Vresselseweg 54 en 54a Sint-Oedenrode_Toelichting
Tekst van het document
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten.
Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Vresselseweg 54 en 54a dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woning, de te slopen bedrijfsbebouwing en de uitbreiding van de bedrijfsbestemming, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Tevens is voor de beoogde ontwikkeling een quickscan Flora- en Fauna onderzoek uitgevoerd door Lomans Ecoworks.
Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat er vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen zijn aangetroffen ter plaatse van de woning aan de Vresselseweg 54. De nesten van de huismus blijven gehandhaafd, voor de kerkuil worden maatregelen getroffen zodat de functie Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
22
van voortplantingsplaats / vaste rust- en verblijfplaats ten aller tijde gewaarborgd blijft. Tijdens het veldbezoek zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Indien de aanbevelingen worden opgevolgd, zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling in het kader van de Wet Natuurbescherming. Nader onderzoek is niet aan de orde. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 6.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
23
7. Water Inleiding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009.
De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
Provincie Noord-Brabant Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 4.3.2 zijn er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water gelegen op het plangebied, zie Afbeelding 8. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden.
Afbeelding 8: Instructieregels aan gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging' van de Iov
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
24
De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: Voldoende water Schoon water Veilig water Vitale bodem Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap de Dommel Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: − Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt − Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan − Wat schoon is moet schoon blijven Het Waterschap moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
25
is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het Waterschap een omschakeling gemaakt; − van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. − van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het Waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. − van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Legger waterstaatswerken 2021 Het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel heeft op 30 november 2021 de legger waterstaatswerken 2021 vastgesteld. Ook heeft het dagelijks bestuur besloten de leggers oppervlaktewaterlichamen 2018, waterberging 2019 en waterkeringen 2020 in te trekken. Het Waterschap heeft ervoor gekozen de drie bestaande leggerbesluiten samen te voegen. Dit is gedaan met het oog op de nieuwe waterschapsverordening en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De samenvoeging is beleidsneutraal met een vernieuwing van de bestaande drie leggers. Waterschap De Dommel neemt in de legger alle waterstaatswerken op die van belang zijn voor het functioneren van het watersysteem in het beheergebied van De Dommel. Er zijn vele soorten waterstaatswerken, die onderverdeeld zijn in vier categorieën, te weten: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken. De legger vormt daarmee een uitstekend hulpmiddel bij de toetsing welke regels van de keur op en nabij waterstaatswerken van toepassing zijn. Bestaande waterhuishoudkundige situatie In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt.
Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten.
Beoogde waterhuishoudkundige situatie Zoals aangegeven is waterschap De Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Middels de Keur van Waterschap De Dommel, welke in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
26
uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. In de beoogde situatie is er een afname van verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie. Hierdoor dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Dit initiatief betreft de sloop van de stallen en de bouw van één Ruimte-voor-Ruimte woning. De sloop van de stallen bedraagt een oppervlakte van 1.736 m2. De beoogde Ruimte-voor-Ruimte woning, inclusief bijgebouw, zal zorgen voor een afname van het bebouwd en verhard oppervlak. Er is dus sprake van een sterke afname van verhard oppervlak, in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is daarom vanuit het waterschap geen formele compensatie nodig. In het kader van het vooroverleg is het concept-ontwerpbestemmingsplan bovendien voorgelegd aan Waterschap De Dommel. In de beoogde situatie wordt het afvalwater van de Ruimte-voor-Ruimte woning geloosd op het gemeentelijk riool. Het hemelwater afkomstig van de Ruimte-voor-Ruimte woning zal worden geïnfiltreerd in de bodem op eigen terrein.
Het plan heeft om bovengenoemde redenen een positief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Onderstaand is een uitsnede opgenomen van de ‘Legger waterstaatswerken 2021’ van waterschap de Dommel.
Afbeelding 9: Uitsnede Legger waterstaatswerken 2021, plangebied rood omcirkeld In de nabijheid van het plangebied is een A-watergang en een B-watergang gelegen. Ter plaatse van het plangebied is geen beschermingszone van de watergangen of profiel van vrije ruimte aanwezig. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de naastgelegen watergangen met bijhorende regels.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
27
8. Fysieke belemmeringen In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart van Afbeelding 16, paragraaf 9.8). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
28
9. Milieuhygienische verantwoording Inleiding Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordeling) plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In dit geval is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden. Het toevoegen van een woning valt onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r..
Aangezien het gaat om het realiseren van één woning, wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie c.q. mer-beoordelingsbesluit niet noodzakelijk. Het saneren van een veehouderij en het uitbreiden van een rietdekkersbedrijf hebben geen van allen effect op stikstofdepositie en daardoor geen negatief effect op Natura-2000 gebieden, zie paragraaf 6.3. Wat betreft het tweede criteria geldt dat er geen passende beoordeling noodzakelijk is. Bodem Binnen de bedrijfsvoering van het rietdekkersbedrijf vinden geen bodem- en grondwaterbedreigende activiteiten plaats. In de loods ten behoeve van de bedrijfsvoering van het rietdekkersbedrijf vind enkel de opslag van materialen plaats. De activiteiten van onderhavige inrichting kunnen worden beschouwd als reguliere activiteiten van een rietdekkersbedrijf. De agrarische bestemming wordt omgezet naar twee woonbestemmingen. Voor de bestaande woning is een bodemonderzoek noodzakelijk, dit om te borgen dat de grond ter plaatse niet is verontreinigd door agrarische activiteiten. Voor de Ruimte-voor-Ruimte woning is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk, omdat de gronden een nieuwe functie krijgen en er nog niet eerder op deze locatie een woning heeft gestaan.
Ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning en de beoogde Ruimte-voor-Ruimte woning is een bodemonderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat het beoogde plan ook uitvoerbaar is. Dit bodemonderzoek is bijgevoegd in Bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem op de locatie formeel gezien niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. Echter, gezien de aard en mate van de aangetroffen verontreiniging is nader onderzoek niet noodzakelijk. Er bestaan uit bodemkwaliteitsoogpunt geen beperkingen ten aanzien van de geplande nieuwbouw. Ten opzichte van het uitgevoerde bodemonderzoek in 2018 hebben er binnen het plangebied geen bodembedreigende activiteiten meer plaatsgevonden. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Landschappelijke inpassing Conform artikel 3.9, kwaliteitsverbetering van het landschap, van de Interim omgevingsverordening dient ten aanzien van het landschap een goede landschappelijke inpassing te worden opgesteld. Middels het beplantingsplan wordt getoond op welke wijze onderhavig initiatief landschappelijk wordt ingepast.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
29
Het plangebied is gelegen op hoger gelegen zandgronden. Een aantal decennia geleden werd deze omgeving gekarakteriseerd door houtsingels en kleine weides, afwisselend met heidegronden. In de huidige situatie is van het kleinschalige karakter nog steeds, wel in mindere mate, sprake. Tevens zijn vele sporen uit de historische achtergrond van een aantal decennia terug zichtbaar in het landschap. Het huidige landschap is te betitelen als een coulisselandschap. De akkers zijn klein van aard, waarbij bebouwing aan de randen plaats vindt. Het initiatief bestaat uit de sloop van bestaande stallen en de bouw van één Ruimte-voor-Ruimte woning. Een landschappelijke inpassing is hier gewenst. Het bestemmingsvlak van Vresselseweg 54 wordt uitgebreid ten behoeve van het rietdekkersbedrijf, aan de rand van deze grens wordt een groenvoorziening geplaats om de grens te stellen tussen beide percelen. Bij de Ruimte-voor-Ruimte woning is beplanting gewenst tussen de bebouwing om zicht op de naastgelegen woning te onderbreken. Landschappelijke inpassing initiatief De bestemming wordt gewijzigd van een agrarische bestemming in twee woonbestemmingen. De vorm van het bestemmingsvlak wordt daarbij gewijzigd, zodat de bestemming van de bestaande woning en Ruimte-voor-Ruimte woning tot aan de Vresselseweg doorloopt. Het bestaande bestemmingsvlak wordt daarmee verkleind.
Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen zal onderhavige ontwikkeling zorgvuldig landschappelijk worden ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is weergegeven in Bijlage 8 en in onderstaande afbeelding.
Afbeelding 10: Landschappelijke inpassing beoogde situatie
Ter plaatse van het plangebied wordt overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt. Een deel van de agrarische bestemming wordt opgenomen bij het bestemmingsvlak van het rietdekkersbedrijf aan de Vresselseweg 54. Deze locatie wordt gescheiden van de woningen aan de Vresselseweg 54a door een bomenweide op de grens van het bestemmingsvlak. Het plangebied van de voormalige bedrijfswoning en Ruimte-voor-Ruimte woning wordt tevens landschappelijk ingepast middels de aanleg van hagen, deze worden aan de beide zijden van de percelen aangelegd, waardoor de woningen afgeschermd worden. Aan de voorzijde van de woningen wordt weinig ‘groen’ aangelegd. Door middel van de hagen aan de zijdes van de percelen blijven de zichtlijnen naar De Dommel zichtbaar.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
30
De landschappelijke inpassing is verdeeld in twee fases, de eerste fase wordt middels een voorwaardelijke verplichting gerealiseerd maximaal 2 jaar na sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing. De tweede fase wordt gerealiseerd maximaal 2 jaar na realisatie Ruimte-voorRuimte woning. Derhalve wordt geacht te hebben voldaan aan een goede landschappelijke inpassing zoals beschreven in artikel 3.9 van de Iov. Geluid In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Met de omschakeling van bedrijfswoning naar woonbestemming en de bouw van de Ruimte-voor-Ruimte woning wordt een nieuwe geluidsgevoelige bestemming toegevoegd. Deze woning wordt in de nabije omgeving van het bestaande rietdekkersbedrijf van de initiatiefnemer gebouwd. Een rietdekkersbedrijf behoort conform de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ tot milieucategorie 3 (aannemersbedrijf met werkplaats: b.o. > 1000 m2). Gezien de activiteiten van het rietdekkersbedrijf enkel bestaan uit opslag van materialen en werktuigen is de geluidsbelasting verwaarloosbaar. Hierdoor is het bedrijf gelijk te stellen met een bedrijf met een milieucategorie 2.
Voor een bedrijf uit deze milieucategorie bedraagt de grootste richtafstand 30 meter. Echter mag deze afstand met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied (van 30 naar 10 meter). De woning aan de Vresselseweg 54a is gelegen op een afstand van circa 30 meter van de rand van het bouwvlak van de bedrijfsbestemming. Deze afstand is ruim groter dan de richtafstand van 10 meter zoals opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Daarnaast wordt de Ruimte-voor-Ruimte woning op een afstand van 74 meter van het bouwvlak van het rietdekkersbedrijf gebouwd. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de Ruimte-voor-Ruimte woning. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat de bedrijfsactiviteiten aan de Vresselseweg 54 niet belemmerd worden door de omschakeling naar burgerwoning en de realisatie van de Ruimte-voorRuimte woning. Derhalve kan worden gesteld dat ook de andere nabij gelegen woningen geen geluidshinder zullen ondervinden van de activiteiten van het rietdekkersbedrijf, aangezien deze op een grotere afstand van het bedrijf zijn gelegen. Weggeluidshinder Naast de hinder van bedrijvigheid kan de beoogde Ruimte-voor-Ruimte woning geluidhinder ondervinden van de Vresselseweg waaraan deze is gelegen.
In de Wet geluidhinder is beschreven dat binnen de 48 dB contour langs wegen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten (waaronder woningen) zijn toegestaan. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ voorziet dan ook niet in nieuwe ontwikkelingen binnen genoemde 48 dB contour, hetgeen is geregeld in de algemene bouwregels. De Vresselseweg is een rustige weg in het buitengebied van SintOedenrode waar alleen bestemmingsverkeer gebruik van maakt. De verkeersintensiteit is hierdoor beperkt, er zijn ook geen gegevens beschikbaar in BrabantBrede ModelAanpak (BBMA). De verwachting is dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Gezien de staat van de voormalige bedrijfswoning mag er vanuit worden gegaan dat er inpandig sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (33 dB). Voor de ruimte-voor-Ruimte woning wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd in artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012. Een geluidwering van 20 dB is voldoende om in deze woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen van 33 dB. Vanuit het Rijk is een kaart beschikbaar gesteld, de ‘Atlas leefomgeving’. Hier zijn onder andere kaarten opgenomen voor geluidsbelasting, zo ook voor wegverkeer. Door middel van deze kaart kan geconcludeerd worden dat de geluidsuitstraling van de Vresselseweg minder dan 50 bedraagt ter plaatse van de woningen binnen het plangebied.
Zie Afbeelding 11 voor de geluidscontouren en situering van de (nieuwe) woningen in het plangebied.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
31
Afbeelding 11: Uitsnede atlas leefomgeving, kaart 'Geluid in Nederland van wegverkeer (Lden)', woningen plangebied rood omkaderd
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde Ruimte-voor-Ruimte woning en de bestaande voormalige bedrijfswoning geen onaanvaardbare geluidshinder ondervinden. Tevens kan aangenomen worden dat door de beëindiging van de activiteit rundveehouderij, de geluidsbelasting naar de omgeving wordt gereduceerd. Verdere toetsing van eventuele geluidsbelasting wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. De verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen zoals het gemotoriseerde verkeer, industriële- en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigde stoffen. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Gezien de aard van de bestaande activiteiten ten behoeve van het rietdekkersbedrijf zijn overschrijdingen van de betreffende grenswaarden niet aannemelijk.
Tevens kan aangenomen worden dat door de beëindiging van de rundveehouderij een afname plaats vindt van de concentraties. Besluit NIBM Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat onder ‘in niet betekende mate’ wordt verstaan. Onderhavig initiatief betreft de bouw van slechts één Ruimte-voor-Ruimte woning, welke gelegen is aan een ontsluitingsweg. Derhalve kan geconcludeerd worden dat deze NIBM is. Gezien het hier bovenstaande is een verder onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Zo is de achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied 15,37 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/ m3. De fijnstofconcentratie PM2,5 bedraagt 8,606 μg/m3, waarbij ruimschoots wordt voldaan aan de norm van 25 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 11,99 μg/ m3, waar de norm 40 μg/ m3 bedraagt, zie onderstaande afbeeldingen.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
32
Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
Afbeelding 12: Uitsnede GCN-kaart Fijnstof (PM10) (Bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/)
Afbeelding 13: Uitsnede GCN-kaart Fijnstof (PM2,5) (Bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/)
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
33
Afbeelding 14: Uitsnede GCN-kaart Stikstof (NO2) (Bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/)
Geur Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Meierijstad heeft geen geurverordening, waardoor er wordt getoetst aan de Wgv. De bestaande woning aan de Vresselseweg 54 blijft onveranderd, deze woning hoeft niet getoetst te worden de Wet geurhinder en veehouderij. De bestaande woning aan de Vresselseweg 54a is onderdeel van een (voormalige) veehouderij en wordt getoetst aan vaste afstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object wat onderdeel uitmaakt van een (voormalige) veehouderij. Deze afstand dient minimaal 100 meter te bedragen indien het geurgevoelig object binnen de bebouwede kom is gelegen. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen bedraagt deze afstand minimaal 50 meter.
De (voormalige) veehouderij is gelegen buiten de bebouwde kom en de dichtstbijzijnde veehouderij (Zwijnsbergen 3) is circa 83 meter. De nieuw te bouwen Ruimte-voor-Ruimte woning valt onder artikel 14, lid 2.c van de Wet geurhinder en veehouderij. Daarbij bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. De afstand van de nieuw te bouwen woning en de dichtstbijzijnde veehouderij (Zwijnsbergen 3) bedraagt circa 120 meter. Naast toetsing aan de vaste afstanden is in de Wet geurhinder en veehouderij wordt ook een minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierverblijf en een geurgevoelig object opgenomen (artikel 5 Wgv). Deze afstand dient minimaal 50 meter te bedragen indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen en minimaal 25 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
34
In onderhavige aanvraag bedraagt de afstand vanaf de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf (Zwijnsbergen 3) tot de nieuw te bouwen Ruimte-voor-Ruimte woning, circa 120 m. De herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende (intensieve) veehouderijen niet belemmeren. De omliggende veehouderijen zijn echter al belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door geurgevoelige woningen gelegen tussen het plangebied en de veehouderijen. Herontwikkeling van het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dus niet. De beoogde situatie voldoet aan de Wet geurhinder en veehouderij i.h.k.v. de afstanden tussen een veehouderij en de woningen. Verder is de gewenste ontwikkeling niet beperkend voor omliggende veehouderijen, hierdoor zijn er wat betreft het aspect geurhinder geen beperkingen. Woon- en leefklimaat Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNGhandreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan Zwijnsbergen 3. Dit betreft een rundveehouderij.
Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. De dierverblijven van de rundveehouderij liggen op een afstand van minimaal 55 meter ten opzichte van de woning aan de Vresselseweg 54. De voormalige bedrijfswoning aan de Vresselseweg 54a en de nieuw te bouwen Ruimte-voor-Ruimte woning zijn op een grotere afstand gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt aan de Zwijnsbergen 10 op een afstand van 250 meter tot de woning aan de Vresselseweg 54. De voormalige bedrijfswoning aan de Vresselseweg 54a en de nieuw te bouwen Ruimte-voor-Ruimte woning zijn op een grotere afstand gelegen. Dit betreft een varkenshouderij. Voor dit bedrijfstype geldt een richtafstand van 200 meter, welke mag worden verkleind naar 100 meter in verband met gemengd gebied. Er kan worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Deze kaart is voor het laatst bijgewerkt op maart 2022 en kan daartoe als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd.
De achtergrondbelasting en de bijbehorende belasting met daaraan gekoppeld de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat zijn weergegeven in Afbeelding 15. Uit deze uitsnede van de contourenkaart blijkt dat er ter plaatse van de het plangebied sprake is van een achtergrondbelasting tussen 3 en 7 OUE/m3, wat betekent dat er sprake is van een ‘goed’ woon-en leefklimaat.
Afbeelding 15: Uitsnede achtergrondbelastingkaart ODZOB, plangebied omcirkeld
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
35
Ten aanzien van het aspect geur kan derhalve worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: − Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) − Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) − Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s.
De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 16.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
36
Afbeelding 16: Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Op 2,2 km ten westen van het plangebied loopt de rijksweg A50. Over de rijksweg A50 worden stoffen vervoerd van de categorieën LF1,LF2 en LT2. De stof LT2 kent het grootste invloedsgebied (880m). Het plangebied valt hier buiten. Op circa 260 meter van het plangebied ligt de lokale transportweg ‘Oude Vresselseweg’. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorie GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Aangezien het plan niet binnen 200 meter van de transportroute ligt kan er, conform artikel 7 Besluit externe veiligheid transport (Bevt), worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Er wordt een nieuw beperkt kwetsbaar object opgericht in de vorm van een Ruimte-voor-Ruimte woning.
Er wordt een reguliere burgerwoning gerealiseerd, hierdoor mag er worden aangenomen dat de nieuwe bewoners voldoende mobiel zijn, waardoor de zelfredzaamheid goed is. Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Het advies van de Brandweer Noord-Brabant is opgenomen in Bijlage 9.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
37
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ en latere herzieningen is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. Op circa 800 meter ten noorden van het plangebied loopt een buisleiding waarin aardolie wordt getransporteerd. Deze buisleiding heeft een invloedsgebied van 70 meter. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. Uit bovenstaande risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied, zie Afbeelding 16. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Onderhavig plan voorziet wel in de realisatie van een nieuw beperkt kwetsbare object. Aangezien onderhavige plangebied niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Spuitzones gewasbescherming In de beoogde situatie wordt één woning gerealiseerd in de nabijheid van landbouwgrond. Conform het bestemmingsplan mag deze grond worden ingezet voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie.
Dit betekent dat er ook gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast op de gronden. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden of het bespuiten van gewassen negatieve effecten heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te realiseren woning. In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft het plangebied mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.
De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding) maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren) in bomen. Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Aanvullend is het zo dat het middelengebruik in de fruitteelt aanzienlijk hoger ligt dan in de boomteelt. Ook wat betreft toxiciteit van de gebruikte middelen scoort de fruitteelt het hoogst en is die teelt als maatgevend voor de spuitzone te beschouwen. Het plangebied ligt direct aansluitend aan landbouwgronden waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen (fruit)boomgaarden voor.
Als er wordt gekeken naar de maximaal planologische mogelijkheden van omliggende gronden kan er worden gesteld dat de agrarische grond binnen het plangebied in eigendom blijft van initiatiefnemer en hier geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dit wordt vastgelegd in de planregels. De gronden ten zuiden en oosten van de nieuw te bouwen Ruimte-voor-Ruimte woning zijn in gebruik als landbouwgrond, zie onderstaande afbeelding. Conform het vigerende bestemmingsplan zijn deze gronden aangewezen voor agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie, daarnaast is er een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1 (hoge verwachting)’ opgenomen. Voor wat betreft de verdere afwegingsaspecten en beoordelingscriteria, behorende bij deze functieaanduiding, wordt verwezen naar de ‘tabel ingrepen / effect BP buitengebied’ welke als bijlage bij de regels van het moederplan is opgenomen. In deze tabel is aangegeven dat ter plaatse van de Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
38
aanduidingen ‘cultuurhistorische waardevolle akker’ en ‘waardevol Beekdal’ het aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas met agrarische productiefunctie (zoals fruitteelt, boomteelt of agrarische houtteelt) niet is toegestaan. Doordat op omliggende gronden fruiteelt en boomteelt niet mogelijk wordt gemaakt, is er geen sprake van zij- en opwaarts spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor wordt eventuele drift al grotendeels tegen gegaan en wordt er niet uitgegaan van het worst-case scenario.
Afbeelding 17: Uitsnede ruimtelijke plannen, naastgelegen agrarische gronden groen gearceerd
Bij het gebruik van eventuele gewas-beschermende middelen wordt uitgegaan dat de regels, zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit, in acht worden genomen. Sinds 1 januari 2018 is het vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht een 75% reducerende spuittechniek (DRT75) toe te passen bij teelt van gewassen in de open lucht. Tijdens het spuiten wordt een relatief lage rijsnelheid gebruikt en wordt het spuitmiddel met net voldoende druk neerwaarts gespoten. In artikel 3.83 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgesteld dat de druk tijdens het bespuiten van een gewas niet hoger mag zijn dan 5 bar. Ook worden geen spuitmiddelen toegepast op dagen met een windsnelheid van meer dan 5 meter per seconde (zoals tevens vastgesteld in artikel 3.83 van het Activiteitenbesluit milieubeheer). Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Door deze combinatie van spuittechniek en praktische invulling worden de spuitmiddelen zo efficiënt mogelijk ingezet en wordt drift zoveel mogelijk voorkomen. Met de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimte woning wordt ook het perceel landschappelijk ingepast. Aan de zuidoost zijde van het plangebied wordt een knip- en scheerheg aangeplant van minimaal 2 rijen dik.
Deze heg wordt in driehoekverband geplaatst. Hierdoor wordt er een natuurlijke buffer opgebouwd welke eventuele drift van naastgelegen perceel tegenhoudt. Daarnaast kan worden bevestigd dat initiatiefnemers de grond aan de zuidzijde van het plangebied hebben gekocht, hierdoor kan er worden gegarandeerd dat er niet met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten binnen 50 meter van de op te richten Ruimte-voor-Ruimte woning. Op basis van bovenstaande kan er worden geconcludeerd dat er in de directe nabijheid van het plangebied geen (fruit)boomteelt plaats mag vinden, hierdoor mag ervanuit gegaan worden dat eventuele gewasbeschermingsmiddelen enkel neerwaarts gespoten mogen worden. Daarnaast dient er aan de regels van het Activiteitenbesluit te worden voldaan, indien er gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Tevens is de grond ten zuiden van het plangebied in bezit van initiatiefnemers waardoor er met zekerheid gesteld kan worden dat er niet met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt. Met de aanplant van de landschappelijke inpassing wordt er een natuurlijke buffer gecreëerd waarbij eventuele drift wordt gereduceerd. Derhalve kan er worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat was betreft het aspect spuitzones ter plaatse van de nieuw te realiseren woning.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
39
Overige aspecten Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen.
Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m 3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De Rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen, deze is momenteel nog niet beschikbaar. Het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (bestaande uit enkele Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie "Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, endotoxine toetsingskader 1.0" opgesteld. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Binnen het plangebied is geen veehouderij meer aanwezig. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij van derden betreft de varkenshouderij aan Zwijnsbergen 10. Dit bedrijf heeft een fijnstof (PM 10) emissie van 141.867 gram per jaar, dit komt overeen met 142 kg PM10 per jaar. Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand berekend van deze varkenshouderij tot het plangebied aan de Vresselseweg 54/54a.
Deze richtafstand bedraagt 66 meter. De afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de varkenshouderij tot de Vresselseweg 54 bedraagt 261 meter, er wordt ruimschoots voldaan aan de afstand zoals gesteld in het Endotoxine toetsingskader 1.0. Tevens heeft de sanering van de veehouderij aan de Vresselseweg 54a een positief effect op de omgeving. De afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de relatie tussen veehouderijen en gezondheidsklachten van omwonenden. Tot op heden is er geen eenduidige relatie te leggen tussen gezondheidseffecten van omwonenden als gevolg van veehouderijen in de omgeving. Door het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) binnen de provincie Noord-Brabant is een handreiking (handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0) geschreven voor veehouderij en gezondheid. Deze handreiking bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan is in eerste instantie bedoeld voor ontwikkelingen van veehouderijen. Voor woningbouw kan dit toetsingskader worden gehanteerd, al is dit niet gebruikelijk. Het opvragen van een GGD-advies is namelijk gericht op de exploitatie van een (intensieve) veehouderij en niet op woningbouw.
Volledigheidshalve is onderstaand het stappenplan globaal uitgelicht; 1. Endotoxine. Het plangebied is gelegen op een ruime afstand van dichtstbijzijnde intensieve veehouderij. Er wordt voldaan aan de richtafstand zoals opgenomen in het Endotoxine toetsingskader 1.0. 2. Emissies. Onderhavige ontwikkeling voorziet in beëindiging van de veehouderij aan de Vresselseweg 54a, hierdoor is er sprake van afname van emissies. Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
40
3.
4.
5.
6. 7.
Geur. Er wordt voldaan aan de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Daarnaast is ter plaatse van het plangebied een achtergrondbelasting van 3 tot 7 OUe/s, wat als goed woon- en leefklimaat wordt gezien. Meerdere diersoorten. Er is geen veehouderij aanwezig binnen het plangebied, er worden dus ook geen meerdere diersoorten gehouden. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderijen zijn op een afstand van meer dan 100 meter gelegen. Afstand veehouderijen. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen (5a). Binnen een afstand van 1 kilometer zijn pluimveebedrijven gelegen (5b). Daarnaast dient er advies opgevraagd te worden als overige veehouderijen binnen een afstand van 250 meter van de bebouwde kom zijn gelegen (5c). Binnen 250 meter van het plangebied zijn overige veehouderijen aanwezig, echter is het plangebied niet aan te merken als een bebouwde kom. Mestbe- of verwerking. Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als (neven)activiteit. Ongerustheid omwonenden. Bij omwonenden is er geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.
Deze ontwikkeling voorziet in sanering van een rundveehouderij en de realisatie van een Ruimte-voorRuimte woning waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeterd. Daarnaast wordt er voldaan aan 'Endotoxine toetsingskader 1.0', waardoor er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Het stappenplan van de handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is doorlopen en alle vragen kunnen met ‘nee’ worden beantwoord, behalve stap 5b. De ontwikkeling voorziet niet in de wijziging/uitbreiding van een veehouderij maar gaat het enkel om de realisatie van één Ruimte-voor-Ruimte woning. Door de sanering van het agrarisch bedrijf aan de Vresselseweg 54a nemen de emissies in de omgeving af, zo ook de fijnstofemissie. Voor de realisatie van één Ruimtevoor-Ruimte woning ter plaatse van de te saneren veehouderij is het niet noodzakelijk om een GGDadvies op te vragen. Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 2,0 km van de Vresselseweg 54-54a ligt een 150 kV hoogspanningslijn en op ongeveer 3,0 km een 380 kV hoogspanningsleiding. Deze afstanden zijn zodanig dat dit aspect geen belemmering vormt.
Bestemmingsplan Vresselseweg 54 en 54a, Sint-Oedenrode
41
10. Bedrijven en voorzieningen Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Onderhavige locatie is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische-, klus- en detailhandelsbedrijven. Het dichtstbij gelegen bedrijf vanaf de voormalige agrarische bedrijfswoning (Vresselseweg 54a) betreft het bedrijf gelegen aan de Vresselseweg 54 te Sint-Oedenrode. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat hier enkel een rietdekkersbedrijf is toegestaan. Een rietdekkersbedrijf behoort conform de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ tot milieucategorie 3 (aannemersbedrijf met werkplaats: b.o. > 1000 m2). Op onderhavige locatie vindt hoofdzakelijk stalling van materialen ten behoeve van het rietdekkersbedrijf plaats.
In de ochtend worden de benodigde materialen en werktuigen op locatie gehaald, de werkzaamheden vinden plaats bij derden. Aan het einde van de dag worden de benodigde voorzieningen weer teruggebracht op de locatie aan de Vresselseweg 54. Gezien de activiteiten van het rietdekkersbedrijf hoofdzakelijk bestaan uit opslag van materialen en werktuigen is de geluidsbelasting verwaarloosbaar. Daarnaast zullen er, indien nodig, werkplaatswerkzaamheden plaatsvinden in beperkte mate. Hierdoor is het bedrijf gelijk te stellen met een bedrijf met een milieucategorie 2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie bedraagt de grootste richtafstand 30 meter. Echter mag deze afstand met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied (van 30 naar 10 meter). De voormalige bedrijfswoning aan de Vresselseweg 54a is gelegen op een afstand van circa 30 meter van de rand van het bouwvlak van de bedrijfsbestemming aan de Vresselseweg 54. Deze afstand is ruim groter dan de richtafstand van 10 meter zoals opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Met deze ontwikkeling wordt de bedrijfsbestemming uitgebreid ten behoeve van het rietdekkersbedrijf. Deze uitbreiding van de bedrijfsbestemming wordt nog steeds voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Om de gehele beoogde bedrijfsbestemming bevind zich geen woning binnen 10 meter.