CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

14. Bijlage bij de toelichting deel 2d

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling paraplubestemmingsplan Nijmegen Dijkversterking Wolferen - Sprok (27/2021) (STEMSTUK)29.138 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Om effecten als gevolg van geluidsverstoring binnen het project te beperken zal voor het aanbrengen van damwanden niet worden geheid, maar zullen damwanden worden getrild. Voor geluid is daarmee het intrillen van damwanden het geluid dat het verst draagt. Uit berekening van de te verwachten uitstraling van geluid blijkt dat de verstoringsafstand bij 47dBA voor het intrillen van damwanden reikt tot 215 meter [lit. 9]. Het verstoringseffect licht heeft een beperkte reikwijdte. Voor licht wordt meestal een verstoringsafstand van 60 meter genomen [lit. 10]. Andere Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van acht kilometer of meer (zie afbeelding 4.1). Geen van de effecten reikt dus tot in andere Natura 2000-gebieden. Significant negatieve of negatieve effecten in andere Natura 2000-gebieden dan Rijntakken zijn op voorhand uitgesloten. In het kader van externe werking kunnen negatieve effecten potentieel optreden wanneer een effect weliswaar niet reikt tot in een Natura 2000-gebied, maar wel een negatief effect heeft op essentieel leefgebied van een soort met een instandhoudingsdoelstelling in een (ander) Natura 2000-gebied. Hierna wordt externe werking ten aanzien van Veluwe, De Bruuk en Sint Jansberg beschreven. Deze gebieden liggen in een straal van 15 kilometer van het project. Externe werking daarbuiten is op voorhand uitgesloten.

Natuurtoets pagina 22 van 456

Definitief 10 juli 2020

Veluwe In het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Veluwe zijn habitattypen, habitatsoorten en broedvogels opgenomen waarvoor een instandhoudingsdoel geldt. Effecten op de habitattypen en de meeste habitatsoorten zijn op voorhand vanwege de afstand van minimaal acht kilometer uitgesloten, zie beschrijving in de voorgaande paragraaf. Effecten op essentiële leefgebieden voor soorten met een instandhoudingsdoelstelling die buiten de Veluwe liggen (externe werking) geldt het volgende. Voor meervleermuis en de broedvogelsoort wespendief [lit. 12] is externe werking niet direct op basis van de afstand uit te sluiten. Voor de overige aangewezen soorten is wel uitgesloten dat deze vanuit de Veluwe het plangebied bereiken, of binnen de contouren van enig effectbereik komen. Meervleermuis en wespendief uit de Veluwe kunnen in potentie tot in het projectgebied of het effectbereik foerageren. Deze soorten worden hierna apart beoordeeld. Wespendief Wespendief is een soort van gesloten bos tot bosfragmenten in halfopen landschap. Deze natuurtypen zijn niet of niet in zodanige mate aanwezig in het projectgebied dat er enig negatief effect optreedt op de instandhoudingsdoelen van de wespendief voor Natura 2000-gebied Veluwe. Significant negatieve effecten en negatieve effecten op wespendief zijn op voorhand uitgesloten.

Meervleermuis Meervleermuis jaagt tot op tien tot twintig kilometer van de verblijfplaats boven open water maar ook boven vochtige graslanden indien deze zich binnen 500 meter van water bevinden [lit. 13]. Deze omschrijving past ook op het projectgebied. Echter, de Veluwe dient als overwinter- en zwermgebied. Om te overwinteren gaat meervleermuis in winterrust en gedurende deze tijd foerageert ze niet. De meervleermuizen die gebruik maken van Natura 2000-gebied Veluwe gaan er dus niet op uit om te foerageren en komen daarom ook niet in of nabij het projectgebied. Significant negatieve effecten en negatieve effecten op meervleermuis uit Natura 2000-gebied Veluwe zijn op voorhand uitgesloten. De Bruuk Voor Natura 2000-gebied De Bruuk zijn middels het aanwijzingsbesluit en ontwerp-wijzigingsbesluit alleen instandhoudingsdoelen aangewezen voor habitattypen. Natura 2000-gebied De Bruuk ligt op twaalf kilometer afstand van het projectgebied. Vanwege deze afstand zijn significant negatieve en negatieve effecten op De Bruuk op voorhand uitgesloten. Sint Jansberg Voor Natura 2000-gebied Sint Jansberg zijn middels het aanwijzingsbesluit en ontwerpwijzigingsbesluit instandhoudingsdoelen aangewezen voor habitattypen en de habitatrichtlijnsoorten zeggekorfslak en vliegend hert. Zeggekorfslak is een slak van enkele millimeters groot.

Eventuele zeggekorfslakken in het projectgebied maken zeker geen onderdeel uit van de populatie in het Natura 2000-gebied, omdat dit kleine slakje geen grotere kan overbruggen. Ditzelfde geldt voor vliegend hert. Deze soort heeft een actieradius van één tot drie kilometer [lit. 14]. Natura 2000-gebied Sint Jansberg ligt op twaalf kilometer afstand van het projectgebied. Vanwege de afstand zijn significant negatieve en negatieve effecten van de dijkversterking op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten.

Natuurtoets pagina 23 van 456

Definitief 10 juli 2020

Conclusie overige Natura 2000-gebieden Vanwege de grote reikwijdte van stikstofdepositie zijn meerdere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het project relevante gebieden. Deze andere Natura 2000-gebieden worden niet in deze voortoets apart benoemd en beschreven. Voor de overige effecten geldt: Vanwege de relatief grote afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden zijn significant negatieve effecten en negatieve effecten op de gebieden De Bruuk en Sint Jansberg op voorhand uitgesloten. Voor de Veluwe geldt dat de soorten meervleermuis en wespendief grotere afstanden kunnen afleggen. Meervleermuis en wespendief kunnen potentieel tot in het plangebied of gebieden binnen het effectbereik foerageren. Meervleermuis heeft echter een doelstelling voor overwintering binnen Veluwe. Tijdens deze periode foerageert meervleermuis niet, zodat effecten op voorhand zijn uitgesloten op de instandhoudingsdoelstelling voor meervleermuis op de Veluwe. Wespendief vindt geen geschikt biotoop binnen het plangebied of binnen het effectbereik. Effecten op wespendief zijn daarom ook op voorhand uitgesloten. Voor alle overige soorten met een instandhoudingsdoelstelling en habitattypen zijn negatieve effecten vanwege de relatief grote afstand op voorhand uitgesloten. Alle effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden zijn derhalve op voorhand uitgesloten.

Hierna wordt daarom alleen ingegaan op Natura 2000-gebied Rijntakken (stikstofdepositie uitgezonderd).

4.1.5 Effectafbakening verstoringsaspecten en instandhoudingsdoelen Effecten op Natura 2000-gebied Rijntakken als gevolg van de dijkversterking kunnen zowel optreden in de aanlegfase als in de gebruiksfase. Effecten die een permanent gevolg hebben, zoals permanent ruimtebeslag en verdroging/vernatting zullen als effecten in de gebruiksfase beschouwd worden. Alle overige effecten zijn tijdelijk van aard en worden daarom onder de aanlegfase geschaard. Voor de bepaling van de verstoringsaspecten is de effectenindicator van het Ministerie van LNV [lit. 15] indicatief geraadpleegd. Te verwachten effecten als gevolg van de dijkverbetering zijn betrokken in de analyse. De door de effectenindicator geïndiceerde effecten zijn aangevuld met de effecten ‘verdroging/vernatting’ en ‘vermesting en verzuring’. In de navolgende paragraaf worden de relevante effecttypen behandeld.

4.1.5.1 Effecttypen Doden De werkzaamheden voor de dijkversterking kunnen leiden tot het doden van dieren. Er wordt met groot materieel gewerkt en wanneer het plangebied overlapt met leefgebied of er vlak naast ligt, kunnen individuen gedood worden wanneer zij bijvoorbeeld de dijk oversteken of wanneer er gewerkt wordt. Oppervlakteverlies en versnippering Voor de dijkversterking wordt op verschillende locaties de dijk verbreed. Dit leidt tot ruimtebeslag. Ruimtebeslag kan leiden tot oppervlakteverlies van habitattypen of leefgebieden van soorten. Daarnaast worden er tijdelijke werkstroken aangelegd en tijdelijke laad- en loslocaties. Dit leidt tot

Natuurtoets pagina 24 van 456

Definitief 10 juli 2020

tijdelijk ruimtebeslag en dus tijdelijk oppervlakteverlies. Oppervlakteverlies is een relevant effecttype. Versnippering kan aan de orde zijn wanneer leefgebieden van soorten of habitattypen worden doorsneden. Omdat het projectgebied aan de rand van het Natura 2000 gebied Rijntakken ligt is versnippering in basis niet aan de orde. Versnippering zou enkel kunnen optreden wanneer als gevolg van verbreding van de dijk de uiterwaard dermate smal wordt dat feitelijk doorsnijding plaatsvindt of als er binnenwaarts leefgebied onderdelen aanwezig zijn van instandhoudingsdoelsoorten. De versterking betreft grotendeels een binnenwaartse versterking in grond; ruimtebeslag buitenwaarts in Natura 2000-gebied is zoveel mogelijk beperkt. Op twee locaties (ter hoogte van dijksecties 1 en 6 wordt de uiterwaard in een mate verkleind die potentieel leidt tot versnippering. Ter hoogte van dijksectie 1 is in de huidige situatie echter al sprake van versnippering, door de aanwezigheid van restaurant Sprok (afbeelding 4.3). Het potentiële extra ruimtebeslag buitendijks leidt op die locatie daarom niet tot (extra) versnippering. Het ruimtebeslag ter hoogte van dijksectie 6 sluit direct aan op de promenade onder de spoorbrug. In de huidige situatie is hier al sprake van versnippering, zodat het ruimtebeslag van maximaal zes meter hier niet leidt tot (extra) versnippering.

Langs de rest van het dijktraject worden de uiterwaarden niet dusdanig versmald dat dit tot versnippering kan leiden. Afbeelding 4.3 Locaties waar ruimtebeslag potentieel tot versnippering leidt

Natuurtoets pagina 25 van 456

Definitief 10 juli 2020

Langs het dijktracé komt op sommige delen binnendijks leefgebied voor van bever en kamsalamander welke ook buitendijks leefgebied hebben. Hier kan versnippering potentieel optreden. Versnippering als gevolg van aanleg van bouwwegen tussen loslocaties, depots en de dijk is een relevant effecttype, omdat deze bouwwegen potentiële leefgebieden van habitatrichtlijn- en vogelrichtlijnsoorten doorsnijden. Barrièrevorming in de gebruiksfase is uitgesloten omdat soorten die nu de dijk kruisen dat ook blijven doen na de versterking. De dijk wordt dan weliswaar op sommige stukken breder, maar dit betreft lage grasbermen die geen obstakel vormen. Vermesting en verzuring door stikstof uit de lucht Er vindt een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaats door de werkzaamheden voor de dijkversterking met gemotoriseerde machines en aan- en afvoer van mens en materieel. Derhalve is verzuring/vermesting een relevant effecttype voor zowel habitats als voor leefgebieden van soorten met een instandhoudingsdoel. Voor de volledigheid wordt hier aangegeven dat vermesting en verzuring voor meerdere Natura 2000-gebieden een relevant effecttype is, niet alleen voor Rijntakken. Verstoring door geluid, licht, trilling en of optische verstoring Onder verstoring door geluid/licht of trilling wordt de verstoring door deze aspecten bedoeld die door menselijk handelen wordt veroorzaakt.

Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem [lit. 15].

Natuurtoets pagina 26 van 456

Definitief 10 juli 2020

De werkzaamheden voor de dijkversterking veroorzaken verstoring door geluid/licht en optische verstoring door de machines, vervoersbewegingen et cetera. Indien ook in het donker wordt gewerkt, kan lichtverstoring optreden als er lampen gebruikt worden. Verstoring door trilling kan optreden door het heien of intrillen van (constructie)wanden. Mechanische verstoring Onder mechanische verstoring wordt verstoring verstaan die veroorzaakt wordt door betreding, luchtwervelingen, golfslag et cetera ten gevolge van menselijke activiteiten [lit. 15]. Voor de dijkversterking zijn voertuigbewegingen nodig die kunnen leiden tot bodemverdichting. Dit kan op zijn beurt weer zorgen voor verlies van natuurwaarden en dus vernietiging. Om deze reden wordt mechanische verstoring niet apart beoordeeld, maar onder oppervlakteverlies geschaard. Verdroging, vernatting Bij de dijkversterking worden damwanden geplaats ten behoeve van de pipingopgave en voor de locaties waar een stabiliteitswand benodigd is. Door barrièrewerking van deze schermen kunnen de kwel- en wegzijgingsstroom veranderen. Als gevolg van barrièrewerking kan de kwelstroom naar het buitendijkse gebied in de zomer afnemen, waardoor de kans op droogvallen van deze plassen en strangen toeneemt. Er zijn analyses uitgevoerd van de verwachte mate van barrièrewerking.

Zie voor de gedetailleerde rapportage over dit geohydrologisch onderzoek en het geohydrologisch model het Projectplan Waterwet. Hierna worden de belangrijkste effecten beknopt weergegeven. De verwachte grondwaterstandsdaling ligt op 25 m van de buitenteen van de dijk op maximaal 5 cm. Dit is nadrukkelijk een maximum vanwege enkele conservatieve uitgangspunten. Aannemelijker is een grondwaterstanddaling in de orde van millimeters tot hooguit een paar centimeter. De daling van de waterstand in de div. plassen is nog eens een factor kleiner. Er is dus sprake van een verlaging van hooguit enkel centimeters. Hiermee zijn plassen in de uiterwaard die nu net niet droogvallen (waterstand ca. 0,1 m) gevoelig voor een daling van de waterstand. In een T=10 laagwatersituatie bestaat het risico dat plassen en strangen in het buitendijkse gebied die nu net niet droogvallen in de zomer, dat in de toekomst wel doen. Dit heeft mogelijk nadelige effecten op beschermde soorten die leefgebied hebben in dergelijke plassen. Er is in het Natura 2000-gebied geen sprake van vernatting. Alleen verdroging is daarmee een relevant effecttype. In de Waal wordt geen verlaging van de waterstand voorzien als gevolg van het project. Overige effecttypen De loop van de rivier de Waal wordt niet gewijzigd door het project.

In de aanwezige wateren in de uiterwaarden (wielen, oude strangen) zullen geen werkzaamheden plaatsvinden. Omdat niet wordt ingegrepen in de eigenschappen van de aanwezige waterlichamen ter plaatse, zijn effecttypen verzoeting, verzilting, verandering stroomsnelheid en verandering dynamiek substraat uit te sluiten. Ook wordt niet ingegrepen in de populatiedynamiek of de soortensamenstelling. Voor de dijkversterking zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden. De resultaten van eventueel aanwezige bodemverontreinigingen in het projectgebied staan beschreven in het MER. Vanwege de heersende wet- en regelgeving wordt hier in het geval dat er verontreinigingen aanwezig zijn op een zodanige manier mee omgegaan dat deze verontreinigingen zich niet verspreiden. De werkzaamheden tijdens de aanlegfase van het project zorgen zelf niet voor extra verontreinigingen waardoor er in de aanlegfase geen sprake is van effecten van verontreiniging. Dit effecttype wordt derhalve niet verder onderzocht.

Natuurtoets pagina 27 van 456

Definitief 10 juli 2020

4.1.5.2 Effecten in de aanlegfase en de gebruiksfase In de aanlegfase zijn de effecten van tijdelijke aard; na afloop van de werkzaamheden verdwijnen deze effecten weer. Vervoer van materiaal en mensen kan voor extra verzuring/vermesting zorgen en voor de werkzaamheden zelf is verstoring relevant. Wanneer in de aanlegfase effecten optreden die een permanent karakter hebben, werken deze effecten door in de gebruiksfase. Om deze reden worden de permanente effecten van oppervlakteverlies en verdroging geschaard onder de gebruiksfase, hoewel het ontstaat tijdens de aanlegfase. Verstoring van soorten die het projectgebied gebruiken om te foerageren, te rusten of te nestelen zal alleen tijdens de aanlegfase van belang zijn. De dijk wordt op geen enkele dijksectie geschikt voor ander verkeer dan nu; het gebruik van de dijk zal na afronding van de werkzaamheden niet wijzigen. Verdere effecten in de gebruiksfase zijn dan ook uitgesloten. Voor de dijkversterking geldt dat voor verstoring en stikstofdepositie de aanlegfase maatgevend is, vanwege de permanente aard zijn de effecten van vernietiging geschaard onder de gebruiksfase. Instandhoudingsdoelen Niet alle soorten met een instandhoudingsdoel zijn gevoelig voor de effecten die optreden als gevolg van de dijkversterking.

In deze paragraaf wordt beschreven welke soorten met een instandhoudingsdoel mogelijk effect ondervinden van de effecttypen die in 4.1.5.1 als relevant beschreven zijn. Habitattypen In de directe omgeving van het project liggen enkel bij dijksecties 1 tot en met 4 habitattypen (zie paragraaf 4.1.4.1). Het ontwerp van de dijk, noch de werkstroken hebben ruimtebeslag op habitattypen. Zie afbeelding 4.4. Het effecttype oppervlakteverlies is daarom niet aan de orde voor habitattypen.

Natuurtoets pagina 28 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 4.4 Ruimtebeslag en habitattypen rondom project

Habitattypen zijn in de praktijk niet gevoelig voor verstoring door licht bij de in de bouw gebruikte lichtintensiteit en afstand tot de werkzaamheden. Habitattypen zijn ongevoelig voor verstoring door geluid en optische verstoring. Wel zijn alle habitattypen in meerdere of mindere mate gevoelig voor verdroging en voor stikstofdepositie. Voor habitattypen worden dus de effecten door stikstofdepositie en verdroging bepaald en beoordeeld. Habitatsoorten Ten aanzien van oppervlakteverlies geldt dat zeeprik, rivierprik, elft en zalm geen geschikt biotoop binnen het ruimtebeslag van het dijktraject hebben. Wel hebben zij geschikt biotoop ter hoogte van loslocatie 1 (bij dijksecties 1 tot 4), zodat doden en/of oppervlakteverlies relevante effecttypen zijn. Omdat het leefgebied van deze soorten zich in de Waal bevindt is verdroging voor deze soort geen relevant effecttype. Grote- en kleine modderkruiper, bittervoorn en kamsalamander hebben potentieel geschikt leefgebied binnen het ruimtebeslag van het dijktraject, bij loslocaties, depots of bouwwegen. Deze soorten zijn weinig mobiel. Voor de eerste driesoorten is er geen geschikt leefgebied in het habitatrichtlijngebied (ter hoogte van dijksecties 1 t/m 4).

Geschikt leefgebied ligt relatief ver verwijderd van het habitatrichtlijngebied en bovendien bestaan er geen directe waterverbindingen tussen geschikt leefgebied en habitatrichtlijngebied. Voorkomende individuen in geschikt leefgebied maken dan ook geen deel uit van de populaties die in het habitatrichtlijngebied voorkomen. Doden, oppervlakteverlies en verdroging is voor de soorten grote- en kleine modderkruiper en bittervoorn dan ook niet relevant. Voor de kamsalamander is geschikt leefgebied aanwezig in het vogelrichtlijngebied (wat voor deze soort als ‘normaal’ effect wordt mee beoordeeld). Voor de kamsalamander zijn de effecten doden, oppervlakteverlies en verdroging wel relevant.

Natuurtoets pagina 29 van 456

Definitief 10 juli 2020

Potentieel geschikt leefgebied voor bever, meervleermuis en rivierdonderpad is wel aanwezig in het habitatrichtlijngebied bij dijksecties 1 t/m 4. Voor deze drie soorten zijn doden en/of oppervlakteverlies relevante effecttypen. Voor bever en meervleermuis is verdroging een relevant effecttype als het leefgebied daardoor veranderd. Omdat het leefgebied van de rivierdonderpad zich in de Waal bevindt is verdroging voor deze soort geen relevant effecttype. Het project heeft tijdelijk stikstofdepositie tot gevolg in het leefgebied van de habitatrichtlijnsoorten, waarmee vermesting en verzuring relevante effecten kunnen zijn. Alle habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoel zijn in potentie gevoelig voor de verschillende vormen van verstoring (geluid, trilling, licht en optische verstoring). Deze effecten dienen dan ook verder beoordeeld te worden voor deze soorten. Broedvogels De broedvogels dodaars, aalscholver, roerdomp, porseleinhoen, kwartelkoning, watersnip, zwarte stern, ijsvogel, oeverzwaluw, blauwborst en grote karekiet komen voor in het projectgebied, of in de wijdere omgeving. Woudaap komt niet voor in het projectgebied. Alle in het projectgebied broedende vogels zijn gevoelig voor doden en/of oppervlakteverlies, verdroging en de verschillende vormen van verstoring.

Niet-broedvogels De niet-broedvogels fuut, aalscholver, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, bergeend, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, tafeleend, kuifeend, nonnetje, meerkoet, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp en tureluur komen voor in het projectgebied, of in de wijdere omgeving. Alle in het projectgebied voorkomende niet-broedvogels zijn gevoelig voor doden en/of oppervlakteverlies, verdroging en de verschillende vormen van verstoring.

4.1.5.3 Conclusie effectafbakening In tabel 4.2 zijn de conclusies van de effectafbakening samengevat. Er is gebleken dat los van de stikstof effecten alleen Natura 2000-gebied Rijntakken relevant is wat betreft effecten van de dijkversterking op de instandhoudingsdoelstellingen. De stikstof depositie treedt in meerdere Natura 2000-gebieden op. Tevens is gebleken dat voor de dijkversterking effecttypen doden en/of oppervlakteverlies, verdroging en verstoring (licht, geluid, trilling en optisch) relevante effecttypen zijn. De overige effecttypen zijn uitgesloten. In paragraaf 4.1.5.1 is vervolgens beschreven op welke instandhoudingsdoelen deze typen een effect kunnen hebben. Voor de dijkversterking is ten aanzien van de effecten vermesting/verzuring, de verstoringseffecten geluid, licht, trilling en optische verstoring de aanlegfase maatgevend, omdat in de gebruiksfase geen werkzaamheden meer plaatsvinden. Omdat de effecten van oppervlakte verlies en verdroging permanent zijn is daarin de gebruiksfase als maatgevend aangemerkt.

Natuurtoets pagina 30 van 456

Definitief 10 juli 2020

Tabel 4.2 Samenvatting relevante effecttypen en instandhoudingsdoelen Rijntakken doden en /of oppervlakteverlies

verdroging

vermesting/ verzuring

X

X

Habitattypen diverse habitattypen

geluid

licht

trilling

optische verstoring

Habitatrichtlijnsoorten meervleermuis X

X

X

X

X

X

bever

X

X

X

X

X

X

rivierdonderpad

X

X

X

X

X

zeeprik, rivierprik, elft en zalm

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

grote- en kleine modderkruiper, bittervoorn kamsalamander

X

X

X

X

X

X

dodaars aalscholver

X X

X X

X X

X X

X X

X X

roerdomp

X

X

X

X

X

X

woudaap

X

X

porseleinhoen

X

X

X

X

X

X

kwartelkoning watersnip

X X

X X

X X

X X

X X

X X

zwarte stern ijsvogel

X X

X X

X X

X X

X X

X X

oeverzwaluw blauwborst

X X

X X

X X

X X

X X

X X

grote karekiet

X

X

X

X

X

X

Niet-broedvogels fuut X

X

X

X

X

X

aalscholver kleine zwaan

X X

X X

X X

X X

X X

X X

wilde zwaan toendrarietgans

X X

X X

X X

X X

X X

X X

kolgans grauwe gans

X X

X X

X X

X X

X X

X X

brandgans

X

X

X

X

X

X

bergeend smient

X X

X X

X X

X X

X X

X X

krakeend wintertaling

X X

X X

X X

X X

X X

X X

Broedvogels

X

X

Natuurtoets pagina 31 van 456

Definitief 10 juli 2020

wilde eend

X

X

X

X

X

X

pijlstaart

X

X

X

X

X

X

slobeend

X

X

X

X

X

X

tafeleend kuifeend

X X

X X

X X

X X

X X

X X

nonnetje meerkoet

X X

X X

X X

X X

X X

X X

scholekster

X

X

X

X

X

X

goudplevier

X

X

X

X

X

X

kievit

X

X

X

X

X

X

kemphaan grutto

X X

X X

X X

X X

X X

X X

wulp

X

X

X

X

X

X

tureluur

X

X

X

X

X

X

4.1.6 Effectbepaling- en beoordeling In dit hoofdstuk wordt per relevant aangewezen habitattypen en soorten de relevante effecten beoordeeld die door het voornemen kunnen optreden en van negatieve invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Rijntakken. Alleen voor stikstof betreft het meer Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 4 zijn de relevante effecttypen en instandhoudingsdoelen in kaart gebracht. Deze effecttypen en instandhoudingsdoelen worden in dit hoofdstuk behandeld. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen op voorhand zijn uit te sluiten, of dat een Passende Beoordeling noodzakelijk is.

4.1.6.1 Doden en/of oppervlakteverlies In deze paragraaf wordt het effecttype doden en/of oppervlakteverlies beoordeeld voor de relevante habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels. Habitatsoorten Meervleermuis Meervleermuizen verblijven voornamelijk in bebouwing vanwaar ze gebruikmakend van lengtestructuren in het landschap migreren naar foerageergebieden boven open water [lit. 4]. Voor de dijkversterking wordt mogelijk bebouwing gesloopt. Deze gebouwen liggen echter buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied Rijntakken. Bovendien is tijdens uitgebreid veldonderzoek meervleermuis niet aangetroffen in het projectgebied. Op verschillende plaatsen rondom de dijk worden bomen en bomenrijen gekapt. Dit is echter binnendijks. Buitendijks worden geen bomen gekapt welke onderdeel zijn van bomenrijen of lijnvormige elementen. Doden van individuen wordt daarmee op voorhand uitgesloten. Aan de dijk zelf worden geen grote veranderingen aangebracht als het gaat om de lengtestructuur. Wel ligt er potentieel geschikt foerageergebied binnen het (tijdelijk) ruimtebeslag van de dijk. Derhalve zijn

Natuurtoets pagina 32 van 456

Definitief 10 juli 2020

(significant) negatieve effecten door oppervlakteverlies van leefgebied van meervleermuis door de dijkversterking niet op voorhand uitgesloten.

Bever Geschikt leefgebied bestaat uit begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout. Een biotoop zoals beschreven is aanwezig rondom bijna alle dijksecties. Derhalve is er geschikt biotoop aanwezig in het Habitatrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied, maar ook daarbuiten. (Significant) negatieve effecten door doden en/of oppervlakteverlies op de bever zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten. Rivierdonderpad Het leefgebied van de rivierdonderpad bestaat uit rivieroevers, dynamische aan de rivier aangetakte wateren en verharde oeverzones en kribben. Dit biotoop komt voor langs een groot deel van het projectgebied in de Waal. Tussen de kribben in de Waal worden loslocaties ingericht. (Significant) negatieve effecten door doden van en/of oppervlakteverlies op de rivierdonderpad zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten. Zeeprik, rivierprik, elft en zalm De soorten zeeprik, rivierprik, elf en zalm hebben rivieren en kribvakken als geschikt leefgebied. Dit leefgebied komt over de lengte van het projectgebied voor in de Waal. Tussen de kribben worden loslocaties ingericht. (Significant) negatieve effecten door doden van en/of oppervlakteverlies op de rivierdonderpad zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten. Kamsalamander Geschikt leefgebied bestaat uit voorplantingspoelen en landhabitat bestaande uit o.a. bosjes en ruigten.

Een biotoop zoals beschreven is niet aanwezig nabij het Habitatrichtlijngebied (dijksecties 1 t/m 4) maar wel bij dijksecties 16/17. Voor kamsalamander is er sprake van een bijzondere situatie. In het aanwijzingsbesluit staat ‘De verbindingen tussen de populaties langs de Waal, Neder-Rijn en IJssel zijn belangrijk.’. In het beheerplan Rijntakken is hierover bevestigd dat ‘Een goede instandhouding van de kamsalamander is alleen mogelijk wanneer naast behoud en uitbreiding van het leefgebied in HR-gebied ook het leefgebied in delen van het VR-gebied (en zelfs buiten het Natura 2000 gebied) wordt behouden en versterkt.’. Voor deze HR soort wordt om deze reden effecten op

het leefgebied van bekende populaties kamsalamander binnen het VR-gebied ook getoetst. (Significant) negatieve effecten door doden van en/of oppervlakteverlies op de kamsalamander zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten. Broedvogels Over de lengte van het dijktraject komen verschillende potentieel geschikte broedbiotopen voor van broedvogels met een instandhoudingsdoel binnen Rijntakken voor. Binnen het ruimtebeslag van de dijk liggen hooilanden, natuurlijke graslanden, struweel en bosschages. Dit gevarieerde voorkomen van biotoop biedt potentieel broedplaatsen aan alle broedvogels met een instandhoudingsdoel. Daarom zijn (significant) negatieve effecten als gevolg van doden van en/of oppervlakteverlies voor deze soorten niet op voorhand uit te sluiten. Niet-broedvogels Rijntakken Over de lengte van het dijktraject komen verschillende potentieel geschikte biotopen voor. Binnen het ruimtebeslag van de dijk liggen hooilanden, natuurlijke graslanden, wielen, open watertjes, rietland, struweel en bosschages. Dit gevarieerde biotoop biedt potentieel geschikt biotoop aan alle niet-broedvogels waarvoor binnen Rijntakken instandhoudingsdoelstellingen gelden. Daarom zijn

Natuurtoets pagina 33 van 456

Definitief 10 juli 2020

(significant) negatieve effecten als gevolg van doden van en/of oppervlakteverlies voor deze soorten niet op voorhand uit te sluiten. 4.1.6.2 Verdroging Bij de dijkversterking worden damwanden geplaatst ten behoeve van de pipingopgave en voor de locaties waar een stabiliteitswand benodigd is. Door barrièrewerking van deze schermen kunnen de kwel- en wegzijgingsstroom veranderen. Als gevolg van barrièrewerking kan de kwelstroom naar het buitendijkse gebied in de zomer afnemen, waardoor de kans op droogvallen van plassen en strangen toeneemt. Dit heeft mogelijk nadelige effecten op habitattypen en beschermde soorten die leefgebied hebben in dergelijke plassen. Habitattypen In het habitatrichtlijngebied (dijksectie 1 t/m 4) is het habitattype slikkige rivieroevers buitendijks aanwezig. Dit habitattype omvat slikkige (of zandige of grindige) droogvallende oevers van rivieren of nevengeulen waar hoge rivierdynamiek zorgt voor erosie en sedimentatie [profieldocument H3270, 2008]. Het ligt op meer dan 100 meter van de dijk. Vanwege deze afhankelijkheid van de sturende werking van de rivierdynamiek en de afstand van tot het habitattype tot de dijk (en de zone waar verdroging kan optreden) worden (significant) negatieve effecten door verdroging op voorhand uitgesloten. Habitatrichtlijnsoorten Meervleermuis De meervleermuis foerageert rondom waterpartijen.

(Significant) negatieve effecten door verdroging zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten. Bever Geschikt leefgebied bestaat uit begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout. Een biotoop zoals beschreven is aanwezig rondom bijna alle dijksecties. Derhalve is er geschikt biotoop aanwezig in het Habitatrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied, maar ook daarbuiten. (Significant) negatieve effecten door verdroging op de bever zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten. Kamsalamander Geschikt leefgebied bestaat uit voorplantingspoelen en landhabitat bestaande uit o.a. bosjes en ruigten. Een biotoop zoals beschreven is niet aanwezig nabij het Habitatrichtlijngebied (dijksecties 1 t/m 4) maar wel bij dijksecties 16/17. Significante gevolgen van verstoring door verdroging zijn niet op voorhand uit te sluiten. Broed- en niet-broedvogels Rijntakken Alle rondom het plangebied voorkomende broedvogels en niet-broedvogels kunnen waterpartijen waar verdroging op kan treden als leefgebied gebruiken. (Significante) negatieve effecten door verdroging zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten.

Natuurtoets pagina 34 van 456

Definitief 10 juli 2020

4.1.6.3 Verzuring/vermesting door stikstofdepositie Er is een Aerius berekening uitgevoerd. Daaruit blijkt dat in de aanlegfase sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in zowel Natura 2000-gebied Rijntakken als enkele andere Natura 2000-gebieden in de omgeving. Een (significant) negatief effect hierop kan niet op voorhand worden uitgesloten.

4.1.6.4 Verstoring Verstoring kan optreden als gevolg van de effecten geluid, trilling, licht en optische verstoring. Habitatsoorten Meervleermuis Volgens de Zoogdiervereniging is het aannemelijk dat vleermuizen in het algemeen gevoelig zijn voor verstoring door onder andere geluid, maar er is weinig onderzoek naar gedaan. Derhalve moet er van uit worden gegaan dat (significant) negatieve effecten op de meervleermuis door geluidverstoring niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Meervleermuizen zijn daarnaast gevoelig voor verstoring door licht en trilling. Verstoring als gevolg van licht en geluid zijn niet op voorhand uit te sluiten. Bever Volgens de Zoogdiervereniging zijn geen literatuurbronnen bekend waaruit blijkt dat bevers gevoelig zijn voor geluid. Wel zijn er diverse praktijksituaties bekend die aantonen dat de bever niet specifiek gevoelig is voor verstoring door continue geluid. Zo worden beverburchten aangetroffen langs drukke verkeers- of scheepvaartwegen. Tevens vermeldt de soortenstandaard van de bever een voorbeeld benoemd dat trillingen en geluid door heien op 70 m afstand van een burcht buiten de periode met jongen geen invloed heeft gehad [lit. 19]. Geschikt leefgebied bestaat uit begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout. Een biotoop zoals beschreven ligt in de nabijheid van alle dijksecties.

Werkzaamheden vinden plaats in de nabijheid van potentieel geschikt leefgebied. Derhalve is er geschikt biotoop aanwezig in het Habitatrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied, maar ook daarbuiten. (Significant) negatieve effecten door verstoring op de bever zijn derhalve niet op voorhand uitgesloten. Overige soorten Zeeprik, rivierprik, elft, zalm, grote- en kleine modderkruiper, rivierdonderpad bittervoorn en kamsalamander hebben in de wijdere omgeving van het project potentieel geschikt leefgebied. (Significant) negatieve effecten als gevolg van verstoring (geluid, trilling, licht en optische verstoring) zijn daarom op voorhand niet uit te sluiten. Broedvogels Met uitzondering van de woudaap zijn binnen de effectcontouren voor licht, trilling, geluid en optische verstoring broedgevallen bekend voor alle broedvogels binnen Rijntakken met een instandhoudingsdoelstelling. In afbeelding 4.5 is een kaart opgenomen met de geluidscontouren als gevolg van het project. Voor woudaap zijn (significant) negatieve effecten als gevolg van verstoring daarom op voorhand uitgesloten. Voor de overige soorten geld dat negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Natuurtoets pagina 35 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 4.5 Verstoringscontouren geluid (blauw = grondverwerking, roze = trillen damwanden)

Geluid Alle vogelsoorten zijn in meerdere of mindere mate gevoelig voor verstoring door geluid. Voor deze soorten zijn (significant) negatieve effecten als gevolg van de dijkverzwaring op voorhand niet uitgesloten. Licht Alle voorkomende broedvogelsoorten van Rijntakken zijn gevoelig voor verstoring door licht. (Significant) negatieve effecten als gevolg van verstoring door licht zijn op voorhand niet uitgesloten. Trilling Met uitzondering van oeverzwaluw, roerdomp en zwarte stern geldt voor alle broedvogels dat zij niet gevoelig zijn voor trilling [lit. 15]. Voor deze niet gevoelige soorten is verstoring als gevolg van trilling dan ook uitgesloten. Voor oeverzwaluw, roerdomp en zwarte stern kan een (significant) negatief effect niet worden uitgesloten. Optische verstoring Blauwborst, dodaars, grote karekiet, ijsvogel, kemphaan, kwartelkoning, oeverzwaluw, porseleinhoen en watersnip zijn volgens de effectenindicator niet gevoelig voor optische verstoring. In de praktijk is dat moeilijk voor te stellen hoe dat werkt; op enig moment zal elke soort opvliegen. Dit is ook in strijd met hetgeen Krijgsveld beschrijft [lit. 11]. Voor alle broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoel kan een (significant) negatief effect als gevolg optische verstoring door de dijkverzwaring op voorhand dan ook niet worden uitgesloten.

Natuurtoets pagina 36 van 456

Definitief 10 juli 2020

Niet-broedvogels Geluid Alle vogelsoorten zijn in meerdere of mindere mate gevoelig voor verstoring door geluid. Voor deze soorten zijn (significant) negatieve effecten als gevolg van geluid op voorhand niet uitgesloten. Licht Alle voorkomende broedvogelsoorten van Rijntakken zijn gevoelig voor verstoring door licht. (Significant) negatieve effecten als gevolg van verstoring door licht zijn op voorhand niet uitgesloten. Trilling Kleine zwaan, roerdomp en zwarte stern zijn (mogelijk) gevoelig voor verstoring door trilling [lit. 15]. Voor deze soorten zijn negatieve effecten als gevolg van trilling niet uitgesloten. Alle overige soorten zijn dat niet, zodat voor deze soorten (significant) negatieve effecten als gevolg van trilling zijn uitgesloten. Optische verstoring Verschillende soorten niet-broedvogels zijn volgens de effectenindicator niet gevoelig voor optische verstoring. In de praktijk is dat moeilijk voor te stellen hoe dat werkt; op enig moment zal elke soort opvliegen. Dit is ook in strijd met hetgeen Krijgsveld beschrijft [lit. 11]. Voor alle nietbroedvogelsoorten met een instandhoudingsdoel kan een (significant) negatief effect als gevolg optische verstoring door de dijkverzwaring op voorhand dan ook niet worden uitgesloten.

4.1.6.5 Conclusie In tabel 4.3 is een samenvatting gegeven van de mogelijk (significant) negatieve effecten op habitattypen, habitatsoorten en (niet-)broedvogels van Natura 2000-gebied Rijntakken gegeven.

Natuurtoets pagina 37 van 456

Definitief 10 juli 2020

Tabel 4.3 Overzicht op welke instandhoudingsdoelen (significant) negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden doden en/of oppervlakte verlies

vermesting/ verzuring

geluid

licht

t r il li n g

o p t i s c h e v e r s t o r i n g

v e r d r o g i n g

x x

x x

x x

x x

x x

Habitattypen diverse habitattypen

x

Habitatsoorten meervleer-muis bever

x x

x

rivierdonderpad

x

x

x

x

x

zeeprik, rivierprik, elft en zalm

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x x

x x

x x

x x

grote- en kleine modder-kruiper, bittervoorn kam-salamander

x

Broedvogels dodaars

x

aalscholver roerdomp

x x

woudaap

x

porselein-hoen kwartelkoning

x x

x x

x x

x x

x x

watersnip zwarte stern

x x

x x

x x

x x

x x

ijsvogel

x

x

x

x

x

oeverzwaluw

x

x

x

x

x

blauwborst

x

x

x

x

x

grote karekiet Niet-broedvogels

x

x

x

x

x

fuut

x

x

x

x

x

aalscholver

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Natuurtoets pagina 38 van 456

x

Definitief 10 juli 2020

kleine zwaan

x

x

x

wilde zwaan

x

x

toendrariet-gans

x

kolgans grauwe gans

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x x

x x

x x

x x

x x

brandgans bergeend

x x

x x

x x

x x

x x

smient

x

x

x

x

x

krakeend

x

x

x

x

x

wintertaling

x

x

x

x

x

wilde eend pijlstaart

x x

x x

x x

x x

x x

slobeend

x

x

x

x

x

tafeleend

x

x

x

x

x

kuifeend

x

x

x

x

x

nonnetje meerkoet

x x

x x

x x

x x

x x

scholekster

x

x

x

x

x

goudplevier

x

x

x

x

x

kievit kemphaan

x x

x x

x x

x x

x x

grutto

x

x

x

x

x

wulp

x

x

x

x

x

x

x

x

x

tureluur x X = Negatieve effecten niet uitgesloten, Passende Beoordeling nodig.

x

4.1.7 Conclusies Rijntakken Natura 2000-gebied Rijntakken grenst direct aan de zuidzijde van het projectgebied. Als relevante effecten zijn benoemd: - doden en/of oppervlakteverlies (waaronder begrepen ‘mechanische effecten’); - verzuring en vermesting (als gevolg van stikstofdepositie); - verstoring als gevolg van licht, geluid, trillingen en optische verstoring; - effecten van verdroging. Voor elk van de relevante effecttypen is beoordeeld welke habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten en habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling mogelijk (significant) negatieve effecten ondervinden van het project. De samenvattende tabel 4.3 geeft op welke effecten en voor welke soorten/habitattypen effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voor deze soorten en gekoppelde effecten is een Passende Beoordeling nodig.

Natuurtoets pagina 39 van 456

Definitief 10 juli 2020

Overige Natura 2000-gebieden Met uitzondering van effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn alle overige effecten die mogelijk optreden als gevolg van het project zijn op de omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten.

4.1.8 Bronnen 1) 2)

3) 4) 5) 6) 7) 8) 9) 10) 11) 12)

13) 14) 15)

16) 17) 18) 19)

Ontwerpteam Betuwse Waard, Uitvoeringsplan. Rijntakken Introductie, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, opgehaald van: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=5&id= n2k38 (raadpleging op 28-6-2019). Provincie Gelderland, Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (038), december 2018. http://minez.nederlandsesoorten.nl, geraadpleegd op 09 februari 2018. NDFF, periode 2013-2018. Geraadpleegd op 09 februari 2018. NDFF, periode 2014-2019. Geraadpleegd op 18 juni 2019. www.sovon.nl. Geraadpleegd op 27 februari 2018. Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken, ministerie EZ, 23 april 2014. Witteveen+Bos, Notitie Realisatiefase geluidsuitstraling. Overbosch M.D., 2006 MER LNG terminal Eemshaven, Tebodin B.V. Krijgsveld K.L., R.R. Smits, J. van der Lindern, Bureau Waardenburg, Verstoringsgevoeligheid van vogels, 23 december 2008. H. Sierdsema, J. van Diermen, B. Aarts, L. van den Bremer en A. van Kleunen. 2008, Factsheets van broedvogels in de Natura 2000-gebieden van Gelderland. SOVON onderzoeksrapport 2008/14. A-J Haarsma, Nederland meervleermuizenland, Zoogdiervereniging 2006. Arno Thomaes, Olivier Beck, Luc Crevecoeur, Mathias Engelbeen, Roger Cammaerts & Dirk Maes, Het Vliegend hert in Vlaanderen en in het Brussels Gewest (2007).

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Effectenindicator, via https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix &tab=1 Ontwerpteam Betuwse Waard, Geohydrologisch onderzoek. Aerius calculator. Provincie Gelderland, PAS gebiedsanalyse 038 Rijntakken, 15 december 2017. Soortenstandaard Bever, geraadpleegd, 15 december 2017.

4.2 Passende Beoordeling De Passende Beoordeling Dijkversterking Wolferen-Sprok is als separate bijlage bij het Projectplan Waterwet toegevoegd. Deze Passende Beoordeling maakt integraal onderdeel uit van deze Natuurtoets.

Natuurtoets pagina 40 van 456

Definitief 10 juli 2020

5 Soortenbescherming

5.1 Inleiding Een inleiding van het project is beschreven in hoofdstuk 1.

5.2 Planbeschrijving De planbeschrijving van het project is beschreven in hoofdstuk 2.

5.3 Wettelijk kader Het wettelijk kader van de Soortenbeschermingstoets is beschreven in paragraaf 3.2.

5.4 Methode 5.4.1 Pré-verkenning en alternatievenafweging In 2016 heeft een Pre-verkenning voor de dijkversterking plaatsgevonden. De pre-verkenning is een eerste bureaustudie gedaan naar de beschermde soorten (toen nog onder de flora en fauna wet) met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna. Deze is geraadpleegd op 12 juli 2016. Op 19 juli 2016 heeft een ecoloog van Witteveen+Bos het oostelijk deel van het onderzoeksgebied bezocht (ten oosten van Oosterhout). Op woensdag 7 september heeft de ecoloog de rest van het projectgebied bezocht. Tijdens de veldbezoeken is een habitatanalyse en een steekproefsgewijze inventarisatie uitgevoerd waarbij toevallige waarnemingen van beschermde flora en fauna zijn genoteerd. De inventarisatie was niet vlak dekkend en slechts indicatief. In 2018 heeft een alternatievenafweging voor de dijkversterking plaatsgevonden. In de alternatievenafweging Integrale verkenning Dijkversterking Wolferen-Sprok en Dijkteruglegging Oosterhout is een inventarisatie van beschermde soorten op basis van de gegevens uit de NDFF plaatsgevonden (geraadpleegd op 09 februari 2018) opgenomen.

Natuurtoets pagina 41 van 456

Definitief 10 juli 2020

5.4.2 Nader soortgericht onderzoek (2019-2020) Op basis van de bureaustudies uit de preverkenning en de alternatievenafweging is geadviseerd nader soortgericht onderzoek uit te voeren naar zwaarder beschermde vaatplanten en mossen, reptielen en amfibieën (kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad), zwaarder beschermde zoogdiersoorten (steenmarter, das, bever, otter, vleermuizen, waterspitsmuis, marterachtigen), ongewervelden (rivierrombout, platte schijfhoren), vissen (grote modderkruiper en andere beschermde vissoorten) en vogels (jaarrond beschermde functies). Dit onderzoek is uitgevoerd van maart 2019 tot en met januari 2020 door Natuurbalans. Het eindrapport van het aanvullende veldonderzoek met daarin een gedetailleerde beschrijving van o.a. de methode, de kwalificaties van de onderzoekers, de onderzoeksdata en omstandigheden staan hierin beschreven, evenals een uitgebreide weergave van de resultaten (zie bijlage 9). De resultaten zijn verwerkt in deze onderhavige toets. Alle onderzoeken zijn uitgevoerd conform de beschreven methodiek in de relevante Kennisdocumenten van RVO. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017.

5.4.3 Recent bureauonderzoek In aanvulling op het nader soortgericht veldonderzoek is wederom een inventarisatie van beschermde soorten op basis van de gegevens uit de NDFF uitgevoerd (geraadpleegd op 9 maart 2020). Ook deze gegevens zijn verwerkt in onderhavige toets.

5.4.4 Geluid

Huidige situatie In de huidige situatie ligt er een 60 km/uur weg op de dijk, die wordt gebruikt door lokaal en regionaal verkeer. Het gebruik van deze weg veroorzaakt in de huidige situatie reeds een geluidbelasting in de directe omgeving van de dijkweg. Als afbeelding 5.1 is in een overzicht de huidige achtergrondbelasting van geluid langs het gehele dijktraject weergegeven, gevolgd door gedetailleerde afbeeldingen (5.2 t/m 5.7). Daarnaast zijn langs de dijk meerdere boerderijen en bedrijven aanwezig waar lokaal een hogere geluidbelasting aanwezig is op en rond het erf/de bedrijfslocatie.

Natuurtoets pagina 42 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.1 Huidige geluidsbelasting door wegen in en om het projectgebied

Plangebied RIVM geluidskaart

Afbeelding 5.2 Huidige geluidsbelasting door wegen in en om dijksecties 1-3

Plangebied RIVM geluidskaart

Natuurtoets pagina 43 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.3 Huidige geluidsbelasting door wegen in en om dijksecties 6-8

Plangebied RIVM

Afbeelding 5.4 Huidige geluidsbelasting door wegen in en om dijksecties 8-12

Plangebied RIVM geluidskaart

Natuurtoets pagina 44 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.5 Huidige geluidsbelasting door wegen in en om dijksecties 12-13

Plangebied RIVM geluidskaart

Afbeelding 5.6 Huidige geluidsbelasting door wegen in en om dijksecties 13-15

Plangebied RIVM geluidskaart

Natuurtoets pagina 45 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.7 Huidige geluidsbelasting door wegen in en om dijksecties 16-17

Plangebied RIVM geluidskaart

Aanlegfase In de aanlegfase worden stukken dijktalud afgegraven, verhoogd of verzwaard; is er aan- en afvoer van grond en materialen via het water en via de weg en worden damwanden en pipingschermen geplaatst. De damwanden en pipingschermen worden ingetrild, niet geheid. Voor deze werkzaamheden in de aanlegfase is een onderzoek uitgevoerd naar de geluiduitstraling naar de omgeving, zogeheten geluidcontouren. De resultaten hiervan zijn opgenomen als bijlage 10. Dit is het daadwerkelijke projecteffect, geen planologische situatie.

Gebruiksfase Na de realisatiefase is er voor het overgrote deel van de dijk geen sprake van een gewijzigd gebruik van de dijk of een verandering van de verkeersintensiteit. De dijk wordt op sommige locaties iets verhoogd met maximaal 1,0 meter. Deze verhoging (die maar op enkele locaties optreedt) veroorzaakt een niet merkbare verhoging in de geluidbelasting van maximaal 0,3 dB. Dit is een worst case die enkel optreedt op locaties met de maximale verhoging. Bij locaties met minder verhoging neemt het geluidniveau ook minder toe. Op locaties zonder verhoging is geen sprake van een verhoging van het geluidniveau in de gebruiksfase. Voor dier- en vogelsoorten is echter pas sprake van een merkbare geluidstoename bij meer dan 1 dB. Voor mensen geldt dat een toename van minder dan 1 dB onhoorbaar is. Voor zoogdieren wordt van een vergelijkbare gevoeligheid uitgegaan, maar het gehoor van de meeste vogels is vaak minder goed ontwikkeld dan dat van zoogdieren, inclusief de mens. Geluidstoenames van minder dan 1 dB worden daarom als verwaarloosbaar beschouwd.

Natuurtoets pagina 46 van 456

Definitief 10 juli 2020

In de gebruiksfase is er daardoor voor het overgrote deel van de dijk geen sprake van een andere geluidbelasting dan in de huidige situatie het geval is, en worden negatieve effecten op beschermde soorten op voorhand uitgesloten. Op een enkele locatie zal de as van de weg iets veranderen als gevolg van de dijkversterking. Dit vindt plaats in dijksectie 17. De dijk komt hier in akkerland te liggen, wat geen leefgebied is van hier voorkomende beschermde soorten. Daarnaast blijft het weggebruik hetzelfde en is de afstand van de verlegging minimaal, waardoor er geen merkbaar verschil zal zijn in geluidsbelasting van de weg.

5.5 Effectafbakening en -beoordeling 5.5.1 Effectafbakening In het projectgebied en in de omgeving van het projectgebied zijn verschillende beschermde soorten aangetroffen. De beschermde soorten die in of nabij het studiegebied in de afgelopen zeven jaar zijn waargenomen, zijn opgenomen in tabel 5.1.

Tabel 5.1 Soorten in en nabij het projectgebied in het kader van de Wnb soortenbescherming Beschermingsregime

Soortgroep

Soort

vogelrichtlijnsoorten

vogels met jaarrond beschermd nest

boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief

overige broedvogels

aalscholver, appelvink, bergeend, blauwborst, blauwe reiger, boerenzwaluw, boomklever, boomkruiper, boompieper, bosrietzanger, braamsluiper, brandgans, Cetti’s zanger, dodaars, ekster, fazant, fitis, frater, fuut, gaai, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, grasmus, graspieper, grauwe gans, grauwe vliegenvanger, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote Canadese gans, grote lijster, grutto, heggenmus, holenduif, houtduif, huiszwaluw, ijsvogel, kauw, kievit, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine mantelmeeuw, kleine plevier, kluut, kneu, knobbelzwaan, koekoek, kokmeeuw, kolgans, koolmees, krakeend, kuifeend, kwartel, lepelaar, matkop, meerkoet, merel, nachtegaal, oeverloper, oeverzwaluw, paapje, patrijs, pimpelmees, putter, rietgors, rietzanger, ringmus, roodborst, roodborsttapuit, scholekster, slobeend, sperwer, spotvogel, spreeuw, sprinkhaanzanger, staartmees, stormmeeuw, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, tureluur, Turkse tortel, veldleeuwerik, vink, visdief, waterhoen, watersnip, waterspreeuw, wielewaal, wilde eend, winterkoning, wintertaling, witte kwikstaart, wulp, zanglijster, zilvermeeuw, zomertaling, zomertortel, zwarte kraai, zwarte roodstaart, zwartkop

amfibieën

rugstreeppad, kamsalamander

grondgebonden zoogdieren

bever

Habitatrichtlijnsoorten

Natuurtoets pagina 47 van 456

Definitief 10 juli 2020

Beschermingsregime

Andere soorten

Soortgroep

Soort

vleermuizen

gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis

vissen

noordzeehouting

ongewervelden

teunisbloempijlstaart, rivierrombout

amfibieën

bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, alpenwatersalamander

ongewervelden

grote vos, grote weerschijnvlinder, beekrombout

grondgebonden zoogdieren

bosmuis, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel

vissen

gestippelde alver

vaatplanten

akkerogentroost, dreps, groot spiegelklokje, kleine wolfsmelk, stijve wolfsmelk, wilde ridderspoor, wilde weit

Er is mogelijk sprake van ruimtebeslag ter plaatse van het leefgebied van deze soorten. Hierdoor is sprake van oppervlakteverlies en versnippering van dit leefgebied, en mogelijk worden vaste verblijfplaatsen van deze soorten vernietigd. De werkzaamheden kunnen ook het doden van individuen tot gevolg hebben. Dit zijn permanente negatieve effecten. De werk- en aanvoerwegen, laad-/loslocaties en de depots zijn enkel in gebruik tijdens de aanlegfase. Na afloop van de werkzaamheden worden deze weer opgeruimd. De grond wordt op deze locaties omgewoeld en opnieuw ingezaaid, zodat de grond terug wordt gebracht naar hoe deze is in de huidige situatie. Daarnaast kan er sprake zijn van verstoring door geluid, licht of trilling en van optische verstoring. Deze effecten treden enkel op tijdens de aanlegfase en zijn derhalve tijdelijke effecten. Hierbij wordt wel opgemerkt dat deze tijdelijke effecten op hun beurt tot permanente negatieve effecten kunnen leiden wanneer verstoring ervoor zorgt dat leefgebieden permanent verlaten worden. Verstoring door de tijdelijke voorzieningen is een tijdelijk effect, met dien verstande dat ook deze kunnen leiden tot permanente negatieve effecten. Verstoring wordt veroorzaakt door de werkzaamheden die grofweg bestaan uit grondwerkzaamheden en het aanbrengen van pipingmaatregelen of damwanden.

Het aanbrengen van pipingmaatregelen of damwanden zijn in de beoordeling niet apart onderscheiden. Beide constructies worden doormiddel van trillen (met een duwstelling) aangebracht. Voor beide typen werkzaamheden is uitgegaan van verstoring door het intrillen van damwanden. Waar in de toets dus ‘damwanden’ wordt genoemd, worden ook de schermen die onderdeel uitmaken van de pipingmaatregelen bedoeld. De loop van de rivier en de hoogte van de uiterwaarden worden niet veranderd. Verdroging of vernatting als gevolg van andere waterstanden van de rivier zijn daarom uitgesloten. Als onderdeel van de werkzaamheden zullen echter damwanden worden toegepast. Deze damwanden kunnen een barrière vormen voor grondwaterstromen. De hoofd grondwaterstroom in het gebied is van noord naar zuid, zuidwest. De Waal heeft een drainerende werking. Uit de geohydrologische studie (zie rapportage Barrièrewerking geohydrologie bij het Projectplan Waterwet) blijkt dat langs het overgrote deel van het versterkingstraject er geen meet- of merkbare veranderingen in de hydrologie plaats zullen vinden (één tot enkele cm’s). Er zijn echter enkele locaties waar veranderingen iets grotere veranderingen niet op voorhand worden uitgesloten.

Natuurtoets pagina 48 van 456

Definitief 10 juli 2020

Bij normale waterstanden in de Waal leidt dit potentieel tot verdroging in de uiterwaard en vernatting binnendijks, omdat de drainerende werking van de Waal mogelijk beperkt wordt. Bij hoogwater in de Waal leidt dit potentieel tot verdroging binnendijks, als gevolg van beperkingen in kwel. De effecten verdroging en vernatting zijn daarom relevant. Ondanks dat het effect aanvangt in de aanlegfase is het een permanent effect. De dijkversterking heeft geen invloed op de waterkwaliteit. Voor de dijkversterking wordt niet ingegrepen in de loop van de rivier. Omdat niet wordt ingegrepen in de eigenschappen van de aanwezige waterlichamen ter plaatse, zijn effecttypen verzoeting, verzilting, verandering stroomsnelheid en verandering dynamiek substraat uit te sluiten. Ook zijn er geen effecten op de waterkwaliteit te verwachten en wordt er niet ingegrepen in de populatiedynamiek of de soortensamenstelling. Deze effecttypen worden derhalve niet verder onderzocht. Voor de dijkversterking zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden. Vanwege de heersende wet- en regelgeving wordt hier in het geval dat er verontreinigingen aanwezig zijn op een zodanige manier mee omgegaan dat deze verontreinigingen zich niet verspreiden.

De werkzaamheden tijdens de aanlegfase van het project zorgen zelf niet voor extra verontreinigingen waardoor er in de aanlegfase geen sprake is van effecten van verontreiniging. Dit effecttype wordt derhalve niet verder onderzocht.

5.5.2 Vaatplanten en mossen In of nabij het projectgebied zijn in de afgelopen zeven jaar verschillende beschermde vaatplanten en mossen gevonden als akkerogentroost, dreps, groot spiegelklokje, kleine wolfsmelk, stijve wolfsmelk, wilde ridderspoor en wilde weit. In het nader soortenonderzoek van 2019 zijn echter geen beschermde plantensoorten aangetroffen in het projectgebied. Effecten op vaatplanten en mossen is derhalve uitgesloten.

5.5.3 Grondgebonden zoogdieren In of nabij het projectgebied zijn in de afgelopen zeven jaar verschillende zoogdieren als bever, bosmuis, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en wezel waargenomen. Afhankelijk van de activiteit gelden voor Andere soorten vrijstellingen van de verbodsbepalingen. In dit geval gaat het om een project in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling van gebieden en volksgezondheid en openbare veiligheid en zijn de vrijstellingen op dit project van toepassing. Waargenomen soorten waar een vrijstelling voor geldt zijn bosmuis, dwergmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis en vos. Deze soorten komen zo goed als bij alle dijksecties in of nabij het projectgebied voor. De dijkversterking kan negatieve effecten op deze soorten tot gevolg hebben. Dit is een negatief effect in het kader van de MER. Vanwege het algemene voorkomen en de vrijstelling hoeft er geen ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Wel is ten alle tijden de zorgplicht van kracht. Uit de NDFF blijkt dat er in en ten oosten van Lent de afgelopen jaren steenmarter is waargenomen. Uit het uitgevoerde veldonderzoek blijkt echter dat er geen individuen zijn aangetroffen. Effecten van het voornemen op steenmarter zijn uitgesloten.

Natuurtoets pagina 49 van 456

Definitief 10 juli 2020

Daarnaast zijn tevens das en wezel waargenomen in het gebied. Tijdens het uitgevoerde veldonderzoek zijn er geen aanwijzingen van of waargenomen individuen van das gevonden. Effecten van het voornemen op deze soort zijn uitgesloten. Daarnaast is onderzoek naar aanwezigheid van waterspitsmuis uitgevoerd door middel van eDNA. Dit onderzoek sluit aanwezigheid van waterspitsmuis uit. Effecten van het voornemen op waterspitsmuis zijn uitgesloten. Uit het nader soortgericht onderzoek uit 2019 (bijlage 9) blijkt dat de bever en wezel wel aanwezig zijn in en nabij het projectgebied. Effecten op deze soorten worden hierna beoordeeld.

5.5.3.1 Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, open of rotsige oevers worden gemeden. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste. Bevers zijn vooral ’s nachts actief, overdag slapen ze in holen of burchten [lit. 11, paragraaf 5.7]. De bever is een habitatrichtlijnsoort en is beschermd onder artikel 3.5 van de Wnb. Bevers gebruiken in hun leefgebied meerdere typen verblijfplaatsen: burchten, holen en legers. Burchten zijn hierin de belangrijkste. Een burcht wordt jaarrond gebruikt maar is in de periode mei augustus ook in gebruik als plek om de jongen groot te brengen. In deze periode is bever gebonden aan de burcht. Holen worden in bijna alle steile oevers in een territorium gegraven en worden gebruikt als rustplaats. Voor verschillende waterstanden kunnen bevers verschillende holen gebruiken. Voor zowel burchten als holen geldt dat ook in perioden dat er ijs op het water ligt of dat het water langdurig laag staat, bevers gebonden zijn aan deze verblijfplaatsen en dus minder flexibel zijn.

Legers worden enkel ’s zomers gebruikt om overdag te rusten en is niet meer dan een uitholling op de oevers met vaak een bodem van houtsnippers. Een leger wordt niet gezien als ‘rustplaats’ maar als element dat hoort tot de functionele leefomgeving van een voortplantingsplaats [lit. 4, paragraaf 5.7]. In principe geldt het hele jaar als kwetsbare periode voor bever. Echter is bever buiten de hiervoor genoemde perioden (kraamtijd mei-augustus, ijsgang en langdurig laag water) minder kwetsbaar [lit. 4]. In de beoordeling worden daarom deze perioden bedoelt met de term ‘kwetsbare periode’. Voor de overige perioden in het jaar geldt, zoals altijd, de zorgplicht. In het projectgebied is bever op meerdere plaatsen aanwezig. Bevers zijn mobiele dieren die vanuit de plassen in de uiterwaard met gemak andere plassen en de Waal bereiken. Bever steekt ook zonder moeite een dijk over om in zijn leefgebied te bewegen. Het leefgebied van bever betreft dan ook de gehele uiterwaard en in dijksectie 2/3 en 6 ook de daar aanwezige binnendijkse wateren en oevers. Verschillende beverfamilies hebben afzonderlijke territoria die fel worden verdedigd. Hierna wordt per locatie waar bever aanwezig is beoordeeld of de dijkversterking effect op deze bevers heeft.

Natuurtoets pagina 50 van 456

Definitief 10 juli 2020

Dijksectie 2 en 3 Sporen van bever zijn waargenomen in het wilgenbos aan de westkant van de binnendijkse plas (afbeelding 5.8). Hier is een deels ingestorte burcht aanwezig en een andere oude verblijfplaats bij hoog water (hol). Er zijn geen bevers waargenomen tijdens het soort specifieke onderzoek in 2019 en ook zijn geen wissels over de dijk waargenomen. Omdat de oude burcht vervallen is, kan veilig aangenomen worden dat deze niet in gebruik is. Op deze locatie bestaat de dijkversterking uit een versterking in grond, een damwand en een voorziening om te voorkomen dat bever de dijk ondergraaft. Deze voorziening bestaat uit gaas wat in het talud wordt ingegraven om te voorkomen dat bever het talud in kan graven.

Afbeelding 5.8 Waarnemingen van bever in dijksecties 2 en 3

Permanente effecten De dijkversterking heeft ruimtebeslag op de zuidoostelijke oever van de plas. Binnen het ruimtebeslag zijn echter geen sporen van bever waargenomen. Er zijn hier dus ook geen verblijfplaatsen aanwezig en in principe is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb (het vernielen van verblijfplaatsen) dan uitgesloten. Het kan echter zo zijn dat door een afname van het leefgebied de verblijfplaatsen in de plas buiten het projectprojectgebied hun functie verliezen. Dan zou er alsnog sprake zijn van een overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb. Dit wordt hierna onderzocht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=9b6965e4-8415-4ff4-941b-667c95a77c40