CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

Besluitronde (raadsvergadering) 24 april 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021 -2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld) en Beeldkwaliteitsplan Zwanenpark (24/2024)28.060 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Juist willen we hier ook andere doelgroepen aantrekken en dus een hoger percentage in de betaalbare middencategorie om ook andere doelgroepen aan te trekken, dit in het kader van de ongedeelde stad met een goede mix van doelgroepen. Plan Zwanenpark past binnen de kaders van het woonbeleid.

4.3

Economische Zaken

Planvoornemen In gebouw H is een kleinschalige commerciële plint voorzien van circa 400 m2 BVO. Deze plint kan ingevuld worden met kleinschalige horeca, kleinschalige commerciële dienstverlening en lichte bedrijfsmatige activiteiten die vallen binnen milieucategorie 1. Buiten het winkelcentrum Dukenburg is er slechts beperkt horeca in dit deel van Dukenburg aanwezig. Door de omvang van de plannen kan dit gezien worden als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De horeca en de kleinschalige, commerciële dienstverlening en bedrijvigheid in dit plan past als zodanig binnen het beleid. In gebouw CD en gebouw EFG zijn ruimtes voor een maatschappelijke bestemming opgenomen. Indien gewenst is hierbij ondersteunende horeca onder voorwaarden mogelijk.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

31

Horeca In de "Horecanota Gastvrij Nijmegen" zijn beleidslijnen opgenomen voor het toestaan van nieuwe horeca. De volgende beleidslijnen zijn van toepassing: 

 

In de woonwijken heeft horeca in de eerste plaats een verzorgende functie. Horeca speelt een rol in de kwaliteit van de dagelijkse leefomgevingen in de wijken en buurten van de stad, soms als een risicofactor, maar veel vaker als een pluspunt. Horeca in woonwijken is voor veel bewoners een aantrekkelijk verrijking van hun wijk. Nieuwe horeca kan in de wijken worden toegestaan op voorwaarden dat deze kleinschalig van aard is en aanvullend op het reeds aanwezige aanbod. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het mogelijke nieuwe horeca toe te staan. Nieuwe horeca in nog te ontwikkelen gebieden komt tegemoet aan de behoefte bij de nieuwe bewoners of richt zich op een nieuwe doelgroep (toeristen).

Ondersteunende horeca Naast reguliere horeca kent Nijmegen ook ondersteunende horeca. In een ondersteunende horecagelegenheid wordt een beperkt deel van het totale oppervlak gebruikt voor het plaatsen van tafels en stoeltjes, waar mensen betaald iets kunnen consumeren. Het gaat om een functie met (planologisch) een andere hoofdfunctie dan horeca. Voorbeelden zijn een boekenwinkel met een koffiecorner of een museum met een restaurant. Voor ondersteunende horeca gelden de volgende voorwaarden: Ondersteunende horeca in de wijk bij bestemming* food-detailhandel non-food maatschappelijke detailhandel doeleinden en recreatieve doeleinden oppervlakte 20m2 / max. 25% 50m2 / max 25% max. 10% (maatschappelijke vvo doeleinden) max. 12% (sporthallen) sportveld** 150 m2 plus per extra veld, 75m2, met max. van 375 m2. * bron: Beleidsnotitie Ondersteunende horeca, najaar 2001 De gehanteerde oppervlaktematen betreffen de totale oppervlakte, binnenwerks gemeten, ten dienste van de ondersteunende horecafunctie, niet inbegrepen de daarbij behorende ruimten als opslag, keuken- en toiletruimten. Voor de binnenstad zijn inmiddels de voorwaarden voor ondersteunende horeca enigszins verruimd. Op basis van de ervaringen die hiermee zijn opgedaan worden de beleidslijnen voor de rest van de stad ook aangepast.

Kleinschalige commerciële voorzieningen Door ruimte te bieden aan consumentgerichte dienstverlening, kleinschalige en ambachtelijke ondernemingen wordt de lokale economie gestimuleerd. De voorzieningen moeten aansluiten bij wat past binnen het gebied. In het stadsdeelcentrum Dukenburg zijn al diverse voorzieningen aanwezig waarvan men ook gebruik kan maken. Detailhandel concentreren we in de reeds bestaande winkelcentra. Het gaat hier alleen om kleinschalige commerciële dienstverlening en lichte bedrijfsmatige activiteiten die vallen binnen milieucategorie 1.

32

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Bedrijvigheid in de zin van de Wet milieubeheer is die bedrijvigheid die onder het activiteitenbesluit valt en/of een omgevingsvergunning nodig heeft. In het nieuwe bestemmingsplan zal de toelaatbaarheid van bedrijven en bedrijfsactiviteiten gekoppeld worden aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten Model Nijmegen. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten in Nijmegen al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Hierbij zijn alleen de ruimtelijk relevante milieuaspecten waaronder geluid, geur, stof, gevaar, verkeer en visuele aspecten van belang. De Staat van Bedrijfsactiviteiten Model Nijmegen is een verbijzonderde afgeleide van de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Naast de afstandseisen uit de VNG-brochure moet uiteraard ook rekening worden gehouden met overige milieuhinder die aan de orde kan zijn bij bepaalde bedrijfscategorieën, waaraan speciaal overheidsbeleid en hierop gerichte jurisprudentie nadere invulling geven. Hierdoor wordt ook rekening gehouden met hinder die buiten de kaders van de VNG-brochure valt. Zwanenpark Binnen dit bestemmingsplan worden 460 woningen toegelaten en een klein deel wordt bestemd als gemengd. Binnen deze aanduiding gemend zijn alleen lichte bedrijfsmatige activiteiten toegestaan die vallen binnen milieucategorie 1.

Bij deze beperkte functiemenging aan de zijde van het Maas- Waalkanaal volstaan de reguliere eisen uit het bouwbesluit om in een adequate scheiding tussen de functie wonen en gemengd te voorzien. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat geborgd. Buiten de plangrens kan deze lichte bedrijvigheid geen invloed uitoefenen op de bestaande omliggende woningen gezien de beperkte richtafstand van 10 meter voor een categorie 1 activiteit. Zwanenpark wordt ontwikkeld aan het Maas-Waalkanaal tegenover het geluidgezoneerde industrieterrein Winkelsteeg. Momenteel is dit terrein in transitie naast een gemengd woonwerkgebied. In het Facetplan Geluidzone Winkelsteeg (9-3-2023) is de geluidzone gewijzigd vastgesteld. De 50 d(B)A contour van deze zone ligt voor een klein deel over het plangebied maar niet over een bouwvlak. De eerste lijn van dit plan aan het Maas-Waalkanaal en het spoor kan gekenmerkt worden als een gemengd gebied waar bij de woonbestemming tot aan 50 d(B)A aan geluidbelasting van industrielawaai toelaatbaar is. Het geluid van het spoor is dominant. Op het bedrijventerrein Winkelsteeg tegenover het plangebied geldt maximaal categorie 4.2 voor de daar aanwezige bedrijven. De categorie 4.2 bedrijven die zich op Winkelsteeg kunnen vestigen hebben een richtafstand van 300 meter tot aan een woonwijk en 200 meter tot aan een gemengd gebied.

In werkelijkheid is de afstand tot aan de woonbestemming iets kleiner dan 200 meter. De bedrijven op Winkelsteeg zijn echter gelimiteerd in het produceren van geluid met de cumulatieve geluidcontour. Enige hinder van industrielawaai is dus nu en ook in de toekomst niet te verwachten. Voor het aspect geur geldt dat er momenteel geen sprake van een geurbelasting op het plangebied. Toekomstige ontwikkelingen waarbij grote geurcontouren ontstaan zijn onmogelijk gezien het feit dat meerdere geurgevoelige objecten nog op kortere afstand van deze bedrijfsbestemmingen zijn gelegen waardoor geuremissies voldoende beperkt worden in het milieuspoor. Ook voor wat betreft het gevaaraspect zijn geen nieuwe risico's te verwachten die zich ontwikkelen tot over het plangebied. Nieuwe Bevi-bedrijven zijn op dit deel van Winkelsteeg uitgesloten.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

33

De bedrijven kunnen onmogelijk beperkt worden in hun huidige ontwikkelingsmogelijkheden door dit plan gezien het feit dat op de planlocatie al een geluid- en geurgevoelige bestemming aanwezig was. Hiervan hebben de bouwvlakken zelfs dichterbij het kanaal gelegen als in de huidige bestemming het geval is. Conclusie Op grond van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

4.5

Geluid

Op het voormalige ROC Zwanenveld, op de hoek van de spoorlijn Nijmegen C.S. – s'Hertogenbosch en het MaasWaalkanaal worden 460 woningen gerealiseerd. De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien bij nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet aanvaardbaarheid van deze functies worden beoordeeld en moeten hogere grenswaarden worden verleend. Aan de hogere grenswaarden kunnen voorwaarden gekoppeld worden om goed woonklimaat te garanderen. De hogere grenswaarden hebben geen betrekking op al bestaande woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen. Spoorverkeerslawaai De aanwezige stalenburg voor het spoorverkeer zorgt dat er sprake is van hoge geluidbelastingen op het bouwplan.

Daarom wordt geprobeerd om met een geoptimaliseerde bouwvorm zoveel mogelijk geluid te weren en te voorkomen dat de woningen te veel geluidhinder ondervinden. Er is gekozen voor de bouw van een langgerekt complex K en P van ca. 10 bouwlagen hoog parallel aan het spoor dat voor een natuurlijke afscherming van het railverkeerslawaai moet zorgen. Verder zijn in het binnengebied een aantal complexen van 3 tot ca. 6 bouwlagen gesitueerd. Twee complexen vormen een hoogte element van 13 bouwlagen (complex D) en 18 bouwlagen (complex H). Om effecten van de aanwezige geluidsbronnen op de geluidbelasting in de omgeving in beeld te brengen is door HaskoningDHV een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat ondanks alle voorzorgsmaatregelen om zo veel mogelijke natuurlijke afscherming te bewerkstelligen kan niet worden voorkomen dat geluid van het spoor langs en over de afschermende bebouwing van complex K en P het gebied intreedt. Niet voor alle appartementen kan aan de voorkeurswaarde van 55 dB ten gevolge van het railverkeerslawaai worden voldaan. Voor 69 woningen moet een hogere waarde worden verzocht van 56 tot en met 68 dB. Bij 40 van deze 69 woningen kan geen natuurlijke geluidluwe gevel worden bewerkstelligd. Voor 218 woningen wordt de maximale grenswaarde van 68 dB overschreden. Deze woningen moeten worden voorzien in dove gevel.

De woningen met dove gevel bevinden zich in complexen H, K en P. Bij 29 van deze 218 woningen kan geen natuurlijke geluidluwe gevel wordt bewerkstelligd. Voor in totaal 69 van de 454 te realiseren woningen kan geen natuurlijke geluidluwe gevel worden gecreëerd.

34

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

Momenteel loopt echter een procedure tot verlaging van de geluidproductieplafonds langs de spoorlijn Nijmegen C.S. – 's-Hertogenbosch. Als gevolg daarvan wordt de maximale geluidemissie van het spoor verlaagd met minimaal 4,5 dB. In het akoestisch onderzoek is daarmee rekening gehouden. Na de verlaging van de geluidproductieplafonds blijkt dat veel minder woningen met dove gevels uitgevoerd moeten worden. Bij 70 woningen (in complex K, P en H) is sprake van een overschrijding van de grenswaarde van 68 dB waardoor woningen met dove gevels gerealiseerd moeten worden. Voor 200 woningen moet een hogere waarde worden verleend tussen 56 en 68 dB. Voor 170 van deze woningen kan een natuurlijke luwe gevel worden bewerkstelligd. Bij 30 woningen is dat niet het geval. Voor 59 van de 70 woningen met een overschrijding van de maximale grenswaarde van 68 dB kan een natuurlijke geluidluwe gevel worden bereikt. Bij 11 woningen niet. Door de plafondverlaging neemt het aantal woningen dat aan de voorkeurswaarde van 55 dB voldoet toe. De maximale geluidbelasting bij de woningen neemt met minimaal 4,5 dB af. De gevel van complex H, K en P aan de zijde van het spoortalud voorzien zal worden van afdoende geluidwering van de gevel. Wegverkeerlawaai Naast het railverkeerslawaai is sprake van wegverkeerslawaai veroorzaakt door (voornamelijk) de Graafseweg/Wijchenseweg.

Bij 190 woningen sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB met een waarde van 49 tot maximaal 54 dB. Voor 184 woningen kan een natuurlijke gevel worden bewerkstelligd. Deze woningen zijn voornamelijk is complex K, P en H gelegen. In complex H zijn vooralsnog zes woningen gelegen die geen natuurlijke geluidluwe gevel bezitten. Er zijn geen overschrijdingen van de maximale grenswaarde van 63 dB. Bij 6 woningen in complex H die een hogere waarde van 52 dB ten gevolge van de Graafseweg/Wijchenseweg ondervinden ontbreekt een geluidluwe gevel en buitenruimte. Deze geluidluwe gevel en buitenruimte wordt geboden door voorzieningen in de vorm van een akoestische borstwering/verdiepingshoge afscherming die al moet worden opgericht ten behoeve van het railverkeerslawaai. Naast de besproken bijdrage van de Graafseweg/Wijchenseweg is er sprake van een geluidbelasting van de Wijchenseweg die ten noorden van het spoor zijn gelegen, de rondweg in Zwanenveld en de oostelijk gelegen lokale wegen aan de overzijde van het kanaal. In alle gevallen is de geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde. Cumulatief bedraagt het wegverkeer inclusief de Graafseweg/Wijchenseweg maximaal 60 dB (exclusief 5 dB ex artikel 110g Wgh). Maatregelen Omdat er sprake is van hoge geluidbelastingen bij de nieuwe woningen zijn mogelijke maatregelen onderzocht.

De voorkeursvolgorde voor het treffen van maatregelen ter beperking van de geluidbelasting is op de eerste plaats bronmaatregelen (bijvoorbeeld beperken aantal voertuigen, toepassen ander wegdek of verlagen rijsnelheid), vervolgens overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidschermen) en tot slot gevelmaatregelen. Bronmaatregelen De aanleg van geluidreducerend wegdek is vanuit civieltechnisch oogpunt (beheer, onderhoud en duurzaamheid) niet haalbaar binnen een afstand van circa 50 meter van een op kruispunt en rotonde en bij een beperkte lengte van het geluidreducerend wegdek. Deze verharding is minder bestand tegen wringend verkeer. Er treedt dan groot en snel kwaliteitsverlies op van het wegdek door afremmend en optrekkend verkeer. Aanleg van stille wegdekken over een kort wegvak is vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk. Op de Graafseweg/Wijchenseweg is al een geluidreducerend asfalt in de vorm van een dunne deklaag B aanwezig. Aangezien dit binnenstedelijk het asfalt met de hoogste geluidreductie is kan er geen verdere reductie worden bereikt.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

35

Het verlagen van de snelheid van 50 km/u naar 30 km/u levert ook een geluidreductie op. Echter, hierbij vervalt het huidige beschermingsniveau (vanuit de Wet geluidhinder) voor hoge geluidsniveaus. Daarnaast past een verlaging van de rijsnelheid niet bij de functie van de Graafseweg/Wijchenseweg (gebiedsontsluitingsweg) en bij de verwachte verkeersintensiteit. Ook doet de weg dienst als hulproute voor ambulance en brandweer en wordt gebruikt door openbaar vervoer, waarvoor een snelheid van 30 km/uur niet gewenst is. Deze maatregel is dan ook geen reële optie en is niet verder onderzocht. Het geluid van het spoor is opgebouwd uit een bijdrage afkomstig van treinverkeer op de aardenbaan en de bijdrage van de treinen op de stalenbrug. De raildempers alleen op de aardenbaan worden toegepast en is daar de maximale reductie 3 dB. Gezien de hoge geluidbelastingen afkomstig van het spoor blijven daarna nog aanvullende maatregelen noodzakelijk om het bouwplan voor de Wet geluidhinder te kunnen realiseren. De initiatiefnemer heeft mede vanwege deze argumenten besloten om een geluidafschermende bebouwing direct langs het spoor aan te brengen en alleen met aanvullende stedenbouwkundige maatregelen de geluidbelasting verder terug te brengen. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidscherm of -wal kan effectief zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen.

Geluidschermen zijn echter alleen mogelijk als er voldoende ruimte tussen de bron en de geluidgevoelige objecten is. Daarnaast kunnen schermen en wallen een ongewenste verkeerskundige of stedenbouwkundige barrière vormen. Geluidschermen zijn in deze specifieke stedelijke situatie moeilijk inpasbaar. Aangezien de stalen constructie van de spoorbrug door aanstoting van het spoorverkeer geluid gaat afstralen is het moeilijk om op de stalenbrug het treinverkeer af te schermen. Bij plaatsing van afscherming op de stalenbrug dienen de schermen flexibel te worden bevestigd om afstraling van de constructie via de schermen te voorkomen. Over het algemeen worden schermen daarmee minder effectief dan toegepast langs de aardenbaan. Afschermende maatregelen zijn ook financieel niet doelmatig. Gevelmaatregelen Als bovengenoemde bron- en overdrachtsmaatregelen niet uitgevoerd kunnen worden, is er tot slot het geluidniveau binnen het gebouw en eventuele geluidluwe gevels die het leefklimaat van de toekomstige appartementen bepalen. Het geluidniveau binnen is afhankelijk van de geluidisolatie van de gevels. De maximale geluidsniveau worden vastgelegd in het besluit hogere grenswaarden. In de woningen moet de zgn.

karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning ten minste gelijk aan het verschil tussen de vastgestelde hogere grenswaarden zonder aftrek en de binnenwaarde van 33 dB. Hogere grenswaarden Volgens het Nijmeegse hogere waarden beleid dient iedere woning, waar een hogere waarde voor het spoor (en het wegverkeerslawaai) nodig is, in bezit te zijn van een geluidluwe gevel en buitenruimte waar de geluidbelasting maximaal de voorkeurswaarde van het wegverkeerslawaai van 48 dB en van het railverkeerslawaai van 55 dB mag bedragen. Daarnaast geldt een voorwaarde dat bij een vast te stellen hogere waarde met een geluidbelasting van 58 dB de woning in het bezit dient te zijn van minimaal één slaapkamer aan een geluidluwe gevel. Voor beide situaties (zonder en met verlaging van de GPP's) is aangegeven dat met aanvullende maatregelen kan voldaan worden aan het gemeentelijk beleid.

36

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

In optie met verlaging van de GPP's wordt op de balkons bij 39 woningen (6 woningen in complex A, 9 woningen in complex B, 2 woningen in complex D, 6 woningen in complex K, 1 woning op de parkeerlaag K-park van complex K en 17 woningen in complex H), zo nodig, een akoestisch dichte borstwering of verdiepingshoge afscherming aangebracht. Voor twee woningen in complex D kan met een inpandige loggia zonder afscherming de geluidluwe gevel en buitenruimte gecreëerd worden. Vergelijkbare maatregelen zijn ook voldoende om in de optie zonder verlaging van de geluidproductieplafonds de geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte te creëren. Met deze maatregelen wordt in beide situaties voldaan aan het gemeentelijk beleid hogere grenswaarden. Op grond van bovenstaande wordt geconcludeerd dat bij de toekomstige woningen een acceptabel akoestisch leefklimaat gegarandeerd wordt. Trillingen Bij realisatie van nieuwe gevoelige bestemmingen langs het spoor bestaat een kans op trillingshinder. Omdat gebouwen P en K voor het grootste gedeelte op circa 40 m afstand van het hart dichtstbijzijnd spoor liggen is er door HaskoningDHV Nederland B.V. een onderzoek naar trillingshinder uitgevoerd (zie bijlage Memo Beschouwing aspect trillingen Zwanenveld Nijmegen, kenmerk 9S4713-102-101 /N001/D02, d.d. 4 oktober 2023).

De berekeningen van te verwachten trillingen bij de nieuwe woningen zijn gebaseerd op trillingsmetingen in het maaiveld en een worst case beschouwing voor de noordzijde van de gebouwen. Er is geconcludeerd dat de maximale trillingssterkte Vmax (0,19) in de woningen ten gevolge van de passages van de treinen voldoet naar verwachting aan de streefwaarde voor de nachtperiode A2 (0,2) voor woonfunctie. Op basis van de meetwaarde van de gemiddelde trillingssterkte Vper,meet voldoet gemiddelde trillingssterkte Vper in dag-, avond- en nachtperiode in de woningen aan de streefwaarde voor woonfunctie (A3=0,05). Hiermee voldoen de woningen op basis van het ontwerp aan de beoordelingssystematiek van de SBR B richtlijn “hinder voor personen in gebouwen” en er zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Er is geen trillinghinder in de nieuwe woningen te verwachten.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsing aan regelgeving Bij toetsing van een ruimtelijk plan op luchtkwaliteit moet conform regelgeving gelet worden op de volgende 2 aspecten: a. Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit. b. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit. Ad a. Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer titel 5.2 ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen. Deze betreffen de stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, fijn stof (PM10), koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, lood en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen overschrijdingen geconstateerd voor de stoffen NO2 en PM10. Het luchtkwaliteitsonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen. De grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet luchtkwaliteit zijn weergegeven in onderstaande tabel. De regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteitseisen is verder uitgewerkt in AMvB's en Ministeriële regelingen. Bij het faciliteren van ruimtelijke plannen moet volgens de Nederlandse wetgeving de verandering van de luchtkwaliteit door het plan worden getoetst.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

37

Tabel: luchtkwaliteit Jaargemiddelde grenswaarde NO2

norm 40 ìg/m3

ingangsdatum 1 januari 2015

Jaargemiddelde grenswaarde PM10

40 ìg/m3

1 juni 2011

Daggemiddelde grenswaarde PM10

max. 35 dagen/jaar > 50 ìg/m3

1 juni 2011

Een ruimtelijke ontwikkeling kan doorgang vinden indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: - de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; - de luchtkwaliteit door de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), of; - bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de ruimtelijke ontwikkeling, de luchtkwaliteit in een gebied rondom het project per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, of; - de ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in, past binnen, of is in elk geval niet strijdig met een vastgesteld programma zoals het NSL (Wm artikel 5.16.1.d), of; - er geen grenswaarden worden overschreden door de ruimtelijke ontwikkeling. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat blootstelling aan PM2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper in de longen door (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit van zijn daarom sinds 2008 grens- en richtwaarden voor PM2,5 opgenomen.

Voor PM2,5 geldt een Europese grenswaarde van 25 µg/m3 voor het jaargemiddelde. De WHO beschouwt deze grenswaarde als interimdoelstelling op weg naar een advieswaarde van 10 µg/m³ (WHO, 2006). Momenteel ligt een nieuwe EU-richtlijn voor luchtkwaliteit ter consultatie waarin nieuwe advieswaarden zijn opgenomen voor PM2,5; PM10 en NOx van respectievelijk 5 µg/m3, 15 µg/m3 en 10 µg/m3. Wat betreft de bijdrage van een plan aan de luchtkwaliteit is het Besluit Niet In Betekenende Mate Bijdragen (Luchtkwaliteitseisen) van belang, die gelijk met de wetswijziging van kracht is geworden. Plannen die niet meer dan 3% bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen in de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5. Het plan voorziet in de realisatie van een ongeveer 460 woningen. Deze ritgeneratie veroorzaakt geen verkeersaantrekkende werking die een verslechtering van meer dan 3% veroorzaakt. Uit de onderstaande berekening van de NIBM-tool blijkt dit. Het plan is daarmee NIBM.

38

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra NO2 in ìg/m3 verkeer PM10 in ìg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in ìg/m3

2024 460 2,0% 0,32 0,07 1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-inbetekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Ad b. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit. Op 16 januari 2009 is het Besluit “gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)” in werking getreden. Met deze AMvB wordt de bouw van zogenaamde gevoelige bestemmingen in de nabijheid van (snel)wegen beperkt. Het besluit heeft als doel het beschermen van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Over gemeentelijke wegen zegt het besluit niets en is derhalve geen beperking voor het plan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Ziekenhuizen, woningen, sportaccommodaties en horeca worden dus niet als gevoelige bestemming gezien. In 2020 lag de concentratie NO2 ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m3 . De prognose is dat dat in 2031 tussen de 14-16 µg/m3 zal zijn. Hier mee wordt ruimschoots voldaan aan de huidige grenswaarden maar nog niet helemaal aan de nieuwe WHO-waarden. Het plan heeft daar geen invloed op en er zijn geen gevoelige bestemmingen voorzien binnen het plan. Een woning is geen gevoelige bestemming. Ter plaatse van het plan worden de bestaande grenswaarden niet overschreden.

De nieuwe richtwaarden van de WHO worden nog wel overschreden. De gemeente Nijmegen heeft zich daarom gecommitteerd aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Dit is een soort vervolg op het eerdere NSL waarin het Rijk, de provincies en gemeenten inzetten op een verdere verbetering van de luchtkwaliteit. In het Schone Lucht Akkoord worden maatregelen voorgesteld voor de sectoren (weg)verkeer, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens. In het Schone Lucht Akkoord wordt de bijdrage van de luchtvaart aan emissies in Nederland en de bijbehorende gezondheidseffecten in beeld gebracht. Aanpak en maatregelen worden uitgewerkt in de Luchtvaartnota en de daaropvolgende luchthavenbesluiten. De volgende doelen en ambities zijn afgesproken in het SLA: 1. Partijen streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. 2. Partijen stellen als doel om landelijk in 2030 gemiddeld minimaal 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te behalen voor de negatieve gezondheidseffecten afkomstig van binnenlandse bronnen.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

39

3. Partijen onderschrijven de ambitie om in de sectoren (weg)verkeer, inclusief mobiele werktuigen, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens een dalende trend in te zetten van emissies van stikstofdioxide en fijn stof naar de lucht. 4. Partijen erkennen dat éénieder verantwoordelijk is voor de eigen bijdrage aan de doelstelling en dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van het akkoord en voor het bereiken van het doel. Luchtkwaliteit is geen beperking voor het plan.

40

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

4.7

Natuur - onderdeel Natura 2000 (stikstof)

Eind mei 2019 heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Raad van State heeft een streep gezet door het PAS. Iets specifieker: de Raad van State heeft geoordeeld dat het PAS niet meer gebruikt mag worden voor het geven van toestemming voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Er moet per geval een stikstofbeoordeling worden gemaakt om in beeld te brengen of wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens de stikstofstukken is de stikstofdepositietoename van deze ontwikkeling niet groter dan 0,00 mol/ha/jr (zie bijlage). Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn op voorhand uit te sluiten. De berekening heeft plaatsgevonden met de meest recente versie van Aerius (versie 2023.0.1 van 6 november 2023). De Wnb staat dus niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg.

4.8

Externe veiligheid

De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en door risicovolle transportroutes (Besluit externe veiligheid transportroutes, Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden binnen het invloedsgebied. De volgende risicobronnen liggen in het plangebied of hebben invloed op het plangebied.     

Het spoor van Nijmegen naar Den Bosch Het Maas- Waalkanaal Het bedrijf Antargaz op Winkelsteeg De routering vervoer gevaarlijke stoffen over de Wijchenseweg Een gasverdeelstation

Plaatsgebonden risico (PR): Onder het plaatsgebonden risico (PR) wordt verstaan de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een gevarenbron bevindt, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen van die bron. Voor het PR zijn grenswaarden voor (zeer) kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. De PR 10-6 contour geldt als een grenswaarde waarbinnen geen ontwikkeling van (zeer) kwetsbare objecten mogelijk is. De woningen zoals in het plangebied worden ontwikkeld zijn kwetsbare objecten. In opdracht van de ontwikkelaar heeft dGmr een EV-onderzoek (dd. 26 mei 2023) uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit blijkt dat geen enkel van bovenstaande risicobronnen een PR 10-6 contour over het plangebied liggen. Het PR is dan ook geen belemmering voor de planontwikkeling. Er ligt wel een gasverdeelstation binnen het plangebied met een veiligheidscontour waarmee rekening dient te worden gehouden. Deze staat ook al in het bestaande bestemmingsplan opgenomen. Groepsrisico (GR): verantwoording Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden bij ontwikkelingen in een invloedgebied van een risicobron. Het groepsrisico geeft de kans weer op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers binnen het invloedgebied van de beschouwde risicobron.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

41

Beleidsvisie externe veiligheid Nijmegen 2014 Veel externe veiligheidsbeleid is vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving, maar gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor de invulling en uitvoering daarvan. De beleidsvisie biedt de gemeente Nijmegen de mogelijkheid om op gestructureerde wijze keuzes te maken over externe veiligheid en met name in de samenhang tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid. Daarnaast biedt de beleidsvisie ook een platform voor een samenwerking tussen de afdelingen van de gemeente en bijvoorbeeld de hulpdiensten. Groepsrisicoverantwoording van het spoor Het betreffende spoor tussen Nijmegen en Den Bosch is onderdeel van het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen'. Over dit spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, artikel 8) is een groepsrisicoverantwoording noodzakelijk als een planontwikkeling geheel of gedeeltelijk binnen een afstand van 200 ligt van dit spoor. Het plan ligt in zijn geheel binnen de 200 meter vanaf het spoor. De risico's van het spoorvervoer van gevaarlijke stoffen op het plangebied zijn berekend. Uitgangspunt daarbij dat de bestaande situatie wordt vergeleken met de nieuwe situatie. In het bestaande bestemmingsplan is een maatschappelijke functie mogelijk en zijn diverse bouwvlakken aangegeven met een maximale bouwhoogte tot 15 meter.

Op grond hiervan is een maximale aanwezigheid van 6000 personen op een dag mogelijk. In de te ontwikkelen situatie zijn maximaal 460 woningen voorzien met daarnaast een beperkte commerciële en maatschappelijke functie. Dit leidt tot minder aanwezige personen overdag en tot meer in de nacht. In het rapport van de DGMR is de bestaande situatie waarbij het ROC al geruime tijd is vetrokken (met 0 aanwezigen binnen het te ontwikkelen plangebied) vergeleken met de nieuwe ontwikkeling. In figuur 3 van dit onderzoek wordt een lichte toename van het groepsrisico gerapporteerd maar blijft het groepsrisico onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Op grond hiervan is slechts een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. De woningen die worden gerealiseerd in het plangebied zijn kwetsbare objecten volgens de definitie van het Bevi. Volgens de Beleidsvisie externe veiligheid van Nijmegen (februari 2014) dient de groepsrisicoverantwoording 'zwaar' te worden uitgevoerd indien kwetsbare objecten worden gerealiseerd binnen de 200 meter contour van het spoor. De visie is echter opgesteld voordat het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking is getreden. Met dit Basisnet zijn de risico's langs het spoor aanzienlijk gereduceerd. Een van de maatregelen die destijds is doorgevoerd is het BLEVE-vrij rijden (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion).

Hierdoor is een scenario met een warme BLEVE vrijwel uitgesloten. Aanvullende maatregelen zoals bouwkundige maatregelen staan nu niet meer in verhouding tot het eventueel verder reduceren van het risico. In geval van zeer kwetsbare objecten dient voldaan te worden aan voorschrift 4.96 uit het Bbl. Groepsrisicoverantwoording Maas- Waalkanaal Het Maas-Waalkanaal is onderdeel van het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen'. Over dit kanaal worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, artikel 8) is een groepsrisicoverantwoording noodzakelijk als een planontwikkeling binnen 200 meter van het kanaal ligt. Dat is het geval. Uit eerdere berekening (bijlage Maas-Waalkanaal) van het groepsrisico ter hoogte van het plangebied blijkt echter dat het groepsrisico verwaarloosbaar klein is. Gezien de afname van het aantal personen in de dagperiode voor wat betreft de bestemde ruimte binnen dit bestemmingsplan en een beperkte stijging in de nacht is en blijft het groepsrisico verwaarloosbaar klein. Op grond van artikel 8 lid 2 van het Bevt is een nadere verantwoording van het groepsrisico dan niet nodig mede gezien het feit dat het plan niet voorziet in de ontwikkeling van zeer kwetsbare objecten.

Groepsrisicoverantwoording Antargaz Het bedrijf Antargaz valt onder het Besluit externe veiligheid (Bevi) vanwege de opslag van grote hoeveelheden propaan en butaan. In onderstaande figuur zijn de risicocontouren van het bedrijf weergegeven die behoren bij de vigerende vergunning (uit 2011). De rode lijn is de PR 10-6 contour en de zwarte lijn is het GR-invloedgebied. Bepalend voor het risico is met name de

42

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

verlading van tankauto's van en naar de 80 m3 opslagtank op de locatie die hiervoor is ingericht aan het Maas-Waalkanaal. Omdat de QRA (risicoberekening) van Antargaz ruim 10 jaar oud is en inmiddels meerdere nieuwe versies van het rekenprogramma Safeti zijn verschenen is een nieuwe berekening gemaakt van de risico's (zie bijlage Herberekening).

Het invloedgebied valt met een zeer klein deel over de ontwikkelgebieden van dit bestemmingsplan. Uit de berekening van het groepsrisico blijkt dat er geen toename is ten opzichte van de huidige situatie. De hoogte van het groepsrisico wordt volledig bepaald door de werknemers van omliggende bedrijven op Winkelsteeg. Om deze reden wordt hier afgezien van een verdere verantwoording van het groepsrisico. Nieuwe Bevi bedrijven op deze locatie zijn in het bestemmingsplan uitgesloten. Verantwoording groepsrisico routering vervoer gevaarlijke stoffen Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) heeft de gemeente Nijmegen in 2013 een 'Routering vervoer gevaarlijke stoffen' aangewezen. Deze routering heeft als doel om de risico's van dit vervoer beperkt te houden door het mijden van grote bevolkingsconcentraties langs de aangewezen route. De route dient er ook voor om de bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken te ontsluiten van en naar de snelweg.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

43

Bestaande routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen ter hoogte van plangebied Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, artikel 7 en 8) is een groepsrisicoverantwoording noodzakelijk als de ontwikkeling binnen 200 meter van de route wordt gerealiseerd. Het plangebied ligt op ongeveer 190 meter van de routering (Wijchenseweg). De dichtheid van het aantal personen binnen 200 meter van de route en het invloedgebied neemt dus bijna niet toe. Er is zelfs sprake van een afname van de dichtheid ten opzichte van de maximale huidige bestemmingsplan ruimte. Het is immers onwaarschijnlijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in de nacht plaatsvindt. Ook uit het scenarioboek van het NIPV (https://scenarioboeken.nipv.nl/tankwagen-lpg-koude-bleve/) blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat op deze afstand (>190 m) nog dodelijke slachtoffers vallen. Hier wordt dan ook verder afgezien van een groepsrisicoverantwoording. Gasdrukmeet en -regelstations. Op het terrein ligt een gasdrukmeet en -regelstation. De veiligheidscontouren hiervan zijn in het bestaande bestemmingsplan aangewezen en worden in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen met een aanduiding op de kaart en in de regels. Domino en cumulatie Bij het verantwoorden van de risico's in het plangebied wordt eerst gekeken naar alle individuele risicobronnen en de invloed daarvan op de omgeving.

Naast deze effecten en risico's kunnen er ook eventueel domino-, of cumulatie-effecten of -risico's zijn. Van een domino-effect is sprake indien er bijvoorbeeld door een explosie bij een bedrijf of tankauto een opslag van gevaarlijke stoffen bezwijkt en er daardoor dus meer risico ontstaat als in de situatie dat de risico's niet geclusterd zouden voor komen. Van cumulatie is sprake indien er meerdere invloedsgebieden van risicobronnen elkaar overlappen en daardoor objecten/gebouwen meer risico ondervinden dan ze zouden ondervinden indien er slechts blootstelling zou zijn aan één van de risicobronnen. In het plangebied zijn domino-effecten mogelijk maar zeer onwaarschijnlijk gezien de afstand tussen de diverse bronnen. Van cumulatie is sprake indien een plangebied binnen meerdere

44

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

invloedgebieden ligt van verschillende risicobronnen. Een groot deel van het plangebied ligt alleen maar in het invloedgebied van het spoor. Daarnaast ligt een deel in het invloedgebied van het kanaal waarvan de risico's verwaarloosbaar klein zijn. Binnen het plangebied is er dus geen sprake van cumulatie. Advies Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) Op 20 juli 2023 heeft de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid advies uitgebracht op dit plan (VRGZ kenmerk 2023-004382). De VRGZ geeft aan dat de bereikbaarheid en bluswatervoorziening in het plangebied voldoende zijn geborgd. Daarnaast onderschrijft de VRGZ bovenstaande conclusies. Conclusie Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de planontwikkeling

4.9

Ruimtelijke veiligheid

In de nabijheid van de planlocatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig (bron: Risicoregister Gevaarlijke Stoffen/Risicokaart, Provinciale signaleringskaart, scenarioboek Externe Veiligheid, de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Nijmegen). De planlocatie ligt:     

Binnen het invloedsgebied van het Bevi-bedrijf Antargaz B.V.; Binnen het invloedsgebied van het een basisnetroute spoor, te weten het spoortracé Nijmegen- 's- Hertogenbosch; Binnen het invloedsgebied van een basisnetroute water, het Maas-Waalkanaal; Binnen het invloedsgebied van een routeringsroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg via de Wijchenseweg; Binnen het invloedsgebied van een gasdrukmeet- en regelstation.

Plaatsgebonden risico Uit de EV-rapportage voor dit plangebied die opgesteld is door DGMR (Rapport: M.2022.0189.00.R001 van 26-05-2023): De hierboven genoemde risicobronnen hebben geen Pr 106 risicocontour die over het plangebied reikt, waardoor DGMR constateert dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plangebied. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is het met deze conclusie eens. Hieronder treft u per aanwezige risicobron een advies over bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid aan. Antargaz B.V. Bij het bedrijf Antargaz B.V. worden grote hoeveelheden propaan en butaan verladen en opgeslagen (brandbare gassen/brandbare tot vloeistof verdichte gassen). De routering van gevaarlijke stoffen naar dit bedrijf is terug te vinden in de paragraaf: "Routeringsroute van de gemeente Nijmegen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg". Antargaz B.V. valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er zijn nieuwe berekeningen gemaakt en er is een QRA opgesteld waaruit blijkt dat de risicocontour slechts voor een heel klein deel over het plangebied heen valt. Uit de risicoberekening komt naar voren dat het groepsrisico van de huidige situatie en in de geprojecteerde toekomstige situatie gelijk blijft.

Bovendien is de gemeente Nijmegen in gesprek om het bedrijf te verplaatsen naar een andere locatie vanwege de ontwikkelingen van het bestemmingsplan Winkelsteeg. De veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft geen bijzondere opmerkingen ten aanzien van deze conclusie gaat daarom niet nader in op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid van het

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

45

EV-scenario voor Antargaz B.V.. het spoortracé Nijmegen- 's-Hertogenbosch Het plangebied grenst aan het spoortracé Nijmegen- 's-Hertogenbosch op circa 39 meter vanaf het spoor en valt daarmee buiten het plasbrandaandachtsgebied (zone 1: 30 meter). Het plangebied valt binnen de (200 meter zone). Conform de Nijmeegse beleidsvisie externe veiligheid ten opzichte van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Nijmegen- 'sHertogenbosch. Aangezien de ontwikkeling daarmee automatisch ook in het invloedgebied conform het Besluit externe veiligheid transport ligt, geldt op basis van dit besluit een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Voor dit plan is een groepsrisicoberekening uitgevoerd waarbij er door DGMR een lichte toename van het groepsrisico is berekend, maar het groepsrisico onder de 10% oriëntatiewaarde blijft waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat. De VRGZ is wettelijk adviseur voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor het bestemmingsplan Zwanenpark spelen er 2 scenario's: - een ongeval met een ketelwagon met brandbaar gas, waardoor tot vloeistof verdicht gas explodeert (dit incident reikt qua effect tot ca 200 meter van het buitenste spoor); - een ongeval met een ketelwagon waarbij toxische gassen of vloeistoffen vrijkomen (dit incident reikt qua effect tot ca. 1500 meter).

Voor beide scenario's geldt dat de kans op optreden zeer klein is, maar het potentiële effect groot. Een ongeval met gevaarlijke stoffen ter hoogte van deze locatie kan tot grote potentiële aantallen doden en gewonden leiden, zowel binnenshuis als daarbuiten. Zoals ook al eerder aangegeven heeft de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid meermaals geadviseerd op de bereikbaarheid en bluswater- voorziening binnen het plangebied. Bestrijdbaarheid Voor alle scenario's geldt dat in eerste instantie de brandweer zijn inzet zal richten op het brongebied om te voorkomen dat het incident (met de ketelwagon) escaleert. De gemeente Nijmegen heeft in het verleden geïnvesteerd in bluswater en bereikbaarheid voor incidentbestrijding op het spoor. Zoals ook al eerder aangegeven heeft de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid meermaals geadviseerd op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening binnen het plangebied. Ook het aspect EV is meegenomen in onze adviseren over de onderwerpen bereikbaarheid en bluswater- voorziening. Ten aanzien van de huidige situatie is de bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten en bluswatervoorziening voldoende geborgd. Dit biedt dus mogelijkheden om de gevolgen van een incident wellicht te beperken, maar men moet zich realiseren dat dergelijke incidenten zich zo snel kunnen voltrekken dat de tijd hiervoor ontbreekt.

De bereikbaarheid moet gegarandeerd blijven tijdens de ontwikkelfase van het gebied. Gezien de afstand tot het spoor kunnen met name incidenten met brandbaar gas in potentie tot veel doden en gewonden leiden. Voor de laatste groep moet men er vanuit gaan dat in het eerste uur er onvoldoende capaciteit van ambulances beschikbaar is. Zelfredzaamheid Aangezien gebouwen binnen 200 meter van het spoor liggen, kan (zonder aanvullende maatregelen) m.n. een explosie op het spoor tot dodelijke slachtoffers zowel buiten als binnen het pand leiden. Voor ontruiming is het van belang dat vluchtroutes zowel in als buiten het pand wegleiden van het spoor. Bouwwerken die direct grenzen aan het spoor dienen bouwkundig en installatietechnisch op gebouwniveau beoordeeld te worden. Voor toxische scenario's is het uitgangspunt dat, mits ramen, deuren en ventilatieopeningen gesloten zijn, men in de eerste fase van het incident binnenshuis veilig is. Binnenshuis schuilen is dan het aangewezen handelingsperspectief. Mensen buiten lopen een veel groter risico op overlijden, zij zullen zo snel mogelijk binnenshuis moeten schuilen.

46

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

In het plangebied binnen de 200 meter zone worden geen zeer kwetsbare objecten (functies t.b.v. verminderd zelfredzame personen) gerealiseerd. Het Maas-Waalkanaal Ten oosten van het plangebied grenst het Maas-Waalkanaal aan de ontwikkeling. Het plangebied ligt (gedeeltelijk) binnen 200 meter zone van het Maas-Waalkanaal waardoor een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Uit eerdere berekeningen van de ODRN blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied verwaarloosbaar klein is. De VRGZ geeft aan dat het inderdaad een extreem kleine kans is dat dit scenario op kan treden, waardoor wij in dit advies niet nader ingaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Routeringsroute vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg gemeente Nijmegen De gemeente Nijmegen kent een routeringsroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De Wijchenseweg is hier onderdeel van en ligt op circa 190 meter vanaf de rand van het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk voor ontwikkelingen binnen de 200 meterzone van de aangewezen routeringsroute. Een klein gedeelte van het plangebied valt hier binnen. Vanwege de grote afstand t.o.v. het plangebied wordt er door de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid niet nader ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Dit vanwege de zeer kleine kans dat er op deze afstand dodelijke slachtoffers te verwachten zijn. Ook wordt het gebied afgeschermd door de hoger liggende spoorzone op de spoordijk en vormt hiermee een extra barrière. Daarnaast verwacht de ODRN een afname van de populatiedichtheid in de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige maximale bestemmingsplanruimte. Gasdrukmeet- en regelstation cat. B (kaststation) Binnen het plangebied (maar niet vermeld op de kaart van Atlas-leefomgeving) staat een gasdrukmeet- en regelstation cat. B. Vanuit het Activiteitenbesluit wordt 6 meter afstand tot kwetsbare objecten en 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten aangehouden. Deze afstanden worden gehanteerd (met die verstande dat de ontwikkelaar bezig is om alternatieve opties te onderzoeken zoals verplaatsing, toepassing bronmaatregel en sanering). De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft geen opmerkingen ten aanzien van deze risicobron. Domino en cumulatie De ODRN is in haar rapport naast de individuele risicobronnen ook ingegaan op de dominoeffecten en cumulatie. Daarbij is geconstateerd dat domino-effecten zeer onwaarschijnlijk zijn omdat het grootste gedeelte van het plangebied alleen binnen het invloedgebied van het spoortracé ligt. Cumulatie is niet mogelijk. Na beoordeling van de documenten is de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid het eens met deze constatering,

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

47

4.10 Bodemkwaliteit Het bestaande bestemmingsplan wordt gewijzigd voor een herontwikkeling. Het bevoegd gezag moet bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren over relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2 Awb). Het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, waaronder de bodem. Ook moet inzicht bestaan over de uitvoerbaarheid van het plan (artikel 3.1.6 Bro). Bodemverontreiniging kan hierop van invloed zijn. Daarom beoordelen wij de bodemkwaliteit in relatie tot het bestemmingsplan. Bodemkwaliteit  

Verkennend onderzoek NVN 5740 Zwanenveld 41e straat, Econsultancy bv, 06-12-2005, Rapportnummer 5146/05102470 Rapportage verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin, Zwanenveld, Econsultancy, 16 mei 2023, kenmerk 18087.005

Naar aanleiding van eerst genoemde verkennend onderzoek, bestond de wens om meerdere deellocaties nog eens extra te onderzoeken: Het betreft de volgende locaties: Deellocatie A, onverdacht terreindeel Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv):licht verontreinigd met koper, lood, zink en PAK Ondergrond (0,5 – 2,0 m-v) :licht verontreinigd met koper, lood, zink en PAK Grondwater:licht verontreinigd met kwik Deellocatie B, olie-/vetafscheider Bovengrond: geen bijzonderheden Grondwater: licht verontreinigd met arseen Deellocatie C werkplaats motorvoertuigentechniek Ondergrond: geen bijzonderheden-Grondwater: licht verontreinigd met chroom Deellocatie D werkplaats motorvoertuigentechniek Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): geen bijzonderheden Grondwater: licht verontreinigd met chroom en zink Deellocatie E: overige terreindelen Tevens is PFAS meegenomen in het nieuwste onderzoek (deellocatie F) en een stukje fietspad berm rechts aangrenzend van het gebied Deellocatie A: voormalige werkplaats mechanische techniek (verificatie) Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, plaatselijke bodembelasting, uitgezonderd ondergrondse opslagtanks" (VEP). In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen.

In de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. Deellocatie B: voormalige werkplaats motorvoertuigen techniek (verificatie) Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, plaatselijke bodembelasting, uitgezonderd ondergrondse opslagtanks" (VEP). In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. In de bovengrond zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. Deellocatie C: voormalig trafohuis Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, plaatselijke bodembelasting,

48

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

uitgezonderd ondergrondse opslagtanks" (VEP). Ter plaatse van de voormalige bebouwing is alleen een kruipruimte aangetroffen onder de betonvloer van het voormalige trafohuis. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. In de ondergrond (onder de kruipruimte) zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond Deellocatie D: overige voormalige bebouwing Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De boven- en/of ondergrond is plaatselijk zwak baksteenhoudend en/of zwak kolengruishoudend. Verder zijn in de boven- en ondergrond zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, kwik en/of lood. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood. De verontreinigingen zijn vermoedelijk (deels) te relateren aan de bodemvreemde bijmengingen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium of minerale olie. De metaalverontreiniging (barium) is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.

Voor de lichte verontreiniging met minerale olie in het grondwater heeft Econsultancy vooralsnog geen verklaring. Deellocatie E: overige terreindelen Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Ter plaatse van het zuidelijk terreindeel, direct naast een asfaltpad, is plaatselijk een repaclaag aangetroffen tot maximaal 0,4 m -mv. Vermoedelijk betreft dit de fundatie van het naastgelegen asfaltpad. Ter plaatse van deze laag is sprake van meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal, waardoor er geen sprake is van bodem. De laag is derhalve niet geanalyseerd ten aanzien van het standaardpakket grond. In de boven- en/of ondergrond (o,5-2,0 m-mv) van een groot deel van deellocatie E zijn in verschillende gradaties aardewerk-, asfalt-, baksteen-, beton-, dakpan-, kool- en puindelen, glas, houtskool, slakken, sintels, metaal en plastic aangetroffen. In een mengmonster van de bovengrond (MME4) is in eerste instantie een matig verhoogd gehalte lood aangetoond. Na uitsplitsing van het mengmonster zijn nog maximaal licht verhoogde gehalten lood aangetoond.

Verder is de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink, minerale olie, PCB en/of PAK. De verontreinigingen zijn vermoedelijk (deels) te relateren aan de bodemvreemde bijmengingen. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium. De metaalverontreiniging (barium) is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Deellocatie F: bovengrond gehele onderzoekslocatie (PFAS) Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een “verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een homogene verontreiniging op schaal van monsterneming” (VED-HO). De bovengrond is plaatselijk zwak asfalt-, baksteen-, glas- en/of kolengruishoudend. Plaatselijk is een licht verhoogd gehalte PFOS aangetoond (klasse wonen). In de overige mengmonsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

49

Deellocatie G: berm/groenstrook/fietspad (uitbreiding plangebied) Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van deellocatie G wordt later uitgevoerd. De verwachting is volgens oude rapporten niet dat dit verdacht is) Conclusie Op basis van het voornoemde verwachten we bij het realiseren van de gewijzigde bestemming geen onoverkomelijke maatschappelijke en financiële belemmeringen ten gevolge van een bodemverontreiniging. Ter plaatse van de onderzochte, terreindelen (deellocatie A t/m F) zijn in de grond géén aanwijzingen gevonden die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een (voormalige) stortplaats op de onderzoekslocatie. In het algemeen kan worden gesteld dat de grond en het grondwater ten hoogste licht verontreinigd zijn. De onderzoeksresultaten komen overeen met de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Gelet op de aard en mate van de aangetoonde verontreinigingen bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan er géén belemmeringen voor de bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie, alsmede de voorgenomen nieuwbouw.

4.11 Water De watertoets Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. Binnen het Besluit ruimtelijke ordening (21 april 2008) is de watertoets verankerd. Algemeen Op het terrein van het voormalige ROC Zwanenveld, dat in de wijk Dukenburg ligt, wordt woningbouw ontwikkeld. In 2007 zijn de voormalige gebouwen gesloopt. De fundering en vloerdelen zijn bij de sloop blijven liggen. Sinds 2007 is het terrein braakliggend. Het plan behelst het gebied tussen Zwanenveld, de Westkanaaldijk en het spoor in het noorden. In onderstaand figuur is het plangebied weergegeven.

50

bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021-2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld)

Figuur Ligging plangebied Het plangebied ligt in de wijk Zwanenveld en maakt deel uit van de waterhuishoudkundige inrichting van het gebied Dukenburg. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023 en de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' (2013) relevant. Er vinden wijzingen plaats als gevolg van de voorgenomen bestemming. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het Waterbeheerprogramma 20222027 Versterken Verbinden Vergroenen. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, maar het gebied grenst in het oosten en het westen aan oppervlaktewater. In het westen ligt het beginpunt van een A-watergang die in zuidwestelijke richting afwatert op de Nieuwe Wetering (zie figuur Waterschap Rivierenland). In het oosten overlapt het plangebied met de beschermingszone van de regionale kering langs het Maas-Waalkanaal (zie figuur Rijkswaterstaat). In de beschermingszone mag niet gebouwd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=f99170c4-c61e-49dc-95e7-0c9dd63c866c