CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

17. Bijlage bij de toelichting deel 5a-1

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling paraplubestemmingsplan Nijmegen Dijkversterking Wolferen - Sprok (27/2021) (STEMSTUK)32.995 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. De overschrijding van de KDW vormt niet het belangrijkste knelpunt. Het habitattype staat voornamelijk onder druk door de homogene leeftijdsopbouw en de dominantie van exoten. Desondanks is er sprake van een stabiele trend in oppervlakte en kwaliteit. Dit is mede te danken aan het beheer van kleinschalig dunnen en nulbeheer. Vanwege de stabiele toestand van het habitattype, het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt vormt en de kleine en tijdelijke aard van de projectbijdrage zal de projectbijdrage geen significante gevolgen hebben op Beukeneikenbossen met hulst in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine projectbijdrage (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering in de kwaliteit en oppervlakte van Beuken-eikenbossen met hulst in het Natura 2000gebied Sint Jansberg. De toestand van het habitattype is stabiel en stikstof is niet het voornaamste knelpunt.

Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Significant gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

4.2 H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Beschrijving H91E0 omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen (van het zogenoemde alluvium of alluviaal) en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten. De grote variatie aan bostypen wordt binnen het habitattype verdeeld over drie subtypen, twee subtypen voor het rivierengebied en één voor de beken en kleine riviertjes van de hogere zandgronden en het heuvelland. Het subtype C (beekbegeleidende bossen) komt vooral voor in beekdalen en laag gelegen delen van de hogere zandgronden, op plekken die onder invloed staan van overstromend beekwater en/of gevoed worden door grondwater dat afkomstig is van aangrenzende hoger gelegen gebieden. Door voeding met oppervlaktewater en grondwater zijn de standplaatsen relatief rijk aan basen en nutriënten. Het subtype vertoont in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden en het heuvelland veel overeenkomst met het vochtige hardhoutooibos. Ze bezitten echter een typische ondergroei met een bijzonder uitbundig voorjaarsaspect. In het rivierengebied komt dit subtype (ondanks wat de verkorte naam kan suggereren) soms ook voor in de vorm van VogelkersEssenbos.

In brongebieden van beekdalen wisselen deze bossen af met natte bossen waarin zwarte els op de voorgrond treedt. Ook deze zogenoemde elzenbroekbossen worden tot het habitattype H91E0 gerekend. Op de natste, meestal venige (of kleiïg-venige) standplaatsen komen elzenbroekbossen voor die behoren tot het Elzenzegge-Elzenbroek. De grondwaterstanden liggen hier in het voorjaar rond het maaiveld en zakken in de zomer hooguit ondiep weg. Op de laagste plekken kan het water een groot deel van het jaar boven het maaiveld staan. In goed ontwikkelde vormen van het elzenbroekbos zakt de grondwaterstand niet verder weg dan circa 60 (40?) centimeter. In licht verdroogde vormen van

pagina 100 van 183

het elzenbroek kunnen de grondwaterstanden tot een meter wegzakken. Hoewel het type niet strikt gebonden is aan kwel komen goed ontwikkelde vormen van het Elzenzegge-Elzenbroek vooral voor op plekken die gevoed worden door grondwater. Het komt voor op relatief voedselrijke standplaatsen in de benedenlopen van beken, met name op de overgang naar het laagveengebied, naar de hoogveenbossen of naar de bronnetjesbossen behorend tot het Goudveil-Essenbos. Het laatste bostype komt vooral voor aan de voet van hellingen op plekken waar permanent grondwater uittreedt. In het heuvelland kan het – dankzij de complexe geologische opbouw – ook hoger op de helling voorkomen, soms zelfs op verschillende boven elkaar gelegen niveaus. Op de wat minder natte standplaatsen die regelmatig tot incidenteel overstromen met beekwater komt het Vogelkers-Essenbos voor. De bodem bestaat meestal uit lemig zand. De standplaatsen zijn minder nat en de grondwaterstanden zakken in de zomer verder weg dan in het elzenbroekbos (tot anderhalve meter diep). Op een aantal plekken komt dit bostype voor op rabatten, die zijn aangelegd om de voorheen nattere standplaats met elzenbroekbos te kunnen ontwateren voor de teelt van hakhout met overstaanders. De best ontwikkelde vormen van dit bostype vertonen veel overeenkomst met H9160A (Eiken-Haagbeukenbossen van het laagland).

De meeste vormen van het habitatsubtype zijn gevoelig voor veranderingen in de hydrologie in de vorm van grondwaterstandsdaling of afname van kwel. Op plekken die regelmatig overstromen kan daarnaast een te hoge voedselrijkdom van het overstromende beekwater en het afgezette beekslib en/of een toename van overstromingen zorgen voor eutrofiering en verruiging van de vegetatie. Bij bronbossen vormt bemesting in de hoger gelegen intrekgebieden een potentiële bedreiging voor de kwaliteit van het toestromende grondwater, omdat het kan leiden tot verhoogde gehaltes aan sulfaat en nitraat in het uittredende bronwater. Verdroging van Vogelkers-Essenbossen leidt tevens tot verzuring, aanplant van eik of – in sterk verdroogde situaties zelfs Beuk en naaldhout – versterkt deze ontwikkeling. De botanische waarde van licht verdroogde vormen van het Vogelkers-Essenbos kan deels hersteld te worden door gebruik te maken van boom- en struiksoorten met ‘rijk’ goed verterend bladstrooisel. In bossen met geëutrofieerde bovengronden is het daarbij van belang dat niet te veel licht tot de bosbodem kan doordringen. Subtype C is gevoelig voor stikstofdepositie [lit. 2.10]. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Gezien de definitie van H91E0C kwalificeren op de Sint Jansberg alleen bronbosvegetaties.

De vegetaties die als beekbegeleidend bos gekarteerd zijn, voldoen niet voor het habitattype omdat aan de aanvullende abiotische eisen niet wordt voldaan. Aanvullend wordt namelijk als voorwaarde gesteld dat de vegetatie onder invloed moet staan van beek of rivier én dat sprake moet zijn van een alluviale bodem. Aan deze criteria wordt voor deze vegetaties in het gebied Sint Jansberg niet voldaan. Het habitattype bevindt zich op twee locaties: in het bronbosje in de Helkuil, met een oppervlakte van 0,46 ha, en aan de voet van de stuwwal in de Geuldert, met een oppervlakte van 0,37 ha. Het sturende landschapsecologische proces voor H91E0C is de geohydrologische dynamiek: voldoende toestroom van matig voedselrijk kwelwater. Hydrologisch gezien wordt het gebied gerekend tot het stuwwalsysteem van Nijmegen. Karakteristiek van de stuwwallen zijn de scheefgestelde aardlagen (zand, grind, leem). Er zijn twee grondwaterspiegels. De eerste, diepste grondwaterspiegel ligt op 1-5 m boven NAP, onder een ondoordringbare leemlaag. Dit water kwam als kwel oorspronkelijk aan de voet van de stuwwal aan de oppervlakte. Dit grondwaterpeil is zodanig gezakt dat het alleen nog de oppervlakte bereikt in de sloten, de zandwinplas Plasmolen en de Mookerplas. De tweede grondwaterspiegel ligt boven op de ondoordringbare leemlaag.

Waar de leemlaag door de scheve afzettingen aan de oppervlakte komt vloeit het water weg uit een bron of

pagina 101 van 183

spreng. Dat zijn ook de plekken op de stuwwal waar het habitattype voorkomt. Beide grondwatersystemen worden gevoed door neerslag. Het verschil is dat het regenwater uit de onderste laag niet afkomstig is uit het gebied zelf, maar verder weg uit de regio [lit. 4.2]. Door voeding met oppervlaktewater en grondwater zijn de standplaatsen relatief rijk aan basen en nutriënten. De Geuldert bestaat voor een groot deel uit plassen. Het is een voormalig kwelgebied met veenvorming dat werd gevoed door het regionale grondwater van de stuwwal van Nijmegen. Door aanleg van de Mookerplas en andere infrastructurele ingrepen is dit kwelgebied sterk verdroogd. De voor het habitattype kwalificerende bronbosvegetaties in de Geuldert bevinden zich andere vochtige bos-, moeras- en struweelvegetaties. Deze andere vochtige (bos)vegetaties, die niet voor het habitattype kwalificeren, vormen een belangrijke buffer rondom deze kleine en zeer kwetsbare bronbosvegetatie en vormen bovendien het leefgebied van H1016 (zeggekorfslak). De kwaliteit van het habitattype is slecht. Knelpunten van H91E0C in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg zijn een overmaat aan stikstof, ontoereikende hydrologische omstandigheden (verdroging), te hoge voedselrijkdom van water, een te klein areaal en successie.

Desondanks is de toestand van het habitattype momenteel stabiel en op sommige plaatsen vindt langzaam herstel plaats. Dit komt mede doordat er een aantal maatregelen zijn genomen om de hydrologische situatie in de Geuldert te verbeteren. Tevens draagt het beheer hieraan bij doormiddel van het tegengaan van successie. De versnelde ontwikkeling van ruigtesoorten wordt teruggezet en schaduwwerkende beuken aan de rand van brongebieden Helkuil, Groene water en Drie Vijvers worden verwijderd. Instandhoudingsdoelstellingen Het instandhoudingsdoel voor H91E0C is behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.857 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.923 tot 2.360 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 0,4 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op deze volledige oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft.

Pas bij een langdurige overschrijding (>15 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. Ondanks de overschrijding van de KDW is de toestand van het habitattype momenteel stabiel en op sommige plaatsen vindt zelfs langzaam herstel plaats. Dit komt mede door het hydrologische herstel van de Geuldert en door beheermaatregelen. Deze maatregelen lijken voldoende om negatieve effecten van de historische hoge achtergronddepositie te herstellen. Vanwege de tijdelijkheid van de kleine projectbijdrage, de relatie van deze bijdrage tot het huidige beheer en de herstelmaatregen en de achtergronddepositie zal deze geen significante gevolgen hebben. H91E0C is beperkt gevoelig voor verzuring. Dit vanwege de instandhouding van relatief basenrijke omstandigheden in het gebied. De basenvoorziening wordt aangestuurd door hoge

pagina 102 van 183

grondwaterstanden in de winter en basenrijke kwel en in sommige gevallen door aanvoer van basenrijk beekwater via inundaties. Vanwege de relatief geringe projectbijdrage zal de dijkversterking geen verzurende effecten veroorzaken op het H91E0C in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg. Vanwege de stabiele toestand van het habitattype, de beperkte gevoeligheid voor verzuring en de kleine en tijdelijke aard van de projectbijdrage zal de projectbijdrage niet leiden tot significante gevolgen voor Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine projectbijdrage (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering in de kwaliteit en oppervlakte van Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-hebied Sint Jansberg. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Significante gevolgen van stikstofdepositie zijn met zekerheid uit te sluiten.

4.3 H7210 Galigaanmoerassen Beschrijving Het habitattype betreft alle door Galigaan gedomineerde moerassen in ons land, behalve die onderdeel uitmaken van een hoogveenlandschap (H7110A). Galigaan kan zich in basenrijke, niet te zuurstofarme milieus vestigen in lage open moeras- of oeverbegroeiingen. Deze vlijmscherpe, grote moerasplant kan uitgestrekte begroeiingen vormen aan de oevers van laagveenplassen, duinplassen en heidevennen. Galigaan is in Nederland een zeldzame soort maar gaat, na geslaagde vestiging, in de regel in de vegetatie overheersen. Hierdoor verdwijnen de kleine moeras- en oeversoorten en op den duur ontstaat een soortenarm galigaanmoeras. Deze galigaanbegroeiingen kunnen zich vervolgens vele decennia handhaven. In laagveengebieden betreft het randen van plassen waar enige golfwerking optreedt. In heidevennen en duinplassen betreft het locaties waar toevoer van basenrijk grond- en/of oppervlaktewater optreedt. De basenrijke omstandigheden zijn van belang voor de soortenrijkdom van de vegetatie. Het is onduidelijk, waardoor nieuwe vestigingen zo zeldzaam zijn, het behoud van bestaande voorkomens is vooralsnog nodig om het voortbestaan te waarborgen. Galigaan kan zich lang handhaven na verzuring, en komt daardoor zowel voor samen met baseminnende soorten als met zuurminnende soorten, zoals gagel. Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie [lit.

4.4]. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Dit habitattype komt met een totale oppervlakte van 0,03 ha voor aan de voet van de Sint Jansberg, in een laagte genaamd de Geuldert. In de Geuldert bestaat de oevervegetatie, naast galigaan, hoofdzakelijk uit riet, gagel, bitterzoet, wolfspoot, sporkehout en wilgen. De kwaliteit van het H7210 in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg is slecht. Vanwege wegzijging van regionaal grondwater naar de Mookerplas is er sprake van verdroging in de Geuldert. De Mookerplas staat in directe verbinding

pagina 103 van 183

met de Maas en daardoor wordt zeer veel grondwater uit het stuwwalcomplex versneld afgevoerd. Door de verdroging, in combinatie met het hoge aanbod aan stikstof en koolstof (mineralisatie), krijgt verlandingsvegetatie zoals wilgenstruweel en riet meer kans zich goed te vestigen. Het oppervlakte galigaan in de Geuldert gaat hierdoor achteruit. In het gebied zijn reeds maatregelen getroffen om de hydrologische situatie in de Geuldert te verbeteren. Dit heeft geleid tot een verbetering van de kwaliteit van het H7210. Desondanks is de trend voor het habitattype nog steeds negatief. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H7210 in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit [lit. 4.2]. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.571 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.798 tot 2.229 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 0,2 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op deze volledige oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie.

De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>15 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de projectbijdrage zijn significante gevolgen van de projectbijdrage op H7210 in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg uitgesloten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van oppervlakte en kwaliteit wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine projectbijdrage (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Galigaanmoerassen in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van oppervlakte en kwaliteit wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

4.4 L91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) & Lg05 Grotezeggenmoeras & Lg05 Grote-zeggenmoeras Beschrijving Stikstofdepositie op L91E0C vormt een potentieel knelpunt voor habitatrichtlijnsoort de zeggekorfslak [lit. 4.1]. Een overmaat aan stikstof op het leefgebied van de zeggekorfslak kan effecten hebben op de kwaliteit ervan. In een eerdere paragraaf is bij het habitattype H91E0C behandeld of de projectbijdrage een effect heeft op de vegetatie. Dit zal hier nader worden beschouwd aan de hand van de zeggekorfslak.

pagina 104 van 183

4.4.1 Zeggekorfslak Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied De KDW van L91E0C is 1.857 mol N/ha/jr. en de KDW van Lg05 is 1.714 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.865 tot 2.275 mol N/ha/jr. voor L91E0C en 2.229 mol N/ha/jr. voor Lg05. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 1,3 ha van L91E0C en 0,01 ha van Lg05 is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op respectievelijk 87% en 100% van deze oppervlakten de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor de Zeggekorfslak bestaan uit behoud van de omvang van het leefgebied, verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en behoud van de populatie. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.857 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.865 tot 2.275 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 1,3 ha van het leefgebied is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project.

In de huidige situatie wordt op 87% van deze oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>15 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het leefgebiedtype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het leefgebiedtype richting een minder heterogene en ruigere vegetatie. Hierdoor blijft het aantal potentieel geschikte voortplantings- en foerageergebied voor de Zeggekorfslak gelijk. Vanwege de kleine en tijdelijke projectbijdrage heeft de projectbijdrage geen (significante gevolgen voor het leefgebied van de Zeggekorfslak in Sint Jansberg. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine depositie (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) op L91E0C en Lg05 in het Natura 2000-gebied Sint Jansberg veroorzaakt geen verandering in de kwaliteit en oppervlakte van het leefgebied van de zeggekorfslak.

Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit, behoud van oppervlakte en behoud van de populatie wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op het leefgebied en de populatie van de Zeggekorfslak ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn daarmee met zekerheid uit te sluiten.

pagina 105 van 183

4.5

Typische soorten Sint Jansberg

De habitattypen en leefgebieden van Sint Jansberg kennen verschillende typische soorten. Voor de leefgebieden zijn deze reeds expliciet behandeld. In de volgende sectie zal een overzicht worden gegeven van typische soorten in de verschillende stikstofgevoelige habitattypen van Sint Jansberg (tabel 4.2). Deze zullen per soortgroep worden beoordeeld. De huidige achtergronddepositie in de verschillende gebieden kent geen direct toxische uitwerkingen op de verschillende soorten: de mortaliteit wordt niet direct bepaald door de stikstofdepositie. De effectbeoordeling beslaat dus enkel de effecten op het habitat van de verschillende soorten.

5 18 -

Zoogdieren

4 -

Vogels

1 1 -

Mossen en vaatplanten

Insecten

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H7210 Galigaanmoerassen

Amfibieën en reptielen

Tabel 4.2 Aantal typische soorten stikstofgevoelige habitattypen in Sint Jansberg per soortgroep.

2 4 1

1 -

4.5.1 Mossen en vaatplanten In H9120 en H91E0C in Sint Jansberg zijn verschillende soorten mossen en vaatplanten aangemerkt als typische soorten. Tijdens de beoordeling van de individuele habitattypen is expliciet aandacht geschonken aan de effecten van de projectdepositie op de vegetatiesamenstelling. Hierbij kan over het algemeen gesteld worden dat de effecten van een dusdanig klein en van korte duur zijn, dat de projectdepositie geen negatief effect zal hebben op de vegetatie. Het nader beoordelen van de effecten op mossen en vaatplanten is dan ook niet nodig. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische mossen en vaatplanten van de verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Sint Jansberg.

4.5.2 Vogels In alle stikstofgevoelige habitattypen komen één of meerdere vogels voor als typische soorten. Aangezien er geen negatief effect optreedt op de vegetatie van de stikstofgevoelige habitattypen, kan worden gesteld dat de geschiktheid van het habitat voor vogels niet afneemt: de voedselbeschikbaarheid en het aantal nestlocaties zal niet veranderen. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische vogels van de verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Sint Jansberg.

4.5.3 Insecten In H91E0C zijn vier insectensoorten aangemerkt als typische soorten. De aanwezigheid van insecten wordt primair bepaald door de vegetatie. Eerder is gesteld dat de vegetatiesamenstelling niet zal wijzigen als gevolg van de kleine, tijdelijke projectdepositie. Omdat de vegetatie niet verandert, zal er ook geen effect optreden op het leefgebied van de verschillende insectensoorten. De kleine, tijdelijke

pagina 106 van 183

projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische insectensoorten van H91E0C in Sint Jansberg.

4.5.4 Amfibieën / reptielen Verschillende amfibieën en reptielen zijn aangemerkt als typische soorten voor de stikstofgevoelige habitattypen H9120 en H91E0C in Sint Jansberg. Gesteld kan worden dat aangezien er geen negatief effect optreedt op de vegetatie waar deze soorten in leven, er geen effect zal optreden op de soorten zelf. De voedselbeschikbaarheid en het habitat zullen niet veranderen. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische amfibieën en reptielen van de verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Sint Jansberg.

4.5.5 Zoogdieren In H91E0C is één zoogdiersoort aangemerkt als typische soort, namelijk de waterspitsmuis. De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers [lit. 4.5]. Gesteld kan worden dat aangezien er geen negatief effect optreedt op de vegetatie waarin de soort leeft, er geen effect zal optreden op de soort zelf. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de waterspitsmuis in H91E0C in Sint Jansberg.

pagina 107 van 183

5 Ecologische analyse De Bruuk De Bruuk (99 ha) ligt ten zuidoosten van Groesbeek, vlak bij de Duitse grens, in het Bekken van Groesbeek. Het valt onder de habitatrichtlijn en is geheel in bezit van Staatsbosbeheer. De Bruuk is een oud cultuurlandschap met vochtige graslanden, wilgenstruwelen, rietlanden, houtwallen en bos. Het gebied ligt tussen twee stuwwallen en ontvangt veel schoon kwelwater. Hierdoor komen er veel waardevolle planten voor, zoals Spaanse ruiter, slanke sleutelbloem en tandjesgras. De belangrijkste biotooptypen zijn vochtige graslanden, eikenbos, wilgenbos en -struwelen en enkele rietlandjes en rietkragen langs sloten. In het voorjaar en zomer zijn hier gekraagde roodstaart, grote gele kwikstaart, boompieper, sprinkhaanzanger, kleine en grote bonte specht, groene specht, steenuil, bosuil, boomvalk en wespendief te horen of te zien. In de winter is het een goede plek voor een bokje. Leuke dwaalgasten zijn krekelzanger en graszanger [lit. 5.1]. In tabel 5.1 is het habitattype beschreven waarbij er sprake is van een projectbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW wordt overschreden waarvoor een doelstelling is vastgelegd in het vastgestelde aanwijsbesluit. De overbelaste hexagonen in Natura 2000-gebied de Bruuk zijn ook weergegeven in afbeelding 5.1.

Bij de overige habitattypen is geen sprake van een projectbijdrage en/of wordt de KDW niet overschreden. Voor deze habitattypen kan geconcludeerd worden dat significante gevolgen zijn uit te sluiten.

Afbeelding 5.1 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied de Bruuk waarvan de KDW is overschreden

pagina 108 van 183

Tabel 5.1 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok relevante op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied de Bruuk waarvan de KDW is overschreden Habitattype

Effecttype (mol N/ha/jr.)

H6410 Blauwgraslanden

0,02

Hieronder wordt per habitattype het effect van stikstofdepositie nader beoordeeld.

5.1 H6410 Blauwgraslanden Beschrijving H6410 betreft soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter, blauwe zegge en tandjesgras. De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging [lit. 5.2]. Zowel in de beekdalen als op de hogere zandgronden wordt het habitattype sterk bedreigd door verlaging van grondwaterstanden, die tot gevolg hebben dat onvoldoende bufferstoffen doordringen tot in de wortelzone. In de beekdalen kan ook overstroming met eutroof en slibrijk water leiden tot achteruitgang van het blauwgrasland. Het type is zeer gevoelig voor stikstofdepositie en verlangt dus een goede luchtkwaliteit. Dit komt onder andere doordat de vegetatie baseminnend is. Door stikstofdepositie kan de buffercapaciteit van de bodem afnemen, wat negatieve gevolgen heeft voor de vegetatie. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Voor De Bruuk is 29,4 ha ingetekend als H6410, waarvan 11,6 ha daadwerkelijk is gekarteerd [lit. 5.2]. Dit habitattype komt echter sterk gefragmenteerd voor.

De lokale trends verschillen binnen het Natura 2000-gebied. Hierbij is in het westelijk deel een duidelijke positieve trend zichtbaar, zowel in areaal als in kwaliteit. De oostelijke zijde kent een minder positieve ontwikkeling, waarbij een constante verzuring wordt waargenomen, wat leidt tot een afname van de kwaliteit. De Blauwgrasland-gemeenschappen in de Bruuk worden vooral vertegenwoordigd door de typische subassociatie van Blauwgrasland (16A1a) en de meest natte en zure vorm heeft overgangen naar de subassociatie van Melkeppe (16A1c). De subassociatie van Blauwgrasland (16A1e), die relatief soortenarm is, komt alleen zeer lokaal voor. Het belangrijkste knelpunt voor dit habitattype is verzuring. Enerzijds wordt verzuring veroorzaakt door verdroging, anderzijds door de hoge stikstofdepositie. De weerstand voor verzuring wordt bepaald door voorraden kationen en bicarbonaat in de bodem, die vooral door kwelwater worden aangevoerd [lit. 5.3]. Deze voorraden zijn beperkt waardoor blauwgrasland gevoelig is voor verzuring. Met name subassociaties met Melkeppe en/of met Borstelgras zijn gevoelig. Als de pH van de bodem te ver daalt (< 4,5) verdwijnen deze vegetatietypen. Parnassia is sterk baseminnend en verdwijnt al onder pH 5. Tijdens de verdwijning van de vegetatie wordt vaak een overgang met

pagina 109 van 183

verscheidene subassociaties geobserveerd. Eventuele verzuring is hierdoor op soortniveau te herkennen. Naast parnassia nemen typische soorten zoals blonde zegge en vlozegge af bij verzuring, terwijl andere soorten zoals pijpenstrootje, zwarte zegge, moerasstruisgras en veenpluis juist gaan toenemen. De gevolgen van verzuring zijn vaak niet vast te stellen op het moment van depositie, waarbij een vertraging van tientallen jaren mogelijk is. Dit hangt samen met de buffercapaciteit van de bodem. Op het moment dat de kationenbuffer is uitgeput daalt de pH het snelst, en daarmee ook de kwaliteit van de vegetatie. Dit wil zeggen dat een relatief hoge depositie een beperkt effect zal hebben bij een goed gebufferde bodem. Anderzijds kan een kleine additionele depositie een substantieel effect hebben op een gebied waar de buffercapaciteit vrijwel uitgeput is. Behalve verzuring heeft stikstofdepositie ook een vermestend effect waardoor voedselminnende veenmossen in hun groei gestimuleerd worden, hetgeen lokaal een versterkend effect op de verzuring heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat stikstofdepositie momenteel een knelpunt voor fauna vormt. Ook versnippering en kortlevende zaadbanksoorten vormen een knelpunt, maar de impact van deze factoren is onduidelijk.

Het reguliere beheer voor H6410 richt zich op het tegengaan van verzuring en vermesting door een combinatie van functioneel hydrologisch herstel en optimaal beheer van de vegetatie. Het reguliere beheer is momenteel reeds op orde. Daarnaast zijn Vanuit de landelijke herstelstrategie een aantal gebiedsmaatregelen genomen. Het gaat hier om het verondiepen, verbreden en belemen van verschillende sloten en greppels. Ook heeft een peilverhoging van de Ashorstersloot plaatsgevonden. Deze maatregelen zouden moeten resulteren in een grotere kweldruk onder de leemlaag en kwelflux door de leemlaag. Hierdoor wordt het drainerend effect van de watergangen die door de leemlaag snijden verminderd/opgeheven. Tijdens de inventarisatie in 2017 [lit. 5.4] hebben de maatregelen nog niet geleid tot een toename in de omvang van basenrijk oppervlak. Instandhoudingsdoelstellingen Voor het H6410 in Natura 2000-gebied De Bruuk geldt een uitbreidingsdoelstelling voor de oppervlakte en een verbeteringsdoelstelling voor de kwaliteit. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.071 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.288 tot 1.874 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op.

Op 11,6 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op deze volledige oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>10 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de projectbijdrage zijn significante gevolgen op H6410 het Natura 2000-gebied De Bruuk uitgesloten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit wordt niet beperkt door de projectbijdrage.

pagina 110 van 183

Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine bijdrage (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) zal niet leiden tot een verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied De Bruuk. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

5.2

Typische soorten De Bruuk

Het habitattype H6410 in De Bruuk kent verschillende typische soorten. In de volgende sectie zal een overzicht worden gegeven van typische soorten in dit habitattype (tabel 5.2). Deze zullen per soortgroep worden beoordeeld. De huidige achtergronddepositie kent geen direct toxische uitwerkingen op de verschillende soorten: de mortaliteit wordt niet direct bepaald door de stikstofdepositie. De effectbeoordeling beslaat dus enkel de effecten op het habitat van de verschillende soorten.

H6410 Blauwgraslanden

2

10

Vogels

Mossen en vaatplanten

Insecten

Tabel 5.2 Aantal typische soorten stikstofgevoelige habitattypen in De Bruuk per soortgroep.

1

5.2.1 Mossen en vaatplanten In H6410 in De Bruuk zijn verschillende soorten mossen en vaatplanten aangemerkt als typische soorten. Tijdens de beoordeling van de individuele habitattypen is expliciet aandacht geschonken aan de effecten van de projectdepositie op de vegetatiesamenstelling. Hierbij kan over het algemeen gesteld worden dat de effecten van een dusdanig klein en van korte duur zijn, dat de projectdepositie geen negatief effect zal hebben op de vegetatie. Het nader beoordelen van de effecten op mossen en vaatplanten is dan ook niet nodig. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische mossen en vaatplanten van H6410 in De Bruuk.

5.2.2 Vogels In De Bruuk is de watersnip aangewezen als typische soort van H6410. Aangezien er geen negatief effect optreedt op de vegetatie van de stikstofgevoelige habitattypen, kan worden gesteld dat de geschiktheid van het habitat voor de watersnip niet afneemt: de voedselbeschikbaarheid en het aantal nestlocaties zal niet veranderen. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de watersnip in H6410 in De Bruuk.

pagina 111 van 183

5.2.3 Insecten In H6410 zijn twee insectensoorten, beide zijn dagvlinders, aangemerkt als typische soorten. De aanwezigheid van insecten wordt primair bepaald door de vegetatie. Eerder is gesteld dat de vegetatiesamenstelling niet zal wijzigen als gevolg van de kleine, tijdelijke projectdepositie. Omdat de vegetatie niet verandert, zal er ook geen effect optreden op het leefgebied van de verschillende insectensoorten. De kleine, tijdelijke projectdepositie heeft geen significante gevolgen voor de typische insectensoorten van H6410 in De Bruuk.

pagina 112 van 183

6 Ecologische analyse Landgoederen Brummen Landgoederen Brummen bestaat uit de deelgebieden Leusveld, Landgoed Voorstonden, Hiemberg en de Empesche en Tondensche Heide. Deze terreinen op de overgang van de Veluwe naar het IJsseldal danken hun bijzondere ecologische kwaliteit aan kwel- en bronwater. In het verleden is hier op uitgebreide schaal blauwgrasland aanwezig geweest. Hoewel de grondwaterinvloed sterk is verminderd, heeft de bijzondere geohydrologische gesteldheid, in combinatie met het gevoerde beheer, ervoor gezorgd dat schraalland- en veenrestanten nog steeds een refugium vormen voor elders verdwenen planten en dieren. Deze kunnen bij de geplande regionale herstelmaatregelen een uitbreiding van hun geschikte leefgebied tegemoet zien. Eén van de belangrijke soorten hier is de kamsalamander, die op de hele reeks van landgoederen in de flanken van het IJsseldal een geschikt leefgebied vindt [lit. 6.1]. In tabel 6.1 zijn de habitattypen en leefgebieden beschreven waarbij er sprake is van een projectbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW wordt overschreden. De overbelaste hexagonen in Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn ook weergegeven in afbeelding 6.1. Bij de overige habitattypen is geen sprake van een projectbijdrage en/of wordt de KDW niet overschreden. Voor deze habitattypen kan geconcludeerd worden dat significante gevolgen zijn uit te sluiten.

Afbeelding 6.1 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen waarvan de KDW is overschreden

pagina 113 van 183

Tabel 6.1 Stikstofdepositie door de dijkversterking Wolferen-Sprok relevante op habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen waarvan de KDW is overschreden. Habitattype/Leefgebied

Effecttype (mol N/ha/jr.)

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,02

H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm

0,02

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,02

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

0,02

H6410 Blauwgraslanden

0,02

(ZG)H3130 Zwakgebufferde vennen

0,01

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

0,01

Hieronder wordt per habitattype het effect van stikstofdepositie nader beoordeeld.

6.1 H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Beschrijving H91E0 omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen (van het zogenoemde alluvium of alluviaal) en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten. De grote variatie aan bostypen wordt binnen het habitattype verdeeld over drie subtypen, twee subtypen voor het rivierengebied en één voor de beken en kleine riviertjes van de hogere zandgronden en het heuvelland. Het subtype C (beekbegeleidende bossen) komt vooral voor in beekdalen en laag gelegen delen van de hogere zandgronden, op plekken die onder invloed staan van overstromend beekwater en/of gevoed worden door grondwater dat afkomstig is van aangrenzende hoger gelegen gebieden. Door voeding met oppervlaktewater en grondwater zijn de standplaatsen relatief rijk aan basen en nutriënten. Het subtype vertoont in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden en het heuvelland veel overeenkomst met het vochtige hardhoutooibos. Ze bezitten echter een typische ondergroei met een bijzonder uitbundig voorjaarsaspect. In het rivierengebied komt dit subtype (ondanks wat de verkorte naam kan suggereren) soms ook voor in de vorm van VogelkersEssenbos.

In brongebieden van beekdalen wisselen deze bossen af met natte bossen waarin zwarte els op de voorgrond treedt. Ook deze zogenoemde elzenbroekbossen worden tot het habitattype H91E0 gerekend. Op de natste, meestal venige (of kleiïg-venige) standplaatsen komen elzenbroekbossen voor die behoren tot het Elzenzegge-Elzenbroek. De grondwaterstanden liggen hier in het voorjaar rond het maaiveld en zakken in de zomer hooguit ondiep weg. Op de laagste plekken kan het water een groot deel van het jaar boven het maaiveld staan. In goed ontwikkelde vormen van het elzenbroekbos zakt de grondwaterstand niet verder weg dan circa 60 (40?) centimeter. In licht verdroogde vormen van het elzenbroek kunnen de grondwaterstanden tot een meter wegzakken. Hoewel het type niet strikt

pagina 114 van 183

gebonden is aan kwel komen goed ontwikkelde vormen van het Elzenzegge-Elzenbroek vooral voor op plekken die gevoed worden door grondwater. Het komt voor op relatief voedselrijke standplaatsen in de benedenlopen van beken, met name op de overgang naar het laagveengebied, naar de hoogveenbossen of naar de bronnetjesbossen behorend tot het Goudveil-Essenbos. Het laatste bostype komt vooral voor aan de voet van hellingen op plekken waar permanent grondwater uittreedt. In het heuvelland kan het – dankzij de complexe geologische opbouw – ook hoger op de helling voorkomen, soms zelfs op verschillende boven elkaar gelegen niveaus. Op de wat minder natte standplaatsen die regelmatig tot incidenteel overstromen met beekwater komt het Vogelkers-Essenbos voor. De bodem bestaat meestal uit lemig zand. De standplaatsen zijn minder nat en de grondwaterstanden zakken in de zomer verder weg dan in het elzenbroekbos (tot anderhalve meter diep). Op een aantal plekken komt dit bostype voor op rabatten, die zijn aangelegd om de voorheen nattere standplaats met elzenbroekbos te kunnen ontwateren voor de teelt van hakhout met overstaanders. De best ontwikkelde vormen van dit bostype vertonen veel overeenkomst met H9160A (Eiken-Haagbeukenbossen van het laagland).

De meeste vormen van het habitatsubtype zijn gevoelig voor veranderingen in de hydrologie in de vorm van grondwaterstandsdaling of afname van kwel. Op plekken die regelmatig overstromen kan daarnaast een te hoge voedselrijkdom van het overstromende beekwater en het afgezette beekslib en/of een toename van overstromingen zorgen voor eutrofiering en verruiging van de vegetatie. Bij bronbossen vormt bemesting in de hoger gelegen intrekgebieden een potentiële bedreiging voor de kwaliteit van het toestromende grondwater, omdat het kan leiden tot verhoogde gehaltes aan sulfaat en nitraat in het uittredende bronwater. Verdroging van Vogelkers-Essenbossen leidt tevens tot verzuring, aanplant van eik of – in sterk verdroogde situaties zelfs Beuk en naaldhout – versterkt deze ontwikkeling. De botanische waarde van licht verdroogde vormen van het Vogelkers-Essenbos kan deels hersteld te worden door gebruik te maken van boom- en struiksoorten met ‘rijk’ goed verterend bladstrooisel. In bossen met geëutrofieerde bovengronden is het daarbij van belang dat niet te veel licht tot de bosbodem kan doordringen. Subtype C is gevoelig voor stikstofdepositie [lit. 2.10]. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Dit habitattype komt verspreid over het gehele Natura 2000-gebied voor, met een totale oppervlakte van 19,1 ha.

Het zwaartepunt van de verspreiding ligt op de Landgoederen Voorstonden en Leusveld. Het habitattype komt plaatselijk voor als vogelkersessenbos als onderdeel van een boscomplex met elzenzegge-elzenbroek. Delen van dit habitattype zijn gelegen in rabattenbossen en zijn begreppeld. Omdat de hydrologische situatie ernstig is verstoord is de kwaliteit van deze delen als matig beoordeeld. Van de overige percelen is de kwaliteit als voldoende beoordeeld De structuur van dit habitattype wordt beoordeeld als voldoende. De boom- en struiklaag bestaat uit representatieve soorten. Elzen en essen domineren vaak de boomlaag. Schietwilg komt sporadisch voor, grauwe wilgen domineren in de laagst gelegen delen. In maar weinig bossen hebben de exoten canadapopulier en balsempopulier een hogere bedekking dan 5 %. Kwelindicatoren zijn regelmatig aangetroffen Door verdroging (door te diepe ontwatering en grondwateronttrekking) en daarmee samenhangende afname van aanvoer van basenrijk grondwater in combinatie met vervuiling van het grondwater (onder andere sulfaat) staat het habitattype onder druk. Deze combinatie van factoren leidt ertoe dat de kwaliteit van het habitattype over de afgelopen periode een negatieve trend laat zien. Stikstofdepositie vormt eveneens een knelpunt voor het habitattype.

pagina 115 van 183

Er zijn reeds een aantal vernattingsmaatregelen genomen die leiden tot een stijging van de grondwaterstanden en de toename van de aanvoer van basenrijk grondwater. Met name de vochtige alluviale bossen in het noordelijk deel van het landgoed Voorstonden zullen hiervan profiteren. Daarmee is behoud op korte termijn verzekerd en is een bescheiden kwaliteitsverbetering waarschijnlijk [lit. 6.2].. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H91E0C in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn behoud van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit [lit. 6.2]. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.857 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.818 tot 2.172 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 19,1 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op 38 % van deze oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. De lokale overschrijding van de KDW is niet de voornaamste oorzaak van de achteruitgang van het H91E0C.

Verdroging en daarmee samenhangende afname van aanvoer van basenrijk grondwater in combinatie met vervuiling van het grondwater zorgen ervoor dat het habitattype onder druk staat. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (> 15 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van de vegetatiesamenstelling van het habitattype. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. Vanwege de tijdelijkheid van de kleine projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. en het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt is voor dit habitattype zijn significante gevolgen voor het H91E0C in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen uitgesloten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de projectbijdrage.

Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine depositie (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

6.2 H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm Beschrijving H6230 omvat in ons land min of meer gesloten, zogenoemde halfnatuurlijke graslanden op betrekkelijk zure zand- en grindbodems. Goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn zeer rijk aan allerlei grassoorten, kruiden en paddenstoelen. Een deel van de soorten komt ook voor in

pagina 116 van 183

heidebegroeiingen. Het habitattype is in ons land aan te treffen in het heuvelland, de duinen en op de hogere zandgronden van het binnenland. De oorspronkelijke beschrijving van de habitatrichtlijn beperkte dit type tot ‘berggebieden’, maar in de latere interpretatie van de Europese handleiding is aangegeven dat ook soortenrijke heischrale graslanden in het laagland bij dit type horen. In het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen komt de vochtige, kalkarme (vka) variant van dit habitattype voor. Het habitattype komt voor op licht gebufferde, zwak zure tot matig zure, meestal sterk humeuze bodems. Een kenmerkende standplaats is aan de rand van laagtes en van beekdalen, in de overgang tussen regenwatergevoede heide enerzijds en door hard grondwater gevoede blauwgraslanden en vennen anderzijds. Ook kan het door verzuring ontstaan uit H6410 (Blauwgraslanden), als tussenstadium in de ontwikkeling naar zure heidevegetaties. Teneinde heischrale graslanden te realiseren/behouden is het noodzakelijk dat successie naar struik- en bosfase en verruiging wordt tegengegaan. De vegetatie verdraagt een extensieve beheersvorm. Het is verder van belang dat de bodem zijn zwak bufferend vermogen behoudt. Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie. De vka-variant is afhankelijk van buffering door de bodem.

Verzuring door stikstof kan hier sneller optreden wanneer er te weinig toevoer van bufferstoffen plaatsvindt, dus in verdroogde situaties, maar zelfs zonder verdroging is in de meeste gebieden het oppervlakkige grondwater al dermate verzuurd als gevolg van depositie dat er ook dan verzuring optreedt. Verzuring en vermesting kunnen leiden tot een afname van karakteristieke soorten en een toename van soorten die horen bij een voedselrijker milieu [lit. 6.3]. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Heischrale graslanden komen slechts in een klein oppervlakte (0,17 ha) voor op twee plekken in de omgeving van landgoed Leusveld. Het meest zuidelijke gebiedje is met een oppervlakte van 0,14 ha verreweg het grootste. Het gaat om een matig vochtig tot droog grasland met gevlekte orchis, blauwe knoop, pilzegge, dopheide en tormentil, behorend tot de associatie van Liggend walstro en Schapengras. Het graslandje ligt op een iets hogere dekzandrug te midden van (verdroogde) alluviale bossen ten noorden van de Knoevenoord Straat, en wordt doorsneden door een sloot die de bovenloop vormt van de Rhienderense Beek. Het schraalland wordt jaarlijks gemaaid. Op het hoogste deel van de dekzandrug ligt een klein stukje niet gemaaide droge heide. Er zijn geen typische soorten aangetroffen.

In Landgoed Voorstonden komt wel de bijzondere kwaliteitssoort fraai hertshooi voor, maar dit is buiten het gekarteerde habitattype. Er zijn geen (bijzondere) kwaliteitssoorten fauna aangetroffen, waardoor de kwaliteit wat betreft fauna als basaal beoordeeld is. De trend voor het habitattype is niet duidelijk, wel is er de laatste jaren enige kwaliteitsverbetering opgetreden. Verdroging vormt een belangrijk knelpunt voor H6230vka. Het grasland ligt op de lagere delen van een dekzandrug, grenzend een verdroogd alluviaal bos. Gezien de soortensamenstelling van de boomlaag (onder meer zwarte els en vogelkers) en het bodemtype (beekeerdgrond) heeft dit bos in ieder geval in het verleden onder invloed gestaan van basenrijk grondwater, en mag worden aangenomen dat op de aangrenzende lage delen van de dekzandrug, waar het heischrale grasland ligt, periodiek sprake is geweest van grondwateraanvoer via capillaire opstijging. De vroegere grondwaterinvloed is naar verwachting de belangrijkste oorzaak dat hier nu nog zwak gebufferde condities heersen. Door verlaging van de peilen de omgeving en het graven van een diepe sloot dwars door de dekzandrug (een bovenloop van de Rhienderense Beek) zijn de grondwaterstanden echter sterk gedaald en is sprake van een permanente infiltratiesituatie.

Zonder ingrijpen zal infiltratie van regenwater, met daarin opgeloste koolzuur en humuszuren, op termijn leiden tot een verdere verzuring waarmee de standplaatscondities ongeschikt worden voor zwak gebufferde

pagina 117 van 183

heischrale graslanden. Stikstofdepositie vorm eveneens een knelpunt voor H6230vka, mede omdat het de verzuring van het habitattype versterkt. Op dit moment zijn er vanuit de vegetatie nog geen aanwijzingen dat het habitattype verzuurt en lijkt het jaarlijkse maaibeheer voldoende om het bestaande H6230vka te behouden [lit 6.2]. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H6230vka in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn uitbreiden van oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 714 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.613 tot 1.957 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op de volledige oppervlakte van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op de volledige oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. Verdroging en de daaropvolgende verzuring vormt een belangrijk knelpunt voor dit habitattype en stikstofdepositie kan deze verzuring nog versterken. Er zijn echter nog geen indicaties voor verzuring vanuit de vegetatie.

Het jaarlijkse maaibeheer lijkt voldoende om negatieve effecten van een te hoge achtergronddepositie te voorkomen. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>10 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie of afname van het oppervlak. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of de oppervlakte niet af. Vanwege de tijdelijkheid van de kleine projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. zijn significante gevolgen voor het H6230vka in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen uitgesloten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en uitbreiding van oppervlak wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine depositie (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Heischrale graslanden (vochtig kalkarm)in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen veroorzaakt geen negatief effect.

Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van verbetering van kwaliteit en uitbreiding van oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Significant gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

pagina 118 van 183

6.3 H9120 Beuken-eikenbossen met hulst Beschrijving H9120 betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag, voorkomend op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Het habitattype komt voor op de hogere zandgronden en in het heuvelland. H9120 neemt een tussenpositie in tussen enerzijds H9190 (Oude eikenbossen) en anderzijds H9160 (Eiken-haagbeukenbossen). Ten opzichte van H9190 komt H9120 voor op plekken met een moder- in plaats van een humuspodzolbodem of een leemhoudende in plaats van een leemarme bodem. Op deze gronden is de beuk concurrentiekrachtig en zal in de loop van de successie gaan domineren ten koste van de zomereik. Ten opzichte van H9160 komt H9120 voor op plekken zonder grondwaterinvloed. H9120 onderscheidt zich van H9190 door een groeiplaats op relatief rijke lemige bodem, in tegenstelling tot de arme zandige bodems die kenmerkend zijn voor de standplaats van H9190. Voor beide habitattypen geldt dat deze voorkomen op oude bosgroeiplaatsen die minimaal honderd jaar oud zijn. Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie [lit. 4.3]. Voorkomen en kwaliteit in Natura 2000-gebied Het habitattype komt voor op 15,1 ha in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen, voornamelijk op goed ontwaterde lemige grond in het Landgoed Voorstonden.

In 2011/2012 is het oorspronkelijke parkbos in het kader van het ILG hersteld. Daarbij is een deel van de oudere beuken weggehaald, en zijn nieuwe beuken en lokaal ook lindes aangeplant. In de ondergroei zijn veel struiken weggehaald, en zijn clusters van Taxus geplant. De ondergroei is zo veel mogelijk gespaard, waarbij soorten als dalkruid, gewone salomonszegel, witte klaverzuring en bosanemoon zijn ontzien of waar dat niet mogelijk was (bij herstel van overwoekerde paden) verplant. Het habitattype is onderdeel van het leefgebied van de typische soort zwarte specht [lit. 6.2]. Omdat H9120 in landgoed Voorstonden pas vrij laat is toegevoegd aan de lijst van habitattypen waarvoor landgoederen Brummen is aangegeven als speciale beschermingszone, is er relatief weinig bekend over botanische samenstelling, kwaliteit en trend. Wel ondergaat het bos sinds 2017 schoonmaakacties waarbij wordt gedund, exoten worden verwijderd en bomen met een gunstig type bladstrooisel aangeplant worden. Daarmee worden gunstige voorwaarden gecreëerd voor herstel dan wel ontwikkeling van een voor dit bostype kenmerkende ondergroei. Daarmee is behoud van oppervlakte en verbetering van de kwaliteit ten opzichte van de huidige situatie geborgd.

Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H9120 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit [lit. 6.2]. Effectbepaling en - beoordeling De KDW is 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en overschrijding van de KDW 1.383 tot 2.063 mol N/ha/jr. De projectbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Deze bijdrage treedt maximaal 5 jaar op. Op 19,4 ha van het habitattype is sprake van stikstofdepositie ten gevolge van het project. In de huidige situatie wordt op 98 % van deze oppervlakte de KDW (naderend) overschreden door de achtergronddepositie. Er is nog te weinig bekend van de kwaliteit en trend van H9120 om de effecten van deze overschrijding te bepalen. Echter wordt er met beheer gunstige voorwaarden gecreëerd voor herstel en ontwikkeling van dit habitattype. Met dit beheer, bestaande uit cyclisch uitdunnen van het bos,

pagina 119 van 183

het verwijderen van exoten en het aanplanten van gunstige boomsoorten, worden negatieve effecten van een te hoge achtergronddepositie voorkomen. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>10 jaar) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of het oppervlak niet af. Vanwege de tijdelijkheid van de kleine projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. zijn significante gevolgen voor H9120 in het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen uitgesloten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit en oppervlak wordt niet beperkt door de projectbijdrage. Conclusie De tijdelijke (maximaal 5 jaar), kleine projectbijdrage (maximaal 0,02 mol N/ha/jr.) veroorzaakt geen verandering van de kwaliteit en oppervlakte van Beuken-eikenbossen met hulst in het Natura 2000gebied Landgoederen Brummen.

Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit en oppervlakte wordt niet beperkt door de kleine, tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op het habitattype ten gevolge van stikstofdepositie door het project zijn met zekerheid uit te sluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=48ba1837-5a4d-4356-8d48-7a6ce5aa5b73