14. Bijlage bij de toelichting deel 2d
Tekst van het document
Archeologie Door de grootschalige ophogingen en grondverzet is er sprake van aantasting van archeologische waarden. Het waterkerend scherm heeft een positief effect door het beperkend effect op de fluctuaties van het de grondwaterstand. Water Er wordt voldaan aan de ontwateringsdiepte die nodig is voor de functies in het stadsontwikkelingsgebied. Ook de afvoer naar de watersingel blijft binnen de normen die gesteld zijn in het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong 2009. De zichtbaarheid en beleefbaarheid van het water met name tijdens hoogwater kan als een positief punt worden opgevat.
XII.5
Kansen en risico’s woonlocaties
In 2018 is een snelle beoordeling uitgevoerd van kansen en risico’s van de gekozen voorkeursalternatieven bij de woonlocaties op basis van de referentiesituatie in het MER fase 1 voor de dijkversterking. Hieronder is dat kort aangegeven. Dijksectie 4 Deze dijksectie ligt binnen de nieuwe woongebieden van Nijmegen, deze dijksectie betreft Vossenpels ZuidZuid. Hier is in overleg tussen waterschap en gemeente al een voorkeursalternatief vastgesteld, een grondoplossing met pipingberm. Risico’s - beschermde natuurgebieden: buitendijks ruimtebeslag op Vogel- en Habitatrichtlijngebied Rijntakken (geen habitattype binnen ruimtebeslag). Ruimtebeslag Gelders NatuurNetwerk en klein stukje groene ontwikkelingszone (bij fort). Aanwezigheid biotopen voor verschillende soorten met instandhoudingsdoelen mogelijk. Mogelijk voorkomen beschermde- en rodelijstsoorten, waaronder (broed)vogels. Perceelbeplanting aanwezig. Kaderrichtlijn Water van toepassing; - bodemverontreiniging Vossenpelsestraat 3: Voormalige stortplaats inclusief bouwafval. Ernstig verontreinigd met asbest. Overschrijding interventiewaarden koper, achtergrondwaarden van lood en zink. In grondwater lichte overschrijding van barium; - binnendijks archeologische resten aanwezig en hoge tot zeer hoge verwachting in de rest van het binnendijkse plangebied.
Buitendijks voor een groot deel afgegraven, daarbuiten laag tot middelhoge verwachting. Bovendien kans op aanwezigheid begraven mariene resten; - woonfuncties aan Vossenpelsestraat 1 en 5 binnen ruimtebeslag. Bij behoud woonfunctie in huidig pand, zal alsnog sprake zijn van verlies van woonkwaliteit door aantasting tuin; - verkeersfunctie met op- en afritten. Kansen en voorstel mitigerende/compenserende maatregelen - huidige situatie met name agrarisch grasland, toekomstige situatie woningbouw. Mogelijkheid voor kleine meekoppelkansen als de aanleg van op- en afritten en parkeerplaatsen; - maatregelen voor natuur, zoals terugbrengen vegetatie, compensatie bomen, aanvullend onderzoeken effecten aanlegfase in planuitwerking, sanering bodemverontreiniging; - archeologische verwachtingswaarde nader onderzoeken en indien nodig opgraven (compenserende maatregel: behoud ex situ); - maatwerk bij woonfuncties met als nevendoel behoud woning. Inpassen tuinen; - uitwerken op- en afritten in planuitwerking met als nevendoel het behoud van de bereikbaarheid van de bestaande en toekomstige woon- en werkfuncties, waaronder het fort. Dijksectie 6 Deze dijksectie ligt binnen de nieuwe woongebieden van Nijmegen, deze dijksectie betreft Hof van Holland. Hier is in overleg tussen waterschap en gemeente al een voorkeursalternatief vastgesteld, een grondoplossing met pipingberm.
Risico’s - beschermde natuurgebieden: buitendijks ruimtebeslag op Vogelrichtlijngebied Rijntakken. Ruimtebeslag Gelders NatuurNetwerk of groene ontwikkelingszone. Aanwezigheid biotopen voor verschillende soorten met instandhoudingsdoelen mogelijk. Mogelijk voorkomen beschermde- en rodelijstsoorten, waaronder (broed)vogels. Binnendijks perceelbeplanting aanwezig. Kaderrichtlijn Water van toepassing; - ruimtebeslag op Zaligestraat, een historisch waardevolle structuur. Door bebouwbare dijk ontstaat een compleet nieuw en afwijken landschap binnen het huidige cultuurlandschap; - gemeentelijke monumenten uit de 19e eeuw binnen het ruimtebeslag: 2 woonhuizen, een directeurswoning en een schuur aan de Oosterhoutsedijk 74-78; - oostelijk deel verwachting op restanten Romeinse limes in de bodem. Binnendijks zeer hoge verwachting op aantreffen archeologische resten. Buitendijks laag tot hoge verwachting. Bovendien kans op aanwezigheid begraven mariene resten. Aanwezigheid redoute in uiterwaard mogelijk binnen ruimtebeslag; - woonfuncties aan Oosterhoutsedijk 74, 76 en 78 binnen ruimtebeslag. De huidige panden blijven behouden, maar er zal mogelijk alsnog sprake zijn van verlies van woonkwaliteit door aantasting tuin. Bij Oosterhoutsedijk 46 ligt niet het pand binnen het ruimtebeslag, maar wel een deel van de tuin; - verkeersfunctie met op- en afritten.
Kansen en voorstel mitigerende/compenserende maatregelen - op delen is er in de huidige situatie met name agrarisch grasland, toekomstige situatie woningbouw. Mogelijkheid voor kleine meekoppelkansen als de aanleg van op- en afritten en parkeerplaatsen. - het waterkerend scherm bij het huidige buurtschap heeft een positief effect op de woonfuncties en archeologie door het beperkend effect op de fluctuaties van de grondwaterstand; - maatregelen voor natuur, zoals terugbrengen vegetatie, compensatie bomen, aanvullend onderzoeken effecten aanlegfase in planuitwerking; - archeologische verwachtingswaarde nader onderzoeken en indien nodig opgraven (compenserende maatregel: behoud ex situ); - maatwerk bij woonfuncties met als nevendoel behoud gemeentelijke monumenten en woonfuncties. Inpassen tuinen; - uitwerken op- en afritten in planuitwerking met als nevendoel het behoud van de bereikbaarheid van de woon- en werkfuncties (inclusief fort). Dijksectie 7 Deze dijksectie ligt binnen de nieuwe woongebieden van Nijmegen, deze dijksectie betreft Woenderskamp. Hier is in overleg tussen waterschap en gemeente al een voorkeursalternatief vastgesteld, een grondoplossing met pipingberm. Risico’s - beschermde natuurgebieden: buitendijks ruimtebeslag op Vogelrichtlijngebied Rijntakken met ganzenfourageergebied. Ruimtebeslag buitendijks op Gelders NatuurNetwerk of groene ontwikkelingszone.
Aanwezigheid biotopen voor verschillende soorten met instandhoudingsdoelen mogelijk. Mogelijk voorkomen beschermde- en rodelijstsoorten, waaronder (broed)vogels. Buitendijks beplanting langs plas. Kaderrichtlijn Water van toepassing; - door bebouwbare dijk ontstaat een compleet nieuw en afwijken landschap binnen het huidige cultuurlandschap. Delen zijn al verstoord vanwege de aanleg van de Generaal James Gavinsingel; - historische grenssteen aanwezig bij Oosterhoutsedijk 94 (gemeentelijk monument); - binnendijks aan westzijde archeologische resten aanwezig. Verder hoge verwachting op aantreffen archeologische resten. Buitendijks hoge verwachting. Bovendien kans op aanwezigheid begraven mariene resten; - verkeersfunctie met op- en afritten.
Kansen en voorstel mitigerende/compenserende maatregelen - in de huidige situatie met name agrarisch gebruik, toekomstige situatie woningbouw. Mogelijkheid voor kleine meekoppelkansen als de aanleg van op- en afritten en parkeerplaatsen; - maatregelen voor natuur, zoals terugbrengen vegetatie, compensatie bomen, aanvullend onderzoeken effecten aanlegfase in planuitwerking; - grenspaal opslaan tijdens werkzaamheden en opnieuw plaatsen; - archeologische verwachtingswaarde nader onderzoeken en indien nodig opgraven (compenserende maatregel: behoud ex situ); - uitwerken op- en afritten in planuitwerking.
www.witteveenbos.com
bestemmingsplan Nijmegen Dijkversterking Wolferen-Sprok
Bijlage 2 Natuurtoets
606
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
Natuurtoets Dijkversterking Wolferen-Sprok Auteur: E. de Jongh, M. de Groot, M. Wildenburg, E. Pinto, J. van der Endt, J. Schuitemaker Versie: Definitief Datum: 18 december 2020
Status: Definitief Unieke referentie: WOSRF-156031142-412 Van belang voor: Bestemd voor: Gecontroleerd door: mw. A. Esmeijer-Liu Vrijgegeven door: J. Hassing
Inhoudsopgave
1 Inleiding ..................................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding ................................................................................................................................ 6 1.2 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7 2 Planbeschrijving ......................................................................................................................... 8 2.1 Dijksecties ................................................................................................................................ 8 2.2 Werkzaamheden ...................................................................................................................... 8 2.2.1 Basisprincipe ......................................................................................................................... 9 2.2.2 Maatwerklocaties................................................................................................................ 10 2.3 Tijdelijke voorzieningen..........................................................................................................
10 2.4 Materieel ............................................................................................................................... 11 3 Beschrijving wettelijk kader ..................................................................................................... 12 3.1 Natura 2000 ........................................................................................................................... 12 Voortoets & Passende beoordeling .............................................................................................. 12 3.2 Soortenbescherming .............................................................................................................. 12 3.3 Houtopstanden ...................................................................................................................... 12 3.4 Kaderrichtlijn water (KRW) ..................................................................................................... 13 3.5 NatuurNetwerk Nederland (NNN) .......................................................................................... 13 3.6 Bronnen ................................................................................................................................. 14 4 Natura 2000..............................................................................................................................
15 4.1 Voortoets ............................................................................................................................... 15 4.1.1 Inleiding .............................................................................................................................. 15 4.1.2 Planbeschrijving .................................................................................................................. 15 4.1.3 Wettelijk kader.................................................................................................................... 15 4.1.4 Beschermde gebieden en Instandhoudingsdoelen ............................................................... 15 4.1.5 Effectafbakening verstoringsaspecten en instandhoudingsdoelen ....................................... 24 4.1.6 Effectbepaling- en beoordeling............................................................................................ 32 4.1.7 Conclusies ........................................................................................................................... 39 4.1.8 Bronnen .............................................................................................................................. 40 4.2 Passende Beoordeling ............................................................................................................
40 5 Soortenbescherming ................................................................................................................ 41 5.1 Inleiding ................................................................................................................................. 41 5.2 Planbeschrijving ..................................................................................................................... 41 5.3 Wettelijk kader ...................................................................................................................... 41 5.4 Methode ................................................................................................................................ 41 5.4.1 Pré-verkenning en alternatievenafweging ........................................................................... 41 5.4.2 Nader soortgericht onderzoek (2019-2020) ......................................................................... 42 5.4.3 Recent bureauonderzoek .................................................................................................... 42 5.4.4 Geluid ................................................................................................................................. 42
Natuurtoets pagina 2 van 456
Definitief 10 juli 2020
5.5 Effectafbakening en -beoordeling........................................................................................... 47 5.5.1 Effectafbakening ................................................................................................................. 47 5.5.2 Vaatplanten en mossen ....................................................................................................... 49 5.5.3 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 49 5.5.4 Vleermuizen ........................................................................................................................ 70 5.5.5 Vogels ............................................................................................................................... 136 5.5.6 Reptielen, amfibieën en ongewervelden ........................................................................... 191 5.5.7 Vissen ............................................................................................................................... 207 5.5.8 Rode Lijst soorten ............................................................................................................. 208 5.6 Mitigatie, compensatie en conclusie ....................................................................................
210 5.6.1 Samenvatting effectbeoordeling ....................................................................................... 210 5.6.2 Algemene zorgplicht.......................................................................................................... 211 5.6.3 Overzicht mitigerende maatregelen .................................................................................. 213 5.6.4 Compenserende maatregelen ........................................................................................... 219 5.7 Onderbouwing voorwaarden ontheffingsaanvraag ............................................................... 223 5.7.1 Onderbouwing waarborging van de staat van instandhouding .......................................... 224 5.7.2 Onderbouwing geen andere bevredigende oplossing ........................................................ 224 5.7.3 Dwingende reden van groot openbaar belang ................................................................... 226 5.8 Bronnen ............................................................................................................................... 227 6 Houtopstanden ......................................................................................................................
229 6.1 Inleiding ............................................................................................................................... 229 6.2 planbeschrijving ................................................................................................................... 229 6.3 Wettelijk kader .................................................................................................................... 229 6.4 Methode .............................................................................................................................. 229 6.5 Boordeling Houtopstanden .................................................................................................. 230 6.5.1 Lingewaard ....................................................................................................................... 230 6.5.2 Nijmegen .......................................................................................................................... 231 6.5.3 Overbetuwe ...................................................................................................................... 237 6.5.4 Neder-Betuwe...................................................................................................................
245 6.5.5 Totaal ................................................................................................................................ 245 6.6 Herplant Houtopstanden...................................................................................................... 246 6.6.1 Herplantlocatie bij het depot (Overbetuwe) ...................................................................... 246 6.6.2 Herplantlocatie Overbetuwe ............................................................................................. 251 6.6.3 Conclusie........................................................................................................................... 252 6.7 Bronnen ............................................................................................................................... 252 7 Kaderrichtlijn water ............................................................................................................... 254 7.1 Inleiding ............................................................................................................................... 254 7.2 planbeschrijving ................................................................................................................... 254 7.3 Wettelijk kader ....................................................................................................................
254 7.4 KRW Toetsing ....................................................................................................................... 254 7.4.1 KRW-waterlichaam Bovenrijn, Waal .................................................................................. 254 7.4.2 Deel 1 toetsingskader (algemeen) ..................................................................................... 258 7.4.3 Deel 3 effecten van fysieke ingrepen ................................................................................. 262 7.5 Bronnen ............................................................................................................................... 264 8 Gelders Natuur Netwerk en Groene Ontwikkelingszone ........................................................ 265 8.1 Inleiding ............................................................................................................................... 265 8.2 Planbeschrijving ................................................................................................................... 265 8.3 Wettelijk kader .................................................................................................................... 265
Natuurtoets pagina 3 van 456
Definitief 10 juli 2020
8.4 Kernkwaliteiten .................................................................................................................... 265 8.4.1 Natuurtypen (GNN) ........................................................................................................... 267 8.4.2 Gebiedsspecifieke kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen............................................... 269 8.5 Effectafbakening .................................................................................................................. 272 8.5.1 Doden ............................................................................................................................... 272 8.5.2 Oppervlakteverlies en versnippering ................................................................................. 272 8.5.3 Vermesting en verzuring door stikstof uit de lucht ............................................................. 273 8.5.4 Verstoring door geluid, licht, trilling en of optische verstoring ........................................... 273 8.5.5 Mechanische verstoring .................................................................................................... 273 8.5.6 Verdroging, vernatting ......................................................................................................
274 8.5.7 Overige effecttypen .......................................................................................................... 275 8.6 Effectbeoordeling................................................................................................................. 275 8.6.1 Oppervlakteverlies ............................................................................................................ 275 8.6.2 Verzuring/vermesting........................................................................................................ 288 8.6.3 Verstoring ......................................................................................................................... 293 8.6.4 Verdroging en vernatting .................................................................................................. 296 8.6.5 Algemene milieucondities ................................................................................................. 302 8.7 Mitigatie, compensatie en conclusie .................................................................................... 302 8.7.1 Mitigatie ........................................................................................................................... 302 8.7.2 Compensatieopgave..........................................................................................................
308 8.7.3 Compensatieplan .............................................................................................................. 310 8.8 Bronnen ............................................................................................................................... 323 9 Conclusie en MER beoordeling (inclusief positieve effecten) ................................................. 324 9.1 Natuur gebruik/ontwerp ...................................................................................................... 324 9.1.1 Beoordeling natuur ........................................................................................................... 324 9.1.2 Instandhoudingsdoelstellingen Wet natuurbescherming ................................................... 325 9.1.3 Beschermde soorten ......................................................................................................... 329 9.1.4 Bomen en houtopstanden ................................................................................................. 330 9.1.5 KRW .................................................................................................................................. 331 9.1.6 Kernkwaliteiten Gelder NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone .............................
331 9.1.7 Rode Lijstsoorten .............................................................................................................. 333 9.2 Natuur aanleg ...................................................................................................................... 334 9.2.1 Beoordeling natuur ........................................................................................................... 334 9.2.2 Instandhoudingsdoelstellingen Wet natuurbescherming ................................................... 335 9.2.3 Beschermde soorten ......................................................................................................... 344 9.2.4 Bomen en houtopstanden ................................................................................................. 349 9.2.5 KRW .................................................................................................................................. 349 9.2.6 Kernkwaliteiten Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone............................ 350 9.2.7 Rode Lijstsoorten .............................................................................................................. 350 9.3 Meerwaarde creëren (positieve effecten) ............................................................................ 351
Natuurtoets pagina 4 van 456
Definitief 10 juli 2020
Bijlage 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
Titel Traject van de dijkversterking Wolferen-Sprok met daarin aangegeven de dijksecties, laad/loslocaties en gronddepots Wettelijk kader Wnb gebiedsbescherming - Natura 2000 Wettelijk kader Wnb soortenbescherming Wettelijk kader houtopstanden Wnb Wettelijk kader houtopstanden grenzen Wettelijk kader houtopstanden APV’s Wettelijk kader KRW Wettelijk kader GNN en GO Rapportage natuurbalans (rapportage als aparte pdf) Realisatiefase geluiduitstraling aspect natuur A4-formaat afbeeldingen van de soortenbeschermingstoets Bijlage 12 A4-formaat afbeeldingen van de houtopstandentoets Bijlage 13 Dijkversterking (gebruiks- en realisatiefase) in relatie tot KRW relevant areaal Bijlage 14 Afname KRW relevant areaal in gebruiksfase en realisatiefase Bijlage 15 Vergunningsvrije activiteiten van ondergeschikt ecologisch belang Bijlage 16 Ruimtebeslag op NNN natuurtypen Bijlage 17 Tabel Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Rijntakken Bijlage 18 Rapportage stikstof landbouwgrond Bijlage 19 Begrippenlijst
Natuurtoets pagina 5 van 456
Pagina 353 355 356 359 362 365 369 370 372 407 420 422 436 439 442 443 449 452 453
Definitief 10 juli 2020
1 Inleiding
1.1 Aanleiding Grote delen van Nederland worden beschermd tegen het water door dijken. De Waterwet schrijft voor dat deze dijken regelmatig worden getoetst op de norm voor waterveiligheid. Als de dijk niet voldoet moeten maatregelen worden uitgevoerd. Jaarlijks worden voor tientallen dijken projecten opgestart om de dijk te versterken. De programmadirectie Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) coördineert, toetst en mede financiert de uitvoering van deze projecten. Het dijktraject Wolferen - Sprok heeft een totale lengte van ongeveer 15 km en ligt aan de noordzijde van de Waal (zie afbeelding 1.1). Het dijktraject is onderdeel van de dijkring Betuwe-, Tieler- en Culemborgerwaarden. Het projectgebied ligt in de provincie Gelderland. De dijkversterking valt grotendeels binnen de gemeenten Nijmegen (Lent en buurtschap Sprok) en Overbetuwe (Slijk-Ewijk, Oosterhout en buurtschappen Loenen en Wolferen). Aan de oostzijde ligt een klein deel, maximaal 300 m, in de gemeente Lingewaard (Bemmel). Aan de westzijde stopt het projectgebied net over de grens met de gemeente Neder-Betuwe (ongeveer 150 m). Aan de noordkant van het plangebied ligt voornamelijk agrarisch gebied en de woonkernen van Lent en Oosterhout. De zuidkant van het plangebied bestaat uit uiterwaard van de Waal.
Het project ‘Dijkversterking Wolferen-Sprok’ heeft betrekking op de versterking van de dijk langs de noordzijde van de Waal tussen Sprok ten oosten van Lent en Wolferen ten westen van de snelweg A50. Het traject kent 2 delen: circa 0,5 kilometer dijk rondom Sprok en circa 12,3 kilometer dijk tussen Lent en Wolferen. Het traject wordt onderbroken door de teruggelegde dijk bij Lent, die buiten de huidige dijkversterking valt. Van het dijktraject is in de 3de veiligheidstoetsing (2006-2011) circa 3,9 km afgekeurd. Gezien de vele ontwikkelingen zoals de nieuwe normering voor waterveiligheid (gewijzigde Waterwet), nieuwe technische inzichten in de faalmechanismen piping en macrostabiliteit en nieuwe inzichten in afvoerstatistieken van de Waal, is er besloten een veiligheidsanalyse uit te voeren om de opgave te actualiseren. Het resultaat van deze veiligheidsanalyse is dat vrijwel het gehele tracé voor één of meerdere faalmechanismen versterkt dient te worden. De beheerder van de waterkering, Waterschap Rivierenland, kreeg daarom van het HWBP de opdracht om de dijk te versterken. Deze versterkingsopgave moet eind 2024 zijn uitgevoerd.
Natuurtoets pagina 6 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 1.1 Dijktraject Wolferen - Sprok (paars)
1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van het ontwerp en de werkzaamheden van de dijkversterking Wolferen-Sprok. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader toegelicht. In hoofdstuk 4 tot en met 8 worden de diverse natuurtoetsen beschreven. Opeenvolgend zijn dit toetsen met betrekking tot Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 4), de Soortenbeschermingstoets (hoofdstuk 5), de houtopstanden beoordeling (hoofdstuk 6), de Kaderrichtlijn water (hoofdstuk 7) en het NatuurNetwerk Nederland (hoofdstuk 8). In hoofdstuk 9 worden de resultaten samengevat.
Natuurtoets pagina 7 van 456
Definitief 10 juli 2020
2 Planbeschrijving
2.1 Dijksecties Het werk is opgedeeld in 17 dijksecties. Het begint bij Sprok met dijksectie 1 en eindigt bij Wolferen met dijksectie 17. Over dit tracé zijn 7 laad-/loslocaties in de Waal aangewezen welke overslag van-/naar het water mogelijk maken. In afbeelding 2.1 zijn de dijksecties gegroepeerd per cluster. Ieder cluster heeft een eigen, gelijknamige laad-/loslocatie welke in de afbeelding met een letter is weergegeven. De cijfers in dezelfde afbeelding geven aan waar tijdelijke gronddepots worden ingericht.
Afbeelding 2.1 Traject van de dijkversterking Wolferen-Sprok met daarin aangegeven de dijksecties, laad/loslocaties en gronddepots (grotere afbeelding in bijlage 1)
2.2 Werkzaamheden De dijkversterking zal over het tracé van de bestaande dijk plaatsvinden . De werkzaamheden binnen Wolferen-Sprok zijn op te delen in het voorkeursalternatief (alternatief wat over het gehele tracé de voorkeur heeft om toe te passen, wordt uitgevoerd middels grondwerk) en de maatwerklocaties (locatie specifieke oplossingen waar het voorkeursalternatief niet mogelijk is, betreft veelal constructieve oplossingen zoals damwanden, keerwanden, en dergelijke) (afbeelding 2.2). In pragraaf 2.2.1 en 2.2.2 zijn de werkzaamheden voor deze beide mogelijkheden grofweg beschreven. 1
1
Uitvoeringsplan, dijkversterking Wolferen-Sprok, 10-02-2020.
Natuurtoets pagina 8 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 2.2 Dijksectieverdeling met daarin de maatwerklocaties (paars)
17 16 15
14 13
12
11
10 9 8 1
7 4
3
2
6
2.2.1 Basisprincipe
Esri Nederland, Community Map Contributors
Het basisprincipe van het voorkeursalternatief is een grondoplossing met een binnenberm, buitenberm en ophoging. Waar nodig worden maatregelen tegen piping genomen, zoals een pipingscherm of een stabiliteitsberm. Het benodigde ruimtebeslag voor de ophoging vindt zo veel mogelijk binnendijks plaats (afbeelding 2.3).
Afbeelding 2.3 Basisprincipe van het voorkeursalternatief
Natuurtoets pagina 9 van 456
Definitief 10 juli 2020
2.2.2 Maatwerklocaties Daar waar het basisprincipe niet mogelijk is, bijvoorbeeld als gevolg van bebouwing binnendijks, worden maatwerkoplossingen toegepast. Maatwerk kan bestaan uit geoptimaliseerde grondoplossingen en/of het toepassen van constructies (stalen damwand, betonwerk) of innovatieve maatregelen (afbeelding 2.4).
Afbeelding 2.4 Op maatwerklocaties zal sprake zijn van dijkversterking buitendijks en een binnendijkse constructie (boven) of een buiten- en binnendijkse constructie met ophoging van de top (onder)
2.3 Tijdelijke voorzieningen Ten behoeve van de uitvoer van de dijkversterking worden tijdelijke voorzieningen ingericht. Rondom iedere dijksectie wordt in principe een strook van rijplaten van 10 m aangehouden. Deze dient als aan- en afvoerroute voor materialen en, langs de dijk, ook deels als werkruimte (afbeelding 2.5). Bij de keuze voor de laad-/los locaties zijn meerdere aspecten overwogen. Voorbeelden zijn het reeds bestaan van aanmeerplaatsen, bestaande landwegen in de uiterwaard gebruiken voor transportroutes, zo kort mogelijke transportroutes om verstoring en uitstoot van stikstof te minimaliseren zijn daar onderdeel van. Het totaal van afwegingspunten is beschreven in het uitvoeringsplan bij het Projectplan Waterwet. Voor het plaatsen van de rijplaten wordt het maaiveld geëgaliseerd om een vlakke en stabiele rijstrook te krijgen. Het kan zijn dat hiervoor zand tijdelijk wordt verwerkt om een vlakke platenbaan te creëren. Zodra een dijksectie is afgerond, wordt de tijdelijke rijplatenbaan rondom de dijk weggehaald en opgeruimd. Zodra een laad-/loslocatie niet meer gebruik wordt, wordt vanzelfsprekend ook de rijplatenbaan naar de laad-/loslocatie opgeruimd. Nadat de rijplaten zijn weggehaald wordt de ondergrond losgewoeld en daarna doorgezaaid zodat de grasmat zich herstelt.
Natuurtoets pagina 10 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 2.5 Schematische weergave van werkstrook en rijstrook die zich aan beide zijden van de dijksecties bevinden
2.4 Materieel Het in te zetten materieel binnen Dijkversterking Wolferen-Sprok bestaat voornamelijk uit grondwerk-materieel: kranen, loaders, bulldozers, dumpers en vrachtwagens. Dit is gangbaar materieel voor dijkversterkingen. Daarnaast worden er voor het asfalteren van de rijbanen ook een asfaltspreidmachine en walsen ingezet. Voor het toepassen van damwanden wordt uitgegaan van het gebruik van een duwstelling. Grondstoffen worden zowel via de Waal (grond), als via de openbare weg (granulaat, asfalt, beton, hout) aangevoerd. Het lossen van de schepen gebeurt over het algemeen (uitzonderingen bij calamiteiten uitgesloten) overdag tussen 06.00 uur en 19.00 uur. Planning De uitvoering van de dijkversterking is gepland voor de periode 2021, 2022, 2023 met uitloop naar 2024 (binnendijks: jaarrond werkzaamheden; buitendijks: werkzaamheden van 1 april t/m 15 oktober). In deze periode zal er gewerkt worden met grondwerk-materieel: kranen, loaders, bulldozers, dumpers, vrachtwagens. Daarnaast wordt er ten behoeve van het asfaltwerk ook een asfaltspreidmachine en walsen ingezet. Voor het toepassen van damwanden wordt een duwstelling ingezet. Ten behoeve van de aan- en afvoer van materiaal worden er (tijdelijk) 7 laad- en loslocaties geconstrueerd die overslag naar en van het water mogelijk maken. De locaties van de laad- en loslocaties zijn weergegeven in afbeelding 1 (A t/m G).
De aard en uitvoering van de laad-/ loslocaties (afmetingen, drijvende locatie zoals ponton of vaste locatie zoals een loswal) is afhankelijk van de locatie. Indien er een bestaande laadlocatie aanwezig is wordt deze benut. Bijvoorbeeld als pontons (mobiel) of een vaste locatie (loswal). Ter plaatse is het noodzakelijk om de Waal op te schonen/te verdiepen om voldoende diepgang voor de schepen te creëren. De verwachte intensiviteit is 1 schip (circa 3.200 ton) per dag per loslocatie. De loslocaties worden na realisatie van de dijk hersteld (verondiept) naar de oorspronkelijke staat.
Natuurtoets pagina 11 van 456
Definitief 10 juli 2020
3 Beschrijving wettelijk kader 3.1 Natura 2000 Voortoets & Passende beoordeling Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) vergunningplichtig (gedetailleerde beschrijving in bijlage 2). Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Voor het dijkversterkingsproject is een Voortoets opgesteld (paragraaf 4.1). Uit deze Voortoets volgen de relevante effecttypen en instandhoudingsdoelen. In de Passende Beoordeling (paragraaf 4.2) wordt onderzocht of significant negatieve effecten op de uit de Voortoets volgende instandhoudingsdoelen uitgesloten kunnen worden. Wanneer dat niet mogelijk is, dan worden mitigerende maatregelen voorgesteld.
3.2 Soortenbescherming In de soortenbeschermingstoets in hoofdstuk 5 wordt bepaald of de dijkversterking leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb voor beschermde soorten. Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en ‘Andere soorten’ (artikel 3.10). Een gedetailleerde uitleg van deze wetten is te vinden in bijlage 3. Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In principe is dan een ontheffing noodzakelijk, tenzij mitigerende maatregelen een overtreding kunnen voorkomen of er een vrijstelling geldt. Indien een overtreding niet voorkomen kan worden en er bestaat geen vrijstelling dan is een ontheffing en mogelijk compenserende maatregelen noodzakelijk.
3.3 Houtopstanden Om de dijkversterking mogelijk te maken, of uit veiligheidsoverwegingen voor de voltooide dijk, dient een aantal bomen gekapt te worden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Witteveen+Bos op 18 en 19 juli 2019 en op 18 februari 2020 een bomeninventarisatie uitgevoerd. In hoofdstuk 6 worden de resultaten van deze inventarisaties beschouwd in het licht van de geldende wet- en regelgeving omtrent bomen. Houtopstanden buiten de bebouwde kom zijn beschermd onder de Wnb (Wnb art. 4). Dit betekent dat houtopstanden in principe niet gekapt mogen worden zonder een melding aan Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie (Wnb art. 4.2).
Natuurtoets pagina 12 van 456
Definitief 10 juli 2020
Met ‘houtopstand’ wordt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen bedoeld. Het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wnb kent een aantal uitzonderingen (Wnb art. 4.1) (gedetailleerde beschrijving in bijlage 4). Het te versterken dijktraject ligt op het grondgebied van de gemeenten Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe en Neder-Betuwe. Omdat de Wnb alleen van toepassing is buiten de bebouwde kom, is van belang waar deze gemeenten die grens hebben vastgesteld. Deze grens is toegelicht in bijlage 5. Ook binnen de bebouwde kom kunnen er houtopstanden beschermd zijn. Deze houtopstanden kunnen bij het dijkversterkingsproject vallen onder de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe of Neder-Betuwe. Voor het kappen van deze houtopstanden is een vergunning nodig, welke aangevraagd kan worden bij de betreffende gemeente. De vergunningsplichtige houtopstanden worden beschreven. In bijlage 6 worden de APV’s beschreven. Daarnaast is in de Omgevingsverordening Gelderland in hoofdstuk 2 het areaal, de samenhang en de kwaliteit van bestaande natuur-, bos- en landschapselementen beschermd. Hiermee worden onder andere heggen, houtwallen, bosjes, … en solitaire bomen bedoeld.
Deze bescherming van houtopstanden valt weliswaar onder de GNN bescherming maar is verder uitgewerkt in het hoofdstuk Houtopstanden (hoofdstuk 6), vanwege de overlap met beschermde Houtopstanden van de Wet natuurbescherming en beschermde houtopstanden via de Algemene Plaatselijke Verordeningen. Kap van bomen kan compensatieplichtig zijn. Voor de APV bomen is dit in de APV vastgelegd. Voor de Wnb bomen is dit vastgelegd in de Wnb en de Provinciale Omgevingsverordening. Voor Wnb bomen geldt in principe een 1 op 1 compensatie. Voor de GNN bomen is er sprake van een toeslag van 66%.
3.4 Kaderrichtlijn water (KRW) Maatregelen in of buiten een KRW-waterlichaam dienen getoetst te worden op negatieve effecten op de waterkwaliteit. Het dijkversterkingsproject mag niet leiden tot significante achteruitgang van de waterkwaliteit van het hele waterlichaam Bovenrijn, Waal en mag geen negatief effect hebben op de omvang van geplande of reeds uitgevoerde KRW-maatregelen. Bij significante achteruitgang van de waterkwaliteit dienen mitigerende en compenserende maatregelen genomen te worden. Een gedetailleerde uitleg over de KRW is te vinden in bijlage 7. Hoofdstuk 7 over de KRW is opgesteld ten behoeve van de aan te vragen waterwetvergunning, het m.e.r. en bestemmingsplanprocedures. De beoordeling van een effect van eventuele emissies van stoffen (emissie-immissietoets) is in deze notitie niet behandeld (Deel 2 van het toetsingskader), omdat er tijdens en na aanleg geen sprake is van lozingen of uitlogingen.
3.5 NatuurNetwerk Nederland (NNN) Het NNN is een netwerk van grote en kleine beschermde natuurgebieden en verbindingszones waarin de natuur voorrang heeft en wordt beschermd. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt het rijksbeleid ten aanzien van het NNN kort uiteengezet [lit.3, paragraaf 3.6].
Natuurtoets pagina 13 van 456
Definitief 10 juli 2020
De juridische borging van het NNN vindt deels plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin worden regels gegeven met betrekking tot de begrenzing, het beschermingsregime en de wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied. De invulling van de regels uit het Barro is echter gedecentraliseerd en ligt in de handen van de verschillende provincies. Ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN aantasten, kunnen alleen doorgang vinden wanneer sprake is van een groot openbaar belang, als er geen reële alternatieven zijn en wanneer negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en gecompenseerd. Dit is het zogeheten ‘nee, tenzij principe’. In hoofdstuk 8 wordt de dijkversterking getoetst aan het ‘nee, tenzij principe’ en wordt de compensatieopgave en benodigde mitigerende en/of compenserende maatregelen vastgesteld. Het provinciaal beleid met betrekking tot het NNN binnen Gelderland is in de Omgevingsvisie Gelderland [lit. 1, paragraaf 3.6] opgenomen. Hierin is het NNN binnen Gelderland opnieuw gedefinieerd als het Gelders NatuurNetwerk (GNN). De gebieden die nog niet als natuur zijn ingericht in de voormalige Ecologische Hoofdstructuur heet nu de Groene Ontwikkelingszone (GO). De ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ zijn vertaald in ‘kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen’.
De juridische uitwerking van het beleid in het kader van het GNN/GO is opgenomen in de Omgevingsverordening [lit. 2, paragraaf 3.6]. Het GNN bestaat uit de voormalige gronden binnen de Ecologische Hoofdstructuur en zoekgebieden voor nog te realiseren natuur. In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. De GO bestaat daarentegen uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. De Ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Enkele weidevogelreservaten maken deel uit van het GNN. Door de samenhang met de aangrenzende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Een gedetailleerde beschrijving van de GNN en GO is te vinden in bijlage 8.
3.6 Bronnen 1 structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, maart 2012; 2 omgevingsvisie Gaaf Gelderland, 19 december 2018; 3 Mahler 2004. Nutrients plants require for growth. CIS1124 Publishing University of Idaho College of Agricultural and Life Sciences.
Natuurtoets pagina 14 van 456
Definitief 10 juli 2020
4 Natura 2000
4.1 Voortoets 4.1.1 Inleiding Een inleiding van het project is beschreven in hoofdstuk 1.
4.1.2 Planbeschrijving De planbeschrijving van het project is beschreven in hoofdstuk 2.
4.1.3 Wettelijk kader Het wettelijk kader van de Voortoets is beschreven in paragraaf 3.1.
4.1.4 Beschermde gebieden en Instandhoudingsdoelen In de omgeving bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden. Dit zijn: Rijntakken (grenst direct aan projectgebied), Veluwe (op 8 km afstand), De Bruuk (op 12 km afstand) en Sint Jansberg (op 12 km afstand). De ligging van deze gebieden is in afbeelding 4.1 weergegeven. Het gehele projectgebied bevindt zich langs de noordelijke grens van Natura 2000-gebied Rijntakken (afbeelding 4.1). De Wet Natuurbescherming - Natura 2000 heeft dus betrekking op alle dijksecties. Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat uit meerdere deelgebieden, het projectgebied heeft betrekking op twee deelgebieden. Deelgebied ‘Gelderse Poort’ ligt ten oosten van Lent en is Vogelen Habitatrichtlijngebied. Deelgebied ‘Uiterwaarden Waal’ ligt ten westen van Lent en is Vogelrichtlijngebied.
Natuurtoets pagina 15 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 4.1 Ligging projectgebied (roze) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden
4.1.4.1 Natura 2000-gebied Rijntakken Hieronder volgt de gebiedsbeschrijving van de relevante deelgebieden van Natura 2000-Rijntakken. Ook zijn de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied opgenomen. Status Natura 2000-gebied Rijntakken is op 23 april 2014 door de staatssecretaris van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het beheer ligt voornamelijk bij de provincie Gelderland. Gebiedsbeschrijving Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat uit vier deelgebieden; Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal. Zoals in paragraaf 4.1.4 beschreven, heeft de dijkversterking Wolferen - Sprok betrekking op deelgebieden Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal. Hieronder volgt de gebiedsbeschrijving van deze deelgebieden. Gelderse Poort Het deelgebied Gelderse Poort is het begin van de Rijndelta, de Rijn stroomt hier door een stuwwal Nederland binnen. Het is een rivierenlandschap met veel gradiënten tussen de Duitse grens en de steden Arnhem en Nijmegen. Het gebied ontstond rond 10.000 voor Christus toen de Rijn een loop koos ten zuiden van het Montferland en de stuwwal tussen Montferland en Nijmegen doorbrak. Delen van het gebied, waaronder het Rijnstrangengebied, ontvangen vanuit de restanten van de stuwwal kwelwater. Het gebied maakt deel uit van het grensoverschrijdende gebied Gelderse Poort.
Het vormt, met de IJssel, een ecologische verbinding tussen natuurgebieden in Duitsland, de Randmeren en de moerasgebieden van Noordwest Overijssel en Friesland en de Neder-Rijn en Waal een verbinding tussen deze Duitse gebieden en de delta.
Natuurtoets pagina 16 van 456
Definitief 10 juli 2020
De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. Het rivierenlandschap bestaat uit hoogdynamische gebieden in het winterbed van de rivier en laagdynamische moerasachtige strangen binnendijks. In perioden met hoge afvoer moet al het Rijnwater via de vertakkingen in Rijn, via Pannerdens Kanaal en Waal worden afgevoerd. Met name in perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt' de rivier het landschap. In de uiterwaarden bevinden zich gevarieerde natuurgebieden als de Bemmelse Waard, de Gendtse Waard, de Oude Waal en de Millingerwaard (langs de Waal), en de Lobberdense Waard en de Huissense Waarden (langs de Rijn). In de splitsing van Rijn en Waal ligt de Klompenwaard. De uiterwaarden zijn breed, er komen, zandafzettingen op de oever en uitgravingen tot (diep) water voor. Ze bestaan grotendeels uit open water, moerassen, ruigten, wilgenbos en diverse typen grasland. Op hooggelegen stroomruggen en oeverwallen komen stroomdalgraslanden, glanshaverhooilanden en lokaal ook hardhoutooibossen voor. Binnendijks liggen de Oude Rijnstrangen ten oosten van het Pannerdensch Kanaal die bestaan uit een complex van gedeeltelijk verlande stroombeddingen en meanderrichels van de Rijn. In het reliëfrijke landschap liggen graslanden, akkers, (moeras)bosjes, moerassen, rietvelden en open water.
Het gemaal Kandia, gebouwd in 1968, verminderde de doorstroming en verlaagde het waterpeil. De sedimentatie van slib nam daardoor toe. De fluctuatie in waterstanden nam daardoor sterk af en sommige strangen vielen droog. Een ander binnendijks gebied is Groenlanden ten oosten van Nijmegen met een soortgelijke variatie in vegetatiestructuren en dalende grondwaterpeilen. Het binnendijkse polderlandschap bestaat voornamelijk uit graslanden, akkers, kleine waterlopen, rietlanden en moerasbos; ook hier bevinden zich enkele oude rivierlopen en tichelterreinen [lit. 2]. Uiterwaarden Waal Het deelgebied Uiterwaarden Waal omvatten het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee derde van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Rijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt' de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoogdynamisch winterbed.
De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning. In het westelijk deel van het gebied liggen de Rijswaard en de Kil van Hurwenen met oude riviermeanders, aangrenzende oeverlanden en stroomruggen. Daarnaast liggen er enkele grote plassen, die ontstaan zijn door zand- en kleiwinning. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding plaatsvindt [lit. 2]. Instandhoudingsdoelen In het aanwijzingsbesluit, wijzigingsbesluit en ontwerp-wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken zijn habitattypen, habitatsoorten en broedvogels opgenomen waarvoor een instandhoudingsdoel geldt. In de tabel, opgenomen als Bijlage 17, zijn de habitattypen, -soorten en vogels met hun bijbehorende instandhoudingsdoelen vermeld voor dit Natura 2000-gebied. Het ontwerp-wijzigingsbesluit is nog niet definitief vastgesteld, maar volledigheidshalve worden deze instandhoudingsdoelstellingen wel vast beschreven.
Natuurtoets pagina 17 van 456
Definitief 10 juli 2020
Habitattypen In tabel 4.1 zijn de relevante habitattypen voor het projectgebied vermeld en in afbeelding 4.2 is de ligging van deze habitattypen weergegeven. De dijksecties 1, 2, 3 en 4 liggen deels in het Habitatrichtlijngebied van Rijntakken, de overige dijksecties liggen buiten het Habitatrichtlijngebied. Binnen het ruimtebeslag van dijksecties 1, 2, 3 en 4 liggen geen habitattypen. Op enkele tientallen meters van dijksectie 4 ligt één habitattype met een instandhoudingsdoelstelling: Slikkige rivieroevers. Dit is voor het projectgebied het meest dichtbij gelegen habitattype. Op iets grotere afstand van het projectgebied, maar binnen het studiegebied, komen de habitattypen Slikkige rivieroevers, Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) en Glanshaver- vossenstaarthooilanden (glanshaver) voor. Daarnaast zijn er in het studiegebied zoekgebieden voor de ontwikkeling van twee habitattypen aanwezig. Binnen het studiegebied aan de overzijde van de Waal, ter hoogte van dijksecties 12 t/m 17 (op circa 500 à 1.000 meter afstand) ligt eveneens habitatrichtlijngebied, in de zuidelijke uiterwaarden. Hier zijn de habitattypen Stroomdalgrasland, Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) en Glanshaver- vossenstaarthooilanden (glanshaver) aanwezig. Ook hier is zoekgebied voor de ontwikkeling van habitattypen aanwezig.
In het studiegebied zijn geen andere habitattypen van Natura 2000-gebied Rijntakken met een instandhoudingsdoel aanwezig.
Tabel 4.1 Aanwezige habitattypen in het studiegebied met de dijksecties meest nabij Habitattypen H3150
meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
-
Doelst. Opp.vl. >
H3270
slikkige rivieroevers
-
>
>
1 t/m 4 en overzijde Waal ter hoogte van 12 t/m 17
H6120*
stroomdalgraslanden*
--
>
>
H6430A
ruigten en zomen (moerasspirea)
+
=
=
overzijde Waal ter hoogte van 12 t/m 17 1 t/m 4
H6510A
glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
H91E0A*
vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)* vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)
H91E0B
SVI Landelijk
Doelst. Kwal. >
Dijksecties(s) 1 t/m 4
1 t/m 4 en overzijde Waal ter hoogte van 12 t/m 17 -
=
>
--
>
>
1 t/m 4 en overzijde Waal ter hoogte van 12 t/m 17
*= Prioritair habitattype.
Afbeelding 4.2 Ligging habitattypen in Habitatrichtlijngebied nabij projectgebied (grijze delen betreffen het Habitatrichtlijngebied), met twee detailweergaven ter hoogte van Sprok (middelste afbeelding) en ter hoogte van Wolferen (onderste afbeelding)
Natuurtoets pagina 18 van 456
Definitief 10 juli 2020
Natuurtoets pagina 19 van 456
Definitief 10 juli 2020
Habitatrichtlijnsoorten De dijksecties 1, 2, 3 en 4 liggen deels in het Habitatrichtlijngebied van het Natura 2000-gebied Rijntakken, de overige dijksecties liggen buiten Habitatrichtlijngebied (maar wel bij en deels in het Vogelrichtlijngebied). In de beoordeling van externe effecten op HR-soorten worden die dijksecties 6 tot en met 17 in het kader van externe werking onderzocht. Hiermee wordt bijvoorbeeld eventueel aanwezig leefgebied van bever buiten het HR-gebied, maar binnen VR-gebied en binnen Natura 2000-gebied Rijntakken mee geduid. Voor kamsalamander is er echter sprake van een bijzondere situatie. In het aanwijzingsbesluit staat ‘De verbindingen tussen de populaties langs de Waal, NederRijn en IJssel zijn belangrijk.’. In het beheerplan Rijntakken is hierover bevestigd dat ‘Een goede instandhouding van de kamsalamander is alleen mogelijk wanneer naast behoud en uitbreiding van het leefgebied in HR-gebied ook het leefgebied in delen van het VR-gebied (en zelfs buiten het Natura 2000 gebied) wordt behouden en versterkt.’. Voor de HR soort kamsalamander wordt om deze reden effecten op het leefgebied van bekende populaties kamsalamander binnen het VR-gebied niet als externe werking gezien maar als ‘normaal’ effect.
Geschikt biotoop
Het Habitatrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied Rijntakken is voor meerdere habitatrichtlijnsoorten aangewezen. Sommige soorten hebben leefgebied in de Waal, dit zijn zeeprik, rivierprik, elft, zalm en rivierdonderpad. Zeeprik, rivierprik, elft en zalm zijn qua leefgebied beperkt tot het zomerbed en de kribvakken van de Waal. Deze soorten zijn relevant voor de locaties waar losplaatsen gepland zijn. Rivierdonderpad is niet gebonden aan de kribvakken en kan ook in wateren buiten de kribvakken en zomerbed voorkomen.
Natuurtoets pagina 20 van 456
Definitief 10 juli 2020
Grote- en kleine modderkruiper, bittervoorn en kamsalamander maken gebruik van vergelijkbaar biotoop; langzaam stromend tot stilstaand water dat rijk aan waterplanten is [lit. 3]. Voor de bittervoorn is de aanwezigheid van zoetwatermosselen essentieel. Deze laatste vier genoemde soorten en rivierdonderpad kunnen voorkomen in plassen in de uiterwaard en in (dijk)sloten en dus binnen het projectgebied. Dit biotoop is op verschillende plaatsen bij het dijktracé aanwezig. Geschikt leefgebied voor de bever bestaat uit begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout. Een biotoop zoals beschreven ligt bij Loenen en Oosterhout dicht langs het dijktracé, en is daarnaast in zo goed als het hele studiegebied in meer of mindere mate aanwezig. Meervleermuizen verblijven voornamelijk in bebouwing vanwaar ze gebruikmakend van lengtestructuren in het landschap migreren naar foerageergebieden boven open water [lit. 4]. Binnen de begrenzing van Habitatrichtlijngebied rondom het projectgebied bevindt zich geen bebouwing, maar foerageergebieden kunnen ook wel het Natura 2000-gebied liggen. Meervleermuizen kunnen de dijk gebruiken als vliegroute. Dit heeft op alle dijksecties betrekking. Meervleermuizen kunnen zowel buiten- als binnendijks boven plassen en sloten foerageren.
Vogelrichtlijnsoorten - Broedvogels In Bijlage 17 zijn alle broedvogels met een instandhoudingsdoel voor Natura 2000-gebied Rijntakken opgenomen. Voor al deze soorten is in de wijdere omgeving van het project potentieel geschikt broedhabitat aanwezig. Het gaat dan om broedvogelsoorten van water en moeras, moeras en riet, (extensief) beheerde (vochtige) graslanden waaronder uiterwaarden en steile zandige wanden. Er zijn geen instandhoudingsdoelen voor vogels van heidevegetaties, boomgroepen, gesloten bos en bebouwing. Geschikt biotoop
Er zijn binnen Rijntakken instandhoudingdoelen voor twaalf broedvogelsoorten. Dit zijn aalscholver, dodaars, roerdomp, woudaap, porseleinhoen, kwartelkoning, watersnip, zwarte stern, ijsvogel, oeverzwaluw, blauwborst en grote karekiet. Zie Bijlage 17. Aalscholvers kunnen zowel in bomen als op de grond broeden nabij visrijke wateren. Dit biotoop is langs het projectgebied op verschillende plaatsen aanwezig. Voor dodaars, roerdomp en woudaapje is in het studiegebied geen optimaal broedbiotoop aanwezig; stilstaand of langzaam stromend ondiep water met een dichte, uitgestrekte vegetatie van liefst overjarig (water)riet en met riet omzoomde oevers van zoetwatermeren en plassen, moerassen met open water en overgangen tussen dichte riet- of lisdoddenvegetatie en verspreide opslag ontbreekt. Wel zijn er kleinere oppervlaktes met riet- en of moerasvegetatie aanwezig. De soorten porseleinhoen, kwartelkoning, watersnip, zwarte stern en blauwborst zijn soorten die broedbiotoop hebben in onder andere gras- en rietland, met voorkeur voor natte gebieden. Voor deze soorten komt in meerdere of mindere mate geschikt broedbiotoop voor langs het gehele dijktraject. IJsvogel en oeverzwaluw vinden langs het gehele dijktraject geschikte broedplekken, waarbij ze de voorkeur hebben voor steile oeverwanden, afgravingen of tussen boomwortels.
Omdat voor alle broedvogels min of meer potentieel geschikt biotoop aanwezig is langs het dijktraject zullen deze soorten in hoofdstuk 5 nader beoordeeld worden. Vogelrichtlijnsoorten - Niet-broedvogels Voor Natura 2000-gebied Rijntakken zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor de leefgebieden van 26 niet-broedvogelsoorten. Dit zijn viseters als fuut en aalscholver, graseters (kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smienten), andere watervogels
Natuurtoets pagina 21 van 456
Definitief 10 juli 2020
(bergeend, krakeend, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, tafeleend, kuifeend, nonnetje, meerkoet) en verschillende weidevogelsoorten (scholekster, goudplevier, kemphaan, kievit, grutto, wulp en tureluur). Zie Bijlage 17. Geschikt biotoop
De uiterwaardgebieden binnen het onderzoeksgebied hebben door de aanwezige vegetaties van voornamelijk agrarisch grasland, ruigten en wielen, voor alle niet-broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoel potentieel geschikt biotoop.
4.1.4.2 Overige Natura 2000-gebieden In de omgeving van het projectgebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden. Zie afbeelding 4.1. De afstanden tot het projectgebied zijn relatief groot: de Veluwe is op acht kilometer afstand het meest nabij gelegen. De reikwijdte van de verschillende effecten verschilt. Voor de bepaling welke Natura 2000-gebieden relevant zijn is in principe het verst reikende effect van belang. Dit is stikstofdepositie. Stikstofdepositie is het effect dat potentieel het verst kan reiken. Uit de berekening voor stikstofdepositie blijkt dat er sprake is van een bijdrage in meerdere gebieden die op grote afstand van het projectgebied liggen. Deze gebieden zijn daarmee voor het effect stikstofdepositie allemaal relevant (maar worden in de voortoets niet separaat voor stikstof beschreven). Andere effecttypen treden op veel minder grote afstanden op. Hierna wordt voor de drie meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden beschreven of er effecten op kunnen treden als gevolg van de dijkversterking. Voor de overige effecttypen geldt het volgende: Optische verstoring treedt op door voorwerpen of mensen die van nature niet thuishoren in een gebied. Optische verstoring kan als gevolg van activiteiten op land voor vogels niet verder dan 3.500 meter reiken [lit. 11].