Bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Tekst van het document
Variantenafweging voormalig Van Swaay terrein te Nijmegen, Tauw bv, R001-4329722ECL-V01-NL, 9-12-2004, 25. Notitie met resultaten bemonstering grondwater en oliekarakterisatie op de locatie Eerste Oude Heselaan 11 (voormalig van Swaaij terrein) te Nijmegen, Bioclear, 2006.2670, 78-8-2007, 26. Tussentijdse rapportage nul-monitoring van Swaaij terrein, Bioclear, 2006.2760/5885, 10-12-2008, 27. Tussentijdse rapportage nul-monitoring van Swaaij terrein, Bioclear, 2006.2760/6423, 31-10-2009, 28. Beheerplan van Swaaij terrein te Nijmegen, Bioclear, 20062670/7143, 3-12-2010.
3.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
35
Bovengenoemde onderzoeken/rapporten zijn in te zien via de milieuatlas van Nijmegen
Uit deze bodemonderzoeken blijkt het volgende: Verontreinigingssituatie vaste bodem De onderstaande beschrijving van de verontreiniging heeft voor wat betreft het van Swaay-terrein alleen betrekking op het plangebied.(het plangebied is weergegeven op de tekening Nijmegen Centrum-Stationsomgeving-5 (Fietsenstalling Westentree), 2-2-2021). Het plangebied is grotendeels gelegen op een deel van het voormalige Van Swaay-terrein gelegen. In een besluit van gedeputeerde staten heeft gedeputeerde staten in een besluit vastgelegd dat het van Swaay-terrein een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. De verontreiniging is ontstaan door de voormalige activiteiten van Van Swaay. Dit beslaat binnen het plangebied het terrein van het voormalige van Swaay-terrein. Dit deel (hierna in de tekst als geheel het Van Swaay-terrein genoemd) strekt zich uit van het spoortalud richting de Koninginnelaan maar de exacte grens van de verontreiniging is ter p[laatse van de huidige Fresiastraat richting de koninginnelaan slechts globaal in beeld. In de bovengrond (tot 1,5 m-mv) van het Van Swaay-terrein worden over dit hele gebied puin- en kooldeeltjes en slakken aangetroffen, plaatselijk ook tot op grotere diepte. De vaste bodem op het van Swaay-terrein is verontreinigd met kwik en PAK in matig tot sterk verhoogde concentraties (overschrijding van tussen- en interventiewaarde).
In het algemeen blijkt uit de onderzoeken dat in de bovenste meter de hogere kwik concentraties worden aangetroffen (meer dan 10 keer de Interventiewaarde). Naar de diepte toe nemen de concentraties met kwik af. Op 2,5 -3,0 m-mv worden lagere kwik concentraties aangetroffen tussen de achtergrondwaarde en de interventiewaarde. Plaatselijk wordt de kwik verontreiniging aangetroffen tot op 6-8 m-mv in de bodem. De Pak verontreiniging wordt plaatselijk tot 6 m-mv aangetroffen; Daarnaast zijn andere metalen (koper, zink en lood) en pcb's licht verhoogd aangetroffen. De verontreiniging met kwik heeft horizontaal de grootste omvang. Binnen het plangebied is de kwik verontreiniging horizontaal in westelijke richting, ter plaatse van de huidige ligging van de Fresiastraat niet volledig afgeperkt. In de zuidoostelijke hoek van het plangebied bevindt zich in de grond een Pak verontreiniging met concentraties boven de interventiewaarde. Deze verontreiniging wordt tot in het grondwater aangetroffen (zie hieronder). Verontreinigingssituatie grondwater De onderstaande beschrijving van de verontreiniging heeft voor wat betreft het van Swaay-terrein betrekking op het deel van deze verontreiniging dat zich ten zuiden van de Tunnelweg bevindt. Dit is groter dan het plangebied.
Het grondwater op de locatie is plaatselijk matig verontreinigd met arseen, licht verontreinigd met chloorfenolen en sterk verontreinigd met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), minerale olie en aromaten; op beperkte schaal is het grondwater sterk verontreinigd met kwik. Op het terrein worden twee kernen onderscheiden waar het grondwater sterk verontreinigd is met PAK en minerale olie. Een van deze kenen bevindt zich in de zuidoostelijke hoek van het plangebied. Deze kern is in zowel horizontale als verticale richting afgeperkt. De verontreiniging wordt niet beneden de kleilaag , die zich op 17-20 m-mv. bevindt, aangetoond. De tweede kern bevindt zich op het UWV-terrein. Ook hier is de grondwaterverontreiniging in horizontale en verticale richting afgeperkt. De verontreiniging wordt niet beneden de kleilaag , die zich op 17-20 m-mv. bevindt, aangetoond.
36
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
De uitgevoerde bodemonderzoeken zijn gedateerd (muv een bodemonderzoek) en ouder dan 5 jaar. Samengevat komt uit de bodemonderzoeken een vrij compleet beeld van de te verwachten bodemkwaliteit naar voren. De bodemonderzoeken zijn wel voor een groot deel gedateerd, dat wil zeggen ouder dan vijf jaar. Onlangs heeft er een actualisatie onderzoek plaatsgevonden (rapportnr 28 in het hierboven opgesomde overzicht van onderzoeken) dat ook een groot deel van het plangebied omvat. Het meest westelijk gelegen deel van het terrein is nog niet geactualiseerd. Bovendien is de verontreiniging met kwik in de vaste bodem naar het westen niet geheel afgebakend. Besluiten Wbb binnen het plangebied Er zijn een aantal beschikkingen genomen met betrekking tot de aangetroffen verontreiniging op een deel van het plangebied. Het gaat om de verontreiniging afkomstig van het voormalige van Swaay-terrein. In 1997 is door gedeputeerde staten een beschikking genomen op ernst en urgentie: Voormalig van Swaaij-terrein Nijmegen, kenmerk MW94.57264-6022005, d.d. 18 juni 1997. Hierin staat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering urgent is. De risico's voor de volksgezondheid worden niet overschreden. Ook zijn er geen actuele ecologische risico's. Wel raakt een bodemvolume van meer dan 1000m3 per jaar verontreinigd maar minder dan 5000 m3.
In het besluit is aangegeven dat een sanering binnen 4 jaar moet starten, uiterlijk in 2001. In het besluit is aangegeven dat maatschappelijke argumenten een reden kunnen vormen om de aanvang van de sanering op een later tijdstip te bepalen. Als gebruiksbeperkingen is in het besluit opgenomen dat het afsluitend hekwerk in stand moet worden gehouden en dat bij bronbemaling binnen de grenzen van de verontreiniging of in de directe omgeving rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het opgepompte water moet worden gezuiverd voordat het geloosd kan worden en dat voorkomen moet worden dat door bronbemaling de bodem ter plaatse opnieuw of verder verontreinigd raakt. Tegelijkertijd is een keuze gemaakt voor een saneringsvariant op basis van een ingediend saneringsonderzoek (Saneringsonderzoek fase 2 Van Swaay terrein Tunnelweg te Nijmegen, Tauw bv, november 1995). De gekozen variant heeft als doel voor het totale Van Swaay-terrein een IBC-eindsituatie (isoleren, controleren en beheersen) te bereiken. De aanpak bestaat uit een in-situ deelverwijdering van de mobiele PAK verontreiniging in de onverzadigde en verzadigde zone. Gestreefd wordt naar een eindige grondwater maatregel. Ter voorkoming van contact met verontreinigde grond wordt een leeflaag aangebracht.
Een nazorgplan wordt opgesteld voor het in stand houden van de leeflaag en om blijvend de ligging van de (niet-mobiele) grondwaterverontreiniging te controleren. De gekozen variant is uitgewerkt in een saneringsplan (Deelsaneringsplan fase I Van Swaay-terrein Eerste Oude Heselaan te Nijmegen, Tauw bv, 1-10-1999). Op 15 december 1999 heeft gedeputeerde staten in een beschikking ingestemd met de uitwerking van de saneringsaanpak. De sanering zou in twee fasen worden uitgevoerd. In de eerste fase worden maatregelen getroffen om blootstelling te voorkomen en worden maatregelen getroffen om verder verspreiding te voorkomen van de verontreiniging. In fase 2 worden de overige maatregelen uitgewerkt. De tweede fase zou starten in 2002. De maatregelen in de eerste fase bestonden uit het plaatsen (aanvullend) hekwerk om terreindelen af te sluiten; en de verwijdering van de mobiele PAK-verontreinigingen door middel van in-situ-maatregelen. Deze in situ maatregel is voortijdig gestopt omdat deze te weinig rendement had en er op grotere diepten buiten de invloedssfeer van het in situ saneringssysteem hoge gehaltes verontreiniging werden aangetroffen.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
37
Na aanvullend onderzoek in de periode van 2004 tot en met 2009 is er in 2010 een beheerplan opgesteld voor de grondwaterverontreiniging. Verwacht wordt dat de verontreinigingssituatie in het grondwater binnen 30 jaar tot een stabiele eindsituatie zal leiden. Dit plan is nu in uitvoering. Het betreft monitoring van de verontreinigingssituatie in het grondwater teneinde op termijn een stabiele eindsituatie te kunnen vaststellen. De uitwerking van fase 2, de aanleg van een leeflaag, heeft nog niet plaatsgevonden maar wordt afgestemd op de toekomstige ontwikkeling van het terrein. Op basis van het recente bodemonderzoek en het sluiten van de drinkwaterwinning Nieuwe markt kan een nieuw besluit worden genomen waarmee de grenzen van het geval worden aangepast en in plaats van urgentie, geen spoed wordt vastgesteld voor het geval van verontreiniging. Bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde bestemming Er staat vast dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Hierop is door gedeputeerde staten in 1997 een beschikking genomen op ernst en urgentie (kenmerk MW94.57264-6022005,). Een belangrijk gegeven is dat op basis van de bestaande bodemonderzoeken een groot deel van het plangebied sterk verontreinigd is. In 1999 is door gedeputeerde staten ingestemd met een saneringsplan. Dit wordt gefaseerd uitgevoerd.
De sanering van de eerste fase loopt. Fase 2, de aanleg van een leeflaag moet voor het plangebied uitgewerkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied. Het besluit op ernst en urgentie van 1997 staat toe dat verontreinigde grond overal binnen de grenzen van het geval herschikt mag worden. In dit kader moet een actueel en compleet overzicht van de bodemkwaliteit voorhanden zijn. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt herschikt op plaatsen waar de bodem minder verontreinigd is. Dat is in strijd met het stand-still principe. Mogelijk moet voorafgaand aan de ontwikkeling een nieuw besluit worden genomen. Dit lijkt vooralsnog niet noodzakelijk, mits de bodemkwaliteit voldoende gedetailleerd in beeld wordt gebracht. Er zijn verschillende saneringsmogelijkheden om de functies die in het plangebied worden mogelijk gemaakt te realiseren (de verontreiniging geheel ontgraven, aanbrengen van een leeflaag, het gehele gebied voorzien van een verharding/bebouwing, of combinaties hiervan). De saneringsaanpak heeft wellicht gevolgen voor andere aspecten. Daarom moet duidelijk zijn voor welke saneringsaanpak wordt gekozen en wat dat betekent voor de andere aspecten waarop wordt getoetst.
(Wat zijn de gevolgen van een saneringsaanpak waarbij wordt gekozen voor verharding en bebouwing voor bijvoorbeeld opvang van hemelwater op eigen perceel, de mogelijkheden voor groen, klimaatadaptatie, etc.). Risico's, belemmeringen en maatregelen De aangetoonde lichte tot sterke verontreinigingen vormen geen risico bij de huidige gebruiksvorm (braakliggend). Omdat voor de realisering van de toekomstige bestemming graafwerkzaamheden nodig zijn moet een saneringsplan worden opgesteld. In het saneringsplan wordt beschreven welke werkzaamheden worden uitgevoerd om de bestemming te kunnen realiseren. Op de locatie zal nieuwbouw gaan plaatsvinden. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen, is aanvullend of actualiserend bodemonderzoek noodzakelijk. In geval van een bodemsanering hoeft niet het hele geval van bodemverontreiniging gesaneerd te worden, maar volstaat een deelsanering (het geval van ernstige bodemverontreiniging is groter dan het plangebied).
38
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Op de plaatsen waar de vaste bodem gesaneerd moet worden, volstaat een duurzame afdeklaag (in de vorm van bebouwing en/of verharding), of het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van minimaal 1 meter. Het grondwater is ook verontreinigd, met name met PAK, aromaten en minerale olie. Voor de grondwaterverontreiniging is al een beheerplan opgesteld en in uitvoering. De verwachting is dat er binnen 30 jaar een stabiele eindsituatie zal ontstaan. In het beheerplan is beschreven hoe dit wordt gecontroleerd door de verspreiding van de grondwaterverontreiniging te monitoren. Wanneer een bemaling nodig is binnen de grondwater verontreiniging of in de directe omgeving daarvan om de plannen te kunnen realiseren, moet voorkomen worden dat de grondwaterverontreiniging zich verspreid. Ook wanneer een KWO installatie wordt aangebracht moet rekening worden gehouden met de grondwaterverontreiniging. Eventuele overtollige (verontreinigde) grond hoeft niet altijd hoeft te worden afgevoerd, maar kan binnen de contouren van soortgelijke bodemkwaliteit worden herschikt. Dit maakt de saneringskosten bij ontwikkeling beheersbaar en vrij goed voorspelbaar. Op grond van de reeds uitgevoerde onderzoeken wordt niet verwacht dat er nog onvoorziene grootschalige verontreiniging, anders dan de bekende verontreiniging, aanwezig is.
Aanvullend bodemonderzoek moet voorafgaand aan de ontwikkeling nog wel worden uitgevoerd om een volledig en voldoende gedetailleerd beeld van de bodemsituatie te krijgen. Conclusie Op basis van het voornoemde wordt bij het realiseren van de gewijzigde bestemming geen onoverkomelijke maatschappelijke en financiële belemmeringen verwacht ten gevolge van een bodemverontreiniging. De bestaande bodemonderzoeken zijn toereikend voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen, is wel actualiserend bodemonderzoek wel noodzakelijk, indien noodzakelijk gevolgd door plaatselijke bodemsanering.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
39
4.7
Water
Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. Binnen het Besluit ruimtelijke ordening (21 april 2008) is de watertoets verankerd. Algemeen De ontwikkeling behelst een volwaardige westelijke stationsentree inclusief fietsenstalling. De aanpassingen van het station zelf, die nodig zijn om de capaciteit van het spoor te vergroten, zijn de katalysator hiervoor. Een van die aanpassingen is de realisatie van een derde perron. De perrontunnel moet daardoor 30 m in westelijke richting verlengd worden. De aanpassingen van het stationsgebouw en de perrontunnel vallen buiten de scope van de ontwikkeling van de onderhavig bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan heeft enkel betrekking op een nieuwe volwaardige westelijke stationsentree inclusief een beheerde fietsenstalling met 3.000 plaatsen. Ook wordt de openbare ruimte heringericht inclusief de aanleg van een kiss-and-ridestrook. Het oorspronkelijke plangebied is in enkele kleinere plangebieden opgedeeld. Dit plangebied betreft de delen fietsenberging en verhoogd stationsplein. Juridisch gezien gaat het om meerdere deelgebieden. Waterhuishoudkundig gezien gaat het om één gebied.
Voor het oplossen van de uitdagingen die ten aanzien van water in een van de gebieden spelen, is mogelijk een ander gebied nodig.
Figuur 17: Plangebied en omgeving
Het plangebied ligt in de wijk Wolfskuil en maakt deel uit van de waterhuishoudkundige inrichting van het hoofdbemalingsgebied De Biezen. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023 en de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' (2013) relevant. Er vinden wijzingen plaats als gevolg van de voorgenomen bestemming.
40
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels. Oppervlaktewater In of in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Het uitgangspunt bij stedelijke uitbreidingen is grondwaterneutraal bouwen. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en stromen in de omgeving niet wijzigen. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door maatregelen tijdens bouwrijp maken en bouw of een waterbestendig bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen. Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken zet de gemeente in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Pas als die onvoldoende soelaas bieden, komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Dit sluit ondergronds bouwen niet uit. Dat is mogelijk mits voldoende technische maatregelen worden getroffen zodat de bouw waterdicht is.
In de Waterwet is naast de gemeentelijke zorgplicht voor regenwater ook een zorgplicht voor grondwater opgenomen. Gelet op de verantwoordelijkheden van particulieren strekt deze zorgplicht niet zover dat gemeenten ook gehouden zijn (ter voorkoming van grondwateroverlast) maatregelen te nemen op percelen die in particulier eigendom zijn. Eigenaren moeten zelf zorgen voor een goede staat van de bij hen in eigendom zijnde percelen en gebouwen. Zij moeten in dat kader zelf bouwkundige maatregelen treffen. Dit speelt vooral bij ondergronds bouwen. Voor indicatieve informatie over de grondwaterstanden wordt verwezen naar de milieuatlas van de gemeente Nijmegen die te vinden is via http://kaart.nijmegen.nl/milieu/. De grondwaterstand is van belang voor de eventuele bouw van een kelder of een verdiepte parkeervoorziening en het (tijdelijk) lozen van het bronneringswater. Op de milieuatlas is ook informatie te vinden over (resultaten en onderzoek naar) de waterdoorlatendheid van de bodem. Riolering/hemelwater De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich in de straten aan drie zijdes van het plangebied, namelijk de Fresiastraat, de Koninginnelaan en de Tunnelweg (zuidelijk fietspad). De riolering in deze drie straten is uitgevoerd als gemengd stelsel. In de Koninginnelaan ligt infiltratieriolering.
Het hemelwater dat afstroomt van de straat wordt er in de bodem geïnfiltreerd. De vuilwaterriolen in de straat voeren het afvalwater uit die straat af en voeren het gemengde water door dat uit andere gebieden afstroomt.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
41
Figuur 18: Overzicht riolering.
Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. De gemeente Nijmegen hanteert bij de duurzame omgang met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer'. Hemelwater mag dus ook niet naar percelen van andere eigenaren afstromen en daar overlast veroorzaken. In de nota is geschreven dat de gemeente maatwerk kan toepassen. Bij de plannen in de stationsomgeving wil de gemeente maatwerk toepassen. De stationsomgeving is gevoelig voor wateroverlast. De volgende figuur toont de theoretische waterdieptes bij extreme neerslag. De UWV-locatie en enkele straten ten westen van de stationsomgeving kleuren blauw.
Figuur 19: Overzicht theoretische waterdieptes bij extreme neerslag.
42
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Door de verandering van het klimaat neemt de kans op stortbuien en langdurige neerslag toe. Hemelwater stroomt vanaf de daken van gebouwen andere verhardingen via leidingen of bovengronds naar de openbare riolering. De openbare riolering moet het afstromende hemelwater van veel gebouwen en andere verhardingen verwerken. De capaciteit van de riolering is bij dergelijke neerslag in de omgeving niet toereikend. Als de riolering het aanbod van hemelwater niet meer aan kan, kan dit tot ernstige wateroverlast leiden en tot schade aan gebouwen of infrastructuur. De gemeente wil dit soort situaties zo veel mogelijk voorkomen. Daarom dient er 60 mm berging per m2 verharding te worden gerealiseerd en dienen fietsenberging en verhoogd stationsplein zodanig te worden ontworpen dat bij extreme buien (90 mm per uur) geen schade in de aangrenzende parkeergarage en UWV-gebouw ontstaat. In het bestemmingsplan van dit deel zal eveneens worden opgenomen dat de aanleg van de parkeergarage en het UWV-gebouw geen hinder veroorzaken voor de fietsenstalling. Voor het voorkomen of beperken van wateroverlast is het essentieel dat de hemelwaterberging binnen afzienbare tijd na een bui weer beschikbaar is voor het opvangen van de volgende bui. De voorziening dient na 12 uur te gaan ledigen. De capaciteit van de voorziening dient binnen 24 uur weer tenminste 80% beschikbaar te zijn.
Het verdient aanbeveling deze opgave integraal voor tenminste de UWV-locatie en beter nog voor de hele stationsomgeving te benaderen. Bij de infiltratie van hemelwater dient waar mogelijk conform het convenant 'Duurzaam bouwen in het KAN' (2000) gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Het niet toepassen van uitlogende materialen is een voorbeeld. Het convenant is in 2013 geactualiseerd als Het groene akkoord. Voor plannen waarbij hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan bij de gemeente worden ingediend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan gevoegd zijn. De nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' geeft de inhoud van een dergelijk plan weer. Hiertoe is onderzoek naar bodemgesteldheid en grondwaterstanden nodig. Geen bijgevoegd goedgekeurd plan betekent een niet-ontvankelijke bouwaanvraag. Voor plannen met meer dan 500 m2 verhard oppervlak en directe lozing op het oppervlaktewater moet een waterhuishoudkundig plan bij het waterschap worden ingediend. Omdat geen sprake is van directe lozing op het oppervlaktewater hoeft geen waterhuishoudkundig plan bij het waterschap worden ingediend. Voor plannen met extra verharding in het natte gedeelte van het stedelijk gebied is compenserende waterberging nodig.
Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van 10.545 m2. In de bestaande situatie bedraagt het verharde oppervlak 4.296 m2, in de toekomstige situatie bedraagt het verharde oppervlak 5.940 m2. Het verharde oppervlak neemt dus toe met 1.644 m2. Omdat dit plan niet in het natte gedeelte van het stedelijk gebied ligt, is geen compenserende waterberging nodig. Het hemelwater moet op eigen terrein in de bodem geïnfiltreerd worden. Bij 60 mm gaat het dus om 356 m3 dat binnen 24 uur verwerkt moet kunnen worden. Indien groene taluds naar verhardingen afwateren, dient hiermee rekening gehouden te worden. Omdat het hemelwater op eigen terrein in de bodem geïnfiltreerd moet worden, is de conclusie dat het plan geen negatieve effecten op het rioleringsstelsel of (indirect) oppervlaktewatersysteem heeft. Voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig. Het afvalwater van de gebouwen in het plangebied moet worden aangesloten op de openbare riolering. Voor het maken van nieuwe aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering moet een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering (zie www.nijmegen.nl > Diensten > Bouwen en wonen > Rioolaansluiting aanvragen).
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
43
De afmeting van aansluitleidingen op de openbare riolering is standaard Ø125 en maximaal Ø160. Vanwege de verwachte hoeveelheden afvalwater worden alleen aansluitingen op bestaande of inspectieputten gemaakt. De locaties van de aansluitingen dienen in overleg met Kwaliteitsbeheer Riolering bepaald te worden en haar toestemming te hebben. Goedgekeurde aansluitingen op de riolering zijn onderdeel van het bij de aanvraag van de omgevingsvergunning in te dienen goedgekeurde waterhuishoudkundige plan. Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken van deze aansluiting op de aanvrager verhaald. Indien voor de afvoer van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden, zijn geen kosten verschuldigd. Bouwen boven gemeentelijke riolering is niet toegestaan en kan betekenen dat riolering verlegd of dat de inrichting gewijzigd moet worden. Bij hoofdtransportleidingen dient rekening gehouden te worden met niet te bebouwen stroken aan weerszijden van de leiding van 6 m. Deze eis is vastgelegd in artikel 2.5.19 van de Nijmeegse bouwverordening. Vooroverleg Waterschap In het kader van het wettelijk vooroverleg is onderhavig planvoornemen voorgelegd aan het Waterschap. Het Waterschap heeft ingestemd met de inhoud van onderhavig bestemmingsplan. Het plan is conform de eisen van het Waterschap.
Voor de plannen is geen watervergunning (of melding van water-gerelateerde werkzaamheden) vereist.
Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden gesteld dat er op een juiste wijze invulling is gegeven aan het vereiste van duurzaam waterbeheer.
4.8
Flora en Fauna
4.8.1
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming is 1 januari 2017 inwerking getreden Deze wet staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Onder de Wet natuurbescherming geldt, dat onderzocht moet worden of (ruimtelijke) ingrepen effect hebben op beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde bosopstanden.
4.8.2
Beschermde gebieden (Natura 2000 gebieden)
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Het Natura 2000 netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. In en om Nijmegen gaat het om de Natura 2000 gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort'. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die handelingen uitvoert met eventuele nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Deze vergunning moet bij de provincie
44
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
aangevraagd worden. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van deze beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Voor de Natura 2000 gebieden geldt tevens de externe werking. Ontwikkelingen in de nabijheid van deze gebieden mogen geen significante gevolgen hebben voor de aanwezige natuurwaarden in deze gebieden. Houd ook rekening met de stikstofdepositie. In de paragraaf luchtkwaliteit wordt hier in detail op in gegaan.
Figuur 19: ligging plangebied t.o.v. natura2000 gebieden Het plangebied heeft geen directe relatie met de beschermde natuurgebieden (Natura 2000) in de omgeving van Nijmegen, er is ook geen significante schade te verwachten. Stikstof Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd, zie Bijlage 1 Stikstofberekening. Uit deze berekening blijkt dat bij de aanlegfase rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen is de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de aanlegfase opgenomen en de bijbehorende toelichting opgenomen. Aanlegfase Het planvoornemen betreft de herontwikkeling van de fietsenstalling aan de westzijde van het centraal station van Nijmegen. De locatie aan de Fresiastraat te Nijmegen betreft een
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
45
fietsenstalling welke in eigendom is van de gemeente. In het plangebied zal één ondergrondse fietsenstalling worden gerealiseerd. Conclusie Het depositieresultaat met de ingevoerde mobiele werktuigen en het daarbij horende bouwverkeer is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase In totaal wordt er maximaal één ondergrondse parkeergarage en een Kiss and Ride gerealiseerd in het plan. De parkeergarage zal volledig gasloos worden opgeleverd en zorgt daarmee niet voor een uitstoot van stikstof (NOx) of ammoniak (NH3). De verkeersbewegingen die met de Kiss and Ride samenhangen zorgen hier echter wel voor. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is gebaseerd op aangeleverde informatie van de gemeente Nijmegen. Het plan zorgt in totaal voor maximaal 384 mvt/etmaal. Daarnaast zijn er 2 middelzware- en twee zware vrachtverkeersbewegingen per week meegenomen in de berekening voor de gebruiksfase. Deze bewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd waarbij 100% van de bewegingen over een richting is ingevoerd. Conclusie Het depositieresultaat met de ingevoerde verkeersgeneratie is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Resultaat en conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
4.8.3
Beschermde soorten
De soortenbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Wet natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); en Beschermingsregime andere soorten (Nationaal). Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De wet hanteert daarbij het "nee, tenzij principe". Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Dit betekent dat voor nieuwe ontwikkelingen waar negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, een oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd: een quick scan 'flora en fauna' en zo nodig een vervolgonderzoek. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe moet een Wet natuurbescherming ontheffing voor soorten bij de Provincie aangevraagd worden. Daarnaast is in de wet een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Bij uitvoering van activiteiten moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt worden.
Quickscan Op 25 maart 2019 heeft Bureau Waardenburg een quick scan beschermde soorten uitgevoerd op UWV terrein (notitie met kenmerk 19-0029/19.01062/AnKar), zie Bijlage 2 Quickscan Flora en
46
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Fanua. Uit de quick scan blijkt dat de te kappen platanen en te slopen bebouwing mogelijk betekenis hebben als verblijfplaats voor vleermuizen (Beschermingsregime Habitatrichtlijn). Het spoortalud kan betekenis hebben als vliegroute voor vleermuizen en als verblijfplaats voor steenmarter. Geadviseerd wordt om de betekenis van het UWV gebouw en spoortalud voor vleermuizen en de steenmarter te onderzoeken door het uitvoeren van nader veldonderzoek. Het plangebied heeft mogelijk betekenis voor enkele beschermde soorten grondgebonden zoogdieren (muizen, egel). Voor handelingen in het kader van ruimtelijke ontwikkeling die kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. Voor de huismus heeft het groen in het plangebied betekenis als leefgebied. Geadviseerd wordt om leefgebied voor huismus te behouden of terug te brengen na de ingreep om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen. De beplanting rond het schoolterrein heeft betekenis als broedbiotoop van algemeen voorkomende vogelsoorten. Bij uitvoering van de werkzaamheden moet hiermee rekening worden gehouden worden. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Aanvullend onderzoek Een aanvullend onderzoek is noodzakelijk.
Uit dit vervolgonderzoek 4 november 2019 (19-0029/19.08982/AnKar), zie Bijlage 3 Aanvullend onderzoek vleermuizen en steenmarters, komen de volgende conclusies: Enkel het gebouw heeft functie voor vleermuizen, daarmee heeft het te ontwikkelen gebied voor de west entree geen effect. Ook voor de steenmarter geldt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Er zijn namelijk geen waarnemingen of sporen gevonden van de steenmarter binnen het plangebied. Gezien de toekomstige ontwikkelingen in het totale gebied is in het voorjaar van 2021 een tijdelijk mitigatiegebied gemaakt voor de aanwezige huismussen. Daarmee wordt gebied dat tijdelijk niet beschikbaar is voor de huismussen tijdens de bouwfase gecompenseerd. Na de bouwfase wordt het gebied o.a. voor de huismus aantrekkelijk gemaakt. Het tijdelijke fourageergebied voor de huismus wordt echter pas opgeheven als het totale gebied voldoende mogelijkheden biedt.
4.8.4
Provinciale omgevingsvisie Gelderland
In de Omgevingsvisie Gelderland staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de omgevingsvisie zijn de waardevolle natuurgebieden opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO), de waardevolle natuurgebieden die in de Omgevingsvisie Gelderland opgenomen zijn. De Omgevingsvisie is wat dat betreft niet van toepassing.
4.8.5
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Nijmegen 2020-2040 Stad in beweging
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
47
Van toepassing zijnde uitgangspunten omgevingsvisie: We nemen de natuur mee in onze plannen en kiezen voor 'natuurinclusief bouwen'. Dat betekent dat we bewust ruimte creëren voor de natuur in de groenstructuur. (bijvoorbeeld door planten te gebruiken die als voedselbron voor dieren dienen) en in gebouwen (bijvoorbeeld door schuil- en nestelgelegenheden in het gebouw te integreren). We realiseren een aantrekkelijke en groene buitenruimte in de stad en in de wijken, die uitnodigt om te ontmoeten en te spelen. Bijvoorbeeld door met woningen in een hofje en gezamenlijke ontmoet- en speelplekken in de buurt. Gezamenlijk versterken we de groenkwaliteiten. Groen draagt bij aan onze gezondheid en ons welzijn, het zorgt voor vermindering van hitte stress en voor een betere luchtkwaliteit. Stadslandbouw initiatieven zorgen voor gezond voedsel en sociale cohesie. Groen maakt de huizen meer waard en zorgt voor een betere werkomgeving. We willen de biodiversiteit in de stad behouden en versterken door natuurparels (groene gebieden met een hoge biodiversiteit) onderling en met de natuurgebieden buiten de stad te verbinden. We willen een groene stad met ruimte voor diverse soorten groen, zowel in de wijken als in en om de stad. Zo is groen nooit ver weg voor inwoners en creëren we ook voldoende ruimte voor dieren.
We willen de negatieve effecten van klimaatverandering en hittestress zoveel mogelijk minimaliseren.
Figuur 20: Uitsnede kaart Groen, gezonde stad ter plaatse van het plangebied Op de bovenstaande kaart is zichtbaar dat het plangebied behoort tot de stedelijke groenstructuur. Zowel de Tunnelweg als de route langs het spoortalud zijn weergegeven als beweegroutes. Het plangebied moet dusdanig ingericht worden dat de functie als groenstructuur in stand blijft. Bij de inrichting van het plangebied moet het belang van de groene en blauwe netwerken geborgd zijn. Coalitieakkoord 2018- 2022, Nijmegen: samen vooruit Inwoners en toekomstige inwoners van Nijmegen stellen hogere eisen aan de kwaliteit van hun woon- en leefomgeving, mensen kiezen in toenemende mate hun woonplaats op grond van de kwaliteit van de leefomgeving en kijken van daaruit welke banen bereikbaar zijn. Een groene gemeente met goede voorzieningen en een aantrekkelijke stedelijke woon- en leefomgeving heeft de toekomst. De kwaliteit van de stedelijke omgeving is voor ons een prioriteit. Wij richten de woonstraten groen en duurzaam in. Parkjes en groenvoorzieningen blijven we aan de stad toevoegen. We hebben bij de inrichting hiervan oog voor het gebruik van het groen en voor de ecologische waarde. We willen een overheid zijn die inwoners en organisaties de ruimte biedt de eigen leefomgeving vorm te geven.
Topindicator groen (2010)
48
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
In 2010 heeft de raad voor groen de topindicator “binnen 300 meter van iedere woning 0,5 hectare aaneengesloten vlakgroen” vastgesteld. De topindicator refereert aan onderzoeken van Alterra waarin 300 meter als realistische loopafstand naar groen voor kinderen en ouderen wordt geadviseerd. De 0,5 hectare komt daarbij voort uit ervaringscijfers. Na nuancering en verfijning van de topindicator is in 2013 een overzicht gemaakt van gebieden waar de toevoeging van groen gewenst is. We passen de topindicator toe bij veel plannen en beleidsstukken. Bijvoorbeeld in de nota 'Samen gezond verder. Lokaal gezondheidsbeleid Nijmegen 2013-2016' wordt het belang van groen genoemd en is de topindicator onderdeel van het beleid. De indicator is nuttig om gebieden te identificeren waar een groentekort is. Het is zaak om nieuwe woongebieden dusdanig in te richten dat aan de topindicator groen wordt voldaan en dat er voldoende groen op loopafstand beschikbaar is. Het plangebied dient voldoende openbaar toegankelijk groen te bevatten met een diversiteit aan structuur en hoogtes (gras/struiklaag/boomlaag) wat zowel de biodiversiteit als de belevings- en gebruikswaarde bevorderd. Er wordt voldaan aan de topindicator, daarnaast wordt er een grote hoeveel groen toegevoegd aan het gebied.
Groenplan De groene draad (2007) Het groenbeleid is vastgelegd in "De groene draad - kansen voor het Nijmeegse groen" en heeft als doelstelling: inzicht te geven in het totaal van groene ontwikkelingen in en om de stad en hun onderlinge samenhang; een sturingsinstrument voor het bestuur te zijn voor groene ontwikkelingen in de stad; vanuit een groen toekomstperspectief een gids of leidraad te zijn voor toekomstige stedelijke ontwikkelingen; de groene ambities te benoemen voor de komende jaren die vertaald worden in een uitvoeringsprogramma. De hoofdgroenstructuur is de basis van het groen in Nijmegen en opgebouwd uit groene vlakken (parken en groengebieden) en de hoofdboomstructuur. De hoofdboomstructuur bestaat uit lijnen (bomen langs wegen en cultuurhistorische lijnen) en punten (bijzondere en monumentale bomen en boomgroepen). We streven er naar om de hoofdgroenstructuur in stand te houden en de ambities te verwezenlijken. In bestemmingsplannen gaat het dan om de bestemmingen Groen, Natuur en Bos. Daarnaast kennen ook andere plekken een groene bestemming bijvoorbeeld kleinere groenplekken op wijkniveau.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
49
Figuur 21: kaart hoofdgroenstructuur ter plaatse van het plangebied Het gebied valt binnen de groenvlakken bos/natuur en stedelijk niveau. Beide zijn van de zwaarste categorie en essentiële dragers van de groene hoofdstructuur. Met name het lijnvormige element dat de stad doorsnijd er belangrijk. Het is dan ook belangrijk om deze lijn te behouden en versterken. Het plan voorziet hierin doordat de ingang van het station in een groen setting wordt geplaatst. Daarnaast wordt de kwaliteit verbetert en zal naast de westelijke entree het gebied vergroend gaan worden. Handboek stadsbomen (2009) Het Handboek Stadsbomen is een uitwerking van het Groenplan “De Groene draad, kansen voor het Nijmeegse groen'. Het Handboek Stadsbomen vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De hoofddoelstelling van het Handboek Stadsbomen is het waarborgen van de duurzame instandhouding van het Nijmeegs bomenbestand door middel van behoud èn ontwikkeling. Het Handboek Stadsbomen heeft betrekking op alle bomen binnen de gemeentegrenzen.
Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur In het Handboek Stadsbomen is de hoofdbomenstructuur opgenomen en is onderdeel van de hoofdgroenstructuur. De hoofdbomenstructuur leggen we niet vast in bestemmingsplannen maar wordt wel beschreven in de toelichting en speelt daarmee wel een rol in bestemmingsplannen.
50
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Figuur 22: kaart hoofdbomenstructuur ter plaatse van het plangebied De Tunnelweg valt onder de hoofdbomenstructuur en is gekwalificeerd als primaire hoofdbomenstructuur. De primaire hoofdboomstructuur (rood) worden gevormd door de stadsontsluitingswegen, zoals de radialen en ringwegen. Dit zijn wegen met een doorgaand karakter welke binnen de bebouwde kom een stroomfunctie vervullen. Buiten de stadsgrenzen gaan deze wegen over in snelwegen of belangrijke regionale ontsluitingswegen. Aan de hoofdbomenstructuur worden enkel 1e grootte bomen toegepast. Gaafheid en compleetheid van de hoofdboomstructuur zijn belangrijk om goed aan haar functie te kunnen voldoen. Daarmee geldt voor deze structuur een stringent beleid. Om die reden wordt gestreefd naar actieve versterking/vervolmaking van de hoofdboomstructuur. Aantasting van de hoofdboomstructuur betekent dat waarden op wijkof stadsniveau zoals cultuurhistorie, verkeersgeleiding of ruimtelijke samenhang negatief worden beïnvloed. Voor bomen in de hoofdboomstructuur geldt ten aanzien van kappen een “nee, tenzij principe”. Voor de hoofdboomstructuur geldt een zwaarder beschermingsregime voor behoud en bescherming dan voor de overige bomen in Nijmegen. Indien bomen uit de hoofdgroenstructuur worden gekapt, dient tenminste één nieuwe boom elders binnen de hoofdgroenstructuur te worden aangeplant.
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
4.9.1
Cultuurhistorie
Rijksbeleid Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. De uiterlijke verschijningsvorm van de stad weerspiegelt haar ontwikkelingsgeschiedenis en bepaalt mede de identiteit van een gebied. Archeologische vondsten en historische bebouwing vormen het fysieke archief van de stad. De grond, waarop we staan is laag voor laag opgebouwd, waarbij iedere laag iets vertelt over een bepaalde periode uit de geschiedenis van de stad. Om deze redenen heeft het Rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het Rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen gebouwen, objecten en structuren met cultuurhistorische waarde te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en in het bestemmingsplan te verankeren. De Monumentenwet 1988 vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
51
op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten. Rijksmonumenten komen in het plangebied niet voor en ook niet in de nabije omgeving. Er lopen geen procedures om te komen tot aanwijzing van rijksmonumenten. Voor het plangebied is geen procedure voor aanwijzing als rijksbeschermd stadsgezicht in voorbereiding.
Figuur 23: Cultuurhistorische beleidskaart Nijmegen
Gemeentelijk beleid
52
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Het gedachtengoed uit de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg en het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening zijn aanleiding geweest om ook het gemeentelijk erfgoedbeleid te actualiseren. Dit heeft geresulteerd in de Nota Cultureel Erfgoed, die op 15 mei 2013 door de raad is vastgesteld. Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding. De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed wordt ingezet om bij gebiedsontwikkelingen de eigen identiteit van de locatie te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is een belangrijke factor die kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken.
De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het plangebied Het plangebied is gelegen op de hoek van de Tunnelweg en de Koninginnelaan en grenst aan de spoordijk (spoorlijn Nijmegen-Arnhem). Het plangebied valt binnen gebiedstype 2 van de cultuurhistorische beleidskaart. In gebiedstype 2 gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Het plangebied is niet beschermd en er liggen ook geen beschermde monumenten. Cultuurhistorische analyse Het plangebied is lang onbebouwd gebleven en grenst aan een vijfsprong van wegen: de Koninginnelaan (1881), Tweede Oude Heselaan (1892), Marialaan (1904), Krayenhofflaan (1881), Eerste Oude Heselaan (1892) en aan de Tunnelweg (1965). De Eerste en de Tweede Oude Heselaan hebben een oudere oorsprong als Heselaan, de weg van de stad naar Hees, maar zijn iets verlegd en later hernoemd na de aanleg van de spoordijk. Het plangebied ligt pal achter de spoordijk, aangelegd in 1878 om het spoor op hoogte te brengen voor de oversteek van de Waal via de Spoorbrug. Het treinstation aan de andere zijde van de spoordijk was oorspronkelijk gesitueerd aan de rand van de stad en van oudsher gericht op de binnenstad, het singelgebied en de oostelijke uitbreidingswijken.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw groeide de bebouwing in het landelijk gebied ten westen van het station. De hoge spoordijk sloot dit gebied echter van de rest van de stad af. Er waren enkel oversteekmogelijkheden bij de Hezelpoort en de Graafseweg. In de jaren dertig werd al de mogelijkheid van een ondertunneling overwogen. Nadat het station en omgeving bij het bombardement van 1944 zwaar waren getroffen, werd in het wederopbouwplan van 1949 een tunnel onder het station geprojecteerd. De tunnel had tot doel om Nijmegen-West uit zijn isolement te halen en het centrum rechtstreeks te verbinden met de industriegebieden in het westen. Na de wederopbouw van het station in 1952-1954 door architect Sybold van Ravesteyn volgde in 1965 de bouw van tunnel naar ontwerp van dezelfde architect. De Tunnelweg doorsneed het tot dan toe onbebouwde perceel achter de Spoordijk. De eenzijdige oriëntatie van het station veranderde hiermee niet. De historische wegenstructuur achter de spoordijk is van belang. Beoordeling planvoornemen vanuit cultuurhistorisch oogpunt De inrichting van de openbare ruimte is van groot belang. Deze zou in de planvorming moeten worden meegenomen zoals men dat ook deed aan de oostzijde van de spoordijk in 1894 met de aanleg van het huidige station en de wederopbouw ervan in 1952-1954.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
53
4.9.2
Archeologie
Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek en de eventuele op te leggen maatregelen dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de (voormalige) Monumentenwet 1988 via de Wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007). Met het in werking treden van de Erfgoedwet op 1-7-2016 is de Monumentenwet 1988 grotendeels vervallen. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, nog van toepassing. Hoofdstuk V regelt de Archeologische Monumentenzorg.
Het Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, lid 5 regelt de omgang van het bestemmingsplan met de in een gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Dit wordt straks onderdeel van de Omgevingswet. Gemeentelijke beleid Het archeologiebeleid van de gemeente Nijmegen is er, in overeenstemming met Malta en de Erfgoedwet , op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die mede als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. De Structuurvisie voor Nijmegen uit 2013 legt nadrukkelijk een koppeling tussen archeologie en lokale identiteit, en als bron of inspirator voor toerisme, een economisch belangrijke factor in de economie van de gemeente Nijmegen.
Het zal duidelijk zijn dat een betere bescherming van het bodemarchief en vooral ook het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft de gemeente Nijmegen een archeologische beleidskaart ontwikkeld (ABAK), waarop de belangrijkste archeologische vindplaatsen en zones en hun waardering zijn aangegeven. Deze kaart is onderdeel van de Nota Nieuw Beleid (2013) en in een bijgewerkte vorm van het facetbestemmingsplan archeologie (2014). De op de kaart aangeduide waarden vormen de basis voor nieuwe bestemmingsplannen, waar nodig aangevuld met nieuw onderzoek. Het streven van de gemeente Nijmegen is in eerste instantie gericht op behoud in situ. Planaanpassingen kunnen de kosten voor archeologisch onderzoek overbodig maken of sterk beperken. Initiatiefnemers wordt dan ook aangeraden in een vroeg stadium met de gemeente in overleg te gaan inzake de mogelijkheden om te kijken naar de best mogelijke opties. Het kan daarbij gaan om adviezen voor de soort van archeologisch onderzoek die het beste gekozen kan worden of om de mogelijkheden van archeologie sparend bouwen te bekijken. Bestaande archeologische waarden in het plangebied
54
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
Het plangebied Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS) ligt momenteel in een gebied met meerdere archeologische waarden. Het gaat daarbij om de waarde 1 en de waarde 2. Deze laatste is als dubbelbestemming in het bestemmingsplan opgenomen. Waarde 1 gebieden betreffen gebieden waarbij de verwachting op het aantreffen van archeologische waarden laag of middelhoog is, of waar door het ontbreken van (voldoende) onderzoek geen uitspraak gedaan kon worden over een verwachting. Waarde 2 gebieden hebben een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden, die door middel van al uitgevoerd historisch en archeologisch onderzoek in de omgeving gemotiveerd is. Ook de landschappelijk ligging kan hier een rol spelen. Aan de waarden is zijn ondergrenzen gekoppeld voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Bij een waarde 1 gebied gaat het daarbij om bodemverstorende ingrepen die dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld, bij een plangebied dat groter is dan 2.500 m2. Bij waarde 2 gebieden zijn de ondergrenzen bodemverstorende ingrepen dieper dan 30 cm en een totaal oppervlak van de ingrepen groter dan 100 m2. Onderzoeken en nieuwe waarde dubbelbestemming in het plangebied Er zijn recentelijk enkele onderzoeken uitgevoerd voor het plangebied of terreinen die daar direct aan gerelateerd zijn. Dit zijn: L.M. Flokstra en M.
Smit, Project Metterswane te Nijmegen. Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, AE-rapport 1, 2019; E. Goossens, Bureauonderzoek PHS Nijmegen, Arcadis archeologische rapporten 182, 2019; M. van Kooten, Bureauonderzoek Herinrichting stationsgebied, gemeente Nijmegen, Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 279, 2019. Verder is recent de sloop begeleid van het perceel Fresiastraat 3. Hiervan is een evaluatierapport beschikbaar. De voornaamste conclusie van dit onderzoek is dat de verwachting op ongestoorde bodems buiten de contouren van de bestaande bebouwing inderdaad klopt. M. van Kooten, Beknopt selectieverslag, Sloopbegeleiding stationsgebied: Fresiastraat 3, Gemeente Nijmegen, Opgraving, variant Archeologische Begeleiding (AB), 2019 Daarnaast zijn er in de directe omgeving, met name aan de westelijke, zuidwestelijke en zuidelijke kant van het plangebied diverse archeologische onderzoeken en waarnemingen bekend. Deze zijn helaas slecht ontsloten en niet gepubliceerd. Het gaat daarbij om de projecten Toh1, Kg1, Mr1 en Be1. Uit deze onderzoeken blijkt dat op diverse locaties sporen en vondsten uit de ijzertijd, Romeinse tijd en (late) middeleeuwen tot nieuwe tijd voorkomen. Belangrijk, en ook verwerkt in het bureauonderzoek van Van Kooten 2019, is een kaart uit 1888 opgesteld door de H.B.S. leraar Van Abeleven.
Daaruit wordt duidelijk dat ook ten zuiden van de Marialaan nog Romeinse graven voorkomen, wat in lijn ligt met de mededeling dat in het oostelijk deel van het project Mr1 (in 2002) meerdere intacte Romeinse graven geregistreerd werden. Tot nu toe werd vaak aangenomen dat de Marialaan, en in het oostelijk verlengde deel de Tunnelweg, als het einde van het grote Romeinse grafveld van de noordwestelijk gelegen stad Ulpia Noviomagus functioneerde. Dit is dus niet meer houdbaar. Daarmee neemt de kans toe dat Romeinse graven ook in het plangebied kunnen voorkomen. De sporen en vondsten van de perioden voor en na de Romeinse tijd die in de omgeving voorkomen, kunnen van zowel nederzettingen, graven of grafvelden alsmede andere complextypen stammen. Ondanks lokale verstoringen lijkt de kwaliteit van het bodemarchief
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS)
55
redelijk intact. De analyse van de genoemde projecten laat ook zien dat de archeologie relatief dicht aan het huidige maaiveld kan voorkomen. Dit alles leidt tot de conclusie dat de waarde voor het hele plangebied bijgesteld wordt naar waarde 2: een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Bestemmingsplanregels Voor het hele bestemmingsplangebied gaat de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 gelden. Benodigd onderzoek Indien een plan op basis van het bestemmingsplan vergunningplichtig is, kunnen voorwaarden ten aanzien van archeologie aan de vergunning worden verbonden. Uitgangspunt hierbij is de verplichting van de initiatiefnemer om het bevoegd gezag te voorzien van gegevens die aantonen hoe het met de archeologische waarden in het plangebied is gesteld, zodat een besluit genomen kan worden hoe hiermee om te gaan bij de planrealisatie. De exacte eisen zullen daarom pas geformuleerd kunnen worden als de concrete, bodemverstorende ingrepen bekend zijn en kan worden beoordeeld welke impact de voorgenomen ingrepen op die waarden hebben. Ten laatste bij de vergunningaanvraag zullen die als concrete plannen bekend moeten zijn. Belangrijk zijn de uitgangspunten van het gemeentelijk archeologiebeleid: streven naar behoud in situ en enkel daar waar nodig en noodzakelijk onderzoek ter behoud ex situ.
Daar waar geopteerd wordt voor behoud in situ zijn parameters als behoud van huidige waterhuidhouding, grondsamenstelling en gronddruk van belang. In samenspraak met het bevoegd gezag wordt, zodra het planvoornemen uitgewerkt is en de beleidsuitgangspunten indachtig, bepaald worden welke ingrepen wel of niet raadzaam zijn, en indien uitgevoerd, welke gevolgen daar vanwege de archeologie voor de initiatiefnemer aan verbonden zullen worden. Deze maatregelen, en de archeologische onderzoeken die vooraf kunnen gaan aan een dergelijk besluit, worden bij voorkeur als maatwerk toegepast. Ze worden dus zoveel mogelijk per geval bekeken. Op basis van het advies kan de gemeente maatregelen opleggen. Deze variëren van het vrijgeven van het terrein tot het nemen van langdurige fysieke beschermingsmaatregelen. Een andere vorm kan het behoud van de archeologische waarden zijn door middel van een opgraving. Dit wordt ook wel behoud ex situ genoemd. Specifiek voor de ontwikkeling van het plangebied Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 5 (fietsenstalling entree west CS) geldt dat bij de benodigde onderzoeken wordt teruggegrepen op de genoemde bestaande rapporten, met name afb. 6.2 in het bureauonderzoek van Van Kooten 2019. Daarnaast zal voortschrijdend inzicht blijvend een rol spelen, als gaandeweg meer onderzoeksresultaten bekend zullen worden. Meldingsplicht art.
5.10 en 5.11 Erfgoedwet Archeologische vondsten dan wel waarnemingen gedaan bij niet-archeologisch onderzoek moeten gemeld worden op basis van de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Dit soort vondsten wordt aangeduid als toevalsvondst. Om het documenteren van toevalsvondsten en waarnemingen mogelijk te maken, verdient het aanbeveling de volgende standaardtekst bij de vergunningverlening op te nemen, die refereert aan de wettelijke meldingsplicht van archeologische waarden (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet): Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo