2. Nota Bodembeheer
Tekst van het document
Bij overschrijding van de interventiewaarde in dat vak, wordt het vak als geval van ernstige bodemverontreiniging beschouwd. Na sanering moet de kwaliteit van de grond hetzelfde zijn als die geëist wordt bij het toepassen van grond. Dat is bij het gebruik van een locatie als tuin de Maximale Waarde voor Wonen. Wanneer een locatie in gebruik is als speelplaats/volkstuin is de norm de Achtergrondwaarde. Bij de andere gebruiksvormen blijft de norm voor het afperken van een verontreiniging met lood de LMW.
Kwaliteit leeflaag bij functiegerichte bodemsanering Bij een functiegerichte sanering wordt de verontreiniging niet (in zijn geheel) verwijderd, maar kan de sanering bestaan uit het aanbrengen van bijvoorbeeld een leeflaag. De beleidsnota Bodem 2012 en het Besluit Uniforme Saneringen (categorie immobiel) stellen eisen aan de kwaliteit van de leeflaag. Welke kwaliteitseis geldt is afhankelijk of de grond afkomstig is vanuit het geval/de BUS26
Bodemsanering (Wet bodembescherming)
locatie (paragraaf 5.4.1) of dat de toe te passen grond van binnen of buiten Nijmegen afkomstig is (paragraaf 5.4.2). 5.4.1 Keuze 11: Kwaliteit leeflaag bij herschikken
Kwaliteit leeflaag met grond afkomstig van binnen het geval / de BUS-locatie De kwaliteit van de leeflaag (omgerekend naar een standaard bodem) dient te voldoen aan de gehaltes in tabel 8 voor de betreffende bodemfunctie op de saneringslocatie (tenzij in een besluit op een saneringsplan anders is besloten) als de grond die gebruikt wordt voor de leeflaag is vrijgekomen binnen het geval of de BUS-locatie. De waarden voor traject 1 gelden voor een leeflaag ín of óp bodemtraject 1. In bodemtraject 2 dient de leeflaag schoon te zijn. Het bodemgebruik ter plaatse van de saneringslocatie bepaalt de bodemfunctie. Om de vertaling van bodemgebruik naar bodemfunctie te maken, dient gebruik te worden gemaakt van tabel 9. De saneerder moet zich realiseren dat als op een industrieterrein de daarbij geaccepteerde kwaliteit wordt toegepast er bij een eventuele wijziging naar een gevoeliger functie alsnog een betere leeflaagkwaliteit nodig is. Uitzondering voor lood Een uitzondering vormt de kwaliteit voor lood in de deelgebieden ‘tot 1900’ en ‘1900-1945’. In deze deelgebieden moet de kwaliteit van de leeflaag in of op bodemtraject 1 voor de gevoelige functies tuin en speelplaats of volkstuin voldoen aan respectievelijk de maximale waarden voor wonen of de Achtergrondwaarde voor lood.
27
Bodemsanering (Wet bodembescherming)
Tabel 8: Kwaliteit leeflaag geldend voor (gevals)grond van de saneringslocatie voor “Niet in te delen in een bodemfunctie-klasse” en de bodemfunctieklasse Wonen en Industrie (in mg/kg ds, standaard bodem). Niet in te delen in een bodemfunctie klasse Zie traject 1 in tabel 4 Bodemfunctie wonen Stofnaam Tot 1900 1900-1945 Cadmium 1,2 Koper 88 Kwik 0,83 Lood 465/210$ Nikkel 70 Zink 399 Barium 550 Kobalt 35 Molybdeen 88 PAK 6,8 PCB 0,04 DDT 0,2 DDE 0,13 DDD 0,84 Drins 0,04 PFOA% 1,9 PFAS 1,4 (overig)% Asbest^ 100 Overige ≤ W@ stoffen Bodemfunctie Industrie Traject 2 Tot 1900 Stofnaam Cadmium Koper Kwik Lood Nikkel Zink Barium Kobalt Molybdeen PAK PCB DDT DDE DDD drins PFOA% PFAS (overig)% Asbest^ Overige stoffen
1,2 114 0,86 405/210$ 70 576 550 35 88 16 0,04 0,2 0,13 0,84 0,04 1,9 1,4
1945-1965
Na 1965
Waalsprong
1,2 64 0,83 208 70 299 550 35 88 6,8 0,04 0,2 0,13 0,84 0,04 1,9 1,4
1,2 54 0,83 210 70 212 550 35 88 6,8 0,04 0,2 0,13 0,84 0,04 1,9 1,4
1,2 54 0,83 210 70 244 550 35 88 6,8 0,04 1,7 2,3 0,84 0,04 1,9 1,4
Waalsprong kassen & 1,2 61 0,83 210 70 244 550 35 88 6,8 0,04 1,7 2,3 0,84 2 1,9 1,4
Waalsprong ophoging 1,2 61 0,83 210 70 244 550 35 88 6,8 0,04 1,7 2,3 0,84 2 1,9 1,4
100 ≤ W@
100 ≤ W@
100 ≤ W@
100 ≤ W@
100 ≤ W@
100 ≤ W@
1900-1945
1945-1965
Na 1965
Waalsprong
Waal sprong kassen &
Waal sprong ophoging
4,3 190 4,8 530 100 720 920 190 88 40 0,5 1 1,3 34 0,14 1,9 1,4
4,3 190 4,8 530 100 720 920 190 88 40 0,5 1 1,3 34 0,14 1,9 1,4
4,3 190 4,8 530 100 720 920 190 88 40 0,5 1 1,3 34 0,14 1,9 1,4
4,3 190 4,8 530 100 720 920 190 88 40 0,5 1 1,3 34 0,14 1,9 1,4
4,3 190 4,8 530 100 720 920 190 88 40 0,5 1,7 2,3 34 0,14 1,9 1,4
4,3 190 4,8 530 100 720 920 190 88 40 0,5 1,7 2,3 34 2 1,9 1,4
4,3 190 4,8 530 100 720 920 190 88 40 0,5 1,7 2,3 34 2 1,9 1,4
100 ≤ I@
100 ≤ I@
100 ≤ I@
100 ≤ I@
100 ≤ I@
100 ≤ I@
100 ≤ I@
Gehalte ligt boven de generieke maximale waarde van de betreffende bodemfunctie W= I= @: %: &: $: ^
generieke maximale waarden wonen generieke maximale waarden industrie Zie voor de generieke maximale waarden voor wonen en industrie bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit Voor PFOA en PFAS (overig) wordt de kwaliteit weergegeven in ug/kg d.s. (PFAS (overig) betreft de overige stoffen die zijn opgenomen in de advieslijst voor PFAS versie 12 juli 2019) zie paragraaf 6.1 voor de opmerking over de exacte grenzen van het deelgebied Waalsprong-kassen. in traject 1 in de deelgebieden ‘tot 1900’en ‘1900-1945’ geldt voor tuinen de lage norm. Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest)
28
Bodemsanering (Wet bodembescherming)
Tabel 9: Relatie bodemfunctie, bodemfunctieklassen en functiebenaming in bestemmingsplannen
5.4.2
Kwaliteit leeflaag met aanvoer grond elders Zodra grond van elders op een saneringslocatie wordt toegepast, zijn de kwaliteitsregels van het Besluit Bodemkwaliteit van kracht. De kwaliteit van de leeflaag dient te voldoen aan de lokale maximale waarden uit tabel 5 voor grond afkomstig uit het beheergebied Nijmegen en de toepassingseis in tabel 6 voor grond afkomstig buiten het beheergebied Nijmegen.
29
Technisch gedeelte
30
Bodemkwaliteitskaarten
6
Bodemkwaliteitskaarten De bodemkwaliteitskaarten zijn opgesteld volgens de “Richtlijn bodemkwaliteitskaarten” en de eisen opgenomen in bijlage M van de Regeling Bodemkwaliteit. In dit hoofdstuk wordt de totstandkoming van deze kaarten beschreven.
Horizontale indeling (homogene deelgebieden) Keuze 12: Grenzen deelgebie den
Bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaarten in 1998 is Nijmegen ingedeeld in homogene deelgebieden. De indeling in homogene deelgebieden is gemaakt op basis van gegevens over de bewoningsgeschiedenis en ontwikkeling van het gebied. Diffuse verontreinigingen in stedelijke gebieden vertonen over het algemeen een duidelijk verband met de bewoningsgeschiedenis: hoe langer een gebied in gebruik is geweest, hoe meer diffuse verontreiniging. Verder is rekening gehouden met de bodemsoort. De informatie over de ontwikkeling van Nijmegen is onder andere afkomstig van stadskaarten die de uitbreidingsgeschiedenis van Nijmegen nauwkeurig weergeven. Opvallend is dat de uitbreiding van Nijmegen schoksgewijs is verlopen. In bepaalde periodes zijn grote wijken als een schil aan de stad toegevoegd. Rekening houdend met deze schoksgewijze uitbreiding en de leefgewoontes in bepaalde periodes kunnen we Nijmegen in 5 deelgebieden verdelen. Wanneer we de bodemsoort bij de indeling betrekken, blijkt dat de eerste indeling op basis van de uitbreidingsgeschiedenis niet verandert. Integendeel, de bodemsoort bekrachtigt juist de eerdere indeling op basis van ouderdom. Bij de actualisatie van de nota in 2010 is er één deelgebied toegevoegd, namelijk deelgebied “Waalsprong-kassen” vanwege de drins-problematiek.
Het deelgebied “Waalsprong ophoging” is in 2012 toegevoegd om hergebruik van met bestrijdingsmiddelen verontreinigde grond mogelijk te maken. Deze homogene deelgebieden zijn het uitgangspunt bij de voorliggende actualisatie van de bodemkwaliteitskaart. De grenzen van de 7 homogene deelgebieden zijn in bijlage 1 gepresenteerd. Een beschrijving van deze deelgebieden volgt hieronder. Deelgebied 1: Tot 1900 Het eerste homogene deelgebied beslaat het oude centrum van Nijmegen binnen de voormalige stadsomwalling; het deel van de stad dat al ver voor 1900 bestond. In dit oude stadscentrum hebben de bewoners sinds de Romeinse tijd op een betrekkelijk klein oppervlak geleefd. Vanwege deze eeuwenlange bewoning is in de loop der tijd de bodem diffuus verontreinigd geraakt: in de middeleeuwen zijn huizen keer op keer afgebrand of gesloopt, de kleine nijverheid en de burgers gooiden hun afval en ook hun uitwerpselen op de straat of over de omwalling. Ook door slechting van de omwalling is de grond verontreinigd geraakt door opvullingen van (droge) grachten rondom de omwalling. Meer recentelijk, in de Tweede Wereld Oorlog, zijn door verwoestingen van bebouwing uit die tijd grote hoeveelheden puin in de grond terecht gekomen. De bodem in dit deelgebied bestaat voornamelijk uit fijn tot grof zand met grindbijmengingen. Het gebied ligt in de smeltwatervlakte aan de voet van de stuwwal.
Deelgebied 2: 1900-1945 In het einde van de 19e eeuw zijn de wallen rondom Nijmegen geslecht. Nijmegen kreeg hierdoor de hoog benodigde ruimte voor woningbouw en industrie. Ook in deze periode is de bodem diffuus verontreinigd geraakt. Voor het bouwrijp maken van de locaties is mogelijk grond van uit de omwalling gebruikt. Bij de woningen zijn kleine tuinpaadjes met slakken, sintels en kolengruis aangebracht. Aangezien in deze tijd vooral op kolen werd gestookt, is het kolenas vaak in de tuin uitgestrooid of soms als grondverbetering in de moestuin gebruikt. De 31
Bodemkwaliteitskaarten
industrie in de omgeving heeft in de vorm van kleinschalige bedrijfsactiviteiten en atmosferische depositie of verspreiding van afval op het land bijgedragen aan de verslechtering van de bodemkwaliteit in het gebied. De bodem in dit deelgebied bestaat voornamelijk uit fijn tot grof zand met grindbijmengingen. Het gebied ligt gedeeltelijk in de smeltwatervlakte en gedeeltelijk op de stuwwal. Deelgebied 3: 1945-1965 Na de Tweede Wereldoorlog zijn binnen 20 jaar grote uitbreidingswijken toegevoegd, waarbij het MaasWaalkanaal als een barrière fungeerde. In deze wijken is de bodem minder diffuus verontreinigd dan in het oudere Nijmegen. Dit komt ondermeer door de minder lange bewoningsgeschiedenis en de overgang van kolen op minerale olie en aardgas voor de verwarming, waardoor er minder kolenas werd uitgestrooid. Toch is de bodem in de loop der tijd door menselijke activiteiten diffuus verontreinigd geraakt. Het gaat dan ondermeer om het grote grondverzet tijdens de bouwfase, de beperkte kolenas uitstrooiingen en de voortgaande atmosferische depositie door toenemende industrie en verkeer. De bodem in dit deelgebied bestaat voornamelijk uit fijn tot grof zand met grindbijmengingen. Het gebied ligt gedeeltelijk in de smeltwatervlakte en gedeeltelijk op de stuwwal.
Deelgebied 4: 1965-heden De 'sprong over het kanaal' is eind jaren zestig genomen waarmee het bebouwde gebied van Nijmegen met een derde is toegenomen. In dit deelgebied is niet alleen een diffuse verontreiniging aanwezig ten gevolge van menselijke activiteiten zoals grondverzet en het verkeer, maar dragen ook natuurlijke processen bij aan de diffuse verontreiniging. Eén van de natuurlijke verschijnselen is de kwel waarmee stoffen vanuit het diepe grondwater in de bovengrond zijn neergeslagen. Daarnaast is de bodem tijdens de sedimentatie van klei in dit rivierengebied van nature met bepaalde stoffen verrijkt. De eerste meter van de bodem bestaat voornamelijk uit (zandige) klei. Hieronder bevindt zich fijn tot grof zand. Het gebied ligt in het oude en jonge rivierkleigebied. Deelgebied 5: Waalsprong Met de 'sprong over de Waal' wordt opnieuw de ruimtenood voor woningen en bedrijven verminderd. Het agrarische gebied wordt ontwikkeld tot een duurzaam woon- en natuurgebied. De diffuse verontreinigingen zijn ook in dit deelgebied ontstaan ten gevolge van zowel menselijk handelen als natuurlijke processen. Bij menselijk handelen moet worden gedacht aan het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, het uitspreiden van slib uit de sloot op de kant en het aanbrengen van kleine halfverhardingswegen.
De natuurlijke processen zijn, net zoals in deelgebied 4, kwel- en sedimentatieprocessen. Een belangrijke bron van bodemverontreiniging in dit gebied is het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de (voormalige) boomgaarden. De bovenste meter van de bodem bestaat uit (zandige) klei. Hieronder bevindt zich fijn tot grof zand. Het gebied ligt in het jonge rivierkleigebied. Deelgebied 6: Waalsprong kassen Dit deelgebied is in 2010 apart genomen omdat ervaring leerde dat in de kassen andere bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt dan in de rest van de Waalsprong. Typerend is het aantreffen van hogere gehaltes aan drins (bestrijdingsmiddelen). De ligging van de kassen is herleid uit (oude) luchtfoto’s en topografische kaarten. Ondanks de zorgvuldige inventarisatie is het mogelijk dat de exacte grenzen van de kassen niet kon worden ingetekend of dat kassen in z’n geheel niet op foto’s en kaarten te herkennen waren. Mocht uit gedetailleerd onderzoek een kas toch aanwezig zijn of dat de grenzen van de kas iets anders liggen, dan kunnen in afstemming met de gemeente Nijmegen de exacte grenzen worden bepaald. Daarnaast is het mogelijk 32
Bodemkwaliteitskaarten
dat door kleinschalig grondverzet de grond in het verleden buiten de grenzen van de kas is terecht gekomen. Pas na goedkeuring van de gemeente behoort in die situatie de grond ook tot het deelgebied kassen. De bovenste meter van de bodem bestaat uit (zandige) klei. Hieronder bevindt zich fijn tot grof zand. Het gebied ligt in het jonge rivierkleigebied. Deelgebied 7: Waalsprong ophoging Het deelgebied “Waalsprong ophoging” is in 2012 toegevoegd. De grenzen van het deelgebied “Waalsprong ophoging” zijn bepaald door de ligging van de voormalige stortplaats “Zwarte weg” en het archeologisch rijksmonument. Dit deelgebied is toegevoegd om licht verontreinigde grond met bestrijdingsmiddelen uit de Waalsprong en Waalsprong-kassen toe te kunnen passen.
Inventariseren en voorbewerken van de gegevens De totale dataset Voor het berekenen van de statistische kentallen in de homogene deelgebieden zijn de gegevens gebruikt die aanwezig zijn in het Bodem Informatie Systeem (BIS) van de gemeente Nijmegen. Er zijn gegevens gebruikt uit rapporten conform de NVN of NEN-richtlijnen of daarmee vergelijkbare opzet. In het Bodeminformatiesysteem worden in principe alleen de verkennend bodemonderzoeken tot analyseniveau ingevoerd en worden de analyses van nader onderzoeken en saneringen niet ingevoerd. Door deze beperking is de kans klein dat onderzoeken in de dataset zijn opgenomen die omwille van hun classificatie “verdacht” nader zijn onderzocht. Vermenigvuldigen van de detectielimiet met factor 0,7 Gehaltes die onder de detectielimiet liggen hebben geen getalswaarde en zijn in het BIS als negatief getal ingevoerd. Om deze metingen toch in berekeningen te kunnen meenemen is in de dataset een waarde opgenomen die gelijk is aan 0,7 *detectielimiet. Gelijkwaardig behandelen van individuele monsters en mengmonsters In de volledige dataset zijn zowel enkelvoudige als mengmonsters één maal opgenomen.
Keuze 13: Gebruik van gegevens ouder dan 5 jaar
Selecteren van gegevens van 1995 en jonger Volgens de Richtlijn mogen in beginsel alleen analysegegevens voor de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt die niet ouder zijn dan 5 jaar. Door deze strenge selectie zouden veel representatieve gegevens voor de bodemkwaliteitskaart worden uitgesloten. Daarom mogen ook bodemgegevens ouder dan 5 jaar gebruikt worden, als deze bodemgegevens vergelijkbaar zijn met de recente bodemgegevens. De oudere bodemgegevens zorgen voor een grotere dataset met analysegegevens waardoor de gemiddelde kwaliteit van een zone beter wordt onderbouwd. De oudere bodemgegevens zijn zoals in de Nota bodembeheer Nijmegen 2012 al is gemotiveerd vergelijkbaar met de bodemgegevens die de laatste 5 jaar beschikbaar zijn gekomen. Daarom zijn, net zoals bij de bodemkwaliteitskaart van 2012, de gegevens vanaf 1 januari 1995 meegenomen bij de evaluatie. Opdelen gegevens in de 6 homogene deelgebieden (horizontale indeling) De dataset is opgedeeld in 6 deelbestanden van de betreffende 6 homogene deelgebieden. Voor het deelgebied Waalsprong ophoging zijn geen statistische berekeningen uitgevoerd, omdat de hoogte van de LMW beleidsmatig zijn bepaald. De feitelijke bodemkwaliteit is vergelijkbaar met die van de Waalsprong, gezien het gelijke bodemgebruik en de historie.
Opdelen gegevens in de twee bodemtrajecten (verticale indeling) De bodemvreemde bijmengingen zoals puin- en kooldeeltjes komen vanaf de bovenkant in de grond terecht. Hierdoor is bovenin meer diffuse verontreiniging aanwezig dan diep in de grond. Dit verschil is in het veld veelal met het blote oog te herkennen. 33
Bodemkwaliteitskaarten
We onderscheiden dus de visueel verontreinigde geroerde bovengrond (traject 1) en de visueel schone ongeroerde ondergrond (traject 2). De gegevens die zijn gebruikt voor het vaststellen van de bodemkwaliteit van de beide lagen komen uit de in tabel 10 aangegeven bodemtrajecten. Een monster wordt opgenomen in een dataset wanneer het gemiddelde van het diepte traject binnen de grenzen van het traject valt. Tabel 10: Herkomst van gegevens voor vaststellen kwaliteit per deelgebied en bodemtraject. Homogeen deelgebied
traject 1 (m -mv)
traject 2 (m –mv)
tot 1900
0 - 2,0
*
1900-1945
0 - 1,0
> 1,0
1945-1965
0 - 1,0
> 1,0
1965-heden
0 - 0,5
>0,5
Waalsprong
0 - 0,5
>0,5
Waalsprong-kassen
0 - 0,5
>0,5
* Bij de meeste bodemrapporten volgens de NEN 5740 is niet dieper geboord dan 2,0 m -mv waardoor er te weinig kwaliteitsgegevens voor traject 2 zijn.
Omrekenen van gehaltes naar een standaard bodem De normen uit het Besluit Bodemkwaliteit zijn uitgedrukt in gehaltes voor een standaard bodem. Als van een monster het lutum- en humuspercentage is gemeten dan worden die percentages gebruikt bij de omrekening naar een standaard bodem. Voor monsters waarbij geen lutum en humus is gemeten, is het gemiddelde percentage van het deelgebied genomen voor de omrekening. In tabel 11 zijn de gemiddelde lutumen humuspercentages voor de deelgebieden en dieptetrajecten gegeven. Tabel 11: Percentage lutum en humus in grond per deelgebied en per bodemtraject. Deelgebied
Traject
Bodemtraject (m -mv)
Lutum (%)
Humus(%)
tot 1900 1900-1945
1 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2
0 - 2,0 0 - 1,0 > 1,0 0 - 1,0 > 1,0 0 - 0,5 >0,5 0 - 0,5 >0,5 0 - 0,5 >0,5
2,9 3,8 3,7 3,6 2,7 8,4 9,2 14,3 17,3 10,3 16,2
1,7 2,9 2,0 2,7 1,7 2,9 2,0 3,5 2,4 2,8 2,1
1945-1965 1965-heden Waalsprong Waalsprong-kassen
Keuze 14: uitbijterselectie
Verwijderen uitschieters/uitbijters Uitschieters of uitbijters zijn waarnemingen in een gegevensbestand die niet voldoen aan het patroon dat door de andere waarnemingen bevestigd wordt. In de dataset zijn dat gegevens die een veel hoger gehalte hebben dan de andere gegevens in de dataset. Deze hoge gehaltes zijn bijvoorbeeld het gevolg van een inhomogeen of niet representatief monster of een analysefout en mogen dus niet worden meegenomen bij de bepaling van de statistische kentallen. De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten’ staat het automatisch verwijderen van uitbijters op basis van een statistische toets niet toe. De toets mag alleen worden gebruikt als hulpmiddel om uitbijters te identificeren en ze vervolgens individueel te beoordelen of ze terecht als uitbijter zijn geïdentificeerd. Als dat zo is mag de waarneming worden verwijderd. De gemeente Nijmegen wijkt hiervan af en wel om de volgende redenen: • Over het algemeen worden bij het automatisch met de statistische toets verwijderen van de uitbijters slechts enkele procenten uit de database verwijderd. Bij een grote hoeveelheid gegevens is dan het effect op de uiteindelijke statistische kentallen beperkt. • Als de uitbijters handmatig (met de statistische toets als indicator) worden verwijderd zullen er net als bij de automatische verwijdering slechts enkele procenten uit de database worden verwijderd.
Het gaat dan met name om gehaltes die horen bij een lokale verontreiniging (ondanks dat alleen verkennende 34
Bodemkwaliteitskaarten
•
bodemonderzoeken worden ingevoerd). Het kental zal dan niet wezenlijk anders zijn dan bij de automatische toets. Het gebruik van een statistische toets is eenvoudiger, eenduidiger, beter reproduceerbaar en objectiever.
Uit de dataset zijn uitschieters (uitbijters) automatisch verwijderd. Een uitschieter wordt gedefinieerd als de waarneming die boven de 75-percentielwaarde plus 3 maal de interkwartielafstand (P75-P25) ligt. In de tabellen in bijlage 10 en nijlage 11 is aangegeven wanneer een meetresultaat wordt beschouwd als een uitschieter. Bovendien is het aantal uitschieters genoteerd. De zogenoemde uitschieters zijn niet bij de berekening van de kentallen meegenomen.
Stoffen waarvoor statistische kentallen zijn berekend Keuze 15: Stoffenpakket: Standaard pakket A + OCB’s en PFAS
De bodemkwaliteit kan voor een groot scala aan stoffen worden vastgesteld. In de praktijk wordt de keuze veelal beperkt tot de stoffen die in het standaard analysepakket van een verkennend bodemonderzoek voorkomen, omdat daarvan voldoende gegevens voor handen zijn om statistische berekeningen te kunnen uitvoeren. Uit dit pakket zijn alleen de immobiele stoffen geselecteerd. Mobiele stoffen, zoals minerale olie kennen geen diffuus karakter. Ze komen meestal voor als puntverontreiniging bij bijvoorbeeld een olietank. Dit betekent dat de bodemkwaliteit wordt vastgelegd aan de hand van 9 metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PAK (10, som) en PCB (7, som). Daarnaast worden de persistente bestrijdingsmiddelen DDT(som), DDE(som), DDD(som) en drins (som) meegenomen. In de Waalsprong zijn deze stoffen veelvuldig gebruikt vanwege de (voormalige) boomgaarden en kassen. Ten zuiden van de Waal zijn minder kassen en boomgaarden aanwezig geweest, maar toch worden de kentallen voor de bestrijdingsmiddelen berekend om zo te beoordelen of ook in dat gebied bestrijdingsmiddelen verhoogd voorkomen. In 2019 zijn op basis van het tijdelijke handelingskader PFAS ook voor de stoffen die zijn opgenomen in de advieslijst voor PFAS, versie van 12-7-2019 2, statistische kentallen berekend. De gegevens die hiervoor zijn gebruikt zijn met bodemonderzoek verzameld.
De dataset die op deze wijze is ontstaan, is vervolgens op dezelfde wijze voorbewerkt als beschreven in 6.2. De werkwijze is uitgebreid beschreven in bijlage 7.
De bodemkwaliteit uitgedrukt in statistische kentallen De homogene deelgebieden zijn zo gekozen, dat binnen zo’n gebied een vergelijkbare bodemkwaliteit wordt verwacht. Dan nóg kunnen de gehaltes van een bepaalde stof binnen zo’n gebied behoorlijk variëren. Er is dus niet een enkel vast gehalte aanwezig, maar een bepaalde verdeling van gehaltes. De meeste gehaltes zullen rond het gemiddelde liggen, maar er zijn er natuurlijk ook bij die iets hoger of lager uitvallen. Het is deze verdeling die een homogeen deelgebied karakteriseert. Om het deelgebied toch getalsmatig te kunnen kenmerken wordt gebruikt gemaakt van statistische kentallen. Veelgebruikte kentallen zijn het rekenkundig gemiddelde en de percentielwaarde. Een rekenkundig gemiddelde is uiteraard het gemiddelde van alle gehaltes. De percentielwaarde is iets lastiger voor te stellen en kan beter aan de hand voor een voorbeeld worden uitgelegd. Allereerst worden alle gehaltes van klein naar groot gesorteerd. Een 95 percentielwaarde (afgekort P95) is dan het gehalte waar 95 procent van alle gehaltes onder ligt en 5 procent daar boven (als er 100 waarnemingen zijn, is dit na sortering de 95e waarneming).
Evaluatie van de statistische kentallen Omdat de kentallen m.u.v. PFAS al weer meer dan 5 jaar geleden bestuurlijk zijn vastgesteld, moeten deze worden geëvalueerd op basis van nieuwe gegevens. In bijlage 9 is de notitie opgenomen waarin de hiervoor uitgevoerde werkzaamheden en de resultaten zijn beschreven. Hierbij zijn de gebruikte gegevens geïnventariseerd en voorbewerkt zoals beschreven in 6.2. Hier volstaan we met vermelding van de resultaten. De in 2012 vastgestelde gemeentelijke Lokale Maximale Waarden (de 95-percentiel waarden) en de geactualiseerde dataset zijn met elkaar vergeleken. Daarbij is vastgesteld dat: 2
Deze lijst is beschikbaar via de website van bodemplus, https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wetregelgeving/bbk/vragen/grondbaggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/welke-pfas-verbindingen-geanalyseerd
35
Bodemkwaliteitskaarten
• • •
De gemeentelijke Lokale Maximale Waarden (95-percentiel waarden) van de in 2012 vastgestelde bodemkwaliteitskaart en van de geactualiseerde dataset weinig verschillen. Er geen noodzaak is voor een controle op het saneringscriterium in de bodemkwaliteitszone, omdat de LMW niet hoger zijn dan de interventiewaarden. Voor de bodemkwaliteitszones “tot 1900”, “1900-1945” en voor het deelgebied “Waalsprong kassen”, is voor één of meerdere stoffen een sterke heterogeniteit vastgesteld. De bodemkwaliteitszones bevatten desalniettemin ruim voldoende waarnemingen om de bodemkwaliteit goed te beschrijven. De bodemkwaliteit is daarmee voldoende betrouwbaar.
De statistische kentallen van de stoffen die de geactualiseerde bodemkwaliteit in de 6 verschillende deelgebieden en de 2 verschillende bodemtrajecten beschrijven zijn te vinden in bijlage 10 en bijlage 11. Naast de belangrijke kentallen ‘het gemiddelde’ en de P95 (en de P25 en P75 voor het berekenen van de uitbijtergrens) zijn ook nog de volgende statistische kentallen berekend: P5, P50, P80, P90, aantal (exclusief uitbijters), aantal uitbijters, maximum (inclusief uitbijters), uitbijtergrens, standaarddeviatie en variatiecoëfficiënt. Voor PFAS zijn de statistische kentallen opgenomen in bijlage 7.
Evaluatie gebiedsindeling Vanwege het project Ruimte voor de rivier is de dijk ten noorden van de Waal verlegd. Hierdoor is een deel van het Waaslprong gebied buitendijks komen te liggen en maakt het geen onderdeel meer uit van de bodemkwaliteitskaart van Nijmegen. Het beheer van dit gebied voor wat betreft de toepassing van grond is in 2015 overgegaan naar Rijkswaterstaat. We concluderen dat de gebiedsindeling nog steeds correct is, omdat de variatie in gehaltes binnen de deelgebieden klein is (de variatiecoëfficiënt blijft binnen de acceptabele grens van 2) en de data ruimtelijk goed verdeeld zijn over en binnen de gebieden. Bovendien hebben de kentallen een hoge mate van nauwkeurigheid en betrouwbaarheid, omdat het aantal gegevens per deelgebied buitengewoon hoog is. Voor OCB’s zijn bij een aantal deelgebieden in traject 2 en in traject 1 voor het deelgebied “tot 1900” te weinig gegevens beschikbaar om de statistische kentallen nauwkeurig en betrouwbaar genoeg te kunnen vaststellen. Aangezien de stoffen niet in hoge gehaltes aanwezig zijn en de normen voor schone grond zoals bedoeld in artikel 4.2.2. niet worden overschreden, is dit minder relevant.
36
Afweging generiek en gebiedsspecifiek kader
7
Afweging generiek en gebiedsspecifiek kader Het besluit Bodemkwaliteit kent twee mogelijkheden om hergebruik van grond te regelen, namelijk het generieke kader en het gebiedsspecifieke kader 3. In het generieke kader wordt getoetst aan landelijk geldende normen. Nijmegen kiest voor het gebiedsspecifieke kader waarmee we ons beleid afstemmen op de slechtere bodemkwaliteit die in de gemeente Nijmegen aanwezig is. In dit hoofdstuk is onderbouwd waarom.
Hoe werkt het generieke kader in Nijmegen Uitgangspunt van het generieke kader is dat de kwaliteit van de toe te passen grond moet aansluiten bij de functieklasse die de bodem heeft: achtergrondwaarde, wonen of industrie. Bij ieder van de drie bodemfunctieklasses zijn maximale waarden vastgesteld waaraan de kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen. Voor de stoffen uit het standaardpakket A aangevuld met de bestrijdingsmiddelen DDT, DDE, DDE en drins zijn ze hieronder weergegeven (afkomstig uit bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit). Tabel 12: Achtergrondwaarde en de generieke maximale waarde voor de bodemfuncties wonen en industrie (in mg/kg d.s.) geldend voor een standaard bodem. Bodemfunctie- Cadklasse mium Achtergrond0,60 waarde Wonen 1,2 Industrie 4,3
Koper
kwik
lood
Nikkel
zink
Barium
Ko- molybbalt deen
PAK
PCB
DDT
DDE
DDD
drins
40
0,15
50
35
140
190
15
1,5
1,5
0,020
0,2
0,10
0,020
0,015
54 190
0,83 4,8
210 530
nvt 100
200 720
550 920
35 190
88 190
6,8 40
0,040 0,5
0,2 1
0,13 1,3
0,84 34
0,04 0,14
Om te weten welke generieke maximale waarden voor een gebied gelden, moet de bodemfunctieklassse van het gebied worden bepaald: Achtergrondwaarde, wonen of industrie? In het generieke kader wordt dat vastgesteld aan de hand van een klassenindeling: • bodemfunctieklasse: het hoofdgebruik van het gebied wordt (door de gemeente) ingedeeld in de bodemfunctieklasse Achtergrondwaarde , wonen of industrie. • bodemkwaliteitsklasse: de bodemkwaliteit van het deelgebied wordt ingedeeld in de Achtergrondwaarde of de klasse wonen of industrie. De strengste van deze twee klassen bepaalt de bodemfunctie en daarmee de generieke maximale waarden waaraan wordt getoetst. Bovenstaande klassenindeling is opnieuw voor het beheergebied van Nijmegen uitgewerkt in deze paragraaf. 7.1.1
Indeling in bodemfunctieklassen
De bodemfunctieklassen beschrijven op hoofdlijnen het gebruik van de bodem in een gebied. Op basis van de Dynamiekkaart Nijmegen (bijlage 4) en de Bouwstenenkaart Nijmegen (bijlage 5) is voor de 6 deelgebieden van Nijmegen het hoofdgebruik bepaald. In één deelgebied kunnen wel álle vormen van gebruik voorkomen, maar één is dominant aanwezig. In alle 6 deelgebieden is wonen het dominante gebruik. Dus ze worden allemaal in de bodemfunctieklasse wonen ingedeeld. 7.1.2
Indeling in bodemkwaliteitsklassen
Ook de aanwezige bodemkwaliteit wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse die hoort bij Achtergrondwaarde of de klasse wonen of industrie. De bodemkwaliteitsklasse geeft zo een maat voor de kwaliteit van de bodem in het deelgebied. Voor het indelen van grond in één van de drie bodemkwaliteitsklassen is een aantal toetsregels opgesteld. Deze uitgebreide toetsing is nodig om te voorkomen dat een deelgebied te snel in een hogere bodemkwaliteitsklasse wordt ingedeeld en daardoor de kwaliteit van het deelgebied verslechtert door toepassing van grond tot het niveau van die hogere bodemkwaliteitsklasse 3
Er bestaat nog een derde manier om grond her te gebruiken, namelijk via grootschalige toepassing. Daarbij is het niet mogelijk beleidsmatige keuzes te maken en moet de toepassing voldoen aan de standaard voorwaarden uit het besluit en de regeling.
37
Afweging generiek en gebiedsspecifiek kader
Toetsregels bij indeling in bodemkwaliteitsklassen: 1. als het gemiddelde gehalte in het deelgebied van maximaal 2 stoffen 4 hoger is dan achtergrondwaarde maar wel lager dan 2 keer de achtergrondwaarde én de norm voor wonen niet wordt overschreden, wordt toch voldaan aan de kwaliteit die hoort bij de Achtergrondwaarde. 2. als het gemiddelde gehalte van maximaal 2 stoffen hoger4 is dan de norm wonen maar lager dan de som van de norm voor wonen en de achtergrondwaarde, wordt voldaan aan de kwaliteit die hoort bij de functie wonen. 3. in alle andere gevallen waarbij bovendien het gemiddelde gehalte kleiner is dan de norm voor industrie, wordt voldaan aan de kwaliteit die hoort bij de functie industrie. Voor de 6 deelgebieden in Nijmegen is per stof het rekenkundig gemiddelde bepaald. In onderstaande tabel 13 zijn de gemiddelde gehaltes per stof, per deelgebied en per bodemtraject gepresenteerd en getoetst met de rekenregels die gelden voor de indeling van bodemkwaliteitsklassen. Tabel 13: Het gemiddelde gehalte per deelgebied voor 9 metalen, PAK, PCB (som 7), DDT(som), DDE(som), DDD(som) en drins(som) voor bodemtraject 1 en 2 (in mg/kg ds) omgerekend naar een standaard bodem (10% humus en 25 % lutum) en de indeling in bodemkwaliteitsklassen.
Generieke maximale waarden
Bodemfunctie Achtergrondwaarde Wonen Industrie Gemiddelde gehaltes Traject 1 Deelgebied tot 1900 1900-1945 1945-1965 1965-heden Waalsprong Waalsprongkassen Traject 2 tot 1900 1900-1945 1945-1965 1965-heden Waalsprong Waalsprongkassen
cadmium
koper
kwik
lood
nikkel
zink
barium
kobalt
molybdeen
PAK
PCB
DDT
DDE
DDD
drins
0,6 1,2 4,3
40 54 190
0,15 0,83 4,8
50 210 530
35 nvt 100
140 200 720
190 550 920
15 35 190
1,5 88 190
1,5 6,8 40
0,02 0,04 0,5
0,2 0,2 1
0,1 0,13 1,3
0,02 0,84 34
0,015 0,04 0,14
kobalt
molyb -deen
PAK
PCB
DDT
DDE
DDD
drins
Voldoet Bodemk klasse
0,0034 0,0180 0,0252 0,0557 0,0258
0,0033 0,0119 0,0154 0,0638 0,0741
0,0033 0,0062 0,0089 0,0140 0,0077
0,0028 0,0049 0,0050 0,0292 0,0070
wonen wonen wonen AW AW
cadmium
koper
kwik
lood
nikkel
zink
barium
0,42 0,46 0,42 0,38 0,46
37 42 26 20 28
0,28 0,27 0,17 0,10 0,10
147 136 83 42 44
18 22 18 19 30
152 177 118 88 122
167 160 120 108 158
10 11 10 8 11
0.85 1,0 1,0 0,8 1,0
1,4 3,5 1,8 0,9 0,7
0,0200 0,0205 0,0206 0,0205 0,0193
0,46
29
0,10
49
27
134
160
12
0.77
0,6
0,0195 0,0387 0,1058 0,0187 0,2658 > Indust
0,41 0,41 0,36 0,37
20 10 14 20
0,13 0,09 0,08 0,08
44 18 24 20
18 17 21 33
64 40 59 80
106 61 98 140
11 9 9 11
0,9 0,9 0,9 1,1
0,7 0,2 0,4 0,2
0,019 0,020 0,020 0,020
0,008 0,013 0,007 0,010
0,005 0,007 0,006 0,009
0,005 0,007 0,006 0,006
0,003 0,012 0,024 0,008
AW AW AW AW
0,38
19
0,08
22
30
77
145
12
0,8
0,1
0,020
0,009
0,011
0,006
0,031
wonen
Kleurcodering: AW = achtergrondwaarde
< AW
>AW en < 2* AW en < wonen
> 2 * AW en < wonen
>wonen en <industrie
> industrie
-: te weinig gegevens om gemiddelde vast te stellen
4
Het aantal stoffen van 2 geldt bij het analyseren van minimaal 16 stoffen. Zie verder hiervoor de Regeling Bodemkwaliteit.
38
Afweging generiek en gebiedsspecifiek kader
7.1.3
Toepassingseis: de stengste van twee klassenindelingen De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de strengste van de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse. In onderstaande tabel 14 is dit samengevat voor de 6 deelgebieden en bodemtraject 1. Tabel 14: Bodemfunctieklasse, Bodemkwaliteitsklasse en Toepassingseis grond voor de 6 deelgebieden Deelgebied
bodemfunctieklasse Bodemkwaliteitsklasse
Toepassingseis voor de partij toe te passen grond --->
tot 1900
wonen
wonen
1900-1945
wonen
wonen
1945-1965
wonen
wonen
1965-heden
wonen
Achtergrondwaarde
Waalsprong Waalsprongkassen
wonen
Achtergrondwaarde
wonen
> Industrie
wonen
--->
wonen
--->
wonen
--->
Achtergrondwaarde
--->
Achtergrondwaarde
--->
wonen
We zien dat de bodemkwaliteitsklassen altijd vergelijkbaar of beter zijn dan de bodemfunctieklassen (met uitzondering van Waalsprong-kassen). Hierdoor zal gemiddeld genomen de kwaliteit van de uitkomende grond voldoen aan de functie die binnen het deelgebied geldt en daar kunnen worden toegepast. Het lijkt er dan ook op dat we voor een generiek kader kunnen kiezen. Tóch wordt voor het gebiedsspecifieke kader gekozen. Dat wordt hierna beargumenteerd.
Nijmegen kiest voor gebiedsspecifiek kader: argumentatie Binnen een deelgebied kunnen de gehaltes van plaats tot plaats variëren. Ten opzichte van het gemiddelde gehalte zijn er op sommige plaatsen hogere gehaltes en op andere plaatsen lagere gehaltes aanwezig. Dat betekent dat de kans bestaat dat, na het uitvoeren van een partijkeuring, de grond niet aan de toepassingseis voldoet. Hoe groot die kans ongeveer is, is in tabel 15 weergegeven. In de tabel staat het percentage van analyses uit de database dat de toepassingseis van het betreffende deelgebied overschrijdt.
1945-1965 1965-heden Waalsprong Waalsprong kassen
W
21 28 9
7
14
25 22
24 32
3 18
32
16
19
7
5
7
15
6
10
5
18
14
24
drins
DDD
DDE
DDT
PCB
PAK
molybdeen
kobalt
barium
zink
Nik-kel
Toepassingseis W W 2* AW en < W 2* AW en < W 2* AW en < W
lood
Deelgebied tot 1900 1900-1945
kwik
Tabel 15: Percentage overschrijding van de Achtergrondwaarde en maximale waarde wonen
Koper
Keuze 16: afweging generiek en gebiedsspecifiek
Argument 1: grote kans op afkeur van partij bij generiek beleid
Cadmium
7.2.1
42
58
Uit de tabel blijkt dat in tientallen van procenten de grond niet voldoet aan de norm van het deelgebied. Zo ligt bijvoorbeeld 32 procent van de analyses van lood in deelgebied “1900-1945” boven de norm wonen. Of 18 procent van de analyses van DDE in deelgebied “Waalsprong” boven de norm Achtergrondwaarde. Hierdoor is de kans groot (grofweg 20 à 30 procent) dat de kwaliteit van een partij grond niet voldoet aan de maximale waarden die voor het gebied gelden, terwijl dergelijke gehaltes wel algemeen in het gebied voorkomen.
39
Afweging generiek en gebiedsspecifiek kader
7.2.2
Argument 2: afstemming met saneringsbeleid Voor bodemsanering hebben wij gehaltes gedefinieerd die de gevalsgrenzen vormen op basis van de P95. Die gehaltes zijn hoger dan de generieke waarden die gebaseerd zijn op gemiddelden. Door het kiezen voor gebiedsspecifiek beleid zijn de gevalsgrenzen en de hergebruiksnorm beter op elkaar af te stemmen.
7.2.3
Argument 3: drins problematiek in de kassen In de (voormalige) kassen in de Waalsprong is de bodem verontreinigd met drins. Dit is een groot probleem, want 58 % van gehaltes voldoet niet aan de generieke maximale waarde wonen en overschrijdt zelfs de norm voor industrie. Ook voor dit specifieke probleem kan een oplossing worden gevonden in het gebiedsspecifieke beleid.
7.2.4
Argument 4: DDT en DDE problematiek in de boomgaarden De bodem in de (voormalige) boomgaarden van de Waalsprong is verontreinigd met DDT en DDE. Op basis van recente bodemonderzoeken blijkt dat op een aantal percelen de aangetroffen gehaltes dermate hoog zijn dat de grond niet kan worden hergebruikt, noch onder het generieke beleid, noch in een grootschalige bodem toepassing (GBT). Voor de meeste stoffen is de norm industrie gelijk aan de interventiewaarde waardoor licht verontreinigde nagenoeg altijd wel in een grootschalige toepassing kan worden toegepast. Dat geldt niet voor de stoffen DDT en DDE waar een “gat” bestaat tussen de norm industrie en de interventiewaarde. Zonder gebiedsspecifiek beleid kan grond met gehaltes tussen de norm industrie en interventiewaarde niet worden hergebruikt, terwijl er feitelijk sprake is van licht verontreinigde grond. In artikel 44 lid 2 van het besluit bodemkwaliteit is geregeld dat een LMW boven de bodemfunctieklasse industrie mag worden vastgesteld als 1) er sprake is van een diffuse verontreiniging, 2) de gehaltes in het gebied daadwerkelijk voorkomen en 3) er geen actuele risico’s door de verontreiniging ontstaan. Aan deze voorwaarden wordt voldaan.
7.2.5
Argument 5: PFAS Volgens het generieke beleid moet in de deelgebieden “tot 1900”, “1900-1945” en “1945-1965” de kwaliteit van de toe te passen grond voldoen aan de maximale waarde voor Wonen. Omdat de gehalten PFAS in Nijmegen overal onder de toepassingswaarde voor natuur/landbouw liggen (zie bijlage 7 tabel 1) kan uitgaan van het generiek kader leiden tot verslechtering van de bodemkwaliteit in Nijmegen. Dit is niet wenselijk.
40
Lokale maximale waarde (voorafgaande aan toetsing risico’s)
8
Lokale maximale waarde (voorafgaande aan toetsing risico’s) Bij de keuze voor het gebiedsspecifieke kader hoort het vaststellen van de lokale maximale waarden. In dit hoofdstuk wordt de hoogte van de lokale maximale waarden berekend. In hoofdstuk 9 is getoetst of deze berekende waarden humane of ecologische risico’s opleveren en of de waarden daarop moeten worden aangepast.
De 95-percentiel waarde (P95) Keuze 17: 95 percentiel waarde
De hoogte van de lokale maximale waarde wordt in eerste instantie gelijk gesteld aan een statistisch kental van de bodemkwaliteit, bijvoorbeeld het gemiddelde, de P80, P90 of P95. De keuze wordt gemaakt op basis van de kosten van grondafvoer, milieuhygiënische doelmatigheid en risico’s voor mens en ecologie. Nijmegen kiest er voor om bij het toepassen van grond en bij bodemsaneringen de kwaliteit niet te laten verslechteren en wel zoveel mogelijk hergebruik toe te staan, zodat niet altijd primaire grondstoffen hoeven worden gebruikt en overtollige grond niet hoeft te worden afgevoerd. Bijkomend voordeel is dat dit leidt tot lagere kosten. Uiteraard mogen geen risico’s voor mens en ecologie ontstaan. De keuze voor het statistisch kental P95 is beleidsmatig. Dat betekent dat 5% van de waarden in het gebied hoger kunnen zijn dan deze waarden. De waarden zijn in tabel 16 gepresenteerd. Tabel 16: 95-percentielwaarde per deelgebied voor 9 metalen, PAK, PCB (som 7) DDT(som), DDE(som), DDD(som) en drins(som) voor bodemtraject 1 en 2 (in mg/kg ds) omgerekend naar een standaard bodem (10% humus en 25 % lutum). Bodemfunctie Achtergrondwaarde Wonen Industrie
Generieke maximale waarden bako- molyblood nikkel zink rium balt deen
cadkoper mium
kwik
0,6
40
0,15
50
35
140
1,5
1,5 0,02
1,2 4,3
54 190
0,83 4,8
210 530
nvt 100
200 550 35 88 720 920 190 190 95-percentiel bako- molybzink rium balt deen
6,8 0,04 40 0,5
cadmium koper
190
kwik lood nikkel Traject 1 Deelgebied tot 1900 0,65 100 0,82 483 30 435 393 1900-1945 0,87 110 0,76 405 39 527 359 1945-1965 0,65 63 0,42 234 32 324 262 1965-heden 0,69 48 0,2 106 38 203 195 Waalsprong 0,83 50 0,2 103 47 244 259 Waalsprong 0,69 60 0,21 116 44 246 287 kassen Traject 2 Deelgebied tot 1900 1900-1945 0,59 61 0,40 156 31 190 214 1945-1965 0,61 21 0,19 45 32 87 115 1965-heden 0,53 33 0,17 68 44 134 126 Waalsprong 0,61 36 0,15 38 55 159 220 Waalsprong 0,61 37 0,15 47 48 138 235 kassen - : te weinig gegevens voor traject 2 in deelgebied “tot 1900”. Kleurcodering: < achtergrond>AW en < 2* AW AW = achtergrondwaarde waarde en < wonen
15
PAK
PCB DDT
DDE
DDD
drins
0,2
0,1
0,02
0,015
0,2 1
0,13 1,3
0,84 34
0,04 0,14
PAK
PCB DDT
DDE
DDD
drins
0,004 0,016 0,011 0,056 0,018
15 22 19 13 16
1,05 2,1 2,1 1,1 2,1
5,6 14,0 7,1 3,4 2,8
0,02 0,027 0,028 0,026 0,02
0,01 0,067 0,06 0,16 0,12
0,01 0,04 0,05 0,17 0,35
0,001 0,016 0,022 0,029 0,025
16
1,05
1,9 0,02
0,14
0,46
0,063 1,59
23 14 36 17
1,05 1,05 1,1 2,1
3,5 0,9 2,0 0,9
0,02 0,02 0,02 0,02
0,05 0,01 0,01 0,02
0,02 0,007 0,01 0,08
0,018 0,007 0,007 0,011
16
2,1
0,4 0,02
0,02
0,04
0,009 0,121
> 2 * AW en <wonen
> wonen en < industrie
0,004 0,036 0,004 0,018
> industrie
41
Lokale maximale waarde (voorafgaande aan toetsing risico’s)
Aanpassingen van de lokale maximale waarden Keuze18: Aanpassing LMW
Om diverse redenen is het nodig om niet overal de P95 als LMW vast te stellen, maar hierop een aantal aanpassingen door te voeren. Met kleurcoderingen in tabel 17 wordt aangegeven om welke aanpassing het gaat. Die worden hieronder besproken. In tabel 5 is het resultaat van die aanpassing weergegeven. Tabel 17: (Voorafgaand aan de toetsing gevolgen humane en ecologische risico’s) De Lokale maximale waarden per deelgebied voor 9 metalen, PAK, PCB (som 7), DDT(som), DDE(som), DDD(som) en drins(som) voor bodemtraject 1 en 2 (in mg/kg ds) omgerekend naar een standaard bodem Maximale waarden Achtergrond waarde Wonen Industrie
Traject 1 Deelgebied tot 1900 1900-1945 1945-1965 1965-heden Waalsprong Waalsprong kassen Waalsprong ophoging Traject 2
cadmium
koper
kwik
lood
nikkel
zink
barium
kobalt
molybdeen
PAK
PCB
DDT
DDE
DDD
drins
0,6 1,2 4,3
40 54 190
0,15 0,83 4,8
50 210 530
35 nvt 100
140 200 720
190 550 920
15 35 190
1,5 88 190
1,5 6,8 40
0,02 0,04$ 0,5
0,2 0,2 1
0,10 0,13 1,3
0,02 0,84 34
0,015 0,04 0,14
cadmium
koper
kwik
lood
nikkel
zink
barium
kobalt
molybdeen
PAK
PCB
DDT
DDE
DDD
drins
1,2 1,2 1,2 1,2
88 114 64 54
0,83 0,86 0,39 0,3
465 405 208 100
70 70 70 70
399 576 299 212
395 380 380 380
30 30 30 30
3,0 3,0 3,0 3,0
6,8 16 6,8 3,0
0,04 0,04 0,04 0,04
54
0,3
110
70
244
380
30
3,0
3,0
0,04
1,2
61
0,3
115
70
244
380
30
3,0
3,0
0,04
0,13 0,04 0,13 0,04 0,13 0,04 0,13 0,04 0,33/2 0,04/0 ,3 ,84 0,41/2 0,082/ ,3 0,84
0,03 0,03 0,03 0,03
1,2
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2/1, 7 0,2/1, 7
1,2
61
0,3
115
70
244
380
30
3,0
3,0
0,04
1,7
2,3
2,0
0,84
Deelgebied tot 1900 Besluit Bodemkwaliteit: schone grond//Wet Bodembescherming: 2*AW en < 1900-1945 Besluit Bodemkwaliteit: schone grond//Wet Bodembescherming: 2*AW en < 1945-1965 Besluit Bodemkwaliteit: schone grond//Wet Bodembescherming: 2*AW en < 1965-heden Besluit Bodemkwaliteit: schone grond//Wet Bodembescherming: 2*AW en < * * Waalsprong Besluit Bodemkwaliteit: schone grond/ Wet Bodembescherming: 2*AW en < Waalsprong Besluit Bodemkwaliteit: schone grond//Wet Bodembescherming: 2*AW en < * * kassen Waalsprong Besluit Bodemkwaliteit: schone grond//Wet Bodembescherming: 2*AW en < * * ophoging Kleurcodering: Zie tekst Schone grond: volgens artikel 4.2.2 lid 4 en 5 Regeling Bodemkwaliteit AW= achtergrondwaarde W: generieke maximale waarde voor de bodemfunctie wonen $: Bij toetsing “schone grond” wordt aan 2 maal de achtergrondwaarde getoetst en vervalt de toetsing aan de norm wonen.
8.2.1
0,03 2,0
* * *
Deelgebied “Waalsprong ophoging” Deelgebied “Waalsprong ophoging” Het gebied “Waalsprong ophoging” is als deelgebied gedefinieerd om grond die verontreinigd is met bestrijdingsmiddelen, binnen de Waalsprong te kunnen toe passen. Voor het deelgebied zijn geen aparte statistische berekeningen gemaakt. Er is een beleidsmatige keuze gemaakt om voor dit deelgebied de LMW voor DDT en DDE te verhogen naar de interventiewaarde, voor DDD naar wonen en voor drins naar de tussenwaarde. Op deze manier kan licht verontreinigde grond tóch binnen de Waalsprong worden toegepast. Voor de overige stoffen is beleidsmatig de keuze gemaakt om per stof steeds de hoogste concentratie van de deelgebieden “waalsprong” of “waalsprong kassen” over te nemen als LMW voor deelgebied waalsprong ophoging.
42
Lokale maximale waarde (voorafgaande aan toetsing risico’s)
Op perceelsniveau is een verslechtering van de bodemkwaliteit toegestaan als op gebiedsniveau (gemeente Nijmegen) het kwaliteitsniveau wel gelijk blijft (standstill principe op gebiedsniveau). Met het definiëren van het aparte deelgebied “Waalsprong ophoging” wordt voorkomen dat grond met relatief hogere gehaltes aan bestrijdingsmiddelen over het gehele Waalspronggebied worden verspreid, maar juist nu in een beperkt deel “Waalsprong ophoging” worden geconcentreerd. Omdat grond afkomstig van buiten Nijmegen schoon moet zijn, wordt aan het standstill principe voldaan. 8.2.2
Bodemtraject 1 Ondergrens voor alle individuele stoffen: 2 * AW en <W De 95-percentielwaarden zijn soms lager dan de norm voor schone grond zoals bedoeld in het besluit Bodemkwaliteit. Maar: schone grond moet ook in het gebiedsspecifieke kader kunnen worden toegepast. Daarom wordt voor traject 1 een ondergrens gekozen. Die wordt gesteld op 2 keer de achtergrondwaarde maar kleiner dan de generieke maximale waarde voor de bodemfunctie wonen, omdat in schone grond deze gehalten incidenteel ook mogen voorkomen. Nikkel Volgens de Regeling Bodemkwaliteit (artikel 4.2.2 lid 8) wordt bij de toetsing of sprake is van schone grond voor nikkel niet getoetst aan de maximale waarde wonen. Dan wordt de lokale maximale waarde gelijk gesteld aan 2 keer de achtergrondwaarde. Barium Voor barium worden er (tijdelijk) geen normen gehanteerd. Deze tijdelijk buitenwerking stelling geldt niet voor die situaties, waar met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om een antropogene bodemverontreiniging gaat. In Nijmegen hanteren we de aangegeven normen als barium vanwege een historische bedrijfsmatige activiteit in de bodem terecht is gekomen. Kwik en PAK (som) Voor de deelgebieden “tot 1900” en “1945-1965” ligt de 95-percentielwaarde dicht bij de generieke norm voor wonen.
Om meer hergebruik mogelijk te maken, hebben wij de lokale maximale waarden iets verhoogd, naar het niveau van de generieke waarde wonen namelijk PAK: van 5,6 naar 6,8 mg/kg en kwik van 0,82 naar 0,83 mg/kg. DDT, DDE en DDD Het gebruik van deze bestrijdingsmiddelen in boomgaarden en kassen had binnen de deelgebieden “Waalsprong” en “Waalsprong-kassen” een forse omvang en is daarom bepalend voor de bodemkwaliteit in de deelgebieden. Gezien de schaal waarop de met bestrijdingsmiddelen verontreinigde (voormalige) boomgaarden voorkomen, is er sprake van een grootschalige diffuse heterogeen verspreide verontreiniging. Een verontreiniging met DDT, DDE, DDD en drins wordt daarom niet als een lokale verontreiniging maar als een diffuse verontreiniging aangemerkt. Daarmee valt het hergebruik van de grond onder het Besluit Bodemkwaliteit. Zo kan de gemeente Nijmegen via het gebiedsspecifieke kader beleid op stellen gericht op de bodemproblematiek in die gebieden. Om te voorkomen dat grond verontreinigd met relatief hogere gehaltes aan bestrijdingsmiddelen in de gehele Waalsprong verspreid kunnen raken, is er een verschil in normen voor het besluit Bodemkwaliteit en voor de Wet Bodembescherming. Besluit Bodemkwaliteit De LMW vóór de “/” geldt als bodemkwaliteit voor het bodemkwaliteitsbewijs en voor het toepassen van grond in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit.
Wet Bodembescherming De LMW ná de “/” wordt gebruikt om de grenzen van het geval van ernstige bodemverontreiniging te bepalen. 43
Lokale maximale waarde (voorafgaande aan toetsing risico’s)
Drins In 2010 is bij het Implementatieteam besluit bodemkwaliteit advies ingewonnen in welke situatie en bij welk gehalte er sprake is van een diffuse verontreiniging met drins. Het advies is om de grens te leggen bij de tussenwaarde (2 mg kg) mits er sprake is van tuinbouwkassen. Dit advies is overgenomen. Beleidsmatig wordt bij de lokale maximale waarde niet uitgegaan van de 95-percentielwaarde van 2,642 mg/kg maar van 2,0 mg/kg. Dat is het niveau waaronder in het kader van de Wet Bodembescherming en de NEN 5740 sprake is van een zodanig lichte verontreiniging, dat er geen reden bestaat om een nader onderzoek uit te voeren. Gewijzigde LMW’s ten opzichte van de LMW in de nota bodembeheer Nijmegen 2012 In bijlage 9 is de notitie opgenomen waarin de werkzaamheden en resultaten zijn beschreven voor het vaststellen van actuele kentallen. De evaluatie heeft er toe geleid dat in de rode vakken de LMW is aangepast t.o.v. 2012. In onderstaande tabel zijn deze opgenomen. Tabel 18: Oude en nieuwe Lokale Maximale Waarden voor bodemtraject 1 (in mg/kg ds) omgerekend naar een standaard bodem voor de stoffen waarvoor deze zijn gewijzigd. deelgebied
Tot 1900 1900-1945 Waalsprong Waalsprong kassen
Lood LMW oud LMW nieuw 420 142
Zink LMW oud LMW nieuw
405 115
barium LMW oud LMW nieuw 423
274
244
285
244
380
kobalt LMW oud LMW nieuw 35 30 46 30
De onderstaande criteria zijn gehanteerd om te bepalen of de LMW voor traject 1 gewijzigd moeten worden. 1. Als in traject 1 de P95 van de geactualiseerde dataset van 2018 lager is dan 2* AW en < maximale waarde Wonen, en hetzelfde geldt voor de P95 die in 2012 is berekend, dan wordt de LMW niet aangepast (zie bijlage 9). 2. Als het procentuele verschil tussen de P95 van de geactualiseerde dataset van 2018 en de P95 uit 2012 kleiner is dan 15%, dan wordt eveneens de oude LMW gebruikt (zie bijlage 9). Er blijven dan per deelgebied in traject 1 enkele parameters over waarvoor nader bekeken moet worden wat de LMW moet zijn. Kobalt en barium Voor Kobalt en Barium zijn er veel meer waarnemingen in de deelgebieden ‘centrum’ en ‘1900-1945’ bijgekomen. Omdat de statistische kentallen voor heterogeniteit en spreiding lager zijn dan die uit 2012 wordt de P95 van 2018 gebruikt. Deze is vervolgens verhoogd naar 30 mg/kg d.s. voor kobalt en 380 mg/kg.d.s. voor barium. De reden hiervoor is dat voor traject 1 als ondergrens voor de LMW voor alle individuele stoffen uit wordt gegaan van de concentratie die hoort bij 2 * AW en <W. PAK Voor PAK is de P95 in het deelgebied “tot 1900” van de geactualiseerde dataset in 2018 hoger dan de P95 in 2012. In 2012 is de LMW iets hoger vastgesteld, dan de P95, namelijk op de maximale waarde voor wonen.
Omdat de P95 voor 2018 nog steeds net onder de maximale waarden voor wonen ligt, blijft de LMW voor PAK gelijk aan de maximale waarde voor wonen. In het deelgebied ‘1945-1965’ lag de P95 in 2012 net beneden de maximale waarde voor wonen en in 2018 ligt deze er net boven. Daarom wordt de LMW nu niet aangepast. In de deelgebieden ‘Waalsprong’ en ‘Waalsprong kassen’ is de P95 voor 2018 wel hoger dan die in 2012, maar nog steeds beneden de ondergrens die in traject voor alle individuele stoffen wordt gebruikt (2 * AW en <W). De LMW voor PAK hoeft in deze deelgebieden niet teworden aangepast. Zink De P95 is voor zink in de deelgebieden ‘Waalsprong’en ‘Waalsprong kassen’ voor de geactualiseerde dataset in 2018 lager dan in 2012. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het bouw- en woonrijpmaken van de verschillende woningbouwlocaties in de Waalsprong. De verhoogde gehalten aan zink hangen waarschijnlijk samen met de bijmenging met bodemvreemd materiaal (m.n. puinbijmenging). Als gevolg van het bouw- en woonrijpmaken in 44
Lokale maximale waarde (voorafgaande aan toetsing risico’s)
het woningbouwgebied de waalsprong is een deel van deze bijmenging verdwenen of homogener verdeeld geraakt. Bij nieuw onderzoek voor bouwplannen worden dan lagere concentraties zink aangetroffen. Omdat de P95 voor zink in beide deelgebieden in de Waalsprong heel dicht bij elkaar liggen (244 en 246 mg/kg ds) wordt voor zink in beide deelgebieden dezelfde LMW gebruikt, zodat dit geen struikelblok vormt voor toepassing van grond van het ene in het andere deelgebied. Lood In de deelgebieden ‘1900-1945’en ‘Waalsprong kassen’ is in 2018 een lagere P95 voor lood berekend. Vanwege nieuwe inzichten met betrekking tot de risico’s van lood stellen we de LMW vast op die lagere P95. Bestrijdingsmiddelen In deelgebied ‘1965-heden’ ligt de P95 voor drins en DDE op basis van de geactualiseerde dataset hoger dan de P95 in 2012. De P95 is in zowel 2012 als 2018 gebaseerd op relatief weinig waarnemingen (ongeveer 20 in 2012 en 40 in 2018), omdat ze alleen worden geanalyseerd als er verwachting is op het voorkomen van deze stoffen (dus bij boomgaard of kassen). De LMW voor deze stoffen wordt daarom niet aangepast en blijft op het niveau van tweemaal de AW2000. In deelgebied ‘Waalsprong kassen’is de P95 voor drins en DDD op basis van de geactualiseerde dataset in 2018 lager dan de P95 in 2012.
In de periode na 2012 zijn een aantal grote ontwikkelingslocatie na het bouw- en woonrijp maken nogmaals onderzocht. Hier hebben inmiddels saneringen plaatsgevonden en is de bovengrond geroerd door het bouw- en woonrijp maken. Daardoor zijn de concentraties aan drins niet of nauwelijks meer verhoogd, en is de P95 een stuk lager. Door deze lagere P95 te hanteren wordt hergebruik van grond uit nog niet ontwikkelde gebieden lastiger. Daarom wijzigen we de LMW voor drins en DDD niet.
8.2.3
Bodemtraject 2 Besluit Bodemkwaliteit: schone grond // Wet Bodembescherming: 2*AW en <W Besluit Bodemkwaliteit: schone grond De grond in traject 2 is voor (nagenoeg) alle deelgebieden schoon volgens de toetsingsregels van het Besluit bodemkwaliteit, enkele uitzonderingen daargelaten. Om deze reden worden de lokale maximale waarden gelijk gesteld aan die van schone grond. Bij het hergebruik van grond moet de grond schoon zijn waarbij het gemiddelde gehalte van maximaal 2 stoffen (bij analyse van minimaal 7 stoffen) hoger mag zijn dan achtergrondwaarde maar kleiner dan 2 keer de achtergrondwaarde én de norm voor wonen niet wordt overschreden. Daarbij maakt het niet uit om welke 2 stoffen het gaat. Bij meer dan 16 geanalyseerde stoffen mogen 3 stoffen deze waarde overschrijden. Wet Bodembescherming: 2*AW en <W Bij het uitkarteren van een geval van ernstige bodemverontreiniging is de grens voor alle te saneren stoffen op het niveau van 2 keer de achtergrondwaarde maar kleiner dan de generieke maximale waarde voor wonen gelegd. Dit maakt de toetsing bij het uitkarteren van een geval van ernstige bodemverontreiniging en het uitkeuren van de saneringsput begrijpelijk en eenvoudig. Alleen voor DDT, DDE, DDD en drins in de deelgebieden Waalsprong en Waalsprong-kassen gelden andere waarden (zie onder kopje “*”). Ook voor PFAS geldt deze regel niet.
Die moeten voldoen aan de toetsingswaarde voor natuur/landbouw. Koper, kwik, lood, kobalt, PAK, en drins verlagen naar: Besluit Bodemkwaliteit: schone grond // Wet Bodembescherming: 2*AW en <W De P95 van koper, lood, kwik en PAK in traject 2 in de deelgebieden “1900-1945”, kobalt in deelgebied “1965heden” en drins voor deelgebieden “1945-1965” en “Waalsprong-kassen” liggen boven de norm voor schone grond (2 * achtergrondwaarde en kleiner dan maximale waarde wonen). In traject 2 wordt eigenlijk geen tot weinig bodemverontreiniging verwacht. Enkele oorzaken kunnen hieraan ten grondslag liggen.
45
Lokale maximale waarde (voorafgaande aan toetsing risico’s)
Koper, kwik, kobalt, lood en PAK De scheiding tussen traject 1 en traject 2, dat op 1 meter diepte is gelegd, kan niet zo strak worden gekozen. De scheiding kan op plaatsen sterk variëren en dus ook dieper liggen. Hierdoor komen relatief vieze monsters in de database van traject 2 terecht. Dit geldt met name voor de stoffen koper, kwik, lood en PAK in deelgebied 19001945. Drins De dataset van traject 2 voor deze stoffen is niet representatief voor het totale gebied. De analyses in traject 2 zijn niet keurig verdeeld over het deelgebied. Er wordt pas een analyse in de ondergrond uitgevoerd als in de bovengrond ook een probleem aanwezig is. Van onverdachte locaties zijn er dus zeer weinig analyses van traject 2. Hierdoor is de P95 in traject 2 hoger dan daadwerkelijk aanwezig in het totale gebied. Vanwege bovenstaande redenen worden de normen t.b.v. het besluit bodemkwaliteit en de Wet Bodembescherming als volgt vastgesteld: Besluit Bodemkwaliteit: schone grond De bodemkwaliteit van traject 2 ligt op het niveau van schone grond in het kader van het besluit Bodemkwaliteit maximaal 2 stoffen >2*AW. Wet Bodembescherming: 2*AW en <W In het kader van de Wet Bodembescherming (t.b.v.
uitkarteren bodemverontreiniging/uitkeuren saneringsput/wand) ligt de norm van alle individuele stoffen op een gehalte dat gelijk is aan 2 maal de achtergrondwaarde maar kleiner dan de generieke maximale waarde voor de bodemfunctie wonen, met uitzondering van DDT, DDE, DDD en drins in de deelgebieden Waalsprong en Waalsprong-kassen (zie onder kopje “*”). *
Traject 2: DDT, DDE, DDD en drins: lokale maximale waarde bij hergebruik grond anders dan voor het bepalen van de gevalsgrenzen.
Bij een verontreiniging met bestrijdingsmiddelen is een visuele afperking van traject 1 en 2 in de deelgebieden Waalsprong en Waalsprong-kassen vaak niet mogelijk. De verontreiniging is immers niet gerelateerd aan zintuiglijke verontreiniging zoals puin en kooltjes. Uit de praktijk blijkt dat verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen in de bodemlaag van tot 0,0 tot circa 0,5 á 1 m -mv aanwezig is, waarbij de gehaltes naar de diepte toe snel afnemen. Wet Bodembescherming Daarom gelden bij het uitkarteren van een bodemverontreiniging met DDT, DDE, DDD en drins en bij het uitkeuren van de saneringsput de waarden voor traject 1 ook voor traject 2. Besluit Bodemkwaliteit Bij het hergebruik van grond in het kader van deze nota bodembeheer wordt wél een scheiding gemaakt tussen traject 1 (0-0,5 m-mv) en traject 2 (0,5-2,0 m-mv). Bij het toepassen van grond in traject 2 dient de grond schoon te zijn, om te voorkomen dat een schone ondergrond verontreinigd raakt met bestrijdingsmiddelen.
46
47
Toetsing gevolgen lokale maximale waarden: humane en ecologische risico’s.
9
Toetsing gevolgen lokale maximale waarden: humane en ecologische risico’s. Bij het gebiedsspecifieke kader moet worden getoetst of de berekende lokale maximale waarden humane of ecologische risico’s opleveren en of de waarden daarop moeten worden aangepast. In dit hoofdstuk wordt daar inzicht in gegeven.
Korte inleiding over bodemfuncties en risico’s In het generieke kader wordt het gebied in 3 bodemfunctieklasse verdeeld namelijk: Achtergrondwaarde, wonen en industrie. Voor iedere functieklasse is een landelijke generieke waarde vastgesteld. Zolang de generieke waarde van die functiekladsse niet wordt overschreden bestaan er geen risico’s. Als in het gebiedsspecifieke kader hogere waarden worden vastgesteld dan de generieke normen is een beter inzicht nodig in de ecologische en humane risico’s. Daartoe zijn in de Regeling bodemkwaliteit 7 bodemfuncties onderscheiden, ieder met een eigen ecologisch en humaan beschermingsniveau. De mate van bescherming van mensen wordt bepaald door: • veel of weinig bodemcontact (bij veel bodemcontact moet de concentratie lager zijn dan bij weinig bodemcontact om voldoende bescherming te bieden); • veel, gemiddeld, beperkt of geen gewasconsumptie (bij veel gewasconsumptie moet de concentratie lager zijn dan bij geen gewasconsumptie om voldoende bescherming te bieden). Voor het ecologisch systeem wordt de mate van bescherming bepaald door de invloed van de bodemverontreinigingen op het ecosysteem: hoe gevoeliger/belangrijker het ecosysteem, hoe hoger het beschermingsniveau en des te lager mag de concentratie zijn.