Handboek Nijmegen Toegankelijk 2026
Tekst van het document
Handboek Nijmegen Toegankelijk 2026
Inhoud 1.
Inleiding – Nijmegen voor iedereen ........................................................................... 3
2.
Bouwen aan toegankelijkheid ................................................................................... 4
3.
Aspecten van toegankelijkheid .................................................................................. 6
4.
Indeling kwaliteitsniveaus ......................................................................................... 8
5.
Nijmeegse visie op toegankelijkheid ....................................................................... 12
6.
Toegankelijkheid in projectfasen ............................................................................. 16
7.
Normen .................................................................................................................... 21
8.
Specifieke normen per onderdeel ........................................................................... 23
A. Voetpad en Trottoir ............................................................................................................. 24 B. Routegeleiding .................................................................................................................... 28 C. Voetgangersoversteekplaats .............................................................................................. 32 D. Straatmeubilair en rustpunten ........................................................................................... 35 E. Fietspad ............................................................................................................................... 40 F. Fietsoversteekplaats............................................................................................................ 42 G. Fietsparkeervoorziening ..................................................................................................... 43 H. Valbeveiliging bij hoogteverschillen .................................................................................. 46 I. Korte trappen en op- en afstapjes ....................................................................................... 47 J. Trap ...................................................................................................................................... 48 K.
Helling ................................................................................................................................. 51 L. Bushalten............................................................................................................................. 53 M. Gehandicaptenparkeerplaats ............................................................................................ 56 N. Plein / verblijfsgebied ......................................................................................................... 58 O. Park ..................................................................................................................................... 59 P. Speelplaatsen ...................................................................................................................... 60 Q. (Reis)informatieborden ...................................................................................................... 61 R. Verlichting ........................................................................................................................... 63 S. Tijdelijke situaties ............................................................................................................... 65 T. Toegankelijke laadinfrastructuur ........................................................................................
67 Literatuurlijst: .......................................................................................................................... 69
2
1. Inleiding – Nijmegen voor iedereen Nijmegen wil dat iedereen zoveel mogelijk kan deelnemen aan de samenleving. De openbare ruimte moet daarom toegankelijk zijn voor iedereen. De gemeente Nijmegen erkent het belang van toegankelijkheid en heeft dit bevestigd met de moties ‘Design for All’ en ‘Ontwerpen voor Iedereen als Leidend Principe’. Het doel is om omgevingen te creëren die voor iedereen bruikbaar zijn. Als een ontwerp is gemaakt voor gebruikers met een beperking, is het geschikt voor iedereen. Dit maakt de situatie vaak duidelijker en toegankelijker voor andere verkeersdeelnemers. Design for All is dus niet alleen belangrijk voor mensen met een beperking, maar voor iedereen ook ouderen en kinderen. Evenals, mensen met kinderwagens en leveranciers met rolcontainers. Het doel van dit handboek is zorgen voor een toegankelijke openbare ruimte. Onder openbare ruimte verstaan we alle openbare buitenruimtes in de gemeente. Dit zijn bijvoorbeeld straten, trottoirs, pleinen, parken, parkeervakken en fietspaden. Maar ook zaken als openbare verlichting, verkeerslichten, borden, speeltuinen, afvalbakken en bankjes horen bij de openbare ruimte. Het handboek is de basis voor alle inrichtingsplannen van de openbare ruimte. Het laat zien welke kwaliteit nodig is voor een samenleving waar iedereen welkom is en mee kan doen.
Het handboek is voor iedereen die werkt aan het inrichten van de openbare ruimte, en ook voor iedereen die de openbare ruimte gebruikt. Een optimaal toegankelijke openbare ruimte kan de zelfstandigheid van mensen vergroten, maar leidt niet voor iedereen tot zelfstandige participatie. Sommige mensen hebben, los van de fysieke toegankelijkheid van de omgeving, altijd ondersteuning of begeleiding nodig, zoals mensen met een ernstige verstandelijke beperking. Dit handboek is tot stand gekomen met verschillende ambtenaren van de gemeente en het Zelfregiecentrum Nijmegen (ZRCN). Het ZRCN zet zich onder andere in voor een toegankelijk Nijmegen. Dit doen ze onder andere door vanuit en met ervaringsdeskundigen te kijken naar de plannen en ontwerpen van de openbare ruimte. De volgende onderwerpen komen aan de orde: • • • • • • •
Achtergrond van dit beleid Aspecten van toegankelijkheid Verdeling van Nijmegen in kwaliteitsniveaus Nijmeegse visie op toegankelijkheid Toegankelijkheid in projectfasen Normen Verwijzing naar de literatuur
3
2. Bouwen aan toegankelijkheid Op 14 juli 2016 ondertekende Nederland het VN-verdrag handicap. Het doel van dit verdrag is om de rechten van mensen met een beperking te verbeteren en beschermen. Het verdrag bepaalt bijvoorbeeld dat mensen met een beperking het recht hebben om zelfstandig te wonen, zelfstandig naar school te gaan, het openbaar vervoer te gebruiken of aan het werk te zijn. Net als ieder ander. Het verdrag eist dat mensen met een beperking (ervaringsdeskundigen) bij deze uitwerking worden betrokken conform het motto ‘niets over ons zonder ons’. De overheid heeft de plicht om hiervoor te zorgen. Onderdeel van de Omgevingswet is daarnaast het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregel verplicht dat nieuwe ontwikkelingen die invloed hebben op de openbare buitenruimte in het omgevingsplan rekening houden met het bevorderen van de toegankelijkheid van die ruimte voor mensen met een functiebeperking. De gemeente Nijmegen erkent het belang van toegankelijkheid en heeft dit bevestigd met de moties ‘Design for All’ en ‘Ontwerpen voor Iedereen als Leidend Principe’. Dit handboek wijst de weg voor een toegankelijke openbare ruimte in Nijmegen. Dit handboek is een actualisatie van het "Handboek Nijmegen Toegankelijk," dat in 2016 door de raad werd vastgesteld.
Het huidige handboek vormt een uitwerking van de vastgestelde moties en het beleid "Beter op Weg," en bevat daarnaast recente richtlijnen voor toegankelijkheid. De normen in dit handboek helpen bij het creëren van een toegankelijke stad. Ze bieden een solide basis voor de openbare ruimte, zodat iedereen zich gemakkelijk kan verplaatsen in Nijmegen en de stad een fijne plek is om te verblijven. In bepaalde gebieden streven we naar een extra hoge kwaliteit en stellen we strengere eisen. Bijvoorbeeld, we zorgen ervoor dat mensen gemakkelijk langs elkaar kunnen lopen met een hulpmiddel en voegen geleidelijnen toe om de weg gemakkelijk en veilig te vinden. We kiezen ervoor om normen te formuleren voor de meest wenselijke situatie. Door deze normen te volgen bij nieuwe projecten, willen we de toegankelijkheid binnen de stad geleidelijk verbeteren. De normen in dit handboek dienen als uitgangspunt en kunnen alleen gemotiveerd en goed onderbouwd worden afgeweken (voor meer informatie en een stappenplan over gemotiveerd afwijken, zie pagina 23.) Het toegankelijker maken van de openbare ruimte is ingewikkeld en kost tijd.
Hierbij komen verschillende dilemma’s kijken die te maken hebben met: • Esthetiek en functionaliteit: Ontwerpkeuzes voor een mooie uitstraling of een historisch stadsbeeld kunnen de toegankelijkheid beïnvloeden; • Financiële overwegingen: Financiële beperkingen kunnen ervoor zorgen dat de meest optimale aanpassing voor toegankelijkheid niet altijd kan worden doorgevoerd; • Druk op de ruimte: In stedelijke gebieden kan er een gebrek aan ruimte zijn. Dit kan zorgen voor een ingewikkelde verkeerssituatie. Ook kunnen er dilemma’s ontstaan tussen toegankelijkheid en andere doelen, zoals klimaatadaptieve maatregelen. Het is een uitdaging om alle gebruikers in de openbare ruimte een plek te geven zonder dat het onveilig of oncomfortabel wordt.
4
Al deze dilemma’s vragen om communicatie, creativiteit, elkaar begrijpen en compromissen. Als hulpmiddel heeft gemeente Nijmegen een Ambitieweb gemaakt. Het doel van het web is om belangen af te wegen wanneer de druk in de openbare ruimte groot is. Toegankelijkheid dient als een gelijkwaardig afwegingscriterium te worden beschouwd. De toegankelijkheid verbeteren is een lang proces dat niet van de ene op de andere dag geregeld is. Bij elke aanpassing in de stad houden we ons aan de regels van dit handboek. We gebruiken de normen bij het ontwerp van nieuwe projecten en bij aanpassingen en onderhoud van bestaande locaties. Met het Handboek Nijmegen Toegankelijk geven we invulling aan de volgende ambities: • Omgevingsvisie a. ‘De toegankelijke stad’ is één van de leidende principes in de Omgevingsvisie. Ook wordt bij de uitvoering van de Omgevingsvisie nadrukkelijk rekening gehouden met de ervaringen en behoeften van vrouwen en LHBTIQ+’ers. • Ambitiedocument mobiliteit 2019 – 2030: Nijmegen Goed op Weg In het Uitvoeringsprogramma Beter op Weg staan de volgende doelen: a. In gebiedsontwikkelingen maken we de openbare ruimte toegankelijk. b. We zorgen voor een fijnmazig voetgangersnetwerk. Een fijnmazig voetgangersnetwerk is een netwerk wat uitgebreid is, zodat een voetganger, zonder (veel) omwegen naar de belangrijkste plekken in de stad kan gaan. c.
We maken meer schone, veilige en obstakelvrije stoepen en kijken naar de beleving. Hierbij horen bijvoorbeeld bankjes, waterpunten en groen. d. We lossen de belangrijkste problemen op die te maken hebben met toegankelijkheid. • Koers voor de binnenstad: Gebiedsvisie binnenstad 2035. a. We zetten in op een toegankelijke binnenstad, zowel qua inrichting als voorzieningen. b. Bij de inrichting van de binnenstad maken we gebruiken van het handboek toegankelijkheid. Jaarlijks vindt er een evaluatiebijeenkomst plaats met ZRCN. Deze werkwijze helpt ons ook om nieuwe ontwikkelingen op het gebied van toegankelijkheid te implementeren en toe te passen.
5
3. Aspecten van toegankelijkheid In dit handboek staan normen om de openbare ruimte toegankelijk te maken. Deze normen zijn bedoeld om problemen te voorkomen of helemaal weg te halen. Aspecten die een rol spelen bij het ervaren van problemen zijn: Zien, horen, tasten, verplaatsen en gebruiken. Aan de hand van deze aspecten worden de normen ingedeeld. De aandachtspunten maken de openbare ruimte voor iedereen toegankelijker. Zien Bij het toegankelijk maken van openbare ruimte voor mensen die slechtziend of kleurenblind zijn, moet je denken aan goede verlichting, duidelijke kleurcontrasten en extra hulpmiddelen zoals rateltikkers bij oversteekplaatsen. Horen Voor slechthorende of dove mensen is het belangrijk dat alle informatie ook zichtbaar (visueel) is en dat er duidelijke visuele signalen in de openbare ruimte zijn, zoals een waarschuwingslicht voor een bus. Tasten Blinde of slechtziende mensen gebruiken hulpmiddelen zoals taststokken of geleidehonden, en zijn afhankelijk van voelbare en hoorbare informatie zoals gidslijnen, geleidelijnen, braille en voelbare pictogrammen. Verplaatsen Mensen die moeite hebben met bewegen, gebruiken vaak hulpmiddelen zoals een rolstoel, scootmobiel, aangepaste fiets, (tast)stok, kruk of rollator. Daarvoor zijn vlakke en brede loopruimte nodig en rustplaatsen.
Gebruiken In de openbare ruimte zijn "gebruiksvoorwerpen" zoals bankjes, afvalbakken en parkeerautomaten. Deze voorwerpen moeten goed ontworpen en bruikbaar zijn, met aandacht voor zien, horen, tasten en verplaatsen. Daarnaast moeten gebruiksvoorwerpen en de openbare ruimte duidelijk en voorspelbaar zijn door een bepaalde structuur. Dit is belangrijk voor mensen die moeite hebben met begrijpen, onthouden, taal of het verwerken van informatie (neurodivergent), zoals mensen met dementie en mensen die gevoelig zijn voor prikkels. Ook ouderen kunnen met één of meerdere aspecten moeite hebben. Andere aspecten Veiligheid is ook heel belangrijk. Dit gaat over verkeersveiligheid en sociale veiligheid. Verkeersveiligheid houdt in dat de wegen goed zijn ingericht, met duidelijke verkeersborden, goed afgestelde verkeerslichten en bij voorkeur het scheiden van verkeerssoorten. Ook moeten mensen zich aan de verkeersregels houden, zoals stoppen bij een rood licht en voorrang geven bij een zebrapad.
6
Sociale veiligheid in de openbare ruimte betekent dat mensen zich veilig en op hun gemak voelen. De inrichting van de ruimte kan hierbij helpen. Goede verlichting en overzichtelijke paden maken het bijvoorbeeld makkelijker om te zien wat er om je heen gebeurt. Daarnaast is sociale controle belangrijk voor sociale veiligheid. Het gedrag van mensen beïnvloedt ook de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Obstakels, zoals reclameborden, worden soms onbedoeld in de loop geplaatst, fietsen of auto's staan hinderlijk geparkeerd of mensen overtreden de verkeersregels. Gedrag speelt ook een grote rol in de sociale toegankelijkheid: hoe iemand behandeld wordt en of men zich welkom voelt, is essentieel. Door de inrichting van de openbare ruimte kunnen we dit gedrag deels sturen om de fysieke ruimte toegankelijk te maken. We veronderstellen dat de normen voor de fysieke openbare ruimte een goed startpunt zijn om hier aandacht aan te besteden. De normen, zoals vastgesteld in dit handboek, zijn verankerd in ander gemeentelijk beleid zoals de APV, het HIOR en beheerplannen. Op deze manier wordt de toegankelijkheid van de openbare ruimte gewaarborgd bij beheer en handhaving.
7
4. Indeling kwaliteitsniveaus Om ervoor te zorgen dat de openbare ruimte toegankelijk is. Zijn er 5 hoofdeisen, de 5B’s, waar een toegankelijke omgeving aan moet voldoen. Dit zijn: • Bereikbaar: De openbare ruimte is gemakkelijk te bereiken met verschillende soorten vervoer bijvoorbeeld met het openbaar vervoer. En een route is niet te lang (zonder omwegen); • Begaanbaar: De openbare ruimte is open en goed te gebruiken voor verschillende verkeersdeelnemers. Er zijn geen obstakels en de route is goed onderhouden; • Begrijpelijk: De openbare ruimte is zodanig vormgegeven dat de omgeving goed te begrijpen is. Door rust en voorspelbaarheid kan iedereen gemakkelijk zijn/haar weg vinden; • Betrouwbaar en veilig: De openbare ruimte is veilig en zo ontworpen dat iedereen zich sociaal veilig en welkom voelt; • Bruikbaar: De openbare ruimte is zo vormgegeven dat mensen, met of zonder beperking, deze veilig, begrijpelijk en doelmatig kunnen gebruiken voor uiteenlopende activiteiten zoals het gebruiken van een afvalcontainer of zitgelegenheid. De 5B's gelden voor de hele openbare ruimte. Er zijn plekken waar extra aandacht voor toegankelijkheid nodig is, zoals bij zorginstellingen, openbare voorzieningen en drukke gebieden. In groen- en parkgebieden is het soms niet mogelijk om het gehele gebied optimaal toegankelijk in te richten.
We maken daarom onderscheid in drie verschillende toegankelijkheidsniveaus: • Basis • Hoog • Laag
Kwaliteitsniveau basis (geen kleur op plattegrond) De basiskwaliteit geldt voor de hele stad. Overal moet de inrichting van de openbare ruimte zo zijn dat mensen zich kunnen verplaatsen in hun dagelijkse leven. Dit toegankelijkheidsniveau geldt daarom voor de gehele woon- en werkomgeving. Onder de basiskwaliteit vallen ook stadsparken. Het is belangrijk dat iedereen een park of groengebied in de directe woonomgeving kan ervaren, aangezien groen bewezen positieve effecten heeft op gezondheid en welzijn. Zo is een park een fijne koelteplek op een warme dag. Elk park moet daarom minimaal één toegankelijke wandelroute hebben die voldoet aan de toegankelijkheidskenmerken van niveau 'Basis'.
Kwaliteitsniveau hoog (blauwe kleur op plattegrond) Het hoge kwaliteitsniveau kenmerkt zich door extra normen voor toegankelijkheid. Deze kwaliteit wordt toegepast bij een gebied rondom: • Een zorgfunctie: Dit zijn plekken waar mensen met extra zorg wonen of vaak als bezoeker komen; • Maatschappelijke en publieke bestemmingen: Dit is een voorziening of een cluster van voorzieningen met een publiek aantrekkende werking. Het gaat hierbij om winkelcentra en sociale, culturele en maatschappelijke instellingen, zoals bijvoorbeeld scholen, theaters en wijkcentra. Bij een centra met voorzieningen is de samenwerking tussen verschillende eigenaren en goed beheer een aandachtspunt;
8
•
En plekken en gebieden waar het extra druk is: Dit kan een drukke weg zijn die lastig is om over te steken, maar ook een winkelstraat waar het druk is met voetgangers.
Het gaat onder andere om extra aanpassingen bij de oversteek locaties, bredere looproutes en meer bankjes voor extra rustmogelijkheden en dus kortere loopafstanden. Zie de normentabellen ‘hoge kwaliteit’ in hoofdstuk 8 voor alle hogere eisen.
Kwaliteitsniveau laag (oranje kleur op plattegrond) In sommige gebieden is het niet altijd mogelijk om een basiskwaliteit voor toegankelijkheid te bereiken. Bepaalde routes, zoals die in natuurgebieden, zijn moeilijk toegankelijk te maken. Door ecologische waarden is het vaak niet mogelijk om voorzieningen aan te leggen die voor iedereen toegankelijk zijn, zoals voetpaden die aan de basiseisen voldoen. Een lager toegankelijkheidsniveau is in deze gevallen acceptabel, aangezien deze gebieden meestal geen deel uitmaken van de directe woonomgeving. Toch blijft het wenselijk om in natuurgebieden toegankelijke routes als alternatief aan te bieden. Vaak zijn deze gebieden geen eigendom van de gemeente, maar worden ze beheerd door organisaties zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Steeds vaker worden hier routevoorzieningen gerealiseerd zoals verharde paden, invalidetoiletten en informatiepanelen met braille. Ook het aanbieden van terreinrolstoelen in het bos of langs het water kan een geschikte oplossing bieden.
Plattegrond kwaliteitsniveaus Elk gebied heeft unieke kenmerken, zoals type gebruik en het aantal gebruikers, wat leidt tot verschillende eisen voor toegankelijkheid. In een winkelstraat, waar doorgaans veel meer mensen komen dan in een woonstraat, gelden er bijvoorbeeld strengere eisen voor de vrije breedte. Voor elk deel van de openbare ruimte is het belangrijk om te onderzoeken hoe deze wordt gebruikt en wat de aanvullende behoeften van de gebruikers zijn. Om hierbij richtlijnen te bieden en bewuste keuzes rondom toegankelijkheid te bevorderen, is met onderstaande plattegrond gemeente Nijmegen ingedeeld in de verschillende kwaliteitsniveaus. Op de kaart van de gemeente wordt voor het zichtbaar maken van de verschillende niveaus gewerkt met twee kleuren. Het gaat hierbij om de kleuren blauw en oranje. Het overige gebied valt onder de basiskwaliteit.
9
Figuur 1 Kaart met indeling kwaliteitsniveaus toegankelijkheid
Op de basiskaart zijn de gebieden en routes blauw gekleurd waar een hoog niveau van toegankelijkheid wordt nagestreefd. Zo heeft de gehele binnenstad een hoog niveau toegewezen gekregen vanwege de vele maatschappelijke en publieke bestemmingen en de grote drukte in dit gebied. Andere gebieden met een hoog kwaliteitsniveau zijn bij stations, grote zorgvoorzieningen, cluster van onderwijsinstellingen (campus) en clusters met voorzieningen (wijk/winkelcentra). Bij de routes is onderscheid gemaakt tussen hoofdroutes, verbindingsroutes en fijnmazige aanlooproutes. Hoofdroutes zijn de centrale routes binnen de gebieden met hoge toegankelijkheid. Verbindingsroutes zijn de verbindingen van en naar deze gebieden, zoals routes van het station of belangrijke bushaltes naar de hoge toegankelijkheidsgebieden. Aan belangrijke aanloop- of rijroutes liggen vaak ook enkele voorzieningen. Fijnmazige aanlooproutes zijn routes in woonwijken die naar hoge toegankelijkheidsgebieden of belangrijke voorzieningen zoals basisscholen en bushaltes leiden. Een oranje kleur geeft de gebieden die vallen onder het kwaliteitsniveau laag, dit zijn de ecologische gebieden. De kaart dient als referentie voor het bepalen van het kwaliteitsniveau voor een bepaald plan of project. Het kwaliteitsniveau bepaalt de toegankelijkheidseisen die in het ontwerpproces worden nagestreefd.
10
Interactieve versie - kaart kwaliteitsniveaus (meer voorzieningen) Deze kaart is eveneens opgenomen in het interactieve digitale handboek voor de openbare ruimte en in Atlaz. Dit handboek dient als “naslagwerk” voor alle gemeenteambtenaren die met de openbare ruimte werken. Hiermee kan men snel nagaan welke eisen waar van toepassing zijn. In de interactieve versie van de kaart zijn naast de prioritaire gebieden en routes met een bepaald kwaliteitsniveau ook belangrijke voorzieningen weergeven, doordat de zoomfunctie de voorzieningen duidelijk laat zien. Namelijk; treinstations, belangrijke bushaltes (meer dan één buslijn), onderwijslocaties (basis / middelbaar / voortgezet / MBO / HBO / Universiteit en speciaal basisonderwijs), kinderdagverblijven en naschoolse opvang en evenementenlocaties. Deze voorzieningen zijn essentieel voor het dagelijks leven of trekken, zoals evenementenlocaties, veel bezoekers. Bovendien kan in de interactieve versie van de kaart toegankelijkheidsgebieden hoog per type gebied worden in- of uitgeschakeld. Hierbij is onderscheid gemaakt in onderwijsgebied (en campus), stadscentrum, stationsgebied, wijk/winkelcentra en zorggebied.
11
5. Nijmeegse visie op toegankelijkheid In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe gemeente Nijmegen omgaat met toegankelijkheid. In dit handboek zijn normen voor toegankelijkheid opgenomen. Het is niet altijd mogelijk om aan de normen te voldoen, omdat dit afhangt van het project of de wenselijke situatie. We beschrijven hoe bepaalde zaken, concepten en gebieden invloed hebben op toegankelijkheid en hoe hiermee rekening kan worden gehouden. Dit noemen we de visie van Nijmegen op toegankelijkheid.
Hoogteverschillen De gemeente Nijmegen heeft te maken met hoogteverschillen. Dat komt door de ligging aan de Waal en de stuwwal. Het centrum van Nijmegen ligt op een heuvel. Daardoor zijn er hoogteverschillen tussen het centrum en de lager gelegen delen van de stad, zoals het Waalstrand. Dit kan lastig zijn voor toegankelijkheid. In dit handboek staan normen voor hellingen, trappen, liften en valbeveiliging. Op de plattegrond op pagina 12 zie je waar basis en hoge kwaliteitseisen passend zijn. Niet alle hoogteverschillen kunnen worden opgelost. Steile straten, zoals de Stikke Hezelstraat, worden niet vlak gemaakt en er komt geen lift, omdat dat niet mogelijk is. Wel is er een alternatieve route om alsnog aan de onderzijde van de straat te kunnen komen.
Shared Space De gemeente raadt het toepassen van Shared Spaces principieel af. Een Shared Space is een gebied waar voetgangers, fietsers, auto's en andere gebruikers samen de ruimte delen zonder verkeersborden en wegmarkeringen die aangeven wie voorrang heeft of welke richting men op moet. Mensen moeten in een Shared Space zelf goed opletten en verantwoordelijkheid nemen, wat voor veel mensen uitdagend kan zijn door het ontbreken van duidelijke regels en structuren. Een belangrijk bezwaar tegen Shared Spaces is dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van specifieke gebruikersgroepen. Bij grote drukte, wanneer je als wandelaar bijvoorbeeld te maken krijgt met veel fietsers die oversteken en auto’s en bussen die elkaar kruisen, kunnen mensen problemen ervaren en hun weg moeilijk vinden. Zij voelen zich onveilig in Shared Spaces en vermijden deze vaak bewust. Een betere situatie voor de toegankelijkheid is het scheiden van gebruikersgroepen, bijvoorbeeld door aparte fietspaden aan te leggen. Soms is dit echter niet mogelijk. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan gemotiveerd van dit principe worden afgeweken (zie pag. 23). In die gevallen moet worden voldaan aan de uitgangspunten uit de CROWpublicatie 'Toegankelijkheid in Shared Space’. Op de volgende pagina staan enkele uitgangspunten uit de CROW-publicatie.
12
Een Shared Space is zeker niet geschikt op de volgende locaties: • Shared Spaces moeten niet op doorgaande route toegepast worden (maar voor bestemmings- of verblijfsdoeleinden); • Een gebied met een hoge auto-intensiteit of een gebied waar auto’s dominant zijn; • Een gebied waar hoge snelheden gelden. Geschikte snelheidslimieten liggen rond 30 km/u met een voorkeur voor lagere snelheden, als 15 km/u (CROW, 2023a). Enkele uitgangspunten hieruit waar in ieder geval rekening mee dient worden gehouden: • Overzicht en herkenbaarheid: denk aan zichtlijnen, ondergrond, herkenningspunten en verlichting; • Safe Spaces: Belangrijk voor mensen met visuele en cognitieve beperkingen. Dit zijn zones waar voetgangers zich vrij kunnen bewegen en ook de tijd hebben om een situatie langer waar te nemen; • Korte oversteeklengtes (CROW, 2023a).
Groengebied Gemeente Nijmegen wil dat dichtbij elk huis een aantrekkelijke omgeving is. Dit betekent dat elke wijk groen, water, natuur, en ecologische verbindingen dient te hebben. Het doel is dat deze plekken mensen uitnodigen om elkaar te ontmoeten, te spelen, te bewegen en te ontspannen. Elk groengebied moet minimaal één toegankelijke wandelroute hebben die voldoet aan de toegankelijkheidskenmerken van niveau 'Basis'. Dit zijn plekken zoals: • Speelplaatsen: Iedereen heeft de mogelijkheid om in de buurt van zijn of haar huis te kunnen spelen. Speelplekken zijn speciaal ontworpen gebieden waar kinderen veilig kunnen spelen en zich kunnen uitleven. Om samen spelen mogelijk te maken, moet een speelplek aan de 100-70-50 regel voldoen: iedereen is 100% welkom, 70% van de speelaanleidingen is bereikbaar voor iedereen, 50% van de speelaanleidingen is te gebruiken voor ieder kind en zorgt voor ontmoetingen en samen spelen (samenspeelnetwerk, n.d.). Speelplekken moeten ook toegankelijk zijn voor ouders en verzorgers met en zonder beperking. Zie normentabel P Speelplaatsen) • Ontmoetingsplekken: Hierbij zijn met name rustpunten en zichtbaarheid van belang. In dit handboek staan normen voor rustpunten, zoals zitmogelijkheden. Rustpunten zorgen voor ontmoetingen en maken routes makkelijker te gebruiken.
Ze dragen ook bij aan de sociale veiligheid, omdat er meer mensen op straat zijn (‘ogen op straat’). • Recreatiegebieden: Hier moeten voorzieningen zijn, zoals zitplekken en toegankelijke toiletten. Deze moeten bereikbaar zijn via een toegankelijke route en de voorzieningen zelf moeten ook voldoen aan de toegankelijkheidseisen.
Verblijfsgebied / Winkelgebied Gemeente Nijmegen heeft als ambitie (omgevingsvisie) het maken van sterke wijken met een mix van wonen en passende, goed bereikbare en toegankelijke voorzieningen en werken met een fijnmazig buurt- en wijkwinkelcentra. Dit is van belang voor de toegankelijkheid, omdat zo belangrijke voorzieningen dichtbij en toegankelijk zijn. In een verblijfsgebied, zoals een winkelgebied, zijn vaak veel voorzieningen dicht bij elkaar. Daarom zijn er meer voetgangers dan op een normaal voetpad. Voetgangers in een winkelgebied hebben ook ander gedrag. Er zijn verschillen in tempo, mensen bewegen in verschillende richtingen en maken onverwachte bewegingen of staan stil.
13
De verkeersstromen gaan kriskras door elkaar en mensen dragen vaak tassen of hebben wagens bij zich. Om voor al deze bewegingen ruimte te maken, zijn andere normen nodig dan voor een gewoon voetpad. In verblijfsgebieden dient de maatvoering te worden aangepast aan hogere intensiteiten en verschillende loopstromen (zie voor meer informatie de CROW Ontwerpwijzer voetgangers). Drukke gebieden, zoals een winkelstraat, dienen te worden ingericht als voetgangersgebied. Wel is het belangrijk dat mensen met een beperking een vervoersmiddel op een passende afstand bij de bestemming kunnen parkeren (zie normentabel M gehandicaptenparkeerplaatsen en Beleidsregels Parkeren 2025) en een OVhalte bereikbaar is. Ook is het belangrijk dat verblijfsgebieden goed bereikbaar blijven met de fiets. Er zijn bepaalde straten in het centrum waar voetgangers en fietsers beide welkom zijn, dit is met borden aangegeven. Als fietsers door een voetgangersgebied mogen, moeten ze zich aanpassen aan de voetgangers, bijvoorbeeld door voorzichtig te fietsen met lage snelheid of door te lopen met de fiets aan de hand. In sommige binnensteden is fietsen alleen toegestaan buiten de openingstijden van de winkels. Zoals beschreven in Shared Space is het wenselijk om verkeersstromen te scheiden.
Een aandachtspunt voor de toegankelijkheid in winkelgebieden is dat winkeleigenaren vaak de openbare ruimte gebruiken voor reclame of koopwaar. Deze ruimte gaat vaak ten koste van de ruimte voor voetgangers. Ook terrassen, 'wild geparkeerde' fietsen, het laden/lossen, of deelvervoer kunnen een obstakel vormen in de looproute. Daarnaast kunnen hierdoor gidslijnen wegvallen. Gidslijnen zijn natuurlijke of aanwezige structuren die helpen om de plaats en richting te bepalen. De gidslijnen moeten ook vrij van obstakels zijn om gebruikt te kunnen worden (zie normentabel B Routegeleiding voor meer informatie). Bij het ontwerpen van winkelstraten is het belangrijk om zones te maken: een zone voor uitstallingen en een brede obstakelvrije loopzone. Met bestrating kan worden aangegeven welke zone bedoeld is voor uitstallingen.
Figuur 2 Duidelijke obstakelvrije doorloopruimte creëren
14
Plein De inrichting van pleinen is erg gevarieerd. Soms staan er veel objecten, zoals terrassen, een markt of een evenement en soms is het plein bijna leeg. Veel pleinen hebben een combinatie van verblijfsplekken en looproutes. Een belangrijk aandachtspunt op pleinen zijn de looproutes. Anders dan op voetpaden, waar iedereen dezelfde kant op loopt, kan je op een plein in verschillende richtingen lopen. Het is vaak moeilijk om een duidelijke route te hebben. Visuele herkenningspunten en goede zichtlijnen helpen mensen een route te kiezen en het overzicht te houden. Dit kan bijvoorbeeld helpen bij het vinden van de ingang van een belangrijk gebouw of het begin van een straat. De hoofdroute(s) moet ook visueel toegankelijk zijn, dus zichtbaar en voelbaar. Looproutes kunnen aangegeven worden met een andere kleur en/of soort bestrating of met borden. Een rij bomen of lantaarnpalen kan ook een route markeren.
Openbaar vervoer OV-knooppunt: Een openbaar vervoer-knooppunt is een plek waar reizigers makkelijk kunnen overstappen tussen verschillende vervoersmiddelen. Toegankelijkheid is heel belangrijk bij het ontwerpen en inrichten van een OV-knooppunt. Omdat er veel reizigers en vervoersdiensten samenkomen, kan het gebied ervaren worden als druk en vol prikkels. Daarom is het belangrijk om een duidelijke structuur en uniformiteit in dit gebied te hebben. Geleidelijnen, toegankelijke gebruiksobjecten en de zichtbaarheid van obstakels zijn belangrijk. Daarnaast is een aandachtspunt bij een OV-knooppunt de samenwerking tussen verschillende eigenaren en goed beheer. Het is belangrijk om over de projectgrenzen heen te kijken. Bushalte: Haltes moeten aan eisen en normen voldoen om deze zo toegankelijk mogelijk te maken. Denk hierbij aan een uniforme inrichting, zichtlijnen, kleur- en materiaalgebruik en bankjes. Bij het aanleggen van nieuwe haltes moet je rekening houden met de bereikbaarheid vanuit de omgeving (woongebieden) en de bereikbaarheid van de halte zelf. Denk hierbij ook aan de aansluiting op geleidelijnen en de informatiepalen voor de tactiele toegankelijkheid voor mensen met een visuele beperking. Een bushalte is te herkennen aan een haltepaal. Sommige haltes hebben ook een abri (bushokje), zodat reizigers beschut kunnen wachten.
Als er een abri aanwezig is, moet deze toegankelijk zijn. Een busperron is het verhoogde gedeelte van de bushalte waarmee busreizigers comfortabel in en uit kunnen stappen. Bij een bushalte in de buurt van een gezondheidsvoorziening moet extra aandacht zijn voor de bereikbaarheid naar de bestemming toe.
15
6. Toegankelijkheid in projectfasen Toegankelijkheidseisen kunnen verschillend en soms tegenstrijdig zijn. Daarom is het belangrijk om naar de context en omgeving te kijken om te bepalen aan welke toegankelijkheidseisen moet worden voldaan. Bij een project moeten belanghebbenden in een vroeg stadium bij het proces betrokken worden.
Projectstappen Hieronder staan de projectstappen uit het Handboek Projectmatig Werken van de gemeente Nijmegen (2024) kort samengevat. Het kaderstellend document 'Participatie Nijmegen 2025’ legt uit hoe participatie bij gemeenteprojecten werkt. In de volgende paragraaf worden de fasen uitgelegd, met speciale aandacht voor hoe toegankelijkheid binnen de projectfasen gegarandeerd kan worden. •
•
•
•
•
•
Initiatieffase: In de initiatieffase wordt de projectopdracht gemaakt. In de startnotitie worden de randvoorwaarden vastgesteld. Hierin staan de participatieen de communicatiestrategie. Definitiefase: Tijdens de definitiefase wordt het programma van eisen en het concrete projectplan van het project gemaakt. In het projectplan staat beschreven wat het projectresultaat is en hoe het project uitgevoerd wordt. In deze stap wordt het participatieplan geschreven. Ontwerpfase: In de ontwerpfase wordt via schetsontwerpen gewerkt naar een definitief ontwerp (DO). Dit DO wordt getoetst aan het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR), waarin de toegankelijkheidsnormen staan opgenomen. Voorbereidingsfase: In de voorbereidingsfase wordt het DO vertaald naar een overeenkomst. In de overeenkomst staat beschreven wat de aannemer/opdrachtnemer moet gaan leveren (projectresultaat) en tegen welke voorwaarden. Realisatiefase: In de realisatiefase wordt het werk uitgevoerd. Na de realisatie wordt het werk overgedragen aan de beheerafdeling. De projectleider noteert de voortgang en afwijkingen van het projectplan in een voortgangsrapportage en bespreekt deze regelmatig met de opdrachtgever. Nazorgfase: In deze fase ligt de nadruk op een zorgvuldige afronding van het project. Dit omvat communicatie na de uitvoering, het maken van een beheer- en onderhoudsplan, en monitoring en evaluatie.
16
Uitvraag Bij uitvragen van de gemeente over nieuw te ontwerpen gebouwen, bouwwerken en inrichtingstrajecten voor publiek gebruik wordt de volgende uitspraak opgenomen: Gemeente Nijmegen stelt ontwerpen voor iedereen, in de geest van het VN-verdrag Handicap', als leidend principe bij alles wat we als gemeente aanbesteden, herinrichten, ontwikkelen en bouwen in de openbare ruimte voor publiek gebruik.
Participatie in projecten Participatie in projecten betekent dat bewoners, belangenorganisaties, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken bij het maken van plannen en nemen van beslissingen, vooral bij het inrichten van gebieden. Dit helpt om betere resultaten te bereiken. Participatie kan variëren van meepraten en adviseren tot actief meebeslissen. Dit kan in projecten in de bestaande omgeving of nieuwbouw projecten. Bij nieuwbouw projecten kunnen eventueel de toekomstige bewoners bevraagd worden of bewoners uit de omgeving. Door de nieuwe Omgevingswet is dit steeds belangrijker geworden. In het project moet aangegeven worden hoe er is geparticipeerd en wat de resultaten zijn. Het blijft een uitdaging om participatie echt inclusief te maken. Het gaat onder andere om praktische zaken, zoals de toegankelijkheid van locaties en informatie. Daarnaast is ook sociale toegankelijkheid is ook cruciaal: alle betrokkenen moeten zich welkom voelen om deel te nemen aan het participatieproces. Iedereen moet de kans krijgen om mee te doen en invloed uit te oefenen. De volgende punten zijn belangrijk voor elke fase van een project en zijn de basiseisen voor toegankelijke participatie. Het is belangrijk om belanghebbenden op tijd te informeren, zodat ze voldoende tijd hebben om te reageren.
Afhankelijk van het participatieniveau (zoals informeren of samenwerken) kan de initiatiefnemer deze reacties in zijn plannen verwerken. Zorg er ook voor dat de digitale of schriftelijke communicatie in begrijpelijke taal is (Nederlands B1), het lettertype groot genoeg is en dat de tekst, afbeeldingen en figuren een goed helderheidscontrast hebben. Tabellen, figuren en afbeeldingen moeten bij digitale communicatie beschikken over een duidelijke omschrijving (ALT-tekst) zodat mensen met een visuele beperking het ook kunnen begrijpen. Een certified pdf en een Excelbestand kunnen niet gebruikt worden door voorleesapparatuur en worden daarom afgeraden. Om de communicatie toegankelijk te maken kan de toegankelijkheidscontrole / toegankelijkheid assistent in Word, Excel en PowerPoint helpen.
Participatie kwaliteitsniveau basis Eisen voor participatie die bij elk project minimaal moeten gebeuren om de basiskwaliteit van toegankelijkheid te garanderen zijn hieronder aangegeven per fase:
Initiatieffase Stel de mate en de kaders vast waarin geparticipeerd wordt en informeer en betrek de stakeholders tijdig.
17
Definitiefase Geef een overzicht van de huidige toegankelijkheid en benoem sterke en zwakke punten. Hierop kan het gewenste eindresultaat voor toegankelijkheid in de openbare ruimte gebaseerd worden. Toets dit eindresultaat en de toegankelijkheidseisen vanuit het programma van eisen met het HIOR. Start het participatieproces aan het begin van deze fase. Het is belangrijk om duidelijk verwachtingen te stellen; het participatieniveau en ieders rol en houding moeten voor iedereen duidelijk zijn om problemen later te voorkomen. Afwegingen worden beschreven in het participatieplan. Zie voor meer informatie: Participatie Nijmegen 2025. Houd bij het participatieproces rekening met hoeveel kennis iedereen heeft over het project. Als participanten een beperking hebben, moet hier rekening mee worden houden in het participatieproces. Denk bijvoorbeeld aan de bereikbaarheid van de locatie waar een sessie plaatsvindt en de voorzieningen.
Ontwerpfase Houd in deze fase rekening met hoe ontwerpkeuzes de toegankelijkheid beïnvloeden en wie verantwoordelijk is voor het beheer daarvan. Dit handboek geeft aan welke normen moeten worden voldaan om tot een toegankelijk ontwerp te komen. Daarnaast zijn de wensen en behoeft van de participanten ook belangrijk om mee te nemen in het ontwerp.
Voorbereidingsfase Informeer belanghebbenden over hoe lang de werkzaamheden duren, hoe ze verlopen en welke gevolgen er zijn, zoals omleidingsroutes. Zorg ervoor dat de omleidingsroutes helemaal toegankelijk zijn en houd de 5 B’s in gedachten (zie normentabel S Tijdelijke situaties voor meer informatie).
Realisatiefase Zorg dat de toegankelijkheid tijdens de realisatiefase gewaarborgd blijft, ook in tijdelijke situaties, zie normentabel ‘Tijdelijke situaties’. Als er iets verandert, informeer dan de belanghebbenden.
Nazorgfase Informeer belanghebbenden en gebruikers over de situatie na uitvoering. Leg uit waarom de situatie is veranderd, welke verbeteringen in toegankelijkheid zijn toegevoegd en waarom voor deze oplossingen zijn gekozen. Gebruik daarvoor werk- of klankbordgroepen, flyers, gemeentelijke informatiepagina's en (sociale) media, met aandacht voor digitale toegankelijkheid.
18
Beheer Na het project begint het beheer. Zorg dat het beheer- en onderhoudsplan eisen en inspecties bevat om de toegankelijkheid te garanderen. Denk hierbij aan Schoon (opruimen van zwerfvuil, verwijderen van graffiti), Heel (herstel kapot straatmeubilair) en Veilig (sociale controle). Geef indien nodig instructies aan handhavers en boa’s (Buitengewoon opsporingsambtenaren). Zorg er ook voor dat meldingen worden opgevolgd.
Participatie kwaliteitsniveau hoog Hoe groter de gevolgen van een idee/plan op de omgeving, hoe groter de cirkel van belanghebbenden en hoe uitgebreider de participatie dient te zijn. Voor een hoog kwaliteitsniveau van toegankelijkheid gelden de volgende participatie-eisen:
Initiatieffase Bij een hoge kwaliteit worden belanghebbenden altijd betrokken. Stel hiervoor een klankbord-, werkgroep- of projectgroep op. Deze groep heeft veel invloed en kan bijvoorbeeld advies geven, geraadpleegd worden voor specifiek advies of samenwerken (coproductie). Binnen de groep moet vanaf het begin af aan een ervaringsdeskundige, een inhoudsdeskundige en de opdrachtgever aanwezig zijn. De ervaringsdeskundige ziet de problemen, de inhoudsdeskundige geeft advies over hoe deze op te lossen, en de opdrachtgever heeft een vraag en zoekt advies voor de uitvoering van het plan. Voor een hoog kwaliteitsniveau kan het zijn dat één ervaringsdeskundige de diversiteit aan ervaringsdeskundigen niet representeren. Een expertpanel met verschillende beperkingen (lichamelijk, zintuigelijk en psychische kwetsbaarheid) is daarom wenselijk. Er is in dat geval een coördinator toegankelijkheid aanwezig om aan te vullen of om de rol van een ervaringsdeskundige over te nemen bij uitval, zodat deze doelgroep vertegenwoordigd blijft.
Definitiefase Dezelfde eisen gelden hier, als voor de basiskwaliteit. Denk hierbij aan het budgetteren van vergoeding voor ervaringsdeskundigen.
Ontwerpfase Bij het uitwerken van een projectplan is het belangrijk om scenario's te ontwikkelen waarin toegankelijkheid centraal staat. Participanten, inclusief een ervaringsdeskundige, geven hun feedback op deze scenario's. Na gezamenlijke keuzes kunnen experts het ontwerp verder uitwerken. Het is belangrijk om steeds opnieuw aanpassingen aan het ontwerp te kunnen doen om zo tot een Definitief Ontwerp (DO) te komen. De complexiteit van het project heeft invloed op het aantal werksessies. Door de nauwe betrokkenheid van de deelnemers is de kans groter dat het DO aansluit bij hun behoeften. Daarnaast is het belangrijk om in deze fase afspraken te maken over het gebruik van de eindsituatie, zoals met winkeliers over de plaatsing van reclameborden. Dit soort afspraken moeten al in deze fase gemaakt worden, omdat het belangrijk is voor het goed functioneren van de openbare ruimte. 19
Voorbereidingsfase Dezelfde eisen gelden hier, als voor de basiskwaliteit.
Realisatiefase Regel dat de participanten steeds betrokken blijven om toegankelijkheid te garanderen. Dit helpt onverwachte problemen op te lossen en voorkomt dat essentiële toegankelijkheidselementen verdwijnen. Daarom is het belangrijk om tijdens het hele proces zowel een inhoudsdeskundige als een ervaringsdeskundige in te schakelen en vast te leggen welke keuzes zijn gemaakt over toegankelijkheid. Zo wordt duidelijk wat de impact op toegankelijkheid is bij eventuele veranderingen.
Nazorgfase Maak afspraken met participanten voor evaluaties om het proces en de realisatie te bespreken. De evaluatie vindt intern en met gebruikers plaats via enquêtes, interviews, en locatiebezoeken (om hun ervaringen te onderzoeken). Deze vragen kunnen helpen bij de evaluatie: • Hoe komt toegankelijkheid terug in de nieuwe situatie? • Hoe hebben tijdelijke werkzaamheden de toegankelijkheid beïnvloed? • Zijn er veranderingen in het ontwerp of de uitvoering aangebracht door meldingen over toegankelijkheid? Zo ja, welke? • Hoe ging het participatietraject (ook in het kader van toegankelijkheid)? Indien er leerpunten uitkomen voor toekomstige projecten, deel deze intern. Beheer: gelden zelfde eisen als die bij de bovengenoemde basiseisen staan.
20
7. Normen De normen in dit handboek staan niet op zichzelf. Er is veel onderzoek gedaan en er is veel gecommuniceerd over hoe de openbare ruimte het beste ingericht kan worden. Het CROW, een landelijk instituut voor richtlijnen voor de openbare ruimte, heeft richtlijnen over toegankelijkheid opgesteld. Voor het maken van het handboek Toegankelijk Nijmegen is een werkgroep gevormd. Deze werkgroep bestond uit vertegenwoordigers van diverse beperkingen van het Zelfregiecentrum Nijmegen, ambtenaren van gemeente Nijmegen en Sweco. De richtlijnen van CROW en andere bronnen zijn door deze werkgroep aangepast naar de specifieke normen voor de gemeente Nijmegen. Voor details en specifieke uitwerkingen moeten specialisten en bouwkundigen de CROW-publicaties, gemeentelijke standaardmodellen en andere handboeken blijven raadplegen.
Gemotiveerd afwijken De normen in dit handboek vormen de basis. Soms is het echter niet mogelijk om deze normen volledig toe te passen, bijvoorbeeld bij het inrichten van een smalle straat waar een breed voetpad niet haalbaar is. Alleen met een goede reden mag je van de regels afwijken en moet je uitleggen waarom. Dit wordt "gemotiveerd afwijken" genoemd. Het is aan het bestuursorgaan om de belangen tegen elkaar af te wegen en te beslissen of een afwijking toegestaan is. Het bestuursorgaan kan variëren; dit kan een gemeentelijke ambtenaar zijn die een vergunning verleent voor een object op de weg, of de burgemeester die beslist over een terrasvergunning. Zij beoordelen of de afwijking adequaat is gemotiveerd. Als het college goede redenen heeft om af te wijken van normen, moet het de gemeenteraad hierover tijdig en duidelijk informeren, eventueel met scenario's. Indien er gemotiveerd afgeweken wordt van de normen in dit handboek, moet de projectleider de volgende stappen ondernemen en beschrijven in het voortgangsrapportage van het project:
Stap 1: Identificeer de noodzaak •
Is er een concrete zwaarwegende reden voor afwijking van de normen? Beschrijf de reden voor afwijking van de norm en de mogelijke gevolgen van de afwijking.
Is er een concrete zwaarwegende reden voor afwijking van de normen? • Ja ➔ Ga naar stap 2 • Nee ➔ Volg standaardnormen
Stap 2: Beoordeel alternatieven • •
Onderzoek alternatieven die de toegankelijkheid zoveel mogelijk behouden. Bespreek en kies een alternatief in samenwerking met ZRCN (Zelfregiecentrum Nijmegen) en eventueel andere stakeholders.
21
Stap 3: Documentatie • •
Documenteer de reden voor afwijking inclusief onderbouwing en mogelijke ontwerpscenario’s in het voortgangsrapportage Leg vast hoe het gekozen alternatief de oorspronkelijke waarden zo veel mogelijk behoudt.
Stap 4: Beoordeling •
Stuur het document ter beoordeling naar de bevoegde personen: a. Ambtenaar ruimtelijke ordening of mobiliteit. b. Eventuele commissies (bijv. commissie ruimtelijke kwaliteit, verkeerscommissie). c. College van B&W of gemeenteraad: bij ingrijpende projecten of wijzigingen in het omgevingsplan.
Stap 5: Publieke verslaggeving •
Maak de documentatie openbaar voor transparantie, zodat alle stakeholders inzicht hebben in de besluitvorming.
Stap 6: Monitoring en evaluatie • • •
Evalueer met ZRCN de situatie na implementatie. Monitor meldingen van stakeholders en de gemeenschap. Evalueer of er aanvullende maatregelen nodig zijn en pas indien nodig het ontwerp aan.
22
8. Specifieke normen per onderdeel Dit hoofdstuk richt zich op de normen die specifiek per onderdeel van de openbare ruimte gelden. De normen zijn als volgt ingedeeld; A. B. C. D. E. F. G. H. I. J. K. L. M. N. O. P. Q.. R. S. T.
Voetpad en trottoir Routegeleiding Voetgangersoversteekplaats Straatmeubilair en rustpunten Fietspad Fietsoversteekplaats Parkeervoorzieningen fiets Valbeveiliging bij hoogteverschillen Korte trappen en op- en afstapjes Trap Helling Bushalten Gehandicaptenparkeerplaats Plein / verblijfsgebied Park Speelplaatsen Reisinformatieborden Verlichting Tijdelijke situaties Toegankelijke laadinfrastructuur
Elk onderdeel wordt afzonderlijk behandeld met een beschrijving van het onderdeel en de belangrijke aandachtspunten. De eerste tabel van ieder onderdeel beschrijft de algemene normen. Het biedt een overzicht van de basisnormen die gelden voor het kwaliteitsniveau basis. De tweede tabel gaat in op de normen die nodig zijn om een hoge kwaliteit van toegankelijkheid te waarborgen. Hier worden de normen besproken die verder gaan dan de algemene normen en passen bij het kwaliteitsniveau hoog. Bovendien is bij bepaalde onderdelen een tabel te vinden over maatvoering en uitvoering. Deze tabel geeft de afmetingen en de aspecten die meegewogen moeten worden tijdens de uitvoering weer.
23
A. Voetpad en Trottoir Bijna iedereen gebruikt vrijwel dagelijks een looproute: van herkomst naar bestemming, als onderdeel van een ketenverplaatsing (bijvoorbeeld naar de bushalte, naar de fiets of naar de auto), bij het maken van een ommetje of verblijf buiten. Een looproute kan liggen op voetpaden (pad) en trottoirs (verhoogd voetpad), deze moeten toegankelijk ontworpen worden. Voetgangers hebben voldoende ruimte nodig om zich prettig te kunnen verplaatsen, om te passeren, om te manoeuvreren en om tijdelijk te verblijven. Als het gaat om voor voetgangers beschikbare ruimte, is het van belang te beseffen dat de breedte van het voetpad in de praktijk meestal niet overeenkomt met de ruimte die daadwerkelijk beschikbaar is om te lopen. Regelmatig staan er objecten op het voetpad die de loopruimte verkleinen. Hierdoor kan het voor iemand in een rolstoel of met een kinderwagen niet mogelijk zijn om via het voetpad naar de plaats van bestemming te komen. Wat kan leiden tot onveilige verkeerssituaties, omdat de obstakels vermeden worden door op het fietspad of de rijbaan te lopen.
A. Zien Verlichting
Stadsverlichting is normaal gesproken 3 tot 5 Lux. Waar men zich goed moet kunnen oriënteren en bij obstakels in de looproute is een verlichting nodig van minimaal 50 lux. Bij te bedienen gebruiksobjecten 200 lux. (zie voor meer informatie, normentabel R Verlichting).
Contrast
Bij hinderlijke objecten (fietsenrek, paaltje, parkeerautomaat etc.), overgangen en risicovolle situaties een contrast van minimaal LVR (Light Reflectance Value) 30 met de omgeving. Bij objecten in de looproute contrast op een hoogte tussen 1,40 m en 1,60 m. Dit in ieder geval toepassen bij objecten bij gids- en geleidelijnen. LVR is Light Reflectance Value en een maat voor licht reflectie. Een LVR van 0 is perfect zwart en 100 is perfect wit. LVR1-LVR2 = 30 is een goed contrast en LVR1-LVR2 = 20 is een aanvaardbaar contrast.
Tekens
Voor tekens uitgaan van RVV, NBD en gemeente-normen (zie ook normentabel Q (Reis)informatieborden).
C. Tasten Routegeleiding
Voorzie in het ontwerp zo veel mogelijk in gidslijnen het vrijhouden van de looproutes. Pas voorzieningen als geleidelijnen en markeringen toe bij ov-haltes, van ov-haltes naar publieke voorzieningen en bij een oversteeklocaties (met en zonder verkeerslichten). Geleidelijnen mogen alleen op voetgangersveilige locaties (geen periodiek autoverkeer door markten, kermissen, bevoorrading) aangelegd worden. Laat geleidelijnen aansluiten op de aanwezige gidslijnen (zie: Routegeleiding).
24
D. Verplaatsen Vrije doorloopruimte
Vrije doorloopruimte = 2,00 m breed (minimaal 1,80 m) Bij vernauwing over maximaal 10,0 m minimaal 1,20 m Bij puntvernauwing over maximaal 0,5 m bij voorkeur 1,20 m (minimaal 0,90 m).
Loophoogte
Vrije onderloophoogte op plaatselijke onderdoorgangen (onder luifels, reclame e.d.) minimaal 2,60 m. Incidenteel bijvoorbeeld bij een verkeersbord 2,20 m.
Helling
Bij helling de norm toepassen voor hoogteverschillen (zie: Normentabel K Helling).
Loopoppervlak
Stroefheid van loopoppervlak is minimaal 65 conform NEN 2873. Vlak loopoppervlak, oneffenheden zijn maximaal 5 mm hoog of diep Roosters e.d. maaswijdte minimaal 10 mm en maximaal 20 mm. Een belangrijk thema bij loopoppervlakte is herkenbaarheid. Dit kan op diverse manieren worden gerealiseeerd: door materiaal, kleurgebruik of een ontwerp.
Obstakels
Geen obstakels zoals straatmeubilair of fietsen en geen putten bij gids- en geleidelijnen, oprit of ingangen (0,60 m aan weerszijden van geleidelijnen vrij). Obstakels buiten de vrije doorloopruimte plaatsen.
Manoeuvreren
Manoeuvreerruimte rolstoel en scootmobiel = 2,10 m x 2,10 m
Loopsnelheid
Voetgangerslicht afstemmen op een verplaatsingssnelheid van minder dan 0,8 m/s.
Oversteken
Kruispunten oversteekbaar met manoeuvreerruimte voor scootmobiel 2,10 m x 2,10 m. Oversteekplaats zo situeren dat de oversteeklengte zo klein mogelijk is.
Afstand op- en afrit
Afstand op- en afritten: In alle trottoirs afritten na steeds een beperkte afstand. Dit is in ieder geval bij iedere oversteek. Pas hier lage trottoirbanden toe.
Oversteken opof afrit
Afritten voor oversteken bij kruispunten: trottoirs bij voorkeur voorzien van verlaagde trottoirbanden anders opritten met helling minder steil dan 1:10 en een breedte van minimaal 1,80 m. Recht tegenover elkaar aanleggen. Bij een oversteek ook geleidelijnen en waarschuwingsmarkering aanbrengen (zie: standaard detail tekening gemeente Nijmegen). Aanbeveling: opritten voor woningen ook aanleggen met helling minder steil dan 1:10 (dan zijn deze ook bruikbaar als afritten voor hulpmiddelen).
Afwateringsgoot en oneffenheden
Afwateringsgoot bij een op-/afrit niet dieper dan 1 cm en oneffenheden zijn maximaal 5 mm hoog of diep.
Scheiding fietspad
Scheiding tussen trottoir en fietspad/rijbaan uitvoeren met lage schuine rijwielbanden en in voldoende contrast (minimaal LVR 20). Bij aanliggend pad, niveauverschil van 0,08–0,12 m met rijbaan aanbrengen.
Fietssluis
Fietssluis bij voorkeur niet toepassen. Indien nodig is de afstand tussen de hekken breder dan 1,20 m, de overlap tussen de hekken minstens 0,60 m en de in-en uitgang minimaal 1,50 m.
E. Gebruiken Valbeveiliging
Adequate valbeveiliging afhankelijk van potentiële valhoogte (zie normentabel H Valbeveiliging bij hoogteverschillen).
Werkzaamheden
Bij werkzaamheden op trottoir duidelijke afbakening vóór, naast en achter de werkzaamheden (bijvoorbeeld een hek, geen lint) én een tijdelijke afrit aanbrengen. Zie voor meer informatie normentabel tijdelijke situaties).
25
E. Gebruiken Loopafstand
Afstand tussen zitgelegenheden is locatieafhankelijk. Op drukke routes en in parken is de afstand tussen bankjes of alternatieve zitgelegenheden minder dan 200 m. Op ander locaties, zoals woonwijken, zijn ook zitgelegenheden nodig, maar op een grotere afstand (zie normentabel D Straatmeubilair en Rustpunten).
Een route voor iedereen
Realiseer minimaal één route die over de gehele lengte goed toegankelijk is.
Hoge kwaliteit: Voetpad en trottoir A. Zien Routegeleiding
Voorzie in het ontwerp zo veel mogelijk in gidslijnen het vrijhouden van de looproutes. Pas voorzieningen als geleidelijnen en markeringen toe bij ov-haltes, van ov-haltes naar publieke voorzieningen en bij oversteeklocaties (met en zonder verkeerslichten). Geleidelijnen mogen alleen op voetgangersveilige locaties (geen periodiek autoverkeer door markten, kermissen, bevoorrading) aangelegd worden (zie: Routegeleiding).
D. Verplaatsen Vrije doorloopruimte
Vrije doorloopruimte = 2,00 m breed (minimaal 1,80 m) Bij vernauwing over maximaal 10,0 m minimaal 1,20 m Bij puntvernauwing over maximaal 0,5 m bij voorkeur 1,20 m (minimaal 0,90 m).
Op- en afrit
Trottoirverlaging met waarschuwingsmarkering en geleidelijn aanbrengen. Ter hoogte van de toegang van publiek aantrekkende voorzieningen alle trottoirs voorzien van opritten (zie: standaard detail tekening voor op- en afritten gemeente Nijmegen). Nog beter is natuurlijk het toepassen van lage stoepbanden in drukke centra.
E. Gebruiken Loopafstand
Maximaal 200 m tussen zitgelegenheden bij drukke gebieden (zoals winkelgebieden) en parken. Deze afstand geldt ook in heuvelachtig terrein, bij trappen en bij hellingbanen. Veel mensen willen op deze plekken uitrusten of ontspannen waardoor de kans dan een bank bezet is, toeneemt.
Standaard Detailboek Nijmegen Zie voor de juiste uitvoering van op- en afrit bij oversteekvoorzieningen het Standaard Detailboek 305 Drempels en uitritten: Verlaagde band t.b.v. oversteekvoorziening langs open verharding 306 Drempels en uitritten: Verlaagde band t.b.v. oversteekvoorziening langs gesloten verharding.
26
Figuur 3 Schematische weergave van de verdeling van de vrije en effectieve doorloopruimte (CROW, 2023)
Figuur 4 Minimale vrije hoogte in de openbare ruimte (CROW, 2023)
Figuur 5 Duidelijk onderscheid van stoep en weg (Alzheimer Nederland, 2024)
27
B. Routegeleiding Mensen met een visuele beperking maken, afhankelijk van verschillende omstandigheden, meer gebruik van tast, reuk en gehoor dan andere mensen. Behalve een taststok of herkenningsstok, hebben sommige mensen een geleidehond. Om zich op de tast en het eventuele restzicht te kunnen oriënteren maken zij gebruik van gidslijnen en geleidelijnen: •
•
(Natuurlijke) gidslijnen zijn zichtbare en voelbare lijnen die de reiziger veilig kan volgen zonder obstakels tegen te komen. Gidslijnen zijn herkenbaar door contrast of door een verschil in hoogte. Voorbeelden van gidslijnen zijn een muur, een groenstrook en in sommige gevallen een lijnafwatering. Een trottoirband kan doorgaans niet als gidslijn dienen vanwege veelvoorkomende obstakels zoals lantaarnpalen, bomen en verkeersborden. Vaak gaat een natuurlijke gidslijn over in een geleidelijn. Geleidelijnen zijn zichtbare (voldoende contrast) en voelbare lijnen op de grond die een gebruiker kan volgen met behulp van een taststok. Hoewel deze voorzieningen primair voor mensen met een visuele beperking zijn, profiteren ook andere voetgangers (bewust of onbewust) van de structuren en aanduidingen, bijvoorbeeld bij een oversteek.
Voorzie in het ontwerp zo veel mogelijk in ‘natuurlijke’ gidslijnen en het vrijhouden van de looproutes. Als er bruikbare en adequate gidslijnen zijn is de omgeving ‘goed leesbaar’ en zijn geleidelijnen niet nodig. Pas voorzieningen als geleidelijnen en specifieke markeringen alleen toe bij OV en van OV naar publieke voorzieningen. Daarnaast mogen geleideroutes alleen op voetgangersveilige locaties (ook geen periodiek autoverkeer door markten, kermissen, bevoorrading) aangelegd worden. Aandachtspunt bij gids- en geleidelijnen is dat deze op de juiste wijze en consequent worden toegepast en dat deze in verschillende gebieden netjes op elkaar aansluiten. Bij een ontbrekende aansluiting kunnen gebruikers de weg kwijtraken. Gids- en geleidelijnen mogen daarom niet onderbroken worden door bijvoorbeeld geparkeerde- of rijdende voertuigen of andere objecten. Daarnaast moet altijd over projectgrenzen heen wordt gekeken, ook als het naastgelegen gebied van een andere wegbeheerder is. Denk aan de aansluiting van openbaar gebied (gemeente) op een stationsgebied of een bushalte.
C. Tasten Routegeleiding
Uitgaan van gidslijnen, en daar waar een belangrijke route beter aangeduid moet worden geleidelijnen toevoegen. Een waarschuwingsmarkering en zo nodig geleidelijnen in ieder geval bij een (gevaarlijke) oversteek, bij op- en afritten, verkeerslichten, bushaltes en trappen.
Obstakels
Geen obstakels en putten bij gids- en geleidelijnen (aan weerzijden 0,60 m vrij). Gebruik voor routegeleiding geen kleuren die niet herkend worden of verwarring veroorzaken.
28
C. Tasten Gidslijn
Verschil in profiel, contrast of textuur voelbaar met voet of stok bijvoorbeeld bij gevel, lijngoot of plantsoenrand. Hoogteverschil minimaal 25 mm en bij voorkeur ≥ 0,05 m, bijvoorbeeld stoeprand of plantsoenband. Aanwezige gidslijn als oriëntatiemogelijkheid vrijhouden van obstakels zoals gestalde fietsen, uitstallingen en dergelijken. Minimaal 0,60 m vrijhouden.
Geleidelijn