10. Bijlage bij de toelichting deel 1b
Tekst van het document
1
Zie paragraaf 2.3.
11 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Projectscope De projectscope is de ruimtelijke afbakening van het project en bestaat uit drie onderdelen (HWBP, 2017): - waterveiligheidsopgave: het technisch veiligheidsprobleem met dijkvakken of kunstwerken die niet voldoen aan de norm, met beschrijving van bijbehorend faalmechanisme. In deze integrale verkenning is dit eveneens een nadere opgave (waterstandsdaling) vanuit het Deltaprogramma; - inpassingsopgave: alle in te passen huidige functies en waarden in het projectgebied. Deze volgen deels bijvoorbeeld uit het al opgestelde ruimtelijk kwaliteitskader met conditionerende onderzoeken, en uit het omgevingsproces. De inpassingsopgave is uiteindelijk een integraal onderdeel van het project; - gebiedsopgave: de mee te nemen gebiedsontwikkelingen en/of verbetering van ruimtelijke kwaliteit. De vastgestelde meekoppelkansen worden uiteindelijk in het ontwerp en de planuitwerking opgenomen. Paragrafen 2.3, 2.4 en 2.5 lichten de drie onderdelen van de scope toe.
2.3
Waterveiligheidsopgave
Deze paragraaf over de waterveiligheidsopgave licht toe waarom de waterkering in huidige staat niet voldoet. De onderbouwing voor de opgave voor de dijkteruglegging staat in paragraaf 2.1. Norm en faalkans Waterschap Rivierenland heeft als taak haar primaire waterkeringen te beheren. Onderdeel van het beheer is het periodiek uitvoeren van de beoordeling/toetsing van de waterkeringen. Sinds 1 januari 2017 moet op basis van overstromingskansnormen worden ontworpen en getoetst. De ondergrens van de overstromingskans is een maximaal toelaatbare faalkans voor een waterkering. Als de overstromingskans groter is dan deze waarde, wordt niet meer aan het wettelijke veiligheidsniveau voldaan. Voor het dijktraject tussen Wolferen en Sprok geldt een maximaal toelaatbare kans van 1/10.000 per jaar. Dit betekent dat een kering zo hoog en sterk moet zijn dat deze een waterstand moet kunnen keren die gemiddeld eens in de 10.000 jaar optreedt. Een nieuw ontworpen waterkering moet tot het einde van zijn levensduur (meestal 50 jaar) aan deze waarde voldoen. De ontwerphoogte van een dijk is daarom bijvoorbeeld hoger dan het hoogtetekort waarop de dijk is afgetoetst. In de ontwerphoogte wordt ondermeer rekening gehouden met de verwachte toekomstige waterstand na 50 jaar. De aanleghoogtes zijn nog iets hoger dan de ontwerphoogte vanwege restzettingen, klink en (minimale) autonome bodemdaling.
Waterkering Een waterkering is een natuurlijke of kunstmatige verhoging in het landschap om het achterliggende gebied te beschermen tegen overstroming. Deze definitie en andere waterstaatkundige termen zijn kort toegelicht in bijlage I. Dit kader gaat in op de terminologie bij het kenmerkend dijkprofiel, zoals in afbeelding 2.2 is weergegeven. Dijklichaam De waterkering tussen Wolferen en Sprok bestaat over het algemeen uit een dijklichaam. De kern van het dijklichaam bestaat uit klei met lichte sporen van silt/zand. De dijk ligt op een zandige ondergrond. In het voor- en het achterland ligt op de zandige ondergrond een relatief dunne deklaag (1,5 tot circa 5 m). De deklaag bestaat voornamelijk uit klei. De bekleding van de dijk bestaat voornamelijk uit gras op een onderlaag van klei. Op veel plaatsen aan de buitenzijde is een steenbekleding aanwezig. Deze bekleding beschermt het dijklichaam tegen erosie door water en wind en geeft het dijklichaam stabiliteit.
12 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Afbeelding 2.2 Het dijklichaam
Binnendijks ligt over het algemeen een aanberming om de stabiliteit van het binnentalud te ondersteunen. Buitendijks is nog geen buitenberm aanwezig, maar deze is voor het uitbeelden van de terminologie wel ingetekend in afbeelding 2.2. Kenmerkend voor deze waterkering is de aanwezigheid van een groot voorland (uiterwaarden) over het merendeel van het traject. Dit voorland staat een deel van de winter onder water en ligt in de zomer voornamelijk droog. Beschermingszones In de legger dijkpaaltraject Doornenburg-Dodewaard (2016) staan de dijken binnen het projectgebied aangegeven met de bijbehorende kern- en beschermingszones: - de kernzone. Dit is de waterkering. Hier gelden de strengste regels om te zorgen voor een maximale bescherming voor de waterkering; - de beschermingszone. Hier zijn de regels iets minder streng. Hiermee borgt het waterschap een zware bescherming voor de waterkering; - de buitenbeschermingszone. Deze biedt een lichte bescherming voor de waterkering. Er gelden hier soepelere regels. Binnen deze kern- en beschermingszones gelden geboden en verboden voor bepaalde activiteiten, werkzaamheden en beheer. Deze geboden en verboden zijn bedoeld om de dijken sterk en veilig te houden. De regelgeving is opgenomen in de Keur Waterschap Rivierenland 2014 en algemene en beleidsregels van het waterschap.
De breedte van de zones is afhankelijk van onder andere de bodemomstandigheden en de kering zelf. Bouwgrens en profiel van vrije ruimte (PVVR) Het profiel van vrije ruimte anticipeert op toekomstige dijkversterkingen. Het waterschap beoordeelt watervergunningsaanvragen voor bouwwerken in/op een waterkering en bijbehorende beschermingszone of gebouwd gaat worden buiten het profiel van vrije ruimte. De definitie van de PVVR: de ruimte als vastgelegd in de legger ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen. Bouwen is dus mogelijk een huis verhoogd wordt aangelegd, zonder holle ruimtes in het profiel voor vrije ruimte. De bestaande bouwrechten zijn in de legger aangegeven met leggervlakken. Op sommige plaatsen is een bouwgrens in de legger opgenomen. Op strekkingen zonder bebouwing is de bouwgrens op 10 m vanaf de teenlijn van het PVVR. Bij een dergelijke bouwgrens verwacht het waterschap eventuele dijkverbetering uit te kunnen voeren tussen de waterkering en de bouwgrens. Daarom hoeft achter de bouwgrens (gezien vanaf de waterkering) niet buiten het profiel van vrije ruimte gebouwd te worden.
13 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Dijkpalen Het dijktraject maakt onderdeel uit van dijkring 43 en specifiek van het dijktraject Doornenburg-Dodewaard (DD), waarbij DD000 de code is voor de dijkpaal bij de start van dit traject in Doornenburg.
De faalkans van dijken neemt toe in de tijd. Dit komt onder andere door zeespiegelstijging, autonome bodemdaling en zakkingen. Door tijdig te beginnen met de veiligheidsopgave wordt voorkomen dat de faalkans van de dijk groter wordt dan de maximaal toelaatbare kans. Faalmechanismen De dijk is vrijwel in het geheel op de volgende faalmechanismen afgetoetst (zie ook afbeelding 2.3): - falen op hoogte (golfoverslag, overlopen) betreft een te lage kruin van de dijk. Doordat te veel water over de dijk loopt of slaat, kan te veel water in het achterland komen, of de bekleding aan de binnenzijde van de dijk worden aangetast (erosie); - macrostabiliteit binnenwaarts en macrostabiliteit buitenwaarts betreft het afschuiven van grote delen van het grondlichaam door te weinig stabiliteit; - stabiliteitsverlies kan ook optreden door het mechanisme ‘piping’. Dit kan problematisch worden wanneer bij (langdurig) hoge waterstanden een kwelstroom onder de dijk door te veel gronddeeltjes uit de onderliggende grondlagen meevoert. Er ontstaan dan tunneltjes onder de dijk, waardoor de dijk bezwijkt.
Afbeelding 2.3 Faalmechanismen (ENW, 2016)
Golfoverslag
Overlopen
Macrostabiliteit binnenwaarts
Macrostabiliteit buitenwaarts
Piping
Veiligheidsanalyse De meest recente veiligheidsanalyse is in 2016 voor dit dijktraject uitgevoerd op basis van de nieuwe normen en richtlijnen (Waterschap Rivierenland, 2017). Deze veiligheidsanalyse geeft aan dat het traject Wolferen-Sprok in zijn geheel versterkt moet worden, met uitzondering van een recent versterkt deel bij Lent. Afbeelding 2.4 geeft de dijksecties aan. In tabel 2.1 is de opgave per dijksectie toegelicht.
14 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Afbeelding 2.4 Dijksectie-indeling
Tabel 2.1 Dijksectie-indeling dijkversterking Wolferen-Sprok, inclusief dijkpaalnummering en veiligheidsanalyse/opgave. Sectie
Van DP
Tot DP
Toponiem
Veiligheidsanalyse
1
DD133
DD135+050
Sprok
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen-en buitenwaarts
2
DD135+050
DD137+075
Kolk van Van Elferen
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen-en buitenwaarts*
3
DD137+075
DD139+000
Wijnfort
hoogte, macrostabiliteit binnenbuitenwaarts*
4
DD139+000
DD141+050
Vossepels
‘piping en heave’, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts*
5
DD141+050
DD151A
De Stelt
-*
n.v.t.
DD151A
DD162+050
Lent
goedgekeurd, behoort niet tot het projectgebied
6
DD162+050
DD175+040
Hof van Holland
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts
7
DD175+040
DD180+000
Woenderskamp
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts
8
DD180+000
DD187+000
Landgoed Oosterhout
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts
9
DD187+000
DD191+050
Landgoed Oosterhout
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit buitenwaarts
10
DD191+050
DD197+075
Tergouw
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts
11
DD197+075
DD203+000
Hoge wei
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts
12
DD203+000
DD217+000
Altena
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnenwaarts, macrostabiliteit buitenwaarts (deels, oostelijke deel DD203+000 t/m DD209+040)
13
DD217+000
DD241+000
Slijk-Ewijk
‘piping en heave’ (deels, DD217+000 - DD225+000), hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts*
14
DD241+000
DD252+000
Grote Wiel/landgoed Loenen
‘piping en heave’, hoogte (deels), macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts*
15
DD252+000
DD263+025
Landgoed Loenen
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts
16
DD263+025
DD279+000
Wolferen
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnenwaarts, macrostabiliteit buitenwaarts (deels DD264+050 t/m DD270+000)
15 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Sectie
Van DP
Tot DP
Toponiem
Veiligheidsanalyse
17
DD279+000
DD287
Vale Dries
‘piping en heave’, hoogte, macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts
*
Voor het ontwerp is de veiligheidsanalyse niet helemaal gelijk aan de veiligheidsopgave. Om te komen tot de veiligheidsopgave zijn aanvullende berekeningen gedaan en is de opgave integraal bekeken. Dit leidt tot de volgende wijzigingen: 1. geen hoogteopgave bij dijksecties 2, 3 en 4; 2. op basis van ontwerpuitgangspunten wel een pipingmaatregel/oplossing op dijksectie 3 en 13; 3. bij de Stelt wel ‘piping en heave’ en macrostabiliteit binnenwaarts, maar dit is niet verder uitgewerkt voor dit MER.
Woningbouwlocaties Nijmegen Zoals in hoofdstuk 1 is toegelicht, sloot het waterschap eerder een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente Nijmegen. Hierin is de intentie uitgesproken dat de gemeente Nijmegen binnen haar plangebied aangrenzend op het dijktraject, het benodigde binnendijks profiel/talud aanlegt dat nodig is om de woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Het betreft de gebieden Vossenpels Zuid-Zuid, De Stelt-Zuid en Hof van Holland, Woenderskamp. Deze zijn gedefinieerd als (onderdeel van) dijksectie 4, 5, 6 en 7. Voor (delen van) deze trajecten zijn in het verleden al ontwerpen gemaakt (Royal HaskoningDHV, 2016a, 2017a-c). Voor Hof van Holland, Woenderskamp en Broodkorf heeft gemeente Nijmegen in 2017 nog een MER ter inzage gelegd. De afbakening van de woningbouwprojecten is als volgt: - Vossenpels Zuid-Zuid, DD139 tot DD141+50 (Royal HaskoningDHV, 2017b); - De Stelt-Zuid, DD141+50 tot 151A (Royal HaskoningDHV, 2016a); - Hof van Holland, DD166+50 tot DD175+140 (Royal HaskoningDHV, 2017c); - Woenderskamp, DD175+140 tot DD180 (Royal HaskoningDHV, 2017c). Het waterschap heeft de intentie om via watervergunningen de binnendijkse ontwikkelingen mogelijk te blijven maken als deze de dijkversterking niet in de weg staan. De dijksecties waarop de samenwerkingsovereenkomst van toepassing is, blijven vooralsnog wel binnen het projectgebied.
Dit om (eventueel) benodigde aanvullende maatregelen op de kruin van de dijk en buitendijks mogelijk te maken. Bovendien blijven deze dijksecties in het geheel uitmaken van het projectgebied voor verkenning en planstudie, totdat de dijksecties over het hele profiel voldoen aan de hoogwaterveiligheidsnorm. Deze dijksecties doorlopen echter een ander proces dan de overige dijksecties voor wat betreft omgevingscommunicatie en ontwerp. In de dijksectie 6 ligt eveneens een buurtschap (tussen dijkpaal 163+030 en 166+050) waar geen woningbouwplannen zijn. Dit deel is beschouwd in bijlage XII.
2.4
Inpassingsopgave (referentiesituatie)
De inpassingsopgave volgt uit de analyse van de huidige en toekomstige (autonome) functies en kwaliteiten van de dijk en omliggende gebied. De inpassingsopgave beschrijft welke bestaande functies en waarden ingepast worden bij realisatie van het plan (HWBP, 2017). De inpassingsopgave volgt uit de huidige waarden en functies (inclusief trendmatige ontwikkelingen en autonome ontwikkelingen), het omgevingsproces, en het ruimtelijk kwaliteitskader. Dit MER gaat in op eventuele maatregelen die genomen (kunnen) worden om effecten te verzachten (mitigatie).
2.4.1
Referentiesituatie
In een MER worden de effecten van de alternatieven altijd vergeleken met de referentiesituatie. Dat is de situatie die in de toekomst zal ontstaan als het project niet wordt gerealiseerd. De referentiesituatie bestaat uit (zie afbeelding 2.5): - de feitelijke situatie nu (uitgezonderd illegale activiteiten); - ontwikkelingen waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden en welke binnenkort worden gerealiseerd;
16 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
-
trendmatige ontwikkelingen zoals demografische- en klimaatontwikkelingen.
Paragraaf 2.4.2. geeft een kort overzicht van de huidige situatie in het plangebied. Paragraaf 2.4.3 en 2.4.4 gaan in op de projecten in de omgeving en de trendmatige ontwikkelingen. Bijlage II-X bevatten per milieuthema een beschrijving van de hieruit volgende referentiesituatie waartegen de effecten zijn beoordeeld.
Afbeelding 2.5 Referentiesituatie
Huidige feitelijke situatie (uitgezonderd illegale activiteiten)
Vastgestelde en binnenkort te realiseren ontwikkelingen (projecten)
Trendmatige, planoverstijgende ontwikkelingen (klimaatverandering, demografie, luchtkwaliteit, ..)
Referentiesituatie (toekomstige situatie zonder voornemen)
2.4.2
Feitelijke situatie plangebied
De dijk ligt in het rivierengebied, dat gekenmerkt wordt door het open landschap. De dijk doorkruist landelijk gebied met land- en glastuinbouw en diverse dorpskernen en lintbebouwing. Het gebruik is, op de intensivering van de glastuinbouw na, door de jaren heen beperkt veranderd. Vooral in Lent en omgeving heeft een grotere groei aan glastuinbouw plaatsgevonden. Daarnaast ontwikkelt Nijmegen het nieuwe woongebied Waalsprong bij Lent. De dijk is in gebruik als verkeersroute, maar is ook onderdeel van verschillende recreatieve routes. De dijk vormt de noordelijke grens van het Natura 2000-gebied Rijntakken. De Groene Ontwikkelingszone (GO) en het Gelders Natuur Netwerk (GNN) overlappen deels met het Natura 2000-gebied, maar wijzen ook Landgoed Loenen, Landgoed Oosterhout en het gebied ten noorden van Sprok aan als waardevol natuurgebied. In 2015 werden de Oosterhoutse Waarden opnieuw ingericht voor natuurontwikkeling (WaalWeelde-project). Bij Oosterhout werd in het verlengde van de nevengeul een deel van de uiterwaard uitgegraven. De dijk is daarnaast van belang als landschappelijke en cultuurhistorische structuur in het landschap. Op en om de dijk zijn verschillende cultuurhistorische gebieden en elementen aanwezig. In bijlage II-X is per milieuthema uitgebreid ingegaan op situatie in het plangebied.
17 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
2.4.3
Vastgestelde en binnenkort te realiseren ontwikkelingen
De referentiesituatie bevat de ontwikkelingen waartoe besluitvorming heeft plaatsgevonden, waar tot realisatie is besloten en waarvoor de financiering is geregeld.
Afbeelding 2.6 Locaties ontwikkelingen rond het plangebied (autonome ontwikkelingen, meekoppelkansen, overige projecten)
Dat betekent dat de volgende programma’s/maatregelen onderdeel zijn van de referentiesituatie (zie ook afbeelding 2.6): - tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma: de dijkversterkingen die nodig zijn gebleken bij de eerste en tweede wettelijke toetsing van waterkeringen; - programma Ruimte voor de Rivier: deze projecten zijn allemaal uitgevoerd, of in uitvoering, bijvoorbeeld de dijkteruglegging bij Lent en kribverlaging en langsdammen op de Waal tussen Beuningen en Gorinchem; - programma WaalWeelde: WaalWeelde volgt vanuit de wens om de ruimtelijke kwaliteit te vergroten langs de Waal, zodat het prettig wonen, werken en recreëren wordt in de vijftien gemeenten langs de Waal: · in 2015 werden de Oosterhoutse Waarden opnieuw ingericht ten bate van natuurontwikkeling (ook voor de Kaderrichtlijn Water). Wat rest is de aanleg van natuuroevers in de plassen. Deze werkzaamheden zullen nog voortduren tot 2023; · in 2019 wordt de rivierdynamiek binnen de Loenensche Buitenpolder vergroot door de verbreding en uitdieping van een oude rivierstrang. De herinrichting van de uiterwaard creëert een moerassig en grasrijk leefgebied voor bepaalde vogels. Ook enkele cultuurhistorische elementen, zoals de oude inlaat en de overlaat, worden hersteld. De polder wordt beter beleefbaar voor recreanten.
De vooroeververbetering wordt meegenomen in het ontwerp voor de dijkversterking; · de Beuningse Uiterwaarden worden natuurvriendelijker ingericht en beter bereikbaar voor recreanten. Ook komt er meer ruimte voor hoogwater uit de Waal. De werkzaamheden lopen tussen 2017 en 2018; · de Stadswaard Nijmegen is heringericht om natuurwaarden beter tot ontwikkeling te brengen en het gebied voor bezoekers aantrekkelijker te maken. Er is een geul gegraven die vanaf één kant in verbinding staat met de Waal. Het project wordt in 2017 afgerond; - programma Stroomlijn: tot voorjaar 2018 voert RWS onderhoud uit aan een deel van de begroeiing in de uiterwaarden van de Waal; - landschapspark De Danenberg. Landschapspark De Danenberg (langs dijksectie 13) is een robuuste afscherming bedrijventerrein Park 15. Het landschapspark vervult een rol als ‘groen prikkeldraad’, omdat
18 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
-
-
-
-
-
het verdere verstedelijking tegenhoudt. In De Danenberg ligt de nadruk op het aanleggen van een groene structuur en landschappelijke verbindingen. Om het project mede te kunnen financieren, wordt kleinschalige woningbouw ontwikkeld (buiten het Barro-reserveringsgebied, buiten het profiel van vrije ruimte om de dijk). In augustus 2017 lag het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage, dit bevat alleen de gedeelten waar een bestemmingsplanwijziging nodig was om het plan te kunnen realiseren. De voorziene bosjes nabij de camping zijn onderdeel van niet-gegarandeerde planonderdelen en daarmee niet autonoom; woningbouwlocatie Vossenpels Zuid-Zuid. Gemeente Nijmegen ontwikkelt aan dijksectie 4 het woongebied Vossenpels Zuid-Zuid. Het woongebied is onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en het waterschap. Het ontwerp is in nauw overleg tussen de gemeente en waterschap tot stand gekomen. De woningbouw vindt plaats buiten het profiel van vrije ruimte. Het waterschap werkt mede daarom mee om het relevante deel van de dijk (de binnendijkse berm) vooruitlopend op de dijkversterking aan te (laten) leggen op basis van een watervergunning; woningbouwproject De Stelt-Zuid. De gemeente Nijmegen ontwikkelt nabij dijksectie 4 het woningbouwgebied De Stelt-Zuid. Het bestemmingsplan is vastgesteld, waarmee de exploitatiegrenzen voor de woningbouw vastliggen.
Ter hoogte van De Stelt-Zuid is de dijk verlegd in het project Ruimte voor de Waal. Het waterschap heeft in overleg met de gemeente een voorkeursalternatief voor dit trajectdeel opgesteld. En als uitwerking van de samenwerkingsovereenkomst een realisatieovereenkomst. Het voorkeursalternatief wordt integraal meegenomen in de dijkversterking Wolferen-Sprok. Actualisatie van het ontwerp heeft geen invloed op het ruimtebeslag en de toekomstige woonfuncties. De gemeente realiseert dit deel van de dijkversterking. Dit is voor de Waterwet geregeld via een watervergunning; woningbouwlocatie Hof van Holland en de Woenderskamp. Gemeente Nijmegen ontwikkelt aan dijksectie 6 en 7 de woongebieden Hof van Holland en Woenderskamp. De woongebieden zijn onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en het waterschap. Het binnendijkse deel van het voorkeursontwerp voor dijkversterking gaat uit van een pipingberm. Het ontwerp is in nauw overleg tussen de gemeente en waterschap tot stand gekomen. De woningbouw vindt plaats buiten het profiel van vrije ruimte. Het waterschap werkt mede daarom mee om het relevante deel van de dijk (de binnendijkse berm) vooruitlopend op de dijkversterking aan te (laten) leggen op basis van een watervergunning; plan Hoge wei. Een projectontwikkelaar ontwikkelt hier bij Oosterhout een woningbouwplan voor maximaal 62 woningen.
Het bestemmingsplan werd in juni 2017 vastgesteld door gemeente Overbetuwe. Inmiddels is het bestemmingsplan onherroepelijk in werking getreden. In het plan is een beschermingszone opgenomen voor de huidige Waaldijk. Hierdoor heeft het plan geen directe invloed op de dijkversterking, eventuele overlap of raakvlakken worden afgestemd en nader verkend; woningbouw Beuningen. De keuze om woningbouw op het terrein van de Bunswaard mogelijk te maken dateert uit 1996. De Bunswaard betreft een zogenoemde EMAB-locatie (Experimenteren Met Aangepast Bouwen). Dit maakt dat hier het mogelijk is de steenfabriek op te knappen. Er worden 12 woningen gebouwd.
Projecten waarover geen besluit is genomen, of waar besluitvorming niet op korte termijn plaatsvindt (binnen deze verkenning), zijn niet meegenomen in de referentiesituatie. Bijvoorbeeld de lange termijn ambitie rivieren (zie paragraaf 2.1.2) beïnvloedt de toekomstige rivierkundige effecten, maar is nog niet vastgesteld. Voor het MER fase 2 wordt de referentiesituatie opnieuw vastgesteld. Autonome ontwikkelingen zijn vaak ook (op onderdelen) te beschouwen als meekoppelkans, bijvoorbeeld voor de aanleg van parkeerplaatsen en op- en afritten. Paragraaf 2.5 gaat hierop in.
19 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
2.4.4
Trendmatige ontwikkelingen
Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat de zeespiegel stijgt en de bodem in Nederland daalt. Dit zet zich ook in de toekomst door. In deze verkenning wordt rekening gehouden met deze trend. De gebruikte waterstanden zijn afgeleid uit door RWS vrijgegeven hydraulische databases (WBI2017). Verder rekenen we voor de klimaatverandering met warmtescenario W+ van de KNMI. Conform de deltascenario’s wordt rekening gehouden met een maximale afvoer van 18.000 m3/s in de Rijn bij Lobith in 2100 (HKV, 2017).
2.5
Gebiedsopgave
Een versterkingsmaatregel biedt kansen om ‘werk met werk’ te maken of andere gebiedsopgaven gelijktijdig met de versterking uit te voeren. Het kan hierbij gaan om initiatieven van de keringbeheerder zelf, maar ook om die van andere partijen. De gebiedsopgave beschrijft de, bij het realiseren van de veiligheidsopgave (en inpassingsopgave), mee te nemen gebiedsontwikkelingen en eventueel de daarbij behorende extra met het project te realiseren doelen (bijvoorbeeld verbetering van de ruimtelijke kwaliteit naast veiligheid tegen overstroming/hoogwaterbescherming). Een naburig project kan tegelijkertijd autonome ontwikkeling zijn en een meekoppelkans. Meekoppelkansen kunnen echter ook nog minder concreet zijn en nog niet publiekrechtelijk zijn vastgelegd. Meekoppelkansen Waterschap Rivierenland heeft beleid ontwikkeld voor het meekoppelen van ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven aan dijkversterking in haar gebied. Het waterschap gaat actief op zoek naar kansen voor maatschappelijke meerwaarde, stimuleert de ontwikkeling van ideeën en biedt ruimte aan derden. De definitie voor meekoppelen is: ‘bij meekoppelen gaat het om het meenemen van aanvullende doelstellingen van partners in de regio niet-zijnde waterveiligheid óf het meenemen van een waterveiligheidsdoelstelling van een project van een partner in de regio’.
In de voorbereidende fase voorafgaande aan de verkenningsfase zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd in het Ruimtelijk kwaliteitskader en door Waterschap Rivierenland zelf. Daarnaast zijn er tijdens de ontwerpateliers voorafgaande aan dit MER ook een aantal meekoppelkansen benoemd door stakeholders. Vervolgens is onderzocht of deze meekoppelkansen kunnen worden meegenomen in de waterveiligheidsopgave en of dit meerwaarde geeft. Een belangrijk aspect bij meekoppelkansen is dat er zicht moet zijn op de financiering van het project. Als sprake is van een echte meekoppelkans wordt deze geïntegreerd met de opgave. Bij de vaststelling van het Voorkeursalternatief (VKA) moeten deze meekoppelvoorstellen bekend zijn. Uit de geïdentificeerde meekoppelkansen maakt het waterschap een eerste integrale afweging, waarbij voor elke meekoppelkans een keuze is gemaakt uit één van de drie onderstaande opties: - meekoppelen: de ontwikkeling wordt onderdeel van de opgave, met een integrale aanpak en ontwerp. Voor de meekoppelkans stelt het waterschap met de samenwerkende partij een samenwerkingsovereenkomst op waarin ook afspraken over de financiering zijn opgenomen; - inpassen: de (snel verwachte) uitkomst van de ontwikkeling wordt opgenomen in het plan voor de waterveiligheidsopgave.
Dit kan leiden tot realisatie van locatiespecifieke maatregelen of voorzieningen; - adaptieve houding aannemen; bij het maken van het plan wordt ingespeeld op deze verwachte ontwikkelingen. Hierbij blijft het waterschap ruimte houden voor de realisatie van deze ontwikkeling. Bij het maken van de keuze wordt beoordeeld op (zicht op) financiering, vergunbaarheid, planning, uitvoerbaarheid, draagvlak in omgeving en van bestuurders. In tabel 2.2 zijn de geïdentificeerde meekoppelkansen opgenomen, deze zijn navolgend toegelicht.
20 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Tabel 2.2 Geïdentificeerde meekoppelkansen DV
DTO
Dijksectie
Initiatiefnemer
Fase in uitwerking
gastvrije Waaldijk
x
x
alle
ANWB, overheid
planstudie/uitvoering
bloemrijke Dijken
x
x
alle
Staatsbosbeheer
uitvoering
glasvezel aanleggen tijdens werkzaamheden
x
x
alle
particulieren
planstudie/uitvoering
parkeerplaatsen bij horeca Sprok
x
1-4
ondernemer
verkenning/planstudie
dijkoversteek grote grazers Sprok
x
1-4
Staatsbosbeheer, Natuurontwikkeling
planstudie
kleine aanvullende meekoppelkansen woningbouw de Vossenpels Zuid-Zuid
x
4
gemeente Nijmegen
verkenning/planstudie
kleine aanvullende meekoppelkansen woningbouw De Stelt-Zuid
x
5
gemeente Nijmegen
verkenning/planstudie
kleine aanvullende meekoppelkansen woningbouw Hof van Holland/Woenderskamp
x
6-7
gemeente Nijmegen
verkenning/planstudie
buitenplaats Oosterhout
x
8-9
particulieren
planstudie
woningbouw Hoge Wei
x
10-11
projectontwikkelaar
planstudie
herinrichting Hart voor Oosterhout
x
10-11
projectontwikkelaar, gemeente
planstudie
landschapsplan de Danenberg
x
x
12-13
projectontwikkelaar, gemeente
planstudie
parkeerplaatsen bij de Grote Altena
x
x
12
ondernemer
verkenning/planstudie
herinrichting Loenense Buitenpolder
x
14
Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat, provincie
verkenning/planstudie
landgoed Loenen
x
14
Staatbosbeheer, particulieren
planstudie
landschapsontwikkelingsplan
x
x
10-17
gemeente Overbetuwe
verkenning/planstudie
erfbeplanting
x
x
10-17
gemeente Overbetuwe
verkenning/planstudie
ruilverkaveling en glastuinbouw
x
x
12
gemeente Overbetuwe + provincie Gelderland
verkenning/planstudie
Gastvrije Waaldijk De ANWB heeft, in samenwerking met het waterschap en de betrokken gemeenten, het rapport Gastvrije Waaldijk opgesteld. In het rapport wordt het voorstel gedaan voor een nieuwe weginrichting van de noordelijke Waaldijk tussen Gorinchem en Nijmegen. Deze bestaat uit een basisprofiel en brandpunten (recreatieve knooppunten). Door de gemeente Overbetuwe zijn er 9 locaties aangegeven als knooppunten aangegeven. De nieuwe weginrichting speelt in op verdere ontwikkeling van de recreatieve en toeristische functie van de dijk. Bloemrijke dijken Staatsbosbeheer heeft als wens om bloemrijke dijken te realiseren op de Waaldijk tussen Wolferen en Sprok. Glasvezel aanleggen Twee particulieren hebben de wens om een glasvezelkabeltracé aan te laten leggen gelijktijdig met werkzaamheden aan de dijk. Er is nog geen sprake van een initiatiefnemer. Parkeerplaatsen bij Sprok en de Grote Altena Parkeren op de dijk bij Sprok is een probleem. Een aantal stakeholders heeft aangegeven graag meer parkeerplaats te willen hebben. Ook de beide gemeenten (Lingewaard en Overbetuwe) onderkennen dat parkeren hier een opgave is. Zij zien een integrale opgave waarbij parkeren, horeca en (recreatieve) voorzieningen tussen de Spiegelwaal en park Lingezegen in samenhang worden bekeken zodat de ruimtelijke kwaliteit verbetert kan worden.
Mogelijke herbouw van de horeca bij Sprok is hiervan onderdeel.
21 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Bij de Grote Altena is er ook een tekort aan parkeerplaatsen en wil de ondernemer ook graag meer parkeerplek op de dijk. Dijkoversteek grote grazers Sprok ARK natuurontwikkeling en Staatsbosbeheer hebben de wens om de grote grazers die de natuurgebieden en uiterwaarden onderhouden, te kunnen laten passeren nabij het Fort Lent richting Lent. Woningbouw Vossenpels Zuid-Zuid en de Stelt-Zuid Het versterken van de dijk ter plaatse van Vossenpels Zuid-Zuid en de Stelt Zuid heeft een groot raakvlak met de woningbouw. De Stelt-Zuid is al planologisch geregeld. Er is sprake van een gecombineerd dijkontwerp wat in nauw overleg tussen de gemeente en waterschap tot stand is gekomen. Het dijkontwerp Vossenpels Zuid-Zuid komt ook in nauw overleg tussen de gemeente en waterschap tot stand. Woningbouw Hof van Holland en Woenderskamp Gemeente Nijmegen wil het gebied tussen de dijk en nog te graven singel (Hof van Holland en Woenderskamp) voorzien van woongebieden bij, aan en op de dijk. Het versterken van de dijk ter plaatse van Hof van Holland en Woenderskamp heeft een groot raakvlak met de woningbouw. Het ontwerp komt dan ook in nauw overleg tussen de gemeente en waterschap tot stand. Het waterschap wil meewerken om het relevante deel van de dijk (het binnendijks talud) vooruitlopend op de dijkversterking aan te leggen.
Buitenplaats Oosterhout Vanaf 1887 werd gewerkt aan de aanleg van een sterrenbos en een zichtlaan van de achterzijde van het huis naar de Waaldijk. Deze zichtlijn is bij de vorige dijkversterking onderbroken. De eigenaar van het landgoed heeft de wens om deze zichtlijn terug te brengen in het landschap. De ruimte om de zichtlijn te herstellen is aanwezig. Alleen het dijklichaam dat in 1999 is aangelegd om de laan weer aan te laten sluiten op de verhoogde dijk is te smal. De meekoppelkans is het verbreden van dit dijklichaam zodat de laanbomen weer op de oorspronkelijke breedte gezet kunnen worden. Woningbouw Hoge wei Dit is een autonome woningbouwontwikkeling. De maatregelen liggen op enige afstand van de dijk en vormen hiermee geen grote raakvlakken voor de dijkversterking. Kleine meekoppelkansen, zoals afritten en fietspaden, worden geïnventariseerd. Hart voor Oosterhout Dit is een autonome woningbouwontwikkeling. De maatregelen liggen op enige afstand van de dijk en vormen hiermee geen grote raakvlakken voor de dijkversterking. Net als bij Hoge wei worden kleine meekoppelkansen, zoals afritten en fietspaden, geïnventariseerd. Landschapspark De Danenberg De maatregelen in het Landschapspark De Danenberg zijn beschreven in paragraaf 3.3.1. De maatregelen liggen op enige afstand van de dijk en vormen hiermee geen grote raakvlakken voor de dijkversterking.
Wel worden kleine meekoppelkansen verkend en uitgewerkt. Te denken valt aan extra afritten en fietspaden. De dijkteruglegging speelt in dit gebied. Herinrichting Loenense Buitenpolder De maatregelen bij de herinrichting Loenense Buitenpolder zijn onderdeel van een autonome ontwikkeling (zie paragraaf 3.3.1). De uitvoering van de voorlandverbetering staat gepland voor 2018. Daarnaast worden mogelijke meekoppelkansen, zoals op- en afritten en een parkeerplaats, nader verkend en uitgewerkt. Landgoed Loenen Bij Staatsbosbeheer bestaat de wens om de verbinding tussen buitenpolder en landgoed te versterken, de ingang van het landgoed zichtbaarder te maken en de tijdelijke parkeerplaats die wordt gemaakt in project Loenense Buitenpolder ter hoogte van de ingang van het landgoed aan de buitenzijde van de dijk te realiseren.
22 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Landschapsontwikkelingsplan De gemeente Overbetuwe vindt het belangrijk om aan het landschap van het buitengebied bijzondere zorg te besteden. Daarom heeft de raad van Overbetuwe in september 2010 het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Het hoofddoel van het LOP is het ontwikkelen van een sterke samenhang in het landschap. Daarmee wordt een herkenbaar landschap met een eigen identiteit gecreëerd. De gemeente stimuleert bewoners, grondeigenaren en vrijwilligersorganisaties om de kwaliteit van het landschap te behouden en te versterken. Erfbeplanting De gemeente Overbetuwe wil de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied behouden en versterken en de natuurwaarden verhogen. Dit doen zij samen met inwoners van het buitengebied en verenigingen die actief zijn in het landschap. Een manier om dat te doen is het terugbrengen van erfbeplanting. Ruilverkaveling en glastuinbouw Duurzame land- en tuinbouw spelen een belangrijke rol in de provincie Gelderland. Daarom ondersteunt de provincie bedrijven en worden vernieuwingen zoals grondruil en het verplaatsen van glastuinbouwbedrijven gestimuleerd om tot een duurzame land- en tuinbouw te komen. Aanpassingen aan de dijk bij Oosterhout bieden mogelijkheden voor ruilverkaveling. Omdat grote en efficiënte landbouwpercelen handiger en goedkoper zijn dan versnipperd grondbezit, is de Stichting Effectief Verkavelen1 opgezet.
De provincie Gelderland heeft subsidie opengesteld ter ondersteuning van de ruilverkaveling.
1
http://www.stevigverkavelen.nl/
23 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
3 ALTERNATIEVEN Het doel van de verkenningsfase is het komen tot een voorkeursalternatief dat in de planuitwerking wordt uitgewerkt. Dit MER fase 1 omvat de beoordeling van de alternatieven om de keuze voor het voorkeursbesluit te ondersteunen met milieu-informatie. Paragraaf 3.1 gaat in op het ontwerpproces en de alternatiefontwikkeling, paragraaf 3.2 specifiek het proces voor de dijkversterking. Paragraaf 3.3 geeft vervolgens de alternatieven. Paragraaf 3.4 en 3.5 zien op de dijkteruglegging. Paragraaf 3.6 gaat tot slot in op het ontwerpproces in de planuitwerking.
3.1
Ontwerpproces
3.1.1
Ontwerpproces in fasen
Op grond van de m.e.r.-regelgeving moeten in een MER alternatieven en varianten voor de hoogwaterveiligheidsopgave worden ontwikkeld en onderzocht. Daarbij zijn alleen alternatieven interessant die daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd en die onderscheidend zijn in milieueffecten, kosten en draagvlak. Het ontwerpproces voor de maatregelen verloopt in twee fasen: een verkenningsfase en een planuitwerkingsfase (zie afbeelding 3.1): - de kern van de verkenningsfase is het trechteringsproces: van veel bouwstenen en oplossingsrichtingen naar een beperkt aantal alternatieven en vervolgens naar een voorkeursbeslissing met één voorkeursalternatief. Onderdeel daarvan is de alternatievenbeoordeling in deze MER fase 1; - de planuitwerkingsfase gaat om het juridisch-rechtelijk vastleggen van het definitieve ontwerp van het voorkeursalternatief in een plan en de aanvraag van de benodigde vergunningen. Hiervoor wordt het voorkeursalternatief verder uitgewerkt, bijvoorbeeld de nadere detaillering bij constructies, maatwerklocaties, de wijze van de uitvoering en de uitwerking van de benodigde mitigatie en compensatie.
Afbeelding 3.1 Ontwerpproces in de verkenning- en planuitwerkingsfase met behulp van ´zeven´
Verkenning
Planuitwerking Analytische fase
(kansrijke) bouwstenen dijkversterking
oplossingsrichtingen dijkversterking Zeef 0
(kansrijke) bouwstenen dijkteruglegging
Beoordelingsfase alternatieven dijkversterking Zeef 1
oplossingsrichtingen dijkteruglegging
Besluitvormingsfase
Zeef 2
besluit (Integraal) VKA
alternatieven dijkteruglegging
detaillering, optimalisatie, mitigatie en compensatie
MER fase 1
24 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
projectbesluit
MER Fase 2
3.1.2
Ontwerpproces verkenning
In het ontwerpproces in de verkenningsfase is breed gezocht naar oplossingen. Ontwerpen kwamen tot stand via een wisselwerking tussen ingenieursbureau en waterschap en externe participatiemomenten, zoals meerdere rondes (zeef 1 en zeef 2 in afbeelding 3.1) met ontwerpateliers met belanghebbenden uit de omgeving. De belanghebbenden konden hun reactie geven en bijdragen aan de alternatiefontwikkeling. Voor personen die niet ‘live’ aanwezig konden zijn, was er de mogelijkheid om het ontwerpproces via een eparticipatieplatform online te volgen en reacties achter te laten. Op deze wijze zijn alle relevante doelgroepen betrokken bij het ontwerpproces.
3.2
Ontwerpproces dijkversterking
3.2.1
Zeef 0: kansrijke bouwstenen
Mogelijke bouwstenen In het ruimtelijk kwaliteitskader (Witteveen+Bos, 2017) zijn op basis van verschillende technische maatregelen ruimtelijke bouwstenen uitgewerkt om de dijk te versterken. Bouwstenen zijn technisch mogelijke en ruimtelijk passende oplossingen op, aan en langs de dijk die een bijdrage leveren aan de veiligheidsopgave. De mee te nemen mogelijke bouwstenen voor de dijkversterking zijn vastgelegd in een integrale ontwerpsessie op 17 juli 2017.
Tabel 3.1 Overzicht mogelijke bouwstenen per faalmechanisme Faalmechanisme
Bouwsteen
hoogte
dijkverhoging (zonder ruimtebeslag) dijkverhoging buitenwaarts dijkverhoging binnenwaarts buitenberm/verruwing talud - golfremmende maatregelen constructie
STPH (Piping)
pipingberm constructie (binnen of buiten) voorlandverbetering innovatieve/alternatieve oplossingen opzetten peil binnenzijde (kwelkommen) verplaatsen kwelsloot
STBI (Stabiliteit Binnenwaarts)
steunberm taludverflauwing constructie innovatieve/alternatieve oplossingen verplaatsen kwelsloot
STBU (Stabiliteit Buitenwaarts)
steunberm taludverflauwing constructie innovatieve/alternatieve oplossingen
alle
verlegging binnenwaarts verlegging buitenwaarts
25 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Beoordeling bouwstenen De mogelijke bouwstenen zijn per dijksectie beoordeeld op kansrijkheid aan de hand van drie beoordelingscriteria: 1 technische toepasbaarheid: in hoeverre is de bouwsteen technisch toepasbaar, kan de oplossing redelijkerwijs worden uitgevoerd en kan de veiligheidsopgave ermee worden opgelost; 2 ruimtelijke inpassing: in hoeverre is de bouwsteen inpasbaar in de omgeving? Elke bouwsteen heeft een bepaald ruimtebeslag/ effect op zijn directe omgeving. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan landschappelijke kwaliteiten, woonwijken, wielen of (cultuurhistorische) objecten; 3 planologisch regime/vergunbaarheid: in hoeverre worden juridische obstakels verwacht voor de bouwsteen? Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan interactie met rijksmonumenten, Natura 2000gebieden of de Waal. Afgevallen bouwstenen dijkversterking (zeef 0) Op basis van de beoordeling zijn vijf bouwstenen afgevallen als onderdeel van oplossingen die geschikt zijn voor grote dijkstrekkingen in het plangebied: - voor de dijkversterking is de bouwsteen pipingberm dusdanig breed (100-300 m) dat dit op veel plaatsen veel impact op de omgeving heeft en conflicteert met de haalbaarheid en kosten. Daarom valt deze bouwsteen af.
Dit sluit aan bij de eerdere keuzen gemaakt in de legger dijkpaaltraject Doornenburg-Dodewaard (2016), waarbij voor de ruimtereservering rekening is gehouden met een pipingconstructie in plaats van een pipingberm; - de bouwsteen voorlandverbetering heeft buitendijks veel ruimte nodig, die in grote delen van het plangebied eenvoudigweg fysiek niet aanwezig is. Daarom is deze bouwsteen niet kansrijk voor het hele projectgebied. Voorlandverbetering wordt wel onderzocht in het kader van de meekoppelkans Loenensche Buitenpolder; - de bouwsteen met verruwing buitentalud en golfremmende maatregelen heeft vanwege de relatief lage golven in het rivierengebied onvoldoende oplossend vermogen en valt daarom af; - opzetten peil binnendijks (kwelkommen) valt af, omdat er onvoldoende ruimte is om het peil aan de binnendijkse zijde te kunnen verhogen. Verplaatsen van kwelsloten is geen optie, omdat deze niet aanwezig zijn; - taludverflauwing is afgevallen, omdat hiermee met name niet voldaan wordt aan het Waaldijkprofiel (talud 1:3). Bovendien neemt deze bouwsteen over het algemeen meer ruimte in dan een aanberming, waardoor er meer aandachtspunten in de omgeving zijn; - verlegging binnenwaarts of buitenwaarts is niet meegenomen als kansrijke bouwsteen. Een buitenwaartse verlegging brengt een beperking voor de rivier met zich mee, wat invloed heeft het hoogwater.
Bovendien brengt afgraven van de huidige dijk extra kosten met zich mee. Binnenwaarts verleggen wordt al onderzocht bij Oosterhout. Gezien de mogelijke impact van het verleggen van de dijk wordt dit verder alleen op kleine schaal als maatwerkoplossing toegestaan. Uitgangspunt voor de verdere uitwerking van de oplossingsrichtingen voor de dijkversterking is dat de huidige kruinlijn wordt behouden.
3.2.2
Zeef 1: van oplossingsrichtingen naar alternatieven dijkversterking
Oplossingsrichtingen De overgebleven bouwstenen zijn toegepast in vier hoofdoplossingsrichtingen die zowel het hoogtetekort, als stabiliteitsproblemen en piping oplossen: 1 dijkversterking zoveel mogelijk in grond, met dijkverhoging, bermen (binnendijks circa 30-50 m, buitendijks circa 10 m) en een binnendijkse pipingconstructie; 2 dijkversterking met dijkverhoging in grond, een buitendijkse berm (circa 10 m) en een binnendijkse constructie; 3 dijkversterking met dijkverhoging in grond, een buitendijkse constructie en een binnendijkse berm (circa 30-50 m) en een binnendijkse pipingconstructie; 4 dijkversterking met dijkverhoging in grond, binnen- en buitendijkse constructies.
26 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Afbeelding 3.2 Principeprofielen oplossingsrichtingen dijkversterking
1a
1b
1c
2
3
4
27 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Beoordeling oplossingsrichtingen De oplossingsrichtingen zijn beoordeeld op doelbereik, belemmeringen, meekoppelkansen en kosten. Hierin zijn mogelijke significante negatieve omgevingseffecten meegenomen onder belemmeringen (juridische/bestuurlijke blokkades, beheerbaarheid). Afgevallen oplossingsrichtingen (zeef 1) Oplossingsrichting 4 (buitendijkse constructie, binnendijkse berm) is op de volgende gronden afgevallen als oplossing voor lange dijkstrekkingen: - het inzetten van een buitendijkse constructie en een binnendijkse berm en pipingconstructie is duurder dan een oplossing in grond (oplossingsrichting 1 a, b, c); - het inzetten van een binnendijkse constructie zoals bij oplossingsrichting 2 is efficiënter. Dit komt omdat buitendijks maar circa 10 m ruimtebeslag van een berm wordt uitgespaart met een constructie en binnendijks alsnog een berm en pipingconstructie nodig is. Binnendijks wordt met een constructie (zoals bij oplossingsrichting 2) circa 30-50 m ruimtebeslag vermeden en krijgt de constructie tegelijkertijd een functie voor het voorkomen van piping; - het inzetten van de buitendijkse constructie is vrijwel net zo duur als de oplossing met stabiliteitsconstructies binnen- en buitendijks zoals bij oplossingsrichting 4. Door oplossingsrichting 4 mee te nemen, onderzoeken we de effecten van een alternatief met weinig ruimtebeslag buitendijks.
3.3
Alternatieven dijkversterking
3.3.1
Uitgangspunten bij alternatieven dijkversterking
Het ontwerpproces onderbouwde bij het afwegen van bouwstenen en oplossingsrichtingen enkele algemene uitgangspunten voor de alternatieven van dijkversterking. De uitgangspunten staan hieronder. Geen grote buitenwaartse verplaatsing Bij dijkversterking heeft het waterschap Rivierenland voorkeur voor een binnendijkse dijkversterking in grond. Dit omdat een buitenwaartse versterking een beperking voor de rivier met zich meebrengt. Grote buitendijkse versterkingen (zoals verlegging van de dijk) in opstuwingsgevoelige gebieden van de rivier, staan haaks op uitgevoerde rivierverruimende maatregelen langs de Waal. Daarnaast bevinden zich op het buitentalud van een dijk vaak harde bekledingen die bij een buitenwaartse versterking (deels) verwijderd moeten worden. Daarentegen hoeft een beperkte buitendijkse versterking zoals bij een berm, zeker in stroomluw gebied, geen groot effect te hebben op rivierafvoer en waterstanden. Dit laatste onderzoeken we in het MER. Behoud huidig grondlichaam Uit de veiligheidsanalyse (Waterschap Rivierenland, 2017) blijkt dat er zowel aan de binnen- als de buitenzijde een grote opgave is voor de stabiliteit. Steunbermen aan weerzijden van het huidige dijklichaam zijn mogelijke bouwstenen om de stabiliteit van de dijk te verhogen. Uitgangspunt bij het toepassen van bermen is het behoud van het huidige grondlichaam.
Dat betekent dat bij de aanleg van een binnen- of buitendijkse stabiliteitsberm de binnen- of buitenteen opschuift. Zouden we bijvoorbeeld de buitendijkse teenlijn willen behouden, dan moet ook het huidige grondlichaam afgegraven en meer binnendijks opnieuw aangelegd. Dit is vernietiging van eerdere investeringen en brengt hoge kosten met zich mee. Het behoud van het huidige grondlichaam sluit niet uit dat de huidige kruinlijn enigszins verschuift. Bijvoorbeeld als gevolg van de benodigde ophoging. 1 m ophogen brengt een verbreding van het dijklichaam van ongeveer 6 m met zich mee. In het MER wordt deze verbreding binnen- en buitendijks onderzocht.
28 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Pipingbermen en voorlandverbetering op voorhand niet kansrijk Het kwelweglengtetekort (dat piping kan veroorzaken) is zeer groot. Als dit exclusief opgelost wordt in grond, dan zijn hier op grote strekkingen van de dijk bermen en/of voorlandverbeteringen van 100-300 m in het dwarsprofiel nodig. Op basis van dit ruimtebeslag op de huidige gebruiksfuncties en de bijbehorende kosten, vindt het waterschap bermen in deze orde grootte niet realistisch. Daarom is er in alle oplossingsrichtingen een constructie voorzien die piping onder de dijk tegengaat. De bouwsteen ‘voorlandverbetering’ is niet kansrijk vanwege de grote kwelweglengtetekorten en de grootte van het voorland. Bovendien is de aantasting van de natuurwaarden buitendijks niet acceptabel. Bij de uitwerking van het ontwerp wordt waar mogelijk wel de optimalisatie op het voorland gezocht (bijvoorbeeld in geval van buitendijkse ontwikkelingen, zie de meekoppelkans Loenense Buitenpolder). Innovatieve oplossingen Innovatieve oplossingen vormen over het algemeen een verbetering van traditionele oplossingen (grond, constructies). Denk aan een snellere aanleg, minder ruimtebeslag of minder kosten. Qua ruimtebeslag en hinder vallen ze binnen de bandbreedte van effecten van de traditionele oplossingen. In het MER krijgen de innovatieve oplossingen daarom een rol bij de optimalisatie van de alternatieven en het voorkeursalternatief.
Waaldijkprofiel In de start van de verkenning is, in samenwerking met de omgeving, een ruimtelijk kwaliteitskader opgesteld. Hierin is een gewenst dijkprofiel opgenomen. Dit zogeheten Waaldijkprofiel is toegelicht in afbeelding 3.2. De ontwerpen voldoen zoveel mogelijk aan dit profiel, met een talud van 1:3 (een dijk van 1 m hoogte geeft 6 m dijkbreedte). Levensduur De dijk moet gedurende langere tijd voldoen aan de eisen. Het jaar 2075 is als zichtjaar aangehouden voor oplossingen in grond (50 jaar vanaf oplevering in 2025). Dit betekent dat wat er nu wordt neergelegd in ieder geval tot 2075 moet voldoen aan de huidige ontwerpeisen. Voor constructies is het zichtjaar 2125 gehanteerd (100 jaar vanaf oplevering). Voor constructies is deze langere termijn nodig vanwege de relatief zware inspanning om een constructie in de toekomst te kunnen uitbreiden.
Afbeelding 3.3 Wenselijk Waaldijkprofiel
29 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
3.3.2
Alternatieven
Tabel 3.2 geeft een overzicht van principes voor de drie alternatieven voor de dijkversterking. Een nadere toelichting volgt na de tabel. N.B. De namen van de alternatieven zijn gebaseerd op het grootste onderscheid: hoe de stabiliteit wordt opgelost, in grond of met een constructie.
Tabel 3.2 Overzichtstabel alternatieven dijkversterking Nr.
Naam
Kenmerk
Buitendijks
Kruin
Binnendijks
1
versterken in grond
grootste ruimtebeslag
stabiliteitsberm circa 10 m, verbreding hoogte (maximaal 6 m)
in grond (maximaal 1 m hoger)
stabiliteitsberm circa 1050 m, verbreding hoogte (maximaal 6 m), pipingconstructie
2
binnendijkse constructie
binnendijks ruimtebeslag geoptimaliseerd
stabiliteitsberm circa 10 m, verbreding hoogte (maximaal 6 m)
in grond (maximaal 1 m hoger)
stabiliteits- en pipingconstructie
3
binnen- en buitendijkse constructie
binnen- en buitendijks ruimtebeslag geoptimaliseerd
stabiliteits- en pipingconstructie, verbreding hoogte (maximaal 3 m)
in grond (maximaal 1 m hoger)
stabiliteits- en pipingconstructie, verbreding hoogte (maximaal 3 m)
In de NRD is uitgegaan van een groter ruimtebeslag van de alternatieven dan hierboven beschreven. Voor de effectbeoordeling in dit MER fase 1 en de kostenraming is echter gebruik gemaakt van een verfijnder ontwerp per alternatief (uit start zeef 2) dat voor het ruimtebeslag uitging van 1 à 2 maatgevende dwarsprofielen per dijksectie. Dit betekent bijvoorbeeld dat de benodigde hoogte van de dijk en breedte van de binnenberm per (deel)dijksectie verschilt. Alternatief dijkversterking 1: versterken in grond Doordat de dijk wordt opgehoogd, neem het dijklichaam meer ruimte in. Een ophoging met 1 m neemt ongeveer 6 m meer ruimte in, in de breedte. Binnen dit alternatief is het mogelijk dat het ruimtebeslag binnen- of buitendijks wordt gezocht, of gelijkmatig verdeeld over de beide zijden. Aan beide kanten van de dijk wordt bovendien versteviging aangebracht om ervoor te zorgen dat de stabiliteit van de taluds niet in gevaar komt. Dit wordt gedaan met nieuwe (stabiliteits)bermen. De berm aanvullen tot een volledig functionele pipingberm neemt over grote strekkingen van dijk veel ruimte in (200300 m in dwarsdoorsnede) met bijbehorende negatieve effecten. Daarom kiest het waterschap ervoor om een pipingconstructie te plaatsen in de nieuwe binnenteen van de dijk (de onderkant van het talud van de stabiliteitsberm).
Afbeelding 3.4 Alternatief 1 voor dijkversterking: versterken in grond
30 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Alternatief dijkversterking 2: buitendijks versterken in grond en constructie binnendijks Vanaf de kruin wordt de dijk opgehoogd en verbreed richting de rivier. De stabiliteit van het buitentalud wordt sterker door het toevoegen van grond aan de buitendijkse zijde. Een constructie aan de binnendijkse zijde zorgt ervoor dat geen tunnel onder de dijk kan ontstaan, en waarborgt de stabiliteit van het binnentalud.
Afbeelding 3.5 Alternatief 2 voor dijkversterking: buitendijks versterken met constructie binnendijks
Alternatief dijkversterking 3: ophogen in grond en versterken met constructies Vanaf de kruin wordt de dijk opgehoogd en beperkt verbreed aan beide zijden. De dijkstabiliteit aan beide zijden wordt gewaarborgd door constructies. De constructies gaan eveneens piping tegen.
Afbeelding 3.6 Alternatief 3: ophogen en versterken met constructies
3.4
Ontwerpproces dijkteruglegging
3.4.1
Zeef 0: mogelijke tracéalternatieven en bouwstenen
Bij de dijkteruglegging zijn eerst mogelijke tracéalternatieven voor dijkteruglegging geïnventariseerd, vervolgens bijpassende mogelijke bouwstenen. Mogelijke tracéalternatieven Bij het ontwikkelen van de tracés voor de dijkteruglegging is gezocht naar de bandbreedte van de mogelijke oplossingsrichtingen, een minimale en een maximale dijkteruglegging. Startpunt hierbij waren de tracés zoals beschouwd in een preverkenning naar de haalbaarheid van integrale verkenning (Provincie Gelderland, 2016). In eerste instantie is hierbij uitgegaan van een traditioneel dijklichaam, een oplossing in grond.
31 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Het zoekgebied voor de oplossingen is verkleind ten opzichte van de preverkenning omdat het maximale tracéalternatief grote impact op de omgeving heeft (onder andere sloop van de woningen aan de Dijkstraat) en grote kosten kent vanwege het moeten omleggen van enkele hoofdgasleidingen aan de westkant van het zoekgebied. Door het tracé eerder af te takken worden de gasleidingen vermeden. De verwachtingen zijn dat met dit dijktracé in ieder geval dezelfde waterstanddalingen realiseerbaar zijn als met het eerder beschouwde maximale tracéalternatief. De minimale waterstandsdaling ontstaat door de dijk op het huidige tracé te houden (en te versterken) en hier aan de buitenwaartse zijde waterstandsdalende maatregelen aan te koppelen, zoals maaiveldverlaging of aanleggen van een langsdam en oevergeul. Hierdoor wordt de minimale vorm van waterstanddaling helder en inzichtelijk. Voor wat betreft het tracé van de dijk zijn tussen de minimale en de maximale variant tientallen tussenvarianten mogelijk. Er zijn verder meerdere tracés overwogen, maar er is een beperkt onderscheid tussen de tracés. Er is één tracé meegenomen om het mogelijk behoud van de glastuinbouw te kunnen afwegen. De drie mogelijke tracéalternatieven worden hieronder verder gespecificeerd. In verdere optimalisatie zijn tussenvormen wel mogelijk.
Tracéalternatief 1: de dijk op het huidige tracé behouden Bij dit alternatief (zie afbeelding 3.7) verandert er niets aan het huidige tracé van de dijk. De dijk wordt versterkt in grond (met mogelijk maatwerk in constructies) en gecombineerd met waterstandsdalende maatregelen, zoals maaiveldverlaging en een langsdam.
Afbeelding 3.7 Tracéalternatief 1: de dijk op het huidige tracé behouden met waterstandsverlagende maatregelen in de rivier en uiterwaard (minimaal)
Tracéalternatief 2: de dijk tot de grens met de glastuinbouw terugleggen (maximaal circa 100 m) Bij dit alternatief (zie afbeelding 3.8) wordt een dijk in grond gerealiseerd die op het verste punt ongeveer 100 m wordt teruggelegd ten opzichte van de huidige dijk. De hoek van de dijk is gestroomlijnd ten opzichte van de Waal en takt zich vlak na de Dijkstraat af. De dijk sluit ter hoogte van de camping weer aan op het huidige tracé. In dit tracé worden de kassen en de bijbehorende waterreservoirs behouden.
32 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Dit tracé heeft nadrukkelijke gevolgen voor de omgeving. De huidige woningen die in dit gebied liggen komen voor een gedeelte buitendijks te liggen of vallen binnen het mogelijke ruimtebeslag van de dijk. De gastransportleidingen worden bij dit alternatief niet geraakt.
Afbeelding 3.8 Tracéalternatief 2: De dijk tot de grens met de glastuinbouw terugleggen (maximaal circa 100 m)
In afbeelding 3.8 geeft het paars omlijnde gebied de uiterste omvang van de dijk weer. Op bepaalde punten zijn maatwerkoplossingen mogelijk waarmee de breedte van de dijk beperkt kan worden. Tracéalternatief 3: de dijk terugleggen tot de grens met de woningen langs de Dijkstraat (maximaal circa 200 m) (maximaal) Dit alternatief (zie afbeelding 3.9) betreft een dijkteruglegging tot aan de grens met de woningen langs de Dijkstraat. In dit alternatief worden de Loenensche buitenpolder en de Oosterhoutse waarden maximaal met elkaar verbonden. Dit biedt veel kansen voor waterstandsdalende maatregelen, natuurontwikkelingen, maar bijvoorbeeld ook voor recreatie. Door dit tracéalternatief wordt de bestaande glastuinbouw niet gehandhaafd en komen er meerdere woningen in buitendijks gebied te liggen of binnen het mogelijke ruimtebeslag van de dijk. De gastransportleidingen worden niet geraakt.
33 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
Mogelijke bouwstenen Ook voor de mogelijke dijkteruglegging geldt dat op basis van het in 2017 opgestelde ruimtelijk kwaliteitskader al een eerste inventarisatie en waardering is gemaakt van mogelijke bouwstenen voor dijkteruglegging. In 2017 is een extra sessie met de direct belanghebbenden van de dijkteruglegging georganiseerd, om vanuit het omgevingsproces input te kunnen geven aan het ontwerpproces.
Tabel 3.3 Mogelijke bouwstenen dijkteruglegging Thema
Mogelijke bouwsteen
rivier/dijk
nevengeul (rivier/dijk) bodemhoogte uiterwaard verlagen zomerkade verlagen langsdam dijkverbetering in grond dijkverbetering met constructie vegetatie weghalen bebouwbare dijk (klimaatdijk)
wonen
huidige bebouwing behouden in nieuw buitendijks gebied (ander veiligheidsniveau) huidige bebouwing in nieuw buitendijks gebied hoogwaterbestendig maken bouwen nieuwe dijkwoningen behoud boerderij herontwikkeling binnendijks
natuur
aanleg nevengeul (natuur) rijke graslanden natuurrijke kwelgebieden binnendijks; corridor Natura 2000 natuurlijke poelen buitendijks gebied Altena omzetten naar Natura 2000-gebied (compenseren) bos binnendijks natuurvriendelijke oevers hoogwatervluchtplaats
landbouw
kassen behouden behouden agrarische functie binnendijks vergroten agrarische functie buitendijks
recreatie
aanleg nevengeul (recreatie) camping behouden op huidige plek camping verplaatsen of andere vorm van verblijfsrecreatie ontwikkelen bestaande horeca handhaven (brasserie) nieuwe horeca ontwikkelen waterrecreatie ontwikkelen (zwemrecreatie, haventje, voetveer) verblijfsrecreatie ontwikkelen nieuw wandel- of fietsgebied
cultuurhistorie
historische loswal opwaarderen en weer beter zichtbaar maken historische dijkwoning ten westen van camping behouden
industriële ontwikkeling
industriële ontwikkeling zandwinning /grond verplaatsen
Toekomstperspectieven Om de kansrijkheid van de mogelijke bouwstenen te onderzoeken, zijn eerst mogelijke toekomstperspectieven voor het gebied onderzocht. Per toekomstperspectief zijn de mogelijke bouwstenen beoordeeld. Een mogelijk toekomstperspectief is een uitwerking van een mogelijke gebiedsontwikkeling met een accent op een specifiek thema. Op basis van de mogelijke bouwstenen zijn zes mogelijke toekomstperspectieven voor het gebied bepaald waarbinnen combinaties van bouwstenen opgenomen zijn: 1 behoud huidige functies;
34 | 93
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief
2 3 4 5 6
behoud kassen; herontwikkeling binnendijks met wonen en recreatie; robuuste natuurverbinding; recreatieve hotspot rivierpark; maximale waterstanddaling.
Afgevallen bouwstenen dijkteruglegging (zeef 0) De toekomstperspectieven zijn gekoppeld aan de kansrijke tracéalternatieven. Gekoppeld vormen ze zes oplossingsrichtingen. Voor dijkteruglegging zijn uiteindelijk alle in het ontwerpproces geïdentificeerde bouwstenen meegenomen in een of meerdere oplossingsrichtingen.
3.4.2
Zeef 1: van oplossingsrichtingen naar alternatieven dijkteruglegging
Oplossingsrichtingen De zes oplossingsrichtingen onderscheiden zich op basis van de tracés, de functies die in het gebied mogelijk zijn en de bouwstenen die in de oplossingsrichting zijn meegenomen. Het detailniveau van de oplossingen is globaal. Maatwerkoplossingen worden bijvoorbeeld nu niet uitgewerkt.
Afbeelding 3.9 Oplossingsrichting 1. Huidige dijktracé handhaven en behoud huidige functies
Binnen oplossingsrichting 1 ligt de nadruk op een zo minimaal mogelijke impact. Hierbij kunnen de huidige functies zo veel mogelijk behouden worden (camping, boerderij, brasserie en woningen). Om toch bij te dragen aan een waterstanddaling is in deze oplossingsrichting de aanleg van een langsdam en het verlagen van het maaiveld wenselijk/noodzakelijk. Oplossingsrichting 1 is binnen alle zes de oplossingsrichtingen de variant met de minimaalste invulling en dient om de minimale waterstanddaling met de andere varianten te vergelijken. Oplossingsrichting 2 kenmerkt zich door het mogelijk behoud van de glastuinbouw en de daarbij behorende faciliteiten. In deze oplossingsrichting wordt de dijk ongeveer 100 m teruggelegd. Hierbij is het