Besluit in PDF (preview van de bekendmaking op overheid.nl).
Tekst van het document
GEMEENTEBLAD
Officiële uitgave van de gemeente Nijmegen
Regionale Energie Strategie 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Nijmegen, bijeen in zijn vergadering van 2402-2026.
Concept
Besluit vast te stellen;
1
Artikel I De regeling 'Regionale Energie Strategie' opgenomen in Bijlage A.
Artikel II Dit besluit treedt in werking per 25-03-2026 Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 24-02-2026 De gemeentesecretaris, Drs. A.P.W. van de Klift De voorzitter, Drs. H.M.F. Bruls
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Bijlage A Bijlage bij artikel I
Regionale Energie Strategie
Concept
1 Inleiding 1.1 Algemeen De energietransitie in Nederland vraagt om een stevige versnelling en verbreding. De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 was vooral gericht op het realiseren van duurzame elektriciteitsopwekking met zon en wind. De RES 2.0 markeert juist een volgende stap: een integrale benadering waarin duurzame opwek, warmtevoorziening en infrastructuur nauw met elkaar worden verbonden. We werken toe naar een energiesysteem waarbij vraag en aanbod dichter naar elkaar komen. In de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen bouwen we in deze RES 2.0 voort op de bestaande kaders en afspraken uit de RES 1.0. Met de vaststelling van de RES 2.0 blijven de kaders en afspraken uit de RES 1.0 dus ook staan. Van het bestaande bod van 1,62 TWh duurzame elektriciteit in 2030 is inmiddels 1,21 TWh gerealiseerd of vergund. Voor de resterende opgave – circa 0,30 TWh – zoeken we samen naar de meest haalbare oplossing.
1.2 Nieuwe zoekgebieden en Regionale planMER In de RES 1.0 was er een groot verschil tussen de toekomstige opwek van zonne- (89%) en windenergie (11%). Voor de RES 2.0 zetten we in op een betere wind-zonverhouding (idealiter van 50% - 50% per onderstation). Daarom is onderzoek gedaan naar extra gebieden voor windenergie. In 2023 heeft de RES GMR een milieueffectonderzoek (planMER) uitgevoerd met de gehele regio als onderzoeksgebied. Dit planMER is in bijlage II opgenomen bij deze RES 2.0. Het gehele document is te vinden op de planMER webpagina. Op basis van de uitkomsten van de PlanMER hebben diverse gemeenten eigen plannen gemaakt om windlocaties ruimtelijk te borgen. De uitkomsten van deze processen zijn opgenomen in hoofdstuk 3. De gemeenten stellen de nieuwe zoekgebieden vast en nemen deze op in de RES. Tegelijkertijd is de realisatie van duurzame elektriciteit steeds ingewikkelder. Zo is er zowel landelijk als regionaal sprake van netcongestie, waardoor nieuwe plannen geen aansluiting kunnen krijgen op het elektriciteitsnet. Ook strikt ruimtelijk beleid vanuit de provincie vermindert de mogelijkheden voor nieuwe projecten. Het gaat onder meer om restrictiever beleid voor zonne-energie op natuur- en landbouwgronden, beleid om de Wespendief op de Veluwe te beschermen tegen nadelige effecten door windturbines en een afstandsnorm voor windturbines.
Om te verduurzamen is steeds meer de koppeling nodig tussen (lokale) opwek, opslag en gebruik van energie. Ook de koppeling en omzetting tussen elektriciteit, warmte en energiedragers zoals waterstof, wordt steeds actueler. Deze RES 2.0 weerspiegelt de actuele inzichten en opgaven rondom het energiesysteem als geheel. Naast elektriciteit staan thema’s als warmte, netcongestie, bestuurlijke samenwerking en draagvlak centraal. De nadruk ligt op het slimmer benutten van infrastructuur, het gefaseerd en regionaal programmeren van projecten en het ontwikkelen van handelingsperspectieven voor gemeenten en partners. We formuleren in deze RES 2.0 voor het energiesysteem vier thema’s die richting geven aan onze gezamenlijke inzet. Daarbij zetten we in op: • het beter benutten van de bestaande infrastructuur; • integraal programmeren van ruimtelijke en energetische ontwikkelingen; • een nauwe samenwerking tussen gemeenten, netbeheerders, provincies en landelijke partijen; • het ontwikkelen van handelingsperspectieven voor gemeenten, bedrijven en inwoners.
De urgentie en de opgave zijn groot: de vraag naar elektriciteit en duurzame warmte groeit snel, terwijl uitbreiding van infrastructuur veel tijd kost. Netcongestie, de verduurzaming van de gebouwde omgeving en het realiseren van nieuwe duurzame bronnen vragen om een doortastende aanpak en (bestuurlijke) samenwerking.
2
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Met deze RES 2.0 geven we samen richting aan een robuust, duurzaam en flexibel energiesysteem waarin elektriciteit, warmte en infrastructuur elkaar versterken. Zo werken we aan een Groene Metropoolregio die klaar is voor de toekomst en waarin iedereen kan meedoen aan de energietransitie.
Concept
1.3 Betrokkenen In de afgelopen maanden is de ontwerp RES 2.0 tot stand gekomen in een proces waarbij zowel ambtelijk, bestuurlijk als vanuit het maatschappelijke veld, input is opgehaald en verschillende feedbackrondes hebben plaatsgevonden. Zo waren de regionaal belanghebbenden, verenigd in de Regionale Adviestafel RES, betrokken bij het opstellen van de RES 2.0. Verschillende gemeenteraden hebben voorafgaand aan de uitwerking van RES 2.0 wensen en bedenkingen opgesteld.Deze wensen en bedenkingen zijn meegewogen in de RES 2.0 en de beantwoording is in bijlage IV opgenomen.
2 Energiesysteem 2.1 Inleiding 2.1.1 Waar staan we nu? In de RES 1.0 hebben we afspraken gemaakt over het duurzame opwekdoel (het bod). Daarbij is afgesproken dat de verhouding tussen zonnevelden en windturbines beter in balans moest komen. In de Verrijking RES 2024 hebben we beschreven dat er op het elektriciteitsnet onvoldoende transportcapaciteit is voor zowel opwek als gebruik. Dit veroorzaakt netcongestie. De congestieproblematiek is per onderstation inzichtelijk gemaakt door de aanpak regionaal programmeren die afgelopen jaar is uitgevoerd (dit is beschreven in bijlage V). De inzichten die zijn opgehaald en de netimpact-analyse van Liander laten zien dat er knelpunten zijn bij zowel energievraag als -aanbod. Het is noodzakelijk dat we het energienetwerk niet alleen bekijken vanuit de transportcapaciteit voor elektriciteit, maar als energiesysteem in zijn geheel. De scope van de RES 2.0 is daarmee veranderd ten opzichte van de scope van de RES 1.0. Het gaat dus niet alleen om het realiseren van het duurzame opwekdoel en de benodigde transportcapaciteit, maar over het totale systeem van vraag en aanbod van elektriciteit. Daarom zijn er acties en keuzes geïdentificeerd om de match tussen vraag en aanbod te verbeteren. Deze hebben we vastgelegd in het Regionaal Uitvoeringsplan Energiesysteem. 16 gemeenten onderschreven dit plan in het bestuurlijk platform in december 2024.
Er is afgesproken gezamenlijk uitvoering te geven aan dit uitvoeringsplan. De provincie kan het regionaal uitvoeringsplan energiesysteem nog niet steunen omdat het provinciale Programma Energiesysteem nog niet is vastgesteld in Provinciale Staten. Het uitvoeringsplan is wel in lijn met de leidende principes en keuzes uit het eerder vastgestelde provinciale Beleidskader Energiesysteem. De provinciale kaders, beleid en uitgangspunten zijn leidend bij de regionale uitwerking en doorwerking hiervan naar onze regio en gemeenten. De RES 2.0 wordt hierop geactualiseerd en aangepast. Regionale samenwerking is cruciaal omdat het energiesysteem niet stopt bij de grenzen van gemeenten.
2.1.2 Doelen en afspraken Om invulling te geven aan het onderdeel Energiesysteem formuleren we vier doelstellingen en maken we zes bestuurlijke afspraken. Het gaat om de volgende doelstellingen: Doelstellingen 1
We maken de relatie duidelijk/inzichtelijk tussen de beleidsdoelen en ontwikkelen een handelingsperspectief in het energiesysteem om dit te faciliteren. De RES-organisatie faciliteert de uitwisseling van kennis en ervaring tussen de partijen om iedereen op hetzelfde kennisniveau te krijgen. Hiermee ontstaat beter begrip van de complexiteit van het energiesysteem en de wisselwerking met de beleidsopgaven. In verdiepende sessies ontwikkelen we gezamenlijk een handelingsperspectief om proactief de randvoorwaarden voor het energiesysteem mee te nemen in ontwerp en uitvoering van beleidsplannen.
2
We maken vraag, aanbod en infrastructuur ontwikkelingen inzichtelijk (inclusief wet- en regelgeving) en bouwen aan een toekomstbestendig regionaal energiesysteem in 2050. In de stappen van het regionaal programmeren halen de RES-organisatie en netbeheerders de ontwikkelingen op voor vraag en aanbod bij gemeenten. Vervolgens voeren de netbeheerders een impactanalyse uit voor het bepalen van de benodigde infrastructuur. Deze update wordt jaarlijks uitgevoerd in Q4. We verzamelen kennis via ons netwerk over relevante wet- en regelgeving voor het ontwikkelen van het regionale energiesysteem.
3
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
3
We passen slimme ontwerp- en beleidskeuzes toe om de schaarse transportcapaciteit beter te benutten en de oplossingsruimte te vergroten.
Concept
In het uitvoeringsplan energiesysteem zijn ontwerp- en beleidskeuzes gebundeld vanuit het proces van regionaal programmeren. In vier actielijnen* geven we hier gezamenlijk uitvoering aan om de infrastructuur beter te benutten en de oplossingsruimte te vergroten. Hiervoor werken we met een trekker per actielijn en een werkgroep met gemeenten, provincie, netbeheerder en andere stakeholders. 4
We werken samen over de grenzen heen op meerdere schaalniveaus (lokaal/regionaal/provinciaal/landelijk). Als regio zijn we de verbindende schakel tussen het lokale en provinciale schaalniveau van het energiesysteem. Buiten het provinciale schaalniveau is het FGU (Flevopolder, Gelderland, Utrecht) schaalniveau voor onze regio van belang. We leggen de verbinding tussen deze niveaus en signaleren knelpunten en oplossingen naar het landelijk niveau via Nationaal Programma RES (NPRES) en het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN)**. We stemmen af met de andere opgaven binnen de GMRorganisatie, we participeren in de programma’s binnen de provincie zoals Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS), provinciaal Programma Energiesysteem en leggen de relatie met marktpartijen en externe stakeholders.
GMR Arnhem-Nijmegen
*Actielijnen in regionaal uitvoeringsplan energiesysteem (RUE) zijn: netbewust bouwen, netbewuste warmtetransitie, netbewuste bedrijventerreinen en logistiek laden en netbewuste duurzame opwek. ** In de Interbestuurlijke Samenwerkingsafspraken (ISA) wordt de samenwerking tussen de beleidsniveaus vormgegeven en in een toekomstig Nationaal Programma Energiesysteem uitgewerkt. Hier sluiten we bij aan indien dit gereed is. Hieruit volgen zes bestuurlijke afspraken: • Afspraak 1: De RES-organisatie doorloopt elke twee jaar met de gemeenten, provincie en Liander de stappen van het regionaal programmeren. • Afspraak 2: We nemen de (voor gemeenten en regio) relevante maatregelen uit het actieplan netcongestie Gelderland op in het uitvoeringsplan energiesysteem om de urgente netcongestie te beperken tot 2033-2035. • Afspraak 3: Alle gemeentelijke RES-deelnemers zetten gezamenlijk in op de beschreven actielijnen in het regionaal uitvoeringsplan energiesysteem. • Afspraak 4: We sluiten aan bij provinciaal beleid en actualisaties daarvan, zoals het Beleidskader Energiesysteem, Programma Energiesysteem en de Omgevingsvisie Gelderland. Dit is het uitgangspunt voor de regionale toepassing ervan.
• Afspraak 5: We ontwikkelen in 2026 een regionale visie op het energiesysteem om een concrete invulling te geven aan het beleid en keuzes vanuit de provincie (Beleidskader Energiesysteem, Programma Energiesysteem en Omgevingsvisie Gelderland) en lokale energievisies en/of warmteprogramma’s. • Afspraak 6: Vanuit de RES-organisatie continueren we de samenwerking in het programma GEIS van de provincie Gelderland. Ambtelijk en bestuurlijk is één vertegenwoordiger aangedragen om de belangen en input vanuit de regio in te brengen in het programma GEIS. We informeren, koppelen terug en activeren gemeenten over relevante onderwerpen en benodigde acties.
2.1.3 Decentraal energiesysteem: Samenhang opwek, warmte en energiesysteem Het aansluiten van wind- en zonprojecten op het elektriciteitsnet is niet meer vanzelfsprekend. We moeten naar een situatie waarin we de opwek koppelen aan zowel de plaats als het tijdstip van energieverbruik. Op die manier wordt de opwek meer lokaal gebruikt en is minder transportcapaciteit nodig. Dit beperkt de netcongestie. Daarom leggen we de link tussen vraag, aanbod en infrastructuur in het thema Energiesysteem. Voor het thema warmte geldt hetzelfde: als we meer collectieve warmtebronnen en warmte-infrastructuur willen ontwikkelen, dan is voldoende transportcapaciteit nodig op het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd ontlast de aanleg van collectieve warmtenetten ook het elektriciteitsnet en de netcongestie die daarop speelt. Een warmtenet is in veel gevallen namelijk een maatschappelijk goedkopere oplossing om de bestaande bouw te verduurzamen, vaak goedkoper dan het inzetten van elektrische warmtepompen. Een warmtenet beperkt namelijk de hoge pieken in het elektriciteitsnet. In het energiesysteem bekijken we alle energiedragers in de regio (elektriciteit, warmte, waterstof en groen gas). We brengen de energievraag, -aanbod, -infrastructuur, -opslag en/of buffering bij elkaar. Daarvoor moet het huidige systeem veranderen. We gaan van een centraal systeem naar een meer decentraal systeem.
Ook verschuiven we van een systeem van voortdurende beschikbaarheid naar een systeem waarin gezocht wordt naar balans tussen opwek, buffering en verbruik. Dit principe is ook opgenomen in het Beleidskader Energiesysteem Gelderland. Het sluit aan bij het gedachtegoed van de ‘Wereld
4
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
van B’ en het ‘local for local’-principe. Daarbij werken lokale partijen samen om een goede balans te vinden tussen energievraag en -opwek. Dat geldt voor de periode tot 2030, maar ook voor 2050 en verder.
Concept
2.1.4 Aanpak Integraal programmeren De aanpak integraal programmeren helpt om gestructureerd inzicht te krijgen in de energievraag, -aanbod en infrastructuur. Dit is nodig omdat de komende jaren de gevraagde transportcapaciteit harder stijgt dan de verwachte uitbreiding van transportcapaciteit. Hierdoor ontstaat een mismatch tussen vraag en aanbod van elektriciteit. In de regio doorlopen we tweejaarlijks de stappen uit de aanpak regionaal integraal programmeren van Liander. Deze stappen zijn: inzicht verkrijgen, analyse van de netimpact, inventariseren oplossingen en het borgen van de acties die hiervoor nodig zijn in het uitvoeringsplan. Deze aanpak is in detail beschreven in bijlage V.
Afspraak 1 In de regio werken we aan een toekomstbestendig energiesysteem. De regio doorloopt hiervoor elke twee jaar met de gemeenten, provincie en Liander de stappen van het regionaal programmeren. En ze werken samen aan het regionaal uitvoeringsplan. Jaarlijks zal Liander een ophaalronde doen in afgeslankte vorm bij gemeenten om de prognoses bij te werken. Dit proces van regionaal programmeren draagt bij aan doel 2: het verkrijgen van inzicht. Deze stappen uit de aanpak vormen de basis voor het thema energiesysteem in alle beleidsplannen, programma’s en actieplannen. Dit hoofdstuk energiesysteem bestaat uit drie onderdelen: (A) sneller bouwen, (B) beter benutten van het energiesysteem en (C) toekomstbestendig energiesysteem. Binnen deze onderdelen geven overheden op alle niveaus sturing aan het energiesysteem: het Rijk, provincie, regio en gemeenten. De samenhang tussen deze onderdelen is weergegeven in onderstaand figuur. In dit hoofdstuk beschrijven we de drie onderdelen, de rol van de RES-organisatie en de gemaakte afspraken. Tot slot volgt een beschrijving van de samenwerking en organisatie in de regio. Regionaal Integraal Programmeren Regionaal Integraal Programmeren (= input voor onderdelen A, B, C) A. Sneller bouwen Energieinfra1
B. Beter benutten energiesysteem
C. Toekomstbestendig energiesysteem
Provinciaal MIEK • Monitor pMIEK projecten • Onderzoeksprojecten GMR • Energiestudies • Waterstofaftakking • Warmtesysteem
Netcongestie aanpak • Gelders actieplan netcongestie • Regionaal uitvoeringsplan energiesysteem (RUE)
Beleidsplannen • Beleidskader en programma energiesysteem Gelderland • Regionale visie op het energiesysteem
GMR Arnhem-Nijmegen 1
Op lokaal niveau faciliteren we als RES-organisatie ook de gemeenten bij hun opgave voor het realiseren van energie-infrastructuur, zoals Midden Spanningsruimtes (MSR).
2.2 Sneller bouwen 2.2.1 Inleiding Zoals in de aanpak integraal programmeren is beschreven, is er grote urgentie om snel meer energieinfrastructuur te realiseren. Dit is nodig om de grote groei in met name elektriciteitsvraag te kunnen faciliteren. Het spoor sneller bouwen is daarom een belangrijk onderdeel van onze regionale inzet. Onze rol ligt met name in het faciliteren en aanjagen van de projecten van de netbeheerder. Dat doen we door verbinding te leggen tussen gemeenten, provincie en netbeheerders en problemen tijdig te signaleren. Hiervoor haken we aan bij de lopende processen op provinciaal niveau voor integraal programmeren en het spoor ‘sneller bouwen’ van het GEIS-programma. Samen zoeken we naar mogelijkheden om ruimtelijke processen te versnellen en verbeteren.
5
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
2.2.2 Provinciaal MIEK Binnen het programma Gelderse Energie-Infrastructuur (GEIS) wordt gewerkt aan het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (pMIEK). Het pMIEK richt zich op energie-infrastructuurprojecten met betrekking tot elektriciteit, warmte, waterstof en groen gas. Het pMIEK wordt tweejaarlijks vastgesteld door Gedeputeerde Staten. In het pMIEK 2.0 (2025) staan concrete projecten, verkenningsprojecten en onderzoeksprojecten. Deze concrete pMIEK- projecten worden maandelijks gemonitord op voortgang door de netbeheerders. In GEIS stuurt de provincie (via het pMIEK) op de versnelde uitvoering van deze projecten uit de investeringsplannen van de netbeheerders. Dit gebeurt in samenwerking met de netbeheerders, regio’s en andere betrokkenen. De energyboard houdt de voortgang van pMIEK-projecten bij en adresseert eventuele hulpvragen. De regio is op een aantal aspecten betrokken hierbij: • De regio werkt mee aan het opzetten en uitvoeren van de relevante onderzoeksprojecten in de regio. Zie tabel 1. • De regio haalt de belangen van de gemeenten op (via onder andere het ambtelijk overleg en werkgroepen), zorgt dat deze belangen goed geborgd worden in de onderzoeksprojecten en informeert de gemeenten regelmatig over de voortgang en opgehaalde inzichten.
• In de projecten rondom Brick Valley en de warmtenetten zorgt de regio dat gemeenten tijdig en met een juiste vertegenwoordiging zijn aangehaakt bij de opzet en uitvoering van deze onderzoeken, zowel in projectoverleggen als via het ambtelijk overleg. • Binnen de energyboard wordt iedere 6 weken de monitor van de pMIEK-projecten besproken met de Gelderse RES-regio’s, netbeheerders en provincie. Er wordt gesignaleerd waar mogelijk vertraging is ontstaan bij projecten in de regio (‘rode vlaggen’) en de benodigde acties besproken om deze actief met de relevante gemeenten op te pakken. Tabel 1: Relevante onderzoeks- en verkenningsprojecten Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen. Project
Regio/ Gebied
Type infra
Actiehouder(s)
Betrokken partijen
Aftakking waterstofbackbone Brick Valley (V)
Brick Valley
Waterstof
Provincie, GMR en HyNetwork Services (Gasunie)
Steenfabrieken en glastuinbouw, Liander
Onderzoek realisatie warmtetransportinfrastructuur in Gelderland (O)
Verspreid
Warmte
RES-regio’s
GWIB, gemeenten, Provincie, Liander, Firan en waterschappen
Energie-intensieve clusters & decentrale oplossingen (O)
Verspreid
Alle
Provincie en Liander
Gemeenten, RES-regio’s, Rijk en TenneT
Rol van energieopslag in het Gelderse energiesysteem (O)
Verspreid
Alle
Provincie en Liander
TenneT en Rijk
Technische verdieping rol Kernenergie in Gelderse energiesysteem [SMRs]
Nog onbekend
Elektriciteit
Provincie
Leander, Tennet en Rijk
GMR Arnhem-Nijmegen
2.3 Beter benutten
6
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
2.3.1 Netcongestie op meerdere niveaus
Figuur 1: visuele weergave van het elektriciteitssysteem.
Het beter benutten van het energiesysteem is noodzakelijk om de huidige netcongestie te beperken. In figuur 1 is het elektriciteitssysteem visueel weergegeven. Op dit moment is er sprake van netcongestie op het hoogspanningsnet. Hierdoor wordt op bepaalde momenten van de dag onvoldoende elektriciteit geleverd vanuit het hoogspanningsnet van TenneT naar de onderstations en de lagere netten van Liander daarachter. Ook is op sommige plekken sprake van netcongestie op het middenspanningsnet en het laagspanningsnet. Dit betekent dat er onvoldoende capaciteit op de laagspanningskabels en de middenspanningsruimtes staat. Hierdoor krijgen gebruikers niet de volledige productie van hun zonnepanelen terug en zijn er beperkingen voor elektriciteitsverbruik. Deze congestie kan er ook voor zorgen dat nieuwbouwwoningen op dit moment niet allemaal op tijd aangesloten worden op het net. De congestie op dit laag- en middenspanningsniveau is een belangrijk knelpunt dat Liander in de regio moet oplossen met extra investeringen in het net en slimme oplossingen om het net beter te benutten. Netbeheerders kunnen op dit moment bij netcongestie alleen sturen op grootverbruikersaansluitingen. Dat betekent dat er op dit moment geen ruimte is voor bedrijven en instellingen die (extra) capaciteit nodig hebben. Zij komen op een wachtlijst.
Sinds november 2022 staan al 1500 bedrijven op een wachtlijst in Gelderland (Actieplan FGU). Voor kleinverbruikers, huishoudens en midden- en klein bedrijven (MKB), heeft netcongestie nog beperkt impact. Netbeheerders hebben namelijk geen sturing op kleinverbruikers. Zonder extra maatregelen kunnen op termijn ook kleinverbruikers effecten van netcongestie merken, bijvoorbeeld een wachtrij voor kleinverbruikers (huishoudens en midden- en kleinbedrijf) en kans op ernstige stroomuitval. Dit brengt de congestieproblematiek in een nieuwe fase. Hoe groot die impact wordt, hangt af van twee factoren: • De snelheid waarmee netuitbreidingen gerealiseerd worden. • De mate waarin de acties uit het actieplan netcongestie slagen.
2.3.2 Actieplan netcongestie Gelderland Het actieplan netcongestie Gelderland is een actieplan van netbeheerders Tennet en Liander. De provincie Gelderland (Provinciale Staten) hebben ingestemd met dit actieplan. In dit actieplan staan acties als netbewuste nieuwbouw, netbewuste warmtetransitie, Smart Energy Hubs en netbewust laden om de infrastructuur beter te benutten en de netcongestie te beperken. De netbeheerders en de provincie staan samen aan de lat om hier uitvoering aan te geven. De uitvoering van deze maatregelen wordt gecoördineerd door netbeheerders, samen met de FGU-provincies en het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG),
7
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
en regionaal vertaald naar de RES in samenwerking met de RES-projectleider energiesysteem. Gemeenten blijven verantwoordelijk om deze maatregelen lokaal te vertalen, toe te passen en vast te leggen in beleid.
Concept
Tegelijkertijd worden ook de benodigde juridische kaders en financiële mogelijkheden onderzocht en mogelijk gemaakt via lobby bij de koepels en het Rijk in afstemming met de provincie.
Afspraak 2 We voeren voor de gemeenten en regio relevante maatregelen uit het actieplan uit om de urgente netcongestie te beperken tot 2030. Voorbeeld hiervan is de inzet voor netbewust laden, netbewust bouwen, netbewuste installaties in bestaande bouw en netondersteunende opslag en buffering. Deze afspraak draagt bij aan doel 3: het beter benutten van de transportinfrastructuur.
2.3.3 Regionaal Uitvoeringsplan Energiesysteem Het resultaat van de aanpak regionaal programmeren, zoals beschreven in subparagraaf 2.1.4, is een uitvoeringsplan. In 2024/2025 is een regionaal uitvoeringsplan energiesysteem (RUE) opgesteld. Dit uitvoeringsplan bestaat uit beleids- en ontwerpkeuzes om het energiesysteem beter te benutten. Het uitvoeringsplan bevat vier actielijnen met acties, initiatieven en projecten om de netimpact te reduceren en vorm te geven aan het toekomstige regionale energiesysteem: • Netbewuste nieuwbouw • Netbewuste warmtetransitie van de bestaande bouw en glastuinbouw • Netbewuste bedrijventerreinen en mobiliteit: koppeling vraag-aanbod en buffering • Netbewuste duurzame opwek: efficiëntere inzet van grootschalige opwek
De focus ligt op acties die nu ingezet worden, maar die effect hebben op de langere termijn, na 2030. Het provinciaal Beleidskader Energiesysteem en het actieplan netcongestie Gelderland (inclusief actualisaties) vormen belangrijke kaders voor dit regionale uitvoeringsplan. Deze provinciale plannen zijn regionaal vertaald en concreet gemaakt in dit plan. Uiteindelijk zullen de resultaten van het hele regionaal programmeren traject, doorwerken in de investeringsplannen van Liander. Het eigenaarschap van dit uitvoeringsplan ligt bij de RES-organisatie, onder de opgave Circulaire Regio van de Groene Metropoolregio, met afstemming binnen de andere opgaven van de GMR én in samenwerking met Liander. Dit plan wordt jaarlijks gemonitord en tweejaarlijks volgt een update op dit plan, op basis van de resultaten uit het regionaal programmeren. Voor nieuwbouw zetten we in op het toepassen van de ontwerpprincipes netbewust bouwen. Ook zoeken we de verbinding met de andere opgaven in de GMR rondom de woondeal en conceptueel en circulair bouwen. Nieuwe bedrijventerreinen en bestaande terreinen ontwikkelen we netbewust of netneutraal met koppeling van lokale opwek, opslag en vraag (local for local). In de bestaande bouw zetten we in op een netbewuste warmtetransitie door het ontwikkelen van collectieve warmtesystemen en bronontwikkeling via het regionaal warmteprogramma van de RES.
Dit draagt bij aan doel 3. We werken samen in werkgroepen aan de uitwerking van de actielijnen met een afvaardiging van de gemeenten. Hierin verzamelen en borgen we kennis en ervaring met elkaar en werken we aan handvatten en handelingsperspectieven voor gemeenten.
Afspraak 3 Alle RES-gemeenten zetten gezamenlijk in op de beschreven acties in het regionaal uitvoeringsplan energiesysteem. Deze afspraak draagt bij aan doel 3: het beter benutten van de transportinfrastructuur.
2.3.4 Lokaal energie opwekken en consumeren: local for local De provincie Gelderland hecht veel waarde aan het samenbrengen van energievraag en aanbod, het zogenoemde local for local principe. ‘Local for local’ houdt in dat lokaal opgewekte energie ook lokaal wordt gebruikt. In plaats van alle energie centraal op te wekken en over lange afstanden te transporteren, draait een decentraal energiesysteem om productie en verbruik op lokale schaal (Beleidskader Energiesysteem). Dit betekent dat energiecoöperaties, bedrijven en bewoners in een regio zelf duurzame stroom of warmte opwekken en deze direct met elkaar delen binnen de eigen gemeenschap (EnergieSamen local4local). In Gelderland is dit principe een antwoord op het overbelaste stroomnet: energie (zowel elektriciteit
8
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
als warmte) moet meer lokaal opgewekt én gebruikt worden voor een efficiënter gebruik van het netwerk, zoals de pilot Smart Energy Hub Innofase in Duiven (Solarmagazine). Een local for local aanpak in de energievoorziening biedt veel voordelen: het netwerk wordt minder belast door betere afstemming van de lokale vraag en aanbod, duurzame energie wordt regionaal opgewekt én geconsumeerd (dubbelgroene stroom) en bewoners raken meer betrokken dankzij lokaal eigenaarschap en betaalbare, stabiele energiekosten. Tegelijkertijd zijn er uitdagingen, zoals het balanceren van variabele opwek en consumptie, het aanpassen van regelgeving (Energiewet) en organisatiemodellen (zoals energiegemeenschappen), en het financieel haalbaar maken van projecten voor niet alleen de coöperatie, maar ook inkomensgroepen met een kleine beurs. Creatieve oplossingen zoals lokale opslag, afspraken over flexibele energievraag en -aanbod en innovatieve financieringsvormen (bijvoorbeeld gemeenteleningen) zijn essentieel om deze aanpak succesvol te maken. Deze uitdagingen gelden ook voor het opzetten van Smart Energy Hubs op het gebied van samenwerking, organisatievormen en contractuele afspraken. De provincie Gelderland ondersteunt dit local for local principe actief, onder andere via pilots en samenwerking met energiegemeenschappen.
Het is een belangrijke bouwsteen voor een klimaatneutrale provincie in 2050 (Gelders Energieakkoord; Gelders Programma Klimaat; Beleidskader Energiesysteem). Voorbeelden in de provincie zijn Smart Energy Hub Innofase, lokaal energiebedrijf AGEM (Achterhoekse Gemeenten), energiecoöperaties Lochem Energie en Zutphen Energie en de regionale samenwerking Betuwewind en Energie Samen Rivierenland. Ook landelijk wordt er belang gehecht aan het decentrale energiesysteem met een centrale rol voor energiegemeenschappen. In de kamerbrief van Hermans in juni ’25 (decentrale ontwikkeling van het energiesysteem) en de kamerbrief van april ’25 (weerbaar energiesysteem en toekomstbestendige industrie) is hier duiding aan gegeven met een aantal stimuleringsmaatregelen en beleidsvoornemens, zie figuur 2.
Figuur 2: Samenvatting van de belangrijkste elementen uit de kamerbrief van decentrale ontwikkeling energiesysteem met betrekking tot het local for local principe.
2.4 Toekomstbestendig decentraal energiesysteem
9
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
2.4.1 Inleiding
Concept
Naast het beter benutten van het energiesysteem moeten we nu ook keuzes maken voor de ontwikkeling van het energiesysteem na 2030. Daarom worden op meerdere niveaus energievisies opgesteld om dit toekomstige energiesysteem te schetsen en te bepalen hoe het toekomstige, meer decentrale energiesysteem eruitziet. In dit systeem komen de Wereld van B, het local for local principe en energyhubs terug. Dit zijn principes om op lokaal niveau vraag, aanbod en infrastructuur samen te brengen. In deze paragraaf worden kort de bestaande en lopende ontwikkelingen beschreven voor de provincie en regio.
2.4.2 Beleidskader Energiesysteem Gelderland Op 18 december 2024 hebben Provinciale Staten het Beleidskader Energiesysteem vastgesteld. Dit beleidskader is gericht op de lange termijn (2030-2050) en beschrijft onder andere de strategische doelen van het Gelders energiebeleid. Ook beschrijft het de leidende principes voor de inrichting van het energiesysteem en geeft het richtlijnen aan Gedeputeerde Staten voor de uitwerking van het beleidskader in een Programma Energiesysteem. Dit kader vormt ook de basis voor het pMIEK dat elke 2 jaar wordt vastgesteld door de Gedeputeerde Staten. Met het pMIEK prioriteren Gedeputeerde Staten energie-infraprojecten binnen de investeringsplannen van de netbeheerders (zie ook onderdeel 3 sneller bouwen). Het Beleidskader Energiesysteem wordt opgenomen in de actualisatie van de Gelderse Omgevingsvisie, waarin de provincie integrale afwegingen maakt tussen energie en andere opgaven. De vernieuwde Omgevingsvisie Gelderland vervangt dan het beleidskader. Voor de RES zijn de provinciale kaders en uitgangspunten leidend bij de regionale uitwerking en doorwerking naar de gemeenten. De belangrijkste kaders voor nu zijn de leidende principes uit het beleidskader. Hoofdprincipe: Energie wordt medesturend voor de inrichting van Gelderland. Inrichtingsprincipes: • We besparen zoveel mogelijk energie.
• We organiseren het Gelderse energiesysteem zoveel mogelijk decentraal met aandacht voor de combinatie van lokale opwek, lokale opslag en lokaal gebruik (local for local principe). • We zetten in op een diverse energiemix. • We stimuleren betrokkenheid van Gelderlanders bij de energietransitie, onder andere via participatie en de mogelijkheid tot lokaal eigendom van opwek en opslag.
Afspraak 4 We sluiten aan bij provinciaal beleid en actualisaties daarvan, zoals het Beleidskader Energiesysteem, Programma Energiesysteem en de Omgevingsvisie Gelderland. Dit is het uitgangspunt voor de regionale toepassing ervan. Dit draagt bij aan doel 1: het inzichtelijk maken van beleidsdoelen en handelingsperspectief voor het regionaal energiesysteem. Bovengenoemd beleidskader werkt de provincie in 2025 uit in het Gelders Programma Energiesysteem, een thematisch programma volgens de Omgevingswet. Daarin worden de strategische doelen van het beleidskader vertaald in tactische doelen en maatregelen. In dit traject betrekt de provincie de regio en gemeenten op meerdere momenten inhoudelijk. Ook vindt eenmalig een bestuurlijke consultatie plaats. Dit programma is een belangrijk kader voor de RES en gemeenten. Daarom blijven we hierbij nauw betrokken via de bestaande samenwerkingen, zoals het GEIS en de energyboard (zie onderdeel 6 samenwerking en organisatie).
2.4.3 Regionale visie op het Decentrale Energiesysteem Op regionaal niveau is het ook nodig om tot een gedeeld beeld te komen op het decentrale energiesysteem, met duidelijke principes en keuzes. Het provinciale beeld is namelijk niet altijd tot in detail uitgewerkt voor regionaal en lokaal niveau. Het is gericht op de realisatie van de provinciale beleidsdoelstellingen. Het regionale schaalniveau, inclusief de onderstations, is geschikt om met de 16 gemeenten gezamenlijk een beeld te vormen. Daarbij bouwen we voort op bestaande lokale visies en beleidsdocumenten die er al zijn of in ontwikkeling zijn. Het energiesysteem houdt immers niet op bij de gemeentegrens. Het vraagt om een bovenlokale oplossing en, in veel gevallen, bovenlokale samenwerking. Tegelijkertijd liggen er lokaal juist kansen door het toepassen van de ‘Wereld van B’, ‘local for local’ en het gebiedsgericht werken waarbij het energievraagstuk in combinatie met ruimtelijke vraagstukken en verduurzaming wordt bekeken.
10
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
De regionale energievisie steken we pragmatisch in door vooral te focussen op de inhoud die er al is op nationaal, provinciaal en lokaal niveau. De kamerbrief van Hermans op het decentrale energiesysteem biedt hiervoor al veel handvatten, net als het Gelders Programma Energiesysteem. We willen in deze visie duidelijk krijgen welke zaken slim en nuttig zijn om op regionaal niveau op te pakken en wat er op lokaal niveau vorm kan krijgen. De visie zal ook een inschatting geven van de benodigde energievraag, -aanbod en infrastructuur die nodig is tot 2050. Hierbij gaat het expliciet om de combinatie van de energiedragers elektriciteit, warmte en duurzame gassen. De rol van biomassa in deze energiemix is nog nader af te stemmen in de regio. Ook maken we de opgave die er na 2030 nog ligt duidelijk, voor bijvoorbeeld duurzame opweklocaties, ruimte op het elektriciteitsnet voor ontwikkelingen rondom bedrijventerreinen en potentiële locatie(s) voor waterstofproductie en/of een waterstofaftakking op het landelijk waterstofnetwerk. Hiervoor sluiten we aan bij nationale en provinciale kaders en keuzes. Ook de ruimtevraag van de energie-infrastructuur in de fysieke leefomgeving heeft de aandacht in deze analyse. Voorbeelden van vraagstukken in deze regionale visie zijn: • Het netbewust ontwikkelen van nieuwbouwwoningen en werklocaties (bedrijventerreinen en logistiek).
• Het verduurzamen van de bestaande gebouwde omgeving (netbewuste warmtetransitie). • Verduurzaming van huidige werklocaties (bedrijventerreinen en logistiek). • Opweklocaties bij energievraag (local for local). • De ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuur op zowel lokaal (middenspanningsruimtes en warmte-overdrachtstations) als bovenlokaal (middenspanningsstations, warmte-opwaardering, piek- en back-up centrales warmte).
Daarbij zetten we in op bundeling van vraag en aanbod en slimme oplossingen achter de meter, zoals cablepooling, energyhubs, energieopslag en buffering en opwek van zon- en/of wind achter de meter. Energyhubs zijn echter complex om te realiseren door samenwerking, contractvorming en financiering. We passen daarom de lessen en ervaringen toe uit het handelingsperspectief van bedrijventerreinen om ondernemers concreet te helpen bij hun energievraagstuk. Namelijk: inzicht in energiebehoefte en vraagprofiel, inventariseren van energiebesparingsmogelijkheden en/of flexibiliteitsopties, inzicht in oplossingen achter de meter en, als laatste stap, over de grens heen kijken naar oplossingen met netburen of een groepscontract met andere ondernemers.
Afspraak 5 In de RES ontwikkelen we in 2026 een regionale visie op het energiesysteem om een concrete invulling te geven aan de leidende principes en keuzes vanuit de provincie (beleidskader, programma energiesysteem en omgevingsvisie Gelderland). Dit bevat onder andere keuzes over de energie-intensieve clusters, waterstofaftakking, Brick Valley en warmtetransportinfrastructuur. Dit draagt bij aan doel 2. Deze visie geven we zoveel mogelijk regionaal en gezamenlijk vorm met een geplande start in 2026. Dit is een logisch moment waarop de lopende ontwikkelingen op provinciaal niveau naar verwachting grotendeels uitgewerkt zijn. De vorm en status (programma, visie, perspectief, etc.) stemmen we nog af met de RES-deelnemers. Het plan van aanpak hiervoor wordt te zijner tijd besproken met het ambtelijk en bestuurlijk platform van de RES. De wisselwerking met het bestaande RUE wordt nader uitgewerkt als de vorm en status van deze visie duidelijk zijn.
2.4.4 Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS) Sinds 2022 bestaat het samenwerkingsprogramma Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS). Hierin werken provincie, RES-regio’s, netbeheerders en KGG samen aan oplossingen voor netcongestie en het energiesysteem van de toekomst. Dit programma heeft drie onderdelen: • Bouwen • Integraal programmeren en toekomstig energiesysteem • Slimme, plaatselijke oplossingen
In het programma zijn we als gemeenten in de RES-regio’s zowel ambtelijk als bestuurlijk vertegenwoordigd in respectievelijk het kernteam GEIS en de energyboard. Hieraan nemen de RES-procesregisseur en/of de projectleider Energiesysteem en de bestuurlijk trekker RES-deel. De rol van de vertegenwoordigers is om te adviseren op provinciale keuzes in het energiesysteem en het perspectief van de gemeenten in te
11
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
brengen. Dit doen zij door het signaleren van knelpunten, mogelijke consequenties en de impact van (bovenregionale) keuzes (juridisch, organisatorisch, uitvoerbaarheid, etc.) op lokaal niveau.
Concept
De input en belangen worden voor zover mogelijk vooraf opgehaald in de ambtelijke en bestuurlijke overleggen van de circulaire regio van Groene Metropoolregio (GMR). De resultaten worden teruggekoppeld in de stukken van de ambtelijke en bestuurlijke platforms.
Afspraak 6 Vanuit de RES continueren we de samenwerking in het programma GEIS van de provincie Gelderland. Ambtelijk en bestuurlijk is één vertegenwoordiger aangedragen om de belangen en input vanuit de regio in te brengen in dit programma GEIS. Deze vertegenwoordigers informeren, koppelen terug en activeren gemeenten over relevante onderwerpen en benodigde acties. Dit draagt bij aan doel 4: het verbinden van de schaalniveaus in het energiesysteem en doel 1: het duiden van de relatie tussen beleidsdoelen en het ontwikkelen van handelingsperspectief.
3 Duurzame elektriciteitsopwek 3.1 Algemeen Op 1 juni 2021 heeft de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen de RES 1.0 opgeleverd. Deze regionale energiestrategie is vastgesteld door de 16 gemeenteraden, Provinciale Staten en de algemeen besturen van de drie waterschappen. Hieronder een samenvatting van de belangrijkste RES 1.0 afspraken rond duurzame elektriciteitsopwek: • In 2030 wekken we als regio grootschalig 1,62 TWh duurzame elektriciteit op. • Het gaat om een regionaal bod, waar we als provincie, 16 gemeenten, waterschappen en netbeheerder gezamenlijk verantwoordelijk voor zijn. • De verdeling (in TWh) uit figuur 3 wordt gehanteerd om het regionale bod te behalen. • We weten dat er in geplande vermogens een grote mismatch is tussen zon (89%) en wind (11%). • We streven in het vervolgproces naar een betere wind-zon verhouding (idealiter van 50% - 50% per onderstation). • Richting een RES 2.0 onderzoeken we extra (verkennings)gebieden voor windturbines om de verhouding te verbeteren.
Figuur 3: Initiële verdeling van duurzame energiebronnen in het RES-bod, weergegeven in TWh.
3.2 Restopgave RES: nog 0,30 TWh grootschalige elektriciteitsopwek 3.2.1 Inleiding Om te bepalen hoeveel duurzame elektriciteit een project opwekt, maken we gebruik van de rekenregels volgens het begrippenkader RES. Dit zijn landelijk geldende regels om de voortgang van alle regionale energiestrategieën inzichtelijk te hebben. Voor de monitoring van de RES-voortgang is iedere RES-regio gebonden aan het begrippenkader RES. De meest recente monitoring is te vinden in de Voortgangsrapportage RES van juli 2025.
12
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Om te bepalen hoeveel duurzame elektriciteit we als regio nog via nieuwe projecten moeten opwekken, kijken we echter verder dan alleen de laatste stand van zaken in de monitoring. We willen weten welke projecten nog worden gerealiseerd de komende jaren. Om daar een inschatting van te maken, doen we ook een eigen aanname. Die aanname is dat alle vergunde projecten én drie vergevorderde windinitiatieven uiteindelijk worden gerealiseerd. Daardoor komen de cijfers in dit hoofdstuk wat hoger uit dan de cijfers in de RES-monitor. In de RES-monitor wordt per projectfase namelijk gerekend met een slagingskans. Zo telt de voorziene elektriciteit van vergunde projecten die nog niet zijn gerealiseerd in de RES-monitor voor 90% mee. Projecten die nog niet zijn vergund tellen in de RES-monitor voor 80% of minder mee. Van de afgesproken 1,62 TWh is op dit moment 0,71 TWh gerealiseerd en 0,50 TWh vergund. Een aantal vergunde projecten wacht daarbij nog op een uitspraak van de Raad van State. Het gaat onder andere om de windparken Caprice en Beuningen en zonnepark Leuth. Ook zitten nog twee vergevorderde windinitiatieven in de projectenpijplijn (opgenomen in tabel 3), samen goed voor 0,11 TWh. Als we deze getallen bij elkaar optellen, dan komen we tot 1,32 TWh. Dit betekent dat we als regio nog een restopgave hebben van 0,30 TWh aan grootschalige duurzame elektriciteitsopwek.
Figuur 4: Restopgave van 0,30 TWh grootschalige duurzame elektriciteitsopwek
3.2.2 Waarom nieuwe plannen voor de restopgave van 0,30 TWh? In de RES 1.0 zijn afspraken gemaakt over de 1,62 TWh duurzame elektriciteitsopwek. Waarom is het nodig om nieuwe plannen te maken voor de restopgave van 0,30 TWh? Daarvoor moeten we terug naar de initiële verdeling van het RES-bod. Het grootste deel van het bod missen we in het onderdeel zon-op-dak, namelijk ongeveer 0,21 TWh. De zon-op-dakambitie van 0,49 TWh was in de RES 1.0 relatief groot: 25% van het maximale dakpotentieel dient in 2030 zonne-energie op te wekken. Het initiatief daarvoor ligt bij individuele bedrijven en organisaties in de regio. Iedere organisatie beslist zelf óf, wanneer en hoeveel zonnepanelen ze op haar dak plaatst. Zon-op-dakprojecten lopen in de afgelopen jaren echter tegen flinke extra uitdagingen aan. Zo speelt er sinds november 2022 netcongestie, waardoor organisaties hun nieuw opgewekte zonne-energie niet langer aan het elektriciteitsnet mogen leveren. Ook geldt voor bestaande zon-op-dakprojecten dat ze inmiddels in veel gevallen terugleverkosten betalen als ze op piekmomenten zonne-energie aan het elektriciteitsnet leveren. Het is dus veel minder aantrekkelijk voor organisaties om zonnepanelen te installeren. Een kleiner deel, namelijk de resterende 0,09 TWh missen we in de opgave op land. Op de vraag ‘waar dan?’, valt geen eenduidig antwoord te geven.
Er zijn namelijk twee doorrekeningen gemaakt voor de RES 1.0. Voor de concept RES 1.0 is een doorrekening gemaakt op basis van een projectenlijst met 88 projecten. Aangezien niet iedere gemeente zich in al deze genoemde projecten kon vinden, is er voor de definitieve RES 1.0 een meer globale doorrekening gemaakt op basis van zoekgebieden. Een gezamenlijk regionaal bod van 1,62 TWh bleef daarmee realistisch en is door alle betrokken partners vastgesteld. Momenteel is 1,32 TWh gerealiseerd, vergund of onderdeel van een vergevorderd initiatief. De verdeling van de 16 regiogemeenten staat in figuur 5.
13
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Figuur 5: Aandeel per gemeente in gerealiseerde, vergunde en vergevorderde initiatieven van duurzame elektriciteitsopwek, uitgedrukt in TWh (totaal 1,32 TWh).
3.3 Local for local als uitgangspunt voor de restopgave van 0,3 TWh 3.3.1 Inleiding In de paragrafen 2.3 en 2.4 zijn het local for local principe en het toekomstig regionaal energiesysteem besproken. De provincie Gelderland heeft in het Beleidskader Energiesysteem vijf leidende principes meegegeven voor de inrichting van het toekomstige Gelderse energiesysteem. Wellicht dat deze nog veranderen na vaststelling van het provinciaal Programma Energiesysteem. • Energie wordt medesturend voor de inrichting van Gelderland. • We besparen zoveel mogelijk energie. • We organiseren het Gelderse energiesysteem decentraal met aandacht voor de combinatie van lokale opwek, lokale opslag en lokaal gebruik. • We zetten in op een diverse energiemix. • We stimuleren betrokkenheid van Gelderlanders bij de energietransitie.
Principes drie en vier zijn daarbij belangrijk voor de grootschalige opwek van duurzame elektriciteit. Vanwege netcongestie en de weersafhankelijkheden in duurzame elektriciteitsopwek wordt het belangrijker om deze opwek te ontwikkelen in en om gebieden met een groter elektriciteitsvraag en -gebruik. De restopgave van 0,30 TWh staat gelijk aan: • 30 windturbines van 3,6 MW, óf; • 19 windturbines van 5,6 MW, óf; • 16 windturbines van 7,0 MW, óf; • 316 hectare aan zonnevelden.
Om invulling te geven aan de restopgave van 0,30 TWh zetten we in op drie parallelle sporen: • Zon-op-dakprojecten beter in beeld en als onderdeel van local for local oplossingen. • Elektriciteitsopwekking bij energie-intensieve bedrijven. • Nieuwe zoekgebieden windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren.
3.3.2 Zon-op-dak beter in beeld en als onderdeel van local for local oplossingen De realisatie van zon-op-dakprojecten blijft achter bij de ambitie die in de RES 1.0 is gesteld. Netcongestie en terugleverkosten zijn daarbij knelpunten die voortduren tot na 2030. Dat betekent echter niet dat er geen toekomst is voor zon-op-dakprojecten. Steeds meer organisaties lopen in hun bedrijfsvoering tegen de grenzen van hun elektriciteitscontract aan. Op het moment dat organisaties meer elektriciteit willen gebruiken dan hun contract toestaat, komt er pas na 2030 hulp vanuit de netbeheerders. Ze zijn voor een groeiend elektriciteitsgebruik de komende jaren dus op zichzelf en hun nabije omgeving aangewezen. Zon-op-dakprojecten kunnen daarin een op-
14
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
lossing bieden voor gebruik ‘achter de meter’. Bijvoorbeeld in combinatie met opslag en/of in samenwerking met andere organisaties in de omgeving. Op het moment dat dit vraagstuk bij meer organisaties of bedrijven speelt, bijvoorbeeld op een bedrijventerrein, is het interessant om zon-op-dakprojecten of andere duurzame elektriciteitsopwek te organiseren als onderdeel van gezamenlijke local for local oplossingen.
15
Het Regionaal Uitvoeringsplan Energiesysteem adresseert dit. Bestuurlijke afspraken 3 en 4 ondersteunen de aanpak van zon-op-dak als onderdeel van local for local oplossingen. Ook valt er qua zon-op-dak winst te behalen in de monitoring. Op dit moment verloopt die monitoring via de nationale klimaatmonitor. Die monitor loopt echter twee jaar achter op de actualiteit. Ook is het de vraag of de cijfers in de klimaatmonitor volledig zijn. We zoeken daarom naar manieren om de monitoring van zon-op-dakprojecten te verbeteren, onder andere door de samenwerking te zoeken met de netbeheerder en de regionale omgevingsdiensten.
3.3.3 Elektriciteitsopwekking bij energie-intensieve bedrijven Binnen de RES GMR vallen zo’n twintig bedrijven en instellingen onder de Europese ETS-regelgeving. ETS staat voor Emissions Trading System en is het Europees handelssysteem voor de CO2-uitstoot van de industrie. Een industrieel bedrijf moet in dat systeem voor elke ton CO2 dat het uitstoot één emissierecht inleveren. Ze kunnen die emissierechten kopen en verhandelen. Zo betaalt de industrie voor haar eigen CO2-uitstoot. De ETS dwingt de Europese industrie om geleidelijk naar nul uitstoot in 2040 te gaan. Bedrijven krijgen steeds minder emissierechten gratis en moeten steeds meer kopen. Bovendien zorgden nieuwe regels van het ETS voor een verhoging van de gemiddelde prijs van een emissierecht. In 2018 kostte een emissierecht nog €8, nu €24. Het Planbureau voor de Leefomgeving verwacht dat die prijs in 2030 €40 tot €50 per emissierecht bedraagt. De twintig ETS-instellingen in onze regio móeten hun CO2 dus afbouwen in de komende 30 jaar als ze willen blijven produceren. Onder de twintig ETS-bedrijven vallen onder andere de afvalverbrandings-installaties AVR en ARN, allebei met een uitstoot van boven de 120.000 ton CO2 in 2024. Ook andere bekende namen zoals het Radboud UMC en de papierfabriek in Renkum vallen onder het ETS-regime, plus een flink aantal steenfabrieken in het rivierengebied.
Een overzicht van de ETS-bedrijven binnen de RES-regio is opgenomen in het figuur 6. Naast de ETS-bedrijven zijn er andere energie-intensieve bedrijven en instellingen in de regio die op den duur moeten verduurzamen. Het gaat onder andere om een aantal zandwinningen, betoncentrales en rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s). Ook agrarische bedrijven vormen een belangrijke doelgroep. Bij agrariërs of een clustering van agrarische bedrijven zijn, naast de ontwikkeling van traditionele zon- en windprojecten, ook alternatieve vormen van duurzame opwek denkbaar. Het gaat dan om bijvoorbeeld erfmolens, mestvergisting en windmolens met een beperkte tiphoogte van zo’n 100 meter. De druk om te verduurzamen en de CO2-uitstoot terug te dringen groeit bij bovenstaande bedrijven en instellingen. In veel gevallen hebben deze bedrijven ook de mogelijkheden om grootschalige elektriciteit op te wekken. Het gaat in veel gevallen namelijk om bedrijven met veel (dak)oppervlak, solide investeringsmogelijkheden en vaak liggen ze op een behoorlijke afstand van woningen en woonwijken. Daarbij is sprake van lokaal eigendom op het moment dat deze bedrijven een lokale eigenaar hebben. Netcongestie is geen knelpunt wanneer ze de opgewekte elektriciteit zelf gebruiken, opslaan of omzetten: het gebruik ‘achter de meter’.
Een aantal bedrijven heeft zich in het afgelopen jaar dan ook al gemeld voor de ontwikkeling van grootschalige elektriciteitsprojecten.
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
Concept
Figuur 6: Regiokaart met alle ETS bedrijfslocaties in 2025. Bron: Nederlandse Emissieautoriteit
Gemeenten, provincie, waterschappen en netbeheerders spreken af om de plannen voor grootschalige duurzame elektriciteitsopwek te inventariseren bij bovenstaande bedrijven. Daarbij geldt een inspanningsverplichting om mee te denken en mee te werken op het moment dat deze bedrijven en instellingen initiatieven ontwikkelen. Daarbij gelden de volgende randvoorwaarden: • De grootschalige duurzame opwekprojecten beïnvloeden de zon-windverhouding binnen de RES niet negatief. Dat betekent voor de ontwikkeling van zonne-energie, dat dit altijd wordt aangesloten ‘achter de meter’ en nooit rechtstreeks op een onderstation van het elektriciteitsnet. • Op deze manier wordt voldaan aan de kaders van de provincie Gelderland en aan de Gelderse voorkeursvolgorde zon. • In de grootschalige duurzame opwekprojecten is sprake van een streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Daarbij staat lokaal eigenaarschap van de organisaties, bedrijven of instellingen ook gelijk aan lokaal eigendom.
Bovenstaande aanpak helpt bedrijven in hun verduurzamingsopgave en draagt tegelijk bij aan de regionale doelstellingen. Bij bedrijven en grootverbruikers van elektriciteit gaat het om specifieke (bedrijfs)locaties in plaats van zoekgebieden. In deze RES 2.0 zijn dan ook geen specifieke zoekgebieden opgenomen voor deze categorie van elektriciteitsopwek bij energie-intensieve bedrijven.
3.4 Windenergie als onmisbare bouwsteen 3.4.1 Inleiding In de Verrijking RES 2024 is uiteengezet waarom alleen nog windenergie als duurzame decentrale elektriciteitsopwek op het elektriciteitsnet kan worden aangesloten: • De hoeveelheid zonne-energie is de afgelopen jaren enorm gestegen. Daardoor kan het elektriciteitsnet die hoeveelheid elektriciteit op piekmomenten (wanneer de zon schijnt) steeds moeilijker aan. • De hoeveelheid windenergie is juist achtergebleven, waardoor duurzame elektriciteit maar beperkt beschikbaar is op momenten dat de zon niet schijnt. • Netbeheerder Liander heeft in de planMER en in de Verrijking RES 2024 per onderstation aangegeven welke energietechniek de voorkeur heeft. Voor 30% van de onderstations heeft Liander een voorkeur voor windenergie. Voor 70% van de onderstations gaat het om een zeer sterke voorkeur voor windenergie.
16
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
•
Concept
•
In de RES 1.0 projecten was sprake van een grote onbalans tussen zonne- en windenergie. In voorziene vermogens ging het om 89% zonne-energie en 11% windenergie. Eén van de opdrachten uit de RES 1.0 is de onbalans te verbeteren. Idealiter naar een 50% - 50% verhouding per onderstation. Via ‘local for local’, aansluiting achter de meter, contractafspraken met de netbeheerder of cable pooling met bestaande (zon)projecten kan windenergie ook in tijden van netcongestie vaak nog worden gerealiseerd.
Tabel 2: Aandeel windenergie per onderstation op 1 januari 2025. Voedende Installatie
Aandeel Wind
Aandeel Zon
OS Angerlo
0%
100%
OS Arnhem
53%
47%
OS Nijmegen
13%
87%
OS Dodewaard
0%
100%
OS Druten
0%
100%
OS Eerbeek
0%
100%
OS Elst
4%
54%
OS Kattenberg
0%
100%
OS Oosterhout
0%
100%
OS Renkum
0%
100%
OS Teersdijk
0%
100%
OS Zevenaar
34%
66%
Totaal Regio
14%
86%
Liander, 2025
3.4.2 Milieueffectonderzoek: vooral kansen voor windenergie langs grote doorgaande wegen Vanwege de onbalans tussen zonne- en windenergie hebben gemeenten en provincie in de RES 1.0 afgesproken om onderzoek te doen naar extra zoekgebieden voor windenergie. In 2023 heeft de RES GMR een milieueffectonderzoek (planMER) uitgevoerd met de gehele regio als onderzoeksgebied. Dit planMER is als bijlage II opgenomen bij deze RES 2.0. Het gehele document is te vinden op de planMER webpagina. In het planMER is gekeken naar de volle breedte van de RES; de mogelijkheden voor windenergie, zonneenergie en warmtebronnen. De hoofdvraag is: Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken of ongeschikt voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh duurzame elektriciteitsambitie en regionale warmtebronnen in de Groene Metropoolregio. En hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van drie thematische alternatieven? Deze vraag is in drie stappen beantwoord: • Door ongeschikte gebieden op basis van wet- en regelgeving uit te sluiten en op de kaart onderscheid te maken tussen geschikte en geschikt te maken gebieden. • Door vanuit de RES en de thema’s natuur, landschap en leefomgeving de geschikte en geschikt te maken gebieden te bekijken. • Door vanuit milieueffecten te komen tot mogelijke zoekgebieden in de geschikte en geschikt te maken gebieden.
Uit het onderzoek blijkt dat de zoekgebieden voor windturbines in de RES 1.0 vanuit milieuperspectief goed mogelijk zijn. Ook blijkt dat zonne-energie qua milieuaspecten bijna overal mogelijk is. Voor wind-
17
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
energie liggen er goede kansen langs grote doorgaande wegen en in een aantal buitengebieden die niet zijn aangemerkt als cultuurhistorische plek of natuurgebied.
Concept
Eén van de drie samenvattende kaarten uit het milieueffectonderzoek is weergegeven in figuur 7. De kaart laat zien welke gebieden geschikt zijn, of geschikt te maken zijn voor de ontwikkeling van twee of meer windturbines met een lage geluidsemissie. De kaart heeft gebruik gemaakt van een referentieturbine met een relatief lage geluidsemissie (een Nordex N117). Voor de milieutechnische mogelijkheden is de hoogte of omvang van windturbines niet zo relevant, de geluidsemissie is leidend. Met andere woorden: een aanzienlijk hogere of grotere windturbine met eenzelfde lage geluidsemissie, biedt vergelijkbare milieutechnische mogelijkheden. De drie samenvattende milieubeoordelingskaarten zijn in hoge resolutie te vinden op de planMER webpagina. Het gaat om de volgende kaarten: • Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van zonnevelden. • Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een lage geluidsemissie. • Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een hoge geluidsemissie.
Figuur 7: Geschiktheidskaart voor windturbines met een lage geluidsemissie in de regio.
Op 2 november 2023 bracht de Commissie m.e.r. haar advies uit op de planMER. Daarin stelt de commissie twee adviezen centraal: • De informatie over natuur en landschap was volgens de Commissie nog van onvoldoende kwaliteit. Natuurgevolgen waren mogelijk onderschat. Voor landschap was niet duidelijk of alle voorgestelde zoekgebieden wel ‘geschikt’ waren. De commissie miste een uitwerking op gebiedsniveau: waarom is een gebied qua natuur en landschap beter geschikt voor de opwekking van duurzame elektriciteit of warmte dan een ander gebied? • Ook vroeg de Commissie bij de gemeenten aandacht voor het bewaken van de samenhang tussen gebieden voor duurzame energieproductie. Dit is belangrijk om bijvoorbeeld onbedoelde opeenstapeling van negatieve milieueffecten te voorkomen.
Een nadere uitwerking op gebiedsniveau vindt lokaal plaats op het moment dat projecten concreet worden in een projectMER. Aan de hand van het advies van de Commissie m.e.r om de samenhang tussen gebieden
18
Concept
(van 11-2-2026 16:02)
te bewaken, geven we gehoor door nieuwe RES-projecten altijd eerst op de regionale tafel te bespreken. Op basis van de uitkomsten van de PlanMER werken gemeenten aan eigen plannen om windlocaties ruimtelijk te borgen vanuit hun eigen, door raden vastgestelde, beleidsdoelstellingen. Dit proces loopt parallel aan deze rapportage.
Concept
3.4.3 Effect van Veluws wespendiefbeleid op de mogelijkheden voor windenergie De provincie Gelderland beschermt diersoorten in het kader van de Omgevingswet, waarin de voormalige Wet natuurbeheer (Wnb) is opgenomen. Een van die diersoorten is de wespendief, een roofvogel die op de Veluwe broedt. Daarom besloten Gedeputeerde Staten eind 2022 dat er geen windturbines mogen komen op de Veluwe en in een zone van 1 kilometer daaromheen. In een cirkel van 1 tot 8 kilometer om de Veluwe zijn (tijdelijk) beperkt windturbines toegestaan met een stilstandsvoorziening in juli en augustus.
19
Concept
In de 1 kilometerzone rondom de Veluwe was in onze regio één windproject in voorbereiding. Dit project bevond zich in de idee-fase en is daarom voor 0% meegerekend in de RES 1.0. In de 1 tot 8 kilometerzone zijn meerdere windprojecten in voorbereiding. Deze windprojecten kunnen beperkt doorgang vinden op basis van een stilstandsvoorziening van 4,5 maanden per jaar. Ook vinden op de Veluwe twee onderzoeken plaats. Eén om wespendieven te herkennen via cameradetectie en een ander onderzoek om wespendieven individueel te volgen via een zender. Als een of beide onderzoeken gunstige resultaten opleveren, worden in de 1 tot 8 kilometerzone meer windprojecten mogelijk met minder stilstand. De resultaten van deze onderzoeken worden in 2026 verwacht.
3.5 Voldoende mogelijkheden voor windenergie binnen de regio 3.5.1 Inleiding De gemeenten Arnhem en Nijmegen zijn sterk verstedelijkt en hebben daardoor beperkte mogelijkheden voor de ontwikkeling van windturbines. Toch hebben beide gemeenten het afgelopen decennium mogelijkheden gevonden om windplannen te ontwikkelen. In Arnhem gaat het om het windproject Koningspleij met vier windturbines. In Nijmegen gaat het om twee windprojecten: Nijmegen-Betuwe met vier turbines en De Groene Delta met twee turbines. Naast de grote steden zijn er acht gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Naast Arnhem gaat het in het noordelijke deel van de regio om de gemeenten Duiven en Zevenaar. In het middengebied hebben beide gemeenten, Lingewaard en Overbetuwe, goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Ten zuiden van de Waal liggen die mogelijkheden, naast de ontwikkelde windplannen in Nijmegen, vooral in Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen. De gemeente Berg & Dal tenslotte kent een zeer gevarieerd landschap met veel natuurwaarden, diersoorten, bos- en heuvelgebieden en drinkwaterwingebieden. Er zijn geen snelwegen of landelijk gelegen provinciale wegen die de gemeente Berg & Dal doorkruisen en waarlangs windturbines kunnen worden ontwikkeld.