CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

17. Bijlage bij de toelichting deel 5a-1

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling paraplubestemmingsplan Nijmegen Dijkversterking Wolferen - Sprok (27/2021) (STEMSTUK)32.995 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

6.4 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen Beschrijving Dit habitattype betreft pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen, ontstaan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie in laagten. Dat gebeurt tegenwoordig nog maar zelden. Meestal ontstaan ze onder invloed van menselijk handelen, bijvoorbeeld na het steken van plaggen of na intensieve betreding. Op geplagde plekken en heidepaadjes zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Pioniergemeenschappen in natte heiden zijn gebonden aan open, minerale grond. Die komt op natuurlijke wijze beschikbaar na langdurige stagnatie van regenwater. In ons land ontwikkelen deze pioniergemeenschappen zich echter meestal op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. De pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm (oligotroof tot mesotroof) zijn. Pioniervegetaties met snavelbiezen zijn afhankelijk van natte, voedselarme en zure standplaatsen waar uit- en afspoeling door neerslagwater overheerst.

De Associatie van Moeraswolfsklauw en Snavelbies komt vooral voor op open, natte, zeer voedselarme, minerale zand- en leembodems. Het vegetatietype wordt aangetroffen aan de randen van heidevennen en in onderlopende laagten in H4010 (vochtige heide). Het gaat daarbij steeds om vrij smalle zones in de hoogtegradiënt, en daarmee om geringe oppervlakten. Ook komt deze gemeenschap voor langs heidepaadjes, waar de bodem als gevolg van betreding kaal blijft. Over veel grotere oppervlakten komt deze associatie tot ontwikkeling op onbegroeide bodem na het plaggen van natte heide. Hier blijft de vegetatie slechts tijdelijk aanwezig, doordat de vegetatie zich al snel ontwikkelt naar een Dopheigemeenschap. Binnen

pagina 120 van 183

de Associatie van Moeraswolfsklauw en Snavelbies ontstaan verschillen in soortensamenstelling als gevolg van verschillen in uitdroging en in buffering. Van de kenmerkende soorten kan bruine snavelbies het beste tegen uitdroging en kan dan als enige overblijven in een rompgemeenschap (niet tot goed ontwikkeld habitattype gerekend). Een wat betere buffering wordt veroorzaakt door een lemiger bodem of enige aanvoer van basen door zeer lokale kwel. Moeraswolfsklauw en klokjesgentiaan prefereren zulke situaties. Ook pioniersituaties op afgegraven voormalige landbouwgronden zijn vaak relatief goed gebufferd doordat deze gronden voorheen bekalkt werden en nog niet zijn uitgeloogd. De Associatie van Snavelbies en Veenmos is gebonden aan venige grond met constante waterstand dicht aan maaiveld. Deze combinatie komt voor in hoogveenslenken, waar deze gemeenschap onderdeel uitmaakt van H7110 of H7120 (actief of herstellend hoogveen) en als venige oever en kraggeverlanding in vennen, waar de gemeenschap onderdeel uitmaakt van H3160 (zure vennen). Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie waardoor de successie naar natte heide en de rompgemeenschap van Pijpenstrootje wordt versneld. Door plaggen wordt deze ontwikkeling teruggezet [lit. 6.4].

Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied H7150 komt met een totale oppervlakte van 0,8 ha voor in twee deelgebieden van Landgoederen Brummen. Op de Empesche en Tondensche Heide komt het habitattype voor op plagplekken in begroeiingen van het habitattype H4010a. Dat type komt in de Empesche en Tondensche Heide voor in laagtes tussen de dekzandruggen en op de lagere delen van de dekzandruggen, en is afhankelijk van regenwatervoeding. Voor behoud van de soortensamenstelling is het van belang her en der in het terrein pionierplekken te behouden doormiddel van plaggen. Het habitattype is gevoelig voor verdroging als gevolg van ontwatering in de omgeving. Op Landgoed Voorstonden is het habitattype te vinden op de oever van een ven, waar droogvallende oevers in het groeiseizoen zorgen voor een geschikt substraat voor pionierplanten. Dit habitattype ligt min of meer geïsoleerd in een agrarische omgeving en staat hydrologisch onder invloed van de agrarische waterhuishouding. Ten gevolge hiervan is verdroging opgetreden. Dit heeft een negatieve invloed op grondwaterafhankelijke vegetatie van het gebied. De oppervlakte is over het algemeen meer dan 1 are wat voor dit type voldoende is. De kwaliteit wat betreft landschap en oppervlakte is daarom basaal tot voldoende. De kwaliteit wat betreft flora is op de Tondensche heide is als voldoende beoordeeld.

Op Landgoed Voorstonden is dit basaal. De trend voor het habitattype is stabiel. Voor het handhaven van pioniervegetaties is wel een voorwaarde dat incidenteel wordt geplagd om open plekken te creëren. Door incidenteel en op wisselende plekken stukken vochtige heide te plaggen wordt gezorgd dat permanent voldoende geschikte standplaatsen voor deze pioniervegetaties beschikbaar zijn [lit. 6.2]. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H7150 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.436 tot 1.863 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage

pagina 121 van 183

treedt maximaal 5 jaar op. Op 0,8 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op 31% van deze oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>12,5jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving in de vegetatiesamenstelling van het habitattype. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. Ondanks de overschrijding van de KDW blijkt uit de stabiele trend dat het beheer negatieve effecten van een te hoge achtergronddepositie kan voorkomen. Het habitattype kan gemakkelijk in stand worden gehouden door incidenteel en op wisselende plekken stukken vochtige heide te plaggen. Vanwege de tijdelijkheid van de kleine projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. en de stabiele toestand van het habitattype zijn significante gevolgen voor H7150 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen uitgesloten.

Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit en oppervlakte wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine depositie (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit en oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

6.5 H6410 Blauwgraslanden Beschrijving H6410 betreft soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter, blauwe zegge en tandjesgras. De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging [lit. 5.2]. Zowel in de beekdalen als op de hogere zandgronden wordt het habitattype sterk bedreigd door verlaging van grondwaterstanden, die tot gevolg hebben dat onvoldoende bufferstoffen doordringen tot in de wortelzone. In de beekdalen kan ook overstroming met eutroof en slibrijk water leiden tot achteruitgang van het blauwgrasland. Het type is zeer gevoelig voor stikstofdepositie en verlangt dus een goede luchtkwaliteit. Dit komt onder andere doordat de vegetatie baseminnend is. Door stikstofdepositie kan de buffercapaciteit van de bodem afnemen, wat negatieve gevolgen heeft voor de vegetatie.

pagina 122 van 183

Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Momenteel komt het habitattype in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen voor op een oppervlakte van 1,3 ha, met een matige kwaliteit. In het gebied zijn potenties voor uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit aanwezig. Deze worden nagestreefd vanwege de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van het habitattype. Op de Empesche en Tondensche heide komen enkele kleine percelen voor die kwalificeren als H6410. Het habitattype ligt min of meer geïsoleerd in het landschap. Binnen het grasland is het aandeel ruigte, struweel of bos kleiner dan 10 %. De kwaliteit is wat betreft structuur als goed beoordeeld. Het gevoerde hooilandbeheer duidt eveneens op een goede structuur en functie. De kwaliteit voor flora is beoordeeld als basaal tot plaatselijk voldoende en voor fauna als basaal. Toevoer van basenrijk water is belangrijk voor dit habitattype. Omdat in de zomer gedurende een lange periode geen grondwater meer tot in de wortelzone doordringt en zich een neerslaglens vormt, verzuurt het gebied. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H6410 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn uitbreiding van oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.071 mol N/ha/jr.

De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.298 tot 1.924 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 1,3 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op deze volledige oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De overschrijding van de KDW is niet het grootste knelpunt voor H6410. Het habitattype staat met name onder druk door de verzuring die optreedt als gevolg van het wegvallen van de aanvoer van basenrijk grondwater. Desondanks is de huidige kwaliteit matig tot goed als gevolg van het gevoerde hooilandbeheer. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>10 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het leefgebiedtype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het leefgebiedtype richting een minder heterogene en ruigere vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af.

Vanwege de tijdelijkheid van de kleine projectbijdrage van maximaal 0,02 mol/ha/jr. en het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt vormt zijn significante gevolgen voor H6410 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen uitgesloten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verhogen van kwaliteit en uitbreiden van oppervlakte wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine depositie (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verhogen van kwaliteit en uitbreiden van oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage.

pagina 123 van 183

Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

6.6 (ZG)H3130 Zwakgebufferde vennen Beschrijving Kenmerkend voor H3130 is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. De meeste van de vennen van dit habitattype zijn niet meer dan enkele tientallen meter lang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen, de plassen plus de oeverzones, vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties in zones en fijnschalige mozaïeken. De standplaatscondities variëren van zeer voedselarm tot voedselarm, van aquatisch tot vochtig, langdurig tot zeer kortstondig overstroomt enzovoort. De begroeiingen behoren tot vier verschillende verbonden van plantengemeenschappen (het Potamion graminei, Hydrocotylo Baldellion, Eleocharition acicularis uit de klasse Littorelletea uniflorae en het Nanocyperion flavescentis uit de klasse Isoeto-Nanojuncetea). Drijvende waterweegbree kan in sommige van de zwakgebufferde vennen van dit habitattype grote populaties vormen. Bij degradatie door onder meer verzuring en atmosferische vermesting gaan in de zwakgebufferde vennen soorten overheersen zoals pijpenstrootje, en/of veenmossen. Vermesting met fosfaat leidt tot toename van pitrus.

Vennen met zulke begroeiingen zonder aanwezigheid van de voor zwakgebufferde vennen kenmerkende gemeenschappen en soorten worden niet tot het habitattype gerekend. Het onderscheid met H3110 is dat die vennen een lager gehalte aan bicarbonaat hebben ofwel koolstof gelimiteerd zijn. De vennen van H3130 zijn daarentegen niet koolstof gelimiteerd en kunnen – hoewel de naamgeving hierover verwarring wekt – zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn. H3130 is zeer gevoelig voor atmosferische depositie. Voor duurzame instandhouding van de zwakgebufferde condities is in veel gevallen een beperkte aanvoer nodig van gebufferd, schoon grondwater via kwel. Hiervoor is nodig dat het oorspronkelijk hydrologisch systeem in stand blijft of wordt hersteld. Het op gezette tijden verwijderen van de organische bovenlaag (schonen), het tegengaan van verstarring in het beheer van vennen en het gedoseerd inlaten van water zijn ook maatregelen waarmee de gewenste buffercapaciteit kan worden gerealiseerd [lit. 6.5]. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Binnen het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen komt het type alleen voor in de Empesche en Tondensche Heide, met een totale oppervlakte van 3,6 ha. De kwaliteit van het habitattype is in 3,5 ha hiervan goed en de overige 0,1 ha matig.

Het habitattype heeft een stabiele trend in oppervlakte en een positieve trend in kwaliteit, dankzij recent uitgevoerde herstelprojecten binnen het Natura 2000-gebied. Het type is voor de buffering afhankelijk van grondwateraanvoer. Op dit moment is alleen in de Tondensche Heide nog sprake van grondwateraanvoer als gevolg van lokale kwel met basenrijk grondwater. In de recent gegraven vennen in voormalig landbouwgebied is waarschijnlijk ook sprake van buffering doordat de bodem als gevolg van bekalking in het verleden nog enigszins kalkhoudend is.

pagina 124 van 183

Het habitattype heeft in Landgoederen Brummen te maken met enkele knelpunten. Binnen de Empesche en Tondensche heide is verdroging opgetreden als gevolg van diepe ontwateringen binnen en buiten het gebied. Met name de Zilvensche Beek en de Veldbeek zijn beken die grote invloed hebben op de waterhuishouding en veel kwelwater afvangen. Dit heeft een negatieve invloed op de grondwaterafhankelijke vegetatie van het gebied. Het grootste probleem van verdroging is de verzuring die optreedt door het wegvallen van de aanvoer van basenrijk grondwater. Naast ontwatering speelt bebossing ook een rol in de verdroging van H3130. In de Empesche en Tondensche Heide is een groot deel van het gebied in de loop van de tijd begroeid geraakt met bos en struweel. Dat heeft een verdrogend effect gehad als gevolg van de grotere verdamping van bomen ten opzichte van kruiden en grassen. Een ander knelpunt is grondwaterverontreiniging. Op veel plekken is het ondiepe grondwater verontreinigd met sulfaat en meststoffen als gevolg van verdroging en bemesting van landbouwgronden. Dit kan bij herstel van lokale kwelstromen leiden tot ongewenste neveneffecten als gevolg van eutrofiering. Het is onduidelijk in hoeverre dit knelpunt een bedreiging vormt voor H3130. Naast problemen met de waterhuishouding is stikstofdepositie ook een knelpunt voor H3130.

De verzuring van het habitattype wordt hierdoor versterkt. Door het graven van nieuwe vennen in voormalige landbouwgronden grenzend aan het oorspronkelijke reservaatgebied is het areaal aan zwak gebufferde vennen aan het begin van deze eeuw sterk toegenomen. Door de maatregel zijn een groot aantal voor zwak gebufferde vennen kenmerkende soorten teruggekeerd in het gebied, waarschijnlijk in de meeste gevallen door kieming vanuit de zaadbank (moerashertshooi, oeverkruid, ondergedoken moerasscherm, ongelijkbladig fonteinkruid, vlottende bies, wijdbloeiende rus). Omdat de ondergrond nog basenrijk is worden in de nieuw gegraven vennen op korte termijn geen problemen met verzuring verwacht. Naast het graven van nieuwe vennen is er een herstelmaatregel uitgevoerd tegen verbossing. Deze herstelmaatregel, welke bestaat uit het kappen van bos, heeft het probleem van verdroging door verbossing grotendeels opgelost. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H3130 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Effectbepaling en - beoordeling H3130 en ZGH3130 hebben een KDW van 571 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.101 tot 1.828 mol N/ha/jr. voor het habitattype en 1.057 tot 1.277 mol N/ha/jr. voor het zoekgebied.

De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 3,6 ha van het habitattype en op 1,2 ha van het zoekgebied is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op deze volledige oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,01 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>12,5 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op

pagina 125 van 183

het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. Voor de zwakgebufferde vennen zijn door het graven van nieuwe vennen veel kenmerkende soorten teruggekeerd in het gebied. Omdat de ondergrond nog basenrijk is worden in de nieuw afgegraven vennen op korte termijn geen problemen met verzuring en vermesting verwacht. Voor de overige gronden zijn hydrologische maatregelen uitgevoerd om het grootste knelpunt (verdroging) aan te pakken door het dempen van waterlopen in de omgeving en verhoging van de drainagebasis. Dergelijke maatregelen hebben een positief effect. Om lokaal vermesting tegen te gaan zijn daarnaast vennen opgeschoond. Dit heeft direct een positief effect. Dankzij deze maatregelen zorgt de overschrijding van de KDW niet voor een negatief effect. De kwaliteit is voldoende en plaatselijk goed en door herstelprojecten zit de trend van dit habitattype in de lift [lit. 6.2]. Vanwege de positieve trend voor dit habitattype en het kleine, tijdelijke karakter van de projectbijdrage zijn significante gevolgen van de projectbijdrage op H3130 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen uitgesloten.

Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine projectbijdrage(maximaal 0,01 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. . Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

6.7 H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Beschrijving H4010 komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland en het laagveengebied. Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei [lit. 6.6] Subtype A komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland. De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland. In gedegradeerde vochtige heide gaan grassen zoals pijpenstrootje domineren of treden struiken zoals gagel op de voorgrond. Begroeiingen met gagel worden tot het habitattype gerekend, indien deze met de bovengenoemde plantengemeenschappen kleinschalige mozaïeken vormen, maar niet domineren [lit. 6.6]. De dopheibegroeiingen van subtype A zijn bijzonder gevoelig voor verlaging van de grondwaterstand (afgezien van het wegzakken in de zomer) en schommelingen in de waterhuishouding. Verdroging leidt al snel tot vergrassing. Daarnaast is subtype A zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Bij te hoge stikstofdepositie treedt eveneens vergrassing op.

Het water van de natte heiden is wat herkomst betreft regenwater, eventueel bevat het ook een aandeel (jong) grondwater. Overstroming met oppervlaktewater is in de praktijk van het beheer hooguit incidenteel toelaatbaar.

pagina 126 van 183

Vochtige heide kan alleen bestaan op plekken waar de grondwaterstand langdurig aan of net onder het maaiveld staat en hooguit kortstondig dieper wegzakt. Buffering van de grondwaterstand door lokale kwel, een geringe wegzijging naar de ondergrond en een geringe afvoer naar drainagemiddelen kunnen hieraan bijdragen. Subtype A is voor haar voortbestaan afhankelijk van menselijke beheeractiviteiten. Voor behoud is het van belang dat vergrassing en bosvorming voorkomen worden. Zonder beheer hoopt strooisel zich op en neemt de nutriëntenbeschikbaarheid geleidelijk toe. Dat leidt tot vergrassing. Dit proces wordt versneld door atmosferische stikstofdepositie. Heidebeheer in de vorm van begrazing en plaggen is nodig om vergrassing en dichtgroeien met bomen en struiken tegen te gaan. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H4010 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn uitbreiding van oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied H4010A komt in de Empesche en Tondensche Heide voor in laagtes tussen de dekzandruggen en op de lagere delen van de dekzandruggen, en is afhankelijk van regenwatervoeding. Het habitattype komt voor op een oppervlakte van 3,9 ha, in een gradiënt met H6410 en H6230vka. De kwaliteit is matig tot goed. De trends voor oppervlakte en kwaliteit zijn stabiel.

De heide is grotendeels niet vergrast, de bedekking door dwergstruiken is meer dan 50 % en in de heideterreinen staan vrijwel geen bomen en struiken. De kwaliteit wat betreft structuur is hiermee voldoende. De kwaliteit wat betreft flora is als basaal beoordeeld en de kwaliteit van fauna is voldoende. De oppervlakte van dit habitattype is in de loop van de tijd sterk verkleind door verdroging en door verbossing ten gevolge van het uitblijven van goed beheer. Ook is hierdoor een aantal typische soorten verdwenen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan verzuring door het wegvallen van basenrijke kwel op gebiedsniveau in combinatie met verdroging en hoge stikstofdepositie. Door plagbeheer is de optredende vergrassing echter tot staan gebracht, waardoor het oppervlakte geen verdere achteruitgang laat zien. Als gevolg van recent uitgevoerde hydrologische herstelmaatregelen is ook de achteruitgang van de kwaliteit van dit habitattype gestopt [lit. 6.2]. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.214 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.273 tot 1.604 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 3,9 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project.

In de huidige situatie wordt op deze volledige oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,01 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>12,5 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af.

pagina 127 van 183

Ondanks dat de KDW wordt overschreden is de kwaliteit van het H4010A matig tot goed en de trend stabiel. Dit komt met name door het plaggen, waardoor de vergrassing tot wordt beperkt, en door recent uitgevoerde hydrologische herstelmaatregelen. Deze maatregelen lijken voldoende om negatieve effecten van de te hoge achtergronddepositie te voorkomen. Vanwege de stabiele toestand van het habitattype en het kleine, tijdelijke karakter van de projectbijdrage zijn significante gevolgen van de projectbijdrage op H4010A in het Natura 2000gebied Landgoederen Brummen uitgesloten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en uitbreiden van oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine depositie (maximaal 0,01 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Vochtige heiden (hogere zandgronden) in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en uitbreiden van oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

6.8

Typische soorten Landgoederen Brummen

De habitattypen van Landgoederen Brummen kennen verschillende typische soorten. In de volgende sectie zal een overzicht worden gegeven van typische soorten in de verschillende stikstofgevoelige habitattypen van Landgoederen Brummen (tabel 6.2). Deze zullen per soortgroep worden beoordeeld. De huidige achtergronddepositie in de verschillende gebieden kent geen direct toxische uitwerkingen op de verschillende soorten: de mortaliteit wordt niet direct bepaald door de stikstofdepositie. De effectbeoordeling beslaat dus enkel de effecten op het habitat van de verschillende soorten.

pagina 128 van 183

18 10 5 3 10 13 7

Zoogdieren

4 4 2 7 4

Vogels

1 1 2 2

Mossen en vaatplanten

Insecten

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm H9120 Beuken-eikenbossen met hulst H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen H6410 Blauwgraslanden H3130 Zwakgebufferde vennen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

Amfibieën en reptielen

Tabel 6.2 Aantal typische soorten stikstofgevoelige habitattypen in Landgoederen Brummen per soortgroep.

4 2 1 1 -

1 -

6.8.1 Mossen en vaatplanten In alle stikstofgevoelige habitattypen in Landgoederen Brummen zijn verschillende soorten mossen en vaatplanten aangemerkt als typische soorten. Tijdens de beoordeling van de individuele habitattypen is expliciet aandacht geschonken aan de effecten van de projectdepositie op de vegetatiesamenstelling. Hierbij kan over het algemeen gesteld worden dat de effecten van een dusdanig klein en van korte duur zijn, dat de projectdepositie geen negatief effect zal hebben op de vegetatie. Het nader beoordelen van de effecten op mossen en vaatplanten is dan ook niet nodig. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische mossen en vaatplanten van de verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Landgoederen Brummen. 6.8.2 Vogels In H91E0C, H9120, H6410 en H3130 in Landgoederen Brummen zijn één of meerdere vogels aangemerkt als typische soorten. Aangezien er geen negatief effect optreedt op de vegetatie van de stikstofgevoelige habitattypen, kan worden gesteld dat de geschiktheid van het habitat voor vogels niet afneemt: de voedselbeschikbaarheid en het aantal nestlocaties zal niet veranderen. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische vogels van de verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Landgoederen Brummen.

6.8.3 Insecten In alle stikstofgevoelige habitattypen in Landgoederen Brummen, met uitzondering van H9120 en H7150, zijn meerdere insectensoorten aangemerkt als typische soorten. De aanwezigheid van insecten wordt primair bepaald door de vegetatie. Eerder is gesteld dat de vegetatiesamenstelling niet zal wijzigen als gevolg van de kleine, tijdelijke projectdepositie. Omdat de vegetatie niet verandert, zal er ook geen effect optreden op het leefgebied van de verschillende insectensoorten. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische insectensoorten van de verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Landgoederen Brummen.

6.8.4 Amfibieën / reptielen Verschillende amfibieën en reptielen zijn aangemerkt als typische soorten voor de stikstofgevoelige habitattypen H91E0C, H9120, H3130 en H4010A in Landgoederen Brummen. Gesteld kan worden dat aangezien er geen negatief effect optreedt op de vegetatie waar deze soorten in leven, er geen effect zal optreden op de soorten zelf. De voedselbeschikbaarheid en het habitat zullen niet veranderen. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische amfibieën en reptielen van de verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Landgoederen Brummen.

6.8.5 Zoogdieren In H91E0C is één zoogdiersoort aangemerkt als typische soort, namelijk de waterspitsmuis. De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers [lit. 5.5]. Gesteld kan worden dat aangezien er geen negatief effect optreedt op de vegetatie waarin de soort leeft, er geen effect zal optreden op de soort zelf. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de waterspitsmuis in H91E0C in Landgoederen Brummen.

pagina 129 van 183

7 Ecologische analyse overige gebieden Naast de belastingen die in de vorige hoofdstukken zijn behandeld, vindt ook een zeer lage tijdelijke belasting van 0,01 mol N/ha/jr. plaats op verschillende habitattypen in de volgende Natura 2000gebieden: - Binnenveld; - Zeldersche Driessen; - Maasduinen; - Kolland & Overlangbroek; - Stelkampsveld; - Oeffelter Meent; - Sallandse Heuvelrug; - Borkeld; - Korenburgerveen; - Boetelerveld; - Boschhuizerbergen; - Bekendelle; - Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen; - Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek; - Buurserzand & Haaksbergerveen; - Deurnsche Peel en Mariapeel; - Kampina & Oisterwijkse Vennen; - Willinks Weust; - Vecht- en Beneden Reggegebied; - Wierdense Veld. In hoofdstuk 1 is in het algemeen het effect van (geringe) stikstofbelastingen beschreven. Naar analogie van het rekenvoorbeeld dat in paragraaf 1.5 is opgenomen, betekent de belasting van 0,01 mol N/ha/jr.: - 0,01 mol N/ha/jr. = 0,14 gram N per hectare per jaar; - 0,000001 mol N/per vierkante meter per jaar = 0,000014 gram N /per vierkante meter per jaar; - 0,00000001 mol N/plant/jr. = 0,00000014 gram N per plant per jaar. Ter vergelijking 1 mol (14 gram) per ha is vergelijkbaar met 4 suikerklontjes uitgestrooid over 1 ha. Gerelateerd aan een ganzenkeutel is 0,01 mol (0,14 gram) vergelijkbaar met minder dan een halve ganzenkeutel verspreid over één hectare.

Bij kleine planten met een wortelstelsel van 10 x 10 cm komt dit overeen met 0,00000014 gram stikstof per plant. Deze berekende bijdrage ter hoogte van de standplaats is ecologisch gezien verwaarloosbaar. Pas in geval van een relevante blijvende stikstofdepositiebijdrage treden na tientallen jaren ecologische effecten in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk areaalverlies op. Dit speelt zich, afhankelijk van de gevoeligheid van een habitattype, af in een periode van 10-20 jaar (zie tabel 3-1). Hierbij is geen rekening gehouden met het huidige reguliere beheer om de habitattypen in stand te houden. De bovengenoemde gebieden worden hieronder achtereenvolgens behandeld.

pagina 130 van 183

7.1 Binnenveld Beschrijving Het Binnenveld is een blauwgraslandreservaat in het zuidelijk deel van de Gelderse vallei. De meent wordt gevoed door basenrijk kwelwater (afkomstig van de Veluwe) dat ervoor zorgt dat in het gebied gebufferde, schrale bodems aanwezig zijn. Het terrein heeft een venige bodem waarin plaatselijk zandopduikingen optreden en juist op deze zandopduikingen, waar basenrijk water via de capillaire werking een sterke opstijging kan vertonen, wordt blauwgrasland aangetroffen. Het gebied bestaat uit drie deelgebieden: de Bennekomse Meent en de Hel en de Blauwe Hel. De Bennekomse Meent is niet verbonden met de andere twee gebieden [lit. 7.1]. In tabel 7.1 zijn de habitattypen en leefgebieden beschreven waarbij er sprake is van een projectbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW wordt overschreden. De overbelaste hexagonen in Natura 2000-gebied Binnenveld zijn ook weergegeven in afbeelding 7.1. Bij de overige habitattypen is geen sprake van een projectbijdrage en/of wordt de KDW niet overschreden. Voor deze habitattypen kan geconcludeerd worden dat significante gevolgen zijn uit te sluiten.

Afbeelding 7.1 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Binnenveld waarvan de KDW is overschreden

pagina 131 van 183

Tabel 7.1 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok relevante op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Binnenveld waarvan de KDW is overschreden Habitattype/Leefgebied

Effecttype (mol N/ha/jr.)

H6410 Blauwgraslanden

0,01

H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

0,01

H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

0,01

Hieronder wordt per habitattype het effect van stikstofdepositie nader beoordeeld.

Voorkomen en kwaliteit in het Natura 2000-gebied H6410 komt, verspreid over een oppervlakte van 8,2 ha, met 5,8 ha voor in Natura 2000-gebied Binnenveld. De kwaliteit van het habitattype is negatief en er is sprake van een negatieve trend. Verdroging gevolgd door verzuring en vermesting is het voornaamste knelpunt. Daarnaast is stikstofdepositie een belangrijk knelpunt, welke ook verder bijdraagt aan verzuring. Overige knelpunten zijn vermesting door oppervlaktewater, vermesting door grondwater en verlies van fauna door versnippering en eutrofiëring. Het areaal H7140A in het Natura 2000-gebied Binnenveld komt verspreid voor over een oppervlakte van 6,9 ha en bedraagt netto 4,7 ha. Sinds 2006 is er een licht positieve trend zichtbaar voor de omvang van trilvenen in het Binnenveld. Het habitattype komt deels in goed ontwikkelde vorm voor, de trend in kwaliteit is negatief. Stikstofdepositie vormt een belangrijk knelpunt en leidt onder andere tot verzuring van de vegetatie, verdrijving van mossen en verruiging. Verdroging, verzuring door veenmossen en ontoereikend beheer zijn andere belangrijke knelpunten. Het areaal H7140B in het Natura 2000-gebied Binnenveld komt verspreid voor over een oppervlakte van 1,6 ha en bedraagt netto 0,4 ha. Het habitattype komt in een minder goed ontwikkelde vorm voor.

De afgelopen is een positieve trend waargenomen in de oppervlakteontwikkeling, de kwaliteitstrend is niet vastgesteld. Doorslag van stikstof is de voornaamste oorzaak, waardoor bomen, kruiden grassen zich gemakkelijk kunnen vestigen [lit. 7.2, lit. 7.3]. Instandhoudingsdoelstellingen Het instandhoudingsdoel voor H6410 is uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit. Het instandhoudingsdoel voor H7140A is uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Het instandhoudingsdoel voor H7140B is behoud van oppervlakte en kwaliteit. Effectbepaling- en beoordeling De tijdelijke bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. is dermate beperkt dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit van de betreffende habitattypen. Om daadwerkelijk tot een kwaliteitsverlies te komen verbonden aan een projecteffect is langdurig een bijdrage nodig. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen komt derhalve niet in gevaar. Significante gevolgen van stikstofdepositie zijn met zekerheid uit te sluiten.

pagina 132 van 183

Conclusie Significante gevolgen door Dijkversterking Wolferen–Sprok voor de habitattypen van het Natura 2000-gebied Binnenveld en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen zijn met zekerheid uit te sluiten.

7.2 Zeldersche Driessen Beschrijving De Zeldersche Driessen is gelegen in een binnenbocht van het riviertje de Niers. Het gebied bestaat voor een groot deel uit bos. Het is één van de weinige plaatsen in ons land waar op rivierduinen loofbos met in hoge mate natuurlijke samenstelling wordt aangetroffen. Ook zijn een tweetal kleine heideperceeltjes aanwezig. Het zuidelijk deel van het gebied, direct grenzend aan de Niers, bestaat voornamelijk uit soortenrijk stroomdalgrasland met plantengemeenschappen die karakteristiek zijn voor rivierduinen [lit.7.4]. In tabel 7.2 zijn de habitattypen en leefgebieden beschreven waarbij er sprake is van een projectbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW wordt overschreden. De overbelaste hexagonen in Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen zijn ook weergegeven in afbeelding 7.2. Bij de overige habitattypen is geen sprake van een projectbijdrage en/of wordt de KDW niet overschreden. Voor deze habitattypen kan geconcludeerd worden dat significante gevolgen zijn uit te sluiten.

Afbeelding 7.2 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen waarvan de KDW is overschreden

pagina 133 van 183

Tabel 7.2 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok relevante op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied 1.7 Zeldersche Driessen waarvan de KDW is overschreden Habitattype/Leefgebied

Effecttype (mol N/ha/jr.)

H6120 Stroomdalgraslanden

0,01

H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden)

0,01

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,01

H91F0 Droge hardhoutooibossen

0,01

Hieronder wordt per habitattype het effect van stikstofdepositie nader beoordeeld. Voorkomen en kwaliteit in het Natura 2000-gebied In de Zeldersche Driessen komt 1,6 ha van H6120 voor. Van de 1,6 ha is 1,3 ha matig ontwikkeld en 0,3 ha goed ontwikkeld. De trend van H6120 is negatief. Atmosferische stikstofdepositie is een knelpunt, maar niet het voornaamste. Onvoldoende beheer in het verleden, beperkte bodemdynamiek en afnemende inundatie spelen een grotere rol. H6430C komt in het gebied voor op circa 0,21 ha. Het habitattype komt voor in een strook op de grens van de stroomdalgraslanden en het achterliggende (niet kwalificerende) bos en vormt daar de overgang tussen de korte, open vegetaties enerzijds en de bosvegetatie anderzijds. De kwaliteit is merendeels (0,13 ha) goed ontwikkeld. De trend van H6430C is stabiel. Stikstofdepositie vormt een knelpunt, aangezien het de van nature plaatsvindende successie naar bos van het type Droge hardhoutooibossen (H91F0) versnelt. De oppervlakte van H9120 in de Zeldersche Driessen is 7,7 ha. Het habitattype komt voor op een terras van de voormalige Rijn. De kwaliteit is onbekend, de trend in kwaliteit is negatief. Wel is duidelijk dat de structuur van de vegetatie wordt beperkt door een homogene leeftijdsopbouw en ruime aanwezigheid van bramen in het bos. Beide zijn oorzaak voor de afwezigheid van typische soorten.

Andere knelpunten zijn ophoping van humus en verzuring van de bodem.’ De oppervlakte van H91F0 is 2,0 ha. Het systeem vereist regelmatige overstroming zodat de strooisellaag kan wegspoelen en er aanvoer van basen is. Momenteel overstroomt het habitattype maar 1 keer per 10 jaar of minder. Gebrek aan dynamiek is daarmee een knelpunt. Daarnaast (her)kolonisatie van soorten niet of nauwelijks mogelijk door ruimtelijke isolatie. Stikstofdepositie is slechts op een klein deel van het habitattype een mogelijk knelpunt. De kwaliteit is onbepaald. De trend in oppervlakte en kwaliteit is sinds 1995 vrij stabiel [lit. 7.5, lit. 7,6]. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H6120 zijn uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. De instandhoudingsdoelstellingen voor H6430C zijn uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit. De instandhoudingsdoelstellingen voor H9120 en H91F0 zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit.

pagina 134 van 183

Effectbepaling- en beoordeling De tijdelijke bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. is dermate beperkt dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit van de betreffende habitattypen. Om daadwerkelijk tot een kwaliteitsverlies te komen verbonden aan een projecteffect is langdurig een bijdrage nodig. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen komt derhalve niet in gevaar. Significante gevolgen van stikstofdepositie zijn met zekerheid uit te sluiten. Conclusie Significante gevolgen door Dijkversterking Wolferen–Sprok voor de habitattypen van het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen zijn met zekerheid uit te sluiten.

7.3 Maasduinen Beschrijving Door de werking van de Maas en de Rijn zijn er terrassen ontstaan, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Extra reliëf is ontstaan door de werking van de wind. In de laaggelegen delen heeft zich veen gevormd, al dan niet bedekt met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Maasduinen. In het begin van deze eeuw zijn er op grote delen van deze 'Looierheide' eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal in stand gebleven. Her en der bleven grotere en kleine stukken heide en stuifzand gespaard, waarvan de Berger Heide en de Hamert de grootste gebieden zijn. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn. De overgangen van vennen naar natte heide zijn geleidelijk. Langs de Eckelsche Beek liggen hoge steilranden. Ten zuiden van Nieuw-Bergen ligt een restant van een oud kampenlandschap. In de Hamert ligt tevens een hoogveenrestant, het Pikmeeuwenwater.

Het zandgebied grensde aan de oostkant in het verleden aan een uitgestrekt veengebied, delen hiervan worden nu hersteld in het natuurontwikkelingsplan Heerenveen. Aan de westkant van de Hamert is in het Maasdal stroomdalgrasland aanwezig. Het meest zuidelijke deelgebied herbergt een Maasmeander met berkenbroekbos [lit. 7.7]. In tabel 7.3 zijn de habitattypen en leefgebieden beschreven waarbij er sprake is van een projectbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW wordt overschreden. De overbelaste hexagonen in Natura 2000-gebied Maasduinen zijn ook weergegeven in afbeelding 7.3. Bij de overige habitattypen is geen sprake van een projectbijdrage en/of wordt de KDW niet overschreden. Voor deze habitattypen kan geconcludeerd worden dat significante gevolgen zijn uit te sluiten.

pagina 135 van 183

Afbeelding 7.3 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Maasduinen waarvan de KDW is overschreden

Tabel 7.3 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok relevante op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Maasduinen waarvan de KDW is overschreden Habitattype/Leefgebied

Effecttype (mol N/ha/jr.)

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

0,01

H2330 Zandverstuivingen

0,01

H3130 Zwakgebufferde vennen

0,01

H3160 Zure vennen

0,01

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

0,01

H4030 Droge heiden

0,01

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

0,01

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

0,01

H91D0 Hoogveenbossen

0,01

pagina 136 van 183

Habitattype/Leefgebied

Effecttype (mol N/ha/jr.)

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,01

Lg04 Zuur ven

0,01

Lg06 Dotterbloemgrasland van beekdalen

0,01

Lg09 Droog struisgrasland

0,01

Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied

0,01

Lg13 Bos van arme zandgronden

0,01

Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

0,01

Voorkomen en kwaliteit in het Natura 2000-gebied H2310 komt voor op voormalige stuifzanden. Het habitattype komt verspreid voor in het Bergerbos en de Leermarksche-, Lommer en Schandelosche heide. Op de Bergerheide komt het habitattype in een groter areaal voor. H2310 komt in totaal voor op circa 62 ha in de Maasduinen. De kwaliteit van H2310 is overwegend matig en slechts plaatselijk goed. De trend voor kwaliteit is stabiel en de trend voor oppervlakte positief. Verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie en onvoldoende winddynamiek zijn de belangrijkste knelpunten voor H2310. H2330 komt voor op circa 109 ha. De kwaliteit van het habitattype is matig. De trend voor kwaliteit is negatief als gevolg van een hoge bedekking van grijs kronkelsteeltje. De trend voor oppervlakte is positief als gevolg van herstelmaatregelen. Knelpunten zijn vermossing en versnelde successie naar bos als gevolg van een verhoogde stikstofdepositie en gebrek aan winddynamiek. H3130 komt voor in het Lange ven, Suikerven, Nieuwe Heerenven, Mussenslenk, Valkenbergvennen en Vreewater. In totaal komt het habitattype voor op circa 48 ha. De kwaliteit van H3130 is overwegend goed. De trends voor oppervlakte en kwaliteit zijn positief. De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn verzuring en vermesting en verdroging. Ook struik- en boomvorming in de oevers is een knelpunt.

H3160 komt voor op circa 58 ha in de Maasduinen. Het habitattype komt voor binnen het Bergerbos, in het Zevenboomsven en in de Duivelskuil. De kwaliteit is op een aantal plekken goed, maar overwegend matig. De trends voor oppervlakte en kwaliteit zijn positief. De knelpunten bestaan uit vermesting en verzuring als gevolg van verhoogde stikstofdepositie, eutrofiëring door bladval uit aangrenzend bos en verdroging. H4010A komt in een aantal deelgebieden voor, met een totale oppervlakte van circa 64 ha. De kwaliteit is voor een klein deel goed te noemen, maar overwegend matig. De trend voor oppervlakte is positief en de trend voor kwaliteit stabiel. Belangrijke knelpunten voor dit habitattype zijn verzuring en vermesting door een verhoogde stikstofdepositie, versnippering en verdroging. H4030 komt in Maasduinen voor op 475 ha in de hogere delen van het dekzandlandschap, op de stuwwallen en fluvioglaciale vlakten en terrassen waar de watertoevoer alleen bestaat uit infiltratie van neerslag. De kwaliteit is plaatselijk goed, maar overwegend matig. De trend voor oppervlakte is

pagina 137 van 183

positief en de trend voor kwaliteit stabiel. De voornaamste knelpunten zijn vermesting, verzuring en versnelde successie als gevolg van een verhoogde stikstofdepositie. H7110B komt binnen de Maasduinen alleen voor in het Pikmeeuwenwater. Het Pikmeeuwenwater is een complex van zure en oligo-mesotrofe heidevennen in een stuifzanddepressie. De kwaliteit is matig tot goed. De trends voor kwaliteit en oppervlakte zijn positief. De voornaamste knelpunten zijn vermesting als gevolg van een verhoogde stikstofdepositie en verdroging. H7150 komt in Maasduinen voor op plagplekken binnen het habitattype Vochtige heide met een totale oppervlakte van circa 16 ha. Het habitattype is op een vrij groot aantal plaatsen in het gebied aanwezig: het Quin, de Duivelskuil, Lelieven, Pikmeeuwenwater, Wolfsbergsche ven, Galgenbergven en Ravenvennen. De kwaliteit van het habitattype is goed en bij voortzetting van het huidige beheer is het perspectief ook goed. Voor het voortbestaan is het habitattype volledig afhankelijk van nieuwe plagwerkzaamheden op naastgelegen locaties. Knelpunten zijn verzuring en vermesting als gevolg van te hoge stikstofdepositie en verdroging. Het habitattype H91D0 komt in de Maasduinen voor op circa 58 ha, op natte beboste delen in heiden en in mozaïek met elzenbroekbossen. De kwaliteit van H91D0 in Maasduinen is matig tot goed.

Ondanks de overschreden KDW is de trend in zowel het oppervlakte als de kwaliteit stabiel. Stikstofdepositie, vermesting en verdorging vormen de voornaamste knelpunten, waarbij de effecten van stikstofdepositie en verdroging elkaar versterken. Het habitattype H91E0C komt in Maasduinen voor op circa 24 ha. In de Maasduinen komt het habitattype zeer lokaal voor langs het Gelderns-Nierskanaal en in het Lommerbroek. De kwaliteit is grotendeels matig en zeer lokaal goed. De trend in zowel oppervlakte als kwaliteit is stabiel. Stikstofdepositie, vermesting en verdorging vormen de voornaamste knelpunten, wat onder andere verruiging tot gevolg heeft. LG04 vormt leefgebied voor dodaars en geoorde fuut. De lokale staat van instandhouding voor dodaars is matig, zonder significante trend. De belangrijkste factor die het voorkomen van deze soort bepaalt, is verdroging, waardoor het leefgebied inkrimpt (Sovon, 2012). In de Maasduinen broedt de dodaars op de heidevennen verspreid over het gehele Natura 2000-gebied (Provincie Limburg, 2009). De populatie van de geoorde fuut bevindt zich in de Maasduinen in een gunstige staat van instandhouding, met een positieve langjarige trend. In de Maasduinen broedt de geoorde fuut op de heidevennen verspreid over het gehele Natura 2000-gebied, en met name op het Pikmeeuwenwater, Reindersmeer en het Meeuwenven. (Provincie Limburg, 2009).

LG04 staat onder druk van stikstofdepositie. Stikstofdepositie heeft een vermestend effect en zorgt ook voor ophoping van ammonium. De ophoping van ammonium zorgt ervoor dat soorten als knolrus en pijpenstrootje harder kunnen groeien. Hierdoor neemt het voortplantings- en foerageergebied voor geoorde fuut en dodaars af. LG06 vormt leefgebied voor de grauwe klauwier. De lokale staat van instandhouding is ongunstig voor deze soort. Het betreft een relatief geïsoleerde populatie en zowel in het gebied als in de regio is de draagkracht te gering voor een sleutelpopulatie. De kwaliteit van LG06 staat onder druk van stikstofdepositie. De stikstofdepositie leidt tot verschraling van het prooiaanbod (van grotere soorten insecten naar kleinere soorten) en tot verruiging, wat leidt tot een lagere bereikbaarheid van voedsel. Grauwe klauwier is echter slechts voor een deel van zijn voedselvoorziening afhankelijk van LG06.

pagina 138 van 183

LG09 vormt leefgebied voor boomleeuwerik, grauwe klauwier, nachtzwaluw en roodborsttapuit. Geen van deze soorten is strikt gebonden aan het leefgebied, de soorten komen ook in andere schrale leefgebieden voor zoals droge en vochtige heide. LG09 is zeer gevoelig voor vermesting als gevolg van stikstofdepositie en kan leiden tot een afname in de kwantiteit en kwaliteit van voedselplanten, een afname in voortplantingshabitat en een afname in prooibeschikbaarheid. Op de roodborsttapuit na zijn alle soorten al beschreven bij één van de andere leefgebieden in Maasduinen. In aanvulling daarop wordt hier daarom alleen de roodborsttapuit apart beschreven. De lokale stand van instandhouding van de roodborsttapuit is gunstig, waarbij de langjarige en tienjarige trend een lichte stijging laten zien. De roodborsttapuit broedt verspreid over de heideterreinen van de Maasduinen. De soort profiteert van de herstelmaatregelen die genomen worden op de habitattypen met heide, welke grote overlap vertonen met het leefgebied van de roodborsttapuit. LG10 vormt leefgebied voor de grauwe klauwier. De lokale staat van instandhouding is ongunstig voor deze soort. Het betreft een relatief geïsoleerde populatie en zowel in het gebied als in de regio is de draagkracht te gering voor een sleutelpopulatie. Stikstofdepositie heeft een vermestend en verzurend effect op Lg10.

Het vermestende effect leidt tot een hogere vegetatie en daarmee tot een lager aanbod en/of een lagere bereikbaarheid van voedsel voor grauwe klauwier. Door het licht eutrofe karakter is het leefgebied waarschijnlijk matig gevoelig. Grauwe klauwier is echter niet strikt gebonden aan Lg10. In LG13 en LG14 komen drie Vogelrichtlijnsoorten voor: de zwarte specht, de boomleeuwerik en de nachtzwaluw. De populaties van de zwarte specht en de nachtzwaluw in dit gebied verkeren in een gunstige staat van instandhouding. Voor de boomleeuwerik is de lokale staat van instandhouding ongunstig. Voor alle drie de broedvogelsoorten geldt dat LG13 en/of LG14 enkel een deel van het totale leefgebied van de soorten in Maasduinen vormt. De kwaliteit en de omvang van het leefgebied van de zwarte specht is stabiel. Er zijn aanwijzingen dat stikstofdepositie mogelijk een negatief effect heeft op het leefgebied van de zwarte specht. Dit is echter zeer onzeker [lit. 16.1]. Zo zou stikstofdepositie ook tot een verhoogd voedselaanbod kunnen zorgen, wat de draagkracht eerder verhoogt dan verlaagt. De algemene trend van het leefgebied van de boomleeuwerik is licht negatief, zowel ten aanzien van de oppervlakte als de kwaliteit van het leefgebied.

Door de hoge stikstofdepositie kunnen biotopen vergrassen en versnelt de successie naar gesloten bos, zeker wanneer natuurlijke dynamiek (of beheermaatregelen die de effecten van de natuurlijke dynamiek nabootsen) achterwege blijven. De trend van het leefgebied van de nachtzwaluw is positief, zowel ten aanzien van de kwaliteit als de oppervlakte. Het huidige beheer bestaand uit heideherstelbeheer door plaggen, het verwijderen van bos en extensieve begrazing is voldoende om de gunstige staat van instandhouding te behouden [lit 7.8, lit. 7,9]. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen H2310, H2330, H3130, H3160, H4010A, H4030 en H7110B zijn verbetering van kwaliteit en uitbreiding van oppervlakte. De instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen H6120, H6430A, H6430C, H7150, H91EC en H91F0 zijn behoud van kwaliteit en oppervlakte. Het instandhoudingsdoel voor habitattype H91D0 is behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. De instandhoudingsdoelstellingen voor de zwarte specht, nachtzwaluw, dodaars, geoorde fuut, boomleeuwerik en roodborsttapuit bestaan uit behoud van de omvang van het leefgebied en behoud van de kwaliteit van het leefgebied. De instandhoudingsdoelstellingen voor de grauwe klauwier bestaan uit uitbreiding van de omvang van het leefgebied en verbetering van kwaliteit van het leefgebied.

De instandhoudingsdoelstellingen voor het aantal broedparen per broedvogelsoort in

pagina 139 van 183

Maasduinen zijn (langjarig gemiddelde): zwarte specht (35), nachtzwaluw (30), dodaars (50), geoorde fuut (7), boomleeuwerik (100), roodborsttapuit (85) en grauwe klauwier (3). Effectbepaling- en beoordeling De tijdelijke bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. is dermate beperkt dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit van de betreffende habitattypen en leefgebieden. Om daadwerkelijk tot een kwaliteitsverlies te komen verbonden aan een projecteffect is langdurig een bijdrage nodig. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen komt derhalve niet in gevaar. Significante gevolgen van stikstofdepositie zijn met zekerheid uit te sluiten. Conclusie Significante gevolgen door Dijkversterking Wolferen–Sprok voor de habitattypen van het Natura 2000-gebied Maasduinen en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen zijn met zekerheid uit te sluiten.

7.4 Kolland & Overlangbroek Beschrijving Kolland en Overlangbroek zijn twee landgoederen in het stroomgebied van de Kromme Rijn tussen Wijk bij Duurstede en de Utrechtse heuvelrug. Het gebied is onderdeel van een kleinschalig cultuurlandschap waar actief beheerde essenhakhoutbosjes voorkomen. Dit essenhakhout op voedselrijke kleigronden in het rivierengebied vormt een in Europees opzicht uitermate zeldzaam bostype met een grote rijkdom aan paddenstoelen en epifytische mossen en korstmossen [lit. 7.10]. In tabel 7.4 zijn de habitattypen en leefgebieden beschreven waarbij er sprake is van een projectbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW wordt overschreden. De overbelaste hexagonen in Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek zijn ook weergegeven in afbeelding 7.4.

pagina 140 van 183

Afbeelding 7.4 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek waarvan de KDW is overschreden

Tabel 7.4 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok relevante op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek waarvan de KDW is overschreden Habitattype/Leefgebied

Effecttype (mol N/ha/jr.)

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,01

Hieronder wordt voor dit habitattype het effect van stikstofdepositie nader beoordeeld.

Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied H91E0C komt voor in drie deelgebieden van Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek met een totale oppervlakte van 52,4 ha. De kwaliteit van het habitattype is over het algemeen goed, maar heeft recentelijk wel te leiden onder de essentakschimmel. De voornaamste knelpunten voor het habitattype zijn de essentaksterfte en beperkte ontsluiting en toegankelijkheid van de percelen. Voor zowel oppervlakte als kwaliteit is de trend negatief. De afname van mosflora is inmiddels gestopt en kent een licht positieve trend [lit. 7.10, lit. 7.11].

pagina 141 van 183

Instandhoudingsdoelstellingen Uitgegaan wordt van de instandhoudingsdoelstelling behoud van oppervlakte en kwaliteit voor het habitattype voor Kolland en uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit voor Overlangbroek. In de beoordeling zal uit worden gegaan van de meest ambitieuze doelstelling. Effectbepaling en -beoordeling De tijdelijke bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. is dermate beperkt dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit van de betreffende habitattypen. Om daadwerkelijk tot een kwaliteitsverlies te komen verbonden aan een projecteffect is langdurig een bijdrage nodig. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen komt derhalve niet in gevaar. Significante gevolgen van stikstofdepositie zijn met zekerheid uit te sluiten. Conclusie Significante gevolgen door Dijkversterking Wolferen–Sprok voor de habitattypen van het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen zijn met zekerheid uit te sluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=48ba1837-5a4d-4356-8d48-7a6ce5aa5b73