteit: Gehandicaptenparkeerplaats E. Gebruiken Hoogte

Een belangrijk aandachtspunt is de hoogte van bussen bij parkeergarages. Als een parkeergarage niet hoog genoeg is, moet er een alternatieve parkeerplaats in de nabijheid beschikbaar zijn. Deze alternatieve plek dient een gelijkwaardige en volwaardige parkeeroplossing op maaiveld te bieden, zonder extra drempels of beperkingen. Op deze manier voorkomen we dat de toegankelijkheid afhankelijk wordt van aannames over gebruik en bevorderen we zelfstandigheid, inclusie en gelijkwaardige deelname.

Gehandicaptenparkeerplaats (maatvoering en aantal) Maatvoering Gehandicapten parkeerplaats • • •

Afmetingen gehandicaptenparkeerplaats 3,50 m x 7,50. Bij een algemene gehandicaptenparkeerplaats wordt altijd een op- en afrit gesitueerd met een minimumbreedte van 1,2 m en een maximumhelling van 1:10. Voorzien van bord (RVV) E6 zichtbaar vanaf rijbaan.

Aantal gehandicapten-parkeerplaatsen • •

Minimum van vijf procent bij publieke voorzieningen. 1 op 50 voor grote (openbare) parkeerterreinen en -garages.

Standaard Detailboek Nijmegen Zie voor de juiste uitvoering van gehandicapteparkeerplaats: • 204 Straatwerk: Mindervalideparkeerplaats langsparkeren. • 206 Straatwerk; Mindervalide haaksparkeerplaatsen in groenstrook / verharding.

57

N. Plein / verblijfsgebied Een plein in de openbare ruimte is een open, vaak verharde ruimte in een stedelijke of dorpsomgeving die bedoeld is voor verschillende publieke functies. Pleinen kunnen variëren in grootte en ontwerp. Het kan dienen als ontmoetingsplaatsen voor mensen, locaties voor markten of evenementen en bieden vaak ruimte voor voetgangers om zich te bewegen of te ontspannen. Ze kunnen worden omringd door gebouwen, winkels, horeca en soms monumenten of kunstwerken. Pleinen zijn belangrijk voor de sociale interactie en de leefbaarheid.

A. Zien Visuele markering

Objecten in de looproute zijn zichtbaar door het voldoende contrast op de juiste hoogte.

C. Tasten Routegeleiding

Looproute markeren door tastbare gidslijnen. Bij veel gebruikte routes of gevaarlijke.

D. Verplaatsen Loopruimte

• • •

Vrije breedte looproutes breder dan 2,40 m wanneer er veel mensen passeren. Voldoende vrije hoogte bij onderdoorgangen (onder luifels, reclames, enz.). Gidslijnen en geleidelijnen mogen niet onderbroken worden door putdeksels, fietsklemmen, voertuigen of andersoortige objecten. Plaats bij oversteekplaatsen verlaagde trottoirbanden en bij gevaarlijke situaties geleidelijnen en waarschuwingsmarkeringen.

Loopoppervlak

• • • • •

Natuurlijke helling niet te steil in looprichting (minder dan 1:25). Natuurlijke helling niet te steil in looprichting (minder dan 1:25). Stroefheid van loopoppervlak is minimaal 65 conform NEN 2873. Vlak loopoppervlak, oneffenheden zijn maximaal 5 mm hoog of diep . Roosters e.d. maaswijdte minimaal 10 mm en maximaal 20 mm.

Loopafstand

• •

Minimaal één zitgelegenheid creëren. Op grotere pleinen / verblijfsgebieden: minimaal om de 200 m een mogelijkheid om te zitten.

E. Gebruiken Bankjes

Kies voor zitgelegenheid met rugleuning en armleuningen. Plaats afvalbakken niet op looproute.

58

O. Park Parken zijn meestal groene ruimtes, open voor het publiek en bieden vaak een reeks faciliteiten en natuurlijke elementen zoals grasvelden, bomen, bloembedden, waterpartijen en soms ook speeltuinen en sportfaciliteiten. Parken geven ruimte aan bewegen, spelen, sporten, ontmoeten en ontspannen. Het is belangrijk dat een park bereikbaar is via een toegankelijke route en dat de voorzieningen in een park voldoen aan de toegankelijkheidseisen (zie normentabel D Straatmeubilair en rustpunten). Veel mensen zijn aangewezen op het groen in hun directe omgeving.

A. Zien Verlichting

Stadsparken worden in Nijmegen om ecologische redenen in principe niet verlicht.

C. Tasten Routegeleiding

Natuurlijke gidslijnen. Duidelijke padafscheiding.

D. Verplaatsen Loopruimte

• • •

Breedte looproute minimaal 2,00 m. Onder een route wordt verstaan een pad heen en terug en een rondgang door het park. Vrije breedte plaatselijke doorgangen minimaal 0,90 m (bijvoorbeeld tussen depaaltjes). Breedte gecombineerd fiets-, wandel- en rolstoelpad is minimaal 3,00 m.

Loopafstand

Om de 200 m zitgelegenheid creëren in verharde ondergrond.

Loopoppervlak

Een stabiele, gelijkmatige halfverharding of asfalt met een fijnkorrelige bovenlaag waarop geen water blijft staan.

Valbeveiliging

Adequate valbeveiliging bij hoogteverschillen.

E. Gebruiken Een route voor iedereen

Kies voor zitgelegenheid met rugleuning en armleuningen. Plaats afvalbakken niet op looproute.

Groen

Geen overhangende takken op de looproute.

59

P. Speelplaatsen Iedereen heeft de mogelijkheid om in de buurt van zijn of haar huis te kunnen spelen. Speelplekken zijn speciaal ontworpen gebieden waar kinderen veilig kunnen spelen en zich kunnen uitleven. Om samen spelen mogelijk te maken, moet een speelplek aan de 100-7050 regel voldoen: iedereen is 100% welkom, 70% van de speelaanleidingen is bereikbaar voor iedereen, 50% van de speelaanleidingen is te gebruiken voor ieder kind en zorgt voor ontmoetingen en samen spelen. Speelplekken moeten ook toegankelijk zijn voor ouders en verzorgers met en zonder beperking. Dit kan worden bereikt door het installeren van verschillende speeltoestellen en door het creëren van toegankelijke paden. Denk bijvoorbeeld aan schommels met speciale stoelen, rolstoelvriendelijke glijbanen en geleiding voor kinderen met visuele beperkingen.

A. Zien Hoofdpad

• •

Omheining

Plaats een omheining rond schommelende en draaiende toestellen in goed zichtbare kleur.

Zorg dat het hoofdpad goed zichtbaar en voelbaar is. Het hoofdpad kan zichtbaar worden gemaakt met een verhoogde markering in contrasterende kleur. Zo is het een natuurlijke geleidelijn.

D. Verplaatsen Bereikbaarheid

Rond de omgeving van een speelplaats aandacht voor toegankelijkheid, zodat zowel kinderen met een beperking de speelplaats kunnen bereiken als verzorgers. Zorg dat het toegangshek naar de speelplek breed genoeg is voor rolstoelen en kinderwagens (minimaal 1,20 m).

Locatie

Plaats speelplekken in de openbare ruimte daar waar ze makkelijk bereikbaar zijn via bestaande loop- en fietsroutes. De locatie is de belangrijkste voorwaarde om er wel of géén gebruik van te maken. Dus vermijd plekken waar potentiële gebruikers niet graag komen.

Loopoppervlak

Het hoofdpad is hard en vlak.

E. Gebruiken Zitplaatsen

Zitgelegenheid is aanwezig met arm- en rugleuning.

Meerdere functies

Maak speelplekken inclusief en dus geschikt voor meerdere doelgroepen (ouderen, jeugd en kinderen) en meerdere functies, zodat je er kunt sporten, spelen, bewegen en ontspannen.

Hoge kwaliteit: Speelplaatsen D. Verplaatsen Parkeren

Een gehandicaptenparkeerplaats bij grotere speelplaatsen is wenselijk.

60

Q. (Reis)informatieborden Informatieverstrekking vormt een essentiële schakel in het toegankelijk maken van de openbare ruimte en het openbaar vervoer. Het gaat hierbij om informatieborden in bijvoorbeeld een park met daarop toegangsregels of bij OV-punten over borden met de vertrektijden. Daarnaast zijn plattegronden en informatie in liften belangrijk zodat reizigers zich kunnen oriënteren. Dit draagt bij om de omgeving begrijpelijk en voorspelbaar te maken. Om ervoor te zorgen dat reisinformatie voor iedereen begrijpelijk is, moeten er ook audiofuncties en voelbare informatie worden aangeboden. Voor routeinformatie worden de regels van het RVV (Regelement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) gebruikt voor verkeersborden en de NBD-norm (Nationale Bewegwijzeringsdienst) voor bewegwijzering.

A. Zien Contrast

• •

Bord heeft een duidelijk contrast met de omgeving. Een hoog contrast (minimaal 30%) geldt voor de bebording tegen de achtergrond. Gebruik lichte kleuren voor de opschriften deze zijn goed zichtbaar op een donkere achtergrond. Het helderheidscontrast van tekst en symbolen op het bewegwijzeringsbord moet hoog zijn (minimaal 60%).

Lettergrootte en vorm

Het lettertype dient goed leesbaar te zijn. Dit betekent en lettergrootte die is aangepast op de kijkafstand, d.w.z. 5% van de kijkafstand en symbolen 9% van de kijkafstand. Daarnaast zijn de letters niet cursief.

Leeshoogte

Informatie dichtbij, moet tussen 1,0 m en 1,8m+ vloer zijn aangebracht (waarnemingshoek vanuit de beschouwer max. 25⁰ plus horizontaal en 35⁰ min horizontaal). Informatie dat veraf moet worden gezien, moet vanaf 1,5m+ vloer zijn aangebracht. Indien de informatie door veel mensen tegelijkertijd moet kunnen worden waargenomen moet deze op ≥ 2,3m + vloer worden aangebracht.

Hoge kwaliteit: Informatieborden en reisinformatie C. Tasten Braille - lift

De knoppen in liften dienen te zijn voorzien van voelbare en braille-informatie. Buiten de lift is op rolstoelhoogte een bordje aanwezig met voelbare en braille-informatie om aan te duiden wat er zich op iedere verdieping bevindt (zoals de verschillende niveaus, uitgang, hal, etc.).

B. Horen Omroepsysteem - lift

In een lift is een omroepsysteem aanwezig waardoor de reiziger met een visuele beperking zich kan oriënteren. De omroep geeft aan op welk niveau de lift zich bevindt en geeft een waarschuwingsboodschap wanneer de liftdeuren openen/sluiten. Aanvullend kan de omroep in de lift melden wat er op de betreffende verdieping aanwezig is (zoals uitgang, hal, etc.).

61

B. Horen Audiofunctie – dynamische reisinformatie

Palen met dynamische reisinformatie bij busstations moeten een audiofunctie hebben en op de geleidelijn aansluiten.

62

R. Verlichting Toegankelijkheid en de mogelijkheid om je zelfstandig te verplaatsen is niet alleen bij daglicht, maar ook na zonsondergang een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van de openbare ruimte. Verlichting is onder andere belangrijk voor de valveiligheid, sociale veiligheid en verkeersveiligheid. Er zijn naar schatting 2 miljoen mensen in Nederland die in meer of mindere mate moeite hebben om zich zelfstandig in het donker bij kunstlicht door de openbare ruimte te bewegen. De redenen zijn divers. Een korte greep uit beperkingen waar ouderen mee te maken kunnen krijgen, zijn: • Verminderde lichtgevoeligheid: Een 60-jarige heeft gemiddeld meer dan tien keer een hogere lichtbehoefte dan een 20-jarige. • Gevoeliger voor verblinding: Vanaf 55 jaar begint het aantal mensen met een zichtbeperkende gevoeligheid voor verblinding op te lopen tot bijna 30% voor 75plussers; • Langere adaptatietijd: Versterkt door de verminderde lichtgevoeligheid kan de toch al langere adaptatietijd in sommige (extreme) gevallen oplopen van enkele minuten tot een kwartier (Visio). Naast dat de lichtbehoefte verschilt per persoon, vraagt ook de functie van een plek om variatie in verlichting. Denk aan drukke gebieden zoals rond een station en aan parken of natuurgebieden.

A. Zien Stadsverlichting

Stadsverlichting is normaal gesproken 3 tot 5 Lux. Waar men zich goed moet kunnen oriënteren en bij obstakels in de looproute is een verlichting nodig van minimaal 50 lux. Bij te bedienen gebruiksobjecten 200 lux.

Verblinding

Verblinding dient te worden voorkomen door een lichtpunt bij voorkeur op minimaal 4,5 m hoogte te plaatsen, en door geen gebruik te maken van grondspots in de looproute (nabij entrees, trapgaten etc.).

Overprikkeling

Felle lampen, gekleurde lichten of knipperende lichtbronnen kunnen voor overprikkeling zorgen, onder andere voor mensen met autisme of epilepsie. Dit vergt ook aandacht voor het voorkomen van een hoge verlichtingssterkte (luminantie) in de omgeving, zoals van reclame, etalages en automaatverlichting en dergelijke.

Gelijkmatigheid

Voorkom grote overgangen in de lichtsituatie. Adaptatiezone is tenminste één mastafstand groot. Afstemming tussen verschillende partijen is hierbij va belang. Denk aan situaties zoals bij een uitgang van een station of tunnel grenzend aan een lage verlichtingsklasse. Hier wordt aanbevolen om een transferzone bestaande uit meerdere overgangen toe te passen: van 50 lux naar 25 lux, naar 12,5 lux, etc.

Kleur

Bij het toepassen van anderskleurige verlichting is het belangrijk er rekening mee te houden dat senioren blauwig en groenig licht sterk verminderd waarnemen ten opzichte van jongeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=8a1a2d45-fce7-47e4-886b-1e068845c68f