Veghels Buiten Erpseweg Zuid 1e herziening V2
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect flora en fauna en stikstof vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Waterparagraaf
4.4.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
26
de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Waterschap Aa en Maas. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.
Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:
het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;
de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of;
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
27
de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak;
de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m 2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met
een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: -
De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen.
-
De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben.
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026 Het beleid van de gemeente Meierijstad omtrent water en riolering is beschreven in het ‘Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026’. Hierin zijn de speerpunten en ambities beschreven waarop de gemeente zich zal richten. De gemeente kiest voor nieuw te ontwikkelen gebieden binnen de bebouwde kom in principe voor een gescheiden rioolsysteem. Bij kleinschalige in- of uitbreidingen, waar in de bestaande situatie geen gescheiden systeem aanwezig is, mag de nieuwe verharding niet worden aangesloten op het gemengde stelsel. De perceeleigenaar moet het hemelwater op eigen perceel verwerken. Dit is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving In juli 2021 is de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld. Doel van de regels in deze verordening is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Daartoe zijn regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen.
Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein.
De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken.
Waardevol Water in Meierijstad VGRP+ 2017-2022’. Hierin zijn enkele speerpunten beschreven waarop de gemeente zich binnen deze planperiode zal richten:
Klimaatbestendig inrichten openbaar en particulier gebied.
Verhogen waterbewustzijn en stimuleren waterbewust handelen.
Verduurzamen afvalwaterketen.
Behalen KRW-doelen.
Doelmatig verwerken afvalwater in het buitengebied.
Verhogen belevingswaarde en benutten water voor natuur en recreatie.
Verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer.
Samenwerken.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
28
Uitbreidings- en reconstructieplannen van woningbouw en/of (reconstructies van) infrastructuur kunnen tot een toename van afstromend verhard oppervlak leiden. Planontwikkelingen mogen niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater en/of het rioleringssysteem ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als voorkeursvolgorde wordt de trits infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering gehanteerd. Nieuwe ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal of positief worden uitgevoerd. 4.4.2
Onderzoek
Grondwater De bijbehorende GHG in het gebied is + 9,50 m NAP. Oppervlaktewater Rondom het plangebied zijn watergangen gelegen welke in beheer zijn door het Waterschap Aa en Maas. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze watergangen. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater zal toenemen en zal worden afgevoerd middels de gemeentelijke riolering. Hiervoor is reeds een gescheiden riolering aanwezig in het plangebied. De nieuwe woningen zullen hierop aangesloten worden. Hemelwater Voor de waterberging van de bouwvelden 3000, 3100 en 3200 is een gezamenlijke bergingsopgave van totaal 3.613 m3 vereist (dit op basis van de eis van 60mm van Waterschap Aa en Maas). Hiervan is inmiddels 2.977 m3 gerealiseerd in sloten, vijver en rabattenbos rondom deze bouwvelden. Dus rondom de twee bouwvelden die onderdeel uitmaken van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan (3100 en 3200) dient nog 636 m3 waterberging te worden aangelegd. De agrarische gronden rondom de bouwvelden hebben gedeeltelijk de aanduiding ‘waterberging’. De gronden ter plaatse van deze aanduiding zijn tevens bestemd voor waterberging in de vorm van greppels, sloten of wadi's en voor groen in de vorm van een houtsingel. Rondom de bouwvelden is voldoende ruimte om de waterberging op te vangen.
In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie van voldoende waterberging conform de eisen uit de Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Meierijstad. 4.4.3
Conclusie
Het aspect water zorgt niet voor belemmeringen.
4.5
Bodem
4.5.1
Toetsingskader
Bij de verkenning van mogelijkheden om functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieu-hygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. 4.5.2
Onderzoek
Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de geplande woningbouwlocatie. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de huidige kwaliteit van de bodem, dat wil zeggen de kwaliteit van de grond
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
29
en het grondwater. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. De bodem op de locatie bestaat tot de maximale boordiepte uit zand. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op 1,0 m-mv. In de bodem zijn geen bijmengingen waargenomen. Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Daarnaast is geen (bijmenging met) bodemvreemd materiaal vastgesteld en is de locatie op basis van historische gegevens niet verdacht voor het voorkomen van asbest. Op basis van de gedane waarnemingen en de historie is de locatie onverdacht voor het voorkomen van asbest en is er geen aanleiding tot het uitvoeren van onderzoek conform NEN 5707. De grond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met zware metalen. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 4.5.3
Conclusie
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de ondergrond ter plaatse van de twee bouwvelden in het plangebied Erpseweg Zuid vanuit milieukundig oogpunt geschikt is woningbouw. Het aspect bodem zorgt niet voor belemmeringen.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
4.6.1
Toetsingskader
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied.
Volgens de VNG-brochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
30
de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. 4.6.2
Onderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn naast woningen verschillende vormen van (agrarische) bedrijvigheid te vinden. In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op geurhinder en richtafstanden als gevolg van de veehouderijen in en rond het plangebied. Daarnaast bevinden zich ten noorden en ten noordoosten van het plangebied (agrarische) bedrijven. Gezien de ligging aan een doorgaande weg en de aanwezigheid van verschillende (niet-)agrarische bedrijven in de omgeving, is het bouwveld 3200 (het meest noordelijke woongebied) te beschouwen als gemengd gebied. Voor het bouwveld 3100, ten zuiden van eerstgenoemd woongebied, geldt dat dit te karakteriseren is als rustig woongebied, met name vanwege de ligging ten opzichte van andere bouwvelden in Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg-Zuid. In de nabijheid van het plangebied komen de in tabel 2 aangegeven functies voor. Hierbij is ten aanzien van bouwveld 3200 getoetst aan de richtafstanden voor een gemengd gebied en ten aanzien van bouwveld 3100 aan de richtafstanden voor een rustig woongebied. Tabel 2 Milieubelastende functies in de omgeving Locatie
Soort bedrijf / functies die volgens
Milieu-
Richtafstand
Afstand tot
Afstand tot
het vigerende bestemmingsplan
categorie
gemengd gebied/
plangebied
plangebied
rustig woongebied
(bouwveld
(bouwveld
3200)
3100)
zijn toegestaan op de betreffende gronden. Erpseweg 8 en 9
Loon- en grondverzetbedrijf
3.2
50 m / 100 m
128 m
170 m
Erpseweg 3
Bouwbedrijf/timmerfabriek
3.2
50 m / 100 m
169 m
280 m
Erpseweg 5
Varkenshouderij
4.1
100 m / 200 m
180 m
280 m
Erpseweg 6
Melkrundveehouderij
3.2
50 m / 100 m
48 m
150 m
Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het agrarische bedrijf aan de Erpseweg 6. Het betreft een zeer geringe overschrijding van de richtafstand, uitsluitend met betrekking tot het aspect geur. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op het aspect geur agrarisch en waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De potentieel hinder veroorzakende overige functies in de omgeving van het plangebied liggen op voldoende afstand. De afstand tussen de bedrijfspercelen en de beoogde woningen is zodanig dat de bedrijven door de realisatie van de woningen niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Overigens betreft onderhavig bestemmingsplan slechts een bestendiging van reeds positief bestemde woongebieden, waarbij uitsluitend kleine bijstellingen in de bouwregels en het totaal aantal woningen binnen het gehele ontwikkelingsgebied Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg-Zuid gewijzigd zijn. Bovendien blijkt uit de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016’ dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Zodoende zijn er geen belemmeringen over en weer aan de orde tussen de omliggende bestemmingen en de woongebieden. 4.6.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van bedrijven of andere activiteiten die kunnen leiden tot onaanvaardbare milieuhinder ter plaatse van de beoogde woningen. Bedrijven in en rond het plangebied worden
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
31
door de uitvoering van het plan niet in de bedrijfsvoering beperkt. Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.
4.7
Geur agrarisch
4.7.1
Toetsingskader
De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Gebiedsgerichte geurverordening Veghels Buiten De inmiddels vervallen Geurverordening van de voormalige gemeente Veghel bood ruimte voor maatwerk in gebieden waar stedelijke ontwikkelingen en agrarische bedrijfsvoeringen gemengd voorkomen. Voor onder andere het gebied Veghels Buiten golden afwijkende geurnormen en een halvering van de vaste afstanden tot veehouderijen.
Aangezien betreffende Geurverordening is vervallen is er in 2023 een nieuwe gebiedsgerichte geurverordening vastgesteld. In deze verordening is maatwerk mogelijk gemaakt voor wat betreft geurnormen en vaste afstanden die worden gehanteerd tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten, een en ander in afwijking met het wettelijk kader (artikelen 3 en 6 van Wgv) maar in afstemming met de ruimte die in dit wettelijk kader wordt gegeven voor afwijken van de standaardnormstelling. Het gebied Veghels Buiten wordt gekenmerkt door kleinere en grotere bebouwingsclusters. Deze clusters zijn omgeven door agrarische gronden en/of door groen/water. Er is dan ook geen sprake van een harde komgrens van de kern Veghel. Vanwege het gemengd voorkomen stedelijke ontwikkelingen en agrarische bedrijfsvoeringen binnen Veghels Buiten is het wenselijk om te komen tot maatwerk. Allereerst gaat het bij dit maatwerk om het toestaan van een maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object van 5 ouE/m 3 binnen het gebied ‘Veghels Buiten’. Met deze norm wordt aansluiting gezocht op de provinciale normstelling uit de Interim Omgevingsverordening, waar 10 ouE/m³ als maat voor de achtergrondbelasting binnen de bebouwde kom als aanvaardbaar wordt geacht.
Deze waarde komt wat hinderbeleving betreft overeen met een voorgrondbelasting van 5 ouE/m³, vandaar dat deze waarde als maximale waarde toegepast is. Ten tweede gaat het om een halvering van de vaste afstanden tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld tot de buitenzijde van een geurgevoelig object binnen het gebied ‘Veghels Buiten en Randzone’ (zie figuur 6).
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
32
Figuur 6 Werkingsgebied gebiedsgerichte geurverordening
4.7.2
Onderzoek
De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Erpseweg 6. Hier wordt rundvee gehouden, dit zijn dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Er moet uitgegaan worden van richtafstanden. De Gebiedsgerichte Geurverordening van de gemeente Meierijstad bepaalt dat de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld tot de buitenzijde van een geurgevoelig object in Veghels Buiten ten minste 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Nabij het plangebied liggen de veehouderijen aan Erpseweg 5 en Erpseweg 6. Overige veehouderijen zijn met oog op de afstand tot het plangebied in relatie tot de geuremissie niet relevant voor de geurbeoordeling. Dit volgt ook uit de beoordeling van de achtergrondbelasting, zie verderop in deze paragraaf.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
33
Voorgrondbelasting De veehouderij aan Erpseweg 5 betreft een varkenshouderij. Op onderstaande kaart is aangegeven welke geurbelasting (‘voorgrondbelasting’) er is op basis van een V-stacks berekening van de huidig vergunde situatie (bron: Verordening geurhinder en veehouderij Veghels Buiten).
Figuur 7: geurcontouren Erpseweg 5 met aan de zuidkant van de Erpseweg de ligging van de melkveehouderij Erpseweg 6
Omdat de voorgrondbelasting van Erpseweg 5 ruimschoots onder de 3 ou E/m3 blijft (tussen 0 en 3 ouE/m3) binnen het plangebied van Erpseweg Zuid, is sprake van een ‘acceptabel woon- en leefklimaat’ in het kader van de beoordeling die nodig is voor de goede ruimtelijke ordening. Uit de geurcontouren is op te maken dat bestaande woningen in de omgeving (waaronder Herenakker 20) maatgevend zijn voor de mogelijkheden van het varkensbedrijf in zuidelijke richting. Het plan vormt daarom geen extra belemmering voor het varkensbedrijf. Afstanden De veehouderij aan Erpseweg 6 betreft een melkrundveehouderij. De afstand tussen de veehouderij Erpseweg 6 en de nieuwe woningen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt moet minstens 50 meter bedragen. Een gedeelte van bouwveld 3200 is geprojecteerd binnen de afstandscontouren van de veehouderij aan de Erpseweg 6. Middels een aanduiding 'wonen uitgesloten' is opgenomen dat ter plaatse geen nieuwe woningen zijn toegestaan. Hiermee is de realisatie van woningen binnen de afstandscontour niet mogelijk. Achtergrondbelasting De ODBN heeft de achtergrondbelasting in april 2023 in het kader van de gebiedsgerichte geurverordening Veghels Buiten in beeld gebracht. Binnen het deelgebied ‘Erpseweg Zuid’ is alleen rond de veehouderij op Langsteeg 5 (aan de zuidkant van het plangebied) een achtergrondbelasting te verwachten die meer dan
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
34
5 ouE/m3 bedraagt (de gezondheidskundige advieswaarde die het RIVM hanteert voor woonfuncties). Er is dus sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat binnen het plangebied.
Figuur 8: achtergrondbelasting Veghels Buiten (bron: Verordening geurhinder en veehouderij Veghels Buiten)
4.7.3
Conclusie
Het aspect geur agrarisch vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.8
Akoestiek wegverkeerslawaai
4.8.1
Toetsingskader
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:
wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;
wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
4.8.2
Onderzoek
In het plangebied worden nieuwe woningen gerealiseerd. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige objecten. Voor de Erpseweg, ter hoogte van het plangebied, geldt een snelheidsregime van 50 km/h. De weg is uitgevoerd met twee rijstroken en er is sprake van een binnenstedelijke situatie. De breedte van de geluidszone langs de weg is 200 m aan weerszijden. Voor de overige wegen in en rondom het plangebied geldt een snelheidsregime van 30 km/h. Dit geldt ook voor de nieuw aan te leggen wegen. Eerder is met een notitie Akoestische beoordeling Erpseweg (uit 2011) aangetoond dat de gevelbelasting van vrijwel alle ontwikkelvelden (waaronder 3100 en 3200) in het bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016’ beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft. Omdat het verkeer (over de Erpseweg)
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
35
de afgelopen jaren is toegenomen en omdat er nieuwe verkeerstellingen zijn gedaan, is conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) een nieuw onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze plantoelichting, onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. De geluidbelastingen ter plaatse van de nieuwe woningen vanwege de zoneplichtige wegen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder. Afhankelijk van de ligging van de weg(en) bedraagt de geluidbelasting op een afstand van maximaal 15 meter uit de as van de weg niet meer dan de voorkeurswaarde uit Wet geluidhinder, die de Wet geluidhinder voor 50 km/uur-wegen stelt. Op basis van vergelijkbare onderzoeken in de omgeving blijkt dat de afstand tussen de bouwvelden 3100 en 3200 en de ontsluitingsweg (lint) minimaal 25 meter bedraagt waarmee aangenomen kan worden dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde die voor 50km/u geldt. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de woningen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De bouwvelden zijn (deels) gelegen binnen de wettelijk vastgestelde geluidzone van de provinciale weg N616, ter plaatse de Erpseweg geheten.
Voor de overige wegen in het bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016’ geldt een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor deze wegen geldt geen geluidszone ingevolge de Wet geluidhinder. De bouwvelden zijn niet gelegen binnen de zone van andere wegen, industrieterreinen of spoorwegen. Wel worden binnen het plangebied ‘Veghels Buiten’ nieuwe (30 km/uur-)wegen aangelegd. Ten gevolge van verkeer op de Erpseweg (wegvakken binnen de bebouwde kom) bedraagt de geluidbelasting ter plaatse van de randen van de bouwvelden maximaal 46 dB inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. Ten gevolge van het verkeer op de Erpseweg (buiten de bebouwde kom) bedraagt de geluidbelasting ter plaatse van de randen van de bouwvelden maximaal 41 dB inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de Erpseweg (binnen en buiten de bebouwde kom) voldoet ter plaatse van de bouwvelden aan de voorkeurgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder. 4.8.3 Conclusie De geluidbelasting ten gevolge van de Erpseweg (binnen en buiten de bebouwde kom) voldoet ter plaatse van de bouwvelden aan de voorkeurgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder. Het aspect akoestiek wegverkeerslawaai vormt geen belemmering.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
36
op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. 4.9.2
Onderzoek
Met onderhavig bestemmingsplan worden 60 extra woningen mogelijk gemaakt. Daarmee valt de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Toetsing voor het aspect luchtkwaliteit is in dit geval niet noodzakelijk. Bovendien is in paragraaf 4.15 aangetoond dat de verkeersgeneratie conform rekenmethode van CROW van het toekomstige programma voor het gehele deelgebied Veghels Buiten, Erpseweg Zuid is: 4.617 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Dit is lager dan de eerder gebruikte verkeersgeneratie (4.695) in verkeers- en milieuonderzoeken ten behoeve van het bestemmingsplan Erpseweg-Zuid. Er kan op voorhand worden geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. Met behulp van de NSL-monitoringstool kan aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In onderstaande tabel (tabel 3) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tabel 3: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool) Meetpunt
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
15519859
14.8
16.9
6.0
9.7
2020
15519958
16.9
17.3
6.1
9.9
2020
15520323
16.9
17.3
6.1
9.9
2020
15520529
14.7
16.9
6.0
9.7
2020
Norm
40
40
35
25
4.9.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1
Toetsingskader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
37
maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 3. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.
Beleidsvisie externe veiligheid voormalige gemeente Veghel De voormalige gemeente Veghel (thans Meierijstad) heeft een beleidsvisie externe veiligheid (2013) opgesteld. Hierin is een gebiedsgerichte benadering van externe veiligheid opgenomen. Het doel van de beleidsvisie externe veiligheid is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten. Er wordt in de visie invulling gegeven aan de omgang met risiconormen en richtlijnen voor drie verschillende gebiedstypen:
risicoluw gebied;
gemengd gebied;
intensief gebied.
Voor deze gebiedstypes zijn per risicobron voorwaarden opgenomen, waaraan dient te worden voldaan bij ruimtelijke planontwikkelingen. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc.
3
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
38
4.10.2
Onderzoek
Met behulp van de signaleringskaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Figuur 9 toont een uitsnede van de signaleringskaart, met het plangebied rood gearceerd.
Figuur 9: Uitsnede risicokaart met plangebied rood gearceerd
Inrichtingen In en rondom het plangebied zijn geen risicobronnen gelegen. Het plangebied valt niet binnen invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen. Transport Langs de noordkant van het plangebied bevindt zich de N616/Erpseweg. Deze weg is geen onderdeel van een routering voor gevaarlijke stoffen. Ook bestaan er geen betrouwbare tellingen op basis waarvan risicoberekeningen uitgevoerd kunnen worden4. Wel kan uit de rapportage ‘Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen’5 worden afgeleid, dat in ieder geval een propaancluster en twee LPG tankstations via de provinciale weg N616 bevoorraad worden. Plaatsgebonden risico Een indicatie van de hoogte van de risico’s is te verkrijgen door bijlage 1 van de Handleiding risicoanalyse transport (HART) te raadplegen. Daarin is als vuistregel gegeven, dat een weg buiten de bebouwde kom geen plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) heeft, als het aantal GF3 transporten lager is dan 500 tankwageneenheden. Uit de hierboven genoemde inventarisatie blijkt, dat het aantal GF3 transporten tussen 150 en 300 tankwageneenheden ligt. De provinciale weg N616 heeft derhalve geen plaatsgebonden risico.
4 5
Externe veiligheid provinciale wegen Noord-Brabant, Arcadis (2010) Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen gemeentelijke wegen Veghel, ODBN (2014)
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
39
Groepsrisico Voorts blijkt uit de inventarisatie, dat het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt. Derhalve hoeft geen volledige verantwoording van het groepsrisico afgelegd te worden (artikel 8, lid 2a, Besluit externe veiligheid transportroutes). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (beperkte verantwoording groepsrisico) kan volstaan worden met het besteden van aandacht aan: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg en; de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. Het plangebied valt verder niet binnen invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen. Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding Z-542-01 ligt op circa 75 meter van de bestemming ‘Wonen’. Het betreft een aardgasleiding van de Gasunie met bijbehorende 100%-letaliteitsafstand van 60 meter en 1%-letaliteitsafstand 120 meter. De woonbestemming is hiermee niet gelegen binnen de 100%-letaliteitsafstand maar wel binnen de 1%-letaliteitsafstand. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Daarnaast ligt er nog een aardgasleiding Z-542-19 op minstens 140 meter van de bestemming ‘Wonen’.
Het betreft een aardgasleiding van de Gasunie met bijbehorende 100%-letaliteitsafstand van 40 meter en 1%letaliteitsafstand 70 meter. Het plangebied is hiermee niet gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Beperkte verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedgebied van de buisleiding Z-542-01 en de provinciale weg N616 dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De Brandweer Brabant-Noord heeft omtrent deze beperkte verantwoording advies gegeven (d.d. 13 november 2023, referentie Z/208228, zie tevens bijlage 6 bij deze toelichting). Dit advies is in de navolgende verantwoording betrokken. Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico Gezien de zeer lage bevolkingsdichtheid rondom de buisleidingen en de weg (voornamelijk verspreid liggende woningen en agrarisch buitengebied), zal het groepsrisico naar verwachting niet boven 10% van de oriëntatiewaarde uitstijgen. Daarbij zal het totaal aantal personen binnen de bouwvelden waarvoor herziening opgesteld is niet wezenlijk toenemen ten opzichte van de vigerende mogelijkheden voor woningbouw. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? 2.
Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Is het rampscenario te bestrijden? De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
40
Bij een calamiteit met de HD-aardgasleidingen Z-542-01 is het scenario fakkelbrand maatgevend. Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat deze alleen geblust kan worden middels het afsluiten van de betreffende leiding(deel) door de leidingbeheerder. Het doven van het vuur na sluiting van de leiding neemt behoorlijk wat tijd in beslag. Middels het leggen van een waterscherm over de brandhaard kunnen de gevolgen van de fakkelbrand enigszins ingedamd worden. Hiervoor zijn wel aanzienlijke hoeveelheden water benodigd. Voor het transport over de provinciale weg N616 zijn de scenario’s BLEVE (explosie) van een LPG- of propaantankwagen of het ontstaan van een plasbrand bij uitstroming van een brandbare vloeistof na het ontstaan van brand als gevolg van een ongeval of het spontaan ontbranden van de vrachtauto denkbaar. De kans hierop is erg klein. Om een plasbrand effectief te kunnen bestrijden moet schuim worden aangevoerd. Dit kost tijd. Een BLEVE is alleen te voorkomen door het effectief koelen van de tankwagen. De opkomsttijd van de brandweer ter plaatste van de calamiteit is voldoende. De bereikbaarheid van de locatie calamiteit is goed. De primaire bluswatervoorziening ter plaatse is slecht. De algemene conclusie is derhalve, dat de bestrijdbaarheid van een incident op de weg of ter plaatse van de buisleidingen zeer matig is.
Er zal daarom door de brandweer vooral defensief worden ingezet, waarbij de nadruk ligt op het ontruimen van het effectgebied. Is de omgeving van het plangebied voldoende ingericht om de gevolgen van een calamiteit hierbinnen te bestrijden? Het optreden van de brandweer zal zich in eerste instantie beperken tot het evacueren van mensen en het afzetten van het gevarengebied. Daarna zal worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de calamiteit binnen het plangebied. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid ten aanzien van het rampscenario BLEVE zijn goed. Binnen het plangebied zijn geen niet en/of minder zelfredzame personen aanwezig. Vluchten van de bron af is in beginsel de beste manier om de calamiteit met het scenario BLEVE te overleven.
Het snel vluchten van de bron af tot buiten het effectgebied is, voordat daadwerkelijke een BLEVE ontstaat, voor de binnen het plangebied aanwezige personen goed mogelijk. Als gevolg van het rampscenario fakkelbrand geldt dat mensen kunnen overlijden, echter betreft dit niet iedereen aanwezig in het plangebied. De woningen die binnen het invloedsgebied vallen zullen ontbranden waardoor vluchten tot buiten het effectgebied nog mogelijk is voor de woningen die buiten het invloedsgebied vallen. Wanneer zij vluchten zullen zij buiten aan de hoge hittestraling bloot gesteld worden en daardoor met letaal en/of ernstige letsel geconfronteerd zullen worden. Door te vluchten in de schaduw van objecten kan dit risico worden beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied:
goed te alarmeren is;
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
41
goed te ontvluchten is;
goed te schuilen is.
Alarmering: Ter hoogte van de planlocatie is de WAS‐dekking (sirene burgerbescherming) op orde. In geval van een calamiteit zal tevens NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Vluchtmogelijkheden: Het plangebied is naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobronnen af. Schuilmogelijkheden: Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat schuilen binnen de bebouwing, vooral in de directe nabijheid van de risicobron (hittestraling te intens), geen optie is. Vanwege de nabije ligging van het plangebied bij de provinciale weg N616 is schuilen binnen de bebouwing bij een BLEVE niet zinvol, omdat een BLEVE een verwoestend effect (drukgolf) heeft op de directe omgeving. Onderhavig initiatief maakt enkel de ontwikkeling van woningen mogelijk. Deze niet-risicovolle activiteiten voldoen aan het afwegingskader, dat geldt voor risicoluwe gebieden. De veiligheidsregio adviseert daarnaast om de kopers / bewoners van de woningen binnen het invloedsgebied actief te informeren over het risico en handelingsperspectief. Zo weet men van het risico en hoe te handelen bij een incident. 4.10.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.
4.11
(Ondergrondse) infrastructuur
In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. Net ten westen van het plangebied is een gasleiding gelegen, in het vigerende bestemmingsplan is hiervoor een planologisch beschermingsregime aanwezig. Vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan.
4.12
Gezondheid
4.12.1
Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen
Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Toetsing aan het stappenplan wijst uit dat, de planlocatie buiten de endotoxine richtafstanden ligt die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf. De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak (stap 2). De planlocatie is gelegen in een gebied met een acceptabele geurbelasting, zie ook paragraaf 4.7 (stap 3). Uit die paragraaf is op te maken dat aan zowel de milieukundige als de gezondheidskundige advieswaarden voor geur zal worden voldaan. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
42
een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 meter (stap 4). Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenactiviteit of zelfstandige activiteit (stap 6) en er is bij toekomstige bewoners of omwonenden geen ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is doorlopen. Een advisering van de GGD hoeft niet te worden gevraagd voor dit plan. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico op deze locatie. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 4.12.2
Hoogspanningslijnen
De meest dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op minstens 4 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. 4.12.3
Spuitzones
De gronden grenzend aan de noordzijde van het plangebied kennen via het al bestemmingsplan ‘Veghels Buiten - Erpseweg Zuid 2016’ een agrarische bestemming die grondgebonden veehouderij en akkerbouw toelaat. Teeltondersteunende bouwwerken zijn toegelaten tot een hoogte van 4 meter. Direct ten noorden van het plangebied is aan de Erpseweg 6 een bouwvlak ingetekend ter plaatse van het bedrijf van appellant. Er is door Adromi Groep een rapport opgesteld waarin het aspect driftblootstelling wordt beschouwd. De belangrijkste gegevens en conclusies worden navolgend beschreven, voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage. Agrarisch grondgebruik Via de basisregistratie gewaspercelen kan een indruk worden verkregen van het agrarische grondgebruik. Verwezen wordt naar navolgend figuur. Voor 2023 blijkt dat op omliggende gronden sprake is geweest van grasland en teelt van aardappels. In de verdere omgeving is sprake van graspercelen en van akkerbouw in de vorm van mais, luzerne en aardappels. Gegevens uit eerdere jaren, vanaf 2008, laten geen ander beeld zien. Er is sprake van zandgrond (Beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand), een grondsoort welke in combinatie met bemesting geschikt is voor akkerbouw.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
43
Figuur 10 Uitsnede basisregistratie gewaspercelen (bron: Adromi Groep)
Figuur 11 Overzicht teelten vanaf 2009 (bron: Adromi Groep)
Wateraspecten Blijkens de Legger van het Waterschap Aa en Maas is geen sprake van beschermde watergangen tussen het plangebied en de relevante agrarische gronden. Wel aanwezige watergangen zijn niet jaarrond watervoerend, met uitzondering van de beschreven waterpartij in de noordwesthoek van het plangebied. Dit betekent dat er geen zogenaamde teeltvrije zone dient te worden aangehouden. De locatie is niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied, zodat op die grondslag geen beperkingen gelden voor wat betreft de in te zetten gewasbeschermingsmiddelen. Afweging In het locatie-specifiek onderzoek naar driftblootstelling zijn de volgende twee aspecten te worden beoordeeld: 1) Of toevoeging van de nieuwe driftgevoelige bestemmingen tot (verdergaande) potentiële beperkingen leidt bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op omliggende agrarische gronden; 2) Of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.1 lid 3 onder k van de Omgevingswet) in het licht van mogelijk nadelige effecten van driftblootstelling op de gezondheid (onder het oude regime: ‘goede ruimtelijke ordening’, waarbij gezondheid geen expliciet onderdeel is van de te maken afweging). Uit het onderzoek blijkt ten eerste dat de beoogde planologische wijziging niet leidt tot een mogelijke toekomstige beperking van de agrarische exploitatie van de omliggende gronden.
Deze conclusie betekent dat de afweging in hoeverre de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming ‘Woongebied’ voor de bouwvelden 3100 en 3200 is beperkt tot de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van-
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
44
uit oogpunt van volksgezondheid en het voorzorgsbeginsel. De belangen van de agrariër zijn immers voldoende afgewogen en deze afweging is voldoende zorgvuldig gemaakt en draagkrachtig gemotiveerd. Voor het woon- en leefklimaat geldt in ieder geval dat er bij vaststelling van voorgaande bestemmingsplannen een (impliciete) afweging is gemaakt en dat een gebruik van de gronden voor gevoelige functies zonder meer en in alle gevallen is toegelaten. Voorts is bij het maken van de afweging over het woon- en leefklimaat in relatie tot het voorzorgsbeginsel van belang dat, zoals in het locatie-specifieke onderzoek is onderbouwd, er sprake is van uitsluitend eenjarige laagblijvende teelten op de nabijgelegen gronden. Hierbij wordt uitsluitend neerwaarts gespoten. Deze situatie kan in dit geval als de representatieve situatie worden beschouwd. Er zijn verschillende redenen waarom er bij neerwaarts spuiten in deze representatieve situatie een veel kortere afschermingsafstand dan 50 meter redelijkerwijs kan worden gehanteerd:
Er wordt met de zwaartekracht mee gespoten, waardoor druppelverspreiding veel minder optreedt.
De spuitafstand tot het gewas kan kleiner zijn, waardoor druppels beter worden gevangen in het te behandelen gewas.
De spuithoogte is lager, waardoor druppelverspreiding lager is (druppels hebben minder kans zich te verspreiden voordat deze onder invloed van de zwaartekracht gewas of grond raken).
Neerwaarts gespoten, laagblijvend gewas heeft veel minder bladoppervlak waardoor de hoeveelheid middel per hectare veel lager ligt.
Op dit vlak kan op basis van deze overwegingen en zoals geconcludeerd in het locatie-specifiek onderzoek, er zonder meer van worden uitgegaan dat er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met relevante blootstelling aan druppeldrift op een afstand van 12,5 meter uit gewassen die neerwaarts worden gespoten. Enkel een zone aan de noordzijde van bouwveld 3200 ligt binnen deze redelijkerwijs te hanteren afstand. Verder volgt uit het locatie-specifiek onderzoek dat de positie van een teeltperceel ten opzichte van een gevoelige functie beperkt relevant is in relatie tot driftblootstelling. In die zin heeft het ook weinig meerwaarde om nieuwe woonpercelen op een bepaalde wijze tot teeltpercelen te positioneren. Tot slot zijn eenvoudig te treffen maatregelen dichtbij de bron voorgesteld ter verdere bescherming van blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen vanuit het voorzorgsbeginsel. Deze maatregelen zijn uitvoerbaar binnen de macht van de eigenaar van de te ontwikkelen woningbouwvelden. Maatregelen In het kader van planologische besluitvorming dient blijkens diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak aanvullende voorzorg te worden ingebouwd. Dit vanwege wetenschappelijke onzekerheid op het vlak van onder meer toxicologie.
In het licht van deze jurisprudentie is onderzocht of aanvullende voorzorgsmaatregelen redelijkerwijs kunnen worden getroffen en voldoende doeltreffend zijn. In lijn met dit voorzorgbeginsel is voorzien in maatregelen waarmee het driftblootstellingsrisico in deze specifieke situatie zo klein mogelijk wordt gemaakt / gehouden. Bronmaatregelen Het gaat hierbij om maatregelen die ertoe leiden dat er zo min mogelijk drift ontstaat. Concreet kan in de meeste teelten door gebruikmaking van driftreducerende apparatuur tot 99% driftreductie worden bereikt. Overdrachtsmaatregelen Het betreft hier het uit voorzorg aanhouden van extra afstand, al dan niet in combinatie met afschermende maatregelen, zoals ook onderwerp is geweest van diverse uitspraken van de Afdeling.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
45
Maatregelen bij de ontvanger Dit betreft beperkingen aan bijvoorbeeld menselijk verblijf en/of aan het gebruik van gronden. In de gegeven situatie is het niet mogelijk om bronmaatregelen te nemen, zodat gekozen kan worden voor overdrachtsmaatregelen zoals afscherming. Op deze wijze wordt in voldoende mate invulling gegeven aan het voorzorgbeginsel en kan worden voldaan aan het bieden van een goed woon- en leefklimaat Configuratie afscherming Qua hoogte van de afscherming dient te worden gekozen voor een overhoogte van 0,5 meter boven de maximale spuithoogte op het aanliggende gewasperceel. Uitgaande van akkerbouw met een spuithoogte tot 1,50 meter betekent dit een hoogte van 2 meter. In deze context is van belang dat het beoogde woongebied zal worden opgehoogd met 0,6 meter, waardoor een haag van 2 meter hoog een comfortabele afschermingshoogte zal bieden van 2,6 meter boven maaiveldniveau op de teeltpercelen. Aangezien akker- en tuinbouw als representatieve teelt geldt, behoeft geen rekening te worden gehouden met gewasbehandeling buiten het volbladseizoen. Er kunnen om die reden ook bladverliezende soorten worden gebruikt als haag. Gelet op de mogelijkheid om de afscherming direct op de perceelgrens met de gewaspercelen te plaatsen, dient te worden gekozen voor een afscherming met 90% bladdichtheid.
Een haag met een breedte van 0,7-1 meter biedt in de regel een dergelijke bladdichtheid. Er kan hierbij worden gekozen voor soorten zoals beuk, els, meidoorn, hazelaar, liguster en dergelijke. De afscherming dient minimaal 12,5 meter overlengte te bieden ten opzichte van de betrokken gewaspercelen. Dit kan worden bereikt door de afscherming door te laten lopen. Zie navolgende figuur 12. De gronden ten oosten bevinden zich op een afstand van meer dan 12,5 meter uit de nieuwe woonpercelen. In lijn daarmee behoeft geen relevante blootstelling aan druppeldrift te worden verwacht. Echter als extra waarborg kan ervoor worden gekozen om ook een afscherming te plaatsen aan deze zijde. Deze afscherming zou kunnen worden geplaatst aan de overzijde van de Buitendreef. Aan deze zijde van de weg zijn al laanbomen aanwezig en de afschermende haag zou hiermee kunnen worden gecombineerd. De gemeente kiest ervoor om vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel ook aan deze zijde maatregelen te nemen. Voor de te treffen maatregelen op de noordelijke en oostelijke gronden is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter waarborging van het woon- en leefklimaat.
Conclusie Gelet op de afweging van de feitelijke situatie ten opzichte van de planologisch mogelijke situatie en de aanvullende voorzorgsmaatregelen kan er worden gesteld dat het aspect spuitzones niet voor belemmeringen zal zorgen voor het planvoornemen en de gezondheid van toekomstige bewoners.
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
46
Figuur 12 Overzicht geadviseerde maatregelen
4.13
Verkeer en parkeren
4.13.1
Toetsingskader
Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. 4.13.2
Onderzoek
Verkeersgeneratie De planontwikkeling en –realisatie van het deelgebied Erpseweg-Zuid nadert zijn voltooiing. De meeste bouwvelden van het deelgebied Erpseweg-Zuid zijn of worden ingevuld met woningen, alleen voor de bouwvelden 3100 en 3200 en de 5de fase van bouwveld 2800 is de planvorming nog gaande. Door een snel veranderende marktvraag is er voor andere doelgroepen gebouwd dan initieel beoogd was. Er zijn grotere aantallen woningen in het sociale en middeldure segment gebouwd en dit heeft tot gevolg dat er in totaal ook meer woningen in deelgebied Erpseweg-Zuid gebouwd zullen gaan worden, dan dat in het bestemmingsplan
Bestemmingsplan Veghels Buiten, deelgebied Erpseweg Zuid, 1e herziening
47
‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016’ is vastgelegd. Het zal in totaal gaan om maximaal 60 extra woningen ten opzichte van de 705 woningen. Met voorliggend bestemmingsplan worden er extra woningen mogelijk gemaakt in Erpseweg-Zuid om zo de ontwikkelmogelijkheden voor de nog te ontwikkelen bouwvelden, waaronder 3100 en 3200 aan te laten sluiten bij de marktbehoefte. Het programma voor het deelgebied Erpseweg Zuid is weergegeven in tabel 4. Tabel 4 Woningbouwprogramma Erpseweg Zuid (incl. bouwvelden 3100 en 3200 en incl. marge van 4 woningen)