CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

14. Bijlage bij de toelichting deel 2d

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling paraplubestemmingsplan Nijmegen Dijkversterking Wolferen - Sprok (27/2021) (STEMSTUK)29.138 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Natuurtoets pagina 51 van 456

Definitief 10 juli 2020

De anti-bevervoorziening wordt in de zuidoostelijke oever gerealiseerd. Op de zuidoostelijke oever stond ten tijde van het veldonderzoek een wilgenopslag, echter is deze niet continue aanwezig. Het wordt regelmatig weggehaald [lit. 3, paragraaf 5.7] en daarnaast is er een visvereniging actief op de plas en deze zitten dan aan deze oever. Ten tijde van het veldonderzoek was er wel wilgenopslag aanwezig, maar zijn geen sporen van bever gevonden. Dit leidt samen tot de conclusie dat de zuidoostelijke oever geen essentieel foerageergebied voor bever is. Bever kan hier incidenteel foerageren, maar is er voor het voortbestaan van het territorium niet van afhankelijk. De begroeiing langs de overige oevers (waar wel sporen van bever zijn gevonden) bestaat uit een speelbos tot in het water en een houtopstand met voornamelijk dikke wilgen. Een speelbos is zodanig verstorend dat aanwezigheid van bever daar niet waarschijnlijk is. Hier is dan ook enkel een oude vervallen burcht waargenomen. Omdat de burcht vervallen is, kan veilig aangenomen worden dat deze niet in gebruik is. De houtopstand in de zuidwestelijke hoek van de plas bestaat uit dikke wilgen en is daardoor tevens niet uitermate geschikt voor bever. Dit is omdat de takken die als voedsel voor bever kunnen dienen vanaf circa 1 meter hoogte in de wilg groeien en dus niet makkelijk bereikbaar zijn voor bever.

Hier is een andere oude verblijfplaats bij hoogwater (hol) aangetroffen. Het hol kan wel in gebruik zijn of weer in gebruik genomen worden. Ondanks dat er geen wissels zijn waargenomen, is het namelijk wel mogelijk dat bevers vanuit de Waal en de uiterwaarden de dijk oversteken om (bijvoorbeeld met hoog water) het hol te gebruiken. Uit de gegevens blijkt dat de plas niet (meer) uitermate geschikt is voor bever, en in ieder geval geen essentieel leefgebied is. De houtopstanden waar waarnemingen van bever gedaan zijn, worden door de werkzaamheden niet aangetast. De zuidoostelijke oever met de wilgenopslag is geen belangrijk leefgebied voor bever. Bovendien kunnen wilgen na de werkzaamheden in relatief korte tijd weer op de oever terugkomen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat ruimtebeslag op de wilgenopslag en de anti-graafvoorziening op de zuidoostelijke oever van de plas niet leidt tot een negatief effect. Er is daarom geen sprake van een overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb ondanks (tijdelijke) aantasting van mogelijk leefgebied in de buurt van een verblijfplaats.

Omdat er binnen het projectgebied geen verblijfplaatsen zijn, bevers schuwe dieren zijn die bij verstoring al gauw vluchten en bovendien overdag (dus tijdens het grootste deel van de werkzaamheden) in hun verblijfplaatsen rusten, is het doden van individuen door een directe oorzaak (ongeluk met materieel), en dus een overtreding van artikel 3.5 lid 1 Wnb, uitgesloten. Hoewel er gedurende het onderzoek in 2019 geen actieve beversporen zijn aangetroffen, zou bever voor de uitvoering begint nog gebruik kunnen gaan maken van het hol. Indien bever voor de werkzaamheden gebruik gaat maken van de plas kan deze als het ware hierin ‘opgesloten’ raken door de werkzaamheden. ‘Opsluiting’ in de plas kan tot sterfte leiden wanneer bevers hun leef- of foerageergebied voor langere tijd niet meer kunnen bereiken. Daarom is het van belang dat eventueel aanwezige bevers in de plas of in het hol de dijk kunnen blijven oversteken. Anders worden deze dieren als het ware opgesloten in de binnendijkse plas wat alsnog tot sterfte kan leiden (overtreding artikel 3.5 lid 1 Wnb). Om dit te vermijden worden mitigerende maatregelen genomen.

Tijdelijke effecten De effecten van verstoring reiken verder dan het ruimtebeslag. Een deel van de plas waar waarnemingen zijn gedaan, ligt binnen 50 meter van de werkzaamheden. De andere oude verblijfplaats bij hoog water (hol) ligt op circa 70 meter van de werkzaamheden. De burcht ligt op iets grotere afstand maar is vervallen en onbewoond, en wordt derhalve niet verder beoordeeld. Ter hoogte van de plas wordt grondverzet uitgevoerd en worden damwanden ingetrild.

Natuurtoets pagina 52 van 456

Definitief 10 juli 2020

Trillingen reiken tot circa 50 m van de bron. De oude verblijfplaats ligt buiten die verstoringscontour, namelijk op circa 70 m. Er vindt dus geen verstoring van bever in de verblijfplaats door trilling plaats. Op 70 meter afstand is de geluidsbelasting van het intrillen van damwanden nog 60 dB(A) [lit. 5, paragraaf 5.7]. Er zijn geen verstoringscontouren van geluid voor bever bekend. Het is echter geen uitzondering om beverburchten waar te nemen in de buurt van grote verstoringsbronnen zoals snelwegen. Over het algemeen zijn beverburchten nog in gebieden met een geluidbelasting van 60dB(A) aanwezig [lit. 6, 7, paragraaf 5.7]. Ook ter plaatse van de meeste waarnemingen in en nabij het plangebied (holen, vervallen burchten, burchten in aanbouw en sporen) is de geluidsbelasting 5560dB(A) [lit. 7]. Derhalve wordt een verstoringsgrens van 60 dB(A) aangenomen voor bever. Als de geluidsbelasting van het intrillen van damwanden op 70 meter afstand nog 60dB(A) is, betekent dat dat geluidsverstoring optreedt tot in het leefgebied van bever (afbeelding 5.9). Verstoring van bever door geluid is op basis hiervan niet uitgesloten, dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb.

Hoewel het grootste deel van de werkzaamheden plaatsvinden wanneer bever in de verblijfplaatsen zit (en dus boven water), is er mogelijk een kleine periode per dag dat er werkzaamheden plaatsvinden wanneer bevers actief zijn en zich in het water bevinden. Tussen de geluidsbron (de werkzaamheden) en de verblijfplaatsen is water aanwezig. In principe verplaatst geluid zich in water sneller dan in lucht en zou op het eerste gezicht gedacht kunnen worden dat de verstoringscontour voor dieren die in water leven vergroot wordt bij aanwezigheid van water. Dit is echter niet het geval. Uit onderzoek blijkt dat er nauwelijks overdracht van geluid van lucht naar water plaatsvindt [lit. 27]. Het geluid van de werkzaamheden ontstaat in lucht, en dus is de aanwezigheid van de plas geen factor in de verstoringscontour voor de verblijfplaatsen. Tevens blijkt hieruit dat bevers in het water geen overlast ondervinden van de werkzaamheden. Dit levert dus geen verstoring op.

Natuurtoets pagina 53 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.9 Geluidscontour van 60dB(A) bij bever in dijksecties 2 en 3

De verstoring door de werkzaamheden is tijdelijk van aard en de binnendijkse plas is geen uiterst belangrijk deel van het territorium vanwege de matige geschiktheid (zie ook het kopje ‘permanente effecten’ hiervoor). De werkzaamheden vinden langs de rand van het leefgebied van bever plaats. Het binnendijkse deel van het territorium betreft de uiterste rand. Verstoring van de werkzaamheden versnippert het leefgebied dus nagenoeg niet. Daarmee kan aangenomen worden dat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn in de rest (het buitendijkse deel) van het territorium van bever. De beverfamilie kan in hun eigen territorium blijven. Mitigatie en herbeoordeling De overtredingen die genoemd zijn onder de kopjes ‘permanente effecten’ en ‘tijdelijke effecten’ hiervoor zijn te voorkomen. De overtreding van artikel 3.5 lid 1 Wnb (doden van individuen) tijdens de werkzaamheden wordt voorkomen door ervoor te zorgen dat gedurende het gehele jaar, in de actieve periode van bevers (tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopkomst) ruime doorgangen tussen de werkzaamheden door aanwezig zijn. Als er hekken worden geplaatst dienen hierin voor bever geschikte openingen aanwezig te zijn. Deze openingen bevinden zich over de lengte van de plas. Daarnaast dient er gedurende de actieve periode geen werkzaamheden, licht of ander geluid aanwezig te zijn bij deze openingen.

Dit maakt dat bever de dijk kan blijven oversteken en er geen individuen ‘gevangen’ worden in de binnendijkse plas. Hierdoor wordt voorkomen dat bevers opgesloten worden in de plas en individuen gedood worden, waardoor een overtreding van artikel 3.5 lid 1 van de Wnb voorkomen wordt. Met inachtname van deze maatregelen zijn tijdens de werkzaamheden geen bevers aanwezig die verstoord kunnen worden, waardoor een overtreding van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb tevens uitgesloten is.

Natuurtoets pagina 54 van 456

Definitief 10 juli 2020

Tijdelijke voorzieningen In de plas waar bever aanwezig is, worden geen tijdelijke voorzieningen zoals werkwegen of laad/loslocaties aangebracht. Hier zijn dus geen aanvullende effecten te verwachten. Buitendijks zijn deze tijdelijke voorzieningen er wel, in de vorm van een 10m brede werkstrook van rijplaten langs de dijk, een loslocatie en een depot. De loslocatie en het depot liggen direct aan de dijk, aan de andere kant van de plas. Deze kant van de dijk is geen essentieel leefgebied voor bevers. Er is op deze locatie geen voedsel te vinden. Ze gebruiken het talud van de dijk waarschijnlijk om tussen de IJssel en de plas te bewegen. Echter, zoals hierboven bij ‘mitigatie en compensatie’ is beschreven, wordt ervoor gezorgd dat bever de dijk kan blijven oversteken. De locatie van de tijdelijke voorzieningen zorgt daarmee niet meer voor een mogelijke barrière. Het realiseren van de depot en loslocatie zal niet zorgen voor een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb

Dijksectie 6 Bever is aanwezig in de wateren rondom het fort. Hier zijn verschillende holen gevonden en is één individu gezien. Tevens zijn er sporen waargenomen. De waarnemingen zijn weergegeven op afbeelding 5.10.

Afbeelding 5.10 Waarnemingen bever of beversporen binnendijks bij dijksectie 6

Natuurtoets pagina 55 van 456

Definitief 10 juli 2020

Permanente effecten Er is permanent ruimtebeslag op leefgebied van de aanwezige bevers. Binnen de werkgrens is namelijk een hol aanwezig. Dit hol ligt dan wel buiten het ontwerp van de dijk, maar er komt een transportroute overheen te liggen. Dit leidt tot het ongeschikt maken van een vaste rust- of verblijfplaats en daarmee een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wnb. Als één of enkele holen in een territorium van bever tijdelijk ongeschikt wordt voor bever, leidt dit niet tot een afname van de gunstige staat van instandhouding van bever. Voor de overtreding van de Wnb is dan geen compensatie nodig. Een ontheffing is wel vereist. Omdat in het water rondom het fort alleen al binnen het onderzochte deel meerdere holen aanwezig zijn, leidt de vernietiging van één van deze holen niet tot negatief effect op de beverfamilie of tot een afname van de gunstige staat van instandhouding van bever. Mitigerende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat individuen worden gedood tijdens het vernietigen. Voor het hol vernietigd wordt, wordt deze geïnspecteerd op aanwezigheid van bever. Hiermee wordt opzettelijk doden voorkomen.

Omdat bevers schuwe dieren zijn die bij verstoring al gauw vluchten en bovendien overdag (dus tijdens het grootste deel van de werkzaamheden) in hun verblijfplaatsen rusten, is het doden van individuen, en dus een overtreding van artikel 3.5 lid 1 Wnb, uitgesloten. Wel is het van belang dat aanwezige bevers in de plas de dijk over kunnen oversteken. Anders zijn deze dieren als het ware opgesloten in de binnendijkse plas wat alsnog tot sterfte en een overtreding van artikel 3.5 lid 1 Wnb kan leiden. Om dit te vermijden worden mitigerende maatregelen genomen.

Tijdelijke effecten De effecten van verstoring reiken verder dan het ruimtebeslag. Het leefgebied met holen van de aanwezige bevers ligt op circa 5 meter van het plaatsen van de damwand en het realiseren van het talud. Eén hol ligt binnen de werkgrens, maar dit hol verdwijnt door de aanleg van een transportroute en is bij permanente effecten reeds beoordeeld. Ter hoogte van de plas wordt grondverzet uitgevoerd en worden damwanden ingetrild. Op 70 meter afstand is de geluidsbelasting van het intrillen van damwanden nog 60 dB(A) [lit. 5, paragraaf 5.7]. De trillingen zelf reiken tot circa 50 meter vanaf de bron. Voor bever wordt voor geluid een verstoringsgrens van 60 dB(A) aangenomen (zie de beoordeling van dijksectie 2 en 3). Als de geluidsbelasting van het intrillen van damwanden op 70 m afstand nog 60dB(A) is, betekent dat dat geluidsverstoring optreedt tot in het leefgebied en tot bij de holen van bever (afbeelding 5.11) Ook verstoring door trilling is niet uitgesloten aangezien trilling tot 50 m van de bron reikt.

Natuurtoets pagina 56 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.11 Geluidscontour van 60dB(A) bij bever in dijksectie 6

Verstoring van bever is dus niet uitgesloten, dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb. Tevens worden de holen mogelijk aangetast in de functionaliteit. Een hol is een rustplaats in de zin van de Wnb, en aantasting is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb. Bevers maken echter gebruik van meerdere holen in hun leefgebied en maken relatief snel nieuwe als bestaande holen minder geschikt worden. Bovendien is de verstoring door de werkzaamheden tijdelijk van aard en kunnen bevers een uitvlucht zoeken aan de andere zijde van het fort of aan de buitendijkse zijde van het territorium. Hier is de geluidsbelasting minder dan 50dB(A) op basis van de afstand tot het intrillen (200 m). De werkelijke geluidsbelasting zal minder zijn omdat het forteiland als buffer dient. Als één of enkele holen in een territorium van bever tijdelijk ongeschikt wordt voor bever, leidt dit niet tot een afname van de gunstige staat van instandhouding van bever. De werkzaamheden vinden langs de rand van het leefgebied van bever plaats. Het binnendijkse deel van het territorium betreft de uiterste rand. Verstoring van de werkzaamheden versnippert het leefgebied dus nagenoeg niet. Daarmee kan aangenomen worden dat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn in de rest (het buitendijkse deel) van het territorium van bever. Beverfamilies kunnen in hun eigen territorium blijven.

Voor de overtreding van de Wnb is daarom geen compensatie nodig. Wel is een ontheffing vereist. Hoewel het grootste deel van de werkzaamheden plaatsvinden wanneer bever in de verblijfplaatsen zit (en dus boven water), is er mogelijk een kleine periode per dag dat er werkzaamheden plaatsvinden wanneer bevers actief zijn en zich in het water bevinden. Tussen de geluidsbron (de werkzaamheden) en de meeste verblijfplaatsen is water aanwezig.

Natuurtoets pagina 57 van 456

Definitief 10 juli 2020

In principe verplaatst geluid zich in water sneller dan in lucht en zou op het eerste gezicht gedacht kunnen worden dat de verstoringscontour voor dieren die in water leven vergroot wordt bij aanwezigheid van water. Dit is echter niet het geval. Uit onderzoek blijkt dat er nauwelijks overdracht van geluid van lucht naar water plaatsvindt [lit. 27]. Het geluid van de werkzaamheden ontstaat in lucht, en dus is de aanwezigheid van de plas geen factor in de verstoringscontour voor de verblijfplaatsen. Tevens blijkt hieruit dat bevers in het water geen overlast ondervinden van de werkzaamheden. Dit levert dus geen verstoring op. Mitigatie en herbeoordeling De overtredingen die genoemd zijn onder de kopjes ‘permanente negatieve effecten’ en ‘tijdelijke negatieve effecten’ zijn te voorkomen. Voor de overtreding van artikel 3.5 lid 1 van de Wnb (doden van individuen) tijdens de werkzaamheden is het van belang dat, gedurende het gehele jaar, in de actieve periode van bevers (tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopkomst) ruime doorgangen tussen de werkzaamheden door en zijn er in eventueel te plaatsen hekken openingen aanwezig. Deze openingen bevinden zich over een lengte van 100 m langs het fort. Daarnaast dient er gedurende de actieve periode geen werkzaamheden, licht of ander geluid aanwezig te zijn bij deze openingen.

Dit maakt dat bever de dijk kan blijven oversteken en er geen individuen ‘gevangen’ worden in de binnendijkse plas. Een overtreding van artikel 3.5 lid 1 is dan niet aan de orde. Mitigatie door bijvoorbeeld buiten de kwetsbare periode te werken is voor het verstoren van holen niet aan de orde, omdat holen het gehele jaar worden gebruikt en niet speciaal in de kwetsbare periode. Het overtreden van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb voor het verstoren van een hol, waardoor de functie van het hol aangetast wordt (artikel 3.5 lid 4 van de Wnb) is niet te voorkomen. Hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. Voor het hol vernietigd wordt, wordt deze geïnspecteerd op aanwezigheid van bever. Hiermee wordt opzettelijk doden voorkomen. Tijdelijke voorzieningen Ter hoogte van het fort wordt binnen- en buitendijks een werkstrook van 10m breed aangelegd. Er is hier geen loslocatie of een depot voorzien. Ten aanzien van de werkstrook is van belang dat hiervoor dezelfde mitigerende maatregelen worden getroffen als voor de werkzaamheden zelf, om ervoor te zorgen dat bever de dijk kan oversteken richting de Waal. De vernietiging van een hol door de aanleg van de binnendijkse transportroute is onder ‘permanente effecten’ beoordeeld. Overige dijksecties In dijksecties 8, 10, 13 en 14 zijn sporen van bevers zoals vraat, wissels en burchten waargenomen langs de oevers van de buitendijkse plassen.

De waarnemingen zijn weergegeven in afbeelding 5.12 5.14. Met betrekking tot de waarnemingen in dijksectie 13 wordt opgemerkt dat na het soortgericht onderzoek het Waterschap de sporen van bever in de strang heeft verwijderd ten behoeve van de dijkveiligheid. Hiervoor is een ontheffing afgegeven. Afwijkend van wat is waargenomen tijdens het soortgericht onderzoek is erin de huidige situatie dus geen sprake meer van een beverterritorium ter plaatse. Om de dijk te beschermen en toekomstige graverij van bever in de dijk te voorkomen wordt daarom in deze strang een beverscherm geplaatst. Omdat er in de huidige situatie geen sprake meer is van leefgebied van bever worden de oude waarnemingen in dijksectie 13 niet verder beoordeeld.

Natuurtoets pagina 58 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.12 Waarnemingen bever in dijksecties 7-10

Natuurtoets pagina 59 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.13 Waarnemingen bever in dijksectie 13, hier zijn nu geen bevers meer aanwezig

Natuurtoets pagina 60 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.14 Waarnemingen bever in dijksectie 14 en 15

Permanente effecten Het ruimtebeslag reikt in dijksecties 8 en 10 (afbeelding 5.15) tot nabij de begroeide oevers van de plassen, maar er worden geen bomen voor gekapt. Het ruimtebeslag reikt ook niet tot aan de verblijfplaatsen van bever. Er is derhalve geen ruimtebeslag op leefgebied van de aanwezige bevers en geen sprake van aantasting van verblijfplaatsen. Een overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb door ruimtebeslag in dijksectie 8 en 10 is derhalve uitgesloten. Ook in dijksectie 14 is hier geen sprake van. Hoewel een klein deel van de wilgenbegroeiing verwijderd wordt, heeft dit geen effect op de aanwezige bevers. Wilgen groeien snel weer terug en relatief tot de aanwezige begroeiing wordt er zeer weinig verwijderd. Er is geen sprake van een overtreding of een negatief effect op de staat van instandhouding. In dijksectie 14 wordt een anti-graaf voorziening in de teen van de dijk aangebracht, maar ook deze leidt niet tot een overtreding van de Wnb omdat deze buiten het leefgebied geplaatst wordt. De voorziening dient ter voorkoming van graverij door bevers. Hierbij wordt opgemerkt dat ook langs de plas in dijksectie 15 een anti-graafvoorziening wordt aangebracht. Hier zijn echter geen waarnemingen van bever gedaan. Deze plas is dus (nog) geen onderdeel van het leefgebied van bever. Effecten op bever van deze anti-graafvoorziening zijn uitgesloten.

Natuurtoets pagina 61 van 456

Definitief 10 juli 2020

Het doden van individuen is uitgesloten omdat bevers verstoord zullen zijn door de werkzaamheden en vluchten voor de machines voordat ze gedood kunnen worden. Overtreding van artikel 3.5 lid 1 Wnb is dus tevens uitgesloten. Er is, in tegenstelling tot de binnendijkse plassen, geen risico dat bevers door de werkzaamheden ‘opgesloten’ raken in de plas.

Tijdelijke effecten Verstoring reikt verder dan het ruimtebeslag. Het leefgebied van de aanwezige bevers ligt direct aan of zeer nabij de werkzaamheden. De dijk wordt voornamelijk doormiddel van een versterking in grond buitendijks en een damwand binnendijks versterkt. De verstoringsgrens van bever is op 60dB(A) aangenomen (zie beoordeling bij dijksecties 2-3). Op 70 meter afstand is de geluidsbelasting van trillen nog 60 dB(A) [lit. 5, paragraaf 5.7]. Op 35 meter is de geluidsbelasting van grondverwerking nog 60 dB(A). Dit betekent dat geluidsverstoring optreedt tot in het leefgebied van bever en tot bij een van de beginnende burchten in dijksectie 10 (afbeelding 5.15). Deze beginnende burcht ligt namelijk op circa 60 meter van de damwand, en op circa 20 meter van de grondwerkzaamheden. De andere burcht ligt op circa 90 meter van de damwand en 40 meter van de grondwerkzaamheden, dus buiten de verstoringscontouren van 60dB(A).

Afbeelding 5.15 Beginnende burcht in dijksectie 10. De linker burcht ligt binnen de verstoringscontour van 70 meter van het intrillen van damwanden en binnen de verstoringscontour van 35 m voor grondverzet

Natuurtoets pagina 62 van 456

Definitief 10 juli 2020

De burcht ligt op circa 64 meter van het intrillen van de damwanden. Dit betekent dat de geluidsbelasting van het intrillen ter plaatse nog circa 61/62 dB(A) bedraagt. In de huidige situatie bedraagt de geluidbelasting ter plaatse 55 dB(A) [lit. 7, paragraaf 5.7]. Er vindt dus een tijdelijke verhoging van de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe beverburcht plaats. Het huidige geluid van het gebruik van de dijk is een monotoon laagfrequent geluid wat voornamelijk veroorzaakt wordt door gemotoriseerd verkeer. Geluid van het intrillen/induwen van damwanden wijkt hier niet erg van af, het bevat in ieder geval geen piekgeluiden zoals bij heien. Wat dat betreft blijft de verstoring beperkt tot de kleine verhoging in het aantal dB(A). Door de werkzaamheden vindt ook verstoring van het functioneel leefgebied rondom de burcht plaats. Het betreft een brede wilgenbegroeiing langs de oever van de buitendijkse plas waarin de burcht zich ook bevindt. Verstoring van dit functioneel leefgebied nabij de burcht tast ook de functionaliteit van de burcht aan. De functionaliteit van de burcht komt door de verstoring in het geding. Verstoring van bever is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb, afname van de functionaliteit van de burcht door verstoring is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb. Hier is een ontheffing en zijn mitigerende maatregelen voor nodig.

Dit betreft zowel de werkzaamheden die de burcht als die het functioneel leefgebied aantasten. De overige verblijfplaatsen (holen) van bever die in zowel dijksectie 7-10 als 14 zijn aangetroffen liggen op meer dan 70 m van damwanden en meer dan 35 m van de grondverwerking. Het intrillen van damwanden en het grondverzet leidt op die plaatsen dus niet tot verstoring door geluid van individuen in de holen. Hoewel het grootste deel van de werkzaamheden plaatsvinden wanneer bever in de verblijfplaatsen zit (en dus boven water), is er mogelijk een kleine periode per dag dat er werkzaamheden plaatsvinden wanneer bevers actief zijn en zich in het water bevinden. Tussen de geluidsbron (de werkzaamheden) en de meeste verblijfplaatsen is water aanwezig. In principe verplaatst geluid zich in water sneller dan in lucht en zou op het eerste gezicht gedacht kunnen worden dat de verstoringscontour voor dieren die in water leven vergroot wordt bij aanwezigheid van water. Dit is echter niet het geval. Uit onderzoek blijkt dat er nauwelijks overdracht van geluid van lucht naar water plaatsvindt [lit. 27]. Het geluid van de werkzaamheden ontstaat in lucht, en dus is de aanwezigheid van de plas geen factor in de verstoringscontour voor de verblijfplaatsen. Tevens blijkt hieruit dat bevers in het water geen overlast ondervinden van de werkzaamheden. Dit levert dus geen verstoring op.

Trillingen reiken tot ongeveer 50 m vanaf de bron. Verstoring door trilling is dus voor geen enkele verblijfplaats relevant. Alle verblijfplaatsen liggen namelijk op meer dan 50 m afstand van damwanden. Zolang bevers in de verblijfplaatsen zitten, is er geen sprake van verstoring door trilling. Aangezien bevers voornamelijk in de schemering en ’s nachts actief zijn en het trillen overdag gebeurt is er tijdens perioden met minder daglicht sprake van een kleine overlap tussen het intrillen van damwanden en activiteiten van bevers. Deze overlap van maximaal enkele uren is niet zodanig dat bever gehinderd wordt in zijn activiteiten. Bovendien is er langs de overige oevers van de wielen voldoende alternatief leefgebied binnen het territorium aanwezig waar bever naar kan uitwijken tijdens de uren dat het intrillen en de activiteiten van bever samenvalt.

Natuurtoets pagina 63 van 456

Definitief 10 juli 2020

Tussen de werkzaamheden en de beginnende burcht in dijksectie 10 staat een dikke rij wilgen. Gedurende de overlap van uren waarin de werkzaamheden zijn en bevers actief zijn werkt deze dikke rij wilgen als een soort scherm, waardoor bevers geen last hebben van bewegende mensen of materieel. Hierdoor is optische verstoring uitgesloten en is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 voor het verstoren van bever niet aan de orde. Mitigatie en herbeoordeling De overtreding door verstoring door geluid van de nieuwe burcht en het bijhorende functioneel leefgebied in dijksectie 10 is te voorkomen. Indien tijdens de kwetsbare periode de geluidsbelasting ter plaatse van de burcht niet boven de 60dB(A) uitkomt, is geen sprake van verstoring van bever (afbeelding 5.16). Buiten de kwetsbare periode is bever zoals eerder vermeld flexibeler en kan zich makkelijk verplaatsen naar andere delen van het leefgebied. Dit heeft geen invloed op de staat van instandhouding van bever, omdat buiten de kwetsbare periode bevers niet gebonden zijn aan een specifieke verblijfplaats. Bovendien is het leefgebied buitendijks zodanig van omvang dat er genoeg alternatief is. De werkzaamheden vinden langs de rand van het leefgebied van bever plaats. Aan de binnendijkse zijde is namelijk (op het water naast de dijk in dijksectie 2-3 en 6 na) geen leefgebied.

Verstoring van de werkzaamheden versnippert het leefgebied dus niet. Effecten treden dus op aan de rand van de territoria. Daarmee kan aangenomen worden dat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn in de rest van het leefgebied van bever. Beverfamilies kunnen in hun eigen territorium blijven. Door bij burchten buiten de kwetsbare periode te werken worden effecten op de staat van instandhouding van de populatie door verstoring voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van geluidsarme apparatuur of geluidsmaatregelen zoals schermen om de geluidsbelasting ter plaatse van de burcht onder de 60dB(A) te houden. In dat geval vindt geen verstoring van bever plaats en is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 Wnb niet aan de orde. Voor grondverwerking ligt de verstoringscontour van 60 dB(A) op 35 meter, voor het intrillen van damwanden is dit 70 meter. Tijdens de kwetsbare periode van bever dienen bij burchten van bever deze buffers aangehouden te worden. De kwetsbare perioden van bever betreffen de voorplantingsperioden (mei - augustus) en de perioden waarin ijs op het water ligt of het langdurig droog is. In deze perioden is bever namelijk ook gebonden aan zijn burcht en kan hij niet uitwijken.

Natuurtoets pagina 64 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.16 Mitigerende maatregelen voor de beginnende burcht en het functioneel leefgebied aan de noordzijde van de plas in dijksectie 10

Verstoring is een tijdelijk effect wat optreedt in de aanlegfase. Na afloop van de werkzaamheden is het gebruik van de dijk weer als ervoor. Echter, een tijdelijk effect kan permanent worden als dieren zodanig verstoord raken dat ze het leefgebied permanent verlaten. Bevers zijn redelijk opportune dieren die gewend zijn langere afstanden af te leggen. Het is aannemelijk dat bever de oever weer zal ‘herontdekken’ wanneer de verstoring van de werkzaamheden voorbij is. Een permanent effect als gevolg van tijdelijke verstoring is uitgesloten. Tijdelijke voorzieningen Het is niet mogelijk om werkstroken naast de dijk aan te leggen waar dit de begroeide oevers van de plassen aantast. Dit is namelijk foerageergebied van bever en voor de aanleg van de werkstroken zou begroeiing moeten verdwijnen. De begroeiing ter plaatse dient als foerageergebied en beschutting nabij verblijfplaatsen van bever. Verwijderen leidt tot een aantasting van de functionaliteit van de verblijfplaats, wat een overtreding is van artikel 3.5 lid 4 Wnb. Dit is aan de orde in dijksecties 7, 8, 10, 14. Werkstroken langs de overige buitendijkse dijksecties leidt niet tot dit effect. Wel geldt qua verstoring hetzelfde als voor de werkzaamheden op de dijk; verstoring dient voorkomen te worden door inachtname van mitigerende maatregelen.

De werkwegen, depots en loslocaties in dijksectie 7, 13, 15 en 16 liggen in leefgebied van bever (afbeelding 5.17). De werkwegen volgen veelal bestaande wegen in de uiterwaard wat niet leidt tot ruimtebeslag. In de andere gevallen liggen ze in grasland. Dit is ruim aanwezig in de uiterwaarden en bovendien niet van belang voor bever. Voor de loslocaties verdwijnt wat oeverbegroeiing van de Waal, echter is er is hiervoor ruim voldoende alternatief aanwezig.

Natuurtoets pagina 65 van 456

Definitief 10 juli 2020

Bovendien is deze begroeiing geen essentieel foerageergebied voor bever. Essentieel foerageergebied bevindt zich op de oevers van de plassen en in andere gebieden. De depots liggen op grasland, wat niet essentieel is voor bever. Het ruimtebeslag van de tijdelijke voorzieningen leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wnb. Voor de werkwegen, depots en loslocaties geldt wel dat verstoring van bever kan optreden. De werkwegen kunnen tot gevolg hebben dat bevers niet vrij in hun leefgebied kunnen bewegen. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb. Dit dient voorkomen te worden middels mitigerende maatregelen. Verstoring wordt voorkomen door de geluidsbelasting bij de verblijfplaatsen tijdens de wetsbare periode lager dan 60dB(A) te houden. Dit kan door geluidsarme apparatuur of geluidsschermen te gebruiken, of buiten de kwetsbare periode te werken. Dat de werkwegen als barrières in het leefgebied optreden (de strang en directe omgeving), wordt voorkomen door deze niet te gebruiken in de actieve periode van bever (tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang).

Afbeelding 5.17 Werkwegen in dijksecties 7, 12, 13, 15 en 16

Natuurtoets pagina 66 van 456

Definitief 10 juli 2020

Conclusie Permanente effecten als gevolg van het ruimtebeslag zijn uitgesloten. Vernietiging van verblijfplaatsen en doden van individuen zijn niet aan de orde. Er is dus geen sprake van een overtreding van artikel 3.5 lid 1 en 4 Wnb door het ruimtebeslag. Bij de binnendijkse leefgebieden in dijksecties 2-3 en 6 kan overtreding van artikel 3.5 lid 2 optreden indien bever opgesloten raakt in de binnendijkse plas. Dit wordt in dijksectie 2-3 en dijksectie 6 vermeden door tijdens de actieve periode van bevers (tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang) geen werkzaamheden op de dijk plaatsvinden en er geen licht en geluid is. Tevens moeten er voor ruime doorgangen gezorgd worden ter plaatse van wissels, en dienen daar dus geen hekken langs de dijk geplaatst te worden. Bij het fort ligt een hol binnen de werkgrens, maar buiten de fysieke werkzaamheden van grondverzet en damwanden. Wanneer op deze locatie een beheerweg wordt gerealiseerd, wordt het hol echter vernietigd. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wnb. Hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. Compensatie is niet van toepassing, bevers graven wanneer nodig zeer snel nieuwe holen. Tijdelijke negatieve effecten door verstoring van bever dienen voorkomen te worden door te zorgen dat de geluidsbelasting ter hoogte van burchten van bever niet boven 60dB(A) uitkomt.

Dit kan door op de betreffende plaatsen buiten de kwetsbare perioden te werken, of gebruik te maken van geluidsmaatregelen zoals schermen. Indien hieraan wordt voldaan vindt geen overtreding van artikel 3.5 lid 2 en 4 plaats. Dit geldt voor de burcht in dijksectie 10. Voor bever is het hele jaar een kwetsbare periode, maar buiten de voortplantingsperiode van mei-augustus en buiten perioden met ijsgang of langdurig laag water is de bever minder kwetsbaar en meer flexibel. Het zijn dan ook de laatstgenoemde perioden die met de maatregelen bedoeld worden. Wanneer sprake is van zodanig langdurig laag water dat het bever kwetsbaar maakt, is aan de ecologische begeleider van de uitvoeringsfase om te bepalen. Om barrièrevorming van de werkwegen tegen te gaan worden deze tijdens de actieve periode van bever (tussen een halfuur voor zonsondergang en een halfuur na zonsopgang) niet gebruikt. Tevens is van belang dat ook bij de werkstroken in dijksectie 6 wordt gezorgd dat bever de dijk kan oversteken van het binnendijkse leefgebied naar het buitendijkse leefgebied.

5.5.3.2 Wezel Wezel is op zes locaties waargenomen (afbeelding 5.18). Op één van de locaties (de meest westelijke waarneming, dijksectie 16) gaat het om dagelijks passerende individuen, wat een indicatie is voor een nabije verblijfplaats. Eenmaal is een wezel ook met een gevangen woelmuis waargenomen. Hieruit blijkt dat het gebied ook in gebruik is als foerageergebied. Op de overige locaties is wezel enkel sporadisch waargenomen.

Natuurtoets pagina 67 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.18 Waarnemingen wezel in het onderzoeksgebied

Wezels kunnen in verscheidene landschappen (macrohabitats) worden aangetroffen, waarin de voorkeur uitgaat naar structuurrijke en/of geaccidenteerde terreinen met een afwisseling van bos en veld. Daarin wordt een combinatie van min of meer dichte structuren zoals ruigten, hoog gras- of rietland, bosjes en/of houtwallen betrokken (het microhabitat). Wezels maken bij verplaatsing graag gebruik van terrein met veel dekking biedende vegetatie, om zo uit het zicht te blijven van vijanden uit de lucht. Ze maken veel gebruik van (gecompartimenteerde) holen(stelsels) van (woel)muizen, mollen (bijvoorbeeld kraam- en winterburchten) en (woel)ratten, als ondergrondse route en als rustof nestplaats [lit. 12, paragraaf 5.7]. Wezels maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen (persoonlijke communicatie Dirk Heijkers, Natuurbalans). De voortplantingsperiode van wezel is in principe het gehele jaar, maar de meeste jongen worden in april - juni geboren. Na 2 tot 3 maanden zijn de jongen zelfstandig [lit. zoogdiervereniging, wezel]. Wezel is beschermd onder Wnb-regime ‘andere soorten’, deze soort is in provincie Gelderland niet vrijgesteld. Dit betekent dat het opzettelijk doden van individuen en het vernietigen of beschadigen van vaste rust- of verblijfplaatsen verboden is (artikel 3.10 Wnb).

Permanente effecten Op locatie 5 (meest westelijke waarneming) zijn er aanwijzingen dat er verblijfplaatsen in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn. De werkzaamheden ter plaatse beperken zich tot de dijk met taluds. De dijk zelf kan wel gebruikt worden als foerageergebied, verblijfplaatsen zijn hier echter niet aangetroffen. Opzettelijke aantasting of vernietiging van vaste rust- of verblijfplaatsen (artikel 3.10 lid 1b Wnb) is derhalve niet aan de orde.

Natuurtoets pagina 68 van 456

Definitief 10 juli 2020

Aantasting van een verblijfplaats door vernietiging van belangrijk foerageergebied is niet aan de orde. Na de werkzaamheden aan de dijk keert de situatie (op de dijkversterking na) weer terug naar de oorspronkelijke situatie. De dijk kan dan ook weer als foerageergebied fungeren. Tijdens de werkzaamheden is er in de nabije omgeving voldoende alternatief leefgebied. Verblijfplaatsen van wezel zijn zeer moeilijk waar te nemen. Hoewel opzettelijke vernietiging van verblijfplaatsen uitgesloten is omdat er geen verblijfplaatsen zijn aangetoond, is het niet geheel uitgesloten dat ten tijde van de werkzaamheden wezels binnen het plangebied aanwezig zijn in een onopgemerkte verblijfplaats. Er dienen voorzorgsmaatregelen genomen te worden om te voorkomen dat dieren gedood worden wanneer ze hier (onopgemerkt) aanwezig zijn. Over het algemeen zijn wezels beweeglijke, flexibele en opportunistische dieren die ver vóórdat ze gedood kunnen worden door de verstoring van de werkzaamheden het gebied al hebben verlaten. Om wezels de mogelijkheid te bieden het gebied te kunnen ontvluchten, is van belang om nabij de vindplaats op locatie 5 (afbeelding 5.19) in één richting te werken. Ten tijde van de geboorte van de jongen zijn wezels echter minder flexibel en bestaat de kans dat ze niet op tijd kunnen ontkomen.

In principe kunnen wezels zich het gehele jaar door voortplanten, maar de meeste jongen worden in de periode april - juni geboren. Om het doden van wezel in een kraamnest te voorkomen, is het van belang om de werkzaamheden in het betreffende gebied na juni te starten of juist vóór april te starten zodat het gebied voor wezel onaantrekkelijk wordt om in te werpen. Op afbeelding 5.19 is het gebied weergegeven waar bovengenoemde maatregelen voor wezel gelden. Het gaat om een lengte van circa 150 meter dijk.

Afbeelding 5.19 Gebied waar maatregelen voor wezel gelden in dijksectie 16

Natuurtoets pagina 69 van 456

Definitief 10 juli 2020

Op de overige locaties is wezel enkel sporadisch waargenomen. Dit wijst niet op verblijfplaatsen in de buurt. Tevens kan vanwege het lage aantal waarnemingen aangenomen worden dat die gebieden geen belangrijk foerageergebied zijn. Een overtreding van de Wnb is op die locaties niet aan de orde. Tijdelijke effecten Verstoring van wezel is niet verboden, waardoor er geen verbodsbepaling overtreden wordt. Daarnaast vormt de dijk geen essentieel foerageergebied en is er tijdens de werkzaamheden voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van bosschages, heggen, bossen en weien akkerland aan beide zijden van de dijk, waardoor de dijkversterking niet zorgt voor een tijdelijk verlies van foerageergebied. Na de werkzaamheden aan de dijk keert de situatie (op de dijkversterking na) weer terug naar de oorspronkelijke situatie. De grasmat wordt hersteld, deze dient namelijk ook als bescherming tegen erosie van de dijk. De dijk kan dan ook weer als foerageergebied fungeren. Conclusie De dijkversterking zorgt niet voor een tijdelijk of permanent effect op wezel. Rust- of voortplantingsplaatsen worden niet vernietigd en er blijft tijdens de werkzaamheden voldoende foerageergebied voor wezel beschikbaar. Met inachtneming van voorzorgsmaatregelen om aanwezige wezels te laten vluchten en te voorkomen dat wezels een kraamnest maken is ook opzettelijk doden van wezel uitgesloten.

Deze maatregelen bestaan uit het werken in één richting en starten met werken vóór april op de locatie waar wezel veel is waargenomen Overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb voor wezel zijn daarmee uitgesloten. Wel geldt de zorgplicht, waarvoor in paragraaf 5.6.2 algemene mitigerende maatregelen zijn uitgewerkt.

5.5.4 Vleermuizen In 2019-2020 is een nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar vliegroutes, foerageergebieden en verblijfplaatsen. De vleermuissoorten die tijdens het veldonderzoek in of nabij het studiegebied zijn waargenomen staan vermeld in tabel 5.1. Alle vleermuissoorten zijn beschermd. In de alinea’s hieronder worden de waargenomen functies beschreven samen met een effectbeschrijving en een conclusie over overtreding van verbodsbepalingen en compenserende en mitigerende maatregelen. Vleermuizen zijn over het algemeen actief tussen maart en november, maar kunnen eerder ontwaken uit hun winterslaap, of later naar het winterverblijf gaan afhankelijk van het weer. Ze zijn gevoelig voor licht, geluid en trillingen welke veroorzaakt worden door de werkzaamheden. Voor verstoring door geluid wordt voor de meeste vleermuissoorten een grenswaarde gebruikt van 80 dB(A), aangezien de geluiden die vleermuizen zelf maken van deze sterkte zijn [lit. 28]. Een uitzondering hierop is de gewone grootoorvleermuis. Deze soort is een passieve luisteraar en maakt tijdens het foerageren gebruik van geluid van circa 60 dB(A) en kan door geluiden hoger dan 60 dB(A) verstoord worden [lit. 29].

Grondverzet zorgt bij de meeste vleermuizen pas voor verstoring wanneer een verblijfplaats op minder dan 5 m afstand van de werkzaamheden af ligt, aangezien grondverzet op deze afstand zorgt voor een geluidsbelasting van 80 dB(A) [lit. 5]. Voor de gewone grootoorvleermuis is deze afstand 35 m, wat de afstand is waar grondverzet zorgt voor een geluidsbelasting van 60 dB(A) [lit. 5].

Natuurtoets pagina 70 van 456

Definitief 10 juli 2020

Het intrillen van damwanden veroorzaakt meer geluid. De grenswaarde voor de meeste vleermuizen wordt overschreden wanneer binnen 10 m van een verblijfplaats een damwand ingetrild wordt, aangezien het intrillen van een damwand op deze afstand zorgt voor een geluidsbelasting van 80 d(B) [lit. 5]. Voor de gewone grootoorvleermuis is deze afstand 70 m, wat de afstand is waar het intrillen van een damwand zorgt voor een geluidsbelasting van 60 dB(A) [lit. 5]. Van trillingen is bekend dat deze op 50 m vanaf de bron vergelijkbaar worden aan de natuurlijke achtergrond trilling van 0,15 m/s2. Dit is het trillingsniveau dat onder normale gebruikscondities op het maaiveld wordt gemeten [lit. 30]. Voor vleermuizen kan dan gesteld worden dat wanneer een verblijfplaats zich op meer dan 50 m afstand van het intrillen van een damwand bevindt, er geen verstoring door trillen optreedt. Licht kan verstorend werken wanneer het tijdens in de verblijfplaatsen of op foerageergebieden en vliegroutes schijnt. Dit kan zorgen voor het verlaten van de verblijfplaatsen of het ontwijken van foerageergebieden en vliegroutes. De bouwlampen die gebruikt worden tijdens de werkzaamheden zijn maximaal 10 meter hoog. Licht van lampen van deze hoogte reikt tot circa 50 meter [lit. 25].

5.5.4.1 Vliegroutes Na onderzoek naar de aanwezigheid en het gebruik van vliegroutes zijn zeven vliegroutes vastgesteld in het projectgebied. Vrijwel alle vliegroutes worden gebruikt door verschillende soorten vleermuizen. Tabel 5.2 laat zien welke soorten gebruikmaken van de vliegroutes afgebeeld in afbeelding 5.20, en of deze vliegroutes essentieel zijn. Een vliegroute is essentieel wanneer er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de verblijfplaats het betreffende foerageergebied te bereiken dan wel dat er wel een alternatieve vliegroute is, maar het gebruik hiervan kost vergeleken met de originele vliegroute te veel energie (te ver omvliegen of te onbeschut). Voor rosse vleermuis is bij route 7 sprake hoog overvliegende individuen die op verschillende plekken de dijk overstaken, waardoor geen sprake is van een essentiële vliegroute.

Natuurtoets pagina 71 van 456

Definitief 10 juli 2020

Tabel 5.2 Vastgestelde vliegroutes in en nabij het projectgebied Vliegroute

Soorten

Dijksectie Essentieel?

1

franjestaart; gewone dwergvleermuis; gewone grootoorvleermuis; watervleermuis.

14 ja

2

gewone dwergvleermuis; ruige dwergvleermuis.

15 ja

3

gewone dwergvleermuis; laatvlieger; Myotis spec.

13b ja

4

gewone dwergvleermuis; laatvlieger; Myotis spec.

13b nee

5

gewone dwergvleermuis; laatvlieger; Myotis spec.

15 ja

6

gewone dwergvleermuis; laatvlieger; rosse vleermuis (foeragerend) ruige dwergvleermuis.

8 nee

7

rosse vleermuis

9 nee

Natuurtoets pagina 72 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.20 Overzichtskaart vliegroutes in en nabij het projectgebied (grotere afbeelding in bijlage 11)

Permanente effecten Vliegroute 1 is een vliegroute welke door het bos wat Landgoed Loenen omringd over de Grote Allee loopt. Deze vliegroute is essentieel aangezien er geen alternatieve vliegroutes in de nabijheid zijn die niet zorgen voor een extra energieverlies door omvliegen. De kant van het bos waar de vliegroute langsloopt wordt niet aangetast door de werkzaamheden. Permanente negatieve effecten op deze vliegroute treden niet op. Het deel van de Grote Allee tussen het bos ten westen van Landgoed Loenen wordt gebruikt door gewone en ruige dwergvleermuis als essentiële vliegroute (vliegroute 2). Deze vliegroute is essentieel aangezien er geen alternatieve vliegroutes in de nabijheid zijn die niet zorgen voor een extra energieverlies door omvliegen. Deze weg en de direct omringende bomen worden niet aangetast door de werkzaamheden aan de dijk. De vliegroute wordt dus niet vernietigd. Permanente negatieve effecten op deze vliegroute treden niet op. Vliegroute 3 is een essentiële vliegroute die langs de voorkant van de woning op Waaldijk 18 in SlijkEwijk. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en Myotis spec. maken in relatief grote getalen gebruik van deze vliegroute. Deze vliegroute is essentieel aangezien er geen alternatieve vliegroutes in de nabijheid zijn die niet zorgen voor een extra energieverlies door omvliegen.

Op deze locatie worden geen werkzaamheden voor het versterken van de dijk uitgevoerd. De vliegroute wordt hierdoor niet vernietigd.

Natuurtoets pagina 73 van 456

Definitief 10 juli 2020

Vliegroute 4 loopt diagonaal van het perceel ten westen van Waaldijk 17, over het pand, richting de Waaldijk. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en Myotis spec. maken gebruik van deze vliegroute. Deze vliegroute lijkt niet gebonden te zijn aan structuren als bomen of struiken, en wordt derhalve niet als essentieel gezien. Er worden enkel bij de dijk zelf werkzaamheden uitgevoerd, de rest van de vliegroute blijft intact. Daarnaast blijft de dijk zelf ook intact. Permanente negatieve effecten op deze vliegroute treden niet op. Ten westen van het bos wat Landgoed Loenen omringt bevindt zich vliegroute 5. Deze loopt langs de bomenrij welke van de Grote Allee naar de Waaldijk loopt. De vliegroute wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis, laatvlieger en Myotis spec. Deze vliegroute is essentieel aangezien er geen alternatieve vliegroutes in de nabijheid zijn die niet zorgen voor een extra energieverlies door omvliegen. Deze bomenrij wordt niet aangetast door de werkzaamheden aan de dijk. De vliegroute blijft daarom intact. Permanente negatieve effecten op deze vliegroute treden niet op. Ten oosten van het Oosterhoutse bos bevindt zich vliegroute 6, welke gebruikt wordt door gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en foeragerende rosse vleermuis. Deze vliegroute volgt de bomenrij langs de Waaldijk.

Voor deze vliegroute zijn op korte afstand alternatieven beschikbaar en wordt daarom niet als essentieel beschouwd. Er is geen sprake van ruimtebeslag op deze bomenrij omdat de dijkversterking hier via een damwand wordt uitgevoerd. Tussen de westzijde van het Oosterhoutse bos en de Verburgtskolk bevindt zich vliegroute 7. Enkel rosse vleermuis maakt gebruik van deze vliegroute. Rosse vleermuis volgt na uitvliegen of voor invliegen de structuur rondom hun verblijfplaats. Van daaruit vliegen ze hoog de lucht in waarna ze in een lijnvormige vlucht richting een foerageergebied of verblijfplaats vliegen. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn meerdere rosse vleermuizen waargenomen die op verschillende hoogtes diffuus over de dijk en terug vlogen. De waargenomen rosse vleermuizen volgden op deze locatie geen structuren zoals bomenrijen of bosranden en kunnen op elke willekeurige locatie de dijk oversteken, waardoor deze vliegroute niet essentieel is. Gezien deze soort zo hoog vliegt, en de bomen aan de westzijde van het Oosterhoutse bos, en de Verburgtskolk niet gekapt worden, hebben de werkzaamheden geen permanent effect op de vliegroute.

Tijdelijke effecten Hoewel er geen permanente negatieve effecten op vliegroute 1 optreden, kunnen vleermuizen die gebruik maken van de vliegroute wel verstoord worden door de werkzaamheden. Verstoring van een essentiële vliegroute is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb. Effecten van verstoring zijn echter makkelijk te voorkomen met mitigerende maatregelen, zoals werken buiten de kwetsbare periodes of het gebruiken van goed licht- en geluidbeheer. Deze maatregelen zijn in aan het eind van deze paragraaf uitgewerkt. Met het naleven van deze maatregelen is geen ontheffing voor verstoren nodig. Het deel van de Grote Allee tussen het bos ten westen van Landgoed Loenen wordt gebruikt door gewone en ruige dwergvleermuis als vliegroute (vliegroute 2). Deze weg en de direct omringende bomen worden niet aangetast door de werkzaamheden aan de dijk. De vliegroute wordt dus niet vernietigd. Werkzaamheden aan de dijk kunnen vleermuizen die gebruik maken van deze vliegroute echter wel verstoren. Verstoring van een essentiële vliegroute is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb. Effecten van verstoring zijn echter makkelijk te voorkomen met mitigerende maatregelen, zoals werken buiten de kwetsbare periodes of het gebruiken van goed licht- en geluidbeheer. Met het naleven van deze maatregelen is geen ontheffing voor verstoren nodig.

Natuurtoets pagina 74 van 456

Definitief 10 juli 2020

Vliegroute 3 is een essentiële vliegroute die langs de voorkant van de woning op Waaldijk 18 in SlijkEwijk. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en Myotis spec. maken in relatief grote getalen gebruik van deze vliegroute. Op deze locatie worden geen werkzaamheden voor het versterken van de dijk uitgevoerd. Werkzaamheden aan de dijk op een andere locatie kunnen vleermuizen die gebruik maken van deze vliegroute echter wel verstoren. Verstoring van een essentiële vliegroute is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb. Effecten van verstoring zijn echter makkelijk te voorkomen met mitigerende maatregelen, zoals werken buiten de kwetsbare periodes of het gebruiken van goed licht- en geluidbeheer. Met het naleven van deze maatregelen is geen ontheffing voor verstoren nodig. Vliegroute 4 loopt diagonaal van het perceel ten westen van Waaldijk 17, over het pand, richting de Waaldijk. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en Myotis spec. maken gebruik van deze vliegroute. Er worden enkel bij de dijk zelf werkzaamheden uitgevoerd, de rest van de vliegroute blijft intact. Daarnaast blijft de dijk zelf ook intact. De vliegroute wordt niet vernietigd, maar werkzaamheden aan de dijk kunnen vleermuizen die gebruik maken van deze vliegroute wel verstoren. Echter, door de aanwezigheid van alternatieve vliegroutes kunnen vleermuizen zonder extra energieverlies het foerageergebied gebruiken.

De vliegroute is niet essentieel. Mitigerende maatregelen om verstoring bij vliegroute 4 te voorkomen zijn daarom niet nodig. Ten westen van het bos wat Landgoed Loenen omringt bevindt zich vliegroute 5. Deze loopt langs de bomenrij welke van de Grote Allee naar de Waaldijk loopt. De vliegroute wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis, laatvlieger en Myotis spec. Deze bomenrij wordt niet aangetast door de werkzaamheden aan de dijk. De vliegroute blijft daarom intact. Werkzaamheden aan de dijk kunnen vleermuizen die gebruik maken van deze vliegroute echter wel verstoren. Effecten van verstoring zijn echter makkelijk te voorkomen met mitigerende maatregelen, zoals werken buiten de kwetsbare periodes of het gebruiken van goed licht- en geluidbeheer. Met het naleven van deze maatregelen is geen ontheffing voor verstoren nodig. Ten oosten van het Oosterhoutse bos bevindt zich vliegroute 6, welke gebruikt wordt door gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en foeragerende rosse vleermuis. Deze vliegroute is echter niet essentieel. Deze vliegroute volgt de bomenrij langs de Waaldijk, welke blijft bestaan. De vliegroute kan wel verstoord worden door de werkzaamheden aan de dijk. Echter, door de aanwezigheid van alternatieve vliegroutes kunnen vleermuizen zonder extra energieverlies het foerageergebied gebruiken.

Mitigerende maatregelen om verstoring bij vliegroute 6 te voorkomen zijn daarom niet nodig. Tussen de westzijde van het Oosterhoutse bos en de Verburgtskolk bevindt zich vliegroute 7. Enkel rosse vleermuis maakt gebruik van deze vliegroute. Rosse vleermuis volgt na uitvliegen of voor invliegen de structuur rondom hun verblijfplaats. Van daaruit vliegen ze hoog de lucht in waarna ze in een lijnvormige vlucht richting een foerageergebied of verblijfplaats vliegen. De waargenomen rosse vleermuizen vlogen op verschillende hoogtes kris-kras over de dijk heen en volgden geen structuur. De vliegroute is niet essentieel. Vleermuizen die gebruik maken van deze vliegroute kunnen daarom gemakkelijk via een andere route over de dijk vliegen en worden niet verstoord door de werkzaamheden. Mitigerende maatregelen om verstoring bij vliegroute 7 te voorkomen zijn daarom niet nodig. Mitigatie en herbeoordeling Het is op voorhand niet uit te sluiten of te voorspellen hoe ver licht binnen en buiten het projectgebied reikt. Hierdoor worden voor het gehele projectgebied algemene mitigerende

Natuurtoets pagina 75 van 456

Definitief 10 juli 2020

maatregelen opgesteld om verstoring door licht te voorkomen: in de periode waarin vleermuizen actief zijn (tussen maart en november, met de mogelijkheid dat ze eerder ontwaken uit hun winterslaap, of later naar het winterverblijf gaan afhankelijk van het weer), tussen een uur voor zonsondergang en een uur na zonsopkomst, dient kunstverlichting niet buiten het projectgebied gericht te worden tot op circa 50m van de essentiële vliegroutes af (vliegroutes 1, 2, 3 en 5). De buffer voor licht is op deze afstand gesteld omdat licht van lichtpalen van 10 meter hoog circa 50 meter uitstralen [lit. 25]. Dit kan gedaan worden door het gebruik van gerichte armaturen en/of lichtschermen. Een alternatief is het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting. Daarnaast dienen werkzaamheden tussen een uur voor zonsondergang en een uur na zonsopkomst ervoor te zorgen dat de geluidsbelasting tussen maart en november (met inachtname van de mogelijkheid dat vleermuizen eerder ontwaken uit hun winterslaap, of later naar het winterverblijf gaan afhankelijk van het weer) niet boven de 80 dB(A) uitkomt ter plaatse van vliegroutes 2, 3 en 5. Deze geluidsdrempel ligt voor vliegroute 1 lager, namelijk op 60 dB(A), omdat gewone grootoorvleermuis hier gebruik van maakt. Transport via de weg is vergelijkbaar met het huidig gebruik van de weg en zorgt niet voor extra verstoring.

Grondverzet zorgt daarnaast tevens niet voor een verstoring aangezien de geluidsbelasting hiervan overdag wegvalt in alledaagse werkzaamheden.

Natuurtoets pagina 76 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.21 Mitigerende maatregel voor verstoring door licht voor vliegroute 1, 2, 3 en 5

Conclusie Het voornemen kan zorgen voor verstoring van vleermuizen die gebruik maken van een essentiële vliegroute. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb. Met inachtname van mitigerende maatregelen wordt deze verstoring volledig voorkomen en is er geen sprake van een overtreding van artikel 2.5 lid 2 van de Wnb. Een ontheffing voor vleermuizen in het kader van verstoren is derhalve niet nodig.

5.5.4.2 Foerageergebieden In en nabij het projectgebied zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en Myotis spec. foeragerend waargenomen. De waarnemingen concentreren zich grofweg in drie gebieden: - het bos en lanen van het Oosterhoutse bos; - het bos en de lanen van Landgoed Loenen; - het bos aan weerszijden van de Grote Allee. Deze gebieden bevinden zich allen relatief dicht bij de vastgestelde verblijfplaatsen. Deze locaties zijn één van de weinige geschikte foerageergebieden in de buurt van de verblijfplaatsen. Wanneer deze foerageergebieden hun functionaliteit verliezen is het mogelijk dat de verblijfplaatsen en het netwerk van de vleermuizen niet goed meer functioneren. Deze foerageergebieden zijn derhalve essentieel.

Natuurtoets pagina 77 van 456

Definitief 10 juli 2020

Permanente effecten Het bos bij Huis Oosterhout vormt essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Het oppervlakteverlies door het kappen van bomen voor de versterking van de dijk zorgt bij het bos en lanen van het Oosterhoutse bos voor een relatief klein verlies van bosareaal (afbeelding 5.22), enkel het deel wat binnen de werkgrens valt. Aangezien het gehele bos rondom Huis Oosterhout geschikt is al foerageergebied, en er na de kap van de bomen een nieuwe bosrand ontstaat, blijft er voldoende foerageergebied over voor de waargenomen vleermuizen. Het kappen van bomen leidt derhalve niet tot vermindering van de kwaliteit van het essentiële leefgebied. Er is daardoor geen overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb.

Afbeelding 5.22 Foerageergebied rondom Huis Oosterhout

Het bos en de lanen rondom Landgoed Loenen (afbeelding 5.23) vormen essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Enkel de bomen die binnen de werkgrens vallen worden gekapt. Aangezien dit een zeer klein deel is van het gehele foerageergebied en er na de kap van de bomen een nieuwe bosrand ontstaat, blijft er voldoende foerageergebied over voor de waargenomen vleermuizen. Het kappen van bomen leidt derhalve niet tot vermindering van de kwaliteit van het essentiële leefgebied. Er is daardoor geen overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb.

Natuurtoets pagina 78 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.23 Foerageergebied rondom Landgoed Loenen

Het bosgebied aan weerszijden van de Grote Allee (afbeelding 5.24) wordt gebruikt als foerageergebied door de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Door het ruimtebeslag van de dijk wordt een relatief klein deel van het bosgebied gekapt. De grootte van het bos wat overblijft na het kappen van de bomen is van voldoende grootte voor de waargenomen vleermuizen. Daarnaast blijft er na het kappen van de bomen een bosrand beschikbaar voor foeragerende vleermuizen. Het kappen van bomen leidt derhalve niet tot vermindering van de kwaliteit van het essentiële leefgebied. Er is daardoor geen overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb.

Natuurtoets pagina 79 van 456

Definitief 10 juli 2020

Afbeelding 5.24 Foerageergebied rondom de Grote Allee

Tijdelijke effecten De werkzaamheden kunnen foeragerende vleermuizen verstoren. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb. Effecten van verstoring zijn echter makkelijk te voorkomen met mitigerende maatregelen, zoals werken buiten de kwetsbare periodes of het gebruiken van goed licht- en geluidbeheer. Met het naleven van deze maatregelen is geen ontheffing voor verstoren nodig. Tijdelijke voorzieningen De werkstroken, werkwegen, laad-/loslocaties en depots onderbreken geen structuren die van belang zijn voor vleermuizen en maken ook geen beslag op geschikt foerageergebied. Hierdoor zijn effecten door ruimtebeslag van de tijdelijke voorzieningen op de vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen uit te sluiten. Ter voorkoming van verstoring gelden voor de tijdelijke voorzieningen dezelfde mitigerende maatregelen als op de rest van de dijk. Mitigatie en herbeoordeling Om verstoring van foeragerende vleermuizen te voorkomen dient het kappen van bomen plaats te vinden tussen één uur na zonsopgang en één uur voor zonsondergang. Het is op voorhand niet uit te sluiten of te voorspellen hoe ver licht binnen en buiten het projectgebied reikt.

Hierdoor worden voor het gehele projectgebied algemene mitigerende maatregelen opgesteld om verstoring door licht te voorkomen: in de periode tussen maart en november (met inachtname van de mogelijkheid dat vleermuizen eerder ontwaken uit hun winterslaap, of later naar het winterverblijf gaan afhankelijk van het weer), tussen een uur voor

Natuurtoets pagina 80 van 456

Definitief 10 juli 2020

zonsondergang en een uur na zonsopkomst, dient kunstverlichting niet buiten het projectgebied gericht te worden. Dit kan gedaan worden door het gebruik van gerichte armaturen en/of lichtschermen (afbeeldingen 5.25 - 5.27). Een alternatief is het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=9b6965e4-8415-4ff4-941b-667c95a77c40