CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

81 - Stads en Wijkmonitor 2022 samenvatting en hoofdopgaven

Besluitronde (raadsvergadering) 22 juni 2022, gemeente NijmegenBij agendapunt: Initiatief-raadsvoorstel Coalitieakkoord 2022-2026 (50/2022)19.788 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

23

In 2018 stond Nijmegen achtste in de ranglijst van 50 grootste steden voor de cultuurindex (Atlas voor gemeenten, editie 2018). Hierin is aanbod op het vlak van podiumkunsten, erfgoed, beeldende kunst, letteren en film meegenomen. Vooral op gebied van arthouse films en popmuziek scoort Nijmegen relatief gunstig.

24

3. Economische veerkracht 3.1.

Banen

Forse groei werkgelegenheid sinds 2016 In 2016 waren er 96.800 banen in Nijmegen. Daarna trekt de banengroei over een breed front flink aan. 107.000 105.000 103.000 101.000 99.000 97.000 95.000 2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Figuur 7: Ontwikkeling aantal banen in Nijmegen. Bron: PWE-Gelderland.

In 2021 telt Nijmegen 105.340 banen bij 17.564 vestigingen van bedrijven en instellingen. Dat is een groei van 1.630 banen (+1,6%) en 484 vestigingen (+2,8%) in het laatste jaar. Vergeleken met 2020 (+0,6%) is de banengroei hoger. Het aantal vestigingen van bedrijven en instellingen groeit juist minder hard dan de (forse) groei in eerdere jaren. Die groei had onder meer te maken met de toename van het aantal zzp’ers (van 5.700 in 2009 naar 8.600 in 2019). In 2020 was er voor het eerste sinds jaren sprake van een lichte daling, naar 8.400. In vergelijking met de benchmarksteden is het aantal banen van werknemers in de periode 2016-2020 in Nijmegen relatief sterk toegenomen. In de periode daarvoor (2013-2016) bleef de groei in Nijmegen sterk achter bij die in de benchmarksteden. Sectoraal groeit in Nijmegen de handel de laatste jaren het sterkst, gevolgd door de zorg en het onderwijs. De detailhandel doet het binnen de handel opmerkelijk goed, vooral door groei bij supermarkten en handel die niet in winkels plaatsvindt (waaronder online). Krimp zien we het meest in de horeca. In de detailhandel en horeca verliest de binnenstad circa 600 banen in de laatste twee jaar. De overige stadsdelen laten groei zien.

Toename banen in cluster ‘health’ en in logistiek Health (Life Sciences) en High Tech zijn in het coalitieakkoord 2018-2022 benoemd als sterke clusters, die Nijmegen en omgeving onderscheidend vermogen geven. De banenontwikkeling in deze clusters is als volgt:  Health/Life Sciences: een stijging van 9.980 banen in 2013 naar circa 11.160 in 2021 (+12%). Dit is inclusief UMC St Radboud. Kijken we naar de banenontwikkeling binnen de gezondheidszorg in volle breedte, dan is het aantal banen gestegen van circa 29.650 in 2016 naar circa 31.890 in 2021 (+7,5%).  High Tech Systems & Materials: een daling van circa 6.430 banen in 2013 naar circa 5.950 in 2015 en daarna een stijging naar circa 6.600 in 2018. De laatste jaren is dit aantal redelijk stabiel. NXP is de grootste werkgever binnen deze sector.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

25

Ook is in het coalitieakkoord een aantal kansrijke economische sectoren benoemd: logistiek, circulaire economie en energietransitie en vrijetijdseconomie. De banenontwikkeling in deze sectoren is als volgt:  Het aantal banen in de logistiek nam af van 2.620 in 2014 tot 2.170 in 2017 en steeg daarna naar circa 2.960 in 2021.  Het aantal banen in environmental goods and services (duurzaamheid) nam af van 1.230 in 2013 tot 1.010 in 2017 en steeg daarna naar circa 1.100 in 2020 en 2021. Het gaat vooral om recycling.  In 2019 vinden 7.390 mensen werk in toerisme en recreatie (vrijetijdseconomie). Het aantal banen in de horeca groeide in de periode 2013-2019 flink naar 5.480 (+26%). In 2020 en 2021 zien we een forse afname van het aantal banen in de horeca ten gevolge van de coronacrisis (-930). Lage werkloosheid De werkloosheid in Nijmegen daalde vanaf 2013 en lag in 2019 op 4%. Dat was nog lager dan het lage niveau in 2008 (4,7%), waarna de economische crisis begon. In 2020 zien we een lichte toename, naar 4,6%. Het werkloosheidspercentage voor Nijmegen voor 2021 is nog niet beschikbaar, maar gezien de daling van het aantal WW-uitkeringen en toegenomen uitstroom uit de bijstand naar werk in 2021 kunnen we uitgaan van een daling. De ontwikkeling van de werkloosheid in Nijmegen volgt het gemiddelde beeld voor de benchmarksteden.

In Nederland lag de werkloosheid in 2020 wat lager (3,8%) dan in de benchmarksteden (gemiddeld 4,7%). 10,0 9,0 8,0 7,0 6,0 5,0 4,0

Nijmegen gemiddelde benchmarksteden Nederland

3,0 2,0 1,0 0,0

2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

Figuur 8: Ontwikkeling werkloosheidspercentage voor Nijmegen, de benchmarksteden (gemiddeld) en Nederland. Bron: CBS.

In Nijmegen is 45% van de 15- tot 75-jarigen hoog opgeleid. Het gemiddelde voor de benchmarksteden ligt lager (38%). Onder hoogopgeleiden in Nijmegen is het aandeel werklozen (ruim 2% in 2020) een stuk lager dan onder laagopgeleiden (10,5%). Dit verschil is de afgelopen jaren niet veel veranderd. Het cijfer voor jeugdwerkloosheid ligt meestal ruim boven het algemene werkloosheidscijfer. In 2020 lag de werkloosheid onder 15- tot 25-jarigen in Nijmegen op 10% (versus 7 à 8% in de twee jaar daarvoor).

26

Stedenvergelijking: meer banen binnen redelijke afstand van stad, veel pendel Door de sectorale specialisatie in onderwijs en gezondheidszorg telt Nijmegen naar verhouding veel banen in de niet-commerciële diensten (50% van de banen, tegen gemiddeld 43% voor de benchmarksteden; alleen in Leiden hoger dan in Nijmegen). De industrie is veel kleiner (9% van de banen), maar vergeleken met andere kennissteden wel dichtbij het gemiddelde (10%). Eindhoven, Enschede en Tilburg kennen meer industriële werkgelegenheid. Het aandeel banen in de commerciële diensten is in Nijmegen relatief laag (40% versus 47% gemiddeld voor de benchmarksteden; alleen in Leiden lager dan in Nijmegen). Nijmegen telt in 2021 circa 105.300 banen. Daarmee overtreft het aantal banen de omvang van de lokale beroepsbevolking van de stad (100.000). Het aantal banen per 1.000 15-65jarigen ligt in Nijmegen (837 in 2020) lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (890). Daarbij moet wel bedacht worden dat Nijmegen wat beter dan de benchmarksteden scoort als het gaat om de bereikbaarheid van banen (alleen Arnhem scoort op dit punt duidelijk gunstiger). Voor Nijmegenaren zijn er dus relatief veel banen binnen een redelijke afstand van de stad. Veel Nijmegenaren werken buiten Nijmegen (circa 45.200 in 2020; 52% van de Nijmeegse werknemers).

Dat doen ze vooral in gemeenten wat verder van Nijmegen en niet vaak in de gemeenten rond de stad (16% van de uitgaande pendel). Omgekeerd wordt circa zes op de tien banen van werknemers in Nijmegen vervuld door mensen die niet in Nijmegen wonen. Het gaat in 2020 om circa 60.800 personen. Onder hen vooral veel mensen die in de gemeenten direct rond Nijmegen wonen (een derde van de inkomende pendel), maar ook veel die in de rest van Gelderland of Noord-Brabant wonen. De binnenkomende pendel (60.800) is dus groter dan de uitgaande pendel (42.200). Nijmegen is de werkstad binnen de eigen regio, evenals een hooggewaardeerde woonstad die als uitvalsbasis naar werk elders in Nederland dient.

3.2.

Ondernemersklimaat

Herstel ondernemersvertrouwen Bij het meten van het ondernemersvertrouwen wordt gekeken naar het saldo van het percentage positieve en negatieve verwachtingen over het economisch klimaat in de komende drie maanden. Door de coronapandemie daalde het ondernemersvertrouwen in de regio Arnhem-Nijmegen in het tweede kwartaal van 2020 naar een historisch laag niveau. Daarna herstelt het ondernemersvertrouwen zich veel scherper dan bij de kredietcrisis van 2008. In het tweede en derde kwartaal van 2021 herstelt het vertrouwen zeer sterk en in het vierde kwartaal veranderd het weinig; het aandeel ondernemers met positieve verwachtingen voor het komende kwartaal is 15 procentpunten hoger dan het aandeel ondernemers die er negatief tegenaan kijken. Waardering voor ondernemersklimaat gestegen De waardering van ondernemers voor het ondernemersklimaat ligt in 2021 op 6,8. Dat is iets hoger dan bij de voorgaande metingen (6,6 bij de vorige meting 2018; vanaf 2010 tussen de 6,5 en 6,7).  De hoogst beoordeelde aspecten van het ondernemersklimaat zijn de nabijheid van kennisinstellingen (7,8), het culturele en evenementenaanbod (7,6), het woon- en leefklimaat (7,4) en het imago van Nijmegen (7,3).

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

27

 

De laagst beoordeelde aspecten van het ondernemersklimaat zijn de lokale lasten (5,7), het aanbod van vestigingsplaatsen (6,1) en de gemeentelijke regelgeving (6,2). Voor vier aspecten is het rapportcijfer in vergelijking met 2018 met 0,3 gestegen: de bereikbaarheid van de stad (van 6,1 naar 6,4), de ondernemersnetwerken (van 6,7 naar 7,0), de gemeentelijke regelgeving (van 5,9 naar 6,2) en de digitale dienstverlening (van 6,3 naar 6,6). Voor het aanbod van vestigingsplaatsen is het rapportcijfer met 0,4 gedaald (van 6,5 naar 6,1).

Het rapportcijfer voor de directe bedrijfsomgeving schommelt sinds 2008 tussen de 6,9 en 7,1 (7,0 in 2021).  De hoogst beoordeelde aspecten van de directe bedrijfsomgeving zijn de bereikbaarheid per fiets (8,2), de huisvesting (7,8) en de bereikbaarheid per openbaar vervoer (7,5).  De laagst beoordeelde aspecten zijn het parkmanagement/de winkeliersvereniging (6,3) en de bereikbaarheid voor vrachtverkeer (6,4). De rapportcijfers hiervoor zijn ten opzichte van 2018 wel licht gestegen.  In vergelijking met 2018 is het rapportcijfer voor de bereikbaarheid van de bedrijfslocatie per auto het meest gestegen (van 6,7 naar 7,0). Voor geen enkel aspect van de directe bedrijfsomgeving is het rapportcijfer gedaald. Krapte op bedrijfsruimtemarkt, weinig direct beschikbaar aanbod op bedrijventerreinen  Op de bedrijfsruimtemarkt is er door de groeiende vraag vanaf 2015 krapte ontstaan.  Na een lange periode van weinig vraag op de bedrijventerreinenmarkt, trekt deze in 2016 weer aan. Daarna neemt het direct uitgeefbaar aanbod op bedrijventerreinen geleidelijk af. Begin 2022 is het direct beschikbare aanbod vrijwel op.  Na 2015 daalt het aanbod aan kantoorruimte, omdat een deel wordt omgezet naar andere functies (bijvoorbeeld wonen, sloop en studentenhuisvesting). In de economische topjaren 2017 en 2018 neemt de vraag toe.

Daardoor ontstaat er een tamelijk krappe markt, met name in de centrale delen van de stad. In 2020 neemt de vraag af en het aanbod toe en wordt de krapte op de kantorenmarkt minder. Wel is het percentage leegstaand kantooroppervlak in Nijmegen in 2021 volgens de Landelijke Monitor Leegstand van het CBS nog steeds laag (2,4%).  De binnenstad heeft sinds 2006 ongeveer 20 à 25% van de winkels en het winkelvloeroppervlak verloren aan andere functies en is geleidelijk veranderd van hoofdzakelijk aankoopplaats naar meer een ontmoetingsplaats. Binnen dat krimpende winkelvloeroppervlak vertoont het leegstandspercentage in het eerste coronajaar 2020 geen stijging, maar een daling. In 2021 zien we een nagenoeg gelijkblijvend leegstaand winkeloppervlak in de binnenstad. De 6,1% begin januari 2022 is laag in vergelijking met het gemiddelde voor de benchmarksteden (11,9%).

28

4. Sociale stad 4.1.

Inleiding

Verschillende soorten hulp en ondersteuning De gemeente biedt bewoners met ondersteuningsvragen en problemen op allerlei manieren hulp, onder meer via:  Stips (voor Nijmegenaren met informatie- en adviesvragen);  Buurtteams Volwassenen (voor iedereen tussen de 18 en 65 jaar, zonder thuiswonende kinderen, die ondersteuning nodig heeft of problemen ervaart in het dagelijks leven; de teams bieden in de buurt basishulp én toegang tot aanvullende zorg);  Buurtteams Jeugd en Gezin (bieden basiszorg en toegang tot aanvullende zorg voor personen in gezinnen met inwonend kinderen onder de 18);  algemene voorzieningen en preventieve hulpverlening;  allerlei maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo en jeugdhulp (afgestemd op de persoonlijke situatie);  Regieteams (voor de aanpak van huishoudens met meervoudige problemen, die deels overlast veroorzaken);  het Veiligheidshuis (voor hulpverlening op basis van een combinatie van zorg en strafrecht/dwang in gevallen van complexe problematiek);  diverse regelingen voor inkomensondersteuning. In dit gedeelte van de Stads- en Wijkmonitor staat een beknopte beschrijving van de stand van zaken met betrekking tot deze hulp en ondersteuning, plus een samenvattend beeld van de gezondheid en het welzijn van de Nijmegenaren.

4.2.

Gezondheid en welzijn

Onderzoek naar gezondheid en leefstijl De GGD verricht vierjaarlijks onderzoek naar de gezondheid en leefstijl van kinderen, middelbare scholieren en volwassenen. De laatste metingen over de Nijmeegse jeugd zijn in 2017 (Kindermonitor) en 2019 (Gezondheidsmonitor Jeugd) verricht. De laatste meting onder de Nijmeegse volwassenen vond in 2020 plaats. Verder zijn in de tweejaarlijkse Burgerpeiling (onderzoek onder bewoners vanaf 16 jaar) vragen over gezondheid en welzijn opgenomen (laatste meting in 2021). In dit gedeelte van de Stads- en Wijkmonitor is op basis van deze onderzoeken een samenvattend beeld geschetst van de gezondheid en het welzijn van Nijmegenaren. Veel kinderen goed gezond, maar ook diverse aandachtspunten Monitoronderzoek over Nijmeegse kinderen tot 12 jaar (Kindermonitor, laatste meting in 2017) laat zien dat 97% van de ouders de gezondheid van hun kind als goed bestempelt en dat 59% hun kind meestal weerbaar vindt. Bij 7% van de kinderen is er een verhoogd risico op psychosociale problemen, bij 83% is dat niet het geval; de overige 10% zit in het grensgebied. Positieve ontwikkelingen t.o.v.

2013 zijn:  een lichte afname van de groep met een verhoogd risico op psychosociale problemen;  ouders zijn strenger op toekomstig alcoholgebruik;  meer kinderen hebben een gezonde start (moeder rookte niet en dronk geen alcohol tijdens de zwangerschap);  thuis wordt er minder gerookt waar het kind bij is;

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

29

meer ouders geven aan dat ze de buurt kindvriendelijk vinden.

Negatieve ontwikkelingen t.o.v. 2013 zijn:  meer kinderen hebben last van een ingrijpende gebeurtenis in hun leven;  minder ouders vinden hun kind meestal weerbaar;  minder ouders krijgen hulp van familie/bekenden bij het opvoeden van de kinderen. Aandachtspunten zijn verder:  9% van de kinderen beweegt weinig (is matig actief of inactief);  bij 16% van de 4- tot 12-jarigen is sprake van overgewicht (volgens de JGZ);  (faal)angst en onzekerheid zijn belangrijke punten van zorg van ouders met een kind op de basisschool. Meeste jongeren gezond en gelukkig, maar ook aandachtspunten Monitoronderzoek onder middelbare scholieren (Gezondheidsmonitor Jeugd, 2019) laat zien dat 85% zich goed gezond voelt en eveneens 85% zich meestal gelukkig voelt. Circa de helft voldoet niet aan de norm gezond bewegen (minimaal 5 dagen per week minstens 1 uur). Vijftien procent heeft overgewicht. Bij 12% van de middelbare scholieren is er sprake van een verhoogd risico op psychosociale problemen (11% in 2015). Ruim veertig procent (44%) voelt zich vaak gestrest en 47% ervaart vaak prestatiedruk. De meest genoemde aanleidingen voor stress zijn ‘school of huiswerk’ of ‘alles wat ik moet doen (school, huiswerk, sociale media, bijbaantje, sporten etc.)’. Minder vaak genoemde aanleidingen zijn ‘situatie thuis’ en ‘eigen problemen’.

Jongeren, die vaak stress ervaren door thuis of eigen problemen, voelen zich veel minder gelukkig en minder gezond dan gemiddeld. Enkele positieve trends zijn:  een afname van alcoholgebruik en roken (wel een toename van het gebruik van esigaretten);  aan afname van het risico op problematisch gamen en op problematisch gebruik van sociale media; Na de start van de coronapandemie nam de door de politie geregistreerde jeugdoverlast flink toe. Hierbij aansluitend gaven in 2021 meer Nijmegenaren aan vaak jeugdoverlast te ervaren (13% versus 10% in 2019). Het aantal verwijzingen naar bureau Halt is in Nijmegen lager (9 per 1.000 inwoners van 12 t/m 17) dan gemiddeld in de benchmarksteden (16 per 1.000 inwoners van 12 t/m 17 jaar). Het percentage Nijmeegse jongeren (12 t/m 21 jaar) dat met een delict voor de rechter is verschenen, is in de jaren 2015 t/m 2020 stabiel en gelijk aan het gemiddelde voor de benchmarksteden (1% in 2020). En dat geldt ook voor het percentage 12-22-jarigen met een jeugdreclasseringsmaatregel, om te voorkomen dat ze opnieuw de fout ingaan (0,5% in 2020). Het percentage voortijdige schoolverlaters (stoppen met school zonder startkwalificatie; een startkwalificatie betekent minimaal een opleiding havo/vwo of mbo2-niveau) lag in 2020/2021 op 2,1%, net als in het schooljaar daarvoor. In de benchmarksteden ligt dit percentage gemiddeld iets hoger (2,5%).

30

Ruim driekwart van de volwassenen voelt zich goed gezond Het percentage Nijmegenaren dat in de Burgerpeiling aangeeft zich goed tot zeer goed gezond te voelen is nauwelijks veranderd: 78% in 2021 versus 77% in 2019. En ook het gemiddelde rapportcijfer dat men geeft voor hoe gelukkig men zich voelt is gelijk gebleven (7,6). Een ruime meerderheid (86%) geeft een 7 of hoger. In de Gezondheidsmonitor volwassenen 2020 (GGD, RIVM, CBS) geeft 20% aan door de coronapandemie meer depressieve gevoelens te hebben (en 3% minder). Het aandeel met een matig risico op een angststoornis of depressie is gestegen van 46% in 2016 naar 50% in 2020. Het aandeel met een hoog risico hierop is gelijk gebleven (8%). In de Gezondheidsmonitor volwassenen 2020 (GGD, RIVM, CBS) geeft 27% aan zich door de coronapandemie meer eenzaam te voelen (en 3% minder). En 66% geeft aan minder sociale contacten te hebben (3% meer). Het aandeel, dat matig eenzaam is, gestegen is van 31% in 2016 naar 37% in 2020. Het aandeel ernstig eenzamen is wat gedaald, van 12% in 2016 naar 9% in 2020. Eenzaamheid komt meer voor bij laag en middelbaar opgeleiden (15 respectievelijk 12%) dan bij hoog opgeleiden (6%). De 9% ernstig eenzaam is lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (12%).

In de Burgerpeiling geeft 70% van de Nijmegenaren aan voldoende contacten te hebben met andere mensen; 18% is tevreden over de beschikbare contacten maar zou er wel meer willen en 12% geeft aan over onvoldoende contacten te beschikken. Bij eerdere metingen gaf een hoger percentage aan voldoende contacten te hebben (76% in 2017 en 72% in 2019). Mensen met een migrantenachtergrond geven relatief vaak aan dat ze te weinig contacten hebben (22%). De verschillen naar leeftijdscategorie zijn op dit punt niet groot. De Gezondheidsmonitor volwassenen laat een afname van het roken en overmatig alcoholgebruik zien. In 2021 geeft ruim negentig procent van de Nijmegenaren aan goed voor zichzelf te kunnen zorgen, net als in 2019. Onder de 75-plussers is dit percentage lager (83%). En dat geldt ook voor de personen met een lagere sociaaleconomische status (85%). Een deel van de mensen, die niet goed voor zichzelf kunnen zorgen, zal niet in staat zijn om aan een bevolkingsonderzoek deel te nemen. In werkelijkheid zal het aandeel dat niet voor zichzelf kan zorgen dus hoger liggen. Het percentage, dat in de Burgerpeiling aangeeft wekelijks aan sport te doen, is gestegen van 65% in 2019 naar 69% in 2021. Deze stijging heeft vooral te maken met een toename van het aandeel dat ongeorganiseerd sport (wandelen, fietsen, wielrennen/mountainbiken).

En in tegenstelling tot de landelijke trend is het percentage Nijmegenaren dat lid is van bij sportbonden aangesloten verenigingen de laatste jaren licht toegenomen. Tegelijk zijn er aanwijzingen dat veel mensen door de coronapandemie minder zijn gaan sporten. Bij de Gezondheidsmonitor volwassenen 2020 (GGD, RIVM en CBS), die najaar 2020 is verricht, geeft 40% aan dat men door de coronapandemie minder is gaan sporten en 16% meer. Het aandeel volwassen Nijmegenaren, dat aan de beweegrichtlijn voldoet, is gedaald van 59% in 2016 naar 55% in 2020 (personen vanaf 18 jaar dienen minstens 2,5 uur per week matig intensieve inspanning te verrichten verspreid over diverse dagen, zoals wandelen en fietsen, en minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten te verrichten). De Gezondheidsmonitor 2020 werd najaar 2020 gehouden in een periode van een opkomende tweede golf van coronabesmettingen en meet met een andere vraagstelling een lager percentage wekelijkse sporters (59%) dan de Burgerpeiling 2021 (69%), die is verricht in een periode met relatief lichte

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

31

coronamaatregelen. Die 59% gemeten via de Gezondheidsmonitor is hoger dan gemiddeld in de benchmarksteden (54%). Het aandeel Nijmegenaren met ernstig overgewicht is licht gestegen van 10% in 2016 naar 11% in 2020 (versus 14% gemiddeld voor de benchmarksteden). Jongvolwassenen geven in de Gezondheidsmonitor volwassenen 2020 relatief het vaakst aan dat er sprake is van verslechteringen op het gebied van welbevinden en leefstijl door de coronapandemie. Veel meldingen van overlast door verwarde personen In de periode 2013-2016 nam het aantal meldingen bij de politie van overlast door verwarde personen flink toe, van ruim 700 in 2013 naar bijna 1.300 in 2016. In 2018 en 2019 lag het aantal op circa 1.200. In 2020 zien we weer een duidelijke toename tot ruim 1.600 meldingen. En ook in 2021 waren er ruim 1.600 meldingen. Achter de meldingen gaan verschillende soorten problematiek schuil (onder meer psychische stoornissen, dementie, relatieproblemen en verstandelijke beperkingen). Mogelijk speelt de coronacrisis een rol bij de forse toename vanaf 2020.

Flinke verschillen naar sociaaleconomische status Gegevens uit de Burgerpeiling laten zien dat personen met een lagere sociaaleconomische status zich minder vaak goed gezond en zelfredzaam voelen, een lager rapportcijfer geven voor hoe gelukkig ze zich voelen, vaker afhankelijk zijn van mantelzorg en vaker tot een huishouden behoren in een slechte financiële positie. Ook de sport- en cultuurdeelname en de vrijwillige inzet voor organisaties is lager bij deze groep. Een relatief groot deel van de personen met een lagere sociaaleconomische status zet zich als mantelzorger in.

32

1% 7% 9%

financiële situatie van huishouden is slecht

86%

financiële situatie van huishouden is goed

57% 45% 79% 68%

sport wekelijks 50% 30% 25%

lid van een sportvereniging 13%

34% 29%

sport bij een sportschool 12%

19% 18% 9%

sport met een informele sportgroep

68% 60%

sport ongeorganiseerd, alleen of met z'n tweeën

46% 41% 36% 26%

maakt gebruik van bibliotheek

83% 73%

bezoekt culturele podia in de stad

46% 52%

bezoekt regelmatig culturele voorstellingen

40%

hoger

18%

midden

51% 49%

in vrije tijd bezig met kunstzinnige activiteiten

lager

36% 12% 11% 7%

neemt in vrije tijd deel aan kunsteducatie zet zich in vrije tijd in voor organisaties

27% 24% 19%

zet zich in vrije tijd in voor anderen

16% 20% 20%

zet zich in als mantelzorger

11% 14% 21% 35% 30% 29%

zet zich in vrije tijd in voor woonbuurt

73% 66% 70%

geeft aan voldoende contacten te hebben

88% 78%

voelt zich goed gezond 58%

91% 83% 80%

geeft rapportcijfer 7 of hoger voor hoe gelukkig men zich voelt

96% 92% 85%

geeft aan goed voor zichzelf te kunnen zorgen 1% 2% 9%

ontvangt mantelzorg 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Figuur 9: Diverse uitkomsten Burgerpeiling naar sociaaleconomische status. Bron: Burgerpeiling 2021, O&S.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

33

4.3.

Zorg en ondersteuning

Aantal cliënten jeugdhulp niet veel veranderd Over heel 2021 gemeten waren er 4.603 personen die het hele jaar of een deel van het jaar gebruikgemaakt hebben van maatwerkvoorzieningen binnen de jeugdhulp (ruim 15% van alle Nijmegenaren onder de 18 jaar). Ook in 2019 en 2020 lag dit aantal in de buurt van de 4.600. Van de 4.603 jeugdhulpcliënten in 2021 hebben er bijna 4.500 een vorm van ambulante hulp gehad: jeugdhulp zonder verblijf. Ook in 2019 en 2020 ontvingen circa 4.500 personen jeugdhulp zonder verblijf. In een deel van de gevallen is verblijf buiten het eigen gezin noodzakelijk voor de behandeling of voor het veilig opgroeien van kinderen (plaatsing in een pleeggezin, gezinshuis of behandelgroep). Het aantal cliënten jeugdhulp met verblijf is licht afgenomen, van 539 in 2018 naar 503 in 2021. Een meerderheid van deze laatste groep krijgt ook ambulante hulp. Het percentage 0- t/m 17-jarigen met jeugdhulp is relatief hoog in de stadsdelen Dukenburg, Lindenholt, Nijmegen-Zuid en Oud- en Nieuw-West en relatief laag in de stadsdelen Nijmegen-Oost, Midden en Noord. De uitkomsten van cliëntervaringsonderzoek jeugdhulp 2020 laten zien dat het gemiddelde rapportcijfer voor het regelen van ondersteuning gestegen is. Ouders/verzorgers van jeugdhulpcliënten tot 15 jaar geven een 7,3 (versus 7,0 in 2019) en jeugdhulpcliënten vanaf 15 jaar een 7,5 (versus 7,1 in 2019).

Net als in voorgaande jaren wordt het laagst gescoord op de snelheid waarmee men is geholpen. Ouders/verzorgers van cliënten onder de 15 geven wat vaker dan in 2019 aan dat ze de hulp krijgen die hun kind nodig heeft (79% in 2020 tegen 72% in 2019). Aan de ouders/verzorgers van cliënten onder de 15 is gevraagd of de zorg is ontvangen zoals afgesproken: 80% geeft aan dat dit het geval is; 3% geeft aan dat minder hulp wordt verleend dan is afgesproken. Het rapportcijfer voor de kwaliteit van de ondersteuning is gestegen. Ouders/verzorgers van jeugdhulpcliënten tot 15 jaar geven een 7,7 (versus 7,4 in 2019) en ook jeugdhulpcliënten vanaf 15 jaar geven een 7,7 (versus 7,3 in 2019). Het meest genoemde verbeterpunt is het verminderen van de tijd tussen het stellen van de diagnose en het van start gaan van de hulp. Toename aantal cliënten Wmo Het totaalaantal cliënten voor maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo (exclusief beschermd wonen) nam toe van circa 11.170 over heel 2017 tot 12.800 over heel 2021 (+14,6%). Het aantal cliënten voor hulpmiddelen (rolstoelen, vervoer en woonvoorzieningen) is het grootst (6.280 in 2021), gevolgd door het aantal cliënten huishoudelijke hulp (5.959 in 2021). Daarna volgen de cliëntenaantallen voor ondersteuning (ambulante begeleiding, dagbesteding: 3.767) en verblijf (24uursopvang, crisisopvang: 706).

Het totaal van de vier onderscheiden zorgsoorten is hoger dan de eerdergenoemde 12.800, omdat een aanzienlijke groep van meerdere soorten voorzieningen gebruikmaakt. Bij de groei van het aantal Wmo-cliënten zijn de vergrijzing en het beleid gericht op zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen belangrijke factoren. Van begin 2017 tot eind 2022 nam het aantal inwoners van 65 jaar en ouder met bijna 3.400 toe, terwijl de totale bevolking

34

met bijna 5.500 toenam. Ongeveer de helft van de Wmo-voorzieningen wordt afgenomen door 65-plussers. Het gaat daarbij vooral om huishoudelijke hulp en hulpmiddelen en minder om begeleiding en dagbesteding. Bij de personen tot 65 jaar gaat het juist vaak om begeleiding en dagbesteding. In mindere mate nemen zij ook hulpmiddelen en huishoudelijke hulp af. Nijmegen heeft voor beschermd wonen een regiofunctie, wat betekent dat Nijmegen het beschermd wonen ook voor cliënten uit de regio verzorgt. Het aantal cliënten is gedaald van 1.366 in 2020 naar 1.109 in 2021 (607 uit Nijmegen en 502 uit de regio). Die afname komt door het overhevelen van een deel van de cliënten beschermd wonen naar de wet langdurige zorg. De uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek Wmo 2020 laten zien dat het gemiddelde rapportcijfer voor het regelen van de ondersteuning gestegen is naar 7,4 (versus 7,2 in 2019). Het laagst wordt gescoord op de bekendheid waar men met de hulpvraag terecht kan en de snelheid waarmee men geholpen wordt (67% respectievelijk 63% positief tot zeer positief). Dit beeld is vergelijkbaar met voorgaande jaren. Ook het rapportcijfer voor de kwaliteit van de ondersteuning is gestegen: van 7,5 in 2019 naar 7,7 in 2020. Voor de meeste soorten hulp geldt dat 80% tot 89% van de cliënten tevreden is en 4% tot 13% ontevreden.

Hulp in de vorm van een woningaanpassing/woonvoorziening valt in negatieve zin op; hierover is 75% tevreden en 17% ontevreden. Ook bij dagbesteding en beschermd wonen blijft de tevredenheid wat achter. Sterke toename aantal 70-plussers Vanaf de 75 jaar neemt de vraag naar zorg duidelijk toe. Uit de statistieken blijkt dat een relatief groot deel van de 75-plussers gebruikmaakt van de Wmo. In de Burgerpeiling 2021 geeft 6% van de 75-plussers aan niet goed voor zichzelf te kunnen zorgen, versus 2% van de 65-74-jarigen en 1,6% van alle volwassen Nijmegenaren. Verder geeft een 22% van de 75plussers aan zich matig of slecht gezond te voelen, versus 12% van de 65-74-jarigen en 8% van alle volwassen Nijmegenaren. En 16% van de 75-plussers geeft aan mantelzorg te ontvangen, versus 4% van de 65-74-jarigen en 3% van alle volwassen Nijmegenaren. Hierbij moet bedacht worden dat zelfstandig wonende ouderen met veel gezondheidsklachten deels niet aan bevolkingsonderzoek zullen deelnemen en dat ouderen in tehuizen niet in de steekproef voor het bevolkingsonderzoek zitten. Het verschil tussen de 75-plussers en de leeftijdsgroepen daaronder is dus nog groter dan het bevolkingsonderzoek laat zien. Onze bevolkingsprognose laat een flinke groei van het inwonertal zien (192.000 tot 199.000 in 2035). De voorspelde groei is het grootst in de oudere leeftijdsklassen (70-plussers).

Dit betekent dat de zorgvraag in Nijmegen de komende jaren flink zal toenemen. Aantal aanmeldingen bij sociale wijkteams stabiel De afgelopen jaren vormden de sociale wijkteams in de stadsdelen de belangrijkste lokale toegangspoort voor ondersteuning en zorg. De werkzaamheden van de teams bestonden met name uit het oppakken van zorgvragen van mensen in de vorm van kortdurende ondersteuning en het regelen van aanvullende voorzieningen/hulp bij zorgaanbieders. In 2020 is besloten om elk sociaal wijkteam te gaan splitsen in een Buurtteam Jeugd en Gezin en een Buurtteam Volwassen. Die teams bieden basiszorg. Bij maatwerk - zorg die het basisteam niet kan leveren - wordt een zorgaanbieder met expertise ingezet. De

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

35

Buurtteams Jeugd en Gezin zijn per 1 juli 2020 van start gegaan en de Buurtteams Volwassenen per 1 januari 2022. Najaar 2021 geeft 27% van de Nijmegenaren (16+) aan dat men op de hoogte is van het bestaan van de enkele maanden daarvoor gestarte Buurtteams Jeugd en Gezin. En 42% geeft aan op de hoogte te zijn van de al langer bestaande sociale wijkteams. Het aantal aanmeldingen bij de sociale wijkteams lag in de jaren 2017 t/m 2020 op circa 10.000 per jaar. In 2020 werden die aanmeldingen door ruim 7.700 inwoners gedaan (van wie een deel meerdere aanmeldingen deed). Veel cliënten hebben zich in de periode 20152020 vaker gemeld. Ongeveer 23.900 personen hebben zich in die periode 1 of meer keer gemeld. In Hatert is het aandeel bewoners dat zich in de periode 2015-2020 1 of meer keer gemeld heeft het hoogst (23%), gevolgd door Dukenburg (19%). In Centrum (8%) en Noord (7%) is dit aandeel het laagst. In 2021 daalde het aantal aanmeldingen naar 8.400 (door ruim 6.600 inwoners). Dit heeft te maken met het van start gaan in juli 2021 van de Buurtteams Jeugd en Gezin. Begin 2022 hebben we nog geen volledig zicht op het aantal aanmeldingen bij die teams. De laatste jaren (tot 2020) is circa driekwart van de Wmo-cliënten, die voor hun hulpvraag contact met het sociaal wijkteam hebben gehad, is tevreden over dat contact.

Over het contact over jeugdhulp met het sociaal wijkteam was een lager percentage tevreden (63% in 2020 versus 57% in 2019 en 70% in 2018). Bekendheid met en tevredenheid over Stips stabiel Nijmegenaren die met informatie- en adviesvragen zitten - bijvoorbeeld over inkomen, formulieren, activiteiten in de wijk, zorg en opvoeding - kunnen bij een van de in totaal 10 Stips terecht. De bekendheid van de Stips is de laatste jaren niet veranderd en het percentage Nijmegenaren dat er naar eigen zeggen in de voorgaande twee jaar gebruik van maakte is iets gedaald.  In 2021 is 23% van de Nijmegenaren redelijk of goed op de hoogte van het bestaan en de functie van de Stips; 24% heeft er wel van gehoord, maar weet er verder weinig vanaf. Meer dan de helft (53%) is er helemaal niet mee bekend. In vergelijking met 2019 is de bekendheid van de Stips ongeveer gelijk gebleven.  In 2021 weet 28% waar het Stip voor de buurt waar men woont gevestigd is, net als in 2019.  In 2021 geeft 7% van de Nijmegenaren aan dat men in de afgelopen twee jaar contact met een Stip heeft gehad (4,5% één keer en 2,6% twee keer of vaker). In 2019 was dat 8%. Het aantal geregistreerde bezoeken aan de Stips nam toe tot 23.000 in 2019. De coronapademie zorgde voor een forse daling naar 14.000 bezoeken in 2020.

 70% van de bezoekers is tevreden over de informatie of het advies van de medewerkers van de Stips, 8% is er ontevreden over. Ten opzichte van 2019 is de tevredenheid gelijk gebleven.  Onder personen met een lagere sociaaleconomische status is het percentrage dat gebruikgemaakt heeft van de Stips groter (17%) dan onder de personen met een gemiddelde (6%) en hogere (3%) sociaaleconomische status. Hulpverlening op basis van drang of onder dwang Voor de aanpak van huishoudens met meervoudige problemen, waarvan een deel overlast veroorzaakt, functioneren er op stadsdeelniveau multidisciplinaire regieteams. Daaraan nemen, behalve de gemeenten en zorginstellingen, ook corporaties en de politie deel. De

36

hulpverlening is op basis van drang en heeft vaak een structureel karakter. In 2021 waren er 361 casussen in behandeling. Het Veiligheidshuis biedt hulpverlening op basis van een combinatie van zorg en strafrecht (dwang) in gevallen van complexe problematiek, die bijna altijd een structureel karakter heeft. In 2020 waren er 268 Nijmeegse casussen in behandeling. Forse stapeling gebruik regelingen bij 4,5% huishoudens Voor de gemeentelijke regelingen binnen het sociaal domein (zorg, werk, inkomen en jeugd) hebben we zicht op de overlap in het gebruik. Van de zelfstandig wonende huishoudens in Nijmegen maakt in 2020 30% gebruik van 1 of meer regelingen, net als in 2019. Een relatief klein aandeel van de huishoudens neemt een groot deel van het gebruik van die regelingen in beslag; 35% van alle cliëntrelaties met de gemeente voor de regelingen is te herleiden tot 5% van de huishoudens. In 2021 geldt voor 4,5% van de huishoudens (circa 3.400 huishoudens) dat ze gebruikmaken van minstens 5 regelingen, net als in 2020. Het veel gebruikmaken van regelingen komt naar verhouding meer voor bij eenoudergezinnen (16%) en huishoudens met een niet-westerse achtergrond (13 tot 20%, afhankelijk van het herkomstland). Ook komt het meer voor in vier wijken in Dukenburg (Meijhorst, Aldenhof, Zwanenveld, Lankforst) en in de wijken Hatert en Nije Veld (7,5 tot 11%).

4.4.

Inzet voor anderen

Ruim de helft zet zich in vrije tijd in voor anderen en de samenleving Bewoners spelen een belangrijke rol bij het hulp en ondersteuning bieden aan personen en organisaties. Dat blijkt uit de antwoorden op de vragen in de Burgerpeiling over de vrijwillige inzet voor anderen en de samenleving. In de periode 2015-2021 zien we geen grote veranderingen met betrekking tot die inzet. 14% 14% 13% 14%

geeft dagelijks of wekelijks mantelzorg

2021

18% 19% 19% 17%

geeft hulp aan personen buiten het eigen huishouden zet zich als vrijwilliger in voor een organisatie

24% 26% 26% 26%

zet zich in voor de buurt

25% 23% 23% 22%

2019 2017 2015

54% 54% 55% 52%

zet zich in voor één of meer van deze zaken 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

Figuur 10: Vrijwillige inzet van Nijmegenaren voor anderen en de samenleving. Bron: Burgerpeiling.

14% van de Nijmegenaren geeft dagelijks of wekelijks mantelzorg (uit de Gezondheidsmonitor volwassenen 2020 van de GGD blijkt dat ongeveer een zesde van de mantelzorgers te maken heeft met enige of zware overbelasting);

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

37

18% geeft maandelijks of vaker hulp aan personen buiten het eigen huishouden (oppassen op kinderen; hulp vanwege problemen; hulp bij de administratie of praktische zaken);  24% zet zich maandelijks of vaker in als vrijwilliger voor een organisatie;  25% zet zich op minstens een van de volgende manieren in voor de buurt: organiseren feesten/activiteiten, schoonhouden van buurt, groenonderhoud in buurt en buurtproblemen/verbeterpunten onder de aandacht brengen (als we ook de hulp aan buurtbewoners en de vrijwillige inzet voor buurtorganisaties meerekenen komen we op 32%). Ruim de helft van de Nijmegenaren (54%) zet zich op 1 of meer van de genoemde manieren in. Verschillen tussen stadsdelen voor verbondenheid met buurt De score voor de sociale kwaliteit in de buurt op basis van de Burgerpeiling laat zien in hoeverre Nijmegenaren zich verbonden voelen met hun buurt en buurtgenoten. De gemiddelde score ligt op 5,8 en is sinds 2015 niet veranderd. Wel zijn er aanzienlijke verschillen tussen de stadsdelen. Net als bij voorgaande metingen scoren Nijmegen-Noord (6,5) en Nijmegen-Oost (6,4) het hoogst en scoort Nijmegen-Centrum het laagst (4,9). Ook Dukenburg en Lindenholt (5,5) en Nijmegen-Zuid en Nijmegen-Nieuw-West (5,6) scoren beneden het gemiddelde. Onderdeel van het sociale klimaat in de buurt is de omgang tussen mensen met een verschillende herkomst.

Van de Nijmegenaren, die aangeven dat ze in een gemengde buurt wonen, vindt 45% dat buurtbewoners met verschillende achtergronden (heel) goed met elkaar samenleven; 9% vindt dat ze (heel) slecht met elkaar samenleven (32% ‘neutraal’ en 14% ‘weet niet’). Ten opzichte van 2019 zijn deze percentages weinig veranderd. Naarmate de leeftijd toeneemt, daalt het aandeel dat vindt dat de verschillende groepen goed met elkaar samenleven (van 52% bij de 16-34-jarigen naar 30% bij de 75-plussers).

4.5.

Inkomenssituatie

Percentage huishoudens met armoederisico gedaald Het CBS berekent bij hoeveel huishoudens er risico op armoede is: het percentage huishoudens onder de lage-inkomensgrens. In 2020 lag die lage-inkomensgrens voor een alleenstaande op netto 1.100 euro per maand. Voor een paar was dat 1.550 euro, en met twee minderjarige kinderen 2.110 euro. In de periode 2015-2019 lag het percentage Nijmeegse huishoudens onder de lage-inkomensgrens rond de 12%. In 2020 is dit gedaald naar 10,3% (= circa 8.400 huishoudens). Ook het percentage huishoudens dat minstens 4 jaar onder de lage inkomensgrens zit is iets gedaald (5,2% in 2020 = circa 3.700 huishoudens). In drie benchmarksteden is het aandeel huishoudens onder de lageinkomensgrens wat groter dan in Nijmegen (Groningen, Arnhem en Enschede), en in vier benchmarksteden wat kleiner (Eindhoven, Tilburg, Leiden en Maastricht). Studentenhuishoudens en huishoudens, die slechts een deel van het jaar inkomen hadden, zijn buiten beschouwing gelaten.

38

14,0% 12,0% 10,0% 8,0% 6,0%

13,0%

12,4%

12,2%

12,1%

12,1%

11,6% 10,3%

4,0% 2,0%

4,5%

5,2%

5,6%

5,5%

5,6%

5,7%

5,2%

0,0% 2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

% huishoudens onder lage-inkomensgrens % huishoudens langdurig onder lage-inkomensgrens

Figuur 11: Percentage huishoudens (langdurig) onder de lage-inkomensgrens. Bron: CBS.

Ook via de Burgerpeiling meten we een afname van huishoudens in een slechte financiële situatie. In 2015 gaf 8% van de zelfstandige huishoudens aan dat de financiële situatie van het huishouden slecht was, in 2017 6% en in 2019 en 2021 5%. De groep, die in 2021 aangeeft dat de financiële situatie in de voorgaande twee jaar verbeterd is (30%), is groter dan de groep voor wie verslechtering is opgetreden (14%). Binnen het Nijmeegse armoedebeleid is de grens "130% van het sociaal minimum" belangrijk, waarbij het sociaal minimum min of meer gelijk staat aan een bijstandsuitkering. In 2020 vallen in Nijmegen 17.700 huishoudens onder deze grens (21,9% van de huishoudens, exclusief studenten). Het aandeel onder de 130% grens is het grootst onder eenoudergezinnen en alleenstaanden (ongeveer een derde) en in Hatert, Nije Veld en enkele wijken in Dukenburg (meer dan 30%). Bij de 17.700 huishoudens in Nijmegen die een inkomen onder de 130% van het sociaal minimum hebben gaat het vooral om huishoudens die leven van een uitkering, met name bijstands- en AOW-uitkeringen. Maar in 20% van de gevallen, zo'n 3.600 huishoudens, is werk de voornaamste inkomensbron. Volgens de CBS-cijfers (eind 2020) heeft 7% van de Nijmeegse huishoudens een geregistreerde schuld. Dat is lager dan in de meeste benchmarksteden.

In zowel Nijmegen als de benchmarksteden is het aandeel huishoudens met geregistreerde schulden de laatste vier jaar afgenomen. Enquêteonderzoek van het Nibud geeft de (landelijke) indicatie dat 15-20% van de huishoudens lichte of ernstige betalingsproblemen hebben. Wanneer huishoudens niet in staat zijn hun eigen financiële zaken te regelen, kan de rechter beschermingsbewind instellen. De laatste jaren was een redelijk stabiel aantal van tussen de 2000 en 2.100 huishoudens vanwege problematische schulden onder bewind geplaatst. Daarbij gaat het vooral om alleenstaanden en eenoudergezinnen. Het gemeentelijke bureau schuldhulpverlening richt zich vooral op meer zelfredzame huishoudens met regelbare schulden, met als doel die schulden af te gaan betalen. Het aantal aanmeldingen bij dit bureau loopt al een aantal jaar terug. Van ongeveer 450 in 2018 naar minder dan 300 in 2020. Ook het aantal schuldregelingen loopt terug. Deels kan dit samenhangen met de komst van de Financieel Expert, een project van gemeente, Sterker en Bindkracht10 om vanuit de Stips laagdrempelig (financieel) advies te geven.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

39

Daling aantal bijstandsuitkeringen vanaf mei 2021 Vanaf halverwege 2017 nam het aantal mensen met een bijstandsuitkering af tot circa 7.000 begin 2020. Na de start van de coronapandemie steeg het aantal uitkeringen tot ongeveer 7.400, maar deze stijging hield niet lang aan. Sinds mei 2021 daalt het aantal bijstandsuitkeringen tot ongeveer 6.900 begin 2022. De laatste maanden van 2021 is er veel uitstroom en tegelijkertijd een relatief lage instroom. De belangrijkste reden voor uitstroom is het vinden van werk, gevolgd door het verhuizen naar een andere gemeente of het buitenland. In 2021 stroomden er meer mensen uit de bijstand uit naar werk (861) dan in 2020 (610). Een deel van die uitkeringen gaat naar een grote, vaste kern: ruim de helft van de uitkeringen loopt al langer dan 5 jaar, twee derde langer dan 3 jaar. Het aantal WW-uitkeringen steeg in de eerste maanden van de coronacrisis sterk tot 3.100. Van juli tot november 2020 was er weer sprake van een daling. Zowel de stijging als de daling kwam hoofdzakelijk voor rekening van de groep tot 27 jaar, die vaak niet meer dan drie maanden recht op een WW-uitkering hebben. Vanaf het tweede kwartaal van 2021 daalt het aantal lopende WW-uitkeringen sterk in alle leeftijdsgroepen tot circa 2.000 in totaal.

Delen van de economie, die met beperkingen door de coronamaatregelen te maken hadden, openden zich weer met in sommige sectoren krapte aan werknemers. 16% van huishoudens maakt gebruik van inkomensondersteunende maatregelen Voor huishoudens met een laag inkomen zijn er diverse gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning, onder meer individuele inkomenstoeslag, bijzondere bijstand, Meedoenregeling, Kinderfonds, Collectieve Aanvullende Ziektekostenverzekering en de busvoordeelpas. Van alle zelfstandige wonende huishoudens in Nijmegen maakte in 2021 zo'n 16% gebruik van een of meer van deze regelingen. Dit percentage is de laatste jaren tamelijk stabiel. Bijna de helft van de gebruikers van deze regelingen had een bijstandsuitkering, een kwart leeft van OAW/pensioen en ook ruim een kwart van inkomsten uit arbeid of een andere uitkering dan bijstand. Het Nibud heeft in 2019 berekend in hoeverre minimahuishoudens in Nijmegen, wanneer zij gebruik maken van de bestaande gemeentelijke en landelijke inkomensregelingen, voldoende budget hebben om van te leven. Daaruit bleek dat voor alle voorbeeldhuishoudens het totale inkomen voldoende was voor het vervullen van de basisbehoeften (noodzakelijke uitgaven).

4.6.

Onderwijs

Steeds meer peuters met VVE-indicatie Sinds 2014 wordt op het consultatiebureau gekeken of kinderen een taal- en/of ontwikkelingsrisico lopen. Zo'n risico kan in kenmerken van de ouders liggen (bijv. een laag opleidingsniveau of psychische problemen) maar ook in het kind zelf (bijv. omdat de spraakontwikkeling achterblijft). Is dat het geval, dan krijgt zo'n kind een indicatie voor- of vroegschoolse-educatie (VVE), waarmee het in aanmerking komt voor een gesubsidieerde plaats op een peutergroep. Alle peutergroepen in Nijmegen bieden een speciaal VVEprogramma aan. Ook sommige kinderdagverblijven hebben zo'n programma.

40

Het aandeel 2-3 jarigen, dat van de GGD een VVE-indicatie heeft gekregen, is tussen 2017 en 2021 gestegen van 18 naar 22%. Het aandeel peuters met een VVE-indicatie is relatief hoog in Dukenburg, Lindenholt, Hatert en Neerbosch-Oost. Concentratie van kinderen met hoog risico op onderwijsachterstanden Het CBS bepaalt per kind en school in welke mate er sprake is van risico op onderwijsachterstand en baseert zich daarbij op het opleidingsniveau van de ouders, het herkomstland van de moeder, de verblijfsduur van de moeder in Nederland en deelname aan de schuldsanering. In Nijmegen behoren 11 van de ruim 40 basisscholen tot de 15% van de Nederlandse basisscholen met de meeste leerlingen met risico op onderwijsachterstanden. Sterke concentraties van kinderen met een hoog risico op onderwijsachterstanden zijn er vooral in Nije Veld, Hatert, Neerbosch-Oost en Dukenburg. Op basisscholen met relatief veel leerlingen met een achterstandsrisico krijgen relatief weinig leerlingen een schooladvies op minstens havo-niveau (25 tot 30%). Op basisscholen met relatief weinig achterstandsleerlingen krijgt tussen de 60 en 80% een advies op minstens havo-niveau.

Achterstanden door corona Uit de eerste landelijke voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Onderwijs blijkt dat leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs door de coronapandemie achterstanden hebben opgelopen; op basisscholen het meest bij rekenen en op middelbare scholen in de onderbouw vooral bij rekenen en Nederlandse leesvaardigheid. Verder maken schoolleiders zich zorgen over het welbevinden van leerlingen en hun motivatie. We hebben geen lokale cijfers hierover. Relatief veel Nijmeegse kinderen tot 12 jaar gaan naar speciaal onderwijs Van de Nijmeegse kinderen bezoeken er ruim 1.200 speciaal basisonderwijs (sbo; voor leerlingen waarbij leer- en opvoedingsmoeilijkheden spelen) of speciaal onderwijs (so; voor leerlingen met een handicap of zeer ernstige leer- of gedragsproblemen). Ongeveer 850 kinderen tot 12 gaan naar sbo of so. Bijna 400 kinderen ouder dan 12 gaan naar het (voortgezet) speciaal onderwijs (vso). Vergeleken met Nederland en de benchmarksteden gaan relatief veel Nijmeegse kinderen tot 12 jaar naar het sbo en so. Opvallend is dat het bezoek aan het sbo in Nijmegen de laatste jaren sterker gestegen is dan in Nederland als geheel. Bij het bezoek aan het vso zijn de verschillen tussen Nijmegen en Nederland klein.

Waarschijnlijk draagt de aanwezigheid van het Flex-college - geen speciaal onderwijs, maar wel een bijzondere voorzieningen voor leerlingen die uit dreigen te vallen op het voortgezet onderwijs - bij aan een lagere deelname aan het vso. Raming: 10% laaggeletterd Laaggeletterdheid houdt in dat men in meer of mindere mate moeite heeft met het begrijpen van geschreven informatie (bijvoorbeeld gebruiksaanwijzingen, aanvraagformulieren of brochures). Vooral mensen die geen opleiding hebben of alleen de basisschool hebben afgemaakt, personen met een migrantenachtergrond (eerste generatie) en ouderen zijn relatief vaak laaggeletterd. Op basis van landelijk onderzoek gecombineerd met registratiedata van het CBS kan het aandeel laaggeletterden per gemeente geraamd worden. Daaruit blijkt dat onder de Nijmeegse bevolking het aandeel laaggeletterden iets lager is dan het landelijk gemiddelde, omdat de Nijmeegse bevolking

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

41

relatief gezien veel jonge en hoogopgeleide mensen bevat. Naar schatting is in Nijmegen ongeveer 10% van de 16 tot 65-jarigen, rond de 12.000 personen, laaggeletterd. In de benchmarksteden loopt dit percentage sterk uiteen, van 7 of 8% in Eindhoven en Arnhem tot 13% in Tilburg en Maastricht en 24% in Enschede.

42

1. Duurzame stad 1.1.

Energieverbruik en duurzame energie

Daling energieverbruik Een toenemend aantal Nijmegenaren is zich ervan bewust hoeveel elektriciteit en gas er in het huishouden verbruikt worden (in 2021 66% van de stadspanelleden, versus 50% in 2017 en 46% in 2013). Het maandbedrag voor elektriciteit en gas is bij een groter deel bekend (81% van de stadspanelleden). Het gemiddelde elektriciteitsverbruik per woning is in 2020 licht gestegen (2.440 kWh), na een jarenlange daling (was 2.900 in 2009). Het elektriciteitsverbruik per woning ligt in Nijmegen lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (2.490 kWh per woning). Bij de daling van het elektriciteitsverbruik per woning moet wel bedacht worden dat het aantal woningen in Nijmegen is toegenomen, waardoor er in totaliteit geen daling van het stroomverbruik door particulieren is. Het totale stroomverbruik bij zakelijke verbruikers is in de periode 2008-2020 wel afgenomen. Het gemiddeld gasverbruik per woning, gecorrigeerd voor de buitentemperatuur, is al jaren aan het dalen, het ene jaar sneller dan het andere. In 2020 is het 1.150 m3, net als in 2019 (was 1.540 in 2009). Het gasverbruik per woning in Nijmegen kruipt langzaam naar het gemiddelde voor de benchmarksteden (1.130 m3 per woning). De vergelijking wordt vertekend door verschillen in het percentage woningen dat niet op gas, maar op stadsverwarming aangesloten is.

Het gemiddeld gasverbruik voor woningen is het laagst in de steden, waar relatief veel woningen op stadsverwarming aangesloten zijn. In vier benchmarksteden is het percentage woningen op stadsverwarming groter dan in Nijmegen (27,7% in Tilburg, 21,2% in Leiden, 14,3% in Enschede, 9,7% in Arnhem en 8,2% in Nijmegen). Het aantal woningen aangesloten op stadsverwarming is gestegen van circa 2.700 in 2011 naar bijna 6.700 woningen in 2020. Voor de energetische kwaliteit van de woningen scoort Nijmegen iets gunstiger dan de benchmarksteden. In 2020 heeft 46% van de woningen in Nijmegen, die voorzien zijn van een energielabel, minimaal energielabel B (was 20% in 2013), versus gemiddeld 42% voor de benchmarksteden. Niet alleen bij particulieren, maar ook bij de zakelijke verbruikers is het totale gasverbruik afgenomen. De afname van het totale gasverbruik in de periode 2008-2020 komt voor driekwart op het conto van het zakelijke verbruik. Van de utiliteitsgebouwen in Nijmegen (gebouwen die geen woonbestemming hebben) met een energielabel heeft in 2020 52% label A of B. Dat percentage is lager dan het gemiddelde voor de benchmarksteden (57%). Het totale energieverbruik binnen onze gemeente is de periode 2008-2020 met 19,9% gedaald. Toename duurzame energie De meeste Nijmegenaren (negen van de tien stadspanelleden in 2021) vinden de toepassing van duurzame energie belangrijk.

Zo nodig mag dit voor een (toenemend) deel van de Nijmegenaren wat meer kosten (52% in 2021). Toepassing van zonnepanelen (elektriciteit), zonneboilers (warm water), wind (elektriciteit) of warmtepompen (ruimteverwarming) wordt zinvol geacht, maar deze technieken zijn nog niet zoveel in gebruik. Vier van de tien Stadspanelleden is in principe voorstander van plaatsing van

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

43

windmolens binnen onze gemeente. Er is een steeds grotere groep die daar nadere voorwaarden aan stelt. Over het algemeen hebben Nijmegenaren liever dat windmolens buiten hun directe woonomgeving worden geplaatst, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen of aan de rand van de stad. Het aantal huishoudens met zonnepanelen op het dak groeit snel. Het aantal woningen met een zonnestroominstallatie is gestegen van ruim 400 in 2011 naar 11.950 in 2020. Het percentage woningen met een zonnestroominstallatie is in Nijmegen hoger (14,5%) dan gemiddeld in de benchmarksteden (12%). Ook het aantal bedrijven met een zonnestroominstallatie is fors gestegen, van 131 in 2015 naar 541 in 2020 (versus gemiddeld 780 in de benchmarksteden). Het totale vermogen van de installaties op bedrijven is een stuk lager dan gemiddeld in de benchmarksteden. Naast de zonnestroom, zijn de vier grote windturbines langs de A15 en de goed voor ruim 10 megawatt windvermogen. En in 2022 gaat de stroomopwekking door twee windturbines bij de sluis in Weurt van start. Het percentage hernieuwbare energie - ook wel duurzame of groene energie genoemd - is in Nijmegen toegenomen van circa 2% in 2016 naar 4,2% in 2019 (versus 5,9% gemiddeld in de benchmarksteden). Een actueler percentage is voorjaar 2022 nog niet beschikbaar.

1.2.

Omgaan met grondstoffen

Percentage gescheiden ingezameld huishoudelijk afval relatief hoog De gemiddelde hoeveelheid afval per inwoner is in 2020 wat gestegen (van 390,5 kg in 2019 naar 404 in 2020) en is lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (432 kg). Veel afvalmateriaal kan opnieuw worden gebruikt. Het percentage gescheiden ingezameld huishoudelijk afval is in Nijmegen hoog. In 2020 ligt het op 70,4% van het ingezamelde en gebrachte afval. Van de benchmarksteden scoort alleen Maastricht nog iets hoger (71,3%). Als we de nascheiding van niet gescheiden aangeleverd afval meerekenen, komt het percentage gescheiden ingezameld huishoudelijk afval op 73% uit. De laatste jaren (20162020) is dit percentage tamelijk stabiel. De hoeveelheid huishoudelijk restafval bedraagt in Nijmegen 119 kg per inwoner, versus gemiddeld 186 voor de benchmarksteden. Kijken we alleen naar het fijn huishoudelijk restafval dan zijn dit de aantallen: 91 kg per inwoner in Nijmegen versus gemiddeld 155 in de benchmarksteden. Aan de Stadspanelleden is najaar 2020 gevraagd of ze het huishoudelijk afval nog beter zouden kunnen scheiden; 20% van de panelleden denkt het huishoudelijk afval (veel) beter te kunnen scheiden. Nog eens 26% denkt dat iets beter te kunnen. Ruim de helft geeft aan alles al maximaal te scheiden.

De panelleden noemen allerlei ideeën voor meer service op de gescheiden afvalinzameling, waaronder meer soorten afvalstromen aan huis ophalen, de ophaalfrequentie verhogen en meer containers in de wijken. Ook denkt men dat meer voorlichting kan helpen. Er is bijvoorbeeld de nodige onduidelijkheid over wat er wel en niet thuishoort in de zakken voor plastic verpakkingsmateriaal/blik/pak.

1.3.

Duurzame mobiliteit

Bereikbaarheid met fiets hoog gewaardeerd In onze monitoronderzoeken vragen we aan Nijmegenaren, bezoekers van de binnenstad en ondernemers naar waarderingsscores voor de bereikbaarheid van locaties binnen de stad (waaronder bedrijfslocaties en het stadscentrum). De bereikbaarheid met de fiets

44

wordt hoger gewaardeerd (8,0 - 8,2) dan de bereikbaarheid met het openbaar vervoer (7,1 7,7) en de auto (5,9 - 7,0). De waardering van Nijmegenaren voor de bereikbaarheid met de fiets steeg van 7,6 in 2011 naar 8,1 in 2017. In 2021 ligt deze nog steeds op 8,1. Verbetering aan de fietspaden is bij de laatste Burgerpeilingmetingen (2017, 2019, 2021) relatief vaak genoemd als een reden voor vooruitgang van de stad. Eind 2013 ging de gratis, bewaakte fietsenstalling onder Plein ’44 open. De waardering voor de fietsstallingsmogelijkheden in het centrum is daarna fors gestegen van 6,1 in 2012 naar een ruime 7 in 2018 en 2020. Vanaf 2015 is het aandeel in Nijmegen werkende Nijmegenaren, dat met de fiets naar het werk gaat, vrij stabiel (67%). Op plek twee staat ‘met de auto’ (20%). De fiets is ook veruit het meest gebruikte vervoermiddel om naar de binnenstad te gaan. Zo gebruikt overdag rond de 70% meestal de fiets en ’s avonds ruim driekwart. Op plek twee, drie en vier staan ‘te voet’, ‘met de auto’ en ‘met het openbaar vervoer’. Het percentage Nijmegenaren dat tevreden is over het onderhoud van fietspaden in de stad is gestegen van 60% in 2013 naar 70% in 2017. Ook in 2021 is 70% tevreden. Over het onderhoud van de wegen voor het autoverkeer is ruim de helft tevreden (53%).

Daarbij aansluitend gaan meldingen van Nijmegenaren over de openbare ruimte vaker over wegen voor het autoverkeer dan over fietspaden (en het vaakst over voetpaden). Verschillen tussen stadsdelen voor tevredenheid over openbaar vervoer Het percentage van de in Nijmegen werkende Nijmegenaren, dat met het openbaar vervoer naar het werk gaat, is niet hoog (4% in 2021). Het percentage Nijmegenaren dat met het openbaar vervoer naar de binnenstad gaat is hoger (17% doordeweeks overdag, 12-15% in het weekend overdag en 14% ’s avonds). Een ruime meerderheid van de Nijmegenaren is tevreden over het openbaar vervoer in de buurt (76% tevreden, 5% ontevreden). In Nijmegen-Noord en Lindenholt is het percentage tevredenen het laagst (67%).

1.4.

Leefmilieu

Geluidsoverlast komt meer voor dan stankoverlast In 2021 geeft 17% van de huishoudens aan vaak geluidsoverlast in de buurt te ervaren, en 5% vaak stankoverlast. Deze percentages zijn iets hoger dan in 2019. De meest genoemde oorzaak voor de geluidsoverlast is ‘buren of buurtgenoten’, gevolgd door wegverkeer, bromfietsen/motoren en groepen jongeren op straat. In NijmegenCentrum geven relatief veel bewoners aan ‘vaak’ geluidsoverlast te ervaren (39%). De meeste genoemde oorzaken van stankoverlast is ‘gft-containers/afvalbakken’, gevolgd door barbecue/open vuren, wegverkeer, open haarden en honden- en kattenuitwerpselen en de riolering. In Nijmegen-Nieuw-West geven relatief veel huishoudens aan vaak stankoverlast te ervaren (15%), vooral in Hees (25%). De meeste genoemde oorzaken daarbij zijn wegverkeer, asfaltcentrale APN, gft-containers of afvalbakken, het aangrenzende industrieterrein en barbecues of open vuren. Warmte-overlast toegenomen In dichtbebouwde buurten met weinig groen worden beduidend hogere temperaturen gemeten dan in het omliggende landelijke gebied. Een deel van de Nijmegenaren ervaart in de woning serieuze warmte-overlast. In 2021 geeft 28% van de Nijmegenaren aan regelmatig of vaak warmte-overlast in de woning te ondervinden, versus 19% in 2017.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

45

Deze overlast komt het meest voor in Nijmegen-Centrum en het minst in Nijmegen-Noord en Lindenholt. Personen in bovenwoningen en etagewoningen geven meer dan gemiddeld aan dat ze frequent warmte-overlast in de woning ondervinden. De mate waarin warmte-overlast ervaren wordt, hangt onder meer samen met de mate waarin de openbare ruimte en het private gebied verhard zijn. In Nijmegen-Centrum is het percentage oppervlak dat verhard of bebouwd is het grootst. Tevredenheid over groen in woonbuurt licht afgenomen In 2021 geeft 66% van de Nijmegenaren aan tevreden te zijn over het groen in de woonbuurt (versus 68% in 2019 en 71% in 2017). In Nijmegen-Oud-West is dit percentage lager (50% in 2021), net als bij de voorgaande metingen. Dit stadsdeel staat bovenaan voor het aandeel dat vindt dat er te weinig groen in de buurt is (23% versus 10% gemiddeld), gevolgd door Nijmegen-Centrum (19%). Nijmegen-Oud-West staat ook bovenaan voor het aandeel dat ontevreden is over het groenonderhoud in de buurt (17% versus 11% gemiddeld). Het percentage Nijmegenaren dat ontevreden is over hoeveelheid groen in de buurt is gestegen van 6% in 2017 naar 10% in 2021. Ook het percentage Nijmegenaren dat ontevreden is over het groenonderhoud in de woonbuurt is lichte gestegen, van 9% in 2019 naar 11% in 2021.

Het percentage dat tevreden is over het onderhoud van plantsoenen en parken in de buurt is in Nijmegen wat hoger (73%) dan gemiddeld in de benchmarksteden (70%). Bezoekers van het stadscentrum waarderen het groen in de binnenstad in 2020 met een 6,3. Dat is vergelijkbaar met de scores in 2016 en 2018, maar hoger dan in 2012 (5,6). Bij de vraag aan bezoekers naar aanpakprioriteiten voor de gemeente met betrekking tot de binnenstad is “meer groen” het meest genoemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=0427e8bc-2e52-4e87-a457-51dfec7d9bb8