CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nijmegen 2025

Besluitronde (raadsvergadering) 16 april 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: D6 d.d. 25 februari 2025 over Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Nijmegen 202519.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Beleidsregels maatschappelijke

ondersteuning gemeente Nijmegen 2025

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gelet op de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2024; gelet op Hoofdstuk 2, paragraaf 1, 2 en 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

besluit vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nijmegen 2025

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Algemeen In de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning is opgenomen hoe het college van burgemeester en wethouders zijn taken, die beschreven staan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en de daarop aansluitende Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp 2024, uitvoert. Een beleidsregel is geen wet maar een besluit waar het college zich aan moet houden en beschrijft hoe het college gebruik maakt van haar bevoegdheid. Maatschappelijke ondersteuning is maatwerk en met de juiste onderbouwing kan het college van de beleidsregels afwijken.

De Wmo legt de nadruk op de eigen kracht, zelf- en samenredzaamheid. Mensen komen zelf of met hulp van hun omgeving tot oplossingen. Op basis van deze oplossingen wordt bepaald op welke punten aanvullende ondersteuning nodig is.

Voordat deze aanvullende ondersteuning toegekend wordt, wordt eerst gekeken naar de (eigen)

mogelijkheden van de inwoner, de mogelijkheden van het netwerk rond de inwoner, een inzetbare

vrijwilliger, de beschikbaarheid van algemene voorzieningen, de mogelijkheid om gebruik te maken van

algemene voorzieningen in zijn buurt (vb: het openbaarvervoer, maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst) of van overige en voorliggende voorzieningen die het college ter beschikking stelt.

Deze beleidsregels vormen een nadere uitwerking van wet- en regelgeving en vormen samen met de

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2024 het afwegingskader voor de toekenning van maatwerkvoorzieningen.

1.2 Uitgangspunten van de gemeente Nijmegen

Er zijn verschillende toegangspoorten waar de inwoner terecht kan, waaronder de Buurtteams

Volwassenen, Wmo-consulenten en ouderenadviseurs. Deze professionals onderzoeken welke hulp nodig is om de inwoner bij zijn hulpvraag te ondersteunen. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

-

We waarderen het als anderen vrijwillig helpen. We helpen hen dat te blijven doen.

-

Wij kunnen ondersteunen in de zelfredzaamheid en participatie, maar dragen hier geen verantwoordelijkheid voor.

-

Hulp moet zo licht mogelijk zijn en zo kort mogelijk duren.

-

Hulp moet zo dicht mogelijk bij huis verkregen worden.

-

We willen goed samenwerken met de organisaties die de hulp en ondersteuning geven. We willen dat deze organisaties onderling goed samenwerken.

1.3 Problemen horen bij het leven Uit de uitgangspunten wordt duidelijk wat onze visie is: iedereen is verantwoordelijk voor zijn of haar

eigen leven. Sommige dingen in het leven gaan heel goed, andere dingen gaan minder goed. Niet elke hobbel in de weg vereist directe tussenkomst van de gemeente. In plaats daarvan willen we mensen

helpen om, met steun van hun omgeving, eigen oplossingen te vinden. Dit betekent dat mensen actief

worden aangemoedigd om zelf stappen te zetten om problemen te voorkomen, waarbij ze ook kunnen terugvallen op hun familie, vrienden en de bredere gemeenschap.

De rol van de gemeenschap is essentieel: buurtbewoners, vrijwilligersorganisaties en lokale netwerken

kunnen vaak ondersteuning bieden die dichtbij staat en goed aansluit op de persoonlijke situatie. Samen kunnen we een omgeving creëren waarin mensen elkaar helpen, ervaringen delen en samen naar oplossingen zoeken. Deze sociale vangnetten versterken het vermogen van individuen om problemen het hoofd te bieden.

De gemeente komt in beeld als de situatie zodanig is dat hulp van buitenaf echt nodig is. Dan kijken we

zorgvuldig naar de persoonlijke omstandigheden, waarbij maatwerk en de samenwerking met de gemeenschap centraal staan. Iedereen is uniek, en hoewel problemen onvermijdelijk zijn in het leven,

kunnen we door collectieve betrokkenheid en ondersteuning bijdragen aan het vermogen van mensen om hiermee om te gaan.

1.4 Begrippenlijst In deze beleidsregels hanteren we de volgende begrippen en betekenissen, voor zover niet gedefinieerd in de Verordening Wmo en Jeugdhulp 2025 of landelijke regelgeving: -

Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen.

-

Cliënt: inwoner van de gemeente Nijmegen die een melding heeft gedaan bij, of een

-

Verordening: de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen

-

Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

maatwerkvoorziening ontvangt van de gemeente. 2024.

Hoofdstuk 2 Voorliggend op maatschappelijke ondersteuning

De gemeente gaat ervanuit dat iedere inwoner met eigen kracht of hulp van hun netwerk verantwoordelijkheid en regie neemt in het leven. Wanneer dit (tijdelijk) niet meer lukt, hebben wij verschillende vormen van ondersteuning georganiseerd die kunnen bijdragen aan het vergroten of

verkrijgen van zelf- en/of samenredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Deze vormen van ondersteuning zijn voorliggend op de inzet van een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo. In dit hoofdstuk lichten we de voorliggende ondersteuningsvormen verder toe.

2.1 Eigen kracht De mate van eigen kracht kan van invloed zijn op de aanspraak van een maatwerkvoorziening. De

gemeente Nijmegen definieert ‘eigen kracht’ als: “de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend

vermogen van de inwoner en personen uit het sociale netwerk om de benodigde hulp en ondersteuning te bieden in het kader van zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij”.

2.2 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is hulp waarvan we minimaal verwachten dat mensen die aan elkaar geven ‘in normale omstandigheden’. Gebruikelijke hulp wordt daarom niet gecompenseerd vanuit de Wmo. Denk aan het

ondersteunen van inwonende kinderen of het verlenen van hulp aan een levenspartner. Mantelzorg of steun vanuit het sociaal netwerk bieden mensen vrijwillig en kunnen we daarom niet eisen.

Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander. Het

is maatwerk in hoeverre deze gebruikelijke hulp in de vorm van mantelzorg vanuit het eigen netwerk,

bovenop gebruikelijke hulp, meeweegt in het besluit om al dan niet een maatwerkvoorziening te verstrekken.

In het onderzoek naar een maatwerkvoorziening (hoofdstuk 3 van deze beleidsregels) wordt onderzocht of gebruikelijke hulp in het eigen netwerk geboden kan worden. Met de inwoner en het netwerk wordt

besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is,

bijvoorbeeld om een mantelzorger te ontlasten. Biedt iemand meer dan gebruikelijke hulp, spreken we van ‘bovengebruikelijke hulp’. Dit betekent niet dat alle bovengebruikelijk hulp in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wanneer iemand hierom vraagt. Er wordt per situatie gekeken welke extra ondersteuning nodig is om iemand in zijn ondersteuningsbehoefte te voorzien.

2.3 Mantelzorg Mantelzorg is een term die we gebruiken voor het leveren van zorg aan een naaste met een ziekte, beperking, verslaving of psychische problemen. Mantelzorgers zijn vertrouwd voor de inwoner die ondersteuning nodig heeft. De mantelzorger wordt daarom makkelijk(er) geaccepteerd door de

hulpvragende inwoner. Soms is voor het leveren van mantelzorg compensatie mogelijk, of wordt er

ondersteuning ingezet om mantelzorgers te ontlasten. Dit moet blijken uit het onderzoek (hoofdstuk 3 van deze beleidsregels) en de mate van (boven)gebruikelijke hulp. Voor overige ondersteuning kunnen mantelzorgers terecht bij algemene voorzieningen zoals de Mantelzorg Cafés Nijmegen.

Lokaal mantelzorgcompliment In de verordening is opgenomen dat het college zorgdraagt voor een passende jaarlijkse blijk van

waardering voor de mantelzorger. Mantelzorgers die zich langdurig inzetten voor een inwoner kunnen via

het digitale loket van gemeente Nijmegen een verzoek doen voor een mantelzorgcompliment. Het

geldbedrag wordt uitbetaald aan de zorgvrager voor wie jaarlijks één compliment kan worden uitgekeerd. De criteria voor het mantelzorgcompliment zijn: -

De mantelzorg betreft bovengebruikelijke hulp (zie bijlage 1 van deze beleidsregels);

-

Er is sprake van een langdurige zorgsituatie van minimaal een periode van één jaar.

-

Bedraagt meer dan 8 uur per week volgens artikel 1.1.1. Wmo;

Aanvraag van het mantelzorgcompliment kan alleen tussen 1 januari en 1 juli van het jaar waarover compensatie aangevraagd wordt.

2.4 Voorliggende voorziening Een voorliggende voorziening betekent dat eventueel benodigde hulp of ondersteuning al op een andere

manier vergoed kan worden. Hier is dus geen maatwerkvoorziening voor nodig van de gemeente. Hierbij kan gedacht worden aan: 

Algemene voorziening

Voorliggende wetgeving, waaronder de Wet Langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet Forensische zorg (Wfz)

Voorliggende wetgeving Ondersteuning via de Wmo wordt begrensd door de ondersteuning en zorg die kan worden geboden op grond van de Jeugdwet, de zorgverzekeringswet (Zvw), Wet forensische zorg (Wfz) of de Wet langdurige zorg (Wlz). De jeugdige die wat betreft leeftijd tot de doelgroep van de Jeugdwet behoort, kan geen

beroep doen op de Wmo. Uitgezonderd hiervan zijn voorzieningen die de wetgever expliciet onder de Wmo laat vallen, zoals woningaanpassingen en hulpmiddelen.

Zorg die valt onder de Zvw, zoals wijkverpleging, wordt niet geleverd via de Wmo. Een combinatie van zorg via de Zvw en ondersteuning via de Wmo is wel mogelijk.

Inwoners met een Wlz-indicatie hoeven niet per definitie intramurale zorg te krijgen. Ze kunnen ook een volledig pakket thuis (VPT), een modulair pakket thuis (MPT) of een Persoons Gebonden Budget (PGB)

krijgen. De hulpmiddelen en woningaanpassingen voor mensen met een Wlz-indicatie (PGB, VPT en MPT) die nog thuis wonen vallen onder de Wmo.

Een maatwerkvoorziening kan geweigerd worden wanneer het college gegronde redenen heeft om aan te

nemen dat de inwoner recht op zorg uit de Wlz of de zorgverzekering heeft en/of weigert mee te werken aan (het verkrijgen van) die zorg.

2.5 Algemene en Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemene voorzieningen Wanneer een inwoner van de gemeente niet meer in staat is om zelf of samen met zijn sociale netwerk te voorzien in zijn of haar zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij, kan hij of zij ten eerste een beroep doen op de algemeen toegankelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen die voor elke inwoner

van de gemeente Nijmegen vrij toegankelijk zijn, gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp en in de buurt wordt georganiseerd.

Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: 1.

Buurtteams Volwassenen;

2.

Maatjesprojecten van Sterker sociaal werk;

4.

Klussendiensten (zoals klus service van Sterker sociaal werk);

3. 5. 6. 7. 8.

Boodschappendiensten van supermarkten; Glazenwasser;

Tuinonderhoud;

Commercieel sportaanbod;

Gemaksdiensten van de zorgverzekeraar.

Algemeen gebruikelijk Daarnaast zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen of producten en diensten

die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking en in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, met een prijs die vergelijkbaar is met soortgelijke producten.

Een complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, bestaat niet. Voorbeelden zijn: 1.

Fiets met aanpassing: lage instap, ligfiets, bakfiets;

3.

Personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;

2. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Rollator;

Autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten; Eenhendelmengkranen;

Thermostatische kranen;

Keramische- of inductiekookplaat; Verhoogd toilet of toiletverhoger; Tweede toilet/sanibroyeur;

10. Standaard douchestoel;

11. Renovatie van badkamer en keuken*; 12. Antislipvloer/coating; 13. Wandbeugels.

*In de Wmo wordt ervanuit gegaan dat elke badkamer of keuken eens in de zoveel jaar vernieuwd wordt. Bij een aanvraag voor een woningaanpassing van een badkamer of keuken wordt rekening gehouden met de leeftijd van de badkamer of keuken. Als geacht wordt dat de badkamer afgeschreven is, ligt op dat

moment renovatie voor de hand en hoeft geen vergoeding vanuit de Wmo plaats te vinden. Dit kan anders zijn op het moment dat de badkamer nog volledig functioneel is en het niet voor de hand ligt dat iemand zonder beperking de badkamer zal renoveren.

Onder algemeen gebruikelijke voorzieningen hoort óók algemeen gebruikelijk onderhoud. Dit zijn

situaties waarbij de kosten voor onderhoud en reparatie als algemeen gebruikelijk kunnen worden

beschouwd. Dit is hetgeen naar in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen als gangbaar onderhoud of als een gangbare uitgave voor onderhoud wordt aangemerkt.

2.6 Buurtteams Volwassenen

De Nijmeegse situatie kenmerkt zich door het gegeven dat de coördinerende werkzaamheden binnen de Wmo worden uitgevoerd in de Buurtteams Volwassenen. Buurtteams Volwassenen is een voorliggende

voorziening op een maatwerkvoorziening. De Buurtteams bieden ondersteuning en begeleiding, zonder indicatie, in de vorm van een algemene voorziening. Dit is in eerste instantie kortdurend, waarbij waar nodig wordt opgeschaald.

Hoofdstuk 3 Procedure 3.1 Toegang tot hulp Zoals benoemd in deze beleidsregels is een onderzoek nodig om de ondersteuningsbehoefte in kaart te brengen en te kijken welke oplossing het meest passend is voor die behoefte. Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het voeren van een gesprek met de inwoner en zijn of haar netwerk. De uitkomst hiervan wordt opgenomen in het onderzoeksverslag. Het onderzoeksverslag vormt de basis voor het advies en de mogelijke aanvraag van een maatwerkvoorziening.

Binnen gemeente Nijmegen zijn er zoals benoemd, verschillende toegangspoorten waar de inwoner zijn of haar hulpvraag kan stellen. De Buurtteams Volwassenen, de Regieteams, het Veiligheidshuis, de Wmo-

consulenten, de ouderen adviseurs en de GGD Gelderland-Zuid zijn bevoegd het onderzoek in het kader van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening uit te voeren. Indicatiestelling en onderzoek voor hulp bij het huishouden, hulpmiddelen en vervoer loopt via Wmo-consulenten van de gemeente. De

Buurtteams Volwassenen, Regieteams en het Veiligheidshuis kunnen consultatie & advies inschakelen via door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders of huisartsen. Ouderenadviseurs ondersteunen ouderen (65+) met ouderdomsklachten en hebben een coördinerende rol voor ouderen. De

ouderenadviseurs kunnen in overleg met Buurtteams Volwassenen en Wmo-consulenten toeleiden naar maatwerkvoorzieningen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven welke stappen in de procedure van de melding en het onderzoek genomen worden. Dit geldt in zijn algemeenheid voor elke maatwerkvoorziening, maar niet voor

Maatschappelijke Opvang (hoofdstuk 6 van deze beleidsregels) en Beschermd Wonen (hoofdstuk 7 van

deze beleidsregels). Waar de procedure voor deze maatwerkvoorzieningen afwijkt, wordt beschreven in die hoofdstukken.

3.2 Melding Een melding is het startpunt van het onderzoek naar de behoefte van een maatwerkvoorziening. Met de melding maakt de inwoner zijn probleem en hulpbehoefte kenbaar. Een melding kan in ieder geval

schriftelijk, via het meldingsformulier, door of namens de hulpvragende inwoner worden gedaan bij de verschillende instanties betrokken bij toeleiding naar hulp en via www.nijmegen.nl/diensten/zorgenhulp.nl. Een informatie-of adviesaanvraag wordt niet aangemerkt als een melding. Een ontvangstbevestiging wordt binnen maximaal een week na de melding verstuurd.

Bij het aflopen van de periode waarvoor ondersteuning is toegekend, dient de inwoner bij de behoefte om de ondersteuning te verlengen, minimaal acht weken voor afloop van de zorgperiode een melding te doen.

Informatieplicht over cliëntondersteuning

Voor de start van het onderzoek wordt de inwoner gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning via het Zelfregiecentrum, MEE Gelderse Poort, Ixta Noa (voor beschermd wonen), De Kentering of Stichting BWN. cliëntondersteuning houdt in dat inwoners recht hebben op ondersteuning

met informatie, advies en algemene ondersteuning tijdens de melding en het daaropvolgende onderzoek.

Persoonlijk plan en pgb-plan

In de onderzoeksfase kan de aanvrager een persoonlijk plan indienen waarin hij aangeeft welke

problematiek ervaren wordt en waarom een bepaalde maatwerkvoorziening naar zijn mening het meest is aangewezen.

Indien inwoner gebruik wil maken van het pgb moet hij/zij een pgb-plan opstellen waaruit onder andere moet blijken waarvoor het pgb wordt gebruikt, waarom de aanvrager een pgb wil, wie het pgb gaat beheren, bij wie de zorg ingekocht zal worden en hoe de kwaliteit en veiligheid van die zorg is gewaarborgd (hoofdstuk 5 van deze beleidsregels).

3.3 Onderzoek Onderzoek naar de melding vindt plaats in ‘het gesprek’. In het gesprek ligt het accent op zorgvuldigheid en transparantie, waarbij in kaart wordt gebracht welke beperkingen de inwoner ervaart, wat zijn of haar persoonlijke situatie is en wat de inwoner al gedaan of geprobeerd heeft om het probleem om te lossen. Een persoonlijk plan maakt onderdeel uit van het gesprek.

Stappenplan Wmo 2015 Gedurende het onderzoek en in het onderzoeksverslag moet het in de rechtspraak aangenomen ‘stappenplan voor Wmo-onderzoek’ doorlopen worden. Stap 1: Stel de hulpvraag van de inwoner vast. Stap 2: Breng in kaart welke problemen inwoner ondervindt bij de zelfredzaamheid en participatie, dan wel bij het zich kunnen handhaven in de samenleving.

Voor het in kaart brengen van behoeften wordt een integrale uitvraag gedaan, waarbij acties en de mate van zelfredzaamheid per leefgebied doorgenomen worden.

Stap 3: Bepaal per hulpvraag afzonderlijk welke ondersteuning in aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan het oplossen dan wel verminderen van de ondersteuningsvraag. -

Voor de bepaling van de omvang van de professionele ondersteuning (duur, aantal

uren/dagdelen, etc.) wordt gekeken naar de activiteiten die in het ondersteuningsplan zijn

gekoppeld aan de doelen en wordt ingeschat hoeveel tijd deze activiteit wekelijks of dagelijks zal -

kosten.

Voor ondersteuning in het kader van Hulp bij het Huishouden (HH) wordt eerst bepaald of de inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening HH. Het aantal

dagdelen/uren/minuten dat de inwoner nodig heeft, wordt door de Wmo-consulent vastgesteld -

volgens de normering in bijlage 2 van deze beleidsregels.

Sinds december 2022 werken Buurtteams Volwassenen en begeleidingsaanbieders (Zorg in

Natura) met ‘globaal indiceren’. Dit betekent onder andere dat voor (reguliere of specialistische) begeleiding een vast aantal uur wordt afgegeven door het Buurtteam. Deze werkwijze is vastgelegd in het convenant ‘Globaal Indiceren’.

Stap 4 In kaart brengen van voorliggende mogelijkheden om de ondersteuningsvraag op te lossen:

Stap 4a: Onderzoek eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Stap 4b: Onderzoek wat van de benodigde hulp onder gebruikelijke hulp valt. Stap 4c: Onderzoek wat van de benodigde hulp geleverd kan worden via mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk.

Stap 4d: Onderzoek wat van de benodigde hulp onder voorliggende (algemene) voorzieningen valt. Zie voor voorbeelden 2.5 Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Stap 5: Concludeer met inachtneming van voorgaande stappen wat het college moet compenseren. Stap 6: Informeer de aanvrager over de mogelijkheid van het aanvragen van een pgb. Stap 6a: Indien aangevraagd, beoordeel dan of aan de voorwaarden van het pgb voldaan wordt. Stap 7: Schakel voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk kan worden geacht, specifieke deskundigheid in. -

Buurtteams, Regieteams, ouderenadviseurs en het Veiligheidshuis kunnen consultatie & advies inschakelen via door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders of (huis)artsen.

NB: Bij dwang- en drangtrajecten die de regieteams inzetten, geldt een andere werkwijze; op

basis van de uitkomst van een casusoverleg wordt een begeleidingsplan opgesteld.

3.4 Verslag Uit het onderzoeksverslag moet duidelijk blijken dat het stappenplan zoals benoemd in par. 3.3 van deze beleidsregels gebruikt is. Daarnaast moet inhoudelijk duidelijk worden uit het verslag in hoeverre de

behoeften en gewenste resultaten beantwoord kunnen worden met eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg, algemene voorzieningen, en/of voorzieningen uit voorliggende wetgeving. Vervolgens blijft over op welke punten een maatwerkvoorziening nodig is en in welke vorm, Zorg in

Natura (ZIN) of Persoons Gebonden Budget (PGB), dit ingezet wordt. Het verslag is in feite een weergave van de uitkomsten van ‘het gesprek’ en het onderzoek. In het verslag wordt een ondersteuningsadvies opgenomen dat passend is bij de zorgvraag. Het verslag wordt verstrekt aan de inwoner of diens vertegenwoordiger.

3.5 Aanvraag Na het doorlopen van voorgaande stappen en het verstrekken van het verslag aan de aanvrager, kan de aanvraag om een maatwerkvoorziening pas worden ingediend bij de gemeente. De uitkomsten van het onderzoek worden weergegeven in het onderzoeksverslag.

3.6 Beschikking Na ontvangst van de aanvraag om een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af. Is de aanvrager, belanghebbende, het niet eens met de uitkomst van die beschikking, kan deze in bezwaar gaan tegen de beschikking van de gemeente via de daartoe aangewezen route.

Bij toekenning dient de inwoner het college te allen tijde op de hoogte te stellen van gewijzigde feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op maatschappelijke ondersteuning. Dat kan

bijvoorbeeld gaan om een verhuizing of een verbetering of verslechtering van de gezondheidssituatie. Een toegekende maatwerkvoorziening kan dan worden herzien of ingetrokken.

Hoofdstuk 4 Nadere toelichting op maatwerkvoorzieningen 4.1 Inleiding Een maatwerkvoorziening is ondersteuning die is afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een inwoner. Een maatwerkvoorziening bestaat in de vorm van diensten,

hulpmiddelen, woningaanpassingen en/of andere maatregelen zoals beschermd wonen en opvang en maatschappelijke opvang. Over het algemeen geldt dat het doel van een maatwerkvoorziening is het

verkrijgen, vergroten, behouden en/of voorkomen of vertragen van achteruitgang van de zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij.

Maatwerkvoorzieningen kunnen onder andere zijn: -

Hulp bij het huishouden Begeleiding

Ontwikkelingsgerichte dagbesteding Persoonlijke verzorging Respijtzorg

Woningaanpassingen Hulpmiddelen

Vervoersvoorzieningen

Maatschappelijke opvang, inclusief opvang huiselijk geweld (hoofdstuk 6 van deze beleidsregels) Beschermd wonen (hoofdstuk 7 van deze beleidsregels)

In dit hoofdstuk worden verschillende vormen van maatwerkvoorzieningen nader toegelicht.

4.2 Vormen van maatwerkvoorzieningen 4.2.1. Hulp bij het huishouden Volgens de Wmo zijn we als gemeente verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners die niet op

eigen kracht, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg, algemene voorzieningen, en/of met ondersteuning vanuit voorliggende wetgeving zelfredzaam zijn voor wat betreft de verzorging van het huishouden. In dat geval kan een maatwerkvoorziening in de vorm van ‘Hulp bij het huishouden’ verkregen worden.

Bij hulp bij het huishouden worden huishoudelijke taken overgenomen door een huishoudelijke hulp. In

de praktijk zijn het vaak ouderen en mensen met lichamelijke beperkingen die deze maatwerkvoorziening ontvangen. Tijdens het onderzoek wordt bekeken welke taken dienen te worden overgenomen. In bijlage

2 van deze beleidsregels wordt door middel van het indicatieprotocol beschreven hoe de indicatiestelling verder tot stand komt.

Het doel van de maatwerkvoorziening is om de beperkingen op het gebied van het huishouden te

compenseren en de zelfredzaamheid te behouden en/of verbeteren. De inzet van deze ondersteuning draagt bij aan het zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen wonen.

4.2.2. Begeleiding

De maatwerkvoorziening ‘begeleiding’ is voor inwoners die niet op eigen kracht, met algemeen

gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg, algemene voorzieningen, en/of met ondersteuning vanuit voorliggende wetgeving zelfredzaam zijn en/of kunnen participeren in de maatschappij. De

maatwerkvoorziening begeleiding kent verschillende vormen van ondersteuning. Het doel is om

beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij te compenseren en/of te verbeteren. Hierbij is het uitgangspunt om de eigen kracht te vergroten. 

Praktische begeleiding is een eenvoudige vorm van begeleiding en/of verlichting van de

mantelzorgtaken. De begeleiding richt zich op: het huishouden op orde brengen, aanleren van

structuur in het huishouden en praktische ondersteuning daarbij. Daarnaast kan worden gewerkt aan het activeren en stimuleren van deelname aan de maatschappij en (tijdelijke) ontlasting van de mantelzorger. 

Begeleiding biedt de inwoner en/of het systeem hulp bij het (h)erkennen van en leren omgaan

met zijn of haar problematiek. De inwoner kan tevens ondersteuning vragen het geleerde toe te

(blijven) passen in het dagelijks leven. De vraag aan de begeleider beperkt zich tot één of enkele leefgebieden. De ondersteuning vindt plaats op geplande momenten. 

Begeleiding plus biedt de inwoner met een beperking en/of chronisch psychisch/psychosociaal probleem of huiselijk geweld ondersteuning bij het (h)erkennen van en leren omgaan met

zijn/haar problematiek. De hulpvragen aan de begeleider beslaan meerdere leefgebieden. Begeleiding plus is geschikt voor de inwoner die de ondersteuning over het algemeen op

geplande momenten kan ontvangen. Bij persoonlijke veranderingen zijn er grote gevolgen voor het dagelijks leven van de inwoner, de leefsituatie is onvoorspelbaar, de inwoner is zeer snel

(psychisch) uit balans en gebaat bij een proactieve benadering. De inwoner heeft geen of beperkt

zelfinzicht en een instabiel medicatiegebruik, er is sprake van (acute) onveiligheid of overlast. Tot slot is sprake van (acute) onveiligheid of overlast voor of door de inwoner.

In bijlage 6 en 7 zijn de nadere criteria voor de verschillende vormen van begeleiding verder beschreven.

Daarnaast is er een apart afwegingskader voor begeleiding op vakantie. Dit is opgenomen in bijlage 8 van deze beleidsregels.

4.2.3. Ontwikkelingsgerichte dagbesteding

Ontwikkelingsgerichte dagbesteding is dagbesteding als ondersteuningsvorm waarbij gewerkt wordt aan het creëren en behouden van een dagstructuur (aan de hand van concrete doelen op één of meer leefgebieden in het begeleidingsplan). Tijdens de dagbesteding wordt zoveel mogelijk een gezonde leefstijl bevorderd. Indien mogelijk wordt toegeleid naar arbeidsmatige dagbesteding of (begeleid) werk. Op deze manier wordt de deelname aan de maatschappij op een zo inclusieve, geïntegreerde manier vergroot en/of behouden. De dagbesteding vermindert/voorkomt het sociaal isolement en biedt ontlasting voor mantelzorgers. Ontwikkelingsgerichte dagbesteding is bedoeld voor inwoners met een psychiatrische, verstandelijke, lichamelijke en/of psychosomatische beperkingen, maar niet voor inwoners met ouderdomsproblematiek en inwoners met een zintuiglijke beperking. De inwoner heeft bovendien behoefte aan het ontwikkelen en behouden van fysieke, cognitieve en sociale vaardigheden, bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en eigen regie en het verminderen/voorkomen van sociaal isolement. Voor het afwegingskader voor vervoer naar dagbesteding zie bijlage 5.

4.2.4. Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging is ondersteuning die voorziet in lijfgebonden zorg. Hierbij wordt gewerkt naar stabilisatie van zelfzorg en hygiëne. De doelgroep voor persoonlijke verzorging zijn inwoners met verstandelijke, psychiatrische, zintuiglijke of NAH- beperkingen. De inwoner heeft geen

ondersteuningsbehoefte vanuit geneeskundige zorg of een verhoogd risico daarop. Wanneer dit wel het geval is, valt de zorg onder de Zvw en niet onder de Wmo.

Vanaf 2025 zijn voor ZIN de activiteiten van persoonlijke verzorging ondergebracht onder de drie begeleidingsproducten: praktische begeleiding, begeleiding en begeleiding plus.

4.2.5. Respijtzorg Respijtzorg is een overkoepelende term voor verschillende vormen van ondersteuning, bedoeld om

mantelzorgers te ontlasten. De doelgroep voor respijtzorg zijn volwassenen met een verstandelijke, psychiatrische, NAH- of lichamelijke beperking. Respijtzorg kan ook preventief ingezet worden om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen. Ontwikkelingsgerichte dagbesteding kan gezien worden als een vorm van respijtzorg omdat de tijd dat de inwoner op de dagbesteding is, de

mantelzorger wordt last. Daarnaast zijn er voorzieningen die direct gericht zijn op het ontlasten van de mantelzorger zoals het ‘Kortdurend verblijf’. Dit is een logeersituatie in verschillende varianten.

4.2.6. Woningaanpassingen Het uitgangspunt van de Wmo is dat inwoners normaal en zelfstandig gebruik kunnen maken van de

woning waar hij of zij het hoofdverblijf heeft. Wanneer een inwoner problemen ondervindt bij het wonen wordt er gekeken naar mogelijkheden vanuit eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen,

mantelzorg, algemene voorzieningen en naar ondersteuning vanuit voorliggende wetgeving waaronder de Wlz. Wanneer iemand namelijk woonachtig is in een Wlz-instelling en/of een doelgroepwoning, is de

woningeigenaar verantwoordelijk voor de woningaanpassingen. In dit geval is het deze wetgeving die voorliggend is op een indicatie vanuit de Wmo.

Wanneer uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van voorliggende mogelijkheden, kan iemand in

aanmerking komen voor een woningaanpassing vanuit de Wmo. Hierbij worden de volgende punten in het onderzoek meegenomen:

1. De mogelijkheid om te verhuizen Voor woonaanpassingen boven een bedrag van € 8.000,- wordt bekeken of een verhuizing een meer

adequate oplossing voor het probleem kan zijn. Als een verhuizing geen reële mogelijkheid is, kan een maatwerkvoorziening verstrekt worden. Bij de mogelijkheid van verhuizing moet in ieder geval beoordeeld worden:

a.

de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen;

c.

de snelheid waarmee het woonprobleem opgelost kan worden;

e.

integrale afweging verschillende Wmo-voorzieningen: wonen, vervoer, rolstoelen;

b. kostenvergelijking;

d. sociale omstandigheden; f.

de woonlastenconsequenties

2. Elementaire woonfuncties De inwoner moet normaal gebruik kunnen maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal

hebben. Dit geldt alleen ten aanzien van de woonruimtes die de inwoner daadwerkelijk in gebruik heeft of gaat nemen. Een verderstrekkende behoefte dient door de inwoner te worden aangetoond. 3. Logeerbaar maken woonruimte Met behulp van een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten kan een woonvoorziening getroffen worden voor het logeerbaar maken van één woonruimte indien:

a.

de inwoner in een Wlz-instelling in de gemeente Nijmegen woont;

b. de woning die logeerbaar gemaakt wordt in de gemeente Nijmegen ligt, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling.

4. Voorzienbaarheid Een woonaanpassing of woonvoorziening kan worden geweigerd als de inwoner voor het eerst verhuist naar een zelfstandige woonruimte. Daarbij moet altijd éérst naar de concrete omstandigheden van de inwoner worden gekeken. 5. Mantelzorgwoning Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college uit van de eigen

verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te

huren en te plaatsen op het terrein nabij de woning van de mantelzorger(s). Daarbij is uitgangspunt dat de huisvestingslasten (voor huur of hypotheek, energie, etc.) die de verzorgde(n) had(den) vóór de

verhuizing naar de mantelzorgwoning, besteed kunnen worden aan de kosten voor de mantelzorgwoning.

4.2.7. Hulpmiddelen Om te komen tot voldoende zelfredzaamheid en participatie kan het voor een inwoner nodig zijn gebruik te maken van hulpmiddelen. Hierbij wordt in eerste instantie gekeken of de inwoner een hulpmiddel zelf kan aanschaffen, of voorliggende algemene voorzieningen kunnen ondersteunen en/of voorliggende wetgeving passend is. Denk hierbij aan hulpmiddelen die vanuit de Zvw/Wlz verstrekt worden. Een

overzicht en het afwegingskader vanuit de Wlz en Wmo is opgenomen in bijlage 3 van deze beleidsregels.

4.2.8 Vervoersvoorzieningen Het kunnen verplaatsen is van belang bij zelfstandige maatschappelijke participatie. Vandaar dat de gemeente Nijmegen bijdraagt aan openbaar vervoer in de regio dat in principe rolstoel- en

rollatortoegankelijk is voor mensen met een fysieke beperking. Daarnaast heeft de gemeente Nijmegen

geïnvesteerd in het toegankelijk maken van bushaltes en bussen, zodat deze voor een zo groot mogelijk publiek bereikbaar zijn. Daardoor wordt verwacht dat het grootste deel van de inwoners in staat is om gebruik te maken van het openbaar vervoer, ook wanneer iemand rolstoelafhankelijk is. Het openbaar vervoer geldt als algemene voorziening dan ook expliciet als voorliggend op een aanspraak op vervoersvoorzieningen op grond van de Wmo.

Bij een vervoersvraag wordt gekeken naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner. In eerste instantie wordt onderzocht of de inwoner op eigen kracht gebruik kan maken van

bovenstaande, voorliggende vervoersmogelijkheden. Daarnaast wordt onderzocht of de inwoner met

beschikbare hulp van personen uit zijn eigen sociale netwerk kan reizen. Daarnaast wordt ook gekeken naar de inzet van vrijwilligers. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de ‘OV ambassadeurs’ die inwoners betreffende het vervoer kunnen begeleiden. Tot slot wordt ook gekeken of de inwoner

ondersteund kan worden door gebruikmaking van een in het sociaal netwerk (mantelzorger) beschikbare

auto en/of voorliggende voorzieningen zoals Automaatje of de Zonnebloemauto. Als bovenstaande opties niet mogelijk zijn kan de inwoner mogelijk in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening vanuit de Wmo

NB: Voor de vervoersvoorziening via Avan kennen we een Wmo-vervoerspas. Met de pas kan de inwoner tegen gereduceerd tarief reizen met Avan. Aan de hand van de vervoersbehoefte wordt bepaald hoeveel

kilometer de inwoner op jaarbasis tegen gereduceerd tarief gebruik kan maken van Avan. In bijlage 4 van deze beleidsregels wordt het afwegingskaders verder besproken.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget (pgb) Een pgb kan een geschikt instrument zijn voor de inwoner om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een vorm die passend is voor mensen die zelf en/of met behulp van een

vertegenwoordiger de regie over hun leven kunnen voeren. Wanneer recht op maatschappelijke

ondersteuning bestaat, kunnen inwoners onder voorwaarden voor een pgb in plaats van zorg in natura

kiezen. Criteria voor het verstrekken van een pgb zijn onder andere opgenomen in de artikelen 12 tot en met 15 van de verordening. In dit hoofdstuk worden nadere regels uitgewerkt over de wijze waarop de

hoogte van een pgb wordt vastgesteld en wordt toegelicht hoe het onderzoek op voldoende bekwaamheid plaats kan vinden.

Informatieplicht aanvragers Het is van belang dat vooraf bekend is wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden daarbij

bestaan. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner wordt ingelicht over de mogelijkheid van een pgb, de gevolgen van de keuze voor een pgb en de voorwaarden die hieraan verbonden zijn.

Aanvragers kunnen daarnaast een pgb-test van Per Saldo invullen via www.pgb-test.nl. Aan de hand van een aantal vragen wordt inzicht verkregen in de vaardigheden die nodig zijn voor het beheren van een pgb en de mate waarin de inwoner daar al over beschikt.

5.1 Onderzoek Een pgb kan aangevraagd worden tijdens het onderzoek (hoofdstuk 3 van deze beleidsregels). De

aanvrager is bij toepassing van de Wmo meestal de inwoner, degene die ondersteuning verlangt. Wanneer de aanvrager in het onderzoek aangeeft dat hij zorg wil inkopen via een pgb, wordt verzocht om een

pgb-plan. Op basis daarvan wordt door een professional van de Buurtteams Volwassenen, het Regieteam of adviseur Centrale Toegang (Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang) een onderzoek gedaan

naar de bekwaamheid, vaardigheden tot regie van de aanvrager en zijn motivatie die uitgewerkt is in het pgb-plan. Daarnaast wordt getoetst of de door aanvrager voorgestelde invulling van voldoende kwaliteit is en tot de beoogde resultaten leidt.

1. Bekwaamheid en vaardigheden van de aanvrager

De bekwaamheid en vaardigheden van de aanvrager worden in samenspraak met de aanvrager getoetst, maar het oordeel van de professional hierover is leidend. Als deze van oordeel is dat de aanvrager niet (voldoende) bekwaam is voor het houden van een pgb, wordt het pgb geweigerd. Dit is altijd een individuele weging en vereist daarom maatwerk.

Bij een pgb wordt de aanvrager van dat pgb budgethouder. De budgethouder is zowel opdrachtgever,

werkgever als ontvanger van zorg. De aanvrager moet daarom op verschillende terreinen over een aantal vaardigheden en kwaliteiten beschikken wil sprake zijn van adequate zelfregie en voldoende bekwaamheid: 1)

Voldoende inzicht: a.

heeft voldoende ziekte-inzicht;

d.

weet welke hulp hij/zij nodig heeft;

c. 2)

heeft een duidelijk beeld van de hulpvraag;

Correcte administratie bij kunnen houden: a.

b. 3)

aanvrager is voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen;

b.

c.

aanvrager is op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer;

kan een begroting opstellen; kan een budgetplan maken;

Opdrachtgevers-/werkgeverstaak: a.

aanvrager kan zelf zorgverleners selecteren;

b.

de overeenkomst aangaan;

d.

hulpverleners aanspreken op hun functioneren.

c.

hulpverleners aansturen;

2. Motivatie en het pgb-plan

De motivatie wordt opgenomen in het pgb-plan. De aanvrager stelt dit pgb-plan op en wordt zo

gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren. De Buurtteams

Volwassenen, het Regieteam of de Centrale Toegang Beschermd Wonen beoordeelt of dit plan voldoet. Het is daarbij belangrijk dat de keuze voor een pgb een eigen keuze is en niet die van de in te huren ondersteuner of aanbieder.

In het pgb-plan moet opgenomen zijn: a)

wat de motivatie is om een aanvraag voor een pgb in te dienen;

b)

waarom de zorg van de specifieke aanbieder de meest geschikte vorm van zorg is;

d)

hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd (o.a. kwalificatie van de zorgverlener(s));

f)

wat de verwachte duur en omvang van de ondersteuning is;

c)

e)

g)

wat het beoogde resultaat van de ondersteuning is; hoe de veiligheid is gewaarborgd;

hoe hij/zij de vervanging bij vakantie en ziekte regelt (bij inzet sociaal netwerk).

Iemand uit het eigen sociale netwerk of een onafhankelijke inwonerondersteuner kan ondersteunen

bij het motiveren van de aanvraag. Wanneer de aanvrager bij het opstellen van een plan hulp ontvangt van een curator of mentor dient deze persoon het pgb-plan mede te ondertekenen.

3. Kwaliteitseisen

Een budgethouder is in eerste instantie zelf, of samen met diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk

voor de kwaliteit van de zorg die hij inkoopt. De budgethouder is hiermee opdrachtgever voor de door hem ingehuurde ondersteuning.

De kwaliteit van de zorg die ingezet wordt met een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als

dienstverlening in zorg in natura. In het pgb-plan dient aanvullend op het bepaalde onder ‘2. Motivatie en het pgb-plan’ opgenomen te worden: a)

hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd (o.a. kwalificatie van de zorgverlener(s));

b)

hoe de veiligheid is gewaarborgd;

d)

hoe en wanneer wordt geëvalueerd;

c)

e)

hoe de ondersteuning is afgestemd op de aanvrager; een begroting (o.a. wat de zorg kost en hoe deze kosten zijn berekend).

Degene die de aanvraag in behandeling heeft, moet formeel toetsen of de kwaliteit voldoende geborgd is en beoordelen of de ingekochte hulp veilig, doeltreffend en inwonergericht is. Hierbij weegt mee of de

diensten, hulpmiddelen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Deze eisen worden vooraf aan de aanvrager kenbaar gemaakt.

5.2 Pgb-beheerder Een pgb-beheerder kan ondersteunen in het pgb-beheer, maar treedt niet volledig in de plaats van de

inwoner nu enige regievoering verwacht mag worden. Als de inwoner dit onvoldoende kan, gaat het de gemeente niet over tot toekenning van een pgb, tenzij de pgb-beheerde familie in de eerste graad (partner, ouders, kinderen) of tweede graad (broers en zussen, grootouders, kleinkinderen) is.

Ondersteuning van de inwoner bij onderdelen van pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het eigen sociaal netwerk behoort of door een professional. Een professional levert zijn diensten tegen marktconform tarief. De gemeente kan vragen om een bewijs van betaling.

De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn inwoner en

stelt het belang van de inwoner centraal. De beheerder is actief betrokken bij alle fases van het proces van toekenning tot herindicatie en evaluatiegesprekken. Van belangenverstrengeling mag geen sprake zijn.

Daarom is de pgb-beheerder in ieder geval niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatieadviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon.

Voorbeelden hiervan zijn situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen uitgezonderd, nu de mogelijkheid bestaat om een pgb te besteden in het eigen netwerk.

5.3 Duur pgb-indicatie Een pgb wordt voor maximaal 2 jaar afgegeven. Het college kan een pgb met een korte looptijd afgeven: a)

als de beoogde resultaten eerder kunnen worden behaald;

b)

bij twijfel rondom bekwaamheid van de budgethouder om zelf zorg in te kopen, maar waarbij die

c)

indien sprake is van een niet-stabiel ziektebeeld of een verwachte wisselende

d)

twijfel onvoldoende is om het pgb direct af te wijzen; ondersteuningsbehoefte;

in andere gevallen die aanleiding geven tot het afgeven van een pgb voor een kortere periode.

Een pgb kan voor maximaal 5 jaar worden toegewezen op het moment dat er in het onderzoek vastgesteld kan worden dat: 1.

Er sprake is van een blijvende (evt. progressieve) beperking(en) waarbij het niet aannemelijk is dat

2.

Het niet aannemelijk is dat de hulpvragen de komende 5 jaar jaren (deels) opgelost kunnen

de hulpvraag de komende jaren zal veranderen/verminderen.

worden door gebruik te maken van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg dan wel algemene voorzieningen.

3.

Er geen twijfels zijn over pgb-beheer in de komende vijf jaar (bijvoorbeeld als gevolg van cognitieve beperkingen van een klant die tevens pgb beheerder is).

Wordt er aan één van deze voorwaarden niet voldaan dan wijzen we een pgb voor maximaal 2 jaar toe. Bij toewijzing van een pgb worden afspraken gemaakt tussen verwijzers en budgethouders over tussentijdse evaluaties.

Een PGB voor hulpmiddelen valt niet onder deze maximale termijn.

5.4 Uitgaven pgb Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven wél doen: a)

b)

alle bijkomende kosten voor de zorgverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskosten, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen;

vervoerskosten, maar alleen als er een beschikking is voor begeleiding in dagdelen (dagopvang), samen met een indicatie voor vervoer van en naar de plek waar die begeleiding geboden wordt.

In de artikel 12 lid 4 van de verordening is een lijst te vinden van uitgaven die budgethouders vanuit het budget niet mogen doen.

5.5 Betaling – trekkingsrecht Gemeenten betalen pgb’s uit in de vorm van een trekkingsrecht. Dit betekent dat de gemeente het pgb

niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op de rekening van het ‘servicecentrum pgb’ van de Sociale Verzekerings Bank (SVB). Om pgb via trekkingsrecht te kunnen uitvoeren, moet de

budgethouder een zorgovereenkomst hebben met de zorgverlener. Deze moet hij indienen bij de SVB,

waarna de SVB deze overeenkomst arbeidsrechtelijk toetst. Zonder overeenkomst kan de zorgverlener niet worden betaald.

Via declaraties of facturen laat de budgethouder aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en dat de zorgverlener betaald moet worden. Na die opdracht controleert de SVB of de betaling klopt met wat is bepaald in de zorgovereenkomst. Wanneer de controle slaagt, verricht de SVB de betalingen aan de zorgverleners. De budgethouder is via het maandelijkse (digitale) budgetoverzicht van de SVB

verantwoordelijk voor het monitoren van de betalingen uit het pgb. Niet-bestede bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.

De budgethouder is verplicht zich te houden aan de door de SVB gestelde bepalingen rondom het

trekkingsrecht. Niet voldoen aan deze bepalingen kan tot gevolg hebben dat het pgb wordt ingetrokken. Pgb’s voor eenmalige uitgaven, zoals hulpmiddelen, zijn uitgezonderd van het trekkingsrecht. Deze worden rechtstreeks vanuit de gemeente verstrekt.

5.6 Controle De gemeente gaat tijdens de looptijd van het pgb via steekproeven bij de budgethouder en/of middels een huisbezoek en/of een administratieve controle na of het pgb besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is (rechtmatigheid). Tijdens een periodieke evaluatie bespreekt de gemeente de inhoudelijke

zorgverlening en ondersteuningsvraag met de budgethouder (doelmatigheid). Bij Beschermd Wonen is dat minstens één keer per jaar.

Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd, kan het college

besluiten om voorwaarden te stellen aan de voortzetting van het pgb of het verstrekken van het pgb heroverwegen en beëindigen. Bij signalen van fraude kan de gemeente besluiten het pgb terug te vorderen (artikel 11 van de verordening).

In een steekproef kunnen daarnaast jaarlijks een aantal dossiers worden onderworpen aan een intensieve

controle. De budgethouder moet hieraan meewerken en alle gevraagde stukken indienen bij de gemeente. Het niet of niet volledig indienen van gevraagde stukken kan leiden tot geheel of gedeeltelijke terugvordering van het pgb.

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke opvang (en opvang huiselijk geweld) 6.1 Inleiding De maatschappelijke opvang heeft als taak het bieden van tijdelijk en veilig verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, niet tijdelijk terecht kunnen in hun netwerk en niet zelfredzaam zijn. De

maatschappelijke opvang is een laatste ‘vangnetvoorziening'. De vrouwenopvang heeft als taak het bieden van tijdelijk en veilig verblijf aan mensen die zich in een acute gewelddadige thuissituatie bevinden. Nijmegen is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de maatschappelijke- en

vrouwenopvang in de regio Rijk van Nijmegen en Rivierenland. Opvang kan bestaan uit verschillende

fasen: preventie, opvang en herstel. In de fasen van preventie en herstel wordt meestal intensieve, maar

wel extramurale, ambulante begeleiding geboden aan mensen die zelfstandig wonen. Het gaat hierbij om een kwetsbare groep mensen. Het zijn vaak mensen die dreigen dakloos te worden of sterk afglijden.

Maatschappelijke opvang is altijd gericht op een tijdelijk 24-uursverblijf/eerste opvang. Het verblijf omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. De begeleiding is

gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij binnen de kaders van

de ondersteuningsbehoefte van de doelgroep. Bij opvang in verband met huiselijk geweld staat bovendien het bevorderen van veiligheid voorop.

Géén pgb Een persoonsgebonden budget voor opvang is niet mogelijk omdat er veelal sprake is van een crisissituatie. Daarnaast is er sprake van een (te) lage zelfredzaamheid van de doelgroep.

In dit hoofdstuk worden verschillende aspecten van de (maatwerkvoorziening) maatschappelijke opvang verder uitgewerkt.

6.2 Doel en doelgroep Maatschappelijke opvang heeft de volgende doelstellingen: -

Het bevorderen van zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij; Het voorkomen van (zelf)verwaarlozing of maatschappelijke overlast;

Het afwenden van gevaar voor de opgevangen persoon en/of anderen.

Trajectplan

Het aanbod maatschappelijke opvang is gericht op het (weer) zelfstandig kunnen wonen. We vinden het

belangrijk de verblijfsduur zo kort mogelijk te laten zijn. Daarom wordt er bij plaatsing niet alleen ‘bed,

bad en brood’ geboden, maar ook een trajectplan opgesteld. Hierin worden afspraken gemaakt over zorg

en ondersteuning door betrokken professionals en de verantwoordelijkheid van de inwoner gedurende het traject en daarna. Dit trajectplan is erop gericht de inwoner zo snel als mogelijk weer de regie over zijn of haar eigen leven te laten krijgen. Bij de uitplaatsing is het belangrijk om te komen tot een soepele overname van zorg en ondersteuning door het lokale netwerk.

Het traject in de vrouwenopvang is erop gericht om zo snel mogelijk weer zelfstandig te kunnen gaan wonen in een veilige thuissituatie.

Doelgroep Maatschappelijke opvang is geschikt voor mensen met complexe psychische of psychosociale en/of

verslavingsproblemen die zo ernstig zijn dat zij geen dak (meer) boven hun hoofd hebben en niet in staat zijn zelf, of met hulp vanuit hun netwerk of lichtere vormen van voorzieningen, hun situatie weer zo ver op orde te brengen dat zij zich weer kunnen redden in de samenleving. Het kan gaan om mensen met

ernstige psychosociale problemen, die naast een (t)huis, vooral behoefte hebben aan intensieve vormen

van begeleiding. Die begeleiding richt zich op verschillende leefgebieden zoals financiën, wonen, sociale relaties en aanraking met justitie. Maatschappelijke opvang stelt iemand in staat de weg terug te vinden

naar een meer zelfdredzaamheid en deelname aan de maatschappij. De vrouwenopvang is bij uitstek een voorziening om mensen die zich in een acute gewelddadige thuissituatie bevinden tijdelijk op te vangen. Het is tot slot de taak om mogelijke uitval/terugval vroegtijdig te signaleren (preventie) en om gevonden oplossingen te helpen waarborgen (nazorg)

Zorgmijders Een specifieke groep binnen de maatschappelijke opvang zijn ‘zorgmijders.’ Dit zijn mensen met ernstige psychosociale problemen en/of ernstige verslaving en/of een (licht) verstandelijke beperking die niet om zorg vragen, geen zorg accepteren en zorginstellingen mijden. Naast het voorzien in de eerste

levensbehoeften en in kaart brengen van de problematiek heeft opvang ook als functie om vertrouwen te winnen en op basis van een diagnose de persoon toe te leiden naar passende zorg.

6.3 Onderzoek Het onderzoek voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt uitgevoerd door de Centrale toegang maatschappelijke opvang (CTMO) van de GGD Gelderland-Zuid. Toegang tot de vrouwenopvang wordt onderzocht door Moviera.

Mensen die acuut opvang nodig hebben kunnen zich rechtstreeks melden tot de opvanginstellingen waar de gemeente Nijmegen als centrumgemeente afspraken over opvang mee gemaakt heeft. Een lichte toegangstoets wordt door de zorgaanbieders uitgevoerd.

We werken bij maatschappelijke opvang conform de regels zoals benoemd in ‘model-beleidsregels

landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang voor ingezetenen van Nederland 2019’. De

algemene principes van de Wmo zoals gebruik maken van eigen kracht, het sociale netwerk, voorliggende voorzieningen en het rekening houden met voorzienbare omstandigheden e.d. zijn ook hier van toepassing.

Algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen Binnen de maatschappelijke opvang kan onderscheid worden gemaakt tussen algemene en

maatwerkvoorzieningen. Onder algemene voorzieningen vallen de eerste opvang en bemoeizorg. Onder maatwerkvoorzieningen vallen alle vormen van voltijdopvang, de crisisopvang, vrouwenopvang en

begeleidingstrajecten tijdens (bijv. budgetbeheer) of na opvang (bijv. woonbegeleiding). De algemene voorzieningen in de gemeente zijn in principe toegankelijk voor iedereen met (dreigende) dak- of thuisloosheid die onvoldoende zelfredzaam is De algemene voorzieningen zijn voorliggend op maatwerkvoorzieningen. De criteria zijn opgenomen onder paragraaf 6.4 ‘Toelating'.

Afhankelijk van de voorziening waarin iemand wordt geplaatst wordt een lage (algemene voorziening) of een hoge (maatwerkvoorziening) eigen bijdrage betaald door de inwoner.

6.4 Toelating In het onderzoek wordt eerst beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Die beoordeling vindt plaats op basis van het volgende: -

De persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, of houdt als vreemdeling rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;

Toelichting: In uitzonderlijke situaties wordt ook aan ‘niet-rechthebbenden’ tijdelijk toegang verleend tot de maatschappelijke opvang. Dit geldt ook wanneer het winterprotocol van kracht is. Het gaat om

situaties die mensonterend zijn, of waarbij zonder opvang kinderen (jonger dan 18 jaar) op straat zouden moeten verblijven. Grondslag hiervoor is de werking van de internationale mensenrechtenverdragen, met name artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM); -

De persoon is feitelijk of residentieel dakloos, al dan niet voorafgaand aan opname in

(psychiatrisch) kliniek, of aan detentie of de persoon bevindt zich in een acuut onveilige thuissituatie.

Toelichting: Om vast te kunnen stellen of iemand feitelijk dan wel residentieel dakloos is wordt de woongeschiedenis van de persoon in beeld gebracht met behulp van de zogenoemde

Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM). Met de ZRM kan een toelater een gestandaardiseerde beoordeling geven van de zelfredzaamheid van een persoon. Onder zelfredzaamheid wordt daarbij verstaan: het vermogen

om zich te kunnen redden in de huidige situatie op het gespecificeerde levensdomein. Het betreft daarbij de volgende levensdomeinen: inkomen, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties, geestelijke

gezondheid, fysieke gezondheid, verslaving, Activiteiten Dagelijks Leven (ADL) vaardigheden, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. -

De persoon is beperkt zelfredzaam op meerdere leefgebieden, en

De persoon beschikt niet over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiele dakloosheid op kunnen heffen.

NB: In die situaties waarin acuut maatschappelijke opvang noodzakelijk is, beslist het college onverwijld tot verstrekking van een voorziening maatschappelijke opvang in afwachting van de uitkomst van het

onderzoek en de aanvraag van de inwoner. Indien het college niet onverwijld maatschappelijke opvang kan bieden waar dit wel terstond noodzakelijk is, treft het college maatregelen om onverwijld op een

andere wijze of in een andere gemeente of regio tijdig te voorzien in de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke opvang.

Wanneer een persoon voldoet aan bovenstaande criteria, wordt vervolgens beoordeeld in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de

inwoner. Vervolgens wordt bij de plaatsing altijd voor de lichtst mogelijk oplossing gekozen, passend bij de mogelijkheden van de persoon.

Om te bepalen in welke regio de kans op een succesvol traject voor de persoon het grootst is, wordt gekeken naar de volgende richtinggevende aspecten: 1.

De aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden), maar er kunnen ook

2.

Woonplaatsbeginsel: als eerste wordt gekeken wat de woonplaats was van de persoon voor het

redenen zijn om de persoon juist uit zijn oude sociale netwerk te halen;

ontstaan van dakloosheid. De woonplaats is de gemeente waarvan de persoon ingezetene is of

was volgens de Wet basisregistratie personen (BRP). Kan de woonplaats op grond van de BRP niet worden vastgesteld, wordt de plaats van het werkelijke verblijf van de persoon op het moment

van de melding gehanteerd als ‘woonplaats’. Dit kan ook de plaats zijn waar de persoon eerder gebruikt heeft gemaakt van ondersteuning.

Als kan worden vastgesteld wat de woonplaats was van de inwoner vóór het ontstaan van

dakloosheid, wordt de uitvoering van het onderzoek overgedragen aan deze gemeente van herkomst (of het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe die

gemeente toe behoort). Tot aan het moment van daadwerkelijke overdracht van de inwoner blijft

het college maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft het college andere maatregelen treffen 3. 4.

om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke opvang; Bekendheid bij hulpverlening, zorginstellingen, en/of maatschappelijke opvang-instellingen; De voorkeur van de burger voor een bepaalde gemeente of regio.

Andere gemeente of regio

Wanneer tijdens het onderzoek blijkt dat een traject in de maatschappelijke opvang in een andere

gemeente of regio waarschijnlijk de grootste kans van slagen heeft, betrekt het college deze gemeente bij het onderzoek. Het college maakt met de andere gemeente of regio en de inwoner vervolgens concrete

afspraken over de datum van overdracht, welke aanbieder de inwoner maatschappelijke opvang of andere ondersteuning zal bieden, en hoe het vervoer van de inwoner en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt.

Indien de inwoner weigert mee te werken aan de overdracht, kan het college overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang.

NB: Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke

gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de inwoner, spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen. Indien het college én de andere gemeente of regio niet tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de

Commissie Geschillen Landelijke toegankelijkheid. In afwachting van het oordeel van de commissie blijft het college een voorziening maatschappelijke opvang bieden, dan wel op andere wijze voorzien in de

behoefte van de inwoner aan maatschappelijke opvang. Het college volgt in het geschil het oordeel van de commissie.

Geen toegang

Toegang tot een opvangvoorziening kan worden geweigerd wanneer: a)

Een inwoner zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels (bijv. bij het

b)

Een inwoner onveiligheid en overlast veroorzaakt;

d)

Er sprake is van tegenstellende indicaties waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van

c)

vertoon van geweld en agressief gedrag);

Een inwoner niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;

maatschappelijke ondersteuning voor belanghebbende is (bijv. vanwege ernstige verslaving of acute psychische problematiek, waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek

e) f) g)

noodzakelijk is);

De inwoner zich ernstig misdraagt jegens andere inwoners in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling;

De eigen bijdrage (in geval van maatwerkvoorziening) (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt.

Bij vrouwenopvang geldt daarnaast een weigeringsgrond als er geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.

6.5 Eigen bijdrage Inwoners betalen voor het gebruik van algemene voorzieningen geen inkomensafhankelijke eigen

bijdrage. Voor de algemene voorzieningen kan door de instelling een bijdrage geheven worden die niet hoger is dan de kostprijs (bijv. bijdrage voor maaltijden, beddengoed, douchen, wasmachine).

Voor maatwerkvoorzieningen geldt dat burgers wel een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. De

eigen bijdrage is inkomensafhankelijk. Daarbij dient de burger altijd minimaal de zak- en kleedgeldnorm uit de Participatiewet over te houden.

Ontvang de inwoner een uitkering in het kader van de Participatiewet, dan int de gemeente waar hij/zij in een voorziening verblijft de eigen bijdrage. De eigen bijdragen worden vervolgens door de gemeente aan de instellingen overgemaakt. Heeft de inwoner een andere vorm van inkomsten, wordt de bijdrage voor opvang namens de gemeente geïnd door de instelling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=56fcd790-11ef-456d-87b4-93aa584b1991