CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

10. Bijlage bij de toelichting deel 1b

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling paraplubestemmingsplan Nijmegen Dijkversterking Wolferen - Sprok (27/2021) (STEMSTUK)35.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

SAMENVATTING

1. Integrale verkenning Wolferen-Sprok Dijkversterking De Waaldijk tussen Wolferen en Sprok (zie afbeelding 1) voldoet niet aan de wettelijke normen voor hoogwaterveiligheid: de dijk is te laag en heeft onvoldoende stabiliteit. De beheerder van de waterkering, Waterschap Rivierenland, kreeg daarom van het nationale Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) de opdracht om de dijk te versterken. Deze versterkingsopgave moet eind 2022 zijn uitgevoerd. Het betrekken van de omgeving en het benutten van meekoppelkansen behoort bij de ambities van het project. Dit rapport gaat in op het ontwerpproces en de effecten van de kansrijke alternatieven. Het dient als onderbouwing voor het proces om te komen tot een (integraal) voorkeursalternatief. Plangebied Het dijktraject Wolferen-Sprok ligt aan de noordzijde van de Waal. Het traject ligt in de provincie Gelderland. De dijkversterking valt binnen de gemeenten Nijmegen (Oosterhout, Lent en buurtschap Sprok) en Overbetuwe (Slijk-Ewijk, Oosterhout en buurtschappen Loenen en Wolferen). Aan de oostzijde ligt een klein deel, maximaal 300 m, in de gemeente Lingewaard (Bemmel). Aan de westzijde stopt het plangebied net over de grens met de gemeente Neder-Betuwe (ongeveer 150 m). Het dijktraject heeft een totale lengte van ongeveer 15 km.

In de gemeente Nijmegen gelden enkele bijzonderheden voor het plangebied, die samenhangen met woningbouw (Waalsprong) en rivierverruiming. In dijksecties 4 tot en met 7 wordt een ander proces doorlopen, in samenwerking met gemeente Nijmegen. Voor dijksectie 5 is recent een watervergunning verleend voor het realiseren van een binnenberm, die naast de functie van waterkering ook geschikt is voor de woningbouwplannen van de gemeente Nijmegen.

Afbeelding 1 Projectgebied Wolferen-Sprok

Ruimtelijke reservering Bij Oosterhout, binnen en direct aan het dijktraject Wolferen-Sprok, ligt een gebiedsreservering voor dijkteruglegging. Deze reservering dateert al uit 2006 en is geprogrammeerd voor de periode 2030-2050. Bij Oosterhout is er daarom een kans om de dijkversterkingsopgave tegelijkertijd uit te voeren met een mogelijke dijkteruglegging en zo ‘werk met werk’ te maken. In november 2016 is door het rijk en de regio besloten om de dijkversterking en dijkteruglegging integraal te onderzoeken in het project ‘integrale verkenning Wolferen-Sprok en dijkteruglegging Oosterhout’. De verkenning onderzoekt daarmee twee oplossingen: een algehele dijkversterking of een dijkversterking met inpassing van de dijkteruglegging Oosterhout. Doel De hoofddoelstelling van het project is om de Waaldijk tussen Wolferen en Sprok aan de wettelijke hoogwaterveiligheidsnormen te laten voldoen. Hiermee zijn de bewoners en waarden achter deze dijken beschermd tegen hoogwater en overstroming vanuit de Waal. Het dijktraject Wolferen-Sprok moet eind 2022 voldoen aan de norm.

2. Ontwerpproces Het ontwerpproces voor de hoogwaterveiligheidsopgave verloopt in twee fasen: een verkenningsfase en een planuitwerkingsfase: - de kern van de verkenningsfase is het trechteringsproces: van veel bouwstenen en oplossingsrichtingen naar een beperkt aantal alternatieven en vervolgens naar een voorkeursbeslissing met één voorkeursalternatief. De eerste trechtering heeft plaatsgevonden van juli 2017 tot januari 2018. De kansrijke alternatieven hebben tegelijkertijd met de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ter inzage gelegen. Dit MER fase 1 beslaat de beoordeling van de kansrijke alternatieven. Het voorkeursalternatief uit de verkenning bestaat uiteindelijk per (deel)dijksectie uit een keuze voor een alternatief met maatregelen en maatwerklocaties. Het besluit is voorzien voor januari 2019; - de planuitwerkingsfase gaat om het juridisch-rechtelijk vastleggen van het definitieve ontwerp van het voorkeursalternatief in een plan en de aanvraag van de benodigde vergunningen. Hiervoor wordt het voorkeursalternatief verder uitgewerkt, bijvoorbeeld de nadere detaillering bij constructies, maatwerklocaties, de wijze van de uitvoering en de uitwerking van de benodigde mitigatie en compensatie (MER fase 2). Deze fase is voorzien voor 2019/2020. Het ontwerpproces verloopt van grof naar fijn.

Dit betekent dat in de verkenningsfase vaak grotere dimensies worden aangehouden dan uiteindelijk nodig is. Dit om latere verrassingen te vermijden. Hierbij is het detailniveau zodanig dat geen alternatieven worden afgeschreven die na optimalisatie nog met het VKA zouden kunnen concurreren.

Afbeelding 2 Ontwerpproces in de verkenning- en planuitwerkingsfase met behulp van ´zeven´

Verkenning

Planuitwerking Analytische fase

(kansrijke) bouwstenen dijkversterking

oplossingsrichtingen dijkversterking Zeef 0

(kansrijke) bouwstenen dijkteruglegging

Beoordelingsfase alternatieven dijkversterking Zeef 1

oplossingsrichtingen dijkteruglegging

Besluitvormingsfase

Zeef 2

besluit (Integraal) VKA

alternatieven dijkteruglegging

projectbesluit

detaillering, optimalisatie, mitigatie en compensatie

MER fase 1

MER Fase 2

3. Dijkversterking Alternatieven Het ontwerp- en participatieproces in het eerste deel van de verkenning heeft ertoe geleidt dat het waterschap drie alternatieven voor dijkversterking kon vaststellen. Afbeelding 3 geeft een verbeelding van de alternatieven voor de dijkversterking, tabel 1 geeft de nadere uitleg. N.B. De namen van de alternatieven zijn gebaseerd op het grootste onderscheid: hoe de stabiliteit wordt opgelost, in grond of met een constructie.

Tabel 1 Overzichtstabel alternatieven dijkversterking Nr.

Naam

Kenmerk

Buitendijks

Kruin

Binnendijks

1

versterken in grond

grootste ruimtebeslag

stabiliteitsberm circa 10 m, verbreding hoogte (schuifruimte, maximaal 6 m)

in grond (maximaal 1 m hoger)

stabiliteitsberm (maximaal circa 10-50 m), verbreding hoogte (schuifruimte,maximaal 6 m), pipingconstructie

2

binnendijkse constructie

binnendijks ruimtebeslag geoptimaliseerd

stabiliteitsberm circa 10 m, verbreding hoogte (maximaal 6 m)

in grond (maximaal 1 m hoger)

stabiliteits- en pipingconstructie

3

binnen- en buitendijkse constructie

binnen- en buitendijks ruimtebeslag geoptimaliseerd

stabiliteits- en pipingconstructie, verbreding hoogte (maximaal 3 m)

in grond (maximaal 1 m hoger)

stabiliteits- en pipingconstructie, verbreding hoogte (maximaal 3 m)

Afbeelding 3 Alternatieven Alternatief 1 voor dijkversterking: versterken in grond

‘schuifruimte’ hoogte

Alternatief 2 voor dijkversterking: buitendijks versterken met constructie binnendijks

Alternatief 3: ophogen en versterken met constructies

Beoordeling alternatieven Hoogwaterveiligheid (doelbereik) Alle alternatieven voldoen aan de technische eisen voor een veilige dijk en zijn realiseerbaar haalbaar binnen de planning (realisatie voor eind 2022). Het belangrijkste onderscheid tussen de alternatieven gaat om robuustheid. Een grondoplossing is het meest robuust, aangezien een dijk in grond makkelijk kan worden opgehoogd of aangevuld. Het gebruikte materiaal kan in de toekomst blijven liggen. De pipingmaatregel in alternatief 1 (bijvoorbeeld een grofzandbarrière of, in het ergste geval, een damwand) is minder robuust dan een pipingberm. In alternatief 2 en 3 wordt gekozen voor een stabiliteitsconstructie die wordt gecombineerd met een pipingmaatregel. Deze combinatie is minder makkelijk aan te passen en daardoor minder robuust dan de eventuele damwand voor piping in alternatief 1 (zie tabel 2). Het alternatief versterken in grond heeft daarom de voorkeur vanuit hoogwaterveiligheid.

Tabel 2 Overzichtstabel hoogwaterveiligheid alternatieven dijkversterking Thema

Beoordelingscriteria, invloed op

1

2

3

hoogwaterveiligheidsfunctie

robuustheid/klimaatadaptatie waterkering

0

-

-

Omgeving Tabel 3 gaat in op de onderscheidende effecten tussen de alternatieven. Alternatief 1 (versterken in grond) heeft dit alternatief meer ruimtebeslag dan de andere twee alternatieven. Het alternatief heeft vanwege dit ruimtebeslag bodemsaneringen nodig. Dit leidt tot een positief effect op de bodemkwaliteit (dijksectie 12, 13, 15, 16). De bermen van alternatief 1 leiden tot zeer negatieve effecten vanwege invloed op: - opstuwing (met name dijksectie 12, bij worst case buitendijkse verbreding voor kruinverhoging); - houtopstanden en bomen (alle dijksecties); - oppervlaktewater (dijksecties 12, 13 en 15); - woningen (60, met name dijksectie 10, ook 1, 11-17) en - landbouwareaal (vrijwel alle dijksecties). Daarnaast heeft dit alternatief ook meer negatieve invloed op grondverzet, werkkwaliteit (parkeerplaatsen) en de recreatiefunctie ten opzichte van de andere alternatieven. Alternatieven 2 en 3 veroorzaken over het algemeen kleinere negatieve effecten. Zoals die vanwege de invloed op houtopstanden en bomen (alle dijksecties), woningen (circa 10, in dijksecties 1, 12-14 en 16) en landbouwareaal (vrijwel alle dijksecties). Daarentegen zijn ze vanwege het gebruik van constructies voor alle dijksecties ook minder robuust, veroorzaken ze problemen met het grondwater, en zijn duurder dan alternatief 1.

Alternatief 2 (binnendijkse constructie) heeft, net als alternatief 1, een buitendijkse berm in het ontwerp. Ook dit alternatief veroorzaakt zeer negatieve effecten door opstuwing op de rivier (met name door dijksectie 12). De buitendijkse berm raakt aan kolken in dijksectie 8, 10, 14 en 15, waardoor alternatief 1 en 2 hier een negatief effect hebben. Alternatief 3 heeft, tot slot, het minste grondverzet nodig.

3

binnen- en buitendijkse constructie

Beoordelingscriteria, invloed op

rivierkunde

waterstandsdaling en opstuwing

natuur

Wet natuurbescherming - houtopstanden en bomen

--

-

-

bodem

bodemkwaliteit

+

0

0

benodigd grondverzet

-

0

+

oppervlaktewater

--

0

0

grondwater

0

-

-

erfgoed

historisch-geografische structuren, ensembles en elementen

-

-

0

gebruikswaarde

woonfunctie - woningen

--

-

-

werkfunctie -areaal

--

-

-

werkfunctie -werkkwaliteit

-

0

0

recreatiefunctie

-

0

0

meekoppelkansen (positieve effecten)

+

+

+

meekoppelkansen (negatieve effecten)

-

-

-

duurzaam materiaal- en energiegebruik

--

-

-

toekomstwaarde

2

binnendijkse constructie

Thema

water

1

versterken in grond

Tabel 3 Overzichtstabel onderscheidende effecten alternatieven dijkversterking

--

--

0

De zeer negatieve beoordelingen zijn niet in tabel 3 opgenomen, omdat ze niet onderscheidend zijn. Wel zijn dergelijke beoordelingen van belang voor de vergunbaarheid van of draagvlak voor een alternatief. Er is bij alle alternatieven sprake van zeer negatieve effecten op natura 2000-gebieden, beschermde soorten, en Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszones (alle dijksecties), monumenten (dijksectie 1/2, 3, 1316 in alle alternatieven, 8-9, 17 voor alternatief 1) en archeologie (alle dijksecties). Deze effecten zijn significant negatief en het is belangrijk dat het voorkeursalternatief hiervoor maatregelen bevat om de effecten te verzachten of te compenseren. Voor deze aspecten is het nemen van maatregelen wettelijk verplicht (en deels opgenomen in de kostenraming). Maatregelen zijn mogelijk en, bij uitvoering daarvan, zijn de alternatieven naar verwachting vergunbaar.

Kosten Tabel 4 geeft het overzicht van de kosten. De investeringskosten bevatten de kosten voor het realiseren van de kansrijke alternatieven. Hieronder vallen de kosten voor de aanleg van de dijkversterking, inclusief risicoreservering (bouwkosten), kosten voor het verwerven van gronden en woningen (vastgoedkosten), kosten voor de engineering (engineeringskosten) en kosten voor vergunningen, verleggen van kabels en leidingen en natuur/KRW- compensaties en overige bijkomende kosten. Alternatief 1 (ophogen in grond) heeft de laagste investeringskosten zonder vastgoed. Een ‘kale’ grondoplossing is veel goedkoper dan een damwandconstructie. Anderzijds is voor dit alternatief meer grondverwerving nodig en liggen er meer woningen binnen het ruimtebeslag. De vastgoedkosten van alternatief 1 zijn significant hoger dan de andere twee alternatieven. De totale investeringskosten van alternatief 3 zijn iets hoger dan van alternatief 2. Dit is een minder groot verschil dan verwacht. Dit komt

door het verminderde ruimtebeslag (minder vastgoed, minder compensatie), maar ook is de buitendijkse constructie minder zwaar dan de binnendijkse. In de levensduurkosten zijn aanvullend de kosten voor het beheer en onderhoud van de kansrijke alternatieven opgenomen voor een periode van 100 jaar. Alternatief 1 (versterken in grond) heeft lagere beheer- en onderhoudskosten dan alternatief 2 (binnendijkse constructie) en 3 (binnen- en buitendijkse constructie). Dit komt doordat in alternatief 1 geen damwandconstructie aanwezig is. Het vervangen van een damwand is duurder dan het onderhoud aan het grondlichaam gedurende deze tijd. Om inzicht te geven in beheer- en onderhoud zonder vervanging van de damwanden, is ook een raming gemaakt voor de periode van 50 jaar.

Tabel 4 Overzichtstabel kosten alternatieven dijkversterking Thema

Beoordelingscriteria, invloed op

1

2

3

kosten

investeringskosten inclusief vastgoed (m€)

71 - 116

72 - 116

80 - 131

investeringskosten exclusief vastgoed (m€)

42 - 68

60 - 97

70 - 113

levenscycluskosten, 100 jaar (m€)

143 - 232

153 - 249

180 - 293

levenscycluskosten, 50 jaar (m€)

111 - 180

99 - 161

105 - 170

4. Dijkteruglegging Alternatieven Afbeelding 4 Alternatieven dijkteruglegging Alternatief 1 - ‘beperkte verlegging’ onderscheidt zich door een beperkte Alternatief 1 voor dijkteruglegging: beperkte verlegging dijkverlegging en behoud van huidige binnendijkse functies. Het dijktracé ligt op de grens van het glastuingebied. De dijkteruglegging is maximaal circa 100 m. Bebouwing op de dijk - inclusief camping en brasserie Groot Altena, worden uitgeplaatst. Klein Altena en het agrarisch bedrijf blijven behouden. In totaal blijven vier van de dertien woningen binnen het zoekgebied behouden. De waterstandsdaling in dit alternatief is circa 2 cm.

Bij Alternatief 2 - ‘natuurverbinding’ wordt de dijk circa 200 m verlegd tot achter de huizen langs de Dijkstraat. Het alternatief onderzoekt een maximale waterstanddaling in combinatie met natuurontwikkeling. De nieuwe uiterwaard is zo ingericht dat het een natuurverbinding vormt tussen de Oosterhoutse waarden en de Loenense Buitenpolder. Camping en brasserie Groot Altena, Klein Altena, het agrarisch bedrijf en drie glastuinbouwbedrijven verplaatsen uit het nieuwe winterbed. In totaal blijven twee van de dertien woningen binnen het zoekgebied behouden. De waterstandsdaling in dit alternatief is, mede dankzij de aanleg van een langsdami, circa 5 cm. Alternatief 3 - ‘recreatief rivierpark’ gaat uit van een dijkverlegging van circa 200 m en onderzoekt het combineren van rivierverruiming met recreatie en wonen op een eiland in het nieuwe buitendijks gebied. De functies van camping en horecakunnen opnieuw een plek krijgen op het eiland, evenals enkele (nieuwe) woningen. Klein Altena en het agrarisch bedrijf moeten worden uitgeplaatst. In totaal blijven zeven van de dertien woningen binnen het zoekgebied behouden. Het dijktracé is gelijk aan dat van alternatief 2. De waterstandsdaling in dit alternatief is circa 4 cm.

Alternatief 2 voor dijkteruglegging: natuurverbinding

Alternatief 1 voor dijkteruglegging: recreatief rivierpark

Alternatievenbeoordeling Hoogwaterveiligheid (doelbereik) Voor de dijkteruglegging is uitgegaan van een grondoplossing. Een grondoplossing met pipingoplossing heeft grotendeels dezelfde robuustheid van de dijk als in de huidige situatie. Dit is niet onderscheidend tussen de alternatieven. Verlegging van de dijk brengt een grotere robuustheid met zich mee voor klimaatadaptatie. Hoe groter de dijkteruglegging is, hoe meer je ook in de toekomst aanpassingen aan de inrichting kunt doen om nog meer waterstandsverlaging te creëren. De orde grootte van de alternatieven is echter niet heel onderscheidend (+).

robuustheid/klimaatadaptatie waterkering

2

3

1

Dijkversterking dijksectie 12

hoogwaterveiligheidsfunctie

1

recreatief rivierpark

Beoordelingscriteria, invloed op

natuurverbinding

Thema

beperkte verlegging

Tabel 5 Overzichtstabel hoogwaterveiligheid alternatieven dijkteruglegging

+

+

+

0

Omgeving Tabel 6 geeft de onderscheidende effecten tussen alternatieven, of als er een verschil is met de dijkversterking op deze dijksectie. De alternatieven ‘natuurverbinding’ en ‘recreatief rivierpark’ bewerken een grotere waterstandsdaling (5 à 4 cm) dan alternatief 1 (beperkte verlegging). Deze geeft slechts 2 cm. De beperkte verlegging zorgt daarbij weliswaar voor minder en minder grote negatieve effecten, maar heeft ook minder en minder positieve effecten. Er zijn bij alternatieven 2 en 3 ook ten opzichte van dijkversterking grotere negatieve effecten als gevolg van het grote ruimtebeslag (met name voor Gelders natuurnetwerk en groene ontwikkelzones, grondverzet, grondwater, woningen en recreatie), maar door de gebiedstransformatie liggen er voor dijkteruglegging en met name alternatief 2 en 3 veel kansen om deze effecten te compenseren en kansen te benutten als het gaat om natuurontwikkeling, belevingswaarde, oppervlaktewater, en bij het recreatieve rivierpark de werkfuncties en recreatieve betekenis.

3

1

recreatief rivierpark

Dijkversterking dijksectie 12

Beoordelingscriteria, invloed op

hoogwaterveiligheidsfunctie

robuustheid/klimaatadaptatie waterkering

rivierkunde

waterstandsdaling en opstuwing

+

++

+

-

afvoerverdeling bij Pannerdensche kop

--

--

--

0

stroombeeld in vaarweg

++

+

0

0

-

--

--

0

-ontwikkeling

+

+

+

0

- vermesting en verzuring

-

-

-

--

+

++

++

0

natuur

2

natuurverbinding

Thema

sedimentatie en erosie zomer- en winterbed

1

beperkte verlegging

Tabel 6 Overzichtstabel onderscheidende effecten alternatieven dijkversterking

+

+

+

0

Wet natuurbescherming - Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten

Wet natuurbescherming - Natura 2000: Vogelrichtlijnsoorten - ontwikkeling

Thema

Beoordelingscriteria, invloed op

1

2

3

1

- vernietiging

-

--

--

--

- ontwikkeling

+

++

++

0

- verstoring

-

--

--

--

Wet natuurbescherming - houtopstanden, en bomen

-

--

--

--

+

++

++

0

- ontwikkeling

+

++

++

0

- verzuring en vermesting

-

--

--

-

- verstoring

-

--

--

-

bodem

benodigd grondverzet

0

0

0

++

water

oppervlaktewater

0

+

+

-

grondwater

0

--

--

0

erfgoed

historisch-geografische structuren, ensembles en elementen

--

--

--

-

belevingswaarde

positieve effecten belevingswaarde dijk, rivier en binnen- en buitendijkse gebieden

0

+

+

0

gebruikswaarde

woonfunctie (woningen)

-

--

-

-

werkfunctie (werkkwaliteit)

0

n.v.t.

+

0

recreatiefunctie (negatieve effecten)

--

--

--

-

recreatiefunctie (positieve effecten nieuwe situatie)

0

0

+

0

investeringskosten (%)

100

147

145

38

levenscycluskosten (%)

100

60

60

62

-

-

-

0

Wet natuurbescherming: soorten, en rode lijst soorten

Kaderrichtlijn water - ontwikkeling Geldersch NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone

kosten

businesscase

Er is bij alle dijkterugleggingsalternatieven sprake van zeer negatieve effecten op de afvoerverdeling bij de Pannerdensche Kop (rivierkunde), natura 2000-gebieden, beschermde soorten, en Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszones en recreatie. Deze rivierkundige- en natuureffecten zijn significant negatief en het is belangrijk dat het voorkeursalternatief hiervoor maatregelen bevat om de effecten te verzachten of te compenseren. Voor deze thema’s is het nemen van maatregelen wettelijk verplicht. Maatregelen zijn mogelijk en, bij uitvoering daarvan, zijn de alternatieven naar verwachting vergunbaar. Andere criteria zijn niet onderscheidend, maar wel negatief beoordeeld, zoals archeologie, verschillende gebruiksfuncties, en CO2-uitstoot. Voor archeologie zijn er wettelijk verplichte vervolgstappen nodig, maar ook voor andere criteria is het nemen van maatregelen gewenst. Kosten Het dijkterugleggingsalternatief met de beperkte verlegging (1) heeft de laagste investeringskosten. Dit komt met name omdat voor dit alternatief aanzienlijk minder grondverwerving en grondverzet noodzakelijk is dan voor de andere dijkterugleggingsalternatieven. Alternatieven 2 (natuurverbinding) en 3 (recreatief rivierpark) hebben vrijwel gelijke investeringskosten. Dit komt omdat het tracé van het dijklichaam in deze twee alternatieven gelijk is. De verschillen zitten in de inrichting.

Bij alternatief 2 zorgt de langsdam voor

hogere bouwkosten en bij alternatief 3 is een auto- en fietsbrug opgenomen die zorgt voor hogere bouwkosten. In de levenscycluskosten zijn naast de investeringskosten ook de kosten voor het beheer en onderhoud van de kansrijke alternatieven opgenomen. Dit bevat onder andere kosten voor het onderhoud aan het grondlichaam. De beheer- en onderhoudskosten zijn vrijwel niet onderscheidend. Op basis van de gemaakte kostenraming voor de dijkversterking en de kansrijke alternatieven voor de dijkteruglegging, en de gevonden financieringsbronnen voor de mogelijke realisatie van de kansrijke alternatieven zijn bandbreedtes voor financiering van een dijkteruglegging in dijksectie 12 vastgesteld. Voor de dijkversterking is er geen openstaande financiering. Voor de dijkteruglegging is er voor alle dijkterugleggingsalternatieven sprake van een tekort, waarbij dat van alternatief 2 en 3 groter is dan dat van alternatief 1. Voor alternatieven 2 en 3 zijn er vanuit de beoogde verhoogde ruimtelijke kwaliteit van het gebied wel meer aanvullende financieringsmogelijkheden vanuit gemeenten en provincie.

Thema

Beoordelingscriteria, invloed op

beperkte verlegging

natuurverbinding

recreatief rivierpark

Dijkversterking dijksectie 12

Tabel 7 Overzichtstabel alternatieven dijkteruglegging kosten

kosten

investeringskosten inclusief vastgoed (m€)

18 - 29

32 - 51

31 - 51

8,8 - 14,3

investeringskosten exclusief vastgoed (m€)

12 - 19

21 - 34

20 - 33

3,5 - 5,8

levenscycluskosten, 100 jaar (m€)

25 - 41

39 - 64

39 - 63

17,4 - 28,3

levenscycluskosten, 50 jaar (m€)

22 - 36

36 - 58

35 - 58

13,5 - 22

-

-

-

0

businesscase

1

2

3

1

5. Proces Resultaat verkenning Het resultaat van de verkenning is een keuze voor een voorkeursalternatief. Het voorkeursalternatief is nog niet heel precies ontworpen, het detailniveau is gelijk aan een schetsontwerp. Het voorkeursalternatief bestaat niet uit een alternatief dat in dit MER is beoordeeld. Het bestaat als een soort kralenketting uit verschillende alternatieven per (deel)dijksectie en verschillende maatwerklocaties. Het besluit voor het voorkeursalternatief aan het eind van de verkenning betreft de keuze voor: 1 een dijkversterking. Per (deel)dijksectie is duidelijk welk alternatief met welke mitigerende maatregelen meegaat; 2 een dijkversterking met in dijksectie 12 een dijkteruglegging. Voor dijksectie 12 is duidelijk welk tracé wordt vastgelegd en met welke ontwikkelingen en mitigerende maatregelen rekening wordt gehouden. Het voorkeursalternatief legt daarnaast vast welke meekoppelkansen en maatwerklocaties in de planuitwerking, met welke randvoorwaarden, nader worden ontworpen. Het MER fase 1 dient ter ondersteuning van het bestuurlijke besluit voor het voorkeursalternatief. De afwegingen wordt niet in het MER gemaakt. Het MER maakt, naast de milieu- en omgevingseffecten, wel de doelmatigheid, planning en de kosten van de alternatieven inzichtelijk.

Planuitwerking MER fase 2 maakt op basis van het definitieve ontwerp en de uitvoeringsmethoden de effecten van het definitieve ontwerp van het voorkeursalternatief inzichtelijk. Het MER fase 2 gaat in op het complete beoordelingskader, dus niet het beperkt uitgewerkt beoordelingskader in dit MER fase 1. Op basis hiervan vraagt het waterschap in de planuitwerking de besluiten en vergunningen aan. In de planuitwerkingsfase wordt voor het voorkeursalternatief een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming opgesteld als significante effecten op Natura 2000-gebied(en) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Het onderhavige MER fase 1 (verkenning) is opgesteld in de verkenningsfase ter onderbouwing van het advies over het voorkeursalternatief. Het gaat met name in op onderscheidende en significante effecten. Bij het vaststellen van het VKA (MER fase 1) ontbreekt een formeel inspraakmoment. De projectomgeving wordt wel betrokken bij de keuze en krijgt de mogelijkheid informeel in te spreken. De provincie Gelderland legt in de planuitwerking het gecombineerde MER en het ontwerpprojectplan/ruimtelijk plan tegelijkertijd ter inzage. Een ieder kan dan gedurende een periode van zes weken formeel een zienswijze op beide documenten indienen. In dezelfde periode vindt de raadpleging/toetsing van de Cmer plaats.

De Cmer beoordeelt het MER op juistheid en volledigheid en toetst of het MER invulling geeft aan het door de gedeputeerde staten geadviseerde reikwijdte en het detailniveau. Eveneens liggen de ontwerp-vergunningen ter inzage. Het waterschap en/of de provincie zullen in het definitieve plan motiveren hoe met de uitkomsten van het MER en de zienswijzen is omgegaan. Conform de procedure wordt het definitief door het waterschap/provincie vastgestelde plan bekend gemaakt. De mogelijkheden om beroep in te stellen tegen het respectievelijk goedgekeurde of vastgestelde plan volgen uit de wettelijke bepalingen voor de Waterwet en de Algemene wet Bestuursrecht.

1 EEN INTEGRALE VERKENNING Dit hoofdstuk vormt de inleiding tot het project en is deels een herhaling van wat ook al in de notitie Reikwijdte en Detailniveau voor dit project is verschenen.

1.1

Een hoogwaterveiligheidsopgave

Dijkversterking Waterkeringen moeten gedurende langere tijd hoge waterstanden kunnen keren om overstromingen te voorkomen. De Waaldijk tussen Wolferen en Sprok (zie afbeelding 1.1) voldoet niet aan de wettelijke normen voor hoogwaterveiligheid. De dijk is te laag en heeft onvoldoende stabiliteit. De beheerder van de waterkering, Waterschap Rivierenland, kreeg daarom via het nationale Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) de opdracht de dijk te versterken. Deze versterkingsopgave moet eind 2022 zijn uitgevoerd.

Afbeelding 1.1 Projectgebied Wolferen-Sprok

1 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Rivierverruiming en dijkversterking Het Rijk stelde in het Deltaprogramma Rivieren in 2014 een voorkeursstrategie (VKS) voor de Waal en Merwedes vast. De strategie wil de (toekomstige) waterveiligheidsopgave in dit grote gebied in fasen oplossen. De (toekomstige) veiligheidsopgave kan niet meer alleen met rivierverruiming opgelost. Het gaat om een samenspel van rivierverruimende maatregelen en dijkversterking. De voorkeurstrategie is gebaseerd op een gezamenlijk advies van alle betrokken partijen (Rijk, provincie, waterschap, gemeenten) aan de Deltacommissaris. Dit advies aan de Deltacommissaris is meegenomen in de Deltabeslissingen 2015 en in het Nationaal Waterplan (2015). Paragraaf 2.1 gaat nader in op het proces. Ruimtelijke reservering Een dijkteruglegging bij Oosterhout is één van de opgenomen rivierverruimende maatregelen in de voorkeursstrategie, geprogrammeerd voor de periode 2030-2050. Voor deze dijkteruglegging heeft het rijk al eerder een ruimtelijke reservering gemaakt vanuit de langetermijnvisie uit de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier. Deze maatregel ligt binnen het dijktraject Wolferen-Sprok. Door te onderzoeken of de dijkteruglegging eerder uitgevoerd kan worden, is er bij Oosterhout een kans om de dijkversterkingsopgave tegelijkertijd uit te voeren met een mogelijke dijkteruglegging en zo ‘werk met werk’ te maken.

Integrale verkenning Het Bestuurlijk Overleg Meerjaren Infrastructuur Ruimte en Transport (BO-MIRT) besloot in november 2016 om de dijkversterking en dijkteruglegging integraal te onderzoeken in het project ‘integrale verkenning Wolferen-Sprok en dijkteruglegging Oosterhout’. De verkenning onderzoekt daarmee twee oplossingen: een algehele dijkversterking of een dijkversterking met inpassing van de dijkteruglegging Oosterhout.

1.1.1

Projectgebied Wolferen-Sprok

Dijktraject Het dijktraject Wolferen-Sprok ligt aan de noordzijde van de Waal (zie afbeelding 1.1). Het traject ligt in de provincie Gelderland. De dijkversterking valt binnen de gemeenten Nijmegen (Oosterhout, Lent en buurtschap Sprok) en Overbetuwe (Slijk-Ewijk, Oosterhout en buurtschappen Loenen en Wolferen). Aan de oostzijde ligt een klein deel, maximaal 300 m, in de gemeente Lingewaard (Bemmel). Aan de westzijde stopt het plangebied net over de grens met de gemeente Neder-Betuwe (ongeveer 150 m). Het dijktraject heeft een totale lengte van ongeveer 15 km. Het zoekgebied voor de dijkteruglegging bij Oosterhout ligt bij Altena, tussen de Loenensche Buitenpolder en Oosterhoutse waarden. Woningbouwlocaties Nijmegen In de gemeente Nijmegen gelden enkele bijzonderheden voor het projectgebied. Bij Lent is recent een rivierverruimend project uitgevoerd. Dit gedeelte valt deels buiten de scope van de hoogwaterveiligheidsopgave, zoals zichtbaar in afbeelding 1.1. De gemeente Nijmegen bereidt ook verschillende binnendijkse woningbouwprojecten in de invloedsfeer van de dijk voor. Deze woningbouwprojecten lopen voor op de dijkversterking1. Het waterschap wil de realisatie van deze woningbouwprojecten niet in de weg staan. Het waterschap heeft daarom een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de gemeente Nijmegen.

De gemeente Nijmegen zal het benodigde binnendijkse profiel aanleggen dat nodig is om de dijk aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. Op deze wijze is binnendijks woningbouwontwikkeling mogelijk. Voor De Stelt-Zuid heeft het waterschap hiervoor al een watervergunning verleend aan de gemeente. De Stelt-Zuid is daarom niet verder beschouwd in deze MER. De dijksecties waarop de samenwerkingsovereenkomst van toepassing is, blijven vooralsnog wel binnen het projectgebied. Deze dijksecties doorlopen echter een ander proces dan de overige dijksecties voor wat betreft omgevingscommunicatie en ontwerp. Paragraaf 2.3 gaat nader in op deze locaties.

1

Er is onder andere ook een MER opgesteld voor deze gebieden (o.a. Royal HaskoningDHV, 2016b).

2 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

1.1.2

Doel: hoogwaterveiligheid

De hoofddoelstelling van het project is om de Waaldijken tussen Wolferen en Sprok aan de wettelijke hoogwaterveiligheidsnormen te laten voldoen. Hiermee zijn de bewoners en waarden achter deze dijken beschermd tegen hoogwater en overstroming vanuit de Waal. Het dijktraject Wolferen-Sprok moet eind 2022 voldoen aan de norm. Met de dijkteruglegging wordt in het kader van het Deltaprogramma, voorkeursstrategie rivieren, een waterstandsdaling beoogd. De gewenste waterstandsdaling voor dijkteruglegging Oosterhout is in de orde grootte van centimeters. Het gebied waar waterstandsdaling optreedt, ligt stroomopwaarts van Oosterhout tot maximaal ongeveer Doornenburg. Bij de dijkteruglegging moet gebiedsontwikkeling eveneens de ruimtelijke kwaliteit van het aan te passen gebied borgen. Vanuit het BO-MIRT wordt hiervoor dijkversterking en dijkteruglegging integraal onderzocht in een verkenning die moet leiden tot één voorkeursalternatief.

1.2

Een zorgvuldig besluit

Fasering binnen het HWBP Bij dijkversterkingen binnen het HWBP wordt gefaseerd gewerkt. Er worden in elk project vier hoofdfasen onderscheiden. Elke fase wordt afgesloten met een bestuurlijk besluit: 1 de initiatiefase. In de initiatiefase is de dijkversterking Wolferen-Sprok opgenomen in het programma van het HWBP (in 2015); 2 de verkenning. In de verkenning worden de verschillende oplossingen voor het probleem onderzocht en wordt bepaald welke oplossing de voorkeur heeft; 3 de planuitwerking. Het gekozen alternatief wordt in de planuitwerking uitgewerkt tot het detailniveau dat nodig is voor de besluitvorming over het plan en de vergunningen; 4 de realisatie. De realisatiefase leidt er toe dat het gebied weer aan de veiligheidsnorm voldoet. Projectplan Waterwet en/of ruimtelijk besluit Om de hoogwaterveiligheidsopgave planologisch en juridisch mogelijk te maken, moeten in de planuitwerking formele besluiten genomen worden. Welk publieksrechtelijk besluit genomen gaat worden voor de hoogwaterveiligheidsopgave is afhankelijk van het voorkeursalternatief. De procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) sluit of aan bij: - de goedkeuring van een projectplan Waterwet door provincie Gelderland.

Als het voorkeursalternatief bestaat uit alleen een dijkversterking, dan ligt het opstellen van een projectplan Waterwet voor het hele plangebied voor de hand, inclusief de eventuele aanpassing van bestemmingsplannen. De initiatiefnemer is in dit geval het waterschap. De provincie is bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure, verzorgt de coördinatie op grond van de Waterwet van eventuele andere besluiten (zoals vergunningen) en geeft goedkeuring aan het projectplan; óf - het vaststellen van een provinciaal inpassingsplan. De provincie stelt een dergelijk ‘bestemmingsplan’ vast als er sprake is van een provinciaal belang, bijvoorbeeld gebiedsontwikkeling. Of op verzoek van gemeenten, bijvoorbeeld als er te weinig capaciteit is om bijvoorbeeld veel bestemmingsplannen te wijzigen. Bij de keuze voor een dijkteruglegging bij Oosterhout ligt het opstellen van een provinciaal inpassingsplan voor de hand. Voor het deel waar een provinciaal inpassingsplan voor wordt gemaakt, is wettelijk geen projectplan Waterwet nodig: de inhoud gaat over op het inpassingsplan. Bij een provinciaal inpassingsplan is provincie Gelderland voor dit deel formeel initiatiefnemer en bevoegd gezag.

3 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Milieueffectrapportage De procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) dient om het milieubelang bij besluiten een volwaardige plaats te geven. De procedure is geborgd in de Wet milieubeheer. Er zijn verschillende manieren waarop voor dit project een m.e.r.(beoordelings)plicht kan gelden1: - projectm.e.r.-beoordelingsplicht via het Besluit m.e.r.: Het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een waterkering is een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit volgens categorie D3.2 van het Besluit m.e.r. 2. Ook kan een nieuwe landinrichting volgens categorie D93 een rol gaan spelen als de dijkteruglegging wordt opgenomen in het VKA. In een m.e.r.-beoordeling gaat het bevoegd gezag na of een activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben; - planme.r.-plicht via Wet Natuurbescherming: Voor dit project ontstaat een planm.e.r.-plicht als significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. Directe procedure voor m.e.r. Het waterschap en de provincie doorlopen direct een procedure voor milieueffectrapportage, omdat op voorhand duidelijk is dat mogelijke nadelige milieueffecten niet uitgesloten zijn. Dit vanwege de ligging naast Natura 2000-gebied en verschillende woongebieden. Bovendien zien zij voordelen van de procedure voor het betrekken van de omgeving.

De m.e.r.-procedure start in de verkenning met de kennisgeving en de ter inzage legging van een notitie reikwijdte en detailniveau. In geval in de planuitwerking een projectplan Waterwet wordt opgesteld, is de goedkeuring van het projectplan Waterwet door de gedeputeerde staten van de provincie het m.e.r-plichtige besluit. De gedeputeerde staten zijn daarmee het (coördinerend) bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure. Het MER kan eveneens dienen voor bestemmingsplanwijzigingen waarbij de gemeenten bevoegd gezag zijn. In het geval van het opstellen van een provinciaal inpassingsplan is de provincie eveneens bevoegd gezag voor de m.e.r. Een m.e.r. in twee fasen Het milieueffectrapport (MER) wordt, formeel gezien, opgesteld ter onderbouwing bij het - aan het eind van de planuitwerkingsfase - te nemen besluit.

Maar, omdat het in de verkenningsfase te nemen besluit over het voorkeursalternatief ook een zorgvuldige afweging vereist, wordt het MER voor het project Wolferen-Sprok in twee delen samengesteld: - het eerste deel van het MER, onderhavige rapport, is het product van de verkenningsfase (2017-2018) en vormt de ondersteuning van de naar verwachting begin 2019 te nemen beslissing over welk alternatief de voorkeur heeft; - het tweede deel van het MER, op te stellen in de planuitwerkingsfase (2019-2020), vormt de ondersteuning van de uitwerking van het voorkeursalternatief en het te nemen besluit over de dijkversterking (hoe). Uiteindelijk worden de twee delen samengevoegd en formeel bij het projectplan Waterwet of provinciaal inpassingsplan ter inzage gelegd.

1.3

Milieueffectrapport fase 1 (verkenningsfase)

Doel rapport In dit rapport zijn de alternatieven beoordeeld op de onderscheidende of significante effecten op de omgeving. De onderbouwing van deze effecten van de alternatieven speelt een rol bij de keuze voor het voorkeursalternatief. Tegelijkertijd zijn in dit rapport eveneens de andere afweegcriteria toegelicht, zoals technische haalbaarheid en kosten.

1

Uitgangspunt is dat de ruimtelijke plannen directe realisatie mogelijk maken, dus dat er geen sprake is van een planm.e.r.-plicht vanuit het Besluit m.e.r.

2

‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken.’

3

Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.

4 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Leeswijzer Dit MER bestaat uit een samenvatting, een hoofdrapport met verschillende bijlagen. Onderstaand schema geeft aan welk onderdeel geschikt is voor welke doelgroep. Samenvatting De samenvatting geeft op een begrijpelijke manier een beknopt overzicht van de inhoud van het MER. Hoofdrapport Het hoofdrapport beschrijft voor bestuurders en specialisten op een duidelijk manier de aanleiding van het project en de conclusies uit de thematische bijlagen. De bijlagen zijn echter een integraal onderdeel van het MER. Thematische bijlagen De thematische bijlagen bevatten de technische details en de achtergrondinformatie bij het hoofdrapport. Een thematische bijlage beschrijft de specifieke uitgangspunten en onderzoeksmethoden voor het betreffende milieuthema. Ook gaat een bijlage dieper in op de bepaling en beoordeling van effecten. De bijlagen zijn integraal onderdeel van het MER.

Samenvatting burgers, bedrijven, bestuurders

Hoofdrapport bestuurders, geinteresseerden

Thematische bijlagen specialisten

Tabel 1.1 Leeswijzer Hoofdstuk/bijlage

Geeft antwoord op de vraag:

een integrale verkenning

waarom een milieueffectrapport voor de dijkversterking en dijkteruglegging?

opgave

wat is de hoogwaterveiligheidsopgave, wat is de opgave vanuit de omgeving?

alternatieven

wat is het voornemen en welke alternatieven onderzoeken we hiervoor?

aanpak MER

hoe onderzoeken we de effecten voor de alternatieven?

effecten dijkversterking

wat zijn de onderscheidende effecten tussen de alternatieven voor de dijkversterking en wat zijn mogelijke maatregelen om het ontwerp te optimaliseren, effecten te voorkomen of te verzachten?

effecten dijkteruglegging

wat zijn de onderscheidende effecten tussen de alternatieven voor de dijkteruglegging en wat zijn mogelijke maatregelen om het ontwerp te optimaliseren, effecten te voorkomen of te verzachten?

proces

wat zijn de formele stappen in de procedures voor milieueffectrapportage en voor het ruimtelijke plan? Hoe is het participatieproces in de verkenning doorlopen?

bijlage I

wat betekenen de gebruikte begrippen in het rapport?

bijlage I-IX

hoe is het onderzoek voor het thema uitgevoerd en wat zijn de resultaten en mogelijke maatregelen?

5 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

2 OPGAVE Dit hoofdstuk gaat in op de achtergrond van de opgave. De opgave volgt mede uit voorafgaand beleid en regelgeving (paragraaf 2.1). Vanaf paragraaf 2.2 komt de opgave zelf aan bod, achtereenvolgens de veiligheidsopgave (2.4), de inpassingsopgave (referentiesituatie, paragraaf 2.5) en de gebiedsopgave (meekoppelkansen, paragraaf 2.6).

2.1

Planvormend wettelijk- en beleidskader

Onderstaand is het wettelijk- en beleidskader uitgewerkt dat relevant is voor de planvorming. De thematische bijlagen II-X gaan per milieu- of omgevingsthema in op het wettelijk- en beleidskader.

2.1.1

Kader

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet blijft van kracht tot de Omgevingswet in 2021 in werking treedt. Voor de aanleg, verlegging of versterking van een primaire waterkering door de beheerder is de projectprocedure voor waterstaatswerken van toepassing (artikel 5.5. van de Waterwet). In het kader van deze procedure wordt een projectplan Waterwet opgesteld door de beheerder, waterschap Rivierenland. Het projectplan moet goedgekeurd worden door de gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (artikel 5.7). Gedeputeerde staten bevorderen een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten die nodig zijn ter uitvoering van het projectplan (artikel 5.8). Dit wetsartikel houdt dus een verplichting in van het toepassen van de coördinatieprocedure in. In de praktijk betekent dit dat benodigde vergunningen gelijktijdig met het projectplan ter inzage gelegd zullen worden. Als in het kader van de ruimtelijke inpassing gekozen wordt voor een inpassingsplan in plaats van het wijzigen van bestemmingsplannen, is het opstellen van een projectplan Waterwet niet nodig (artikel 5.4. zesde lid van de Waterwet). Wet Ruimtelijke ordening De dijkversterking past vermoedelijk niet binnen de bestaande bestemming die bedoeld is voor behoud van de waterveiligheid.

Het bestemmingsplan moet daarom worden aangepast. Dat kan in dit project via een gemeentelijke (artikel 3:30 Wro), of provinciale regeling (artikel 3:35 Wro). Ook een rijksregeling is mogelijk (maar ligt niet voor de hand). De bevoegde overheid moeten voor het toepassen van de coördinatieregeling een coördinatiebesluit nemen. Op de voorbereiding van de besluiten die worden gecoördineerd (en opgenomen zijn in het coördinatiebesluit) is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit betekent dat er een ontwerpplan ter inzage moet komen te liggen, waar eenieder zienswijzen op kan indienen.

6 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Wet Milieubeheer en Besluit m.e.r. De wet Milieubeheer legt in grote lijnen vast welke wettelijke instrumenten er zijn om het milieu te beschermen en welke uitgangspunten daarvoor gelden. De uitwerking voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in het Besluit m.e.r. Het m.e.r. heeft als doel om bij bestuurlijke besluitvorming het milieubelang volwaardig te betrekken. Het wijzigen of aanleggen van een primaire waterkering is een projectm.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. (categorie D3.2). Er is hier geen sprake van een drempel, waardoor voor het goedkeuren van het bijbehorende projectplan Waterwet en bestemmingsplannen of het inpassingsplan altijd een projectm.e.r.-beoordeling nodig is. Het waterschap en de provincie kiezen ervoor om gelijk een m.e.r.-procedure te doorlopen. Redenen om direct een m.e.r. te doorlopen zijn onder meer tijdwinst en het vergroten van draagvlak bij bewoners en belanghebbenden. Het laat zien dat er energie gestoken wordt in andere dan puur technische aspecten, wat naar verwachting bijdraagt aan het vergroten van draagvlak bij bewoners en belanghebbenden. Bovendien is, vanwege de uitvoering deels binnen de grenzen van Natura 2000-gebied Rijntakken, waarschijnlijk een voortoets in combinatie met een passende beoordeling noodzakelijk.

Op grond van de Wet Milieubeheer zijn plannen die volgens een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht zijn en waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt planm.e.r.-plichtig. In dat geval is er sprake van een gecombineerd plan/projectm.e.r. De procedure voor de milieueffectrapportage loopt op met het moederbesluit (zie hoofdstuk 8), dus het projectplan Waterwet en eventuele omgevingsvergunningen of bestemmingsplanwijzigingen, of een inpassingsplan. In deze verkenning wordt het eerste deel van het MER opgesteld ter onderbouwing van het voorkeursalternatief. Dit eerste deel ligt, samen met het tweede deel (planuitwerking), formeel ter inzage in de planuitwerkingsfase. Hoogwaterbeschermingsprogramma De Waterwet schrijft voor dat de primaire waterkeringen regelmatig moeten worden getoetst om te bezien of deze voldoen aan de wettelijke normen voor de waterveiligheid. Als een waterkering niet aan de norm voldoet, moeten er verbeteringsmaatregelen worden uitgevoerd. De maatregelen die voortvloeien uit de recentste toetsing zijn opgenomen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Ieder jaar wordt een programma van projecten die in de daaropvolgende jaren voor subsidie in aanmerking komen opgesteld en door de minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) vastgesteld als onderdeel van het Deltaprogramma.

Het HWBP is opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte, Transport (MIRT). De programmadirectie valt onder Rijkswaterstaat. Het HWBP werkt met een systematiek die ontleend is aan de werkwijze van het MIRT. Het project doorloopt na toekenning van de eerste subsidie drie fasen: de verkenningsfase, de planuitwerkingsfase en de realisatiefase. Dit project doorloopt ook deze fasen. Een project stroomt niet automatisch door naar een volgende fase. Per fase wordt een expliciete beslissing genomen over subsidies en opname van het project in het programma. Voorafgaande aan de verkenning heeft de initiatiefase plaatsgevonden om het plan van aanpak voor de verkenning op te stellen en de subsidieaanvraag bij het HWBP voor te bereiden. Het waterschap is hier in 2015 mee begonnen. Op 3 december 2015 is de subsidie voor de uitwerking van de verkenning voor de dijkversterking toegekend. In de startfase van de verkenning (preverkenning) is vervolgens geconcludeerd dat er mogelijkheden zijn om de dijkteruglegging als oplossingsrichting bij de verkenning van een dijkversterking mee te nemen. Het besluit hiervoor is in oktober 2016 genomen. In april 2017 tekenden het waterschap en de provincie Gelderland een intentieovereenkomst voor het uitvoeren van een integrale verkenning waarin zowel de dijkversterking als de dijkteruglegging worden uitgewerkt.

7 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Deltawet en -programma Het Deltaprogramma volgt uit de Deltawet. Het doel van het Deltaprogramma is Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen overstromingen, zorgen voor voldoende zoetwater en de inrichting van het land klimaatbestendig maken. Door het Deltaprogramma Rivieren is in 2014 een voorkeursstrategie (VKS) Rivieren vastgesteld. Met de daaronder vallende VKS Waal en Merwedes wordt voor de Waal en Merwedes de waterveiligheidsopgave opgelost met een krachtig samenspel van rivierverruiming en dijkversterking (HWBP). De maatregelen zijn geprogrammeerd in twee tijdsvakken (tot 2030 en tussen 2030 en 2050), tevens is er een doorkijk gegeven naar 2100. De rivierverruiming langs de Waal bij Oosterhout is in het Deltaprogramma opgenomen als ambitie voor na 2030. Het advies aan de Deltacommissaris is meegenomen in de Deltabeslissingen en in het Nationaal Waterplan. Het Deltaprogramma is opgenomen in het MIRT. Op basis van een preverkenning (provincie Gelderland, 2016) achten Waterschap Rivierenland, provincie Gelderland, gemeente Overbetuwe en Rijkswaterstaat het haalbaar om dijkversterking Oosterhout te combineren met dijkversterking. In de preverkenning zijn drie varianten onderzocht die waterstandsdaling opleveren, tot aanvaardbare kosten leiden en die kansen bieden voor gebiedsontwikkeling.

De drie organisaties hebben aanbevolen om de verkenning van de dijkverlegging te integreren met de verkenning voor de dijkversterking Wolferen-Sprok. Deze aanbeveling is overgenomen in het bestuurlijk overleg (BO) MIRT van 12 oktober 2016. Op dit moment is de ambitie voor de waterstanddaling tot 2050 niet bekend.

2.1.2

Achtergrond gebiedsreservering Oosterhout

Ruimte voor de Rivier Het toenmalige kabinet gaf in 2000 in het standpunt ‘Ruimte voor de Rivier’ aan dat de grenzen van de dijkversterking in zicht waren. Vanuit de gedachte dat er steeds meer water afgevoerd moet worden, en de wens om Nederland in de komende eeuw voldoende veilig, leefbaar en aantrekkelijk te houden, zocht het kabinet voortaan de veiligheid in het meer ruimte geven aan de rivier. In de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier (PKB) beschreef het rijk het beleid om uiterlijk in 2015 het vereiste veiligheidsniveau langs de Rijntakken en het benedenstroomse gedeelte van de Maas te realiseren. Hierbij is rekening gehouden met een maatgevend hoogwater van 16.000 m 3/s op de Rijn bij Lobith (10.667 m3/s op de Waal) in het jaar 2015. Door het inmiddels vrijwel afgeronde programma Ruimte voor de Rivier kan nu het water vanaf Lobith veilig worden afgevoerd. Strategische reserveringen PKB Ook al in 2006 was er de verwachting dat de maatregelen niet afdoende zouden zijn voor de langere termijn. De verwachting is dat in 2050 bij Lobith al 17.000 m3/s binnenkomt en in 2100 18.000 m3/s. Er is in de PKB daarom ook ruimte opgenomen om bepaalde binnendijkse gebieden buitendijks te kunnen brengen na 2015.

Deze gebieden, waar op lange termijn maatregelen nodig zijn, worden wettelijk ‘gevrijwaard van grootschalige en/of kapitaalintensieve ontwikkelingen die het treffen van mogelijke toekomstige rivierverruimende maatregelen ernstig belemmeren’. Dit geldt ook voor twee gebieden in het projectgebied: dijkverlegging Oosterhout - Slijk-Ewijk en dijkverlegging Loenen. Achtergrond locatiekeuze PKB De achtergrond van deze keuze was dat het rivierkundige probleem tussen Nijmegen en Dodewaard (Midden-Waal) op de langere termijn moet worden opgelost met een dijkteruglegging. Bij het PKB is een milieueffectrapport opgesteld. Van de verschillende in het milieueffectrapport onderzochte dijkverleggingen werden, zowel aan de noord- als de zuidzijde van de Waal, negatieve effecten verwacht. Ondanks de mogelijke aantasting van het landgoed bij Loenen is in eerste instantie voor dijkteruglegging bij Loenen gekozen, en niet voor het alternatief Beuningen. Dit vanwege de hier aanwezige cultuurhistorische waarden en een groter aantal betrokken woningen. Enkele gemeenten rond Nijmegen hebben bij de tot stand komen van de PKB aangedrongen op het opnemen van verschillende gebiedsreserveringen voor dijkverlegging langs de Midden-Waal. Dit om de

8 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

mogelijkheden voor dijkverlegging open te houden en zo in de toekomst meer ruimte te hebben voor maatwerk. Daarom is ook een reservering opgenomen voor de dijkverlegging Oosterhout - Slijk-Ewijk. In de toelichting van de PKB is aangegeven dat een nadere zorgvuldige afweging nodig is op het moment dat tot uitvoering van een dijkverlegging wordt besloten, omdat in deze gebieden belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Uitgangspunt in de PKB is dat de beoogde waterstandsdaling voor de Midden-Waal opgelost wordt met de dijkverlegging Loenen, of met een deel van de dijkverlegging Loenen aangevuld met de dijkverlegging Oosterhout - Slijk-Ewijk. Huidige gebiedsreservering In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012) schetste het rijk de ambities voor het ruimtelijkeen mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Hierin is (hoog)waterveiligheid een rijksbelang. In dit kader besloot het rijk om opnieuw ruimte voor het rivierensysteem te borgen, zodat ook op de langere termijn de Rijktakken en Maas veilig water kunnen afvoeren. De structuurvisie is juridisch vastgelegd in het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro, 2011). Nu onder de namen dijkverlegging Oosterhout en de dijkverlegging A50-Dodewaard. In 2016 is het Barro met contouren enigszins aangepast (afbeelding 2.1).

Afbeelding 2.1 Huidige gebiedsreservering in het Barro

Deltaprogramma Het in 2010 gestarte Deltaprogramma heeft tot doel de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening op de lange termijn (2100) veilig te stellen. In de periode van augustus 2012 tot en met januari 2014 zijn door provincies, waterschappen en gemeenten in samenspraak met het Rijk voorkeursstrategieën voor de riviertakken opgesteld. Een voorstel voor maatregelen is eind 2014 opgenomen in het Deltaprogramma 2015 (DP2015). Regionale voorkeursstrategie Waal en Merwedes De regionale voorkeursstrategie Waal en Merwedes (2013) stelt voor de al gereserveerde gebieden binnen het projectgebied te handhaven. De onderbouwing bij de dijkteruglegging Oosterhout (ambitie 2030-2050) is dat deze maatregel in ruimtelijke zin te verbinden is aan de uitgevoerde projecten in de Oosterhoutse waarden en de dijkteruglegging Lent. De voorkeursstrategie ziet hier ruimte voor een optimale rivierkundige inrichting door hier één gebied van te maken. Beoogde waterstandsdalingen regionale voorkeurstrategie Voor de dijkverlegging A50-Dodewaard was 16,6 cm waterstandsdaling voorzien. Door zandwinners wordt momenteel delfstofwinning en rivierverruiming (zelfrealisatie) uitgevoerd in de Gouverneurspolder en Grote Willemspolder, tussen de A50 en Tiel. Hierbij is gerekend op een waterstandsdaling van respectievelijk 5,3 en 4,5 cm. De Drutensche waarden leveren nog 6 cm op.

Dit, tezamen met dijkverhoging, vervangt mogelijk de dijkteruglegging A50-Dodewaard. Voor de dijkteruglegging Oosterhout (voor de periode 2030-2050) is in de regionale voorkeurstrategie uitgegaan van een waterstandsdaling van 5,6 cm.

9 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

Van voorkeurstrategie rivieren naar Nationaal Waterplan De regionale voorkeursstrategie is overgenomen in de nationale voorkeurstrategie rivieren (2014) en geland in de voorgestelde deltabeslissing Rijn-Maasdelta in het DP2015 en het Nationaal Waterplan 2016-2021. In lijn met deze beslissingen besloot het Bestuurlijk Overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (BO MIRT) op 5 november 2015 voor een integrale verkenning van de dijkteruglegging Oosterhout samen met de dijkversterking Wolferen-Sprok.

2.1.3

Ontwikkelingen gebiedsreservering tijdens de integrale verkenning

Lange Termijn Ambitie Rivieren (LTAR) Gebiedspartijen langs de Rijntakken spraken 7 april 2016 af de voorkeursstrategie rivieren te actualiseren om tot een realistisch en uitvoerbaar voorstel voor de combinatie van dijkversterking en rivierverruiming te komen voor de lange termijn. De keuze van maatregelen vindt plaats op basis van een integraal afwegingskader, met criteria zoals ruimtelijke kwaliteit, draagvlak en de maatschappelijke kostenbatenanalyse (MKBA). Het gezamenlijke beleidsontwikkelingstraject moest leiden tot een ambitie tot en met 2050 en flexibele en adaptieve uitvoeringsstrategie voor de rivieren, die verankerd zou worden in een rijksstructuurvisie en samenhangende provinciale structuurvisies. Het doel was helderheid te geven over de mate van waterstanddaling als gevolg van rivierverruiming, wat vervolgens weer richtinggevend is voor de te realiseren dijkversterkingen. MKBA LTAR Uit de MKBA is onder andere gebleken dat de extra kosten van rivierverruiming niet opwegen tegen de kwantificeerbare baten. Daar staan echter kwalitatieve baten tegenover. Ook is duidelijk geworden dat een grootschalige dijkversterking zoals die van Wolferen-Sprok niet leidt tot spijt. Uit de MKBA bleek dat onderzocht moest worden of dijkteruglegging Oosterhout vanaf 2030 wordt uitgevoerd, of gelijktijdig met de dijkversterking Wolferen-Sprok in de periode 2020-2029.

Alternatieven LTAR Het Synthesedocument (Lange Termijn Ambitie Rivieren -Synthesedocument, Waal-Merwedes / IJsselPannerdensch Kanaal) werkte de volgende alternatieven uit voor de periode 2029-2050. Het voorkeursalternatief kon overigens bestaan uit onderdelen van verschillende alternatieven: - lint: accent op meerdere kosteneffectieve buitendijkse maatregelen, inclusief maatregelen die kansrijk zijn voor zelfrealisatie, die samen een groen-blauw lint vormen. Oosterhout is geen onderdeel; - kerngebieden: accent op een concentratie van maatregelen die aansluiten bij de kerngebieden van de Natuurambitie Grote Wateren en stedelijke gebieden (buitendijks en binnendijks). De dijkteruglegging Oosterhout is niet heel direct aan één van de kerngebieden gekoppeld, maar is toegevoegd omdat hier al een studie loopt en er mogelijkheden zijn voor natuur en stedelijke inpassing; - riviersysteem: accent op maatregelen die bijdragen aan de beperking van de bodemdaling van de rivier en maatregelen die knelpunten en flessenhalzen oplossen. Voor Waal-Merwedes gaat het om meerdere binnendijkse maatregelen, waaronder dijkteruglegging Oosterhout. Binnendijkse maatregelen vergroten de adaptiviteit van de rivier; - rijnstrangen: in het vierde alternatief staat de inzet van het gebied Rijnstrangen als retentie centraal.

Het gaat daarbij niet om de inzet van Rijnstrangen na 2050 (‘sluitstuk’), maar een inzet vóór 2050, op basis van een gestuurde inlaat. Oosterhout is geen onderdeel. Programma Integraal Rivier Management (IRM) In het vervolg op het LTAR-onderzoek heeft de minister van I&W in een Kamerbrief van 28 juni 2018 aangegeven dat zij samen met de regionale partners streeft naar een duurzaam veilig, functioneel en aantrekkelijk rivierengebied. Zij doet dat verder in het nieuwe programma Integraal Riviermanagement (IRM). Dijkteruglegging bij Oosterhout is één van de mogelijke maatregelen binnen dit programma. De doelen van dit programma zijn nadrukkelijk breder dan tot dusver in de LTAR. Zo maakt de laagwaterproblematiek rond scheepvaart, natuur/waterkwaliteit en zoetwatervoorziening expliciet onderdeel uit van de scope van IRM. Het programma kent een langetermijnambitie (2050 en verder) en

10 | 93

Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.393 | Definitief

uitvoeringstranches met concrete maatregelen. IRM zal worden geborgd in een structuurvisie. Mogelijk kunnen voor vaststelling van de structuurvisie al enkele ‘no-regret’ projecten worden gestart, mede afhankelijk van urgentie, de investeringsbereidheid van de partners en of daar door rijk en regio een gezamenlijk een besluit over kan worden genomen. De verbreding van doelen en opgaven voor IRM vraagt ook om een uitbreiding op het al uitgevoerde onderzoek voor de dijkteruglegging bij Oosterhout. Binnen de verkenning voor dijkteruglegging zou bekeken moeten worden wat de mogelijk bijdrage van de dijkteruglegging aan deze andere opgaven binnen IRM zou kunnen zijn. Inhoudelijk lijkt dit zich te concentreren op de vraag of de dijkteruglegging bij Oosterhout kan bijdragen aan het oplossen van de scheepvaartproblematiek rond de vaste laag in de Waal bij Nijmegen (zie tekstkader) en aan de KRW. Uit MIRT Onderzoek Duurzame Bodemligging Rijntakken Bij Nijmegen is in 1988 een 0.70m dikke laag steenbestorting (40 – 200 kg) aangebracht. De functie van deze harde laag is om de buitenbocht van de rivier vast te leggen en de rivier op diepte te houden. Voortschrijdende bodemerosie heeft ertoe geleid dat de vaste laag nu een drempel in de rivierbodem vormt. De drempel geeft bij lage rivierafvoeren en waterstanden hinder en een knelpunt voor de scheepvaart.

Dit knelpunt vraagt binnen tien jaar om een oplossing. De kortetermijnoplossing kan bestaan uit het: - opvullen van de erosiekuil benedenstrooms, zodat de waterspiegel boven de vaste laag wordt opgezet; - verwijderen van de vaste laag; - verlagen (uitvlakken) van de vaste laag; - periodiek suppleren benedenstroom van de vaste laag om bodemerosie te stoppen en bodem omhoog te brengen; - doen van aanvullend onderzoek in de vorm van pilots en het ontwikkelen van richtlijnen en normen voor een basisbodemligging. Conclusie voor MER integrale verkenning De ontwikkelingen tijdens de verkenning hebben geen invloed op dit MER. Het MER onderzoekt nog steeds in hoeverre dijkteruglegging mogelijk is in combinatie met dijkversterking. In de afweging voor het voorkeursalternatief speelt mee in hoeverre er mogelijkheden zijn de dijkteruglegging te financieren.

2.2

Afbakening scope

Doelstelling en ambities De hoofddoelstelling van het project is om voor het dijktraject Wolferen-Sprok aan de wettelijke hoogwaterveiligheidsnormen te voldoen, een maximaal toelaatbare faalkans van 1/10.000 per jaar1. Hiermee zijn de bewoners en waarden in het achterland beschermd tegen hoogwater en overstroming vanuit de Waal. Het dijktraject Wolferen-Sprok moet eind 2022 voldoen aan de norm. Voor de waterstandsdaling die bereikt moet worden door dijkteruglegging, is geen wettelijk vastgelegde eis of norm aanwezig. In de regionale voorkeurstrategie Waal en Merwedes is rekening gehouden met een waterstandsdaling van ongeveer 5,6 cm. In de preverkenning (provincie Gelderland, 2016) is een waterstandsdaling tussen 3 en 6 cm mogelijk gebleken. De ambitie voor dit project ligt daarom ook in deze orde grootte van centimeters waterstandsdaling. Het gebied waar waterstandsdaling optreedt, ligt stroomopwaarts van Oosterhout tot maximaal ongeveer Doornenburg. Het betrekken van de omgeving en het benutten van meekoppelkansen behoort bij de ambities van het project.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=de4d2d64-d175-4eb3-80e9-50acc4fc1fbd