Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nijmegen 2025
Tekst van het document
Hoofdstuk 7 Beschermd Wonen 7.1 Inleiding Beschermd Wonen wordt in artikel 1.1.1 van de Wmo als volgt gedefinieerd: “wonen in een accommodatie
van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen of inwoners met een licht verstandelijke beperking, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving” .
7.2 Doelgroep Beschermd Wonen is bedoeld voor volwassenen met een ernstige psychische beperkingen die hierdoor tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen en 24/7 toezicht of begeleiding in de nabijheid nodig hebben. Deze volwassenen maken geen aanspraak op zorg vanuit de Wlz.
Daarnaast is Beschermd Wonen bedoeld voor inwoners met een (licht) verstandelijke beperking (lvb) die
op termijn (naar verwachting) zelfstandig kunnen wonen. In de aanloop naar deze zelfstandigheid hebben zij een aantal jaren na hun 18e levensjaar een beschermde woonomgeving nodig. Deze mensen zijn (nog) niet in staat of hebben (nog) onvoldoende regie om alle organisatorische en financiële aspecten rondom het bewonen van een eigen woning te verzorgen. De ondersteuning is gericht op het leren functioneren
met deze (blijvende) beperking. Het doel van de ondersteuning is om zoveel mogelijk zelfredzaamheid en participatie in de maatschappij te bereiken.
Voor beide groepen geldt dat sprake moet zijn van een vastgestelde psychiatrische of lvb diagnose van
een specialist op het gebied van geestelijke gezondheidszorg (ggz) of lvb. Er kunnen meerdere diagnoses tegelijkertijd bestaan met daarnaast verslavingsproblematiek, een verstandelijke beperking en/of lichamelijke klachten. De problemen op het gebied van psychiatrie zijn dominant.
Zeer kwetsbaar De doelgroep is ‘zeer kwetsbaar’: het betreft mensen die onvoldoende hulpbronnen hebben op eigen kracht moeilijkheden en tegenslagen te overwinnen en hun leven vorm te geven. De GGD beoordeelt individueel aan de hand van de volgende aspecten of iemand zeer kwetsbaar is: 1. een beperkte sociale steunstructuur (weinig betekenisvolle sociale relaties); 2. weinig veerkracht (de draaglast is groter dan de draagkracht); 3. gering vermogen tot eigen regie voeren (in beperkte mate eigen wensen en behoeften duidelijk kunnen maken).
Beschermd Wonen is een passende maatwerkvoorziening voor mensen die als gevolg van ernstige
psychiatrische problemen of licht verstandelijke beperking niet in staat zijn zich op eigen kracht te
handhaven in de samenleving en 24/7 onplanbare zorg nodig hebben. Beschermd Wonen is bestemd voor inwoners van de regio Rijk van Nijmegen en Rivierenland die (zeer) beperkt zelfredzaam zijn. Veelal is overname of begeleiding nodig op één of meerdere leefgebieden.
Beschermd Wonen wordt alleen ingezet als andere mogelijkheden ontoereikend zijn, waaronder:
oplossingen vanuit eigen kracht en/of eigen netwerk (hoofdstuk 2.1 van deze beleidsregels); algemene voorzieningen;
maatwerkvoorzieningen in de vorm van ambulante begeleiding en/of dagbesteding; behandeling (tenzij behandeling ontoereikend is gebleken); Wlz;
indien er behoefte bestaat aan permanent toezicht en 24 uurs zorg in de nabijheid.
7.3 Centrumgemeente Nijmegen Beschermd Wonen is een taak die bij centrumgemeenten is ondergebracht. Op grond van de Wmo is de
gemeente Nijmegen als centrumgemeente verantwoordelijk voor het organiseren van ‘Beschermd Wonen’
in de regio Gelderland-Zuid (Rijk van Nijmegen en Rivierenland). De gemeente Nijmegen koopt Beschermd Wonen in en draagt zorg voor de toegang tot Beschermd Wonen voor de inwoners van de
regiogemeenten. Hierbij is het uitgangspunt dat alle samenwerkende gemeenten, dus niet alleen de centrumgemeente, de verantwoordelijkheid dragen en met elkaar samenwerken.
Landelijke toegankelijkheid In de Wmo is bepaald dat voor Beschermd Wonen en voor maatschappelijke opvang geldt dat mensen zich in alle gemeenten in Nederland kunnen melden als zij aanspraak willen maken op Beschermd Wonen of
maatschappelijke opvang. Zij moeten daarbij de mogelijkheid krijgen om hun eigen woonplaats te kiezen. De centrumgemeente van aanmelding behandelt de aanmelding conform de handreiking “Landelijke
toegang beschermd Wonen”. Deze handreiking bevat model-beleidsregels die de centrumgemeenten dienen te hanteren bij het bepalen van de plaats waar een inwoner het meest aangewezen is op beschermd Wonen.
7.4 Type voorzieningen De maatwerkvoorziening Beschermd Wonen bestaat uit: verblijf, begeleiding en eventueel dagbesteding. Dit pakket is sinds 2025 verdeeld in drie verschillende vormen (‘categoriëen’): Beschermd Thuis (BT), Trainingshuis (TH) en Beschermd Wonen intramuraal (BWi).
Bij Beschermd Thuis woont de inwoner in zijn eigen (al dan niet gedeelde) woning met de benodigde begeleiding en een vorm van toezicht of bereikbaarheid.
Bij het Trainingshuis woont de inwoner (tot 27 jaar) in een (al dan niet gedeelde) woning met de
benodigde begeleiding en een vorm van 24-uurs beschikbaarheid en bereikbaarheid van hulpverlening. De inwoner woont in een groep (waarbij voorzieningen gedeeld worden) of (zelfstandig) geclusterd
waarbij inzet van groepsbegeleiding mogelijk is en geleverd wordt door de zorginstelling. De inwoner woont zelfstandig en is zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en kosten van het levensonderhoud.
Beschermd Wonen intramuraal betekent dat de inwoner in een accommodatie van een instelling woont met daarbij behorend toezicht en begeleiding.
Naargelang de zorgbehoefte van de inwoner, bieden de BT, TH en BWi-pakketten steeds intensievere zorg. Een achtal producten die differentiëren naar zorgzwaarte zijn inzetbaar (zie ook: www.robregionijmegen.nl/bouwstenen-tarieven/). Schematisch ziet dat er als volgt uit:
Maatwerkvoorzienin g
Doel
Beschermd Thuis (BT) (extramuraal) -
Zo zelfstandig mogelijk thuis wonen;
Grote mate van zelfredzaamheid bereiken en behouden;
-
Deelname aan de maatschappij: zinvolle daginvulling, sociaal netwerk opbouwen en behouden;
Doelgroep
Voorkomen van crisis.
Kwetsbare inwoners met psychische of psychosociale
problematiek of een lichtverstandelijke beperking, die: - behoefte hebben aan begeleiding thuis;
- 24-uurs beschikbaarheid en bereikbaarheid; - zelfstandig hulp kan inroepen. Product
Licht
Middel
Zwaar
Begeleiding
2 – 3 uur per week
Maatwerkvoorzienin
Beschermd Wonen (BW) (intramuraal)
individueel
g
Doel
6 – 9 uur per week
Zo zelfstandig mogelijk te wonen;
-
Stabiliseren/vergroten eigen regie en zelfredzaamheid;
-
Voorkomen van crisis en decompensatie;
-
Bevorderen maatschappelijk en persoonlijk herstel.
Doelgroep
4 – 6 uur per week
Inwoners met (zeer) complexe psychische of psychosociale problematiek of (zeer) kwetsbare volwassenen met een
lichtverstandelijke beperking en (zware) regieproblemen, die: - niet of onvoldoende in staat zijn zelfstandig hulp in te roepen;
- niet zelfstandig kunnen wonen;
- behoefte hebben aan steun in de nabijheid (en slapende wacht ’s nachts) Product
Licht
Middel
Zwaar
Begeleiding
4 – 6 uur per week
7 – 9 uur per week
10 – 14 uur per
- individueel - groep
Maatwerkvoorziening Doel
7 uur per week
8 uur per week
week
7 uur per week
Trainingshuis (TH) (Hybride) -
Zo zelfstandig mogelijk wonen in een thuissituatie met een geclusterde of groepsgerichte setting,
gericht op uitstroom naar zelfstandig wonen binnen 1 tot max 2 jaar; -
Vergroten en behouden mate van zelfredzaamheid; Deelname aan de maatschappij: zinvolle
daginvulling en sociaal netwerk opbouwen en behouden; Doelgroep
Voorkomen van crisis.
Kwetsbare inwoners tot 27 jaar met psychische of
psychosociale problematiek of een lichtverstandelijke beperking, die:
- behoefte hebben aan begeleiding thuis;
- 24-uurs beschikbaarheid en bereikbaarheid;
- steun van groep of medebewoners om zelfstandig te wonen;
- zelf hulp kan inroepen;
- gemotiveerd is om de gestelde doelen te realiseren. Product
Licht
Middel
Begeleiding
- individueel - groep
2,5 – 4,5 uur per week 7 uur per week
5 – 7 uur per week 7 uur per week
7.5 Beoogd resultaat Beschermd Wonen moet leiden tot een situatie waarin iemand weer zoveel mogelijk zelfredzaam is en kan deelnemen aan de maatschappij. Beschermd Wonen kent twee hoofddoelen: a). herstel en stabiliteit; b). herstel en uitstroom. Onder deze twee hoofddoelen vallen verschillende subdoelen: a). het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; b). het bevorderen van het psychisch functioneren; c). stabilisatie van het psychiatrisch ziektebeeld; d). voorkomen van opname; e). het bieden van een veilige woonomgeving; f). voorkomen van terugval in de problematiek; g). voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast en het afwenden van gevaar voor de inwoner of voor anderen.
7.6 Procedure: melding, onderzoek en aanvraag Melding De Centrale Toegang van GGD Gelderland-Zuid (TBW) voert de taak van toegang voor Beschermd wonen uit. De melding is het startpunt van het onderzoek naar de behoefte aan een maatwerkvoorziening
Beschermd wonen. Een melding kan schriftelijk, via het meldingsformulier, door of namens de inwoner worden gedaan bij de TBW. Een ontvangstbevestiging wordt binnen maximaal een week na de formele melding verstuurd.
Toelatingscriteria Beschermd Wonen De TBW stelt vast of de inwoner tot de doelgroep behoort waarvoor de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen is. Dit vindt plaats op basis van de volgende criteria: a)
Leeftijd: de inwoner is 18 jaar of ouder;
b)
Nationaliteit: de inwoner heeft de Nederlandse nationaliteit of houdt een rechtmatig verblijf in
c)
Er is sprake van vastgestelde psychiatrische problematiek of de inwoner heeft een IQ tussen 50 en
Nederland;
85. Psychiatrische problematiek of lvb is vastgesteld door een specialist ggz*. Daarbij kan sprake zijn van verstandelijke, lichamelijke, of zintuiglijke problematiek, maar de psychiatrische of lvb problemen staan op de voorgrond;
d)
Als gevolg van de psychiatrische of lvb-problematiek onder c is de inwoner niet in staat om
e)
Intramurale behandeling voor de psychiatrische aandoening/beperking is afgerond of staat niet
f)
g) h)
i)
j)
zelfstandig te wonen;
(meer) op de voorgrond. Gebaseerd op de mogelijkheden van de inwoner staat de op participatie gerichte ondersteuning vanuit de beschermende woonomgeving op de voorgrond;
Er is geen sprake van een acute (crisis)situatie in de geestelijke gezondheid en/of op andere
levensdomeinen waar als gevolg daarvan mogelijkheden zijn voor crisisopvang/opname in de Zvw;
De inwoner kan risico’s zelf niet inschatten en adequaat en/of op tijd om hulp vragen met als gevolg risico op (zelf)verwaarlozing of overlast;
Er is noodzaak voor 24-uurs beschikbaar- en bereikbaarheid. Er doen zich dagelijks meerdere ongeplande zorgmomenten voor omdat sprake is van een hoge mate van onvoorspelbaarheid en/of hoge intensiteit van zorg;
De inwoner accepteert een begeleiding/ontwikkelingstraject dat met inachtneming van zijn
mogelijkheden gericht is op het zo snel mogelijk zelfstandig gaan wonen, al dan niet met behulp van ambulante begeleiding;
De veiligheid van de inwoner en/of zijn omgeving is in het geding. Hierbij valt te denken aan ernstige gedragsproblematiek die voortdurend moet worden gereguleerd, verbale en/of lichamelijke agressie en/of sterk manipulatief gedrag.
NB: De inwoner, die in aanmerking komt voor Beschermd wonen in natura, komt niet in aanmerking voor een aparte maatwerkvoorziening gericht op ondersteuning bij het huishouden.
*Hiermee wordt één van de beroepen bedoeld: psychiater, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut, specialist ouderengeneeskunde, verslavingsarts in profielregister KNMG, klinisch geriater, verpleegkundig specialist ggz, gz-psycholoog, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.
Onderzoeksverslag Het college verstrekt de inwoner of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van ‘het gesprek’ en het onderzoek. Feitelijk is dit het verslag van het gesprek met de inwoner. In het
verslag staat een ondersteuningsadvies dat passend is bij de zorgvraag. Als uit het onderzoek blijkt dat
Beschermd Wonen niet de juiste vorm van ondersteuning is, wordt een passend advies gegeven en zorgt de TBW voor een goede overdracht. Voor Beschermd Wonen wordt aangegeven voor welke termijn de inwoner welke vorm van ondersteuning en (indien bekend) bij welke zorgaanbieder ontvangt.
Aanvraag De aanvraag voor Beschermd Wonen wordt door de GGD (of gemachtigde/wettelijk vertegenwoordiger)
namens de inwoner gedaan. Dit vindt plaats na verstrekking van het onderzoeksverslag. In de volgende
gevallen kan de aanvraag echter direct, dus nog zonder verstrekking van het onderzoeksverslag, gedaan worden: 1. 2.
het onderzoek is niet binnen 6 weken uitgevoerd;
naar het oordeel van de TBW is sprake van een spoedeisende situatie (bijv. na klinische opname/ziekenhuisopname).
Duur toekenning
De decentralisatie van Beschermd Wonen, heeft onder andere tot doel mensen niet langer dan nodig
beschermd te laten wonen. We stellen een geldigheidsduur van de toekenning op Beschermd Wonen voor
maximaal 3 jaar. Dit om sturing te geven aan het structureel begeleiden van mensen in Beschermd Wonen en daar waar het kan mensen daadwerkelijk de kans te geven door te stromen. Voor de zorgverstrekking in pgb hanteren we een duur van maximaal 2 jaar.
Hoofdstuk 8 Citeertitel, inwerkingtreding en overgangsrecht 1. Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nijmegen 2025”.
2. De beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 maart 2025 onder gelijktijdige
intrekking van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2024. 3. Meldingen, aanvragen en bezwaren die zijn ingediend maar nog niet afgehandeld voor
inwerkingtreding van deze beleidsregels, worden behandeld conform deze beleidsregels tenzij dit voor de inwoner nadeliger uitpakt.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 25 februari 2025.
De Gemeentesecretaris, A.P.W. van de Klift
De Burgemeester, H.M.F. Bruls
BIJLAGE 1: Protocol gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Inleiding Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening wanneer de inwoner naar het oordeel van het
college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen in staat is tot
zelfredzaamheid en participatie of wordt voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015).
Het college kan weigeren om een maatwerkvoorziening te verstrekken vanwege de aanwezigheid van
gebruikelijke hulp wanneer degene die geacht wordt de gebruikelijke hulp te verlenen een huisgenoot is op wie een onderhoudsplicht (de partners, ouders, inwonende kinderen, etc.) rust.
De aanwezigheid van gebruikelijke hulp en de omvang daarvan, moet op basis van objectieve criteria worden gemotiveerd en geconcretiseerd. Deze criteria worden in dit protocol uitgewerkt.
Dit protocol heeft naast de inleiding vijf onderdelen, namelijk: 1.
Verhouding gebruikelijke hulp en ondersteuning
2.
Hulp bij het Huishouden
3.
Begeleiding en verzorging (Wmo 2015 en Jeugdwet)
4.
Tabel
1. Verhouding gebruikelijk hulp en ondersteuning t.o.v. de Verordening Wmo en Jeugd en de daarbij behorende Beleidsregels
In artikel 5 lid 2 van de Verordening staat dat het college onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; b. het gewenste resultaat van de hulpvraag; c. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
e. de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
f. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met
zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zvw en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen;
g. de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden.
Gebruikelijke hulp is hulp waarvan we minimaal verwachten dat mensen die ‘normaal’ aan elkaar geven. Gebruikelijke hulp wordt daarom niet gecompenseerd vanuit de Wmo 2015 of Jeugdwet. Mantelzorg of ondersteuning door het sociaal netwerk kunnen we echter niet eisen en bieden mensen vrijwillig.
Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander. Het is maatwerk in hoeverre mantelzorg en steun vanuit het eigen netwerk, bovenop gebruikelijke hulp,
meeweegt in het besluit om al dan niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Na de beoordeling van
gebruikelijke hulp, wordt met de inwoner en het netwerk besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld om de mantelzorger te ontlasten. Dit
betekent dus niet dat alle bovengebruikelijke hulp wordt gehonoreerd met een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb als iemand hierom vraagt (zoals eerder onder de AWBZ het geval was).
Het hangt af van de sociale relatie welke hulp en ondersteuning mensen van elkaar mogen verwachten. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp en ondersteuning mensen elkaar horen te geven. Als het
gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp en ondersteuning bieden, is dat niet
vrijblijvend met betrekking tot het mogelijke beroep op een maatwerkvoorziening op basis van Wmo 2015 en Jeugdwet.
De criteria voor pgb genoemd in artikel 12 t/m 15 van de Verordening Wmo en jeugd en hoofdstuk 5 van deze Beleidsregels zijn (dan ook) voorliggend op dit protocol.
2. Hulp bij het huishouden Het principe van 'gebruikelijke hulp' heeft een verplichtend karakter. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving.
2.1
Gebruikelijke hulp door (jonge) huisgenoten
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge
huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt: 1)
Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden;
2)
Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte
huishoudelijke werkzaamheden (bijv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien); 3)
Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden
(bijv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de
wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (opruimen, schoonmaken, stofzuigen en bed verschonen); 4)
Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dat wil
zeggen: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen,
maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden en dagelijkse organisatie van het huishouden tot hun taken behoren. 5)
Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de
inwoner dat niet kan.
Niet gewend zijn of de vaardigheid missen Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet
tot een aanspraak. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.
2.2 Uitzonderingen bij bijzondere typen leefsituaties Bij een aantal typen leefsituaties wordt anders omgegaan met het begrip 'duurzaam huishouden' waardoor er mogelijk geen/beperkt sprake zal zijn van 'gebruikelijke hulp'.
Kamer huren bij inwoner
Als een inwoner een kamer verhuurt aan een derde, wordt deze derde niet tot de leefeenheid gerekend.
De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. In de berekening van de omvang van de hulp wordt het schoonmaken van gehuurde ruimte(n) dus niet meegerekend.
Geclusterd wonen
Een inwoner woont zelfstandig, met meerdere mensen in een huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden: de inwoner vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en worden de overige
ruimten in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. In de berekening van de omvang van hulp wordt het schoonmaken van de eigen woonruimte(n) en slechts een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend.
Leef- en woongemeenschappen
Een inwoner woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt hiermee een leefeenheid. Met andere woorden: inwoner vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle
leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hiervan zijn kloostergemeenschappen waarbij sprake is van een
leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. In die situaties kan een inwoner hulp
krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer en voor een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten die vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. Bibliotheken,
gebedsruimten etc. vallen buiten het niveau van de sociale woningbouw en behoren daardoor tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.
2.3 Uitzonderingen voor gebruikelijke hulp In een aantal situaties waarbij sprake is van een 'duurzaam huishouden' mag worden afgeweken van het principe van 'gebruikelijke hulp':
Medisch geobjectiveerde aandoening
Als uit objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, is 'gebruikelijke hulp' niet van toepassing.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Overbelasting kan zich uiten in een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt veroorzaakt door in- en uitwendige factoren. Met andere woorden: in exact dezelfde situatie raakt
de ene huisgenoot wel overbelast, terwijl een andere huisgenoot hier geen of minder last van heeft. Het is daarom van belang zorgvuldig onderzoek te plegen naar de verhouding tussen draagkracht
(belastbaarheid), draaglast (belasting) en symptomen die kunnen wijzen op overbelasting. In veel gevallen wordt een medisch adviseur ingeschakeld ter beoordeling. In principe zaI in dit geval overname van
huishoudelijke taken voor een korte duur zijn, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: 1)
lichamelijke conditie;
2)
geestelijke conditie;
3)
wijze van omgaan met problemen (coping);
4)
motivatie voor de zorgtaak;
5)
sociaal netwerk.
Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: 1)
omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken;
2)
ziektebeeld en prognose;
3)
inzicht van huisgenoot in ziektebeeld van inwoner;
4)
woonsituatie;
5)
eventuele sociale, emotionele en relationele problemen.
Dreigende overbelasting
Uit jurisprudentie blijkt dat in de situaties van (dreigende) overbelasting de aanvraag voor huishoudelijke hulp niet per definitie afgewezen kan worden. Binnen de Wmo 2015 moet de situatie van een
mantelzorger nadrukkelijk meegewogen worden. (Dreigende) Overbelasting van een mantelzorger kan
een reden zijn om de Hulp bij het Huishouden toch toe te kennen. Elementen die daarbij een rol spelen zijn: 1)
Hoe zwaar is de medische problematiek van de inwoner?
2)
Is er sprake van onplanbare zorg?
3)
Hoeveel uren (intensiteit) mantelzorg biedt de huisgenoot en hoe verhoudt de draaglast zich tot
4)
Heeft huisgenoot mogelijk een (deel van) betaalbare baan opgezegd om (Wlz) zorg te verlenen?
de draagkracht?
Korte levensverwachting inwoner
In terminale situaties is overleg met de huisgenoten over wat draagbaar is zeer belangrijk. In deze situaties mag soepeler worden omgegaan met het principe 'gebruikelijke hulp'.
Na overlijden
Indien een inwoner aangeeft overbelast te zijn door de combinatie van werk en de verzorging van de inwonende kinderen, na het plotseling overlijden van de andere (inwonende) ouder, kan
kortdurend huishoudelijke taken worden overgenomen. Te denken valt aan een periode van 3-6
maanden zodat de leefeenheid de gelegenheid gegeven de taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Doorzetten van begeleiding na overlijden kan ook mogelijk zijn (via ZIN of pgb) in gevallen dat nazorg
nodig is, zoals regelen van de uitvaart, leeghalen van het huis, etc. indien er niemand anders is die dit kan doen.
Voorkomen van crisis en ontwrichting bij verzorging en opvang van gezonde kinderen
Indien opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is, heeft de inzet van algemene voorzieningen en/of
mantelzorg een verplichtend karakter. Gebruik van algemene voorzieningen zoals kinderopvang en crèche is gangbaar tot en met 5 dagen per week.
Als deze niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput zijn, is inzet van hulp voor oppas en opvang van
kinderen voor een korte periode mogelijk. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de ouder(s) de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te vinden.
Ouderen met een hoge leeftijd
Als een huisgenoot een dusdanig hoge leeftijd heeft bereikt (75 jaar en ouder) kan dit leiden tot overname van de zware huishoudelijke taken die anders tot de 'gebruikelijke hulp' zouden worden gerekend. Het aanleren van nieuwe taken kan redelijkerwijs niet meer worden verwacht.
Fysieke afwezigheid in verband met werk
Geen rekening wordt gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden
langdurig van huis zijn. Dit is bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de
off-shore of mariniers. Het is onredelijk deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter wel te voldoen aan de volgende kenmerken: 1)
het is inherent aan het werk;
2)
heeft een verplichtend karakter;
3)
en is voor een aaneengesloten periode van tenminste 7 etmalen.
Let op: Jurisprudentie hierover is genuanceerder en gaat niet per definitie uit van de zeven etmalen. De CRvB noemt dat hierdoor ten onrechte wordt voorbijgegaan aan de vraag of de huisgenoot feitelijk kan
voorzien in het verlenen van deze zorg. Hierbij dient altijd de individuele situatie nauwkeurig onderzocht te worden.
In de periode van afwezigheid is de huisgenoot niet in staat 'gebruikelijke hulp' te leveren. In de berekening van de omvang van de hulp dient deze huisgenoot niet te worden meegerekend.
3. Begeleiding en verzorging 3.1 Algemene uitgangspunten
De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid.
Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een inwoner en zijn huisgenoten. Iedere
situatie is anders: maatwerk is nodig (zie ook paragraaf 1a van deze beleidsregels). Kan de last (naar algemeen aanvaarde opvattingen) in redelijkheid gedragen worden door de huisgenoot?
Bovengebruikelijke hulp wordt alleen vergoed als iemand hierom vraagt. Let op! Als sprake is van bovengebruikelijke hulp wordt niet gelijk een maatwerkvoorziening toegekend, maar wordt eerst gekeken naar eigen kracht, algemene voorzieningen, het sociale netwerk, mantelzorg, etc..
Afwegingselementen zijn:
persoonskenmerken van de ondersteuningsbehoevende;
de benodigde ondersteuningsintensiteit (aard en frequentie zorghandelingen, planbaarheid, uitstelbaarheid, toezicht, tijd);
woonsituatie/samenstelling gezin;
(verplichte) activiteiten van huisgenoot (werk, school, aantal uur). Hierbij geldt overigens als
uitgangspunt dat het hebben van een baan, het volgen van een opleiding of vrijwilligerswerk, het leveren van gebruikelijke hulp niet per definitie in de weg staat;
kennis en vaardigheden (waaronder begrepen de leerbaarheid) van huisgenoot om de benodigde ondersteuning te leveren;
gezondheidssituatie van huisgenoot waaronder zijn draagkracht/belastbaarheid; leeftijd van huisgenoot;
sociaal netwerk (inzet/ondersteuning van anderen uit netwerk);
een beroep op gezindheid/levensovertuiging en/of culturele achtergrond betekent niet dat iedere specifieke zienswijze van een aanvrager moet worden gehonoreerd. Het argument dat het in een cultuur niet gebruikelijk is dat de man bepaalde taken overneemt, leidt niet tot het afwijken van dit protocol.
Opmerking 1: Bovengebruikelijke hulp betekent niet dat een vergelijk wordt gemaakt tussen de
zorgbehoevende persoon en een vergelijkbaar persoon zonder zorgbehoefte. Gekeken moet worden naar wat voor een bepaalde persoon, gezien alle omstandigheden, boven de voor hem gebruikelijk te achten zorg uit gaat. Concretisering en motivering zijn dan ook noodzakelijk.
Opmerking 2: In het kader van het onderzoek inzake de inzet van gebruikelijke hulp door huisgenoten is het horen/spreken van de betreffende huisgenoten niet ongebruikelijk. Huisgenoten horen hiertoe hun medewerking te verlenen, omdat een gezamenlijk plan nodig is.
3.2 Beoordelingskader bij partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Het algemeen beoordelingskader onder onderstaande punten A tot en met C is slechts richtinggevend. In alle gevallen zal een individuele afweging moeten plaatsvinden of en in hoeverre het protocol van toepassing is.
A. Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling, kortdurende situaties
Alle begeleiding van de inwoner door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen
huisgenoot is gebruikelijke hulp en ondersteuning als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (denk hierbij aan ongeveer drie maanden), met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer is aangewezen.
Bij een aantal typen leefsituaties kan géén sprake zijn van gebruikelijke hulp en ondersteuning:
Kamer huren bij inwoner
Als een inwoner een kamer verhuurt aan een derde
Geclusterd wonen
Een inwoner woont zelfstandig met meerdere mensen in een huis en vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten.
Leef- en woongemeenschappen
Een inwoner woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt met deze huisgenoten een duurzaam huishouden. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud.
B. Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling, langdurende situaties
Als het gaat om een langdurige situatie is de begeleiding van een volwassen inwoner gebruikelijke hulp en ondersteuning wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder,
inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een inwoner:
Het geven van begeleiding aan een inwoner op het terrein van de maatschappelijke participatie, zoals deelnemen aan activiteiten, samen naar de film gaan.
Het begeleiden van de inwoner bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, bijvoorbeeld het bezoeken van familie/vrienden of huisarts.
Het bieden van hulp en ondersteuning bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk
huishouden horen, zoals het doen van de administratie, regie voeren over het huishouden of het uitvoeren van schoonmaaktaken.
C. Aanleren Het door een gezinslid of huisgenoot aan derden (familie/vrienden) aanleren om te gaan met de inwoner is gebruikelijke hulp en ondersteuning.
D. Uitzonderingen (geen gebruikelijke hulp en ondersteuning aan de orde) 1.
Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenot(en)
geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp en
ondersteuning ten behoeve van inwoner uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren,
wordt van hen geen bijdrage verwacht. Hiervoor schakelt de beoordelende professional die niet SKJ/BIG geregistreerd is altijd een professional die wel SKJ/BIG geregistreerd is, of een arts in.
2.
Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Dit kan bijvoorbeeld doordat een andere huisgenoot gebruikelijke begeleiding verleent. Hiervoor schakelt de beoordelende professional die niet
SKJ/BIG geregistreerd is altijd een professional die wel SKJ/BIG geregistreerd is, of een arts in. In geval van overbelasting dienen zorgtaken juist weggenomen worden en dient de zorg door (andere) zorgverlener(s) uitgevoerd te worden. 3.
Voor zover de inwoner zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot.
BIJLAGE 2: Hulp bij het Huishouden
1. Normering huishoudelijke taken Voor de hulp bij het huishouden zijn normtijden ontwikkeld waarin voor elke huishoudelijke taak een bepaald maximaal aantal minuten staat per week. Om tot een juiste normering te komen wordt er
maatwerk toegepast. Van de maximale normtijden mag afgeweken worden mits dit wordt gemotiveerd.
1.1 Jurisprudentie en normtijden
Veel gemeenten hanteren in hun gemeentelijke beleid standaard normtijden waarbij rekening gehouden wordt met verschillende types huishoudens: bijvoorbeeld eenpersoonshuishoudens in een
seniorenwoning of flat, eenpersoonshuishoudens in een eengezinswoning en meerpersoonshuishouden. Uit jurisprudentie blijkt dat het gebruik van standaard normtijden niet zonder meer gehanteerd kan
worden omdat altijd een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden waarbij persoonlijke kenmerken worden meegenomen.
1.2 Algemene uitgangspunten De volgende uitgangspunten gelden bij normtijden:
Alleen de kamers die in gebruik zijn, worden schoongehouden
Met ‘kamers’ wordt de hoeveelheid ruimtes in een woning bedoeld exclusief de keuken,
badkamer en toilet. Bijvoorbeeld: 2 kamerwoning = woonkamer + 1 slaapkamer, 4 kamerwoning = woonkamer + 3 slaapkamers.
Het verzorgen van huisdieren en planten valt binnen de marges van de normtijden.
1.3 Normtijden Per huishoudelijke taak geldt onderstaande maximale normtijd (per week).
Boodschappen voor het dagelijkse leven doen
Omschrijving
Boodschappenlijst samenstellen Boodschappen inkopen Boodschappen opslaan
Maximale normtijd: 60 minuten per week
Factoren meer hulp
Leefeenheid > 4 personen: 60 minuten Kind(eren) < 12 jaar: 60 minuten
Afstand tot dichtstbijzijnde winkel is > 2 kilometer: 30 minuten
Bijzonderheden
Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen.
Alleen wanneer bovenstaande medisch noodzakelijk is, kan men extra tijd krijgen.
Broodmaaltijd
Omschrijving
Broodmaaltijd klaarzetten; tafel dekken
Broodmaaltijd bereiden (smeren) Koffie/thee zetten
Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine
Maximale normtijd: 15 minuten per keer, maximaal 2x per dag
Factoren meer hulp
Kind(eren) < 12 jaar: 20 minuten
Warme maaltijd
Omschrijving
Warme maaltijd klaar zetten, tafel dekken Warme maaltijd opwarmen Koffie/thee zetten
Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine
Maximale normtijd voor opwarmen: 15 minuten per dag Maximale normtijd voor koken: 30 minuten per dag
Factoren meer hulp
Kind(eren) < 12 jaar: 20 minuten per maaltijd
Bijzonderheden
Het bereiden van warme maaltijden (koken) is in principe geen taak voor de thuiszorg als gebruik van de maaltijdservice en/of kant en klaar maaltijden mogelijk is (voorliggende voorzieningen).
In uitzonderingssituaties blijft het bereiden van warme maaltijden via de HH mogelijk. Verwacht
wordt dat er per keer voor 2 dagen wordt gekookt en dat de HH (indien mogelijk) een aanvulling is op het gebruik van de maaltijdservice, kant-en-klaarmaaltijden, eten bij derden, etc.
Voorbeelden uitzonderingssituaties:
Jonggehandicapten die levenslang afhankelijk zijn van bereiding van warme maaltijden door
derden. Richtlijn omvang hulp: maximaal 90 min. per week HH voor bereiding warme maaltijden (bijv. 3 x 30 min. of 2 x 45 min).
Gezinnen met jonge kinderen in een crisissituatie waarbij kortdurend HH voor de bereiding van warme maaltijden wordt ingezet. Het bepalen van de omvang van de hulp is maatwerk.
Inwoners met speciaal dieet, wat niet geleverd kan worden via maaltijdservice of supermarkt. Een dieetvoorschrift (medisch noodzakelijk) moet overlegd worden. Het bepalen van de omvang van de hulp is maatwerk.
Licht huishoudelijk werk
Omschrijving
Stof afnemen/raggen Opruimen
Afwassen (indien géén maaltijdbereiding is geadviseerd) Bed opmaken
Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden: 60 minuten Maximale normtijd voor meerpersoonshuishouden: 90 minuten
Factoren meer hulp
Kind(eren) < 12 jaar: 30 minuten
Psychogeriatrische problematiek/Gedragsproblematiek: 30 minuten
Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning (mits medisch geobjectiveerd): 30 minuten
Bijzonderheden
Indien licht huishoudelijke werk én maaltijdvoorziening wordt geïndiceerd tijd in mindering
brengen (bij licht huishoudelijk werk), omdat afwassen (handmatig of afwasmachine in/uitruimen) ook opgenomen is bij maaltijdverzorging.
Indien inwoner wel in staat is licht huishoudelijk werk te verrichten, maar niet de maaltijdverzorging, wordt verwacht dat inwoner zelf de afwas kan voorspoelen.
Zwaar huishoudelijk werk
Omschrijving
Stofzuigen
Schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken Bedden verschonen Ramen lappen
Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden, maximaal 2 kamers: 90 minuten Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden, 3 of meer kamers:180 minuten Maximale normtijd voor meerpersoonshuishouden: 180 minuten
Factoren meer hulp
Kind(eren) < 12 jaar: 30 minuten extra (maximaal 90 min)
Psychogeriatrische problematiek /Gedragsproblematiek: 30 minuten
Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning: 60 minuten Grote woning met een hoge bezettingsgraad: 60 minuten
Hoge vervuilingsgraad, als gevolg van beperkingen, niet door de bestaande leefwijze: 60 minuten
Bijzonderheden
Voor de verzorging van dieren wordt geen extra tijd berekend. Dit is al verdisconteerd in de marge van de normtijden.
Wasverzorging
Omschrijving
Wasgoed sorteren en wassen in de wasmachine Wasgoed ophangen en afhalen Wasgoed drogen in de droger
Wasgoed vouwen en opbergen
Wasgoed strijken (alleen zichtbare bovenkleding)
Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden: 60 minuten Maximale normtijd voor meerpersoonshuishouden: 90 minuten
Factoren meer hulp
Kind(eren) < 16 jaar: 30 minuten per kind Bedlegerige inwoners: 30 minuten
Extra bewassing indien medisch geobjectiveerd i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc.: 30 minuten
Bijzonderheden
Strijken van de bovenkleding is opgenomen in de normtijd. Extra tijd voor strijken van onderkleding en/of beddengoed is alleen mogelijk indien dit medisch noodzakelijk is.
Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen
Omschrijving Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging en/of opvang van gezonde kinderen uit te voeren. Denk daarbij aan de persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten.
Naar bed brengen/uit bed halen: 10 minuten per keer per kind Wassen en kleden: 30 minuten per dag per kind
Eten en/of drinken geven: 20 minuten per broodmaaltijd / 25 minuten per warme maaltijd Babyvoeding: 20 minuten per keer
Luier verschonen: 10 minuten per keer
Naar school/crèche brengen/halen: 15 minuten per keer per gezin
Factoren meer hulp
Indien opvang noodzakelijk is tot 40 uur per week
Bijzonderheden
Maximale duur voor opvang is 3 maanden
Specifieke voorliggende voorzieningen voor opvang; zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussenschoolse opvang, gastouder, etc.
Dagelijkse organisatie van het huishouden Zie bijlage 9 voor verdere toelichting op onderscheid HH en praktische begeleiding.
Omschrijving
Organisatie van huishoudelijke activiteiten
Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden
Maximale normtijd:30 minuten
Factoren meer hulp
Kind(eren) < 16 jaar: 30 minuten
Psychogeriatrische problematiek/gedragsproblematiek: 30 minuten
Communicatieproblemen als gevolg van beperkingen, niet door een taalbarrière: 30 minuten
Advies, instructie en voorlichting (gericht op het huishouden)
Omschrijving
Instructie omgaan met (technische) hulpmiddelen
Instructie huishoudelijke taken; boodschappen doen, maaltijd bereiden, het licht huishoudelijk werk, het zwaar huishoudelijk werk, de wasverzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden
Normtijd 30 minuten per activiteit, maximaal 90 minuten per week. Dit komt bovenop de normtijd die geldt voor het overnemen van de activiteit
Bijzonderheden
Maximale duur is 6 weken
Overig Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet-uitstelbaar Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van –overigens gezonde- kinderen valt ook onder de Hulp bij het huishouden.
Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;
Uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.
Bijdrage van kinderen aan het huishouden In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.
Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte
huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.
Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.
Taken van een 18-23 jarige
Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.
Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.
De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
schoonhouden van sanitaire ruimte keuken en een kamer de was doen
boodschappen doen maaltijd verzorgen
afwassen en opruimen
De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware
huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
BIJLAGE 3 Werkdocument hulpmiddelenoverzicht
Type
Outillage
Roerende
Hulpmiddelen
(mobiele) Woonvoorzieningen
Hulpmiddelen
onderdeel zorg
Persoonsgebonden hulpmiddelen
Verrijdbare
Waar meerdere Omschrijving
Individueel
transferhulp-
mensen gebruik van
persoonlijke
Aan persoon
verbonden aan zorg
hulpmiddelen
hulpmiddelen
kunnen maken
middelen en
(inventaris)
hulpmiddelen bij de
(niet-aangepast)
aangepaste
douche- en toiletgang
Voorbeelden
Hoog/laag-bed, tillift, standaardrolstoel.
Hoog/laag-bed, tillift, standaardrolstoel,
Verband
Orthopedische
schoenen, protheses
douchestoel, postoel middelen
Situaties (uitgangspunt: persoon heeft een zzp-indicatie en kan die op verschillende manier verzilveren) In instelling
(verblijf met
behandeling) Wlz
Wlz
Wlz
Wlz
Wlz
n.v.t.
Zvw
Zvw
Wlz
n.v.t.
Zvw
Zvw
Niet in instelling (verblijf zonder behandeling
VPT
Type
Individueel
aangepaste rolstoel
Aan persoon Omschrijving
aangepaste
rolstoel (geen standaard)
Voorbeelden
Overige
hulpmiddelen
Compensatie stoornis
Vervoer
onderdeel zorg
Van en naar
dagbesteding
WoonVervoer
(mobiliteit)
Verplaatsen in en
Voorzieningen/
instelling en
om zelfstandig
om woning /
onderhouden
sociale contacten
Hoortoestel
Georganiseerd vervoer (busje)
Mobiliteitshulpmiddelen (nog nader te af te bakenen)
Situaties (uitgangspunt: persoon heeft een zzp-indicatie en kan die op verschillende manier verzilveren)
voorzieningen
aanpassingen
thuis te kunnen blijven wonen.
Bouwkundige aanpassing, tillift
In instelling
(verblijf met
Wlz
Zvw
Wlz
Wlz
n.v.t.
behandeling
Wmo
Zvw
Wlz
Wmo
n.v.t.
VPT
Wmo
Zvw
Wlz
Wmo
Wmo
behandeling) Niet in instelling (verblijf zonder
In aanvulling hierop, sociaal vervoer= algemene vervoersvoorziening (bijv. busje) om sociale contacten te onderhouden, zowel binnen (Wmo) als buiten de regio (Valys).
BIJLAGE 4: Nadere criteria sociaal recreatief vervoer Wmo Afwegingskader In de volgende gevallen wordt geen vervoersvoorziening verstrekt:
Woon-werkverkeer
De vervoersvoorziening is niet bedoeld om te reizen naar bijvoorbeeld een sociale werkplaats of
verplaatsingen in het kader van een betaalde baan. Het woon-werkverkeer valt niet onder de Wmo 2015, daarvoor blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk (aanvraag via UWV).
Zittend ziekenvervoer
De vervoersvoorziening is niet bedoeld voor reizen naar medische behandelingen waarvoor vervoer via de Zvw mogelijk is.
Dubbele of overlappende voorzieningen
In principe worden er niet meerdere vervoersvoorzieningen en/of rolstoelvoorzieningen gecombineerd
verstrekt. Zo is een combinatie van scootmobiel en elektrische rolstoel niet mogelijk. Uitzondering hierop
zou enkel de Avan-pas kunnen zijn: deze kan, indien de individuele vervoersbehoefte daartoe noodzaakt, worden gecombineerd met een hulpmiddel voor vervoer
Bovenregionaal vervoer (Valys)
Alle bovenregionale vervoersdoelen (meer dan 25 kilometer) vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is een
vervoerssysteem voor bovenregionaal vervoer en valt buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente. Boodschappen doen
Voor enkel het doen van boodschappen wordt geen vervoersvoorziening ingezet. Hiervoor wordt
verwezen naar boodschappenservices die o.a. vanuit verschillende supermarkten worden aangeboden of (indien van toepassing) de huishoudelijke hulp voorziening.
Voor het CVV (Wmo-vervoer en voorheen Regiotaxi) via Avan gelden verder de volgende kaders:
Het vraagafhankelijk vervoer is een voor iedereen toegankelijk vervoersysteem, mits men zelfstandig of onder begeleiding kan reizen (begin tot einde van de reis). Als dit niet mogelijk is, kan de inwoner niet mee met Avan.
Het vraagafhankelijk vervoer is van deur-tot-deur. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen en begeleidt (inclusief bagage), indien nodig en mogelijk, tot aan de deur.
De deur als bedoeld in 2 is bij bijvoorbeeld een flat, appartementencomplex of verzorgingshuis de centrale toegangsdeur.
Hulpmiddelen zoals rolstoel, rollator en scootmobiel mogen worden meegenomen in het CVV. De bijdrage van de gemeente beperkt zich tot het verplaatsen per vervoermiddel in de eigen woon- en leefomgeving. Het gaat om lokaal verplaatsen, dat wil zeggen verplaatsingen in een straal van 25 kilometer rond de woning.
Indien een inwoner herhaaldelijk zonder afzegging geen gebruik maakt van ritten die hij heeft
aangevraagd (zgn. loosmeldingen) kan (al dan niet tijdelijk) zijn Wmo-vervoerspas geblokkeerd worden, waardoor gebruik van Avan niet meer mogelijk is.
Als sprake is van structurele begeleiding voor en na de rit en dezelfde begeleider de inwoner ook tijdens de rit begeleidt, dient onderzocht te worden of het niet mogelijk is om gebruik te maken van het OV als voorliggende voorziening.
De minimale afstand waarover een inwoner vervoerd kan worden is 500 meter voor een enkele rit. Maatwerk is mogelijk wanneer een inwoner deze afstand niet op een andere manier kan afleggen. Voor het aantal kilometers dat tegen gereduceerd (Wmo) tarief gereisd kan worden met het vraagafhankelijk vervoer geldt:
Maximaal 2000 kilometer per jaar, aangezien dit voldoende is om binnen de stadse omgeving te voorzien in sociaal recreatief vervoer.
Maximaal 750 kilometer per jaar voor inwoners die naast de Wmo-vervoerspas tevens een andere op grond van de Wmo verstrekte vervoersvoorziening hebben, bijvoorbeeld een scootmobiel.
Als de reiziger aan het maximaal aantal kilometers zit, kan nog steeds gereisd worden met Avan tegen het reguliere tarief. Kijk voor een actueel overzicht van ritprijzen, vervoerregelement en tarieven op: www.avan-vervoer.nl/wat-kost-het
Onderzoek Of de vervoersbeperking gecompenseerd kan worden doormiddel van het collectief vraagafhankelijk verover kan worden onderzocht aan de hand van o.a. onderstaande vragen en kaders:
Wat zijn de beperkingen? Het gaat hierbij niet alleen om medische beperkingen om deel te nemen aan het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV);
Kan de inwoner zelfstandig of met behulp van een begeleider gebruik maken van het CVV? Is deze begeleider aanwezig?
Wat is de (lokale) vervoersbehoefte van een inwoner? Kan met het CVV in deze vervoersbehoefte worden voorzien? Zijn er specifieke persoonskenmerken van de klant waar rekening mee gehouden moet worden?
CVV is deur-tot-deur vervoer. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen, bij het dragen van bagage en begeleiden tot aan de deur als dat nodig is. CVV is géén kamer-tot-kamer vervoer.
Zaken die bij de beoordeling extra aandacht vragen zijn: De gezinssituatie: indien sprake is van een gezinssituatie waarbij een ouder of een kind met beperkingen een indicatie heeft voor collectief vervoer maar de rest van het gezin met de eigen auto reist. Als dit gescheiden reizen niet wenselijk is en tot grote praktische problemen leidt, kan er in deze situatie aanleiding zijn voor een maatwerkoplossing. Het gaat dan om: a. echtparen of alleenstaande ouders met kinderen tot en met 12 jaar of b. een kind met beperkingen dat nog geen 12 jaar is op het moment van de aanvraag, en: beperkingen door temperatuurschommelingen; meenemen van kind(eren) bij verplaatsingen op (zeer) korte afstanden; het kunnen verrichten van organisatie- en planningsactiviteiten; bezwaren van praktische aard; incontinentie: met goed incontinentiemateriaal blijft collectief vervoer binnen 25 kilometer adequaat; in uitzonderlijke situaties is mogelijk maatwerk nodig;
fobie/angsten/gedragsstoornissen: een officiële diagnose en een (afgerond) behandelplan zijn de onderleggers voor de maatwerkbeoordeling;
minderjarigheid: er geldt een minimumleeftijd van 12 jaar bij zelfstandig reizen. Reis- en wachttijden en de voorkeur voor een andere vervoersvoorziening (eigen auto) vormen op zich geen contra-indicatie voor het collectief vervoer.
Voor de beoordeling of er medische beperkingen aanwezig zijn die gebruik van het collectief
vraagafhankelijk vervoer (voorheen Regiotaxi) verhinderen kan medisch advies worden opgevraagd.
Stopzetten indicatie Mocht na toewijzing van de voorziening vraagafhankelijk vervoer uit de managementinformatie van Avan blijken dat de inwoner minimaal 1 jaar geen of incidenteel gebruik maakt van Avan, kan het college de
voorziening stopzetten. Als de inwoner daarna alsnog gebruik wenst te maken van de voorziening dient opnieuw ‘het gesprek’ met de inwoner gevoerd te worden om de noodzaak van de voorziening vast te stellen.
Bijzondere indicaties Bijzondere indicaties kunnen worden toegekend indien de aanvrager al is geïndiceerd voor collectief
vraagafhankelijk vervoer. Van bijzondere indicaties wordt terughoudend gebruik gemaakt en voor alle bijzondere indicaties geldt dat ze vermeld worden in de toekenningsbeschikking. Kamer-tot-kamer en individueel vervoer
Dit wordt bij uitzondering geïndiceerd. Voor de extra indicaties kamer-tot-kamer vervoer en individueel vervoer kan men in aanmerking komen mits sprake is van een medische verklaring afgegeven door een medisch specialist waarin is geformuleerd waarom de indicatie noodzakelijk is. Collectief aanvullend vervoer per rolstoelbus Indien een inwoner een rolstoel moet meenemen die niet opvouwbaar is, dan wel gezeten in de rolstoel
vervoerd moet worden, kan een indicatie rolstoelbus aangevinkt worden. De rolstoel moet voldoen aan de daarvoor gestelde eisen van zittend rolstoel vervoer. Collectief aanvullend vervoer per personenauto Indien het vervoer per taxibus om medische redenen niet mogelijk is, kan als oplossing voor het vervoersprobleem gekozen worden voor vervoer per personenauto. Voorinzitgarantie Bij vervoer met Avan bestaat de mogelijkheid van de voorinzitgarantie. Dit is een bijzonder indicatie waarbij de inwoner te allen tijde voorin (naast de bestuurder) kan zitten tijdens de rit. Deze
voorinzitgarantie kan bijvoorbeeld ingezet worden als er problemen zijn met de beschikbare beenruimte achterin.
Medisch begeleider Indien het tijdens de rit (medisch) noodzakelijk is dat een begeleider aanwezig is, kan een indicatie
medisch begeleider worden afgegeven. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het uitvoeren van medisch
noodzakelijke handelingen tijdens de rit of om zeer ernstig gedragsmatige redenen. Voor de begeleider
wordt geen ritbijdrage gevraagd. Voor deze extra indicatie kan men in aanmerking komen mits er sprake
is van een medische verklaring afgegeven door een medisch specialist waarin is geformuleerd waarom de indicatie noodzakelijk is.
Collectief aanvullend vervoer in pgb Mensen die wel in aanmerking komen voor een indicatie voor het collectief aanvullend vervoer maar als gevolg van hun beperking geen gebruik kunnen maken van dit vervoer, kunnen in aanmerking komen
voor een maatwerkvoorziening vervoer in de vorm van een pgb voor het gebruik van de eigen auto, een
(reguliere) taxi of rolstoeltaxi. De criteria voor vervoer zoals hierboven beschreven, gelden ook voor deze
vorm van maatwerk. De vergoeding voor het gebruik van de eigen auto, een (reguliere) taxi of rolstoeltaxi bedraagt maximaal: € 540,- per jaar. Dit compenseert de belanghebbende over een afstand van 2000
kilometer (€ 0,27 per kilometer), wat de maximale grens uit de jurisprudentie is. Deze vergoeding wordt eenmaal per jaar uitgekeerd. In individuele gevallen kan besloten worden het recht voor een kortere
periode vast te stellen en het budget naar rato voor de kortere periode uit te keren. Met het bedrag wordt
iemand geacht deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Daarmee is sprake van een aanvaardbare mate van maatschappelijke participatie.
Afwijkende hoogtes van het budget Wanneer echtgenoten beiden op grond van beperkingen vanwege ziekte of gebrek een individuele
vervoersvoorziening behoeven, kan als de behoeften van de echtgenoten samenvallen, volstaan worden
met een enkele voorziening. Vallen de behoeften niet samen of slechts ten dele, wordt niet meer dan 1,5 maal het normbedrag van € 540,- verstrekt. Heeft één van hen tevens een vervoermiddel voor de korte
afstand, wordt 60% in plaats van 75% van het normbedrag verstrekt, dus 75% + 60% = 135% van het normbedrag.
Voor jongeren gelden de volgende percentages: kinderen tot 2 jaar ontvangen geen pgb, tenzij deze kinderen vanwege de speciale wandelwagen/rolstoel niet met het openbaar vervoer mee kunnen: 50% van het normbedrag; kinderen van 2 tot 12 jaar: 50% van het normbedrag; kinderen ouder dan 12 jaar: 100% van het normbedrag; indien meerdere kinderen uit één gezin in aanmerking komen voor een pgb voor vervoerskosten wordt maximaal 75% van het normbedrag per kind verstrekt. Een grotere vervoersbehoefte moet worden aangetoond.
Wanneer de aanvrager tevens een voorziening heeft voor de korte afstand, wordt 60% van het normbedrag verstrekt.
Bewoners van een Wlz-instelling met een zelfstandige vervoersbehoefte ontvangen in de regel 60% van het normbedrag als forfaitaire vergoeding. Indien het merendeel van de contacten buiten de Wlz-
instelling ligt, kan een hogere vergoeding tot 100% van het normbedrag worden verstrekt. Deze hogere
vervoersbehoefte moet worden aangetoond. De vervoersbehoefte is mede afhankelijk van het soort Wlzinstelling en de mate van zelfstandig wonen. Uitzondering zijn bewoners uit de gezinsvervangende
tehuizen en regionale instellingen voor beschermd wonen: zij ontvangen 100% van het normbedrag.
Auto-aanpassing Inwoners kunnen alleen in aanmerking komen voor het aanpassen van de eigen auto als zij geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer en verstrekking van een individuele vervoersvoorziening niet adequaat is of niet de goedkoopst adequate oplossing vormt. Aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking komen dienen medisch en ergonomisch noodzakelijk te zijn, bijvoorbeeld: Aanpassingen aan de besturing van de auto (ter beoordeling van het CBR). Aanpassingen aan de stoel van de chauffeur/bijrijder . Aanpassingen voor het meenemen van een rolstoel in de auto (maar niet voor het meenemen van andere vervoersvoorzieningen zoals een scootermobiel).
Aanpassingen voor het vervoer van een rolstoelgebruiker. Voor het aanpassen van de auto gelden de volgende vergoedingen. Het betreft een richtlijn waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.
De gemeente vraagt een gesplitste offerte bij de garage op: de dagwaarde van de auto zonder aanpassingen de dagwaarde van de autoaanpassingen. De dagwaarde van de autoaanpassingen zal dan worden vergoed. Op het moment dat de auto ouder is dan 7 jaar, wordt er geen vergoeding verstrekt voor de autoaanpassing.
Een autoaanpassing komt slechts eens in de zeven jaar voor vergoeding in aanmerking. Hierop is een uitzondering mogelijk wanneer het een progressieve handicap betreft waardoor vaker aanpassen noodzakelijk is, of wanneer het een opgroeiend kind betreft.
BIJLAGE 5: Toetsingskader Vervoer naar dagbesteding Dit toetsingskader heeft betrekking op:
het vervoer van en naar een (jeugd)hulplocatie;
het vervoer van en naar een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo, betreffende dagbesteding of kortdurend verblijf;
zowel lokaal, regionaal als bovenregionaal vervoer.
Criteria 1.
We verstrekken de goedkoopst adequate voorziening
Dit betekent dat wanneer er een maatwerkvoorziening of individuele voorziening voor vervoer wordt
ingezet we uitgaan van de dichtstbijzijnde adequate (jeugdhulp)voorziening. Wanneer een inwoner kiest voor een aanbieder verder weg dan de dichtstbijzijnde aanbieder met een kwalitatief goed/voldoende aanbod, kan dit consequenties hebben voor het te verstrekken vervoer. 2.
We verstrekken geen vervoersvoorziening wanneer:
a)
er een andere regeling is op grond waarvan een inwoner gebruik kan maken van vervoer;
b)
er een eigen oplossing is voor vervoer of een oplossing vanuit het eigen netwerk, met vrijwilligers
of maatjes.
Eigen oplossing: Bij het bepalen van de mate van zelf organiseren van het vervoer geldt de eis van
redelijkheid en billijkheid, daarbij wordt gekeken naar de financiële situatie (eventuele bijstandsuitkering of Wajong). Bij jongeren wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van voorliggende voorzieningen die jongeren in staat stellen om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. c)
het vervoer valt onder de gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijk is.
Het betreft hier hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. In geval van jeugdhulp is dit ook