CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

Besluitronde (raadsvergadering) 5 april 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving -4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium Merleyn) (20/2023)27.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een belangrijk aspect in het beperken van wateroverlast door hoge grondwaterstanden is de hoogteligging van het gebouw. Vloerpeilen dienen in principe minimaal 0,15 m boven de kruin van de toekomstige definitieve weg te liggen. De kruin van de weg is hierbij gedefinieerd als het hoogste punt van de aan te leggen verharding.

4.11.5 Riolering / Hemelwater De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de Nieuwe Marktstraat. De riolering is uitgevoerd als gemengd stelsel. Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. De gemeente Nijmegen hanteert bij de duurzame omgang met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer'.

30

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

Figuur 4: Overzicht riolering

Op grond van het Bouwbesluit (artikel 6.18) moet hemelwater van daken en andere verharding in beginsel op eigen terrein verwerkt worden. Van die verplichting kan afgeweken worden als de gemeente het afstromende hemelwater in openbare hemelwatervoorzieningen kan en wil ontvangen. Voor dit plan is dat niet het geval. Schoon hemelwater dient in de bodem te worden geïnfiltreerd. Bij de infiltratie van hemelwater dient waar mogelijk conform het convenant 'Duurzaam bouwen in het KAN' (2000) gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Het niet toepassen van uitlogende materialen is een voorbeeld. Het convenant is in 2013 geactualiseerd als 'Het groene akkoord'. Voor plannen waarbij hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan bij de gemeente worden ingediend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan gevoegd zijn. Omdat geen sprake is van directe lozing van water op het oppervlaktewater hoeft geen waterhuishoudkundig plan bij het waterschap te worden ingediend. Omdat het plan in de droge bestaande stad ligt, is geen compenserende waterberging nodig. Het verharde oppervlak neemt bovendien niet toe. Conclusie is dat het plan geen negatieve effecten heeft op het rioleringsstelsel of (indirect) oppervlaktewatersysteem. Voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig.

De aanvraag van de omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan bevatten. De nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' geeft de inhoud van een dergelijk plan weer. Hiertoe is onderzoek naar bodemgesteldheid en grondwaterstanden nodig. Geen bijgevoegd goedgekeurd plan betekent een niet-ontvankelijke aanvraag. Het afvalwater van de gebouwen in het plangebied moet worden aangesloten op de openbare

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

31

riolering. Het is niet uitgesloten dat van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden. Voor het maken van nieuwe aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering moet een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering (zie www.nijmegen.nl > Diensten > Bouwen en wonen > Rioolaansluiting aanvragen). Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken van deze aansluiting op de aanvrager verhaald. Indien voor de afvoer van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden, zijn geen kosten verschuldigd. Bouwen boven gemeentelijke riolering is niet toegestaan en kan betekenen dat riolering verlegd moet worden of dat de inrichting gewijzigd moet worden. Bij hoofdtransportleidingen dient rekening gehouden te worden met niet te bebouwen stroken aan weerszijden van de leiding van 6 meter. Deze eis is vastgelegd in artikel 2.5.19 van de Nijmeegse bouwverordening. Voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater dienen op particulier terrein te liggen. In alle voorzieningen moet op particulier terrein een controleput geplaatst worden. Inpandige controleputten zijn toegestaan.

4.12 Flora en Fauna 4.12.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is 1 januari 2017 inwerking getreden Deze wet staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Onder de Wet natuurbescherming geldt, dat onderzocht moet worden of (ruimtelijke) ingrepen effect hebben op beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde bosopstanden. Beschermde gebieden (Natura 2000 gebieden) Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Het Natura 2000 netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die handelingen uitvoert met eventuele nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd.

Deze vergunning moet bij de provincie aangevraagd worden. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van deze beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Voor de Natura 2000 gebieden geldt tevens de externe werking. Ontwikkelingen in de nabijheid van deze gebieden mogen geen significante gevolgen hebben voor de aanwezige natuurwaarden in deze gebieden. De afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' – ten noorden van het plangebied - bedraagt circa 0,8 kilometer. De ligging van het Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied is weergegeven in navolgende afbeelding. Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan is het rapport ‘Nieuwbouw

32

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

poppodium Merleyn, Nijmegen. Onderzoek stikstofdepositie’ van 8 februari 2023 (hierna: ‘het Stikstofrapport’) opgesteld. De daarin vastgelegde stikstofberekening is met behulp van het rekeninstrument AERIUS Calculator 2022 uitgevoerd. De uitkomst hiervan is dat de stikstofdepositie voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase voldoet aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten." Volgens de stikstofstukken zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) op voorhand uit te sluiten (zie bijlage). De Wnb staat dus gelet op het aspect stikstof niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg.

Figuur 5: Uitsnede programma Aerius Calculator met daarop het plangebied weergegeven ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Rijntakken'.

Beschermde soorten De soortenbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Wet natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); en Beschermingsregime andere soorten (Nationaal). Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De wet hanteert daarbij het "nee, tenzij-principe". Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Dit betekent dat voor nieuwe ontwikkelingen waar negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, een oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd: een quick scan 'flora en fauna' en zo nodig een vervolgonderzoek. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe moet een Wet natuurbescherming ontheffing voor soorten bij de Provincie aangevraagd worden. Daarnaast is in de wet een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Bij uitvoering van activiteiten moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt worden.

Op 9 juni 2020 heeft Bureau Waardenburg een quick scan beschermde soorten uitgevoerd aan de Nieuwe Marktstraat 50-52 te Nijmegen (notitie met kenmerk 20-0475/20.05261/JanDaa).

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

33

Uit de quick scan blijkt dat het pompstation mogelijk een functie heeft als verblijfplaats voor de steenmarter en voor vleermuizen. Om hierover uitsluitsel te geven is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Op 4 november 2021 heeft Bureau Waardenburg een vleermuisonderzoek uitgevoerd (notitie met kenmerk 20-0475/21.08771/JanDaa). Uit het vleermuisonderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen gevonden zijn voor een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied. Een functie van het pompstation als verblijfplaats voor vleermuizen wordt op grond van het onderzoek uitgesloten. De sloop leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Met betrekking tot de steenmarter wordt bij de werkzaamheden gebruik gemaakt van de gedragscode Ruimtelijke Inrichtingen. Door het toepassen van de gedragscode staat de mogelijke verblijfplaats van de steenmarter het initiatief niet in de weg. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Effecten op beschermde gebieden en houtopstanden zijn uitgesloten (beoordeling stikstofdepositie is geen onderdeel van deze notitie). Er is geen nader onderzoek nodig om de effectbeoordeling Wnb te maken voor dit project.

4.12.2 Provinciale Omgevingsvisie Gelderland In de Omgevingsvisie Gelderland staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de omgevingsvisie zijn de waardevolle natuurgebieden opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk In de Omgevingsverordening zijn de bijbehorende regels vastgelegd. Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Dit is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde dat er een compensatieplan gemaakt wordt waarbij de bestaande natuurwaarden worden versterkt. Groene ontwikkelingszone De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling.

Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een substantiële versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De oude ecologische verbindingszones (evz's) maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO), de waardevolle natuurgebieden die in de Omgevingsvisie Gelderland opgenomen zijn. De Omgevingsvisie is wat dat betreft niet van toepassing.

34

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

4.12.3 Gemeentelijk beleid Coalitieakkoord 2018- 2022, Nijmegen: samen vooruit Inwoners en toekomstige inwoners van Nijmegen stellen hogere eisen aan de kwaliteit van hun woon- en leefomgeving, mensen kiezen in toenemende mate hun woonplaats op grond van de kwaliteit van de leefomgeving en kijken van daaruit welke banen bereikbaar zijn. Een groene gemeente met goede voorzieningen en een aantrekkelijke stedelijke woon- en leefomgeving heeft de toekomst. De kwaliteit van de stedelijke omgeving is voor ons een prioriteit. Wij richten de woonstraten groen en duurzaam in. Parkjes en groenvoorzieningen blijven we aan de stad toevoegen. We hebben bij de inrichting hiervan oog voor het gebruik van het groen en voor de ecologische waarde. We willen een overheid zijn die inwoners en organisaties de ruimte biedt de eigen leefomgeving vorm te geven. Topindicator groen (2010) In 2010 heeft de raad voor groen de topindicator “binnen 300 meter van iedere woning 0,5 hectare aaneengesloten vlakgroen” vastgesteld. De topindicator refereert aan onderzoeken van Alterra waarin 300 meter als realistische loopafstand naar groen voor kinderen en ouderen wordt geadviseerd. De 0,5 hectare komt daarbij voort uit ervaringscijfers. Na nuancering en verfijning van de topindicator is in 2013 een overzicht gemaakt van gebieden waar de toevoeging van groen gewenst is.

We passen de topindicator toe bij veel plannen en beleidsstukken. Bijvoorbeeld in de nota 'Samen gezond verder. Lokaal gezondheidsbeleid Nijmegen 2013-2016' wordt het belang van groen genoemd en is de topindicator onderdeel van het beleid. De indicator is nuttig om gebieden te identificeren waar een groentekort is. Het is zaak om nieuwe woongebieden dusdanig in te richten dat aan de topindicator groen wordt voldaan en dat er voldoende groen op loopafstand beschikbaar is. Het plangebied dient voldoende openbaar toegankelijk groen te bevatten met een diversiteit aan structuur en hoogtes (gras/struiklaag/boomlaag) wat zowel de biodiversiteit als de belevings- en gebruikswaarde bevorderd. Voorliggend plan maakt geen nieuwe woningen mogelijk. Er verdwijnt met onderhavige ontwikkeling ook geen groen, de ontwikkeling zorgt er zodoende niet voor dat bestaande woningen in de omgeving van het plangebied in de toekomstige situatie niet meer voldoen aan de norm.

Groenplan De groene draad (2007) Het groenbeleid is vastgelegd in "De groene draad - kansen voor het Nijmeegse groen" en heeft als doelstelling: inzicht te geven in het totaal van groene ontwikkelingen in en om de stad en hun onderlinge samenhang; een sturingsinstrument voor het bestuur te zijn voor groene ontwikkelingen in de stad; vanuit een groen toekomstperspectief een gids of leidraad te zijn voor toekomstige stedelijke ontwikkelingen; de groene ambities te benoemen voor de komende jaren die vertaald worden in een uitvoeringsprogramma.

De hoofdgroenstructuur is de basis van het groen in Nijmegen en opgebouwd uit groene vlakken (parken en groengebieden) en de hoofdboomstructuur. De hoofdboomstructuur bestaat uit lijnen (bomen langs wegen en cultuurhistorische lijnen) en punten (bijzondere en monumentale bomen en boomgroepen). We streven er naar om de hoofdgroenstructuur in stand te houden en de ambities te verwezenlijken.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

35

In bestemmingsplannen gaat het dan om de bestemmingen Groen, Natuur en Bos. Daarnaast kennen ook andere plekken een groene bestemming bijvoorbeeld kleinere groenplekken op wijkniveau. Het plangebied is gelegen in het westen van het stadscentrum. Het centrum is te verdelen in twee gebieden die een eigen karakter bezitten: de Benedenstad en het nieuwe stadscentrum. De Benedenstad is stedenbouwkundig opgezet volgens middeleeuwse patronen en kent een vrij stenig karakter. De smalle straten bieden weinig mogelijkheden voor bomen of andersoortig groen. Dit centrumdeel lijkt mede daardoor zeer arm aan groen, maar dit wordt voor een deel gecompenseerd door de aanwezigheid van groene hofjes. Deze hebben ieder hun eigen karakter en variëren van groene speelplek tot parkeerplaatsen onder de bomen. Het Kartuizerhof, Hof van Kampen en het Kloosterhof zijn hier goede voorbeelden van. Het nieuwe stadscentrum bestaat uit het gebied tussen de benedenstad en de 19e eeuwse singel die gevormd wordt door de van Schaeck Mathonsingel, het Keizer Karelplein, de Oranjesingel en de Canisiussingel en het Traianusplein. De wederopbouw na het vergissingbombardement wordt de eerste grote wijziging in het centrum van de stad. Er kwam meer ruimte, straten werden verbreed en pleinen aangelegd. Ook de bebouwing werd grootschaliger van opzet en de functies wonen en bedrijvigheid maakten plaats voor winkels.

De omvorming van enkele straten in de jaren zeventig tot winkelpromenades, de bouw van een aantal parkeergarages en de aanpassingen van Plein 1944 in de jaren tachtig hebben grote invloed gehad op het stadsbeeld. In de jaren negentig is de openbare ruimte heringericht en is de binnenstad vrijwel geheel afgesloten voor auto's. Met de laatste ontwikkelingen aan het begin van deze eeuw zoals de aanleg van de Marikenstraat en het Mariënburgplein en het doorbreken van het Arsenaal is het winkelgebied vergroot en geoptimaliseerd. De historische parken aan beide zijden van het stadscentrum vormen een prachtige tegenhanger van de bedrijvigheid in de stad. Het zijn oases van relatieve rust waar het prettig vertoeven is. Het Kronenburgerpark is recent gerenoveerd en de modernisering van het Valkhof en het Hunnerpark volgen de komende jaren. Het overige groen in het nieuwe stadscentrum bestaat voornamelijk uit stadsbomen waarvan de monumentale bomen op het Hertogplein, Mariënburg, het Koningsplein en de Marikenstraat het meest tot de verbeelding spreken. Door de veelal beperkte omvang, de versnippering en de leeftijdsopbouw kent dit groen slechts een beperkte samenhang en draagt niet bij aan de structuur, identiteit en herkenbaarheid van de stedelijke omgeving.

36

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

Figuur 6: Uitsnede kaart groenstructuur bij het Groenplan met globale aanduiding plangebied (rode ster).

De kern van de stad is aangewezen als beschermd stadsgezicht en daar valt tevens het groen onder. Aantasting van de groene elementen langs deze singels (o.a. Kronenburgersingel, Nassausingel, Oranjesingel, Sint Canisiussingel) en pleinen (Keizer Karelplein en Traianusplein) moet getoetst worden aan de kaders van het beschermde stadsgezicht. In de directe omgeving van het plangebied ligt vlakgroen stedelijk niveau (zie bovenstaande afbeelding van de groenstructuur). Het voorliggende plan heeft geen invloed op het bestaande vlakgroen in de omgeving. Handboek stadsbomen (2009) Het Handboek Stadsbomen is een uitwerking van het Groenplan “De Groene draad, kansen voor het Nijmeegse groen'. Het Handboek Stadsbomen vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De hoofddoelstelling van het Handboek Stadsbomen is het waarborgen van de duurzame instandhouding van het Nijmeegs bomenbestand door middel van behoud èn ontwikkeling. Het Handboek Stadsbomen heeft betrekking op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen.

Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur In het Handboek Stadsbomen is de hoofdbomenstructuur opgenomen en is onderdeel van de

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

37

hoofdgroenstructuur. De hoofdbomenstructuur leggen we niet vast in bestemmingsplannen maar wordt wel beschreven in de toelichting en speelt daarmee wel een rol in bestemmingsplannen. In het plangebied is geen sprake van een hoofdbomenstructuur. Ecologie van de stad De bijzondere ligging van Nijmegen op een kruispunt van het rivierengebied, de hogere zandgronden en het stuwwallencomplex zorgt ervoor dat niet alleen rondom Nijmegen, maar ook binnen de stadsgrenzen een verscheidenheid aan leefmilieus voor planten en diersoorten aanwezig is. Grootschalige natuurgebieden om de stad, zoals de Gelderse Poort, de uiterwaarden van de Waal, De Ooijpolder, het Hatertse Vennengebied, Heumensoord fungeren hierbij als brongebied voor natuurwaarden in de stad. We hebben de ecologische structuren, de ecologische hotspots en de ecologische waardevolle wijkspots in de wijk in Nijmegen in kaart gebracht. Ecologische structuren laten de relaties zien tussen natuurwaarden in de stad en natuurwaarden om de stad. Soorten kunnen zich hierlangs verplaatsen en hebben zo een gevarieerd leefgebied tot hun beschikking. Ecologische hotspots zijn waardevolle gebieden die, in relatie met de gebieden om de stad, een functie vervullen voor algemene en zeldzame soorten. Hier stemmen we het beheer af op de natuurwaarden en wordt het gebruik van die gebieden voor recreatie meer gereguleerd en gestuurd wordt.

Tevens waken we bij deze hotspots voor versnippering, aantasting en doorsnijding. De ecologische waardevolle wijkspots vervullen een rol op wijkniveau en maken het mogelijk om natuur dichtbij huis te beleven.

Figuur 7: Uitsnede kaart ecologie van de stad met globale aanduiding plangebied (blauwe ster).

38

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

In bovenstaande afbeelding is globaal de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt in een gebied met gemiddelde natuurwaarden. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen ecologische hotspots of structuren aanwezig. Het beleid voor de ecologie in de stad heeft hierdoor geen gevolgen voor de ontwikkelingen in het plangebied. Groen en gezondheid Groen heeft niet alleen een ecologische waarde, het draagt bij aan de gezondheid van mensen, het zorgt voor een aantrekkelijke omgeving voor wonen, werken en recreëren. Groen bevordert de gezondheid, het nodigt uit om te bewegen en patiënten herstellen sneller in een groene omgeving. Voor kinderen is het belangrijk om juist al op jonge leeftijd in contact te komen met een groene leefomgeving. Bij de inrichting van de (school-)omgeving is dit nadrukkelijk een aspect om rekening mee te houden. Met Nijmegen: Groen, gezond en in beweging (vastgesteld door het College op 14 maart 2017 en ook opgenomen in de gezondheidsagenda) werkt de gemeente aan gezonde inwoners in een gezonde omgeving. Met voorliggend plan wordt een poppodium of kantoor mogelijk gemaakt. De ontwikkeling gaat niet ten koste van de groene omgeving die mensen kunnen beleven en welke bijdraagt aan de gezondheid. Stad en Natuur: klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen Nijmegen is een van de groenste steden van Nederland.

Niet alleen door de aanwezigheid van veel groen, maar ook vanwege de groene bestuurlijke ambities. Bij nieuwe ontwikkelingen zoals dit plangebied ontstaan kansen voor de natuur in de stad. Op 14 november 2018 heeft de gemeenteraad de motie Natuurinclusief bouwen aangenomen. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Door natuurinclusieve maatregelen wordt de leefomgeving voor gebouwbewonende diersoorten verbeterd en de biodiversiteit bevorderd. Ook hebben de maatregelen effect als anti-mug en anti-stress en geven belevingswaarden. Daarnaast verhoogt het de geluidsisolatie, luchtzuivering, waterbergingscapaciteit en warmteregulering in het stedelijk gebied. Dit verhoogt uiteindelijk de leefkwaliteit van de stad en biedt verschillende soorten een plek in de stad. Onderdeel van natuurinclusief bouwen is ook de toepassing van kruidendaken op de platte daken van nieuwbouw. Een groen dak heeft duidelijk meer waarde voor de biodiversiteit en de leefbaarheid. En tevens heeft het een functie voor de waterberging bij piekbuien, verbetert het de luchtkwaliteit en brengt het koelte in de stad en de woning. Een bijkomend voordeel is dat groene daken een communicatiemiddel is om het bewustzijn van bewoners te vergroten voor de klimaatverandering.

Nijmegen is aangesloten bij de landelijke campagne 'Operatie Steenbreek'. Het doel van deze campagne is om bewoners te enthousiasmeren om hun tuin te vergroenen. De negatieve gevolgen van verstening zoals wateroverlast en ook droogte, hittestress en minder biodiversiteit worden daarbij onder de aandacht gebracht. Beter is nog dat bij de ontwikkeling van dit plangebied groene (binnen)tuinen, groene daken en gevelgroen mee wordt ontworpen zodat verstening van de tuinen vanaf het begin zoveel mogelijk wordt voorkomen. Door de klimaatsveranderingen ontstaan er steeds meer milieuproblemen in de stedelijke omgeving. Door overmatige regenval ontstaat wateroverlast; de temperatuurstijging veroorzaakt hitte eilanden in overmatig stenige omgevingen en door het fijnstof probleem krijgen steeds meer mensen gezondheidsklachten. Groen kan ingezet worden om deze milieuproblemen te verzachten. Hemelwater kan opgevangen worden in groengebieden en door het vergroenen van stenige pleinen zal de temperatuur iets afnemen en diverse planten nemen fijnstof op uit de lucht. Groen kan op deze wijze bijdragen aan een beter en gezonder

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

39

leefklimaat. Vanwege de onlosmakelijke relatie tussen groen/natuur en water zal een deel van de waterberging in de groene ruimte worden gezocht. We streven naar een goed evenwicht tussen beide functies zodat het resultaat een impuls oplevert voor natuurwaarden en natuurontwikkeling.

Met voorliggend plan wordt een poppodium of kantoor mogelijk gemaakt. In het ontwerp is rekening gehouden met een laag van 1,5 meter grond op het dak. Hierdoor ontstaat een groendak, wat bijdraagt de waterberging en aan de biodiversiteit. Het groendak houdt het water langer vast, waardoor er bij piekbuien minder druk ontstaat op de openbare ruimte en op het riool. Daarnaast trekt het groendak insecten en andere dieren aan, zoals vogels.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Rijksbeleid

Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. Het geeft identiteit en kwaliteit aan een gebied. Om deze redenen heeft het rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen gebouwen, objecten en structuren met cultuurhistorische waarde te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en in het bestemmingsplan te verankeren. De Monumentenwet 1988 vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten.

4.13.2 Gemeentelijk beleid

Het gedachtengoed uit de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg en het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening is aanleiding geweest om ook het gemeentelijk erfgoedbeleid te actualiseren. Dit heeft geresulteerd in de Nota Cultureel Erfgoed, die op 15 mei 2013 door de raad is vastgesteld. Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding. De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed ingezet wordt om bij gebiedsontwikkelingen de eigen identiteit van de locatie te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze

40

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is namelijk een factor die kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het bestemmingsplangebied valt binnen gebiedstype 2 van deze beleidskaart. In deze gebieden gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. De belangrijkste objecten zijn reeds beschermd als gemeentelijk of rijksmonument of staan op de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed. De monumenten geven aanknopingspunten om de geschiedenis zichtbaar te houden. Er zal daarom in deze gebieden geen afzonderlijke aandacht zijn voor individuele bebouwing. Voor gemeentelijke beschermingen is de gemeentelijke monumentenverordening de basis.

Figuur 8: Aandachtslijst cultureel erfgoed

In 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad vastgesteld. De aandachtslijst betreft een inventarisatie van onbeschermd waardevol erfgoed en is bedoeld om ongewenste sloop van cultureel erfgoed te voorkomen en herbestemming te stimuleren. De lijst is globaal getoetst aan de selectiecriteria uit de Monumentenverordening. Er is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Pas als er sprake is van een beschermingsprocedure zal dit onderzoek worden gedaan en worden de exacte cultuurhistorische waarden vastgesteld. Op basis van deze lijst heeft het college de mogelijkheid om bij sloopplannen een beschermingsprocedure te starten.

4.13.3 Cultuurhistorische waarden Nieuwe Marktstraat 52 Het voormalige waterpompgebouw Nieuwe Marktstraat 52 is geen beschermd monument. Het pand is ook niet gelegen binnen een beschermd gebied en staat ook niet op de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed. De locatie Nieuwe Markstraat 52 bevindt zich tussen het spoor en de daarlangs gelegen Snelbinder (westzijde) en een hoog, langgerekt woongebouw van meerdere lagen uit 1992 aan de Stieltjesstraat (oostzijde). De locatie grenst aan de noordzijde aan het van oorsprong eind 19de-eeuwse, maar later uitgebreide/gewijzigde complex Nieuwe Markstraat 54-56 (voormalige Ambachtsschool) dat wel op de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed is geplaatst. Het gehele complex is opgetrokken in twee bouwlagen met kap. Het aangrenzende deel van dit complex (thans bedrijfsverzamelgebouw De Nieuwe Ambacht, Nieuwe Markstraat 54) is witgepleisterd

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

41

en heeft dezelfde voorgevelrooilijn als het waterpompgebouw, dat zich met zijn afwijkende hoofdvorm en de in relatie tot de omringende bebouwing beperkte bouwmassa niet goed (meer) voegt in de omgeving.

4.13.4 Doorwerking plangebied Het wijzigen van de bestaande bestemming in een bestemming cultuur en ontspanning heeft op zichzelf geen invloed op de karakteristieken in het gebied. Door het handhaven van de bestaande voorgevelrooilijn (gelijk aan die van Nieuwe Markstraat 54) en een bouwhoogte van 8 meter in combinatie met de beoogde kloekere bouwmassa zal de nieuwbouw zich beter dan het bestaande pompgebouw voegen binnen de karakteristieken van het bestaande stedenbouwkundige weefsel en een passende overgang vormen tussen de aangrenzende cultuurhistorische waardevolle bebouwing en de meer recente bebouwing in de directe omgeving. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er daarom geen bezwaren tegen de voorgestelde bestemmingsplanwijziging.

4.14 Archeologie 4.14.1 Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek en de eventuele op te leggen maatregelen dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de (voormalige) Monumentenwet 1988 via de Wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007). Met het in werking treden van de Erfgoedwet op 1-7-2016 is de Monumentenwet 1988 grotendeels vervallen. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, nog van toepassing. Hoofdstuk V regelt de Archeologische Monumentenzorg.

Het Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, lid 5 regelt de omgang van het bestemmingsplan met de in een gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Dit wordt straks onderdeel van de Omgevingswet. Dit komt er op neer dat tenzij dit reeds in een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is vastgelegd, er ten minste in het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

42

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

4.14.2 Gemeentelijk beleid Het archeologiebeleid van de gemeente Nijmegen is er, in overeenstemming met Malta en de Erfgoedwet, op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die mede als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. De Structuurvisie voor Nijmegen uit 2013 legt nadrukkelijk een koppeling tussen archeologie en lokale identiteit, en als bron of inspirator voor toerisme, een economisch belangrijke factor in de economie van de gemeente Nijmegen. Het zal duidelijk zijn dat een betere bescherming van het bodemarchief en vooral ook het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft de gemeente Nijmegen een archeologische beleidskaart ontwikkeld (ABAK), waarop de belangrijkste archeologische vindplaatsen en zones en hun waardering zijn aangegeven.

Deze kaart is onderdeel van de Nota Nieuw Beleid (2013) en in een bijgewerkte vorm van het facetbestemmingsplan archeologie (2014). De op de kaart aangeduide waarden vormen de basis voor nieuwe bestemmingsplannen, waar nodig aangevuld met nieuw onderzoek. Het streven van de gemeente Nijmegen is in eerste instantie gericht op behoud in situ. Planaanpassingen kunnen de kosten voor archeologisch onderzoek overbodig maken of sterk beperken. Initiatiefnemers wordt dan ook aangeraden in een vroeg stadium met de gemeente in overleg te gaan inzake de mogelijkheden om te kijken naar de best mogelijke opties. Het kan daarbij gaan om adviezen voor de soort van archeologisch onderzoek die het beste gekozen kan worden of om de mogelijkheden van archeologie sparend bouwen te bekijken.

Bestaande archeologische waarden in het plangebied Het plangebied Nijmegen Centrum –Stationsomgeving 4 ligt momenteel in een gebied met de dubbelbestemming waarde 3. Waarde 3 wordt aan een gebied toegekend vanwege de zeer hoge waarde van de in de ondergrond aanwezige archeologische resten. In het geval van dit plangebied gaat het daarbij voornamelijk om de aanwezigheid van een Romeins grafveld. Daarnaast kunnen ook resten uit andere perioden voorkomen. Normaliter kent deze dubbelbestemming vrijstellingen voor onderzoek. Deze vrijstellingen gaan in zodra er een ingreep is die niet dieper gaat dan 30 cm of waarbij het oppervlak kleiner is dan 50 m2. Daarnaast zijn er de algemene vrijstellingen uit het Bor, Bijlage II.

Onderzoeken en aangepaste waarde dubbelbestemming in het plangebied

Het plangebied ligt in een omgeving waar meerdere ontwikkelingen gepland zijn. In het kader van enkele van de andere plannen zijn reeds eerste onderzoeken uitgevoerd, die weliswaar niet direct op dit plangebied betrekking hebben, maar wel belangrijke informatie bevatten voor specifiek dit terrein. Het gaat hierbij met name om:

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

43

M. van Kooten, Bureauonderzoek Herinrichting stationsgebied, gemeente Nijmegen, Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 279, 2019.

Dit rapport bevat o.a. een kaart die rond 1890 is opgesteld door een toenmalige H.B.S. leraar, Van Abeleven, die de destijds bekende Romeinse vondsten heeft vastgelegd. Daaruit wordt duidelijk dat zowel ten noorden, ten oosten als ten zuiden van de Nieuwe Marktstraat 52 meerdere Romeinse graven zijn aangetroffen. Meer naar het westen, aan de andere kant van de spoorlijn, is al langer bekend dat er een groot grafveld uit de tweede en derde eeuw na Chr. ligt. Dit hoort bij de oudste Romeinse stad in Nederland: Ulpia Noviomagus. De door Van Abeleven geregistreerde vondsten horen vrijwel zeker bij ditzelfde grafveld. De aanwezigheid van deze graven maakt het mogelijk te spreken van een archeologische vindplaats. Zou dit volgens de huidige normen en protocollen opgegraven zijn dan zou er sprake zijn van een behoudenswaardige vindplaats. Voor behoudenswaardige vindplaatsen geldt nadrukkelijk het beleid gericht op behoud, bij voorkeur in situ. In aanloop naar de aanwijzing van delen van Nijmegen als UNESCO Werelderfgoed – voorzien voor 2021- is het de bedoeling om nog in 2020 te komen tot de aanwijzing van gemeentelijke archeologische monumenten. Ook buiten deze gebieden aanwezige behoudenswaardige vindplaatsen zouden die status moeten krijgen.

Vooruitlopend op het aanwijzen van gemeentelijke archeologische monumenten geldt voor dit plangebied dat we het nu al behandelen alsof het die status zou hebben. Daarmee vervalt de ondergrens van 50 m2 waardoor kleinere ingrepen niet onderzoeksplichtig zouden zijn. Ingrepen die niet dieper dan 30 cm onder het huidige maaiveld reiken blijven vergunningsvrij.

Bestemmingsplanregels Voor het hele bestemmingsplangebied blijft de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 gelden, maar zonder de ondergrens van 50 m2.

Benodigd onderzoek Indien een plan op basis van het bestemmingsplan vergunningplichtig is, kunnen voorwaarden ten aanzien van archeologie aan de vergunning worden verbonden. Uitgangspunt hierbij is de verplichting van de initiatiefnemer om het bevoegd gezag te voorzien van gegevens die aantonen hoe het met de archeologische waarden in het plangebied is gesteld, zodat een besluit genomen kan worden over hoe hiermee om te gaan bij de planrealisatie. De exacte eisen zullen daarom pas geformuleerd kunnen worden als de concrete, bodemverstorende ingrepen bekend zijn en kan worden beoordeeld welke impact de voorgenomen ingrepen op die waarden hebben. Ten laatste bij de vergunningaanvraag zullen die als concrete plannen bekend moeten zijn. Belangrijk zijn de uitgangspunten van het gemeentelijk archeologiebeleid: streven naar behoud in situ en enkel daar waar nodig en noodzakelijk onderzoek ter behoud ex situ. Daar waar geopteerd wordt voor behoud in situ zijn parameters als behoud van de huidige waterhuishouding, grondsamenstelling en gronddruk van belang. Ook moet worden gelet op het weer ongedaan kunnen maken van de huidige ingrepen, dit zal t.z.t. geen extra schade mogen kunnen toebrengen. In samenspraak met het bevoegd gezag wordt, zodra het planvoornemen uitgewerkt is en de beleidsuitgangspunten indachtig, bepaald worden welke ingrepen wel of niet raadzaam zijn en,

44

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

indien uitgevoerd, welke gevolgen daar vanwege de archeologie voor de initiatiefnemer aan verbonden zullen worden. Deze maatregelen en de archeologische onderzoeken die vooraf kunnen gaan aan een dergelijk besluit, worden bij voorkeur als maatwerk toegepast. Ze worden dus zoveel mogelijk per geval bekeken. Er zijn verschillende opties voor het te verrichten archeologisch onderzoek, die hieronder kort worden weergegeven.

Figuur 9: Uitgebreid archeologisch onderzoekschema, naar de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)

Het ruitje in het midden van de bovenstaande afbeelding staat voor het rapport dat moet aantonen hoe het met de archeologie binnen het plangebied is gesteld. De daarboven staande onderzoekstappen kunnen elkaar opvolgen, maar er kan ook gekozen worden om maar één bepaald soort onderzoek uit te voeren. In het algemeen geldt dat hoe lager men in de boom komt, hoe hoger de kosten worden, maar ook dat de data die gegenereerd worden steeds beter worden. Als een onderzoek onvoldoende duidelijkheid biedt kan het nodig zijn een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Elk project is maatwerk, waarbij het aan te bevelen is nauw contact te houden met het bevoegde gezag: de gemeente Nijmegen. Op basis van het advies kan de gemeente maatregelen opleggen. Deze variëren van het vrijgeven van het terrein tot het nemen van langdurige fysieke beschermingsmaatregelen. Een andere vorm kan het behoud van de archeologische waarden zijn door middel van een opgraving. Dit wordt ook wel behoud ex situ genoemd. Specifiek voor de ontwikkeling van Nijmegen Centrum 4 geldt dat bij het aantreffen van graven tijdens onderzoek zo mogelijk het hele graf geborgen zal worden. Dit geldt voor de begravene zelf en de eventueel aanwezige bijgaven en grafstructuren. De motivatie hiervoor is tweeledig.

Graven zijn een bijzondere vorm van informatiedragers, waarbij nadrukkelijk het hele ensemble meer zegt dan de losse delen. Daarnaast gaat het hierbij om menselijke resten. Deze zullen in zijn geheel en met de nodige respect geborgen worden.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

45

Meldingsplicht art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet Archeologische vondsten dan wel waarnemingen gedaan bij niet-archeologisch onderzoek moeten gemeld worden op basis van de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Dit soort vondsten wordt aangeduid als toevalsvondst. Om het documenteren van toevalsvondsten en waarnemingen mogelijk te maken, verdient het aanbeveling de volgende standaardtekst bij de vergunningverlening op te nemen, die refereert aan de wettelijke meldingsplicht van archeologische waarden (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet): Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze minister (artikel 5.10). Degene die bij het opsporen van archeologische monumenten, zonder het verrichten van een opgraving, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister (artikel 5.11). Deze melding kan in de praktijk worden gedaan bij het bevoegd gezag archeologie van de gemeente Nijmegen.

4.15 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 4.15.1 Duurzaamheidsagenda en ambities De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050). Deze ambities worden vooral ingegeven door de klimaatverandering die aanpassingen in ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk maakt. De Gemeenteraad van Nijmegen heeft haar visie op deze onderwerpen vastgelegd in de Kadernotitie Klimaat en de nota Duurzaamheid in Uitvoering.

4.15.2 Circulair en biobased bouwen In het ontwerp van het gebouw is veel aandacht besteed aan circulair en toekomstbestendig bouwen. Dit zorgt voor een besparing van grondstoffen en verminderde uitstoot van CO2. Maatregelen die in het ontwerp zijn genoemd, zijn: De bestaande fundering wordt hergebruikt; Zowel voor het gebouw als voor de bestrating wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van hergebruikte materialen. Als die niet beschikbaar zijn, wordt gekozen voor herbruikbare materialen; Er wordt deels demontabel gebouwd, waardoor verandering van functie in de toekomst mogelijk is.

Om inzichtelijk te maken welke grondstoffen er in het gebouw zitten, kan gebruik worden gemaakt van een materialenpaspoort. Hierdoor is het gebouw eenvoudiger te demonteren en

46

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

kunnen meer materialen worden hergebruikt.

4.15.3 Energie Nijmegen heeft het doel om in 2045 energieneutraal te zijn. Dit is uitgewerkt in de nota Duurzaamheid in Uitvoering. De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor ongeveer de helft van het energieverbruik en kan daarmee een grote bijdrage leveren aan de doelstelling. De kansen zitten in het beperken van de energiebehoefte, het opwekken van hernieuwbare energie en in aardgasvrij bouwen. Het instrument GPR kan de energieprestaties van een gebouw in beeld brengen. Gemeente Nijmegen stelt dit instrument kosteloos ter beschikking aan planontwikkelaars binnen de gemeentegrenzen. Energiebehoefte van het gebouw De energiebehoefte van een gebouw bestaat uit de warmte- en koudevraag en kan in kaart worden gebracht met een energiescan. De energiebehoefte wordt bepaald door een samenspel van factoren, zoals de mate van isolatie, de mate van kierdichting, de aanwezigheid van koudebruggen, de vorm (geometrie), de ligging en de bezonning van een gebouw. Hierbij kan ook onderzocht worden of oververhitting in een gebouw een probleem kan zijn en hoe de ventilatie geoptimaliseerd kan worden. Per 1 juli 2018 moeten nieuwbouwwoningen en gebouwen voor kleinverbruikers aardgasvrij gebouwd worden. Aangezien de fundering blijft liggen, mag het gebouw gebruik maken van de huidige aardgasaansluiting en hoeft het niet aan deze verplichting te voldoen.

Het gebouw moet wel voldoen aan de geldende energienormen voor nieuwbouw uit het bouwbesluit. Vanaf 1 januari 2021 wordt bijna energie neutrale bouw (BENG) de norm. We adviseren het gebouw nu al op deze ambitie te ontwerpen en vervolgens te toetsen in hoeverre dit in de geraamde bouwsommen past. Dit geeft de mogelijkheid om, indien het budget te krap is voor volledig energieneutrale woningen, die elementen achterwege te laten (zoals zonnepanelen) die bij een verdere verduurzamingsslag alsnog toegevoegd kunnen worden, terwijl er wel een optimale gebouwschil en daarop afgestemde installatie ontworpen worden. Vanwege de klimaatveranderingen zal naast de warmtevraag ook de koudevraag een steeds grotere rol spelen. Bij koeling met airco's wordt de warmte van binnen naar buiten verplaatst, waardoor de hittestress in de openbare ruimte toeneemt. Bovendien zorgt dit voor een grote CO2-uitstoot. Het heeft daarom de voorkeur om op een andere manier te koelen, bijvoorbeeld door middel van warmte-koude opslagsysteem. Het gebied is hier onder voorwaarden geschikt voor. Voor het bepalen van deze voorwaarden zal afstemming gezocht moeten worden met eventuele nabijgelegen andere geïnteresseerden voor bodemwarmte en zal de milieu hygiënische situatie van de bodem in ogenschouw genomen moeten worden.

4.15.4 Klimaatadaptatie Ons klimaat verandert. De regionale stresstesten die zijn uitgevoerd hebben laten zien dat de regio gevoelig is voor alle klimaateffecten: te nat, te droog, te heet en overstroming. Een te veel aan verstening en het ontbreken van voldoende groen verergeren de problemen van te nat, te droog en te heet. In 2018 heeft de regio deze kwetsbaarheden digitaal in kaart gebracht in een regionale klimaateffectatlas, de storymap. Deze regionale klimaateffectatlas geeft een overzicht van de huidige stand van zaken van kennis en informatie over de potentiële klimaatkwetsbaarheden van de regio. https://climadapserv.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=141dc8934ba849cfb1 dac8e8da5a94e3 Op 26 maart 2019 heeft het college de Regionale Adaptatie Strategie (RAS) vastgesteld. In deze strategie staat beschreven wat de ambities en doelstellingen zijn voor de korte en langere

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

47

termijn en hoe we binnen (en buiten) de regio met klimaatadaptatie aan de slag willen gaan. Thema's voor Nijmegen in deze strategie zijn 'een groenblauwe stad' en 'klaar voor de hitte'. Deze RAS is een interactief proces met overheden – gemeenten, waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland – in de regio Rijk van Nijmegen en Land van Maas & Waal, en met regionale stakeholders. De gemeente Nijmegen gaat de RAS vertalen naar een Lokale Adaptatie Strategie met lokale ambities en opgaven. In het GRP 2017-2023 ligt accent op klimaatadaptatie en op de visie om als stad klimaatbestendig te zijn in 2050. Daarom zal extra aandacht aan duurzame stedelijke ontwikkeling worden gegeven, die rekening houdt met meer groen in de stad om hittestress tegen te gaan en minder verharding om beter met hevige regenval om te kunnen gaan. Het beperkt willen houden van gezondheidsrisico is een ambitie die ook van toepassing is op de risico's van “nieuwe stoffen” in afvalwater, zoals bijvoorbeeld medicijnresten. Zie paragraaf water voor nadere uitwerking. Klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen In het ontwerp is rekening gehouden met een laag van 1,5m grond op het dak. Hierdoor ontstaat een groen dak, wat bijdraagt de waterberging en aan de biodiversiteit. Het groendak houdt het water langer vast, waardoor er bij piekbuien minder druk ontstaat op de openbare ruimte en op het riool.

Daarnaast trekt het groendak insecten en andere dieren aan, zoals vogels. Andere maatregelen die kunnen bijdragen aan klimaatadaptief bouwen zijn bijvoorbeeld: Een zoveel mogelijk groen ingerichte omgeving met niet meer dan noodzakelijke verharding van wegen, fiets-/voetpaden en terrassen. Met het vele groen ontstaat een natuurlijke piekberging voor neerslag wat zorgt voor minder hittestress en droogte; Inpassen van bestaande bomen vanwege de hoeveelheid schaduw die ze direct geven in vergelijking met nieuwe bomen, ook vanwege de biodiversiteit die al in de bestaande bomen aanwezig is; Vermijd grote gesloten verharde parkeervlakken of voorzie ze van voorzieningen zoals pergola's om lokale oververhitting te beperken. Half open parkeerterreinen/waterdoorlatende tegels zijn ook goede opties.

4.15.5 Duurzame mobiliteit Het autobezit in Nederland neemt nog altijd toe. Dit leidt tot opstopping van de wegen, parkeerdruk en uitstoot van broeikasgassen en luchtvervuilende stoffen. Gezien de ligging naast het Centraal Station en het veelal lokale publiek zijn fiets en OV goede alternatieven voor de auto. De juiste voorzieningen, zoals voldoende fietsenstallingen voor de deur, kunnen deze vervoerswijzen nog aantrekkelijker maken.

4.16 Niet gesprongen explosieven Het plangebied is verdacht op geschuts- en afwerpmunitie

48

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

Lichtblauw = geschutsmunitie

bruin/blauw = afwerpmunitie

Geschutmunitie • afbakening max-2,5 m MV

Afwerpmunitie • •

Tot en met 17 cm (Duits) TientallenVerschotenVerticale

500 lbs brisantbommen

20 lbs fragmentatiebommen (geallieerd) Exemplarisch Afgeworpen

Verticale afbakening situationeel te bepalen, indien niet mogelijk dan -4,5 m MV aanhouden. In het kader van de Arbowetgeving heeft de opdrachtgever/initiatiefnemer de verplichting om werkzaamheden onder veilige condities uit te laten voeren. Onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten maakt daar deel van uit. Indien er in na de oorlog ongeroerde grond gewerkt gaat worden dan geldt bovenstaande verplichting. Opsporing kan voorafgaand aan de werkzaamheden plaatsvinden of – indien dat niet mogelijk of gewenst is – kunnen de werkzaamheden onder begeleiding van een opsporingsbedrijf plaatsvinden. Daar waar in aantoonbaar na de oorlog geroerde grond wordt gewerkt adviseer ik het protocol “toevalsvondst van een explosief” te gebruiken en dit vóór aanvang van de werkzaamheden met de aannemer te bespreken. Een vooronderzoek door een conform de CS-VROO (vrijwillig) gecertificeerd bedrijf kan uitkomst

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

49

bieden om die naoorlogse grondroeringen in beeld te krijgen.

Conclusie In de planontwikkeling wordt er rekening gehouden met eventuele OOO en er zullen maatregelen worden getroffen om de veiligheid te garanderen.

4.17 Trilling De gemeenteraad heeft in de zienswijze van reclamant aanleiding gezien om trillingsonderzoek te laten uitvoeren naar de gevolgen van de trillingen van treinen voor het poppodium en de kantoorfunctie. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het ‘Trillingsonderzoek poppodium Merleyn’ van 10 oktober 2022, uitgevoerd door DGMR (hierna: ‘het Trillingsonderzoek’). Uit het Trillingsonderzoek blijkt dat trillingen van treinen geen belemmering vormen voor het realiseren van een kantoor in het poppodium en dat er ook geen belemmering is voor het in ruimere zin bestemmen van de nieuwbouw als kantoorfunctie. Bij het uitvoeren van het onderzoek naar trilling is DGMR uitgegaan van de normen die zijn genoemd in de ‘Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen’. De gemeten trilniveaus komen niet uit boven de streefwaarden in die Handreiking.

50

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (met legenda) en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en planregels. In de volgende twee paragrafen wordt de systematiek van de planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.

5.2

Systematiek van de planregels

Voor het bestemmingplan wordt gebruik gemaakt van het Standaard bestemmingsplan van de gemeente Nijmegen. Het Standaard bestemmingsplan is gebaseerd de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) waarin landelijke standaarden voor planregels en verbeelding zijn geformuleerd. De standaardisatie maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Het bestemmingsplan wordt zowel in analoge als digitale vorm opgesteld. Bij interpretatieverschillen heeft het digitale bestemmingsplan voorrang. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsplanregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

51

52

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1

Kostenverhaal

De betreffende locatie is eigendom van de gemeente Nijmegen. De door de gemeente te maken kosten worden verantwoord binnen de grondexploitatie. De kosten omvatten de aankoop van het pand Nieuwe Marktstraat 50-52 met de daarbij behorende kosten (kosten koper) en de kosten van de bestemmingsplanwijziging. Ook de kosten voor het opstellen van de erfpachtovereenkomst, overige plankosten, eventuele onderzoeken en aanpassingen in de openbare ruimte komen ten laste van de planexploitatie. De kosten voor sloop, het bouwrijp maken van de grond en de bouw van het nieuwe poppodium komen voor rekening van Stichting Doornroosje. De dekking van deze kosten worden gegenereerd door het uitgeven van de grond in erfpacht aan Stichting Doornroosje voor de duur van 40 jaar. De erfpachtcanon is marktconform waarbij rekening is gehouden met het beperkt gebruik van deze locatie als poppodium. Derhalve kan gesteld worden dat de bestemmingsplanherziening financieel-economisch uitvoerbaar is. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd en daarom hoeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vastgesteld te worden.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

53

54

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Centrum - Stationsomgeving - 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium)

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1

Participatieproces

Op 8 juli 2020 heeft de raad ingestemd met het raadsvoorstel 'Realisatie poppodium Merleyn' waarna de aankoop van het voormalig pompgebouw van Vitens aan de Nieuwe Markstraat is geformaliseerd met als uitgangspunt de realisatie van poppodium Merleyn. Daarnaast is de motie 'De juiste toon bij inwonersparticipatie voor nieuwbouw Merleyn' aangenomen. In navolging op het raadsbesluit heeft het college op 12 januari 2021 het participatieprocesplan vastgesteld met de daarbij behorende raadsinformatiebrief. Het participatieproces is op 5 november 2020 van start gegaan met een algemene digitale informatieavond en in maart 2022 tot een afronding gekomen. Voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure is als extra stap het participatieproces doorlopen zoals omschreven in het participatieprocesplan dat is vastgesteld door het college. Dit proces is door de raad gevolgd. Alle adressen in een ruim verspreidingsgebied rondom de Nieuwe Markstraat 50-52 zijn uitgenodigd om deel te nemen aan een digitale informatieavond op 5 november 2020 en plaats te nemen in de klankbordgroep. Naast de uitnodiging op adres is in een aantal (woon)complexen een poster opgehangen met de uitnodiging. Dit heeft geresulteerd in een klankbordgroep met een vertegenwoordiger van Wibeco, het gemeentelijk gymnasium en drie bewoners.

Alle deelnemers van de klankbordgroep hebben aangegeven voor hun individuele belang deel te nemen aan het participatieproces. In totaal zijn er tijdens het klankbordgroepoverleg 9 overleggen georganiseerd met de klankbordgroep en/of de wethouder en heeft er ook een locatiebezoek plaatsgevonden bij het voormalig pompstation. In de klankbordgroep zijn de zorgen die de leden hebben over de komst van het poppodium opgehaald en besproken. Voor die zorgen waar nader onderzoek nodig was, is een onderzoek uitgevoerd. Klankbordgroepleden hebben meegedacht over de benodigde onderzoeksvragen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een onderzoek verkeersstromen en een aanvullend akoestisch onderzoek. We zijn het niet op alle fronten eens geworden. De belangen en verwachtingen van de nieuwe situatie verschillen. De reguliere en aanvullende onderzoeken wijzen uit dat voldaan kan worden aan de wettelijke normen en dus sprake is van een goede ruimtelijke ordening met de komst van Merleyn naar de Nieuwe Markstraat 50-52. Alle verslagen en de besproken documenten tijdens het participatieproces zijn gepubliceerd op de participatiewebsite mijnwijkplan (Nijmegen.nl/nieuwemarktstraat).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7ab71d4a-6338-44a3-a339-678730e8ddf6