CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

10. Bijlage bij de toelichting deel 1b

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling paraplubestemmingsplan Nijmegen Dijkversterking Wolferen - Sprok (27/2021) (STEMSTUK)35.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

35 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

waarschijnlijk dat de oude functies op de dijk (brasserie, camping, woningen) grotendeels verplaatst worden, om zo ruimte te maken voor de nevengeul.

Afbeelding 3.10 Oplossingsrichting 2. Verleggen dijk (tracé 2) en behoud kassen

Afbeelding 3.11 Oplossingsrichting 3. Verleggen dijk (tracé 2) en herontwikkeling binnendijks met wonen en recreatie

36 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Binnen oplossingsrichting 3 ligt de nadruk op wonen en recreatie. In deze oplossingsrichting wordt de dijk ongeveer 100 m teruggelegd, waarbij verhuizen van de glastuinbouw binnendijks kansen biedt voor het ontwikkelen van woningen. Met het ontwikkelen van een bewoonbare, brede, dijk wordt er een aantrekkelijk woonlandschap gecreëerd. Woningen hebben een uitzicht over de rivier en ook de camping, eventueel met horeca functie/brasserie. Hiervoor kan ruimte gemaakt worden óp dijk. Buitendijks wordt een nevengeul aangelegd en is de wens om de recreatieve waarde van het gebied te vergroten door het aanleggen van wandel of fietspaden. Met het amoveren van de kassen komt er tevens ruimte voor binnendijkse woningbouwontwikkeling. Over het aantal woningen dat eventueel kan worden ontwikkeld is nog geen zekerheid.

Afbeelding 3.12 Oplossingsrichting 4. Verleggen dijk (tracé 3) en robuuste natuurverbinding

Binnen oplossingsrichting 4 ligt de nadruk op het realiseren van een robuuste natuurverbinding tussen de Loenensche Buitenpolder en de Oosterhoutse waarden. Hiervoor worden huidige buitendijkse functies verplaats, waarbij mogelijk op of binnen de dijk ruimte is om de functies terug te brengen. De dijk wordt ongeveer 200 m teruggelegd. In oplossingsrichting 5 blijft een groot gedeelte van de oude dijk liggen. Een gedeelte hiervan wordt versterkt tot een eiland waarop de huidige functies, wonen, recreëren en ondernemen (camping en brasserie) hun plek kunnen vinden. Het geheel kan zich ontwikkelen tot recreatieve hotspot aan de rivier. Het eiland is via de oude dijk met het binnendijkse gebied verbonden. Deze oude dijk vormt een drempel voor de achterliggende nevengeul, maar zal bij hoogwater overstromen. De nieuwe dijk wordt ongeveer 200 m teruggelegd. De maximale waterstanddaling is onderzocht in oplossingsrichting 6. Hiervoor zijn zoveel mogelijk functies uit het buitendijkse gebied verwijderd en is een zo groot mogelijke nevengeul ingetekend. Tevens wordt het maaiveld ook in deze oplossingsrichting verlaagd. Er is hier sprake van een agrarische uiterwaard. De dijk wordt ongeveer 200 m teruggelegd.

37 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Afbeelding 3.13 Oplossingsrichting 5. Verleggen dijk (tracé 3) en recreatieve hotspot rivierpark

Afbeelding 3.14 Oplossingsrichting 6. Verleggen dijk (tracé 3) en maximale waterstandsdaling

38 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Beoordeling oplossingsrichtingen De oplossingsrichtingen zijn beoordeeld op doelbereik, belemmeringen, meekoppelkansen en kosten. Hierin zijn mogelijke significante negatieve omgevingseffecten meegenomen onder belemmeringen (juridische/bestuurlijke blokkades, beheerbaarheid). Afgevallen oplossingsrichtingen (zeef 1) Oplossingsrichting 1 bevat geen dijkverlegging, geeft daarom beperkte ontwikkelingsmogelijkheden buitendijks en heeft een te beperkte waterstandsdaling tot gevolg (1 cm). Daarom is de oplossingsrichting niet kansrijk als oplossingsrichting voor dijkteruglegging. De bouwstenen langsdam en oevergeul worden in het alternatief met natuurontwikkeling nog wel onderzocht. In de uiteindelijk te beoordelen alternatieven zijn oplossingsrichting 2 en 3 (beide tracé 2) en oplossingsrichting 4 en 6 (tracé 3) samengevoegd.

3.5

Alternatieven dijkteruglegging

De alternatieven voor dijkteruglegging bestaan uit een te onderzoeken tracé voor dijkteruglegging en een voorstel voor de inrichting van het nieuwe buitendijkse gebied. De beoordeling in dit MER ziet gedetailleerd op de effecten van de buitendijkse ontwikkelingen en de locatie van de nieuwe dijk. Voor de effectbeoordeling en kostenraming is gebruik gemaakt van een verfijnder ontwerp per alternatief uit start zeef 2).

3.5.1

Uitgangspunten bij alternatieven dijkteruglegging

Dijkprofiel Voor de uiteindelijke dijk wordt uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als bij de dijkversterking. De dijk sluit qua vorm aan op de dijk in de aansluitende dijksecties. Zoekgebied Het zoekgebied voor de dijkteruglegging is kleiner dan in het Barro of eerdere onderzoeken (provincie Gelderland, 2016). Het zoekgebied ligt achter de grens van de huizen van de Dijkstraat om omgevingseffecten te verminderen. Bovendien is rekening gehouden met de ligging van enkele kabels en leidingen ten westen van het zoekgebied. Het zoekgebied is groot genoeg om aan de ambitie voor waterstandsdaling in de orde grootte van centimeters te voldoen. Het zoekgebied ligt binnen één dijksectie (dijksectie 12). Dijktracés We onderzoeken twee onderscheidende dijktracés. De ligging is afgestemd op de bestaande functies in het gebied en de vormgeving houdt rekening met de gewenste vorm voor waterstandsdaling. Bij het opstellen van het voorkeursalternatief zijn optimalisaties van het tracé mogelijk binnen het zoekgebied. Algemene maatregelen In alle alternatieven vinden de volgende maatregelen plaats: - weg. De dijkverlegging betekent eveneens dat de weg op de dijk wordt verlegd. Deze wordt ook op de nieuwe dijk aangelegd en aangesloten op de aanliggende dijksecties, zodat de verkeersfunctie behouden blijft; - stortsteen. Op het onderste dijktalud wordt stortsteen aangebracht (5-40 kg).

Aan de westzijde van de uiterwaard wordt na afgraving aanvullend nog een grove stortsteen aangebracht (40-200 kg); - bestemmingen. Door het verleggen van de dijk moeten ook bestemmingen worden aangepast. Dit betekent ondermeer dat de dubbelbestemming met waterstaatsfunctie naar binnen uitbreidt. Dit legt beperkingen op aan binnendijkse functies. Anderzijds vervalt de strategische reservering voor dijkteruglegging binnendijks en worden hiermee investeringen in het gebied weer mogelijk;

39 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

-

Inundatiefrequentie. Mogelijk wijzigt de inundatiefrequentie. Dit kan gevolgen hebben voor natuur en gebruik.

3.5.2

Alternatief dijkteruglegging 1: beperkte verlegging

Alternatief 1 (afbeelding 3.6) onderscheidt zich door een beperkte dijkverlegging en de mogelijkheid tot het behoud van huidige functies in combinatie met een effectieve waterstanddaling. Dijktracé Het winterbed van de rivier wordt verbreed door het dijktracé binnen het zoekgebied op het nauwste punt in de rivier ongeveer 100 m te verleggen. Hierbij ligt de grens bij het glastuinbouwgebied. De dijkverlegging beslaat niet het hele tracé van dijksectie 12, in tegenstelling tot de overige twee alternatieven. Aan de randen blijft het tracé gelijk aan het huidige tracé. Dit betekent dat aan de westzijde Waaldijk 37 en 36 buiten het ruimtebeslag van de verlegging vallen, en aan de oostzijde Waaldijk 47 en woningen langs de Dijkstraat (wel binnen het ruimtebeslag van dijkversterking). Binnen dit alternatief wordt er vanuit gegaan dat deze woningen (met eventuele bedrijfspanden) behouden blijven. De dijk wordt circa op hoogte NAP +16 m aangelegd met taluds van 1:3. Waaldijk 40, 41 en 46 vallen binnen het ruimtebeslag van de nieuw aan te leggen dijk, en blijven daarom niet behouden. Afgraving huidige dijk, verlaging maaiveld Ook een twintigtal bungalows op de camping en de Brasserie (Waaldijk 38 en 39) blijft niet op de huidige locatie behouden, vanwege het verplaatsen van de dijk en het verlagen van het maaiveld van de uiterwaard naar NAP +8 m.

Afbeelding 3.15 Alternatief 1 voor dijkteruglegging: beperkte verlegging

40 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Nevengeul Er komt een kleine nevengeul (inham) van ongeveer 250 m lengte ter hoogte van de huidige oude loswal die nu nog ten oosten van de camping aanwezig is. Dat is korter dan voorzien in de schetsen in de NRD, omdat de uiterwaard meer westwaarts te smal is voor een functionele nevengeul. De bodem van de geul ligt op NAP +2 m. Om erosie tegen te gaan, bestaat de ondergrond van de geul (mede) uit grind. Het talud (1:3 bij de inlaat, 1:4 bij het einde) is optimaal voor de waterveiligheidsfunctie, er is maar beperkt ruimte voor een natuurvriendelijke inrichting van de oever. Langsdam en kribben De oude loswal wordt verwijderd vanwege de inlaat van de nevengeul, waarbij deels weer kribben worden teruggebracht. De overige kribben blijven gehandhaafd. Zomerkade De zomerkade aan de zijde van de Oosterhoutse Waarden sluit nu aan op de primaire waterkering. De hoogte van de zomerkade is NAP +10 m. Dit betekent dat de Oosterhoutse Waarden de huidige overstromingsfrequentie behouden. Om erosie bij hoogwater tegen te gaan en vanwege stroomlijning van de kade, heeft de benedenstroomse zijde van het nieuwe stukje zomerkade een flauwe helling (1:7). Het andere talud is conform het ontwerp van de huidige zomerkade 1:3. Op de zomerkade wordt stortsteen toegepast (5-40 kg).

Vegetatiebeheer In de uiterwaard is het beheer gericht op kruiden- en faunarijk grasland, in aansluiting met het natuurlijk beheer in de Loenense Buitenpolder en de Oosterhoutse Waarden. De vegetatie tussen de kribben is gelijk aan de situatie zoals nu aanwezig tussen de kribben in het gebied. Er is maar beperkt ruimte voor een natuurvriendelijke inrichting van de oever. De vegetatie op de dijk sluit aan op de overige dijksecties, conform de huidige situatie.

3.5.3

Alternatief dijkteruglegging 2: natuurverbinding

In het alternatief 2 (afbeelding 3.16) worden de twee natuurgebieden Oosterhoutse waarden en de Loenense Buitenpolder verbonden. Binnen dit alternatief is de uiterwaard zo ingericht dat de maximale natuurwaarden en de maximale waterstanddaling kunnen worden gerealiseerd.

41 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Afbeelding 3.16 Alternatief 2 voor dijkteruglegging: natuurverbinding

Dijktracé Het winterbed van de rivier wordt verbreed door het dijktracé terug te leggen naar ongeveer de erfgrens van de huizen langs de Dijkstraat. Hierbij komt een deel van de kassen te vervallen. De dijkverlegging beslaat vrijwel het hele tracé van dijksectie 12. De woningen op Dijkstraat 2, 3, 13a en Waaldijk 47 blijven behouden binnen dit alternatief. De dijk wordt circa op hoogte NAP +16 m aangelegd met taluds van 1:3. Het agrarisch bedrijf op Waaldijk 36 ligt binnen het ruimtebeslag van de nieuwe dijk. Ook de kassen ten zuiden van de Dijkstraat komen hierdoor de vervallen. Afgraving huidige dijk, verlaging maaiveld Ook een twintigtal bungalows op de camping en de Brasserie (Waaldijk 38 en 39) blijft niet op de huidige locatie behouden, vanwege het verplaatsen van de dijk en het verlagen van het maaiveld van de uiterwaard naar NAP +8m. Ook de panden op de adreslocaties Waaldijk 37, 40, 41, 42, 43 en 46 komen te vervallen. Nevengeul De dijkverlegging maakt een nevengeul van ruim 600 m lengte mogelijk. De bodem van de geul ligt op NAP +2 m. Om erosie tegen te gaan, bestaat de ondergrond van de geul (mede) uit grind. Het talud maakt (deels) de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers mogelijk (1:5 bij de inlaat, 1:4 in het midden, 1:3 bij het einde).

Langsdam en kribben In de rivier wordt een langsdam aangelegd die de werking van de kribben vervangt en de inlaat van de nevengeul beschermd. Hiervoor worden de oude loswal en kribben verwijderd. Vanaf de langsdam (tot NAP +10 m) loopt de (onderwater)bodem geleidelijk op tot aan NAP +8 m in de uiterwaard.

42 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Zomerkade De zomerkade aan de zijde van de Oosterhoutse Waarden sluit nu aan op de primaire waterkering via een overstroombare drempel (inlaat). De hoogte van de drempel is NAP +10 m. Dit betekent dat de Oosterhoutse Waarden de huidige overstromingsfrequentie behouden. Om erosie bij hoogwater tegen te gaan en vanwege het stroomlijnen van de kade, heeft de benedenstroomse zijde van het nieuwe stukje zomerkade een flauwe helling (1:7). Het andere talud is conform het ontwerp van de huidige zomerkade 1:3. Op de zomerkade wordt stortsteen toegepast (5-40 kg). Er wordt een nieuwe zomerkade parallel aan de rivier aangelegd. Vegetatiebeheer In de uiterwaard is het beheer gericht op kruiden- en faunarijk grasland, in aansluiting met het natuurlijk beheer in de Loenense Buitenpolder en de Oosterhoutse Waarden. De vegetatie tussen de kribben is gelijk aan de situatie zoals nu aanwezig tussen de kribben in het gebied. De oevers van de nevengeul zijn (gedeeltelijk) geschikt als natuurvriendelijke oever. De vegetatie op de dijk sluit aan op de overige dijksecties, conform de huidige situatie.

3.5.4

Alternatief dijkteruglegging 3: recreatief rivierpark

Alternatief 3 sluit aan op nieuwe ontwikkelingen als het buitendijks wonen op een eiland, zoals nu mogelijk is bij Veur-Lent. Aandachtspunt is de hoogwaterveiligheid voor de gebruikers van het nu buitendijkse gebied.

Afbeelding 3.17 Kansrijk alternatief 3 voor dijkteruglegging: recreatief rivierpark

43 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Dijktracé Conform alternatief 2 wordt het winterbed van de rivier verbreed door het dijktracé terug te leggen naar ongeveer de erfgrens van de huizen langs de Dijkstraat. Hierbij komt een deel van de kassen te vervallen. De dijkverlegging beslaat vrijwel het hele tracé van dijksectie 12. De woningen op Dijkstraat 2, 3, 13a en Waaldijk 47 blijven behouden binnen dit alternatief. De dijk wordt circa op hoogte NAP +16 m aangelegd met taluds van 1:3. Het agrarisch bedrijf op Waaldijk 36 ligt binnen het ruimtebeslag van de nieuwe dijk. Ook de kassen ten zuiden van de Dijkstraat komen hierdoor de vervallen. Afgraving huidige dijk, verlaging maaiveld De huidige dijk wordt deels behouden als een eiland met een woonbestemming en recreatieve functie. Het eiland word gevormd door de dijk en een gebied daarachter op te hogen tot NAP +16 (ten oosten van de brug) en NAP +10 (ten westen van de brug). Op dit eiland kunnen de Brasserie en Waaldijk 42 en 43 behouden blijven. Het twintigtal bungalows op de camping (Waaldijk 38 en 39) blijft niet op de huidige locatie behouden, vanwege onder andere het verlagen van het maaiveld van de uiterwaard naar NAP +8 m en de aanleg van een nevengeul. In dit alternatief wordt het behoud van de verblijfsrecreatie functie op het nieuwe eiland onderzocht. Als uitgangspunt is de herplaatsing van de huidige campingfunctie op en aan het eiland genomen.

De panden op de adreslocaties Waaldijk 37, 40, 41 en 46 komen te vervallen. Er is een mogelijkheid om deze woningen te herbouwen op het eiland, echter dat is nu niet als uitgangspunt opgenomen. De ontsluiting van het eiland vind plaats via een nieuwe, hoogwatervrije brug (NAP + 16m) en via de overstroombare drempel ten oosten van de geul (NAP +10 m). Nevengeul De dijkverlegging maakt een nevengeul van ruim 600 m lengte mogelijk. De bodem van de geul ligt op NAP +2 m. Om erosie tegen te gaan, bestaat de ondergrond (mede) uit grind. Het talud maakt (deels) de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers mogelijk (1:5 bij de inlaat, 1:4 in het midden, 1:3 bij het einde). Langsdam en kribben Behalve daar waar de inlaat wordt gegraven, blijven de huidige kribben en ook de oude loswal behouden. Zomerkade De zomerkade aan de zijde van de Oosterhoutse Waarden sluit nu aan op de primaire waterkering via een overstroombare drempel (inlaat). De hoogte van de drempel is NAP +10 m. Dit betekent dat de Oosterhoutse Waarden de huidige overstromingsfrequentie behouden. Om erosie bij hoogwater tegen te gaan, heeft de benedenstroomse zijde van de drempel een flauwe helling (1:7) en wordt hier beton toegepast. Het andere talud is conform het ontwerp van de huidige zomerkade 1:3. Op de zomerkade wordt stortsteen toegepast (5-40 kg).

Vegetatiebeheer In de uiterwaard zonder recreatieve functie is het beheer gericht op kruiden- en faunarijk grasland, in aansluiting met het natuurlijk beheer in de Loenense Buitenpolder en de Oosterhoutse Waarden. Een gedeelte van de uiterwaard tussen het eiland en de rivier heeft recreatieve bestemming als camping (seizoensplaatsen) De vegetatie tussen de kribben is gelijk aan de situatie zoals nu aanwezig tussen de kribben in het gebied. De oevers van de nevengeul zijn (gedeeltelijk) geschikt als natuurvriendelijke oever. De vegetatie op de dijk sluit aan op de overige dijksecties, conform de huidige situatie.

44 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

3.6

Doorkijk voorkeursalternatief

Resultaat verkenning Het resultaat van de verkenning is een keuze voor een voorkeursalternatief. Het voorkeursalternatief is nog niet heel precies ontworpen, het detailniveau is gelijk aan een schetsontwerp. Het voorkeursalternatief bestaat niet uit een alternatief dat in dit MER is beoordeeld. Het bestaat als een soort kralenketting uit verschillende alternatieven per (deel)dijksectie en verschillende maatwerklocaties. Het besluit voor het voorkeursalternatief aan het eind van de verkenning betreft de keuze voor: 1 een dijkversterking. Per (deel)dijksectie is duidelijk welk alternatief met welke mitigerende maatregelen meegaat; 2 een dijkversterking met in dijksectie 12 een dijkteruglegging. Voor dijksectie 12 is duidelijk welk tracé wordt vastgelegd en met welke ontwikkelingen en mitigerende maatregelen rekening wordt gehouden. Het voorkeursalternatief legt daarnaast vast welke meekoppelkansen en maatwerklocaties in de planuitwerking, met welke randvoorwaarden, nader worden ontworpen.

Afweging voorkeursalternatief De afwegingen waar welk dijkversterkingsalternatief moet worden gekozen, voor al dan niet een dijkteruglegging, en of meekoppelkansen daadwerkelijk meegaan in het ontwerp, hangen af van de volgende factoren: - technische uitvoerbaarheid en effectiviteit (technische eisen, waterstandsdaling dijkteruglegging) - financierbaarheid (sober en doelmatig, businesscase dijkteruglegging, zicht op financiering meekoppelkansen) - vergunbaarheid - planning (haalbaarheid dijkversterkingsalternatieven, leiden dijkteruglegging/meekoppelkansen tot vertraging voor het op orde brengen van de hoogwaterveiligheid) - bestuurlijk- en omgevingsdraagvlak. Het MER fase 1 dient ter ondersteuning van het bestuurlijke besluit voor het voorkeursalternatief. De afwegingen wordt niet in het MER gemaakt. Het MER maakt, naast de milieu- en omgevingseffecten, wel de doelmatigheid, planning en de kosten van de alternatieven inzichtelijk. Planuitwerking MER fase 2 maakt op basis van het definitieve ontwerp en de uitvoeringsmethoden de effecten van het definitieve ontwerp van het voorkeursalternatief inzichtelijk. Het MER fase 2 gaat in op het complete beoordelingskader, dus niet het beperkt uitgewerkt beoordelingskader in dit MER fase 1. Op basis hiervan vraagt het waterschap in de planuitwerking de besluiten en vergunningen aan.

In de planuitwerkingsfase wordt voor het voorkeursalternatief een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming opgesteld als significante effecten op Natura 2000-gebied(en) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

45 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

4 AANPAK MER Dit hoofdstuk beschrijft het plan van aanpak voor het milieuonderzoek. Paragraaf 4.1 geeft aan wat het plangebied is en het studiegebied. Paragraaf 4.2 gaat in op welke wetten en welk beleid in het MER een rol spelen en waar deze informatie te vinden is. Paragraaf 4.3 geeft het beoordelingskader.

4.1

Plan- en studiegebied

Plangebied Het plangebied is het ingreepgebied zoals dit uiteindelijk wordt opgenomen in het projectplan Waterwet en/of ruimtelijk plan en vergunningen. Het plangebied voor Wolferen-Sprok omvat in ieder geval de dijksecties in de scope (hoofdstuk 2). Tijdens de m.e.r.-procedure houden we in eerste instantie het maximale ruimtebeslag van de alternatieven aan als plangebied voor de dijkversterking. Daarnaast is er sprake van een zoekgebied voor de dijkteruglegging ter hoogte van Oosterhout. In afbeelding 1.1 is het plangebied gevisualiseerd. Studiegebied De effecten van de voorgenomen activiteit kunnen verder reiken dan de grenzen van het plangebied. In het MER wordt daarmee rekening gehouden. De omvang van het studiegebied moet zodanig groot zijn dat alle relevante effecten binnen het onderzoekgebied vallen. Het studiegebied kan per onderwerp en effect dus verschillen, afhankelijk van het bereik van de effecten. Bijlage II-X geven per criterium aan wat het studiegebied is.

4.2

Wettelijk- en beleidskader

Wettelijke- en beleidskaders geven randvoorwaarden aan de voorgenomen activiteit. Het MER houdt hier rekening mee bij het opstellen van het beoordelingskader en het concretiseren van de beoordeling. In hoofdstuk 2 zijn de belangrijkste richtinggevende wetten en kaders voor de planvorming al toegelicht. Bijlage II-X gaan in op de thema specifieke wettelijke- en beleidskaders en richtlijnen.

4.3

Beoordelingskader

Het beoordelingskader in tabel 4.1 dient meerdere doelen. Het is gericht op de informatie die nodig is voor de besluitvorming over het voorkeursalternatief in het kader van de verkenningsfase (MER fase 1). Het omvat het zowel aspecten van dijkversterking als dijkteruglegging. De effectbepaling in dit MER is afgestemd op de te maken keuze: - zinvolle effectbepaling: alleen de effecten op die aspecten die naar verwachting significant en/of duidelijk onderscheidend zijn tussen de alternatieven; - effecten zinvol bepalen: het detailniveau van de beoordeling moet een keuze tussen de alternatieven mogelijk maken of aangeven waar mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Bijlagen II-X onderbouwen waarom het beoordelingskader uit de NRD (Witteveen+Bos, 2018) op deze wijze specifiek is gemaakt voor MER fase 1.

46 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Tabel 4.1 Specifiek beoordelingskader voor MER fase 1, de verkenning Thema

Beoordelingscriteria, invloed op

Fase

hoogwaterveiligheidsfunctie

-

robuustheid/klimaatadaptatie waterkering

gebruik

rivierkunde

-

waterstandsdaling en opstuwing afvoerverdeling bij Pannerdensche kop stroombeeld in vaarweg sedimentatie en erosie zomer- en winterbed

aanleg en gebruik

natuur

-

aanleg en gebruik

-

Wet natuurbescherming - Natura 2000: habitattypen Wet natuurbescherming - Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten Wet natuurbescherming - Natura 2000: Vogelrichtlijnsoorten Wet natuurbescherming: soorten + rode lijst soorten Wet natuurbescherming - houtopstanden, en bomen Kaderrichtlijn Water Geldersch natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

bodem

-

bodemkwaliteit benodigd grondverzet

gebruik

water

-

oppervlaktewater grondwater

gebruik

erfgoed

-

historisch-geografische structuren, ensembles en elementen historische (steden)bouwkundige ensembles en elementen archeologische (verwachtings)waarden aardkundige waarden

gebruik

belevingswaarde

-

belevingswaarde dijk, rivier en binnen- en buitendijkse gebieden

gebruik

gebruikswaarde

-

woonfunctie (woningen, woonkwaliteit) werkfuncties (bedrijven, areaal, werkkwaliteit) scheepvaartfunctie verkeersfunctie recreatiefunctie (gebieden, routes, recreatieve kwaliteit)

gebruik

toekomstwaarde

-

meekoppelkansen toekomstige adaptatie duurzaam materiaalgebruik en energiegebruik

aanleg en gebruik

kosten

-

investeringskosten levenscycluskosten businesscase

aanleg en gebruik

Uitwerking beoordelingskader en maatlatten Bijlage II-X beschrijven de thema’s, criteria en de operationalisering daarvan (de maatlatten voor de beoordeling). De beoordeling vindt plaats op een 5-punt schaal, zoals aangegeven in tabel 4.2. De beoordeling is ten opzichte van de referentiesituatie. Dat betekent bijvoorbeeld dat als er geen wijziging is, geen effect, dat de beoordeling neutraal is ten opzichte van de referentiesituatie.

47 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Tabel 4.2 Scoretabel Kwalitatieve score

Betekenis

--

zeer negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie (risico voor haalbaarheid van het plan)

-

negatieve effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

geen effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

++

zeer positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Aanlegfase en gebruiksfase Dit MER gaat met name in op de gevolgen van het ontwerp op de betreffende locaties, het gebruik van de waterkering. Voor het thema natuur en toekomstwaarde is ook gekeken naar de effecten van de ingrepen in de aanlegfase. Het MER geeft aan of de ingrepen uit de aanleg- en gebruiksfase leiden tot tijdelijke of permanente gevolgen. De beoordeling van de effecten in de gebruiksfase gaat over het verschil in ontwerp en gebruik tussen de referentiesituatie en de eindsituatie. Door het realiseren van de dijk, door het ruimtebeslag van de dijk of dijkteruglegging, kan natuurgebied verdwijnen, moeten wellicht archeologische resten opgegraven of een woning gesloopt. Het aangepaste gebruik van de waterkering leidt ook tot effecten, zoals door ander beheer van de dijk, of van ander verkeer op de dijk. Effecten tijdens de gebruiksfase zijn vaak langdurig of permanent van aard. In de aanlegfase is er bijvoorbeeld extra drukte op de dijk van het werkverkeer en is de weg afgesloten. Dit kan effecten hebben op de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid van woningen en bedrijven in de aanlegfase. Na het in gebruik nemen van de dijk zijn deze effecten verdwenen: ze zijn tijdelijk. De aanlegfase kan ook leiden tot permanente effecten. Stikstofemissie van het materieel kan ervoor zorgen dat bepaalde natuursoorten permanent verdwijnen.

De aanlegfase wordt met name in het MER fase 2 uitgewerkt. In fase 1 wordt de aanlegfase meegenomen als verwacht wordt dat de uitvoering leidt tot significant negatieve effecten of een duidelijk onderscheid tussen alternatieven.

48 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

5 EFFECTEN DIJKVERSTERKING 5.1

Overzicht effecten

De volgende paragrafen lichten per thema de effecten toe van de dijkversterkingsalternatieven voor de dijksecties 1-3 en 8-17. Voor dijksecties 4-7 is een beoordeling van kansen en risico’s bij de voorkeursalternatieven opgesteld. Deze is in bijlage XII opgenomen. Tabel 5.1 geeft alvast het overzicht van de onderscheidende effecten. Onderscheidende effecten Alternatief 1 (versterken in grond) sluit met het gebruik van grond aan op de referentiesituatie en is de robuuste oplossing. Dat wil zeggen, het beste uit te breiden in de toekomst. Bovendien is dit alternatief op de langere termijn goedkoper. Daarentegen heeft dit alternatief meer ruimtebeslag dan de andere twee alternatieven. Het alternatief heeft vanwege dit ruimtebeslag bodemsaneringen nodig, en daarom een positief effect op de bodemkwaliteit (dijksectie 12, 13, 15, 16). De grote binnenberm gecombineerd met de buitenberm, leidt tot zeer negatieve effecten vanwege invloed op: - opstuwing (met name dijksectie 12, bij worst case buitendijkse verbreding voor kruinverhoging); - houtopstanden en bomen (alle dijksecties); - oppervlaktewater (dijksecties 12, 13 en 15); - woningen (60, met name dijksectie 10, ook 1, 11-17) en - landbouwareaal (vrijwel alle dijksecties).

Daarnaast heeft dit alternatief ook meer negatieve invloed op grondverzet, werkkwaliteit (parkeerplaatsen) en de recreatiefunctie ten opzichte van de andere alternatieven. Alternatieven 2 en 3 veroorzaken over het algemeen kleinere negatieve effecten. Zoals die vanwege de invloed op houtopstanden en bomen (alle dijksecties), woningen (circa 10, in dijksecties 1, 12-14 en 16) en landbouwareaal (vrijwel alle dijksecties). Daarentegen zijn ze vanwege het gebruik van constructies voor alle dijksecties ook minder robuust, veroorzaken ze problemen met het grondwater, en zijn duurder dan alternatief 1. Alternatief 2 (binnendijkse constructie) heeft, net als alternatief 1, een buitendijkse berm in het ontwerp. Ook dit alternatief veroorzaakt zeer negatieve effecten door opstuwing op de rivier (met name door dijksectie 12). De buitendijkse berm raakt aan kolken in dijksectie 8, 10, 14 en 15, waardoor alternatief 1 en 2 hier een negatief effect hebben. Alternatief 3 heeft, tot slot, het minste grondverzet nodig.

49 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

hoogwaterveiligheidsfunctie

robuustheid/klimaatadaptatie waterkering

rivierkunde

waterstandsdaling en opstuwing

--

--

0

natuur

Wet natuurbescherming - houtopstanden en bomen

--

-

-

bodem

bodemkwaliteit

+

0

0

benodigd grondverzet

-

0

+

oppervlaktewater

--

0

0

grondwater

0

-

-

erfgoed

historisch-geografische structuren, ensembles en elementen

-

-

0

gebruikswaarde

woonfunctie - woningen

--

-

-

werkfunctie -areaal

--

-

-

werkfunctie -werkkwaliteit

-

0

0

recreatiefunctie

-

0

0

meekoppelkansen (positieve effecten)

+

+

+

meekoppelkansen (negatieve effecten)

-

-

-

duurzaam materiaal- en energiegebruik

--

-

-

investeringskosten inclusief vastgoed (m€)

71 - 116

72 - 116

80 - 131

investeringskosten exclusief vastgoed (m€)

42 - 68

60 - 97

70 - 113

levenscycluskosten, 100 jaar (m€)

143 - 232

153 - 249

180 - 293

levenscycluskosten, 50 jaar (m€)

111 - 180

99 - 161

105 - 170

kosten

3

binnen- en buitendijkse constructie

Beoordelingscriteria, invloed op

toekomstwaarde

2

binnendijkse constructie

Thema

water

1

versterken in grond

Tabel 5.1 Overzichtstabel onderscheidende effecten alternatieven dijkversterking

0

-

-

Zeer negatieve effecten De zeer negatieve beoordelingen zijn niet in tabel 5.1 opgenomen, omdat ze niet onderscheidend zijn. Wel zijn dergelijke beoordelingen van belang voor de vergunbaarheid van of draagvlak voor een alternatief. Er is bij alle alternatieven sprake van zeer negatieve effecten op natura 2000-gebieden, beschermde soorten, en Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszones (alle dijksecties), monumenten (dijksectie 1/2, 3, 1316 in alle alternatieven, 8-9, 17 voor alternatief 1) en archeologie (alle dijksecties). Deze effecten zijn significant negatief en het is belangrijk dat het voorkeursalternatief hiervoor maatregelen bevat om de effecten te verzachten of te compenseren. Voor deze aspecten is het nemen van maatregelen wettelijk verplicht (en deels opgenomen in de kostenraming). Maatregelen zijn mogelijk en, bij uitvoering daarvan, zijn de alternatieven naar verwachting vergunbaar. Voorkeur per dijksectie Bijlage XI geeft een tabel waarin per dijksectie de onderscheidende effecten zijn weergegeven. Vanuit robuustheid en deels kosten is er een voorkeur voor alternatief 1, versterken in grond. Op vrijwel alle dijksecties is op basis van het ruimtebeslag en de omliggende omgevingswaarden echter voorkeur voor

50 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

alternatief 3. Ook alternatief 2 heeft vaak voorkeur boven alternatief 1, omdat hierin minder binnendijkse effecten plaatsvinden. Ondanks dat deze alternatieven ook significant negatieve effecten op natuur en erfgoed veroorzaken, is er vanwege het kleinere ruimtebeslag vanuit de meeste milieueffecten toch de voorkeur voor alternatief 3 (of 2). Op dijksectieniveau is zonder het vaststellen van optimaliserende en mitigerende maatregelen, niet direct een dijksectie aan te wijzen waar alternatief 1 de voorkeur heeft. Alternatief 1 is mogelijk als bij monumenten, houtopstanden en bomen, kolken en watergangen wordt gekozen voor een ander alternatief, maatwerkoplossing of compensatie. Op vrijwel elke dijksectie zijn meerdere waardevolle elementen aanwezig. Gevolg van dit alternatief is ook de benodigde aankoop van veel woningen en land, wat mogelijk leidt tot minder draagvlak. Ondanks dat is het alternatief wel het goedkoopst in investering (inclusief grondaankopen e.d.) en beheer en onderhoud.

5.2

Hoogwaterveiligheidsfunctie

Alle alternatieven voldoen aan het doelbereik (een veilige dijk) en de planning (realisatie voor eind 2022). Daarom gaat deze paragraaf alleen in op robuustheid/klimaatadaptatie waterkering.

5.2.1

Robuustheid/klimaatadaptatie waterkering

Alternatieven Robuustheid van het ontwerp gaat over rekening houden met toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden, zodat het uitgevoerde ontwerp tijdens de planperiode blijft functioneren zonder dat ingrijpende en kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn. Hiermee is rekening gehouden in het ontwerp. Daarnaast hangt robuustheid samen met de uitbreidbaarheid van het ontwerp bij een toekomstige dijkversterking. Dat laatste is onderscheidend tussen de alternatieven. Constructies zijn niet eenvoudig uit te breiden. Alternatief 1 bezit van alle alternatieven de meeste bouwstenen in grond. De stabiliteit en de hoogte worden met een grondlichaam op orde gebracht voor de situatie 2075 (zie toelichting in hoofdstuk 3). Alleen voor piping wordt een innovatieve constructie toegepast, uitgegaan is van een constructie met geotextiel (VZG), maar ook drainagetechniek (zoals een grindkoffer) of een zogenaamde zandbarrière behoren tot de mogelijkheden. Dit zijn innovatieve, nog weinig toegepaste maatregelen. Er wordt daarom ook rekening gehouden met de terugvaloptie op een (lichte) damwandconstructie. Alternatief 2 heeft een (zware) constructie aan de binnenzijde. Op de kruin en buitendijks wordt wel grond toegepast (voor de situatie 2125). Alternatief 3 kent twee (zware) constructies. Op de kruin wordt wel grond toegepast (voor de situatie 2075).

Dit betekent dat alternatief 3 het minst flexibel is om in de toekomst uit te breiden. In de toekomst moeten de constructies mogelijk weer verwijderd worden. Bij alternatief 2 is dit voor één constructie het geval. Deze alternatieven betekenen dus een verslechtering van de huidige situatie (-). Bij alternatief 1 wordt voor piping wel een lichte constructie toegepast. Aan deze constructie worden minder eisen gesteld, dus deze is makkelijker te vervangen dan een zware constructie. Ondanks dit licht negatieve effect, is alternatief 1 neutraal beoordeeld ten opzichte van de huidige situatie. Meekoppelkansen Meekoppelkansen die de dijk aanvullend verbreden (‘overdimensioneren’) kunnen de robuustheid van de waterkering vergroten. Als voor de meekoppelkansen aanvullende constructies worden aangelegd, heeft dit invloed op de robuustheid van het ontwerp. Op dit moment ligt dit echter nog niet besloten in de meekoppelkansen.

51 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

5.2.2

Overzicht effecten hoogwaterveiligheidsfunctie

Alternatief 2 en 3 zijn vanwege het gebruik van 1 of 2 zware constructies minder flexibel om in de toekomst uit te breiden. De constructies zijn in grond gevat, dus robuuster dan constructies zonder grondlichaam. Constructies zijn echter moeilijk uitbreidbaar. Deze alternatieven betekenen op de meeste locaties dus een verslechtering van de referentiesituatie (-). Bij alternatief 1 wordt voor piping wel een innovatieve constructie toegepast. Aan een pipingconstructie worden minder eisen gesteld, dus deze is makkelijker te vervangen dan een zware constructie die ook dienst doet voor stabiliteit. Daarom is dit alternatief neutraal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. De effecten zijn niet onderscheidend per dijksectie.

hoogwaterveiligheidsfunctie

robuustheid/klimaatadaptatie waterkering

5.3

1

2

3

binnen- en buitendijkse constructie

Beoordelingscriteria, invloed op

binnendijkse constructie

Thema

versterken in grond

Tabel 5.2 Overzichtstabel effecten alternatieven dijkversterking hoogwaterveiligheidsfunctie

0

-

-

Rivierkunde

Voor de alternatievenvergelijking voor de dijkversterking is alleen waterstandsdaling en opstuwing relevant. Bijlage III legt uit dat de andere aspecten voor rivierkunde naar verwachting klein en niet onderscheidend zijn.

5.3.1

Waterstandsdaling en opstuwing

Alternatieven Op basis van een modelberekening veroorzaakt alternatief 2 (binnendijkse constructie) meer opstuwing op de rivieras dan is toegestaan (meer dan 1 mm). Daarmee voldoet het niet aan het rivierkundig beoordelingskader (--). Voor alternatief 1 (versterken in grond) bedraagt de opstuwing (op basis van expert judgement) waarschijnlijk minder dan een millimeter, hierbij is uitgegaan van alleen een buitenberm. Beschouwen we de verbreding vanwege de verhoging mee (worst case), dan zijn de effecten gelijk aan alternatief 2 (--). Alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructie) veroorzaakt naar verwachting geen opstuwing op de rivieras (0). Vooral rivierwaartse versterking in dijksectie 12 veroorzaakt de opstuwing. Meekoppelkansen In de Loenensche Buitenpolder is een KRW-geul aangelegd. Verruiming van de geul kan mogelijk als compensatiemaatregel dienen. Momenteel is dit nog niet bij de meekoppelkansen meegenomen. Als de benoemde meekoppelkansen, zoals parkeren op de dijk, buitenwaarts ruimtebeslag claimen, ontstaat mogelijk aanvullende opstuwing boven die hier beschreven effecten.

52 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

5.3.2

Overzicht effecten rivierkunde

Tabel 5.3 toont de effectbeoordeling van de drie alternatieven van de rivierwaartse dijkversterking. Uit een eerste globale modellering blijkt dat bij elke buitendijkse berm van 10 m de opstuwing meer dan 1 mm bedraagt. Dit betekent, vanwege de onvergunbaarheid van een dergelijk effect (--), dat voor alternatief 1 (versterken in grond) en alternatief 2 (binnendijkse constructie) mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig zijn. Voor alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructie) is de verbreding van de dijk zo klein dat hier naar verwachting geen effect is (0).

rivierkunde

waterstandsdaling en opstuwing

5.4

1

2

3

binnen- en buitendijkse constructie

Beoordelingscriteria, invloed op

binnendijkse constructie

Thema

versterken in grond

Tabel 5.3 Overzichtstabel effecten alternatieven dijkversterking rivierkunde

--

--

0

Natuur

Onderstaande paragrafen gaan in op de effecten op beschermde gebieden, beschermde soorten, houtopstanden en KRW.

5.4.1

Wet natuurbescherming - Natura 2000: habitattypen

Op het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn in verband met de dijkversterking de criteria vernietiging, verzuring/vermesting en verstoring relevant. Van de overige criteria kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Er vindt geen vernietiging van habitattypen plaats, deze liggen niet binnen het ruimtebeslag. Voor wat betreft stikstofdepositie is er geen verschil tussen de alternatieven, omdat alle alternatieven leiden tot stikstofdepositie op habitattypen waarvan de KDW al overschreden is. Er is echter wel een verschil tussen de hoeveelheden van de alternatieven in de aanlegfase waardoor er wel een voorkeur is: alternatief 3 (binnenen buitendijkse constructies) levert de minste stikstofdepositie in de aanlegfase en alternatief 1 (versterken in grond) levert het meeste. Alternatief 3 heeft daarmee de voorkeur. In de gebruiksfase zijn deze hoeveelheden gelijk. Effecten op dit onderdeel hebben betrekking op alle dijksecties.

5.4.2

Wet natuurbescherming - Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten

Voor Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten is geen verschil tussen de alternatieven, omdat bij alle alternatieven sprake is van potentiële vernietiging van leefgebied met significant negatieve effecten tot gevolg. De potentiële vernietiging van de alternatieven is wel verschillend, waardoor er wel een voorkeur is. Alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructie) zorgt voor de minste vernietiging van Natura 2000-gebied en leefgebied van soorten met een instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebied Rijntakken en heeft dus de voorkeur boven alternatieven 1 (versterking in grond) en 2 (buitendijkse constructie). Dit geldt

53 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

ook voor eventuele negatieve effecten als gevolg van tijdelijke stikstofdepositie in de aanlegfase; bij alternatief 3 is de stikstofdepositie het laagst. Voor potentiële verstoring is er een andere voorkeur; de langdurigere maar continue verstoring bij de aanleg van alternatief 1 heeft de voorkeur boven de korter durende, maar met piekgeluiden gepaard gaande verstoring in de aanlegfase van alternatieven 2 en 3. Vernietiging, verzuring en verstoring heeft betrekking op alle dijksecties.

5.4.3

Wet natuurbescherming - Soortenbescherming en rode lijstsoorten

Voor de Wet natuurbescherming - soortenbescherming zijn de criteria vernietiging en verstoring relevant. Voor de rodelijstsoorten is enkel vernietiging van leefgebied beschouwd. Effecten van de overige criteria zijn op voorhand uitgesloten. Voor vernietiging van leefgebied van beschermde soorten en rodelijstsoorten geldt dat over het algemeen alternatieven 2 en 3 binnendijks het minste ruimtebeslag hebben (geen onderling verschil) en dat buitendijks alternatief 3 minder ruimtebeslag heeft dan 1 en 2. Het verschil is binnendijks het grootst, maar ook buitendijks scheelt het enkele meters. Wel blijkt binnendijks de grootste kans op het aantreffen van soorten waarvoor een ontheffing mogelijk moeilijk of niet verkregen kan worden. Dit op basis van de (matig) ongunstige staat van instandhouding. Daarom is er een voorkeur voor alternatief 3. De vernietiging is het gevolg van het ruimtebeslag van de dijk (gebruiksfase) en heeft betrekking op alle dijksecties.

5.4.4

Wet natuurbescherming - Houtopstanden en bomen

De toetsing van effecten op de aanwezige bomen en houtopstanden betreft permanente vernietiging van oppervlaktes bos of individuele bomen ter plaatse van het ruimtebeslag en in hoeverre er kansen zijn voor herplant. Overige effecten zijn niet aan de orde. Alternatieven 2 en 3 hebben over het algemeen qua kap van beschermde houtopstanden en bomen de minste effecten. Effecten in het kader van houtopstanden en bomen hebben betrekking op alle dijksecties, behalve dijksectie 9.

5.4.5

Kaderrichtlijn Water

Voor deze toetsing is een inschatting van de onderscheidende effecten gemaakt door areaalverlies (nadelig) of areaaltoename (gunstig) van het zogenaamde Ecologisch Relevante Areaal (ERA) te onderzoeken. Ook de effecten op waterkwaliteit zijn beoordeeld. Vanuit de KRW is sprake van een negatief effect op alle alternatieven. Desondanks heeft alternatief 3 de voorkeur, omdat voor dit alternatief het minste PRA (Potentieel Relevant Areaal) verloren gaat. Omdat de diepere kwel via het watervoerend pakket onverminderd in stand blijft en veruit dominant is wat betreft de invloed op de waterkwaliteit, is de invloed die de constructies in de dijk bij alternatieven 2 en 3 kunnen hebben op de grondwaterstroming verwaarloosbaar. Daarom verschillen de alternatieven niet met het oog op de effecten op de waterkwaliteit. De verwachting is daarom dat de waterkwaliteit van de binnendijkse watergangen niet verandert. Effecten in het kader van de KRW hebben betrekking op dijksecties 1 t/m 5 en 7 t/m 10.

54 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

5.4.6

Geldersch NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Het plangebied beslaat zowel GNN- als GO-gebied ten noorden en zuiden van de huidige dijk. Dit betreft deelgebieden 58 ‘Overbetuwe’ en 157 ‘Noordoever Waal - Lent’. In het kader van effecten op het GNN en GO worden de effecten van de criteria vernietiging, verzuring/vermesting en verstoring op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze deelgebieden beoordeeld. Overige effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten. De dijkversterking heeft bij alle alternatieven en bij alle dijksecties een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Geldersch NatuurNetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Hierbij heeft alternatief 3 de voorkeur vanwege het kleinste areaal ruimtebeslag. Alternatief 3 zal in de aanlegfase ook de laagste hoeveelheid stikstofdepositie opleveren. Voor het criterium ‘verstoring’ heeft alternatief 1 de voorkeur, omdat dat alternatief in de aanlegfase het minst harde geluid met zich meebrengt en daardoor soorten het minst verstoort. Effecten in het kader van het GNN en GO hebben betrekking op alle dijksecties.

5.4.7

Meekoppelkansen

Voor de dijkversterking zijn verschillende meekoppelkansen geïdentificeerd. Deze zijn allen bij alle alternatieven in dezelfde mate uitvoerbaar en leiden dus niet tot verschillen tussen de alternatieven. Meekoppelkansen met positieve effecten op de omliggende gebieden zijn bijvoorbeeld bloemrijke dijken, dijkoversteek voor grote grazers bij Sprok en Landschapsplan de Danenberg. Gastvrije Waaldijk en parkeerplaatsen zijn voorbeelden van meekoppelkansen die direct of indirect tot meer verzuring/vermesting en verstoring kunnen leiden. Parkeerplaatsen leiden daarnaast ook tot extra ruimtebeslag.

5.4.8

Overzicht effecten natuur

In de hierna volgende tabel is het overzicht gegeven van de effectbeoordeling op basis van de nietgemitigeerde effecten. De beoordeling is op een criterium na (houtopstanden en bomen) niet onderscheidend. Er is over het algemeen wel een voorkeur voor het beperkte ruimtebeslag van alternatief 3. Bij alle alternatieven zijn vanwege de vaak zeer negatieve effecten maatregelen nodig om effecten te vermijden, te verzachten of te compenseren.

- vermesting en verzuring

--

--

--

- vernietiging

--

--

--

Wet natuurbescherming - Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten

55 | 93

3

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

aanlegfase

Wet natuurbescherming - Natura 2000: habitattypen

2

binnen- en buitendijkse constructie

Natuur

1

binnendijkse constructie

Beoordelingscriteria, invloed op

versterken in grond

Thema

gebruiksfase

Tabel 5.4 Overzichtstabel effecten alternatieven dijkversterking natuur

x x

Thema

Beoordelingscriteria, invloed op

1

2

3

- vernietiging

--

--

--

- verstoring

--

--

--

x

- verzuring en vermesting

-

-

-

x

- vernietiging

--

--

--

- verstoring

--

--

--

x

- verzuring en vermesting

--

--

--

x

- vernietiging

--

--

--

- verstoring

--

--

--

Wet natuurbescherming - houtopstanden en bomen (vernietiging)

--

-

-

x

Kaderrichtlijn Water

-

-

-

x

- vernietiging

--

--

--

x

- vermesting en verzuring

-

-

-

x

- verstoring

-

-

-

x

x

Wet natuurbescherming - Natura 2000: Vogelrichtlijnsoorten x

Wet natuurbescherming: soorten + Rode Lijstsoorten x x

Geldersch natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

5.5

Bodem

Deze paragraaf bevat de effectbeschrijving en de -beoordeling voor bodemkwaliteit en -verzet.

5.5.1

Bodemkwaliteit

Alternatieven Bij een aantal dijksecties zijn verdachte en/of verontreinigde locaties aanwezig met een hoog risicoprofiel. Op deze locaties bestaat een verhoogde kans op de aanwezigheid van ernstige bodemverontreiniging. Omdat het wettelijk niet is toegestaan om werkzaamheden te verrichten in verontreinigde grond, zal sanering nodig zijn. Hierdoor verbetert de kwaliteit van de bodem. Sanering is met name aan de orde bij alternatief 1, omdat dit alternatief het ruimste ruimtebeslag heeft. Daarom wordt het effect op de bodemkwaliteit voor alternatief 1 als positief beoordeeld. Het beperktere ruimtebeslag van alternatief 2 en 3 heeft minder raakvlakken met mogelijk verontreinigde en/of verdachte locaties. De kans op een benodigde sanering is voor deze alternatieven lager en wordt het effect op de bodemkwaliteit bij deze twee alternatieven als neutraal beschouwd. Van alle onderzochte dijksecties zijn er vijf secties, waarbij extra aandacht voor de kwaliteit van de bodem is vereist. Bij de volgende dijksecties zijn verdachte en/of verontreinigde locaties aanwezig, waar mogelijk sanering aan de orde is in geval van alternatief 1: - dijksectie 12 (Waaldijk 40); - dijksectie 13 (Loenensestraat en Waaldijk 13,14); - dijksectie 15 (Waaldijk 9); - dijksectie 16 (Waaldijk 6).

56 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Bij de volgende dijksecties zijn verdachte en/of verontreinigde locaties aanwezig, waar mogelijk sanering aan de orde in geval van alternatief 2 en 3: - dijksectie 12 (Waaldijk 40). Meekoppelkansen De meekoppelkansen hebben in de meeste gevallen een beperkte of niet noemenswaardige invloed op de bodemkwaliteit. Enkel in het geval waar woningbouwprojecten worden gekoppeld aan het dijkversterkingsproject bestaat er een kans dit gebeurd in gebieden met verontreinigde grond. Het woningbouw Vossenpels Zuid-Zuid (dijksectie 4) heeft bijvoorbeeld raakvlakken met de asbest verontreinigde locaties in relatie met een voormalige stortplaats. De exacte beoordeling hangt wel sterk af van de omvang van het woningbouwproject. Dit is momenteel nog niet duidelijk, maar we verwachten niet dat er een grootschalige nieuwbouw zal plaatsvinden. Daarom wordt voor deze meekoppelkansen het effect op de bodem als neutraal tot positief beoordeeld.

5.5.2

Benodigd grondverzet

Alternatieven Tabel 5.5 geeft per dijksectie de beoordeling op het effect van grondverzet voor alle drie de alternatieven aan. Alternatief 1 heeft t.o.v. het gemiddelde grondverzet tussen de drie verschillende alternatieven de meest negatieve impact op het milieu door het totale grondverzet. Het grondverzet is voor alternatief 1 het hoogst doordat er werkzaamheden plaatsvinden over een breder gebied. Dit houdt verband met het feit dat de dijk in geval van alternatief 1 wordt opgehoogd, waarbij er ook aan weerskanten van de dijk nieuwe (bredere) stabiliteitsbermen moeten worden aangelegd, inclusief een binnendijkse pipingconstructie. Alternatief 2 heeft een minder groot ruimtebeslag doordat vooral binnendijks het ruimtebeslag wordt geoptimaliseerd. Dit alternatief wordt als neutraal beoordeeld. Alternatief 3 heeft nog een minder breed ruimtebeslag dan alternatief 2, omdat er aan weerszijde van de dijk het ruimtebeslag doormiddel van constructies wordt geoptimaliseerd. Doordat het ruimtebeslag het laagst uitvalt voor alternatief 3 wordt deze variant als positief beoordeeld. Meekoppelkansen Geen van de meekoppelkansen hebben een significant effect op grondverzet. Derhalve is voor alle kansen de beoordeling voor het effect door grondverzet als neutraal beoordeeld.

Alleen bestaat de kans dat er voor de meekoppelkans: ‘Herinrichting Loenense Buitenpolder’ grote hoeveelheden grond moet worden afgegraven voor de uitdieping van de betreffende polder en het aanleggen van geulen. Dit zal een negatief effect op het milieu hebben door het benodigde grondverzet.

5.5.3

Overzicht effecten bodem

Op basis van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat alternatief 1 (het versterken in grond) de voorkeur heeft boven de andere twee alternatieven. In het kader van de Wet bodembescherming is het niet toegestaan om werkzaamheden te verrichten in vervuilde grond. Het ruimtebeslag in alternatief 1 betrekt de meeste potentieel verontreinigde locaties. Bij werkzaamheden in de bodem zullen eventuele verontreinigingen moeten worden gesaneerd, wat een gunstig effect heeft op de milieu hygiënische kwaliteit van de ondergrond. In de regel heeft grondverzet een negatief effect op het milieu, omdat er door ontgravingen geologische lagen worden verstoord. Daarnaast zorgt het transport dat noodzakelijk is voor het ontgraven en aanbrengen van grond voor CO2 uitstoot, wat ook schadelijk is voor het milieu. Gelet op het benodigd grondverzet, dan heeft alternatief 3 de voorkeur boven de overige alternatieven, omdat hier het grondverzet het laagst is. Alternatief 2 heeft een relatief neutraal effect op het milieu. Het eerste alternatief wordt op basis van het criterium grondverzet afgeraden, omdat dit alternatief significant meer grondverzet betreft.

57 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

bodem

bodemkwaliteit benodigd grondverzet

-

0

+

5.6.1

Oppervlaktewater

3

binnen- en buitendijkse constructie

Beoordelingscriteria, invloed op

Water

2

binnendijkse constructie

Thema

5.6

1

versterken in grond

Tabel 5.5 Overzichtstabel effecten alternatieven dijkversterking bodem en water

+

0

0

Alternatieven Het binnendijkse ruimtebeslag van alternatief 1 (versterken in grond) wordt als zeer negatief beoordeeld voor het criterium oppervlaktewater. Door het ruimtebeslag worden diverse watergangen gedempt, waardoor er bergingscapaciteit in het watersysteem verloren gaat en verbindingen worden verbroken. Demping van watergangen treedt op in dijksecties 12, 13 en 15. Daarnaast is het minder goed mogelijk om de grondwaterstanden in de omgeving te beheersen (afvoer van kwelwater). De alternatieven 2 (binnendijkse constructie) en 3 (binnen- en buitendijkse constructie) worden voor het criterium oppervlaktewater als neutraal beoordeeld. Het ruimtebeslag van deze alternatieven is beperkt, waardoor er naar verwachting geen watergangen gedempt hoeven te worden. Meekoppelkansen Voor alternatief 1 geldt per peilgebied een wateropgave. Deze wateropgave wordt bij voorkeur in samenhang met binnendijkse ontwikkelingen vormgegeven en ingepast.

5.6.2

Grondwater

Alternatieven Het aanbrengen van een berm (alternatief 1) heeft naar verwachting geen direct effect op de omliggende grondwaterstanden en wordt daarom als neutraal beoordeeld. Overigens kan de benodigde watercompensatie wel effecten hebben op de grondwaterstanden. De alternatieven 2 en 3 hebben een negatief effect op het ondiepe grondwater. De aan te brengen constructieve oplossingen zorgen mogelijk op enkele plekken voor het afsluiten van watervoerende lagen. Voor de gebruiksfunctie aan maaiveld hoeft dit overigens niet ongunstig te zijn, omdat hiermee hoge grondwaterstanden bij hoogwater en lage grondwaterstanden bij laagwater voorkomen kunnen worden. De lokale effecten moeten nog wel in meer detail bepaald te worden en afgestemd te worden met het aan te leggen oppervlaktewater en de omliggende functie aan maaiveld. Eventuele secundaire effecten op archeologie moeten dan ook onderzocht. Meekoppelkansen De meekoppelkansen zijn naar verwachting niet relevant voor het grondwatereffect.

58 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

5.6.3

Overzicht effecten water

In tabel 5.2 is een overzicht opgenomen van de effectbeoordeling van de dijkversterking. Uit de beoordeling blijkt dat alternatief 1 niet voldoet aan de wettelijke eisen voor oppervlaktewater. De gedempte watergangen moeten gecompenseerd. Zonder (ruimte voor) compensatie is in dijksecties 12, 13 en 15 op delen voorkeur voor alternatieven 2 en 3. Alternatieven 2 en 3 hebben een negatief effect op het criterium grondwater. Om de effecten op het grondwater te voorkomen kan bij het afsluiten van een watervoerende laag de aangebrachte constructie (bijvoorbeeld damwanden) doorlatend worden gemaakt door perforatie of de damwanden om en om ondieper af te werken.

water

oppervlaktewater grondwater

0

-

-

5.7.1

Historisch-geografische structuren, ensembles en elementen

3

binnen- en buitendijkse constructie

Beoordelingscriteria, invloed op

Erfgoed

2

binnendijkse constructie

Thema

5.7

1

versterken in grond

Tabel 5.6 Overzichtstabel effecten alternatieven dijkversterking water

--

0

0

Alternatieven Alternatief 1 heeft de meeste effecten. Het nieuwe grondlichaam van de dijk doorsnijdt verschillende elementen (wielen, dorpsstraat Slijk-Ewijk) binnen- en buitendijks en heeft het grootste effect op het dijklichaam (-). Alternatief 2 doorsnijdt een binnendijks wiel en verschillende wielen buitendijks (-). Alternatief 3 heeft alleen effect op het binnendijkse wiel in sectie 1-2. Dit effect is zo klein, ook in vergelijking met de andere 2 alternatieven, dat dit alternatief neutraal beoordeeld is (0). Meekoppelkansen Door het maken van extra parkeerplaatsen en op- en afritten wordt het waaldijkprofiel van de dijk mogelijk beïnvloed, het extra ruimtebeslag kan aanvullend negatieve effecten veroorzaken. Eventueel biedt de berm in alternatief 1 en 2 hiervoor wel kansen. De alternatieven tasten allen een of meerdere wielen aan, waardoor juist een van de doelen van de meekoppelkans ‘landschapsontwikkelingsplan’ niet gehaald wordt.

5.7.2

Historische (steden)bouwkundige ensembles en elementen

Alternatieven Hoewel alternatief 1 duidelijk meer en grotere effecten veroorzaakt (landgoederen, 12 circa gebouwen), is het aantal te slopen monumenten in alternatief 2 en 3 (circa 5 gebouwen) ook dusdanig dat uiteindelijk alle alternatieven een zeer negatief effect hebben op het monumentenbestand (--). Het verkrijgen voor de

59 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

verschillende vergunningen voor het in deze mate slopen en aantasten van in goede staat verkerende rijksen gemeentelijke monumenten of landgoederen is daarnaast niet realistisch. Meekoppelkansen Bij sloop van de monumentale bebouwing neemt de recreatieve waarde van de dijk af, dus ook de waarde voor de meekoppelkans ‘Gastvrije waaldijk’. De alternatieven hebben allen dit effect. De alternatieven staan de realisatie van een zichtlijn tussen het huis van landgoed Oosterhout en de dijk niet in de weg. Alternatief 1 en 2 bieden kansen voor het ontwikkelen van parkeergelegenheid op de buitendijkse berm bij landgoed Loenen. Alternatief 1 kent grote risico’s voor deze meekoppelkans vanwege de eerder beschreven aantasting van het landgoed. Alternatief 3 staat de ontwikkeling niet in de weg. Door eventueel aanvullend ruimtebeslag van parkeerplaatsen en op- en afritten buiten het hier beoordeelde ruimtebeslag, kunnen aanvullende negatieve effecten optreden. Dit geldt vooral bij alternatief 1, versterken in grond. Anderzijds biedt alternatief 1 ook (meer) mogelijkheden om parkeerplaatsen op de berm te maken. Bij alternatief 2 is dit ook buitendijks een kans.

5.7.3

Archeologische (verwachtings)waarden

Alternatieven Alle alternatieven raken aan bekende en verwachte archeologische waarden. Het mogelijk te verstoren oppervlakte bij alternatieven 2 en 3 is kleiner dan bij alternatief 1, maar nog steeds met een grote mogelijke impact (--). Meekoppelkansen De meekoppelkansen die aanvullend verstoring van de bodem met zich meebrengen kunnen meer archeologische waarden verstoren. Dit geldt wellicht voor het aanleggen van een glasvezelkabel, of aanvullende parkeerplaatsen en opritten. De alternatieven zijn daarin niet onderscheidend vanuit dit criterium.

5.7.4

Aardkundige waarden

Alternatieven De buitendijkse berm van alternatieven 1 (versterken in grond) en 2 (binnendijkse constructie) is deels over de strangen in dijksectie 13, 14 en 15 geprojecteerd, waardoor de strangen fysiek worden aangetast en ook de beleefde kwaliteit verminderd (-). Ook alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructie) tast ter hoogte van dijksectie 13 een strang aan vanwege de verbreding door de verhoging van het dijklichaam (-). Meekoppelkansen Het rapport Gastvrije Waaldijk geeft aan dat de strang ter hoogte van Wolferen (dijksectie 16) herkenbaarder kan worden gemaakt. De alternatieven geven geen ruimtebeslag op deze strang, waardoor de meekoppelkans mogelijk blijft.

5.7.5

Overzicht effecten erfgoed

Alle alternatieven hebben zeer negatieve effecten (--) op rijks- en gemeentelijke monumenten en het archeologische archief in de bodem. Circa 5 historische bouwkundige gebouwen liggen binnen het ruimtebeslag van alle alternatieven. De sloop van dergelijke gebouwen (worstcase) is al een zeer ernstig effect. Langs vrijwel het hele traject is er een archeologische onderzoeksplicht vanwege de archeologische (verwachtings)waarden. Deze raken door ophoging, afgraving en het plaatsen van constructies verstoord.

60 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Alternatief 1 heeft, ondanks gelijke beoordeling bij historische (steden)bouwkunde en archeologie, door het aanvullende ruimtebeslag van de binnenberm wel een groter negatief effect dan de overige twee alternatieven, bijvoorbeeld ook bij de twee rijksbeschermde landgoederen. Alle alternatieven hebben negatieve gevolgen voor de restanten van oudere rivierlopen in de uiterwaarden (aardkundige waarden, -). Alternatieven 1 en 2 raken wel meer strangen dan alternatief 3. Alternatief 3 heeft vanwege het beperkte ruimtebeslag buiten het huidige dijklichaam nauwelijks effect op historische-geografische elementen. Het enige effect is in dijksectie 1 met ruimtebeslag aan de rand van het binnendijkse wiel. Alternatief 1 en 2 tasten in meerdere dijksecties diverse wielen en andere structuren aan (historische geografie, -). Voor dijksectie 1, 2, 3, 13 en 16 hebben alle alternatieven negatieve effecten en moet gezocht worden naar passende maatregelen. Vanuit het erfgoed heeft alternatief 3 de voorkeur voor (delen van) dijksecties 8, 10, 14 en 15. Alternatief 2 of 3 hebben de voorkeur voor (delen van) dijksecties 9 en 17. Voor dijksectie 11 en 12 worden geen grote negatieve effecten verwacht en is er geen voorkeur voor een alternatief.

erfgoed

historisch-geografische structuren, ensembles en elementen historische (steden)bouwkundige ensembles en elementen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=de4d2d64-d175-4eb3-80e9-50acc4fc1fbd