18. Bijlage bij de toelichting deel 5a-2
Tekst van het document
meters doorgezet. Zie onderdeel binnenberm voor nadere
Kruin - minimaal 1:100
uitwerking van de markante overgang bij erven
Taluds - minimaal 1:30
(afbeelding uit Landschapsplan HOP, DO)
Berm - minimaal 1:30
Dijkverbetering Hagestein - Opheusden | Landschapsplan DO fase B - augustus 2016 Dijkverbetering Hagestein - Opheusden | Landschapsplan DO fase B - augustus 2016
tdentidvnlieveluetenuetvnEevE dd endavnadvuldaut ltaethteh
op landschappelijke aanleidingen. Het huidige lengteprofi el incl. karakteristieke Lengteprofi el: kleine verschuivingen in het dijktracé zijn geleidelijk en/of gebaseerd wordt hierdoor behouden enhuidige evt. versterkt. - p.22/28 opbochten landschappelijke aanleidingen. Het lengteprofi el incl. karakteristieke wordttussen hierdoor behouden envallen evt. versterkt. - p.22/28 2. bochten Overgangen dwarsprofi elen zoveel mogelijk samen met landschappelijke aanleidingen (bv toeritten, zonodig wordt profiel in 2. Overgangen tussen dwarsprofi elenperceelsgrenzen), vallen zoveel mogelijk samen methet landschapovermaat enkele tientallen meters doorgezet. - p. 69 pelijke aanleidingen (bv toeritten, perceelsgrenzen), zonodig wordt het profiel in tientallen meters doorgezet. - p.aanwezig 69 3. overmaat Wanneerenkele er geen landschappelijke aanleiding is, dan wordt een overgang tussen verschillende dijkprofielen vloeiend opgelost. Bijis,hoogteovergangen op de 3. Wanneer er geen landschappelijke aanleiding aanwezig dan wordt een overgang kruin wordt gestreefd naar een 1 opopgelost. 100, bij hoogteverschillen op deop berm tussen verschillende dijkprofi elentalud vloeiend Bij hoogteovergangen de wordt gestreefd naarnaar een een taludtalud 1 op130. Overgangen in wegbreedtes kennen kruin wordt gestreefd op 100, bij hoogteverschillen op de bermeen verloop van minimaal 1 op 20.1 op 30.
Overgangen in wegbreedtes kennen een wordt gestreefd naar een talud verloop van minimaal 1 op 20. 1.
dijktracé M E T L A N DinShet CH A P P Egeleidelijk L I J K Een/of A A gebaseerd N L E I D Iop N landschappelijke G:
veegreedrneodznjiobzjnibI nI.4 .4 tnhjc iltihz c&izg&nignnoiw now 100, bij hoogteverschillen op de berm wordt gestreefd naar een nhterohordoondednneidv niv m leevoz tlav dnarliets eleutntalud eve neE1 op 30. Overgangen in wegbreedtes kennen een verloop van nidignidëneibëserbaswradwd 1 op 100
Cruciaal onderdeel 3 - Vanzelfsprekende overgangen tussen dijkprofionderdeel elen Cruciaal 3 - Vanzelfsprekende overgangen tussen dijkprofielen
C3 C3
Wegbreedte - minimaal 1:20
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
78
EENDUIDIGE HOOFDVORM VAN DE DIJK NIET ZO:
Essentie: • 1 doorgaand talud, naadloze aansluiting op bestaande taluds • Bloemrijke taluds waar mogelijk • Aanwezige steenbekleding waar mogelijk verwijderen (waar het niet langer nodig is) en zo min mogelijk terug brengen
1 D I J K TA L U D
• geen kleine stabiliteitsbermpjes of andere afwijkingen: smalle stabiliteitsbermen halverwege het talud zijn vanuit zowel ruimtelijke kwaliteit als beheer ongewenst. • Waar nodig deze locaties het talud incidenteel verflauwen tot max. 1 op 3,5, bij voorkeur met getaileerd talud AANSLUITINGEN
Taluds sluiten naadloos aan op de oude taluds • Kruinverhogingen sluiten vloeiend aan op het bestaande talud, d.w.z. zonder zichtbare knikken of horizontale delen (zogenaamde (‘traptreden‘). • Kleine aanpassingen ‘bijpoetsen’ met grond en vloeiend aansluiten op bestaande taluds, zonder knikken en zichtbare overgangen. Waar dit niet mogelijk is talud van onderaf opnieuw opbouwen zodat 1 doorgaande lijn ontstaat.
geen ‘terrassen’ tbv stabiliteit in het dijktalud
1 talud: geen ‘tussenstukjes’ en kleine afwijkingen
MAAR ZO:
kleine aanpassingen in taluds vloeiend aansluiten op bestaande taluds, bestaande helling doorzetten, ook als deze flauwer is dan 1:3
KRUIDENRIJKE GRASBEGROEIING
• Nieuwe taluds krijgen een kruidenrijke grasbegroeiing • Mogelijk optimalisatie: Bijvoorkeur taluds waar kruidenrijk gras nog niet aanwezig is open werken en opnieuw in- of doorzaaien met kruidenrijke mengsels
waar dit nodig is talud opnieuw opbouwen zodat 1 talud ontstaat
scherpe taluds met markante knikpunten, niet afbollen of uitvlakken
ERM
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
79
PE STEENBEKLEDING EN ECOLOGISCHE ZONE AANWEZIGE STEENBEKLEDING WAAR MOGELIJK VERWIJDEREN,
EENBEKLEDING B I J TA L U D V E R F L A U W I N G B I J V O O R K E U R
B E S TA A N D E C O N S T R U CT I E S WA A R M O G E L I J K H E R G E B R U I K E N:
Z O V E E L M O G E L I J K O N D E R I N E E N G E TA I L E E R D TA L U D H A N T E R E N , M E T B O V E N I N 1: 3:
Eigendom derden
Eigendom en beheer waterschap steenbekleding in principe niet (meer) nodig, verwijderen waar dijktalud opnieuw wordt opgebouwd
5m beheerstrook minimaal -3,5m
1:3
gemiddeld handhaven12m en evtbermlengte terugbrengen
bestaande steenbekleding waar nodig vanuit beheer, in dat geval groen (begroeid) beeld
onderzoeken functionaliteit bestaande damwand / schermen
-4m
1:3,5
per dijksegment bekijken (continuiteit)
1:4
1:20 beheerstrook 1:10
min 1:10
Bij voorkeur zoveel mogelijk 1:3 talud. Het bovenste deel van het talud
Een groene dijk met kruidenrijke grastaluds heeft de voorkeur. Steenbekleding is in principe niet nodig ten behoeve van stabiliteit (grastaluds kunnen
nabij de weg is het meest bepalend voor de beleving en beeld vanaf de
golfbelasting tot 1,5m aan). Waar mogelijk wordt de bestaande steenbekleding verwijderd. Er wordt zo min mogelijk steenbekleding teruggebracht,
dijk. Door dit deel uit te voeren in 1:3 en ontstaat er een subtiel hol talud
alleen waar dit absoluut noodzakelijk is vanuit beheersaspecten. Daarbij kiezen voor hergebruik van bestaande stenen of een steensoort die ‘mooi
wordt het beeld van een slanke dijk die met markante steile taluds uitstijgt
verouderd’ en deel uitgaat maken van het groene talud. Dit beeldkwaliteitsaspect is nader uit te werken in het landschapsplan.
boven het landschap zoveel mogelijk behouden.
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
80
INGETOGEN KRUININRICHTING
Essentie: • Eenduidige kruininrichting in aansluiting met de uitgangspunten Gastvrije Waaldijk • Terughoudende en ingetogen inrichting wbt bebording, materiaalgebruik, meubilair en verkeersremmende maatregelen met het oog op de ongestoorde landschapsbeleving
De weg op de dijk kent een lokaal en gemengd (auto, motorrijder, landbouwvoertuig, fietser, voetganger) gebruik. De weg op de dijk ligt buiten de bebouwde kom, 60km/u. GASTVRIJE WAALDIJK
Het HWBP omvat voor de noordelijke waaldijk een de dijkversterking van het 80 kilometer aaneengesloten traject van Gorinchem tot Sprok. Hierbij wordt het realiseren van de ambitie Gastvrije Waaldijk als meekoppelkans meegenomen. Ook voor de delen waar de kruin niet verhoogd wordt wordt het wegdek vernieuwd en ingericht volgens het profiel Gastvrije Waaldijk.
GEEN AANVULLENDE KANTVERHARDING EN WEGMARKERING
Er wordt bij de dijkverbetering ingezet op een veilige maar ingetogen inrichting wbt bebording, materiaalgebruik, meubilair en verkeersremmende maatregelen. Indien het Gastvrije Waaldijk profiel met doorlopende gesloten betonbanden wordt toegepast wordt hierbij geen aanvullende bermverharding zoals halfverharding, puinverharding of grasbetonstenen toegepast. Bij het Gastvrije Waaldijkprofiel hoort geen wegmarkering. VERLICHTING
Verlichting is buiten de bebouwde kom niet nodig, alleen ter hoogte van gevaarpunten.
V I S I E ,
B E E L D K WA L I T E I T S P L A N ,
L A N D S C H A P S P L A N ,
B O R G I N G
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
81
3.1.1 Wegbreedte
BASISPROFIEL 60 KM/UUR Het basisprofiel heeft de volgende standaard-opbouw. Vanaf rivierzijde: •
Minimaal 50 cm grasberm tussen weg en insteek talud.
•
Betonband, vaste maat 60 cm breed, prefab, ruwe bovenzijde, midden-grijs.
•
Zwart asfalt, 4.20 breed, maatwerk mogelijk, geen belijning.
•
Grasbetonband, vaste maat 60 cm breed, prefab, ruwe bovenzijde, midden-grijs.
•
Opgave: Eenheid in het lengteprofiel
Ontwerpprincipe Behoud bestaande breedtes
Minimaal 50 cm grasberm tussen weg en insteek talud.
TECHNISCHE SPECIFICATIES •
Asfalt en betonbanden zijn geconstrueerd op een puinbaan.
•
De puinbaan is ‘ingepakt’ in een geotextiel
•
Het asfalt wordt verstevigd met een kunststof wapeningsmat.
•
Betonbanden worden in het asfalt verankerd.
•
De voegen in de grasbetonband worden gevuld met een
Uitgangspunt zijn de huidige (per traject gemiddelde) kruin- en verhardingsbreedtes.
speciaal hiervoor ontwikkeld substraat. 2012
74 •
De grasberm naast de betonbanden wordt verstevigd met kunststof korrels.
TECHNISCH NADER TE DETAILLEREN Aannemer is verantwoordelijk voor een technische opbouw van de totale wegconstructie, waarbij asfalt en betonbanden gedurende ten minste 30 jaar niet onderhevig zijn aan scheurvorming en/of ongelijkmatige zetting.
Schaal 1:50
Basisprofiel Gastvrije Waaldijk
Afbeeldingen uit Gastvrije Waaldijk
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
82
B U IT E NTA LU D
Essentie: • 1 buitentalud • Talud verflauwen naar 1:3, max 1:3,5 • Bij voorkeur getaileerd talud • Eventueel noodzakelijke berm zo laag mogelijk, max 1.50m tov aangrenzend maaiveld
De kenmerken van het buitendijkse landschap worden behouden en versterkt en zo dicht mogelijk voortgezet tot aan de hoofdvorm van de dijk. 1 B U I T E N TA L U D
Het buitentalud van de dijk is cruciaal voor een continue markante hoofdvorm van de dijk. Het buitendijkse talud vormt een scherpe grens met het aanliggende landschap, een belangrijk verschil met de binnendijkse zijde waar de bermen lang zijn en onderdeel vormen van een gevarieerd landgebruik in de dijkzone. B U I T E N W A A R T S E S TA B I L I T E I T
Bij een opgave met betrekking tot buitenwaartse stabiliteit wordt ingezet op het volgende optimalisatie kader: 1. Verflauwen talud naar 1:3, maximaal 1:3,5. Bij voorkeur getaileerd talud, bovenste deel 1:3 2. Alleen als dit niet anders kans aanbrengen kleine buitendijkse berm van 4-5m breed met hierop de beheerstrook. Deze berm zo laag mogelijk houden, max 1.50m tov maaiveld. De buitenberm wordt zo laag en opvallend onderdeel van het dijktalud gemaakt. 3. Specifieke ontwerpoplossing nodig
KNELPUNTEN
Bij sommige locaties ontstaat er een knelpunt door onvoldoende ruimte voor de inpassing van de maatregel met betrekking tot buitenwaartse stabiliteit. Dit betekent dat voor deze trajecten een specifieke oplossing wordt gezocht, in aansluiting op de specifieke landschappelijke karakteristieken van deze dijktrajecten. Het aangrenzende landschap wordt meeontworpen: de oplossing sluit landschappelijk aan op aanwezige kenmerken zoals kolken, strangen en aanwezige beplanting: onge-
definieerde ‘tussenzones‘ tussen hoofdvorm van de dijk en het aangrenzende landschap worden voorkomen. Bijvoorbeeld door het realiseren van ecologische oevers tussen waterpartijen en dijk die met standaard materiaal van het waterschap kan worden onderhouden. Waar mogelijk worden cultuurhistorische elementen zoals kolken en rabatten (in overleg met eindbeheerders en grondeigenaren) versterkt.
DROOG - AGRARISCH
BASIS DWARSPROFIEL
D I J K V E RDROOG S T E R K- IAGRARISCH NG WOLFEREN - SPROK
83
Aankoopgrens
Eigendom
Aankoopgrens
BASISPROFIEL:
Eigendom en beheer waterschap
nood noodzakelijke ophoging tot max +0.50m, gemiddeld tot max+0.15m +0
bij voorkeur geen buitenberm bij voorkeur geen buitenberm
Geen buitenberm, 1:3 taluds.
overslagbestendigheid: 10 l/s over
beheerstrook op de evt berm
Beheerstrook kan ook als struinpad fungeren. Onderzoeken 1m extra breedte beheerstrook met extensief beheer ten
Waterstand bij norm (2075)
behoeve biodiversiteit.
PvVR? 4m
Waterstand bij norm (2075)
beheerstrook PvVR? 4mde evt max berm 5m op max 5m
min. 4m x 3,5 liever 4,5m of meer tot ma en
w
vaste hoogte
huidige wegbreedte
n
uwe
la verf t v e ,
NAT - KOLK OF STRANG BINNEN BEINVLOEDINGSGEBIED
vaste hoogte tov de kruin
max 1,5m: 25% van 6m buitenberm alleen waar nodig
evt flauw talud toepassen, bv 1:7 Voorkomen tussenzone Evt natuurcompensatie overzijde kolk?
waar mogelijk optimaliseren natuurvriendelijke oever, evt oever herinrichten: integraal optimaliseren stabiliteit/ecologie/graverij waardevolle oever beplanting waar mogelijk inpassen zo mogelijk 1 talud naar dijkberm. Maatwerk, afhankelijk van de afstand en locatieevt voorzieningen tegen dierlijke graverij onder maaiveld wegwerken met behoud van oeverbeplanting evt voorzieningen tegen dierlijke graverij onder maaiveld wegwerken met behoud van oeverbeplanting
PRINCIPE MARKANTE LANDSCHAPPELIJKE GRENS BEPLANTING BINNEN INVLOEDSZONE
S I T U AT I E : B E P L A N T I N G A A N D E D I J K
4.2
(met een (flink) kleinere buitenberm komt dit waarschijnlijk niet meer voor) bestaande beplanting handhaven PvVR? 4m evt beheerstrook op 1:6 om ruimtebeslag te beperken
Eigendom derden
4m
evt
0.2 0.5
min. 4m tov de kruin ,5 aanhouden ax 3 max 1,5m: van 6m m liever 4,5m of25% meer t to
1:3
S I T U AT I E : N AT T E T E E N
1:3,
0.6 0.5
rflau
vt ve
e 1:3,
buitenberm alleen waar nodig evt flauw talud toepassen, bv 1:7
PRINCIPE NATTE TEEN
7m
0
hu
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
84
BINNENBERM: LANDGEBUIK LOOPT DOOR
Essentie: • Bermen aan de binnendijkse zijde zijn waar mogelijk laag en zoveel mogelijk flauw aflopend. • Waar dit niet kan bij een markante landschappelijk grens wordt hierop aangesloten met een scherp talud • De bermen aan binnendijkse zijde zijn zoveel mogelijk integraal onderdeel van de aangrenzende kavel en daardoor niet nadrukkelijk herkenbaar als onderdeel van de waterkering. • Beheerstrook ligt op de berm • Uitgangspunt minimaal -3,5m bermhoogte tov kruinhoogte
B I N N E N W A A R T S E S TA B I L I T E I T
Er zijn verschillende maatregelen mogelijk ten behoeve van binnenwaartse stabiltieit zoals taludverflauwing, bermen en constructies (damwanden, geotextiel etc.). Op hoofdlijnen wordt onderstaande volgorde voorgesteld bij het zoeken naar de juiste oplossing: 1. Basis: verflauwen binnentalud naar 1:3, max 1:3,5. Bij voorkeur getaileerd talud met zoveel mogelijk 1:3 2. Verlengen huidige, of aanleg nieuwe stabiliteitberm: • Aandacht voor het behoud van voldoende hoogte tussen kruin en berm om de hoofdvorm van de dijk leesbaar te houden: streven naar -3,5m bermhoogte tov kruinhoogte, minimaal -3m. (zie principetekening.) • Beheerstrook op de berm, tegen de optische dijkteen aan. • Waar mogelijk berm 1:10 aanhelen met het aanliggende maaiveld en het grondgebruik doorzetten op de berm (in open
3.
4.
gebied). Waar dit niet kan bij een markante landschappelijk grens wordt hierop aangesloten met een scherp talud. Bij ruimtegebrek is er maatwerk nodig, bijv. aanleg constructie (zie principes maatwerk). Sloop en herbouw als terugvaloptie.
Deze volgorde komt onder andere voort uit de mate waarin een maatregel impact heeft op de landschapsbeleving en gebruik, maar ook vanuit de mate van flexibiliteit, uitvoerbaarheid en kosten. Uiteindelijk wordt de keuze voor een maatregel bepaald door de specifieke situatie ter plaatse. Daarbij kan het zo zijn dat met het oog op de continuïteit van de dijk er niet gekozen wordt voor een bepaalde maatregel, omdat dat voor het aangrenzende traject door omstandigheden niet mogelijk is. De principe tekeningen op de volgende paginas tonen principes voor veelvoorkomende situaties.
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
Ongewenst: hoge steunbermen als terras aan de dijk
85
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
86
PRINCIPES BINNENBERM:
1 A A N H E L E N A L S H E T K A N ( B A S I S P R O F I E L ):
landgebruik loopt door
1:20
landgebruik loopt door
1:10
in open gebied: landschappelijk aanhelen met ‘lange lage berm’, minimaal 1:10, landgebruik loopt door op de berm. Voor dit deel van de berm geldt een zakelijk recht.
KOLK S I T U A T I E : K O L K , W A T E R G A N G O F G RNAT A C- H T OF SLOOT BINNEN INVLOEDSSFEER Voorkomen tussenzone
beheerstrook 4m
Of natuurvriendelijke oever maken Of talud aanvullen evt waardevolle oever beplanting inpassen zo mogelijk 1 talud naar dijkberm. Maatwerk, afhankelijk van de afstand
1:20
1:15 of nog flauw
er
Op bijzondere locaties zoals monumentale landgoederen of daar waar ruimte is en het landschappelijk gewenst is kan worden bekeken of er nog flauwer dan 1:10 kan worden aangeheeld, bijvoorbeeld met 1:15 of nog flauwer
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
87
2 A L S A A N H E L E N N I E T Z O M A A R K A N ( B I J L A N D S C H A P P E L I J K E G R E N S ):
maatwerk afstemmen aanheling met behoud waardevolle delen beplanting
evt pipingmaatregel buiten de boomkroon alleen raster bij begrazing
berm evt tot max 0.5m ophogen berm om beplanting te sparen evt aanvullen 1:20
Bij landschappelijke grenzen ‘bermkavel’ en grens ‘benadrukken’ : korte lage berm’ met steil talud (1:2 beheerd vanaf de berm). Berm evt aanvullen waar nodig. Bermkavel in particulier beheer of extensiever maaibeheer.
1:20
1:20
1:2
1:10
Bij lijnvormige singels, lanen en houtwallen parallel aan de dijk die niet te sparen zijn, kiezen voor of A) herplanten op een aangeheelde berm (berm blijft laag, geen leeflaag óp de berm)...
1:20
1:6
Bij bossages of singels haaks op de dijk waarbij kap van (delen van de) beplanting noodzakelijk is, wordt deze herplant op een aangeheelde berm met leeflaag. Plaatselijk kan om bestaande waardevolle beplanting te ontzien de aanheling worden ingekort door het toepassen van een talud van max 1:6.
1:20
1:10
.... of B) herplanten op leeflaag met flauwe taluds op de berm (om lijnelement op korte afstand van de dijk te houden). Bij lange paralelle elementen is het doorzetten van de leeflaag tot aan het dijktalud waarschijnlijk noodzakelijk.
3 Opbouw van bermen
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
88
Bij het ontwerpen van de berm worden de afmetingen bepaald door de primaire functie van de
kan bijvoorbeeld de vergroting zijn van het buiten- of binnentalud L E E F L A A G Eberm. NDatM EDEG E B RvanUde Imacrostabiliteit K en/of, bij binnenbermen, het oplossen van de kans op piping.
Essentie: • landgebruik doorzetten op de berm, leeflaag nodig bij: • bomen >5m hoog (diepwortelend) • fruitteelt • grasland met grootvee • boomkwekerij
Binnenbermen Op basis van de nieuwe rekenregels voor piping blijkt de oplossing langs de Waal voor het voorkomen van piping te leiden tot hele lange bermen. Het waterschap GEBRUIK EN LEEFLAAG heeft derhalve Waar mogelijk wordt de berm in particulier besloten om de eventuele kans beheer gegeven worden, zodat verschillende op piping vormen van landgebruik doorgezet kunnen voorlopig op te worden op de berm. Voor dit deel van de lossen via berm geldt een zakelijk recht van het waterverticale schap. De notitie: ‘Medegebruik binnenbermen methoden. bij waterkeringen’ geeft richtlijnen: Daarbij is • Bij gebruik als grasland entevens begrazing aandoor de projecten de schapen is in principe geen leeflaag nodig. Fig. 3. Principe van een binnenberm mogelijkheid • Bij gebruik als fruitteelt, boomkwekerij, grasland met grootvee (koeien, paarden) en bij bomen >5m moet een leeflaag van 0,5m dik worden toegepast. • Op een berm met leeflaag mogen o.a. laagstamfruitbomen, knotwilgen en leibomen 6 worden aangebracht. De tabel hiernaast geeft een overzicht. Het Waterschap spant zich in om het voorkeursprofiel met bermen in particulier eigendom en beheer te realiseren, bij wijze van hoge uitzondering kan er worden teruggevallen op een van de terugvalopties.
Bijlage 1
Toelichting basis: Betreft hetgeen via het publiekrecht (algemene regels, beleidsregels en vergunningsvoorschriften) wordt geregeld. Uitgangspunt overslag: 10 l/s/m Insteek is gericht op aanwezig zijn en blijven van voldoende gewicht op de berm. Ingeval een overhoogte nodig is, wordt dat ook op de 5 m-beheerstrook aangebracht. Algemene beleidsregels met code c.q. nummer: 5.18a Bouwwerken in en op een primaire waterkering en bijbehorende beschermingszone 5.20 Bomen en struiken en laagblijvende beplanting binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone 5.22 wegen, parkeerplaatsen en perceelsontsluitingen (op- en afritten) in de waterkering en bijbehorende beschermingszone WW4 Gras en eenjarige gewassen WK1 Beplanting, WK5 Erfverharding
13
Beide afbeeldingen uit Notitie ‘Medegebruik binnenbermen bij waterkeringen’ - WSRL
89 DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
90
BEHOUD EN VERSTERKEN BEPLANTING
Essentie: • Het samenspel tussen beplantingen en open ruimtes is bepalend voor de variatie en het kleinschalige karakter van het landschap van de dijkzone. • Bestaande beplanting wordt waar mogelijk gespaard, beplanting die ten behoeve van het project wordt verwijderd wordt zoveel mogelijk teruggeplant, daarnaast wordt waar passend extra beplanting toegevoegd.
De aanwezige beplanting nabij de dijk is sterk bepalend voor het ruimtelijk beeld. In aansluiting op het princpe dat het landgebruik raakt aan de teen van de dijk wordt er ingezet op het behoud van waardevollle beplanting, maar ook op het verwijderen van beplanting waar dit minder passend en karakteristiek is. BEPLANTING IN DE DIJKZONE
Beplanting in de dijkzone wordt in principe gehandhaafd of na de verbetering weer teruggeplant. Doorgaande groenstructuren met een ecologische functie (voor bv vleermuizen) blijven hierdoor behouden. Op een aantal plekken staat echter beplanting waar dit vanuit de landschappelijke beleving of cultuurhistorisch oogpunt minder gewenst is. Hier zou beplanting juist verwijderd moeten worden. Dit wordt uitgewerkt in het landschapsplan volgens deze principes: • Behoud van beplanting waar mogelijk; o.a. door beschermende maatregelen tijdens uitvoering, en inpassing in het ontwerp. Behoud van beplanting mag echter niet ten koste gaan van een heldere grondvorm van dijk en bermen. Een overzicht van de te behouden/gekapte bomen en beplanting wordt opgenomen in het landschapsplan.
• De locatie, aard en grootte van beplanting op en langs de dijk wordt bepaald door de beleidsregels van het waterschap. Aandachtspunten: schaduwwerking bomen, opgaande beplanting binnen de kwelintrede- en kweluittrede, voldoende doorrijbreedte op beheerpad (ook in de toekomst), aanwezigheid kabels en leidingen. • Soort en positie van nieuwe beplanting versterkt de karakteristieken en variatie van het dijklandschap, en de biodiversiteit. • Het landschapsplan geeft de randvoorwaarden voor de aan te brengen beplanting: soorten, maten, onderlinge afstanden en wordt in aanvulling daarop in overleg met bewoners aangebracht.
B E E L D B E PA L E N D E B O M E N E N B O S SEN
Langs de dijk staan een aantal beeldbepalende (soms monumentale) bomen. Uitgangspunt is om deze met maatwerkoplossingen te behouden. Een voorbeeld is de monumentale beplanting bij het kerkje Slijk-Ewijk en het Eiken-Essenbos bij het landgoed Oosterhout en landgoed Loenen.
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
BEPLANTING OP DE BERM
Eén van de basisprincipes voor de inpassing is om het gebruik dichter op de dijk te brengen. • Beplanting op de bermen is vanuit landschappelijk en ecologisch opzicht interessant en kan als stapsteen langs de dijk fungeren. Aandachtspunt is wel dat de bermen door het aanbrengen van een leeflaag hoger worden. Maak bij hoge bermen daarom de afweging of dit wel wenselijk is: behoud voldoende hoogte tussen de kruin en de berm.
KRUIDENRIJK GRASLAND
Inzetten op het versterken van de ecologische waarde van de dijk als langgerekte verbindingszone i.c.m. een aantrekkelijk, bloemrijk beeld van de dijk door het inzaaien van de dijktaluds met een bloemrijk mengsel.
monumentale beplanting bij entree landgoed Loenen
91
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
92
M A AT W E R K B I J I N PA S S I N G E R V E N E N B E B O U W I N G
Essentie: • De erven zijn zeer bepalend voor de variatie en het kleinschalige karakter van het landschap van de dijkzone. • Waar mogelijk wordt de ruimtelijke kwaliteit van het totale erf als samenhangend ensemble van bebouwing, verharding en beplanting behouden en versterkt.
De dijk is langs het gehele tracé afwisselend bebouwd. Deze bebouwing staat soms helemaal onderaan de dijk, soms halverwege en soms op dijkhoogte. De meeste bebouwing staat aan de binnendijkse zijde, maar er staan ook woningen buitendijks. Vaak worden de woningen ontsloten vanaf de dijk met op- en afritten of met trappen in het dijktalud. M A AT W E R K
Het uitgangspunt voor de dijkverbetering is om dijkbebouwing te behouden en goed in te passen. Hiervoor is altijd maatwerk nodig: 1. bij een oplossing in grond wordt de ruimtelijke kwaliteit van het totale erf als samenhangend ensemble van bebouwing, verharding en beplanting gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. 2. Als een oplossing in grond niet past wordt een constructie doorgetrokken langs het gehele (kern)erfensemble en een passende overgang naar naastgelegen bermen gemaakt. 3. Soms kan het echter zo zijn dat door de dijkverbetering de situatie onacceptabel verandert, dan is het te overwegen om bebouwing te slopen en te herbouwen.
ERFINRICHTING
Waar maatwerk nodig is wordt er een erfinrichtingsplan gemaakt voor het totale erf waarmee waar mogelijk een extra bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van het dijklandschap. Herinrichting erven omvat in ieder geval: - terugplaatsen verwijderde objecten zoals brievenbus, poort, hek, afrastering; - herstellen van op- en afrit - behoud/herplant particulier groen - afwerken grond (beeindiging talud en bermen) irt gebruik O N T S L U I T I N G VA N A F D E D I J K
Er wordt ingezet op het behoud van de directe ontsluiting van de woningen vanaf de dijk. Open afritten worden behouden of indien nodig opnieuw aangelegd met eenduidige aansluitingen tussen de op- en afritten en de dijk. Voorkom dat de hoofdvorm van de dijk wordt verstoord. DWARSBEEINDIGING BERM
De dwars-beëindiging van de binnendijkse berm is vanzelfsprekend vormgegeven en vormt onderdeel van het aangrenzende landschap..
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
93
R E S P E C T E R E N VA N H E T T OTA L E E R F - E N S E M B L E :
nevre - 11 leedredno laaicurC
11C
Erfinrichtingsplan: Een ontwerp voor het totale erf als samenhangend ensemble
elbmesne dnegnahnemas sla fre elatot teh roov prewtno neE :nalpsgnithcirnfirE
:eitnessE teh nav retkarak egilahcsnielk teh ne eitairav ed roov dnelapeb reez njiz nevre eD teh nav tietilawk ekjiletmiur ed tdrow kjilegom raaW .enozkjid ed nav pahcsdnal gnitnalpeb ne gnidrahrev ,gniwuobeb nav elbmesne dnegnahnemas sla fre elatot 1. De dwarsbeëindiging van de binnendijkse .tkretsrev
berm met leeflaag wordt opgelost
raaw neznergfre ;dreetcepsereg nedrow nevre ed nav selbmesne ne gniwuobeB volgens één of een combinatie 82 .p - pvan rewtndeze o teh nionttuneb kjilegom
.1
-oweb( V D N I B ni dgelegtsav slaoz dreesilaereg njiz et tneid nevre nav gnithcirnireH werpprincipes: :neprewredno edneglov ed etsnim net tferteb ne )nekarpsfasren
.2
1) poHuidige nedrow situatie. netnemele ne gnitnalpeb edredjiwreV )3 .thcarbegguret ezjiw ednessap
.3
nedrow nalpsgnithcirnfire nee nak srenoweb tem kaarpsnemas nI )4 nekarpstiu koo nedrow gnitnalpeb tsaaN .fre elatot teh roov tkaameg -keh ne negnageotfre slaoz fre teh nav neledredno eredna revo naadeg .nekrew
2) Effect van de dijkversterking. .gnikretsrevkjid ed nav tceffE )2
3) Verwijderde beplanting en elementen .eitautis worden egidiuHop )1 passende wijze teruggebracht.
;gniretsar1) fa ,kdwarsbeëindiging eh ,troop ,subneveirb slaobij z neafrit tcejbo edredjiwrev nestaalpguret -
tirfa ne -po nav nelletsreh 2) dwarsbeëindiging als herkenbare steilrand bij 4230 ESV - neorg reilucitrap tnalpreh/duoheb markante kiurlandschappelijke beg tri )nemreb ne dulatgrens, gnigidnieeb( dnorg nekrewfa -tno teH .f3) re edwarsbeëindiging latot teh roov tkaameg nalals psgnflauw ithcirnfirelandschappelijk nee tdrow sisab egilliwjirv pO gnithcitS .m.s.i ’neorG teh ni nekjiD‘ tcejorp teh nennib staalp tdniv tnalpnaa ne prew ed naa dtalud reveleg egardjib artxe nee tdrow eemraaD .dnalredleG reehebspahcsdnaL pahcsdnalkjid teh nav tietilawk ekjiletmiur
4) In samenspraak met bewoners kan een erfinrichtingsplan worden gemaakt voor het totale erf. Naast beplanting worden ook uitspraken gedaan over andere onderdelen van het erf zoals erftoegangen en hekwerken.
Afbeeldingen uit Landschapsplan Hop
negnineket ed ni staalp tdniv )11C( nevrE leedredno laaicurc teh nav gnikrewtiU .B N AWH ne frE nedierebrooV OU teh jib edneroheb
ERFGRENZEN WORDEN BENUT
Er wordt ingezet op een eenduidige overgang tussen privé en openbaar met een zorgvuldige vormgeving van de erfgrenzen. Deze kunnen afhankelijk van de situatie anders worden vormgegeven. Bebouwing oriënteert zich bij voorkeur op de dijk, voorkom rommelige achterkanten richting de dijk.
DIJKWONINGEN:
Trappen in het dijktalud blijven behouden. Bij een eventuele dijkverhoging worden de trappen verlengd. Bij ruimtegebrek kan dit betekenen dat de as van de dijk iets verschuift. Taludtrappen zijn sober en over de gehele lengte van de trap eenduidig in vorm en materiaal. Geen opvallende lichte kleuren. Eenvoudige ingetogen leuning, positie leuning conform oorspronkelijke situatie.
C1
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
94
ERVEN AAN DE DIJK: BIJ VOLDOENDE RUIMTE:
B I J W E I N I G P L A AT S :
in overleg met bewoners erfinrichtingsplan en tuinontwerp maken lommerijke tuin loopt door op de berm
in overleg met bewoners erfinrichtingsplan en tuinontwerp maken min. 10m afstand tussen theoretisch dijkprofiel en woning
aangeheelde berm loopt door in de tuin
min. 1:8
1:20
Bij inpassing berm respecteren van hele erf ensemble, inclusief beplanting en verharding. Bij herinrichting erven in overleg met bewoners erfinrichtingsplan en tuinontwerp maken. Bij voorkeur loopt de lommerijke tuin met flauw talud door op de berm met leeflaag. Dit kan een uitbreiding van de tuin opleveren.
1:20
Bij herinrichting minimaal 10m afstand tussen de woning en het theoretisch dijkprofiel. Maatwerk om een passende tuininrichting mogelijk te maken. In het lengteprofiel worden leeflagen met vloeiend talud (min.1:20) aangeheeld of vallen deze samen met landschappelijke aanleidingen zoals afritten.
min. 10m afstand tussen gevel te handhaven (monumentale) bebouwing georienteerd op de dijk alleen raster bij begrazing bermkavel 1:20
min. 4m afstand tussen gevel te handhaven bebouwing waar deze nu al dicht op de dijk staat en de huidige woning niet georienteerd is op de dijk
min. 10m
landschappelijke grens
min. 4m
1:20
max. 1.2m
Bij geen interesse in tuin op de berm een landschappelijk grens met voldoende afstand tot de woning. Detailontwerp nodig, de woonkwaliteit staat in deze variant onder druk.
1:6
max. 1.2m
Waar te handhaven bebouwing nu al dicht op de djik staat en de huidige woning niet op de dijk georienteerd is kan mogelijk een korte afstand gehanteerd worden. Detailontwerp nodig, de woonkwaliteit staat in deze variant onder druk.
A L S D E B E R M N I E T PA S T : C O N S T R U C T I E A L S L O K A L E O N D E R B R E K I N G
min. 1.5m afstand tussen grens te handhaven beplanting in tuin onderzoeken handhaven huidige talud(s) binnen randvoorwaarden overslagdebiet
0,3 - 0,5m dekking beheerstrook waar mogelijk, alleen bij uitzondering onderbreken
Als de berm niet past is een constructie noodzakelijk als lokale onderbreking van de berm. Respecteren van het gehele erf tussen de bermen, inclusief tuin en verhardingen (constructies doortrekken). Uitgangspunt is dat de beheerstrook doorloopt, ook bij constructies. Dit is nodig voor B&O, inspectie, vervanging, uitbreidbaarheid, calamiteiten. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. De dekking boven de damwand dient niet teveel te zijn, omdat er anders een glijvlak door het talud bovenlangs kan ontstaan. Als de damwand te dicht onder maaiveld zit, kan deze zich gaan aftekenen of kunnen er scheuren langs de damwand ontstaan wat ook niet wenselijk is. Een praktische maat voor de dekking is 0,5 m of de dikte van de leeflaag (in dit geval ook 0,5 m).
1.
Een steilrand valt zoveel mogelijk samen met een logische landschappelijke structuur (bijv. rand van een erf of een (nieuwe) beplantingsstructuur)
1.
Een flauw landschappelijk talud wordt toegepast wanneer de dwarsbeëindiging niet logisch samenvalt met een (bestaande of nieuwe) landschappelijke structuur
2.
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
Een steilrand is bij voorkeur significant steiler dan het dijktalud (bijv. 1 op 2)
2.
Steilranden hebben een beperkte hoogte. Mn. in de nabijheid van woningen (i.v.m. zichtlijnen vanuit woning) zijn steilranden boven ooghoogte (>ca 1,8m) ongewenst.
Een landschappelijk talud is significant flauwer dan het talud van de dijk. (uitgangspunt: 1 op 5 of flauwer.
3.
Een flauw talud wordt (met overeenstemming van de grondeigenaar) in 1e instantie gerealiseerd door het naar buiten (richting het erf) verplaatsen van de teen van de dwarsbeëindiging . Daarbij wordt een ruime marge (van ca. 10m gehanteerd t.o.v. van bebouwing).
3.
VANZELFSPREKENDE DWARSBEEINDIGING VAN DE BINNENDIJKSE BERM (WANNEER ER GEEN AFRIT IS OM OP AAN TE SLUITEN): 4. In bijzondere gevallen (dwarsbeëindiging > 1,8m & dwarsbeëindiging binnen 10m Cruciaal onderdeel 9 - Vanzelfsprekende dwars-beëindiging C9 woning & zichtlijn/oriëntatie richting dwarsbeëindiging) kan een verflauwing plaats Specifieke Ontwerpopgave binnendijkse berm met leeflaag De EMVI van de Combinatie Dijkverbetering HOP bevat een aantal ruimtelijke uitgangspunten m.b.t. de inpassing van de dwarsbeëindiging van de binnendijkse berm ter hoogte van de erven. Dit als aanvulling op het Handboek Ruimtelijke Kwaliteit. Als onderdeel van het Landschapslan DO zijn deze uitgangspunten verder uitgewerkt tot ontwerpprincipes.
De dwars-beëindiging van de binnendijkse berm met leeflaag is vanzelfsprekend vormgegeven vormt aangrenzende E V E N flauw T UenEtalud E L onderdeel TA L U van D Vhet ER S T E I L I landschap. NG ONDERIN
SDwarsbeëindiging T E I L R A N D Bals I J herkenbare M A R K A Nsteilrand TE GRENS:
F L A U W L A N D als S Cflauw H A Plandschappelijk P E L I J K TA Ltalud UD Dwarsbeëindiging
H EDeT dwarsbeëindiging TA L U D O van M deRbinnendijkse U I M T E berm B E SmetL leeflaag A G Twordt E Bopgelost EPERKEN, 1.
Een steilrand valt zoveel mogelijk samen met een logische landschappelijke structuur (bijv. rand van een erf of een (nieuwe) beplantingsstructuur)
1.
Een flauw landschappelijk talud wordt toegepast wanneer de dwarsbeëindiging niet logisch samenvalt met een (bestaande of nieuwe) landschappelijke structuur
2.
Een steilrand is bij voorkeur significant steiler dan het dijktalud (bijv. 1 op 2)
2.
3.
Steilranden hebben een beperkte hoogte. Mn. in de nabijheid van woningen (i.v.m. zichtlijnen vanuit woning) zijn steilranden boven ooghoogte (>ca 1,8m) ongewenst.
Een landschappelijk talud is significant flauwer dan het talud van de dijk. (uitgangspunt: 1 op 5 of flauwer.
3.
4.
Een flauw talud wordt (met overeenstemming van de grondeigenaar) in 1e instantie gerealiseerd door het naar buiten (richting het erf) verplaatsen van de teen van de dwarsbeëindiging . Daarbij wordt een ruime marge (van ca. 10m gehanteerd t.o.v. van bebouwing). In bijzondere gevallen (dwarsbeëindiging > 1,8m & dwarsbeëindiging binnen 10m woning & zichtlijn/oriëntatie richting dwarsbeëindiging) kan een verflauwing plaats
Eenvinden eventuele zoveel met een landschappelijke doorsteilrand het naar valt binnen (vanmogelijk het erf af)samen verplaatsen vanlogische de kruinlijn van de structuur (bijv. rand van een erfisofeen eenverlenging (nieuwe) van beplantingsstructuur) dwarsbeëindiging. Hiervoor de damwand noodzakelijk. (nieuwe)beplanting op erfgrens
volgens één of een combinatie van nevenstaande ontwerpprincipes: 1) dwarsbe-
D Eeindiging ZE LA E ‘ S Tsteilrand, EILRA D ’ D A N BalsI flauw J Vlandschappelijk OORKEUR alsG herkenbare 2) N dwarsbeëindiging talud
INPLANTEN
•
RB097 v
•
RB100 v
•
RB095 v
nvt
•
RB221 v
•
RB222 v
•
evt verlengen damwand RB021-west verflauwing op eigen terrein
• RB024-oost verflauwing op eigen terrein Steilranden zo laag mogelijk, mn. in de nabijheid van woningen. Mogelijke zoekrichtingen voor het Deeltraject 2: minimaliseren van de steilrand zijn o.a: verflauwen op particuliere grond, verlengen damwand, integreren in (beheer)afrit. • nvt
•
RB100 verflauwing op eigen terrein
•
RB095 verflauwing op eigen terrein
RB221 verflauwing op eigen terrein
•
RB222 verflauwing op eigen terrein
• •
•
nvt
Deeltraject 9 BF040 verflauwing d.m.v. damwandverlenging
•
BF049 verflauwing d.m.v. damwandverlenging
•
BF051 verflauwing op eigen terrein
•
BF057-oost verflauwing d.m.v. damwandverlenging
•
BF069-west verflauwing d.m.v. damwandverlenging
Deeltraject 10 •
RB260 v
Deeltraject 8 nvt
•
BF040 v
•
BF049 v
•
BF051 v
•
BF057-o
•
BF069-w
•
Afbeeldingen uit Landschapsplan Hop
•
RB258-
•
Deeltraject 1
RB258-oost verflauwing op eigenterrein icm behoud afrit Eventueel vindt een combinatie plaats van beide ontwerpprincipes, door een deel van het taludverflauwing van de dwarsbeëindiging te verflauwen ontstaat vervolgens een lage steilrand RB260 d.m.v. damwandverlenging
Deeltraject 8
•
Deeltraject 9
nvt
•
Deeltraject 7
•
Deeltraject 7
Eventueel vindt een combinatie plaats van beide ontwerpprincipes, door een deel van het talud van de dwarsbeëindiging te verflauwen ontstaat vervolgens een lage steilrand
nvt
Deeltraject 6
evt verlengen damwand
flauw talud lage steilrand
•
culiere gronden Deeltraject 1:
Deeltraject 6:
Steilranden zo laag mogelijk, mn. in de nabijheid van woningen. Mogelijke zoekrichtingen voor het minimaliseren van de steilrand zijn o.a: verflauwen op particuliere grond, verlengen damwand, integreren in (beheer)afrit.
RB024-
•
•
Een eventuele steilrand valt zoveel mogelijk samen met een logische landschappelijke structuur (bijv. rand van een erf of een (nieuwe) beplantingsstructuur)
RB021-
•
Op de volgende locaties heeft een verflauwing plaatsgevonden van de dwarsbeeindiging. De meeste verflauwingen hebben plaats gevonden in deeltraject 9 omdat daar sprake van zeer hoge bermen van 2 tot 3 meter boven bestaand maaiveld. verflauwen op is parti-
Deeltraject 4+5:
verflauwen op particuliere gronden
•
Deeltraject 4
flauw talud Deeltrajectlage 3: steilrand • RB097 verflauwing op eigen terrein
flauw talud
Deeltraject 1
Deeltraject 3
op erfgrens D W A R S B E Ë I N D I G I N(nieuwe)beplanting G ALS
1.
diging. De m daar sprake
Deeltraject 2
Essentie:
Ontwerpprincipe:
Op de volge 95
vinden door het naar binnen (van het erf af) verplaatsen van de kruinlijn van de dwarsbeëindiging. Hiervoor is een verlenging van de damwand noodzakelijk.
DWARSBEËINDIGING ALS HERKENBARE Ontwerpprincipe:
talud
nvt
NB. Hoofdstuk 3 bevat per deeltraject een overzicht van de uitkomsten uit de keukentafelgesprekken per erf. Dit bevat ook een onderbouwing van de gemaakte afwegingen voor de inpassing van de dwarsbeeindigingen.
19
nvt
NB. Hoofdst kentafelgesp gingen voor
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
96
I N PA S S I N G O V E R G A N G C O N S T R U CT I E/B E R M O P M A AT W E R K 10m LO C AT I E S
UITGANGSPUNTEN UITWERKING OVERGANGEN: 10m
1 :10
1,5m 10m 10m
Ontwerp van de overgang berm/constructie is in alle gevallen maatwerk. Hierbij met aandacht beschouwen van huidige situatie: erfensemble met kern zone en een evt ‘tweede schil’, lettende op: Erf-ensemble in zijn context, de kwaliteit van de erfbeplanting en de waterhuishouding (geen woning in ‘kuipje’)
1:10 1:10
1,5m 1,5m
1:10
1,5m
10m
10m 10m
10m 10m 10m 10m 10m
A) in open gebied: vloeiende overgang maken, talud opbouw zo dicht mogelijk op de woning als acceptabel. Evt markante overgang maken op perceelsgrens in overleg met bewoner.
Het resultaat is minimaal een acceptabele en leefbare situatie: Daartoe als uitgangspunt: min. 10m afstand rondom de woning (ook ivm wateroverlast). Bij erfbeplanting van waarde minimaal het kernerf sparen. Bij grondwerk in (een deel van) de tuin nieuw erfinrichtingsplan opstellen in lijn met gemeentelijke visie en in samenspraak met bewoners.
1:10 1:10
1:3 1:3
1:10 1:10
1,5m 1,5m 1,5m 1,5m
1:10
1,5m 1,5m
1:10
10m 10m
1:3
10m
1:3
10m
1:3
10m
1:3
10m 10m
10m
1:3
1:10
1:10
10m 10m
10m
In ieder geval in de volgende gevallen het hele erf en waardevolle beplanting sparen: • Monumenten: sparen hele erf + schil als onderdeel van het ensemble • Bij beeldbepalende beplanting • Bij bijzonder gebruik (bijv paardenbak) • Bij een minimale verlenging van een al lange constructie Beplanting die niet gespaard kan worden terugbrengen op het erf.
10m 10m
B) bij te sparen beplanting: of vloeiende overgang maken, talud opbouw buiten de boomkroon. Evt markante overgang maken op perceelsgrens in overleg met bewoner.
1 :10
10m 10m
1,5m
1,5m
1:10 1:10
1,5m 1,5m
1:10
1,5m
1:10
10m 10m 10m 10m
10m
1,5m
1,5m
1:10
1:3 1:3
1:10
1:3
1:10
1,5m 1,5m 1,5m 1,5m
1,5m
1,5m 1,5m
10m 10m
10m 10m 10m 10m
1:3 1:3
10m
1:3
10m
10m
4m
1:3
10m
1:3
10m 10m
10m 10m 10m
1:3
10m
10m
10m
10m
10m
1:3 1:10
1,5m 1,5m 1,5m 1,5m 1,5m 1,5m
1:3
10m
10m
0 1:3 1:1 1:10
1:10 1:10
1,5m 1,5m
1:10 1:10 1:10
1,5m 1,5m 1,5m
1:10
1,5m
1:10
1,5m
KERNERF ERF ENSEMBLE INC. TWEEDE SCHIL
:10
10m
1,5m
1:3 1:10
10m
1,5m
D I J K V E R S T E R K I N10mG W O1:3 L F 1:E10 R E N - S P R O K
97
1,5m
AANSLUITING OP GRONDLICHAMEN 10m
10m
10m
10m
1:3
1,5m
1:10
1,5m 1:10
10m
10m
1:10
Als er een afrit op de perceelsgrens is hierop aansluiten met de berm.
1,5m
1:3
D) bij houtwal (op erfgrens of los in het veld): markante overgang 1 op 3, overgangstalud inplanten.
1,5m
1,5m
1:3 10m
( A F R I T, T E R P )
1,5m
1:10
10m
10m
1,5m
1:3
10m
C) bij marginale solitaire erfbeplanting: kap en herplant op vloeiende overgang. Talud opbouwen zo dicht mogelijk op de woning als acceptabel.
1:10
1:3
1:10
1:31:10
1,5m
1,5m
Eventuele beplanting op de afrit terugbrengen, zo mogelijk hoog in het talud.
1,5m 1,5m
4m
10m
10m
4m 1:10
KERNERF ERF ENSEMBLE INC. TWEEDE SCHIL 10m
E) bij waardevolle bosrand: vloeiend talud opbouwen buiten de boomkroon.
Aansluiting op woonterpen: aansluiting uitwerken in erfinrichtingsplan.
KERNERF
ERF ENSEMBLE INC. TWEEDE SCHIL
4m
10m
10m
KERNERF
1,5m
10m
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
98
PRINCIPES BIJ SLOOP EN HERBOUW:
in overleg met bewoners erfinrichtingsplan en tuinontwerp maken op berm lommerijke tuin loopt door op de berm
huis wordt terug gebouwd op een achterliggend deel van het erf
NIEUWBOUW
aangeheelde berm loopt door in de tuin
PVVR
min. 4m
min. 1:8
Variant 1 Nieuwbouw op afstand van de dijk en met hoogwaardige passende architectuur. De tuin is lommerijk en loopt door op de dijkberm.
gevelzijde
PVVR
minimaal 1,5m architectonische oplossing
Sloop en herbouw heeft in principe niet de voorkeur maar is soms onvermijdelijk. In sommige gevallen kan het daarbij de ruimtelijke kwaliteit verbeteren. Daarbij is bebouwing op hoge woonbermen (terpen) vanuit het oogpunt van rivierruimte (alleen buitendijks) en het hoofduitgangspunt van een leesbare en dominante hoofdvorm van de dijk in eerste instantie niet gewenst. Binnendijks is het zaak om te voorkomen dat er grote grondlichamen tegen de dijk aan worden geplaatst die afbreuk doen aan een helder dijkprofiel.
tuin op berm met leeflaag
inrit op erf door tuin
min. 1:8
Variant 1: gebouw met hoogwaardige passende architectuur op berm-niveau met
Mocht er op specifieke plekken gekozen worden voor nieuwbouw is het uitgangspunt om aan te sluiten bij de bestaande bouwvol-
dijktrap en tuin op laag niveau.
gevelzijde
maximal 3m PVVR
architectonische oplossing
toerit over erf
Eventuele bebouwing op de dijk(berm) vraagt om dijkspecifieke architectuur: geen standaard woningen op
tuin op berm met leeflaag
min. 1:8
Variant 2: gebouw met hoogwaardige passende architectuur op kruinniveau, hier de tuin ook op laag niveau, het vormen van terpen mijden.
een plateau. Voorkom amorfe grondlichamten aan de dijk en onderbreek het grondlichaam van het dijktalud zo min mogelijk: de tuin wordt niet mee opgehoogd. De dijk architectuur speelt in op de verschillen in voor/ achterzijde en lost hoogteverschillen en eisen mbt PvVR in het gebouw op.
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
umes en karakteristiek van de al aanwezige bebouwing, te kiezen voor een heldere relatie tot de dijk en om flexibel/aangepast te bouwen, zodat een mogelijk toekomstige dijkverbetering niet in de weg wordt gestaan (bv. opvijzelbaar). Met name bebouwing hoog aan de dijk is ruimtelijk zeer bepalend en is vaak ook van grotere afstand zichtbaar. Een specifiek beeldkwaliteitskader met dijkspecifieke architectuur is dan nodig, in aansluiting op de richtlijnen vanuit de gemeente. Voor alle gevallen geldt dat herbouw inclusief een bijpassende erfinrichting moet gebeuren. Hierom wordt het een erfinrichtingsplan gevraagd. Onderzoek tevens natuurinclusieve herbouw van het gebouw. De ruimtelijke visie op herbouw wordt nader uitgewerkt in het landschapsplan.
99
gevelzijde
PVVR
tuin op berm/ laag niveau
minimale afstand minimaal 1,5m
1:3
Als een architectonische oplossing van het hoogteverschil en een lage berm niet mogelijk is moet op de berm gebouwd worden. Daarbij zal het gebouw in een minimale afstand aan de dijk georienteerd worden.
gevelzijde PVVR
tuin op berm/ laag niveau
minimale afstand
opvijzelbaar
Bij voorkeur onderzoeken of bouwen met opvijzelbare fundering in de berm, binnen het profiel van vrije ruimte (in afwijking op bestaand beleid), mogelijk is. (bv met stalen palen+betonplaat 75cm).
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
100
OP- EN AFRITTEN ONDERGESCHIKT AAN HOOFDVORM VAN DE DIJK Essentie: • Op- en afritten zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm van de dijk tenzij het om karakteristieke linten, landgoederen en dorpsentrees gaat: de continuïteit en het lineaire karakter van de dijk moet behouden blijven. • Behoud functionaliteit t.o.v. huidige afrit als uitgangspunt (o.a. helling, breedte, boogstralen, evt vlakstand nabij kruin). Tenzij aanvullende bewonersafspraken zijn gemaakt wordt de functionaliteit niet gewijzigd.
ERFTOEGANGEN:
M AT E R I A L I S E R I N G :
• Reguliere op- en afritten (niet zijnde karakteristieke linten, landgoederen en dorpsentrees) zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm van de dijk: de continuïteit en het lineaire karakter van de dijk moet behouden blijven. • Behoud functionaliteit t.o.v. huidige afrit als uitgangspunt (o.a. helling, breedte, boogstralen, draaicircels richting oost/west, evt vlakstand nabij kruin). Tenzij aanvullende bewonersafspraken zijn gemaakt wordt de functionaliteit niet gewijzigd. • Huidige hellingspercentage is randvoorwaarde: toeritten worden niet steiler (of breder) dan in de huidige situatie. • Waar toeritten uitstijgen boven het dijktalud worden de zijtaluds uitgevoerd in 1:2,5. Dit houdt de de toeritten compact en de hoofdvorm van de dijk leesbaar.
• De afrit wordt als één geheel uitgevoerd, in één verhardingstype eindigend op een logische plek op het erf, en sluit aan op de principes van Gastvrije Waaldijk. • Het verhardingmateriaal van de afrit wordt eenduidig doorgezet tot aan de weg op de kruin van de dijk. De verhardingsbreedte van de weg op de kruin is daarbij continu, d.w.z. wordt t.p.v. de aansluiting niet verbreed. • In principe keert op afritten het zelfde type verhardingsmateriaal terug. Tenzij: 1) dit niet passend is bij de sfeer van het erf, of 2) de bewoner dit niet wenst (conform bewonersafspraken WSRL). • Perceeltoeritten hebben een groene uitstraling. Bij voorkeur zijn deze niet verhard, indien nodig worden grasbetonstenen toegepast.
BEPLANTE OP- EN AFRITTEN:
• Daar waar op- en afritten nu beplant zijn wordt de beplanting behouden, of teruggeplant waar deze voor de verbetering moet verdwijnen. • Nieuwe op- en afritten kunnen in overleg met de bewoners worden beplant. Beplanting loopt tot zo dicht mogelijk op de dijk door zolang het grondpakket op de dijk dat toelaat.
UITGANGSPUNTEN:
• Bestaande asfaltbreedte • Bermbreedte (naast verharding van oprit): minimaal 0.25/0,5 m • Steilheid zijtaluds maximaal: 1:2,5 • Steilheid oprit: maximaal de steilheid van de bestaande oprit met een maximum steilheid 15% • Oprit mag niet insnijden door de steunberm • Oprit aansluiting op niveau aanleghoogte
16
B O E K
OKRA 18-086 | MASTE RPL A N G AST VRIJE WA A L DIJK
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
101
AFRITTEN EN GASTVRIJE WAALDIJK:
BASISPRINCIPE OP- AFRIT: huidige functionaliteit en steilte afrit blijft behouden, tevens toegang tot de berm R U I M T E L I J K E
K WA L I T E I T
D I J K V E R B E T E R I N G
H A G E S T E I N
-
O P H E U S D E N
De berm op-afrit is altijd flauwer dan de dijk op-afrit. In sommige gevallen kan de berm afrit worden verflauwd als dit de inpassing ten goede komt.
Beplanting bij afritten en nde wegen
ave:
Principedetail kruising met Waalmat
Voorbeeld van een (verouderd) principedetail voor een kruising met Waalmat bij aantakkende wegen. Afbeeldingen uit Gastvrije Waaldijk (in ontwikkeling, mogelijk deels verouderd)
Basisprincipe afrit: compacte afrit doet zo min mogelijk afbreuk aan continuiteit van de hoofdvorm van de dijk.
Gastvrije Waaldijk geeft richting aan de vormgeving en materialisatie
Huidige functionaliteit en steilte blijft behouden. Iedere afrit is maatwerk
van op- en afritten. Dit wordt uitgewerkt in het landschapsplan.
BEPLANTE AFRITTEN:
ud en versterking van beplanting op n afritten en aantakkende wegen
werpprincipe
waar op en afritten nu beplant zijn de beplanting behouden, of terugnt waar deze voor het werk moet wijnen. we op- en afritten kunnen in overet de bewoners worden beplant. nting loopt tot zo dicht mogelijk op k door zolang het grondpakket op k dat toelaat.
Bij beplante op- en afritten en aantakkende wegen inzetten op behoud en versterking van beplanting: beplanting loopt zo dicht mogelijk op de dijk door, zolang het grondpakket op de dijk dat toelaat. Waar nodig wordt overhoogte aangebracht. Het zo ver mogelijk doortrekken van bomenrijen is vanuit ecologisch oogpunt ook aan te bevelen om zo de ecologische relaties tussen binnen- en buitendijksgebied te versterken.
Principedetail Brandpunt M
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
102
BEHEER EN RASTERS
Essentie: • Beheerstrook van gras met raster op de berm, in principe 4 meter uit de dijkteen, op de kavelgrens • Beheerstrook integraal beheerd als onderdeel van de ‘hoofdvorm’ van de dijk
Een uitgangspunt bij de dijkverbetering is een toekomstige dijk te ontwerpen die goed beheerbaar is en eenduidige grenzen heeft tussen privaat en openbaar domein. Daarnaast is de ligging en vormgeving van beheerstroken ook sterk bepalend in het landschappelijk beeld van de dijk. De beheerstroken zijn waar mogelijk openbaar toegankelijk voor wandelaars, als aanvulling op het wandelroutenetwerk. LIGGING EN VORMGEVING BEHEERSTROKEN
Eén van de basisprincipes voor de inpassing is om de beheerstroken dichter op de dijk te leggen en zo continu mogelijk te laten doorlopen. De beheerstroken liggen direct tegen de teen van de dijk aan. Indien er een steun/ pipingberm aanwezig is, ligt de beheerstrook niet onderaan de berm, maar op de berm, tegen het hoofdlichaam van de dijk aan. • De beheerstroken hebben een vaste breedte van 4m. • De beheerstroken zijn van gras.
ZAKELIJK RECHT
Het aangrenzende landgebruik loopt bij voorkeur door tot aan de beheerstrook. Dit betekent in de praktijk vaak dat een deel van de steun/piping berm in beheer en gebruik wordt gegeven aan de aangrenzende eigenaren. Hierover worden met het waterschap afspraken gemaakt; er geldt dan een 'zakelijk recht' op dat deel van de waterkering. De bermen lopen zoveel mogelijk vloeiend over richting het aangrenzende maaiveld. Zie hiervoor de nadere toelichting bij de ontwerp principes voor de omgang met binnenwaartse stabiliteit en piping. Inzet is logische beheer eenheden over langere afstand. Bij noodzakelijke wisselingen in beheer waterschap en particulieren kunnen reststukjes ontstaan, die extensiever beheerd kunnen worden tbv biodiversiteit. RASTERS
• Eén type eenvoudig raster (houten palen en draad). Ivm overslagbestendigheid is de diameter beperkt op max 15cm • Rasters in principe beneden aan de teen • Eventuele scherpe knikken of slingers in het raster, als gevolg van eigendomsgrenzen, worden in overleg met grondeigenaar aangepast.
J K E
I J K E
I T
K WA L I T E I T
D I J K V E R B E T E R I N G
- O P H E U S D E N Ontwerpprincipe
H A G E S T E I N
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
K WA L I T E I T
D I J K V E R B E T E R I N G
D I J K V E R B E T E R I N G
H A N D B O E K
H A G E S T E I N
R U I M T E L I J K E
103
Eén type eenvoudig raster (houten palen en draad) tussen de beheerstrook en het particulier gebruik. Het raster komt op een vaste afstand van de (optiH A G E Sdijkteen T E I N -enOdefinieert P H E U S D ruimtelijk E N sche) de continue dijkzone.
K WA L I T E I T
-
O P H E U S D E N
D I J K V E R B E T E R I N G
K I JJEKK EK E W KKAW WLAAI LL T IIETTI EE T II TD T I DD J IK I JJVKKEVVREEBRREBBTEEETTREEI RR N IIGNN GG H AHHGAAEGGSEETSSETTI EE N II NN - O -- POOHPPEHHUEESUUDSSEDDNEE NN H A N D B O E K R U I M T E L I J K E K WA L I T E I T D I J K V E R B E T E R I N G
s op de grens lier gebruik
palen en draad, diameter max. 15cm). Beheerstrook scherp H A G E S T EEén I Ntype - eenvoudig O P H E raster U S D(houten E N begrensd tov landgebruik omgeving
H A G E S T E I N
-
O P H E U S D E N
3.3.3 Rasters
r (houten 3.3.3 Rasters esbeheerstrook op de grens Het raster lier gebruik d van de (optirt ruimtelijk de
landgebruik loopt door
r (houten e beheerstrook . Het raster d van de (opti-Opgave: ert ruimtelijk de Helder gebruik van rasters op de grens Opgave: op ss op op dede de grens grens grensvan dijkbeheer en particulier gebruik Helder gebruik van rasters op de grens lier ier gebruik gebruik gebruik van dijkbeheer en particulier gebruik
alleen raster bij begrazing
Ontwerpprincipe
Eén type eenvoudig raster (houten Ontwerpprincipe houten rr (houten (houten palentype en draad) tussen de (houten beheerstrook Eén eenvoudig raster eeheerstrook beheerstrook beheerstrooken het particulier gebruik. Het raster palen en draad) tussen de beheerstrook
of
91
VISIE EN UITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT
104
BEHEERTOEGANGEN ONDERGESCHIKT AAN HOOFDVORM VAN DE DIJK Essentie: • beheertoegangen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm van de dijk: de continuïteit en het lineaire karakter van de dijk moet behouden blijven. • beheertoegangen zoveel mogelijk combineren met oksels op- en afritten
Bij de versterkingsopgave van de dijk wordt ook zo veel mogelijk de (veranderende) wensen vanuit het beheer meegenomen. De toeritten tot de beheerstrook aan de teen van de dijk spelen daarin een belangrijke rol omdat zij van grote invloed zijn op de helderheid van de dijkvorm, vaak juist op plekken waar al een toerit is. Voorkomen moet worden dat de grondvorm van de dijk vertroebelt. • Uitgangspunt is zo min mogelijk extra toevoegingen aan het dijklichaam. Daarom worden beheerafritten zo veel mogelijk geintegreerd in erf- en perceel toeritten. • De beheerstrook wordt bijvoorkeur ontsloten vanaf de toerit. Wanneer er geen toegang is vanaf de toerit wordt de beheerafrit in oksel van erf- of perceeltoerit gemaakt: • Door ‘uitvullen‘ oksel ontstaat een beheerafrit met een talud van 1 op 4 en een breedte van minimaal 3,5 meter. • hoek met de dijk niet te groot, zodat scherpe bochten voor onderhoudsvoertuigen worden vermeden • Alleen als het echt niet anders kan worden extra afritten toegevoegd. In overleg met de dijkbeheerder worden de locaties van de dijktoeritten bepaald.
Beheertoeritten worden vormgegeven volgens nevenstaande ontwerpprincipes. Dit is maatwerk en wordt uitegewerkt in het landschapsplan
Specifieke Ontwerpopgave Voorkomen moet worden dat de grondvorm vaak juist op plekken waar al een toerit is.
Cruciaal onderdeel 5 - Beheertoeritten ondergeschikt aan hoofdvorm dijk
C5
Specifieke Ontwerpopgave Ontwerpprincipe:
van de dijk vertroebelt. Waar in praktijk welke
Ontwerpprincipe: maatregel wordt ingezet is in het landschapsplan terug te vinden Beheerafrit in oksel van erf- of perceeltoerit
DIJKVERSTERKING WOLFEREN - SPROK
Zelfstandige beheerafrit aan de dijk
1.
Opgave:
fout
Uitgangspunt is zo min mogelijk extra toevoegingen aan het dijklichaam. Daarom is er voor gekozen om beheerafritten zo veel mogelijk te integreren in erf- en perceel toeritten. Alleen als het echt niet anders kan worden extra afritten toegevoegd, In Opgave: overleg met de dijkbeheerder zijn de locaties van de dijktoeritten bepaald. (zie voor LL1tm 7 document: [voorstel op - afritten - 2015 3 6], en LL 8 tm 9 document: Toegankelijkheid beheerstrook [voorstel op- afritten 21 oktober 2015 FER]) Ontwerpprincipe Beheertoeritten worden vormgegeven volgens nevenstaande ontwerpprincipes. Resultaten op plankaarten hoofdstuk 3 Wanneer weergeven er geen toegang is tot de
Toegankelijkheid beheerstrook
• •
Door ‘uitvullen‘ oksel ontstaat een beheerafrit met een talud van 1 op 5 en een breedte van minimaal 3,5 meter hoek met de dijk niet te groot, zodat scherpe bochten voor onderhoudsvoertuigen worden vermeden
NB In de uitwerking in het 3D-model blijkt dit ontwerpprincipe vrijwel niet mogelijk: •
De uitvulling wordt zeer groot waardoor een vreemde ‘bult‘ aan de dijk ontstaat. Mn de overgang van het 1 op 5 naar het 1 op 2,5 talud is problematisch.
•
Het lukt daarbij vaak niet binnen de eigendomsgrenzen van het waterschap te blijven.
Uiteindelijk is daarom in veel gevallen teruggevallen op onderstaand principe: 87
berm wordt de beheerstrook via de toerit ontsloten
1:4
breed vlakplateau aan kruin van de dijk
•
teen steekt relatief ver uit
Ontwerpprincipe
2.
Wanneer er geen toerit aanwezig is, maar toegang tot de beheerstrook toch gewenst is wordt een eenvoudige toerit in gras voorgesteld.
3.
•
Door ‘uitvullen‘ oksel ontstaat een beheerafrit met een talud van 1 op 5 en een breedte van minimaal 3,5 meter
•
hoek met de dijk niet te groot, zodat scherpe bochten voor onderhoudsvoertuigen worden vermeden
• •
In incidentele is een beheerafrit steiler dan 1 op 5 mogelijk, mits deze wordt beheerstrookgevallen via een bestaande toerit, verhard grasbetonstenen. wordtmiddels de toegankelijkheid geregeld door in de 'oksel' van een bestaande toerit het dijktalud te verflauwen naar 1:4.
goed
•
Specifieke Ontwerpopgave breed vlakplateau aan kruin van de dijk
teen steekt relatief Ter• hoogte van RB020+50 wasver er uit onvoldoende ruimte om een beheerafrit 1 op 5 te realsieren. Besloten is hier het ca 1 op 3 talud van de steilrand van de rk-berm te versterken met grasbetonsteen
goed
NB In de uitwerking in het 3D-model blijkt dit ontwerpprincipe vrijwel niet mogelijk:
2012
Indien een bestaande toerit op het zelfde niveau uitkomt als de
•
De uitvulling wordt zeer groot waardoor een vreemde ‘bult‘ aan de dijk ontstaat. Mn de overgang van88het 1 op 5 naar het 1 op 2,5 talud is problematisch.
T r v
89 2012
2012
Het lukt daarbij vaak niet binnen de eigendomsgrenzen van het waterschap te Wanneer er geen toegang is tot de beheerstrook via blijven.
Wanneer er geen toerit aanwezig is, maar toegang tot
Uiteindelijk is daarom in veel gevallen teruggevallen op onderstaand principe: •
105
Ontwerpprincipe: Open afritten zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm van de dijk. De continuïteit en het lineaire karakter van de dijk moet behouden blijven.
fout
het rm wordt ontsloten.
C5
Essentie:
Ontwerpprincipe: Zelfstandige beheerafrit aan de dijk Beheerafrit in oksel van erf- of perceeltoerit
1:3
k zo veel sen vanuit eritten tot de dijk spelen zij van grote
een bestaande toerit, wordt de toegankelijkheid geregeld
de beheerstrook toch gewenst is wordt een eenvoudige
door in de ‘oksel’ van een bestaande toerit het dijktalud
toerit in gras voorgesteld.
minimale uitstulping aan de dijk, door de afrit iets op een ‘oor te leggen’ wordt de uitstulping verder beperkt
goed
te verflauwen naar 1:4 (uitwerkingen onderzoeken met beheer en in 3d model)
Specifieke Ontwerpopgave Ontwerpprincipe: Ontwerpprincipe: Beheerafrit in oksel van erf- of perceeltoerit Beheerafrit aan de voet van een erf- of perceeltoerit
1:3
1:3Ontwerpprincipe:
goed
Op- en afritten zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm van de dijk. De continuïteit en het lineaire karakter van de dijk moet behouden blijven.
1:2
1:2
1:2
Ontwerpprincipe: Beheerafrit aan de voet van een erf- of perceeltoerit
1.
Uitgangspunt is zo min mogelijk extra toevoegingen aan het dijklichaam. Daarom is er voor gekozen om beheerafritten zo veel mogelijk te integreren in erf- en perceel toeritten. Alleen als het echt niet anders kan worden extra afritten toegevoegd, In overleg met de dijkbeheerder zijn de locaties van de dijktoeritten bepaald. (zie voor 1:3 LL1tm 7 document: [voorstel op - afritten - 2015 3 6], en LL 8 tm 9 document: [voorstel op- afritten 21 oktober 2015 FER])
2.
Beheertoeritten worden vormgegeven volgens nevenstaande ontwerpprincipes. 1:2 Resultaten weergeven op plankaarten hoofdstuk 3
3.
•
Door de voet van de erf- of perceeltoerit te verflauwen is het haaks kruisen door • Door ‘uitvullen‘ oksel ontstaat een beheerafrit met een talud van 1 op 5 en een • onderhoudsvoertuigen mogelijk breedte van minimaal 3,5 meter