Besluit in PDF (preview van de bekendmaking op overheid.nl).
Tekst van het document
Dit maakt dat de relatief grote en landelijke gemeente Berg & Dal nagenoeg geen geschikte gebieden heeft voor de ontwikkeling van windenergie. Er zijn wel enkele gebieden die mogelijk geschikt te maken zijn. Windenergie in Berg & Dal is daarmee niet uitgesloten, maar vanuit regioperspectief ligt het ook niet direct voor de hand. Dit leidt tot het volgende beeld van gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Met in het blauw de noordelijke gemeenten Arnhem, Duiven en Zevenaar, in het paars Lingewaard en Overbetuwe in het middengebied en de zuidelijke gemeenten Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen in het groen.
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Figuur 8: Tien gemeenten met goede mogelijkheden voor windenergie.
3.5.2 Windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren Binnen deze tien gemeenten zijn er grote verschillen in mogelijkheden, gerealiseerde windprojecten, vergunde windplannen en aangewezen zoekgebieden voor windenergie. In onderstaande tabel staat een overzicht van het aantal windturbines in concrete plannen per gemeente. Tabel 3: Aantal windturbines per gemeente. Gemeente
Gerealiseerde en/of vergunde windprojecten
Windprojecten in voorbereiding
Totaal aantal turbines
Arnhem
•
Koningspleij
--
4 turbines
Beuningen
•
Windpark Beuningen
--
5 turbines
Duiven
• •
RWZI Innofase Windpark Duiven
--
• •
Druten
--
--
--
Heumen
--
--
--
Lingewaard
• •
Caprice Lingewaard A15
--
• •
2 turbines 3 turbines
Nijmegen
• •
Nijmegen-Betuwe De Groene Delta
--
• •
4 turbines 2 turbines
Overbetuwe
--
• •
4 turbines 2 turbines
Wijchen
•
Bijsterhuizen
--
3 turbines
Zevenaar
•
Byvanck
--
4 turbines
• •
Park 15 Midden-Betuwe
2 turbines 4 turbines
Bron: NINOX, 2025
Van de tien gemeenten heeft de helft al vijf of meer windturbines gerealiseerd, vergund of gepland. Met name van Nijmegen is dat een behoorlijke prestatie, omdat het van de tien gemeenten feitelijk de minst geschikte, of geschikt te maken gebieden kent. Arnhem zit met vier gerealiseerde turbines weliswaar net onder de grens van vijf, maar ook voor die gemeente geldt dat het aantal geschikte of geschikt te maken gebieden zeer beperkt is. Voor de gemeente Duiven geldt dat in het vastgestelde RES 1.0 zoekgebied W.5 nog potentie is voor 1 tot 2 windturbines.
20
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Naast Arnhem zijn er vier andere gemeenten met minder dan vijf gerealiseerde, vergunde of geplande windturbines. Het gaat om Wijchen (drie turbines), Zevenaar (vier turbines) en de gemeenten Druten en Heumen die nog geen windprojecten gepland hebben. Voor alle vier de gemeenten geldt dat de potentie aan geschikte en geschikt te maken gebieden relatief groot is.
Concept
3.5.3 Heumen beraadt zich op windenergie De gemeente Heumen streeft ernaar om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als belangrijke tussenstap wil de gemeente in 2030 elektriciteitsneutraal zijn. Heumen heeft de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om dit gemeentelijke duurzaamheidsdoel te behalen. Zo zijn eerst de mogelijkheden voor waterkracht onderzocht en vervolgens die van grootschalige zonne-energie. Tenslotte heeft de gemeente onderzoek gedaan naar windenergie, waarbij twee mogelijke gebieden in het oog sprongen. Enerzijds het gebied tussen de Hatertse/Overasseltse Vennen en de dorpen Overasselt en Nederasselt; het zogenoemde ‘Kommengebied’. Anderzijds de zone tussen de A73 en het Maas-Waalkanaal. In februari 2025 heeft de gemeenteraad gekozen voor het Kommengebied als zoekgebied voor windenergie. Zowel het Kommengebied, als de A73 zone hebben een potentie van 2 tot 3 windturbines. De vraag is echter hoe realistisch de keuze voor het Kommengebied is. Dit gebied ligt namelijk volledig in het ‘CNS-vlak’ van het militaire vliegveld Volkel. CNS staat voor Communicatie, Navigatie en Surveillance. In essentie betekent het CNS-beschermingsvlak dat de verkeerstoren zijn werk kan doen en daarbij niet door hoge bouwwerken gehinderd wordt. Dit gebied wordt ook wel aangeduid als CTR-zone of Militaire Control Zone.
In het regionale milieueffectonderzoek zijn deze luchtvaartbeperkingen niet meegenomen. In december 2025 is een onderzoek naar de haalbaarheid van het Kommengebied als zoekgebied voor windenergie afgerond. Uit het onderzoek blijkt dat het Kommengebied ongeschikt is voor windenergie vanwege de radarcontour en de afstand tot een onderstation. De gemeenteraad van Heumen heeft daarom op 29 januari 2026 besloten het Kommengebied niet langer als zoekgebied voor windenergie aan te wijzen.
Figuur 9: Geschiktheidskaart Heumen voor windenergie met een lage geluidsemissie
3.5.4 Zevenaar: drie nieuwe zoekgebieden windenergie De gemeente Zevenaar hanteert de volgende duurzaamheidsdoelen: Zevenaar wil in 2030 de gemeentelijke CO2-uitstoot met 55% hebben verminderd ten opzichte van het jaar 1990. In 2040 wil de gemeente Zevenaar aardgasvrij zijn en in 2050 energieneutraal. Begin 2025 heeft Zevenaar haar Omgevingsvisie richting 2040 vastgesteld. De gemeente beschrijft daarin acht samenhangende ambities. Ambitie 5 gaat in op een klimaatneutrale gemeente. Daarin geeft Zevenaar aan: “Voor windenergie (als onderdeel van de RES-opgave) zien we mogelijkheden nabij bestaande locaties en langs de A12 (energiecorridor).” … “We geven zoekzones aan waar we mogelijkheden zien voor grootschalige opwek. We zetten in op zon op daken. Ook op windturbines, mits goed ingepast eventueel in combinatie met zon.” Met die tekst geeft de gemeenteraad van Zevenaar haar kaders mee voor de ontwikkeling en uitwerking van windenergie binnen de gemeentegrenzen.
21
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Het college van Zevenaar heeft op 19 augustus 2025, in lijn met de gestelde kaders van de Omgevingsvisie, een drietal zoekgebieden aangewezen voor de ontwikkeling van windenergie. Het gaat om drie gebieden die aansluiten op bestaande windlocaties, namelijk: • Het Zevenaarse gebied aansluitend op het RES-windzoekgebied W.5 bij Innofase in de buurgemeente Duiven. • Het gebied rond het bestaande windpark Byvanck. • Het gebied ten noorden van de A12 en de kern Zevenaar.
Daarmee wijst het Zevenaarse college de gebieden in de bouwsteenkaart Leefomgeving van de Omgevingsvisie Zevenaar (2025) aan als windzoekgebieden binnen de gemeente. De zoekgebieden liggen grotendeels in lijn met de voorkeursgebieden van het Zevenaarse ‘Toets- en afwegingskader grootschalige duurzame energieopwekking’ uit 2020. In de komende periode actualiseert het college dit Toets- en afwegingskader en brengt dit in lijn met de Omgevingsvisie en de aangewezen zoekgebieden voor de ontwikkeling van windenergie. Dit vergt geen volledig nieuw afwegingskader, maar een aanscherping van de uitgangspunten naar de huidige situatie.
Figuur 10: Drie vastgestelde windzoekgebieden Zevenaar op basis van de Omgevingsvisie (2025).
3.5.5 Druten: lokale afweging in visie op wind- en zonne-energie De gemeente Druten heeft het doel om in 2040 energieneutraal te zijn. Dat betekent dat de gemeente over 15 jaar lokaal net zoveel schone energie opwekt als dat ze gebruikt. De gemeente heeft dit in 2024 vastgelegd in haar toekomstvisie ‘Samen Sterk, Samen Druten’. Druten richt zich daarbij vooral op zonneenergie. Dat heeft de gemeente in de afgelopen jaren ver gebracht. Zo is in figuur 5 aan het begin van dit hoofdstuk te zien dat Druten binnen de RES-regio de derde plaats inneemt bij duurzame elektriciteitsopwek. De gemeente Druten heeft eind 2025 haar Lokale Energiestrategie (LES) vastgesteld. Hierin wordt met het Energy Transition Model (ETM) uitgerekend hoeveel energie de gemeente in 2040 moet opwekken om energieneutraal te zijn. De zeven zonneparken die Druten inbracht voor de RES 1.0 zijn hiervoor niet voldoende. De gemeente heeft dus ook nog een aanzienlijke opgave om haar doel van een energieneutrale gemeente in 2040 te bereiken. De planMER laat zien dat er in de gemeente Druten verschillende gebieden zijn waar windenergie technisch mogelijk is. Of en hoe deze mogelijkheden worden benut, wordt lokaal bepaald in een nog vast te stellen visie op windenergie door de gemeenteraad.
22
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Figuur 11: Geschiktheidskaart Druten voor windenergie met een lage geluidsemissie.
3.5.6 Wijchen: tender tussen drie mogelijke windzoekgebieden De gemeente Wijchen wil, in lijn met het Klimaatakkoord, de CO2-uitstoot terugbrengen en op termijn energieneutraal worden. Energieneutraal betekent dat in de gemeente evenveel energie duurzaam wordt opgewekt, als dat er op jaarbasis wordt verbruikt. Uitgesloten hierbij is de energie die gepaard gaat met mobiliteit van en naar de gemeente. De gemeente Wijchen heeft in 2024 een Visie Zon en Wind opgesteld. Op basis van de planMER RES GMR heeft de gemeente acht gebieden onderzocht, die misschien geschikt zijn om windmolens te plaatsen. Daarvan zijn drie gebieden overgebleven: 1. Bij Batenburg 2. Tussen de A50 en de Wezelse Plas 3. Ten westen van de A50 bij Niftrik In een van deze gebieden komt dus een windpark. In figuur 12 staan de drie mogelijke windzoekgebieden van Wijchen genummerd. Waar de windmolens precies komen, hangt af van de plek waar het hoogspanningsstation van TenneT komt. Op dit moment werkt de landelijke netbeheerder TenneT aan een locatiekeuze voor een hoogspanningsstation, in afstemming met de gemeente Wijchen en de provincie Gelderland. Dit hoogspanningsstation kent een aanzienlijke ruimteclaim van circa 26 hectare (exclusief natuur- en watercompensatie). Het ministerie van Klimaat, Groene Groei en Energie (KGG) is het bevoegd gezag voor de besluitvorming over dit station.
De precieze locatie van het hoogspanningsstation is nog niet bekend en concurreert met de zoekgebieden voor windenergie. De locatiekeuze voor het hoogspanningsstation gaat voor de aanwijzing van een windzoekgebied. De keuze voor het uiteindelijke windzoekgebied wacht daarmee de komende jaren op duidelijkheid over de locatie en impact van het hoogspanningsstation. De gemeente Wijchen en de GMR onderstrepen het nationale belang van het hoogspanningsstation. Tegelijk betekent het ruimtebeslag dat er in het gebied minder ruimte beschikbaar is voor andere ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder windenergie. In december 2025 heeft de gemeenteraad van Wijchen het "Gebiedsraamwerk Buitengebied Batenburg, Niftrik, Hernen, Bergharen en Leur" vastgesteld. Dit gebiedsraamwerk, en de daaruit voortkomende gebiedsvisie, worden betrokken bij de verdere regionale uitwerking en afstemming in en rond dit gebied, zodat bij keuzes over energie-opwek, netcongestie en energie-infrastructuur steeds wordt gekeken naar het totaalbeeld en de optelsom van effecten voor natuur, landschap en leefomgeving.
23
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Figuur 12: Drie mogelijke windzoekgebieden windenergie Wijchen. Visie wind- en zonne-energie Wijchen, 2024
3.5.7 Samenvatting zoekgebieden RES 2.0 Figuur 13 geeft een samenvatting van de zoekgebieden voor zonne- en windenergie in de regio. Hierin zijn de RES 1.0 zoekgebieden opgenomen, aangevuld met de vastgestelde windzoekgebieden in de gemeente Zevenaar. Voor de gemeente Overbetuwe geldt ten opzichte van de RES 1.0 een aanpassing van de zoekgebieden langs de A15.
Figuur 13: Samenvattende kaart met RES 2.0 zoekgebieden wind en zon
24
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
3.6 Gedragscode Acceptatie en participatie windenergie op land Om acceptatie van windenergie te bevorderen, hebben verschillende organisaties de ‘Gedragscode Acceptatie & Participatie windenergie op land’ opgesteld. De Gedragscode is een initiatief van Greenpeace, Milieudefensie, NedZero, Natuur & Milieu, de Natuur- en Milieufederaties, de Nederlandse Vereniging omwonenden windturbines (NLVOW) en EnergieSamen. De kern van de gedragscode is dat de omgeving in een zo vroeg mogelijk stadium bij windprojecten wordt betrokken. Voor ieder project wordt in overleg met belanghebbenden en het bevoegd gezag een participatieplan opgesteld, waarmee afspraken over participatie door inwoners vast komen te liggen. Hierbij staat maatwerk centraal. De Gedragscode bindt de leden van NedZero (voorheen NWEA) aan een aantal basisprincipes ten aanzien van participatie, communicatie en het leveren van een bijdrage aan het versterken van acceptatie. Ook de natuur- en milieuorganisaties, de NLVOW en de energiecoöperaties binden zich door ondertekening van de code aan het verbeteren van participatie waardoor acceptatie van windenergie wordt vergroot. De gedragscode verbindt alle ondertekenaars aan de basisprincipes voor lokale betrokkenheid en werd in 2014 positief gewaardeerd door de minister van Economische Zaken. In 2020 is de Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land herzien.
Zo zijn de afspraken uit het Klimaatakkoord over het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom toegevoegd en is een paragraaf opgenomen over natuur en landschap. We onderschrijven het belang van deze gedragscode en de randvoorwaarden die daarmee gelden voor alle initiatiefnemers en projectontwikkelaars. We spreken af om deze gedragscode bij windprojecten in de regio te hanteren. Dit is bij de vaststelling van de Verrijking RES 2024 benoemd als wens vanuit de gemeente Wijchen. Het staat gemeenten en provincie vrij om hierop zelf aanvullend beleid te maken.
3.7 Lokaal eigendom in de RES In de RES 1.0 is afgesproken om te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom bij de ontwikkeling van wind- en zonprojecten in de regio. Dit streven sluit aan bij het Klimaatakkoord van 2019. De motivatie is dat de energietransitie meer kans op succes heeft als de lokale bevolking er actief bij betrokken is en er ook de vruchten van plukt. Dat is belangrijk omdat windturbines en zonneparken worden ingepast in de leefomgeving van mensen. Een goede betrokkenheid van de omgeving leidt daarbij tot beter ingepaste projecten, waar een gebrek aan betrokkenheid juist weerstand oproept. Lokaal eigendom kent diverse vormen. Individuele lokale eigenaren horen daarbij, inclusief lokale bedrijven en agrariërs. In dat geval blijft de opbrengst van de projecten in de lokale gemeenschap. Maar als het gaat om betrokkenheid bij de besluitvorming zijn bredere samenwerkingsverbanden, zoals energiecoöperaties een betere oplossing. Energiecoöperaties bestaan in vrijwel alle gemeenten in onze regio, zij het in verschillende stadia van ontwikkeling en realisatie van projecten. Die lokale betrokkenheid is in de meeste gevallen bij zon-op-dak projecten van meer dan 15 kWP (de minimum omvang om mee te tellen voor het halen van de RES-doelen) gewaarborgd.
Meestal is de eigenaar van het dak ook eigenaar van het project en in veel gevallen kan die eigenaar beschouwd worden als onderdeel van de lokale gemeenschap. In een aantal gevallen wordt het project beheerd door een energiecoöperatie. Bovendien is het belang van lokaal eigendom bij zon-op-dakprojecten wat minder relevant, gezien de beperkte impact op de leefomgeving. Belangrijker is lokaal eigendom bij windturbines en zon-op-landprojecten. Voor beide typen projecten is helaas sprake van een relatief dalende trend, in elk geval voor zover het de bijdrage van energiecoöperaties betreft. Hoewel in absolute zin de coöperatieve productie van zon- en windenergie tussen 2020 en 2024 in onze regio met bijna 150% is toegenomen, is het aandeel in de totale productie van wind- en zon-oplandstroom gehalveerd; van 20% naar 10%. Als het om nog te verwezenlijken plannen gaat is het aandeel van de coöperaties in onze regio veel groter: 34%. Van andere vormen van lokaal eigendom zijn geen cijfers beschikbaar. De energiecoöperaties hebben nog veel plannen en staan klaar om de gemeenten te helpen naar 50% lokaal eigendom toe te werken. Netcongestie speelt hen ook parten, en in sommige gevallen hardnekkige weerstand van enkelen die tot in de Raad van State doorvechten. De doelstelling te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom blijft relevant en nodig.
Daar waar het belang van decentrale oplossingen in het energiesysteem groeit, gaat ook het belang van lokaal eigendom groeien. Bij lokaal eigendom worden middelen en opbrengsten voor een belangrijk deel ingezet ten dienste van de lokale inwoners en partners. Gemeenten kunnen een cruciale rol spelen in het realiseren daarvan. Zij kunnen onverbloemd voor lokaal eigendom kiezen en dat ook in woord en daad uitdragen.
25
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Daar zijn goede voorbeelden van, ook in onze regio. Zoals de gemeente Beuningen, die dit niet alleen als voorwaarde had gesteld voor de realisatie van een flink windpark, maar ook de vorming van een lokale coöperatie heeft gesteund en nog steeds doet. De provincie heeft in juni een beleidsregel uitgevaardigd om dit concreet te maken (Beleidsregel lokaal eigendom en participatie bij duurzame energie. Lokale weten regelgeving). Maar gemeenten kunnen nog verder gaan, zoals in enkele delen van Nederland al gebeurt, door het zelf gaan deelnemen in lokale projecten, samen met coöperaties. Dat betekent enerzijds een organisatorische en institutionele versterking en waarborgt anderzijds dat de lokale bevolking, voor zover die dat wil, via de coöperatie veel meer kan betekenen dan wanneer het een traditionele gemeentelijke activiteit zou zijn. Voor meer info over dit onderwerp zie de webpagina lokaal eigendom op de GMR website.
4 Warmte 4.1 Doelstellingen, bod en afspraken RES 1.0 4.1.1 Inleiding
Doelstellingen Doelstellingen warmtetransitie bestaande woningvoorraad De regionale doelstellingen voor warmte zijn afgeleid uit het Nationaal Klimaatakkoord (2019) en de Europese klimaatwet (2021). Deze leiden tot: Nationale Doelstelling • 2050: 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen zijn van het aardgas af. • 2030: de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen zijn verduurzaamd.
Regionale Doelstelling Groene Metropoolregio Vertaling van deze doelstellingen naar het aantal woningen in de Groene Metropoolregio leidt tot: • 2050: alle woningen verduurzaamd en aardgasvrij (347.000 woningen). • 2030: de eerste 20% (75.000 woningen) verduurzaamd en aardgasvrij. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen en utiliteitsbouw (zoals scholen, winkels en kantoren) goed geïsoleerd zijn en dat aardgas niet langer de standaard is om gebouwen te verwarmen. Dit noemen we de warmtetransitie van de gebouwde omgeving. In de RES 2.0 richten we ons specifiek op de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. De relatie tussen de warmtetransities van de gebouwde omgeving, industrie en bedrijventerreinen en de ontwikkeling van warmtebronnen wordt onderzocht in het kader van het uitvoeringsplan energiesysteem van de regio. In deze RES komen utiliteitsbouw en nieuwbouw alleen aan bod als deze relevant zijn voor de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. Voor nieuwbouw geldt dat deze op basis van het bouwbesluit gasloos en duurzaam wordt gerealiseerd.
4.1.2 Individuele of collectieve aanpak Bij de overstap naar aardgasvrije alternatieven onderscheiden we een individuele en een collectieve aanpak. Bij een individuele aanpak vervangen woningeigenaren zelf hun cv-ketel, bijvoorbeeld door een warmtepomp. Vaak gebeurt dit op een natuurlijk moment, zoals een verhuizing of verbouwing. Bij een collectieve aanpak schakelt een heel gebied, in een projectmatige aanpak, over naar een duurzame warmteoplossing. Dat kan een warmtenet zijn, maar ook een collectieve actie om warmtepompen te installeren. Hier kan de aanwijsbevoegdheid van de gemeente een rol spelen. Beide aanpakken brengen aanzienlijke kosten met zich mee voor woningeigenaren, ook al kunnen ze deze deels of geheel terugverdienen. Investeringen in isolatie en vervanging van verwarmingsinstallaties zijn niet altijd eenvoudig te financieren. Ook woningcorporaties kunnen een collectieve aanpak hanteren; zij hebben hierover met het Rijk prestatieafspraken gemaakt.
4.2 De rol van gemeenten
26
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
4.2.1 Inleiding Gemeenten hebben de regierol in de wijkgerichte aanpak van de warmtetransitie. Uiterlijk eind 2021 hebben zij daarvoor een Transitievisie Warmte (TVW) opgesteld. Voor eind 2026 stellen gemeenten daarnaast een warmteprogramma vast waarin zij minimaal tien jaar vooruitkijken en een visie geven op de lange termijn. Dit warmteprogramma moet elke vijf jaar geactualiseerd worden. De provincie Gelderland geeft in haar Beleidskader Energiesysteem richting aan deze leidende principes: focus op energiebesparing, focus op lokale decentrale inrichting van het energiesysteem en focus op een diverse energiemix. In de warmteprogramma’s wordt per wijk aangegeven wanneer deze overstapt op een andere warmtevoorziening dan aardgas. Daarmee helpen gemeenten de woningeigenaar met de keuze en ondersteunen ze bij de overschakeling naar aardgasvrij verwarmen.
Figuur 14: Tijdlijn warmtetransitie.
4.2.2 Nieuwe wetgeving Om gemeenten te ondersteunen in hun regierol wordt een nieuw wettelijk kader ontwikkeld: • De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) is een aanvulling op de omgevingswet die gemeenten in staat stelt om, binnen strikte regels, te bepalen waar en wanneer wijken van het gas af gaan. Dit wordt vastgelegd in een warmteprogramma, dat uiterlijk 31 december 2026 moet zijn vastgesteld. • De Wet collectieve warmte (Wcw) geeft gemeenten de regie bij de ontwikkeling en exploitatie van warmtenetten en beschermt woningeigenaren door middel van gereguleerde tarieven en toezicht op warmtebedrijven. In de wet staat dat warmtebedrijven voor meer dan 50% in handen dienen te zijn van publieke partijen. De Wet collectieve warmte (Wcw) is op 3 juli 2025 aangenomen door de Tweede Kamer en treedt naar verwachting op 1 januari 2026 in werking, na behandeling en goedkeuring door de Eerste Kamer.
4.3 Waar staan we nu in de regionale warmtetransitie? De warmtetransitie is in de regio Arnhem-Nijmegen een grote uitdaging. Van de 350.000 woningen wordt circa 85% nog verwarmd met aardgas2. Bij de resterende 15% is het hoofdverwarmingssysteem een warmtenet, warmtepomp of ontbreekt informatie. In onze regio zijn ongeveer 28.000 woningen aangesloten op warmtenetten van Vattenfall. In de TVW’s maakten de gemeenten nog weinig keuzes voor warmteoplossingen op de lange termijn. Er werden veelal no regret-maatregelen aangekondigd zoals isolatie, vaak met een gemeentebrede aanpak. In enkele gevallen werd de keuze gemaakt voor een warmtenet of onderzoek aangekondigd naar de haalbaarheid ervan. Tijdens het opstellen van de TVW’s ontbrak het veel gemeenten aan benodigde kennis en capaciteit. Inmiddels zijn sommige plannen bijgesteld of (tijdelijk) stilgelegd. In de afgelopen jaren is de kennis over de warmtetransitie bij gemeenten en hun partners aanzienlijk gegroeid, onder meer door deelname aan het nationale Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) en het provinciale programma ‘Wijk van de Toekomst’. Landelijke organisaties zoals NPRES en NPLW bieden hierbij ondersteuning. Hierdoor zijn gemeenten steeds beter in staat om in hun warmteprogramma’s duidelijke keuzes te maken.
Omdat iedereen mee moet kunnen in de warmtetransitie, doen gemeenten onderzoek naar de haalbaarheid en betaalbaarheid van hun aanpak en zijn zij in gesprek met betrokken buurten en wijken.
27
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
2
https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/energie-installaties
Figuur 15: Status ontwikkeling warmtenetten in Transitievisies Warmte gemeenten. Analyse van GMR warmte-team.
4.4 De maatschappelijk gewenste warmteoplossing Bij de overstap naar aardgasloos verwarmen maken we onderscheid tussen individuele warmteoplossingen, bijvoorbeeld met een individuele warmtepomp, en collectieve warmteoplossingen met bijvoorbeeld een warmtenet dat met restwarmte, geothermie, WKO of andere warmte-/koudebron gevoed wordt. Welke oplossing in financieel opzicht het beste is, hangt niet alleen af van het financiële plaatje voor de woningeigenaar maar ook van de nationale meerkosten. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnet. Deze kosten zijn voor bewoners niet direct zichtbaar, omdat ze landelijk worden gesocialiseerd en dus gedeeld door alle gebruikers. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in haar startanalyse van 2021 voor alle buurten en wijken in Nederland een inschatting gemaakt van de maatschappelijk wenselijke warmte-oplossing. In 2025 is deze analyse verrijkt. De uitkomsten schetsen een beeld van de aardgasvrije technische opties in 2050, maar zijn nadrukkelijk geen eindbeeld. Lokale factoren spelen namelijk een grote rol en zijn niet overal in de analyse meegenomen. De PBL-analyse vormt daarom vooral een startpunt voor het gesprek.
Binnen de GMR is samen met gemeenten, op basis van de startanalyse uit 2020 en aanvullend onderzoek door het provinciaal Expertteam warmte, een inschatting gemaakt van de wenselijke warmteoplossing voor de bestaande woningvoorraad van de regio, zie figuur 16. We gaan nog steeds uit van deze grove inschatting waar warmtenetten mogelijk zijn. Ook klimaatneutraal gas wordt gezien als individuele oplossing. • Voor circa 180.000 woningen is een warmtenet wenselijk. • Voor 124.150 woningen is de individuele warmte-oplossing wenselijk.
Wat uiteindelijk de oplossing gaat worden, zullen gemeenten in samenspraak met wijken en buurten besluiten in warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen.
28
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Figuur 16: Regionale analyse van wenselijke warmteoplossing. Provinciaal expertteam warmte met aanvullend onderzoek GMR.
4.5 Regionale synergie door samenwerking 4.5.1 Inleiding De collectieve, maar ook de individuele warmteoplossingen zijn ingrijpende transities met veel knelpunten. Gemeenten kunnen de haalbaarheid vergroten en de kosten verlagen door samen te werken bij de aanleg en exploitatie van warmtenetten, bronnen en transportleidingen. Schaalgrootte, standaardisatie en financiering helpen daarbij. Voor individuele oplossingen kan een gezamenlijke aanpak van gemeenten zich richten op kostprijsverlaging, ontzorging en handelingsperspectief. Hierdoor wordt het voor woningeigenaren betaalbaar en aantrekkelijk gemaakt. Woningisolatie is bij beide routes een noodzakelijke stap. Ook hier kunnen gemeenten samenwerken aan slimme aanpakken om kosten naar beneden te krijgen en inwoners te ontzorgen.
4.5.2 Knelpunten De gemeenten hebben aangegeven dat ze aanlopen tegen knelpunten: gebrek aan capaciteit, beperkte juridische, organisatorische en financiële kennis, beperkte financiële middelen, onzekerheid over hun rol en gebrek aan ervaring met grootschalige transitieprocessen. Op deze knelpunten werken de gemeenten samen, bijvoorbeeld met ondersteuning van middelen van de SPUK (Specifieke Uitkering) regionale structuur warmte in de periode 2024-2027.
4.5.3 Samenwerking bij isolatie-aanpak Vanwege kosten en netcongestie is het wenselijk om de warmtevraag van woningen naar beneden te brengen. Dat betekent isoleren. Voor woningeigenaren zijn isolatiemaatregelen vaak ingrijpend. Ze vereisen een flinke verbouwing, forse investeringen en ecologisch onderzoek. De kosten daarvan zijn niet door alle woningeigenaren op te brengen. Ook verdienen ze zich niet altijd binnen een redelijke termijn terug, ondanks de subsidies die het Rijk en gemeenten verstrekken. Door te isoleren op natuurlijke momenten zoals verhuizing of verbouwing worden de kosten van isoleren verlaagd, meegefinancierd en daarmee betaalbaar gemaakt. Maar niet iedereen heeft die kans, het zijn vaak specifieke groepen die bij het isoleren van de woning in de knel komen. Veel gemeenten hebben een aanpak om woningeigenaren te ondersteunen met subsidies, leningen, energieloketten en advies. Gemeenten kunnen gezamenlijk slimme oplossingen ontwikkelen, van elkaar leren en schaalvoordelen bereiken. De regio kan hierbij ondersteunen.
29
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
4.5.4 Samenwerking bij aanpak warmtepompen
30
Volgens de regionale analyse is voor ongeveer 124.500 woningen een elektrische verwarming met een individuele verwarmingsinstallatie (warmtepomp) wenselijk. Er zijn ook woningeigenaren in warmtenetgebieden die de voorkeur geven aan een individuele verwarmingsinstallatie. Voor de woningeigenaar is het vervangen van een CV door een warmtepomp een complexe en kostbare operatie, ondanks subsidies. De woning vereist een sterkere isolatie en vaak moeten radiatoren worden vervangen of is de aanleg van vloerverwarming nodig. Deze maatregelen zijn kostbaar en ingrijpend. Bovendien maakt het op grote schaal aansluiten van warmtepompen het noodzakelijk om het elektriciteitsnet te verzwaren. Ook hier geldt dat gemeenten gezamenlijk slimme oplossingen kunnen ontwikkelen waarbij ze van elkaar leren en schaalvoordelen behalen. Dit is in het bijzonder nodig om inwoners een haalbaar en betaalbaar alternatief te kunnen bieden wanneer gemeenten wijkgericht aan de slag gaan met een all-electric oplossing.
4.5.5 Samenwerking bij warmtenetten Bij de regionale analyse is geschat dat voor ongeveer 180.000 woningen een middentemperatuur warmtenet mogelijk is. Voor woningeigenaren biedt een middentemperatuur warmtenet in principe een eenvoudige en zorgeloze overschakeling: zware isolatie is minder nodig en radiatoren hoeven meestal niet vervangen te worden. Vergeleken met de warmtepomp zijn de investeringen voor de woningeigenaar lager en is er minder overlast. Echter maken woningeigenaren zich zorgen over de kosten van een warmtenet en is het voor hen onduidelijk wat ze zelf aan werk moeten doen in hun woning. Bovendien willen ze ook keuzevrijheid hebben. Ze gaan dus niet altijd voor de warmteoplossing met de laagste maatschappelijke kosten. Wanneer woningeigenaren zelf overstappen op een individuele warmtepomp, daalt het aantal potentiële aansluitingen op een warmtenet. Dit maakt de businesscase voor een warmtenet in dat gebied minder haalbaar. Het is dus niet vanzelfsprekend dat een wijk met een aangewezen warmtekavel ook daadwerkelijk een warmtenet krijgt. De collectieve aanpak vraagt daarom om nieuwe inzichten en het delen van ervaringen door gemeenten. De gemeenten in de regio willen dan ook nadrukkelijk samenwerken om te leren van de verschillende aanpakken. Ook kunnen ze een rol spelen bij de ondersteuning van woningeigenaren door ontzorging en financiering.
De laagtemperatuur (LT) en de zeer laagtemperatuur (ZLT) warmtenetten komen steeds meer in beeld als alternatief voor de middentemperatuur warmtenetten en de individuele oplossingen. In de regio zijn er nog geen voorbeelden van deze ontwikkeling en het kennisniveau is nog laag. ZLT warmtenetten zijn mogelijk een alternatief en kunnen ook koeling bieden. In de regio wordt dit verder onderzocht.
4.6 Warmtebronnen in regio
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
4.6.1 Inleiding
Figuur 17: Warmteproductie voor de warmtenetten in 2022 en verwachting 2030. Rapport 'Verduurzaming bronnen voor warmtenetten', 2023, CE Delft
Warmtenetten worden gevoed met duurzame bronnen. Figuur 17 geeft een inschatting van de warmtebronnen in Nederland. Voor de toekomstige warmtenetten in onze regio is er een aantal opties voor duurzame bronnen: • De twee afvalverwerkers AVR en ARN • De rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) • Geothermiebronnen • Warmtebuffers HTO’s (en overige boven- en ondergrondse opslag) • Aquathermie • Zonthermie op daken • Bodemwarmte (WKO) • Restwarmte
Op basis van deze bronnen onderscheiden we in de regio verschillende clusters van gemeenten: • Het AVR-cluster bestaat uit vijf gemeenten die samen in gesprek gaan over de ontwikkeling van een robuust warmtenet op basis van AVR-warmte en andere nog te ontwikkelen bronnen zoals de rwzi Nieuwgraaf en het ‘warmte uit water’ project van Arnhem en Lingewaard. • Het ARN-cluster telt drie gemeenten die warmtenetten ontwikkelen voor delen van hun gemeenten. • Bij het LOAN geothermie initiatief onderzoeken vier gemeenten de haalbaarheid van geothermie waarbij nadrukkelijk het tuinbouwcluster NEXTgarden in Lingewaard en later ook de gebouwde omgeving van warmte kunnen worden voorzien.
In 2025 wordt binnen de regio een warmtebronnenstrategie ontwikkeld die op een later moment aanleiding kan geven om de clustering van gemeenten naar warmtebron bij te stellen. Niet alle gemeenten nemen deel aan de bovengenoemde clusters en binnen vrijwel elke gemeenten zijn er kernen die zich er niet voor lenen. In de toekomst kunnen voor deze gemeenten en kernen op basis van behoeften nieuwe clusters worden gevormd. Bijvoorbeeld bij de gezamenlijke aanpak van aquathermie, benutting van warmte van rwzi’s en thema’s zoals warmtevraagreductie, warmtebuffers en koeling.
31
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
4.6.2 AVR-cluster Feiten en cijfers • Arnhem, Duiven, Westervoort, Rheden en Zevenaar • Totaal 135.000 woningen • 110.000 woningen potentieel geschikt voor aansluiting op het warmtenet • Jaarlijks ca. 2,8 PJ nodig • Warmteproductie AVR tot 2030: 1,13 PJ per jaar • Groei tot 2,7 PJ mogelijk door ontwikkeling warmtebronnen (rwzi, geothermie), seizoenswarmtebuffers en aquathermie
Ontwikkelingen De gemeenten zijn in mei 2024 een actieplan overeengekomen waarin bestuurlijke afspraken zijn gemaakt om de bestaande AVR-warmte in te zetten voor de meest concrete en actuele projecten. Daarin is de realisatie van de prioritaire projecten opgenomen die de overstap mogelijk maakt van 31.300 woningen met een warmtevraag van 1.115 TJ, op grootschalige collectieve warmte (op basis van een inventarisatie en analyse van november 2023 en maart 2024). Het gaat hierbij om woningen in Malburgen-Oost, de Startwijken, Velp en de eerste wijken van stad-Zevenaar. De gemeenten zijn nu in gesprek over de doorontwikkeling van het bestaande warmtenet tot een meerbronnensysteem dat betaalbaarheid, maatschappelijke kosten, CO2-reductie, leveringszekerheid en technische en organisatorische uitvoerbaarheid combineert. Daarbij staan een aantal opgaven centraal: • Voortzetten van nu al lopende ontwikkelingen met in totaal 26.000 nieuwe aansluitingen van bestaande woningen in het cluster. Hiermee wordt de bestaande capaciteit van AVR benut. • Onderzoek naar de haalbaarheid van nieuwe duurzame bronnen, energie-infrastructuur, seizoensopslag en de daarbij behorende warmtenetten. • Concretiseren van de samenwerking tussen de betrokken gemeenten en bedrijven die nu al actief betrokken zijn bij het warmtesysteem.
Het verdelingsvraagstuk dat in de RES 1.0 gesignaleerd is bij de AVR wordt zo door gemeenten, warmtebedrijven en warmteproducenten bij voorkeur gezamenlijk (publiek en privaat) opgepakt. Dat leidt naar verwachting tot een duurzaam warmtesysteem met de laagste maatschappelijke kosten.
4.6.3 ARN-Cluster Feiten en cijfers • Nijmegen, Wijchen en Beuningen • Totaal 117.000 woningen • Ontwikkelgebieden Waalsprong en Waalfront in Nijmegen al aangesloten op warmtenet • Warmtenet in ontwikkeling in wijk Dukenburg, Nijmegen • Gemeenten onderzoeken voor ca. 64.300 woningen een warmtenet als oplossing • ARN belangrijkste bron warmtenet • Gemeenten in overleg over benutting ARN warmte, ontwikkeling van warmtenetten en een bronnenstrategie
Ontwikkelingen Het Expertteam Warmte heeft de mogelijkheden van een warmtenet in dit deel van de regio onderzocht. Een eerste inschatting is dat de huidige warmteproductie van ARN, zonder aanvullende duurzame warmtebronnen en warmtebuffers, voldoende is voor de beoogde nieuwe warmtenetten in de gemeenten Beuningen, Wijchen en Nijmegen. In Nijmegen wordt in de wijk Dukenburg gewerkt aan de ontwikkeling van een warmtenet. Voor meer wijken in Nijmegen geldt dat warmtenetten kansrijk zijn. Als alle potentiegebieden in de drie gemeenten van warmte voorzien gaan worden, vraagt dat om de ontwikkeling van extra warmtebronnen en buffers. De ontwikkelingsopgave voor het ARN-cluster bestaat dus uit het zekerstellen van voldoende warmte voor de toekomstige wijken. Gemeenten zullen, na een eventueel besluit tot aanleg van warmtenetten, die uitdaging op termijn gezamenlijk moeten oppakken om tot synergie te komen.
32
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
4.6.4 LOAN In vervolg op het in 2022 verschenen ‘Potentie-onderzoek naar geothermie in Gelderland’, onderzoeken vier gemeenten (Lingewaard, Overbetuwe, Arnhem, Nijmegen: LOAN) de potentie van geothermie. In dat kader is door het bedrijf IF-technology aanvullend onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn dat er op enkele locaties mogelijkheden voor geothermie zijn maar dat die omgeven zijn door onzekerheden. Voor het wegnemen van die onzekerheden zijn proefboringen nodig. De gemeenten onderzoeken momenteel Locatie 3 (zie figuur 18) boven het dorp Elst. Deze ligt op acceptabele afstand van de wijk Schuytgraaf (Arnhem), Elst en het tuinbouwcluster NEXTgarden. Op die locatie bevindt zich waarschijnlijk een interessant geothermisch reservoir van ca. 47 à 56 °C op een diepte van 1 à 1,5 kilometer.
Figuur 18: Locaties in de regio met mogelijkheden voor geothermie.
De gemeenten werken samen toe naar een proefboring en seismisch onderzoek om daarmee de onzekerheid te verkleinen en inzicht te verkrijgen in de haalbaarheid van een geothermiebron. Een lobbytraject richting het Rijk gericht op medefinanciering is hier onderdeel van. Hoewel het onderzoek zich richt op de belangen van de vier gemeenten, is het van breder regionaal belang. De bron ligt namelijk dichtbij de ARN- en AVR-clusters en kan bijdragen aan de ontwikkeling van hun warmtenetten. Bovendien biedt dit inzicht in de bredere potentie van geothermie in de regio. Als de diepe ondergrond zich hier voor geothermie leent, dan waarschijnlijk ook op de andere kansrijke locaties.
4.7 Het perspectief voor collectieve warmte
33
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
4.7.1 Inleiding
Concept
De regionale uitdaging voor 2050 is om 180.000 woningen op een warmtenet aan te sluiten. Dit is gebaseerd op een analyse van onderzoeksbureau Haskoning, aangevuld met inschattingen van GMR. Dit wordt in vervolganalyses door gemeenten nader onderzocht. Een meer-bronnen warmteinfrastructuur maakt efficiënt gebruik van schaalvoordelen, heeft het voordeel dat de bronnen als elkaars piek- en back-upvoorzieningen kunnen fungeren én biedt de mogelijkheid om in de toekomst bronnen in en uit te faseren. In de komende jaren heeft de restwarmte van de afvalverwerkingsinstallaties een groot aandeel in de regionale bronnenmix. Omdat deze productie naar verwachting richting 2050 afneemt door kleinere afvalstromen, is het noodzakelijk al eerder alternatieve bronnen te ontwikkelen. Ook om de collectieve warmtevoorziening robuuster te maken én om gemeenten alternatieve warmtebronnen te kunnen bieden, is het wenselijk om al ruim voor 2050 te starten met de ontwikkeling van andere duurzame bronnen. Bijvoorbeeld restwarmte van electrolysers of grootschalige toepassing van aquathermie of zonthermie. Verschillende gemeenten werken om die reden aan een bronnenstrategie. Die wordt momenteel verbreed naar een regionale bronnenstrategie. Dit geeft ons inzicht in nog te ontwikkelen regionale bronnen en een tijdspad hiervoor.
4.7.2 Gemeenten en kernen buiten de clusters Kleinere kernen die vanwege hun ligging geen onderdeel zijn van deze clusters hebben vaak nog weinig zicht op de haalbaarheid van warmtenetten. Vaak omdat ze geen toegang hebben tot regionale warmtebronnen, geen lokale bron hebben of de haalbaarheid daarvan nog niet bepaald is. Ook profiteren ze niet van de voordelen van samenwerking. Met deze gemeenten werken we samen aan meer lokale oplossingen, zoals een kleine kernen aanpak of kleinschaligere bronnen. Daar kunnen mogelijk nieuwe concepten voor worden ontwikkeld.
4.8 Uitdagingen bij de gemeentelijke aanpak 4.8.1 Inleiding In de warmtetransitie hebben gemeenten te maken met diverse uitdagingen: technisch, economisch, organisatorisch-juridisch, personele en op het gebied van draagvlak.
Figuur 19: Holarchische benadering van het energiesysteem. Naar een holarchisch energiesysteem, topsector energie, 2022.
34
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
4.8.2 Technische uitdagingen
Concept
In technisch opzicht ligt de focus voor collectieve warmte in de regio op de grootschalige warmtenetten van ARN en AVR. De benodigde bronnen en systeemcomponenten (geothermie, rwzi, aquathermie en warmtebuffers) staan aan het begin van de opschalings- en kostprijsdalingscurves. Binnen, maar ook buiten onze RES, kijken gemeenten naar specifieke technieken: • Laagtemperatuur warmtenetten (tussen 10°C en 55°C). Deze warmtenetten hebben het voordeel dat ze bronnen op lagere temperatuurniveaus kunnen benutten zoals bodemwarmte, lage temperatuur restwarmte, aqua- en riothermie. Daarvoor is een goede isolatie van de woningen belangrijk. Ze bieden soms ook de mogelijkheid om te koelen. • Buurtenergiesystemen (BES). Dit zijn kleinschalige warmtenetten gevoed door een collectieve warmtepomp. • De holarchische benadering van Topsector Kennis en Innovatie (TKI). Hierbij wordt de energievraag binnen een gebied integraal aangepakt en zoveel mogelijk gedekt door lokale bronnen. Zo worden bovenlokale bronnen alleen ingezet voor het in evenwicht houden van vraag en aanbod. Daardoor hoeft de transportinfrastructuur minder verzwaard te worden, wordt het systeem meer autonoom en robuust en wordt congestie op de transportnetten verlicht. Bij een holarchische benadering kunnen energiegemeenschappen een rol spelen.
Opwek, opslag, verkoop, uitwisseling en afname van energie komen daar in diverse vormen coöperatief binnen één energiegemeenschap samen. Tegelijkertijd kan sturing op energieprofielen plaatsvinden aan de opwek- en afnamekant. Hiermee kan de energiegemeenschap bij uitstek de vorm zijn waarin een ‘holon’ (zie figuur 19) kan worden gerealiseerd.
Door binnen de regio met elkaar deze innovatieve concepten nader te onderzoeken en pilots uit te voeren, kunnen we sneller leren.
4.8.3 Economische uitdagingen De economische uitdaging van de warmtetransitie is groot voor gemeenten. Alle inwoners moeten meekunnen in de warmetransitie. De betaalbaarheid van aansluiting op een warmtenet, een warmtepomp en isolatie staan bij veel gemeenten op nummer één. Subsidies zijn vaak onvoldoende om de hoge kosten te dekken. Het is dan ook noodzakelijk om kosten flink naar beneden te brengen. Schaalvergroting en innovatie kunnen voor collectieve en individuele warmteoplossingen een flinke bijdrage leveren aan kostprijsverlaging. Voor warmtenetten kunnen de kosten van aanleg en exploitatie naar verwachting flink worden verlaagd door vergaande standaardisering en schaalvergroting. Dat kunnen we alleen maar bereiken met intensieve samenwerking tussen gemeenten, publieke en private partijen. Omdat kostprijsverlaging tijd kost, zijn rijkssubsidies vooralsnog onmisbaar en is het ook noodzakelijk om warmtetransportnetten buiten de business case van de gemeentelijke warmtenetten te houden. Voor collectieve warmteoplossingen maakt de GMR zich sterk voor aanvullende financiering van onder meer het Rijk. Voor de warmtetransportnetten zet de GMR een eerste stap met een maatschappelijke kostenbatenstudie. Deze voert ze in het kader van pMIEK, samen met andere regio’s uit.
4.8.4 Juridisch-organisatorische uitdagingen Ook de juridisch-organisatorische uitdagingen zijn groot voor gemeenten. De Wet collectieve warmte verandert de markt voor warmtenetten fundamenteel. • De sector verandert van hoofdzakelijk privaat naar publiek. Gemeenten moeten bepalen hoeveel invloed ze op het warmtenet willen hebben. Voor vergaande invloed op de duurzaamheid, tarieven en de activiteiten van het warmtebedrijf kan een gemeentelijk aandeel in een warmtebedrijf wenselijk zijn. Verschillende gemeenten richten al gemeentelijke warmtebedrijven op of denken na over hun rol. • De warmtetarieven zullen niet langer op de prijs van aardgas gebaseerd zijn, maar op de werkelijke kosten van het betreffende warmtenet. Dat kan leiden tot prijsverschillen tussen grote en kleine gemeenten, tussen landelijke en stedelijke gebieden en tussen gebieden met goedkope en dure warmtebronnen die de warmtetransitie in de weg kunnen staan.
In deze sterk veranderende omgeving zoeken veel gemeenten naar de juiste organisatorische vorm. Daarbij bestaat het risico dat gemeenten los van elkaar tot andere keuzes komen. Hierdoor kan een lappendeken van warmtebedrijven ontstaan die de standaardisatie en schaalvergroting in de weg staan. Het is wenselijk dat gemeenten gezamenlijk onderzoeken hoe ze kunnen komen tot een regiobrede organisatie die de warmtetransitie optimaal ondersteunt. Gemeenten kunnen de hulp inroepen van het GWIB (Gelders
35
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
WarmteInfraBedrijf). Het GWIB helpt hen bij de ontwikkeling van een gemeentelijk warmte-infrabedrijf en kan een rol spelen bij het ontwikkelen van regionale warmtebedrijven.
Concept
4.8.5 Uitdagingen op het gebied van draagvlak
36
Draagvlak voor de warmtetransitie bij inwoners en politiek is essentieel. Gemeenten stellen warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen op waarbij ze inwoners intensief betrekken. Betaalbaarheid, ontzorging en handelingsperspectief zijn onmisbare elementen voor het creëren van draagvlak. Daarbij kan socialisatie van kosten tussen dure en minder dure warmtenetaansluitingen het draagvlak vergroten. Specifiek voor restwarmte kan er beperkt draagvlak zijn als het voortbestaan van een vervuilend bedrijfsproces wordt gelegitimeerd door levering van restwarmte. Sommige gemeenten binnen onze regio hebben aangegeven behoefte te hebben aan intensieve samenwerking om regionaal tot wijkuitvoeringsplannen te komen die ontzorgen, draagvlak hebben en betaalbaar zijn.
4.9 Voorstellen voor gezamenlijke actie Sinds de RES 1.0 zijn er binnen de regio grote stappen gemaakt. De uitdaging is echter groot: er moeten meer dan 300.000 woningen van het aardgas af waarvan idealiter meer dan de helft met een collectieve warmtevoorziening wordt verwarmd. Dat vraagt om afspraken over samenwerking en, vanwege de schaarste aan duurzame warmte, over de ontwikkeling en inzet van warmtebronnen. De gemeenten spreken daarom het volgende af: • We streven naar collectieve warmtesystemen waar dat uit het oogpunt van nationale kosten de beste oplossing is, maar ook waar dat beter past in het integrale energiesysteem en het beschikbare ‘doen-vermogen’ in een wijk of buurt. Samen onderzoeken we de technische en financiële kant van de regionale warmtetransitie. • We ondersteunen de ontwikkeling van gemeentelijke of subregionale warmtebedrijven om te komen tot een betaalbaar aanbod voor onze bewoners en de borging van onze publieke waarden. • We ontwikkelen samen een visie op een optimaal warmtesysteem waar dat gewenst en relevant is. Dat kan op subregionaal niveau zijn. De visie omvat tenminste de technisch-economische, bestuurlijke en sociale aspecten. Het doel is versnippering te voorkomen en schaal- en efficiencyvoordelen te benutten, zodat de warmtetransitie betaalbaar en toegankelijk blijft.
Gemeenten kunnen in hun eigen tempo en binnen hun eigen mogelijkheden aansluiten, waarbij de visie wordt meegenomen in warmteprogramma’s die gemeenten momenteel ontwikkelen. • We werken waar mogelijk en nodig in gezamenlijkheid aan bovengemeentelijke oplossingen, wisselen informatie over business cases uit en benutten logische koppelkansen. Waar het kan, werken we met lokale warmtebronnen en -buffers (local for local). • We werken regiobreed samen, delen kennis en leren gezamenlijk, hierbij zetten we in op: • Pilots die als voorbeeld voor alle gemeenten kunnen dienen. • Het op projectniveau ontdekken van de voordelen van samenwerking om zo te groeien naar haalbare en betaalbare warmtesystemen. • Het aansluiten op de energievisie Gelderland waarin wordt opgeroepen tot een slim en decentraal energiesysteem met een diverse energiemix en een flexibel systeem om vraag en aanbod met elkaar te combineren.
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Bijlage II planMER Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen 1 planMER Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
Concept
De planMER is via deze link raadpleegbaar.
37
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Bijlage III Afkortingen en verklarende woordenlijst 1 Afkortingen
Concept
Afkortingen Afkorting
Betekenis
EZK
Ministerie van Economische Zaken
GEA
Gelders Energieakkoord
GEIS
Gelderse Energie Infrastructuur
GWIB
Gelders Warmte Infra Bedrijf
HT
Hoge Temperatuur warmte
LT
Lage Temperatuur warmte
m.e.r.
Milieueffectrapportage
MT
Midden Temperatuur warmte
NPRES
Nationaal Programma Regionale Energie Strategie
OER
Opwek Energie op Rijksgronden
PBL
Planbureau voor de Leefomgeving
PS
Provinciale Staten
RES
Regionale Energiestrategie
RSW
Regionale Structuur Warmte
RVO
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
RWS
Rijkswaterstaat
TVW
Transitievisie Warmte
WUP
Wijkuitvoeringsplan
TWh
Terawattuur
2 Verklarende woordenlijst Aquathermie Aquathermie is de verzamelnaam voor de winning, opslag en distributie van warmte en/of koude uit riool, afval-, drink- en oppervlaktewater. Energietransitie Structurele verandering van de samenleving naar een samenleving met duurzame fossielvrije energiehuishouding. Gebouwde omgeving De verzameling bestaande woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen, enzovoorts. Gelders Energieakkoord (GEA) In het netwerk van het Gelders Energie Akkoord werken bijna 250 Gelderse organisaties samen. Inzet: 55% minder CO2- uitstoot in 2030 en een klimaatneutrale provincie in 2050. Groene Metropoolregio De Groene Metropoolregio is een samenwerking tussen 18 gemeenten uit de regio. Vanaf 1 januari 2021 werken zij, vanuit een gezamenlijke visie en een regionale agenda van vijf opgaven, aan een goede balans tussen groei en leefkwaliteit.
38
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Klimaatakkoord De Nederlandse invulling (juni 2019) van het Klimaatakkoord van Parijs, bestaande uit meer dan 600 afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 te halveren ten opzichte van 1990.
Concept
Lokaal eigendom en zeggenschap Bij lokaal eigendom doen lokale partijen (waaronder inwoners) zowel in financieel opzicht als in zeggenschap mee in een vorm van duurzame opwekking. Voor nieuwe grootschalige zonnevelden en windmolens geldt vanuit het Klimaatakkoord en de RES Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen een streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Lokaal eigendom is anders dan alleen financiële participatie. Bij die laatste zijn er geen afspraken over zeggenschap van de omgeving gemaakt. Een voorbeeld van financiële participatie zonder zeggenschap is het uitgeven van obligaties aan het eind van het ontwikkelproces. Andere voorbeelden van financiële participatie zijn het kopen van aandelen in een windpark of zonneveld of een omgevingsfonds. Nationaal Programma RES (NPRES) NPRES heeft tot doel om de regio’s zo veel mogelijk te ondersteunen bij het opstellen van hun RES. Het programma wordt getrokken door de drie koepelorganisaties (VNG, IPO, en Unie van Waterschappen) en de ministeries van EZK en BZK. Omgevingsvisie Rijk, provincies en gemeenten stellen ieder een omgevingsvisie op: een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Participatie Meedenken, meepraten en meedoen bij de totstandkoming van een plan of een project door een brede groep van stakeholders.
Dit kunnen zijn bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties, (semi) overheden die direct te maken krijgen met het plan of het project. Participatie in het kader van de RES kun je onderscheiden in proces- en projectparticipatie. Regionale Energiestrategie (RES) De Regionale Energietransitie is een instrument om met maatschappelijke betrokkenheid te komen tot regionale keuzes voor: • De opwekking van duurzame elektriciteit; • De warmtetransitie; • De daarvoor benodigde energie infrastructuur.
De RES is ook een manier om de samenwerking tussen alle regionale partijen (overheden en maatschappelijke organisaties) te organiseren in voorbereiding op concrete projecten die voortkomen uit de RES. Tot slot is de RES een product waarin staat beschreven welke strategie de RES-regio hanteert om lokale/regionale energiedoelstellingen te bepalen en te behalen. De RES heeft een horizon van 2030 met een doorkijk naar 2050. RES-deelnemers De deelnemers die samen de RES vormgeven en daarover besluiten: de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar, de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland en Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en Liander. Liander neemt geen besluiten over de RES. Liander (en TenneT) besluiten over de investeringsplannen voor infrastructuur. Regionale Structuur Warmte (RSW) De Regionale Structuur Warmte brengt de vraag naar, het aanbod aan en de infrastructuur van warmte in kaart. Het is onderdeel van de RES. Terawattuur
39
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Terawattuur is een meeteenheid voor energie. In het kader van de RES wordt de term onder andere gebruikt voor de hoeveelheid energie die per jaar wordt gebruikt of opgewekt. 1 terawattuur = 1 miljard kilowattuur = 1.000.000.000 kilowattuur. 1 TWh staat gelijk aan circa 1.000 hectare zonnepanelen of ongeveer 70 windturbines van 4 MW.
Concept
Transitievisie Warmte In de Transitievisie Warmte leggen gemeenten hun visie vast op de warmtetransitie en lichten ze hun voorziene strategie op inzet van warmtebronnen toe. Ook wordt vastgelegd op welke termijn wijken aardgasvrij worden en welke alternatieve warmtevoorziening voor elke wijk het meest voor de hand ligt.
40
Concept
Warmtecluster In een warmtecluster komen vraag en aanbod van warmte bij elkaar: er is een warmtebron met daar omheen gelegen warmtevraagclusters die interesse hebben in de afname van warmte uit die bron. Warmtevraagcluster Een cluster van gebouwen (woningen, bedrijven, enzovoorts) met een bepaalde vraag naar warmte. De gebouwen vormen samen een cluster omdat ze dicht bij elkaar liggen en samen een vraag naar warmte hebben ter grootte van minimaal 1.500 woningen. Rondom clusters vanaf die omvang is de aanleg van een grootschalig warmtenet kansrijk. Zoekgebied Een zoekgebied is een bepaald gebied waar windturbines of zonnevelden zouden kunnen komen. Dit wil dus niet zeggen dat zomaar overal in het zoekgebied turbines of zonnevelden geplaatst gaan worden. Slechts een deel van het totale gebied zal benut worden. Initiatiefnemers kunnen een voorstel voor een wind- of zonnepark indienen bij de gemeente. Of een voorstel uitgevoerd gaat worden, hangt er onder andere van af of er restricties gelden, zoals wetgeving ten aanzien van natuur en veiligheid. Ook speelt het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak een rol. De gemeente, de netwerkbeheerder, ontwikkelaars, inwoners en andere belanghebbenden bepalen samen hoe en waar er gaat worden opgewekt.
Voordat de eerste schop de grond in gaat doorloopt elk nieuw project verschillende stappen, zoals een toets op de omgevingsvisie, een milieutoets en een vergunningsaanvraag. Dat biedt inwoners en belanghebbenden meerdere momenten om mee te praten.
(van 11-2-2026 16:02)
Bijlage IV Beantwoording wensen en bedenkingen 1 Beantwoording wensen en bedenkingen
Concept
Geen wensen en bedenkingen:
Berg en Dal, collegebesluit 06-feb-25 Duiven, collegebesluit 10-dec-24 Doesburg, collegebesluit 11-feb-25 Heumen, raadsbesluit 10 jan 2025 Renkum, collegebesluit 11-feb-25 Rozendaal, collegebesluit 03-dec-24 Waterschap Rijn en IJssel, collegebesluit 19-nov-24 Westervoort, collegebesluit 10-dec-24 Zevenaar, collegebesluit 26-nov-24
Overbetuwe, collegebesluit 21-jan-25 Wensen: • Opnemen in RES 2.0 verkleint zoekgebied Midden-Betuwe • Reactie RES : Het accurate zoekgebied Midden-Betuwe wordt opgenomen in de RES 2.0.
Nijmegen, collegebesluit 29-jan-25 Wensen: • De gemeenteraad spreekt de wens uit dat er een robuust evenwicht wordt nagestreefd tussen winden zonne-energie, dat niet alleen de netbelasting minimaliseert, maar ook beter aansluit bij de energievraagprofielen en landschappelijke waarden. • Reactie RES : Om de netbelasting te minimaliseren én beter aan te sluiten bij de energievraagprofielen wordt het aandeel windenergie in de RES 2.0 vergroot. Daarmee wordt ook het evenwicht tussen wind- en zonne-energie robuuster. • De gemeenteraad spreekt de wens uit dat er een goede bestuurlijke afstemming plaatsvindt tussen buurgemeenten omtrent de plaatsing van windmolens nabij de gemeentegrenzen. • Reactie RES : Een heldere wens. Op regionaal niveau kunnen de ambtelijke en bestuurlijke platforms Circulaire Regio (APCR en BPCR) hiervoor worden benut. • De gemeenteraad spreekt de wens uit dat in de RES2.0 voldoende duurzame opwek is geïdentificeerd om de CO2-reductie doelstellingen te halen. Deze doelstellingen zijn echter geen eindstation. Dit biedt een kans om als regio een voortrekkersrol te vervullen in lijn met het Klimaatakkoord en de nationale klimaatdoelen van 55% CO2-reductie. • Reactie RES : Het Gelders Klimaatplan (januari 2022) becijfert dat een Gelderse bijdrage van 3,4 TWh in 2030 realistisch is als bijdrage aan het nationale doel van 55% CO2-reductie.
De zes Gelderse RES-ambities tellen op tot 6,5 TWh duurzame elektriciteitsopwek in 2030. Daarmee liggen de ambities en uitwerkingen van de Gelderse RES’en (en de RES GMR Arnhem-Nijmegen) in lijn met uw wens. • De gemeenteraad spreekt de wens uit dat in de RES concrete acties worden opgenomen voor meer en snellere uitvoering van windenergieprojecten. Zodat het college daad bij ambitie voegt om de verhouding tussen het totale vermogen van wind en zon te verbeteren. • Reactie RES : In de RES 2.0 wordt de restopgave voor grootschalige elektriciteitsopwek geadresseerd door zo concreet mogelijk zoekgebieden voor windenergie toe te voegen. Dit zal tot meer windprojecten leiden. Voor een snellere uitvoering van windprojecten biedt de RES organisatie alle hulp die vanuit gemeenten of provincie gewenst is. Echter, op het moment dat de RES organisatie eigenstandig
41
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
•
•
•
Bedenkingen: • De gemeenteraad spreekt de bedenking uit dat de concept verrijking vaag blijft over waar en wanneer extra windparken zullen komen. Dit baart zorgen omdat we nog maar 5 jaar verwijderd zijn van de gestelde deadline van 2030. • Reactie RES : De herijking RES 2024 was inderdaad nog niet concreet over het waar en wanneer van extra windparken. In de RES 2.0 zijn hiervoor nieuwe zoekgebieden opgenomen.
Beuningen, collegebesluit 13-feb-25 Wensen: •
•
•
•
•
42
acteert om windprojecten tot snellere uitvoering te brengen, bestaat het risico dat dit averechts werkt en juist vertraagt. Ieder project kent z’n eigen dynamiek van ontwikkelaars, omwonenden, gemeenten en provincie. Als RES faciliteren we daarin waar mogelijk, maar voeren we niet de regie. De gemeenteraad spreekt de wens uit om in de regio erop toe te zien dat we geen nieuwe biomassacentrales toevoegen en de aangegeven landelijke verwachting van de vergroting van het aandeel van biomassa als “duurzame” bron in 2030 te voorkomen. • Reactie RES : Nieuwe biomassacentrales zijn in RES- en regioverband niet aan de orde. De gemeenteraad spreekt de wens uit om in de regio te onderzoeken of een energiemix waarin biomassa compleet wordt uitgefaseerd mogelijk is. • Reactie RES : In de RES 2.0 wordt voorgesteld om in 2026 te starten met het opstellen van een visie op het regionale energiesysteem. Een van de onderzoeksvragen kan zijn of het mogelijk danwel wenselijk is om biomassa uit de energiemix uit te gefaseren. Voor de op te stellen visie wordt eerst een plan van aanpak gemaakt wat voorgelegd zal worden aan de RES-partners. De gemeenteraad spreekt de wens uit om in de RES 2.0 een duidelijkere beschrijving op te nemen hoe de regio 50% lokaal eigendom als minimum streven gaat realiseren in 2030.
• Reactie RES : Voor nadere invulling van de RES 1.0 afspraak om te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom, is de adviesraad RES gevraagd om advies uit te brengen voor de RES 2.0. De adviesraad kent een sterke regionale vertegenwoordiging van energiecooperaties. Onderdeel van de RES2.0 is het gezamenlijk onderschrijven van de gedragscode Acceptatie en participatie als uitgangspunt.
We blijven benadrukken dat nu ook andere gemeenten aan zet zijn om verantwoordelijkheid te pakken. Het gesprek over het verdelen van het zoet en het zuur in de regio moet wat ons betreft een prikkel zijn om dit op gang te brengen. • Reactie RES : Uw wens lijkt betrekking te hebben op de ontwikkeling van windenergie. In de RES 2.0 worden nieuwe zoekgebieden windenergie opgenomen in een aantal gemeenten. We roepen op om in te blijven zetten op de ontwikkeling van wind. • Reactie RES : Wij ondersteunen deze oproep. In de RES 2.0 wordt de restopgave voor grootschalige elektriciteitsopwek ook geadresseerd door zoekgebieden voor windenergie toe te voegen. Dit zal tot meer windprojecten leiden. Integraal programmeren als jaarlijks proces is geen doel op zicht. Het doel is om het energiesysteem toekomstbestendig te maken en laten we elkaar daarin scherp houden wat nodig is. Het bij elkaar brengen van vraag en aanbod moet daarin een rol hebben. • Reactie RES : Het integraal programmeren is inderdaad geen doel op zich, maar is een middel om inzicht te krijgen in vraag, aanbod en infrastructuur om zo te bouwen aan een toekomstbestendig systeem. Het bij elkaar brengen van vraag en aanbod heeft ook de aandacht in de RES. Blijf inzetten op het ondersteunen van gemeenten bij de inzet van warmte, zeker nu duideijk is dat het doel van 1,62 TWh duurzame elektriciteit opwek onder druk staat.