Vast te stellen bestemmingsplan
Tekst van het document
Omdat binnen het onderzoeksgebied een historische boerderij heeft gestaan is ervoor gekozen om direct over te gaan tot een proefsleuvenonderzoek en niet eerst een bureau‐ en/of booronderzoek uit te voeren. Tijdens het onderzoek is één vindplaats aangetroffen. De vindplaats bestaat uit een waterkuil, greppels en een ophogingslaag uit de Late Middeeleeuwen/Nieuwe Tijd. Op basis van de fysieke kwaliteit zijn de vindplaatsen niet behoudenswaardig. De inhoudelijke kwaliteit is bijna hoog genoeg om van een behoudenswaardige vindplaats te spreken. Hoewel zeker resten van een onderzoekenswaardige vindplaats zijn aangetroffen zijn deze resten te veel aangetast door latere verstoringen om tot behoud van de vindplaats over te gaan. Het advies aan het bevoegd gezag luidt dan ook de vindplaats vrij te geven voor verdere ontwikkelingen. Het gehele archeologische onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
37
Hoofdstuk 5
5.1
Groenstructuur en natuur
Ecologie
5.1.1 Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het project niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit project mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000‐gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000‐gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord‐Brabant uitgewerkt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Noord‐Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft onder andere aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
38
5.1.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in of in de directe omgeving van Natura 2000‐gebieden. Hieronder zijn de afstanden tot de verschillende in zuidoost‐brabant gesitueerde Natura 2000‐gebieden weergegeven: Ruim 17 km tot "Vlijmens Ven, Moerplaten", ten westen; Ruim 18 km tot "Kampina & Oisterwijkse vennen", ten zuidwesten; Ruim 22 km tot "Strabrechtse heide & Beuven", ten zuiden; Ruim 29 km tot "Deurnesche Peel & Mariapeel", ten zuidoosten; Ruim 28 km tot "St. Jansberg", ten noordoosten; Ruim 30 km tot "Maasduinen", ten oosten. Gezien de grote afstanden tot de genoemde Natura 2000‐gebieden is de ontwikkeling van het plangebied niet van invloed op de instandhoudingsdoeleinden van de betreffende gebieden. In figuur 5.4 zijn de omliggende Natura 2000‐gebieden weergegeven. Een berekening van de eventuele extra stikstofdepositie is niet noodzakelijk aangezien: De afstand tot stikstofgevoelige gebieden minimaal 17 kilometer is; Het planvoornemen voorziet in de realisatie van gasloze woningen in plaats van een gasverbruikend kantoorgebouw; Er slechts 16 woningen binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk worden gemaakt; Er een afname van het aantal verkeersbewegingen is (zie ook paragraaf 11.2). Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheidt gemaakt in de gebruiksfase en in de aanlegfase.
Hieronder wordt onderbouwd waarom het voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk is om dergelijke stikstofberekeningen uit te voeren. Gebruiksfase Er is dus een afname van verkeersbewegingen en in de toekomstige situatie zal geen gas meer worden verbruikt. Er is dus sprake van een afname van emissies waardoor er per definitie geen toename kan zijn van deposities. Daarnaast is de afstand ruim voldoende zodat er nooit sprake kan zijn van stikstofdepositie door woningen en verkeer. Bovendien worden in AERIUS verkeersgegevens vanaf de bron maar tot maximaal 5 kilometer doorgerekend. Aanlegfase Specifiek voor het meenemen van aanleg c.q. uitvoeringsaspecten in de bestemmingsplanprocedure bestaat een vaste jurisprudentielijn van de Afdeling. De voornoemde vaste lijn van de Afdeling benoemd steeds dezelfde zinsnede: "Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen." Overwegend gevolgd door: "Hetgeen [appellant] hierover naar voren heeft gebracht moet daarom buiten beschouwing blijven." In Bijlage 2 bij deze toelichting is een lijst met uitspraken te vinden waarin de lijn is terug te vinden, inclusief de rechtsoverweging(en). Dit betekent dat de effecten van de aanlegfase niet berekend hoeven te worden in de bestemmingsplanprocedure.
Dat betekent dat de mogelijke stikstofdepositie gedurende de aanlegfase van een project niet wordt meegerekend in de bestemmingsplanprocedure. Deze fase hoeft pas berekend te worden in de vergunningprocedure. Conform de Handreiking Woningbouw en AERIUS van de Rijksoverheid blijkt dat bij de aanleg van 50 woningen op een afstand van 10 kilometer geen depositie wordt verwacht, zie figuur 5.1. In de beoogde ontwikkeling worden er slechts 16 woningen mogelijk gemaakt op een afstand van minimaal 17 kilometer ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied. Omdat de afstand groter is dan genoemd de tabel en er tevens veel minder woningen mogelijk worden gemaakt, kan vastgesteld worden dat er met de realisatie van de 16 woningen geen sprake zal zijn van depositie.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
39
Figuur 5.1: Indicatieve depositie als functie tussen woningen en het natuurgebied (bron: Rijksoverheid) Geconcludeerd wordt dat de mogelijke depositie van stikstof in het kader van dit bestemmingsplan geen belemmering vormt.
Figuur 5.2: Natura 2000‐gebieden omgeving Veghel Het plangebied is niet gelegen binnen Natuurnetwerk Brabant (hierna NNB). Het plangebied is op ruim 600 meter van het NNB gelegen en heeft daardoor geen negatieve invloed op de instandhouding van deze ecologische verbindingszone. Op grotere afstand, ten zuiden van het plangebied, zijn nog andere natuurnetwerken in de vorm van de Groen‐Blauwe mantel en de ecologische hoofdstructuur aanwezig. Gezien de afstanden heeft het planvoornemen geen invloed op deze natuurnetwerken.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
40
Soortenbescherming Voor de beoogde ontwikkeling is een quickscan Beschermde planten‐ en diersoorten uitgevoerd. De rapportage behorende bij deze quickscan is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Op basis van de quickscan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen werkzaamheden mogelijk in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Dit aangezien de volgende beschermde soorten mogelijk aanwezig zijn in het plangebied: vleermuizen en vogels (zonder jaarrond beschermd nest). De huismus wordt buiten het plangebied verwacht. Bij de sloop van het huidige kantoorpand en de nieuwbouw van de 16 woningen kan overtreding plaatsvinden. Vervolgonderzoek is nodig voor de volgende soorten: Vleermuizen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en bosvleermuis. Dit onderzoek dient globaal plaats te vinden tussen half mei en half oktober volgens het vleermuisprotocol 2017; Huismus. Er is geen onderzoek nodig indien de werkzaamheden buiten de periode 15 februari t/m 31 september zullen plaatsvinden. Het vervolgonderzoek vleermuizen is toegevoegd in bijlage 4. Uit het vervolgonderzoek naar vleermuizen blijkt dat er geen zomer‐, kraam‐, paar‐ of winterverblijfplaatsen zijn aangetroffen binnen het plangebied. Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuizen kunnen uitgesloten worden. 5.1.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
41
Hoofdstuk 6
6.1
Water
Inleiding
6.1.1 Toetsingskader Bij ieder ruimtelijke plan dient te worden beoordeeld of het plan invloed heeft op de waterhuishoudkundige situatie. Ieder plan dient namelijk minimaal 'hydrologische neutraal' te worden ontwikkeld. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie Noord‐Brabant, het Waterbeheersplan 2016‐2021 van Waterschap Aa & Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De volgende driestapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden‐bergen‐afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen‐scheiden‐zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De twee meest relevante beleidsstukken zijn hierna verder toegelicht.
6.1.2 Beleidskader Provinciaal Milieu‐ en Waterplan 2016‐2021 Het Provinciaal Waterplan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord‐Brabant voor de periode 2016‐2021. Het plan doorloopt samen met de plannen van het Rijk en de waterschappen een 6‐jarige beleidscyclus die is afgestemd op de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water. Naast het beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Het plan is tevens beheerplan voor grondwateronttrekkingen. Bovendien is het plan structuurvisie voor het aspect water op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Op grond van de Waterwet fungeert het Provinciaal Waterplan tevens als structuurvisie. De provincie geeft hieraan invulling door in het Waterplan de ruimtelijke consequenties van het waterbeleid vast te leggen voor zeven typen van doelstellingen. Tevens wordt gestreefd naar verankering in de bestemmingsplannen via de mogelijkheden die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu‐ en Waterplan 2016 ‐ 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
42
Waterschap Aa en Maas: Waterbeheerplan 2016‐2021 Het beleid van het waterschap Aa en Maas is vastgesteld in het Waterbeheersplan 2016 ‐ 2021. Dit plan kent de volgende missie: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten”. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder en waaraan invulling gegeven moet worden: gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer'; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m²‐10.000 m² en meer dan 10.000 m². Het plangebied is in de bestaande situatie grotendeels verhard en bebouwd. In de beoogde situatie zal het verhard oppervlak ook niet toenemen maar afnemen (zie ook paragraaf 2.3). Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap Aa en Maas 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte < 2.000 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.
Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd.
6.1.3 Huidige situatie Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel geheel verhard door middel van klinkerbestrating. Alleen aan de voorzijde van het bestaande pand zijn wat groenvoorzieningen aanwezig. Het plangebied is 2.620 m² groot. 2.300 m² daarvan is in de bestaande situatie bebouwd of verhard. In en nabij het plangebied is geen waterkering aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in de beschermingszone van een watergang of waterkering.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
43
6.2
Afweging en conclusies
De beoogde bebouwing is uitsluitend voorzien ter plaatse van reeds verharde gronden. Het verhard oppervlak wordt niet vergroot omdat het plangebied reeds grotendeels verhard is. Mogelijkheden om, in het belang van de waterhuishoudkundige situatie, het verhard oppervlak te verminderen, worden onderzocht. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Hemelwater van terrein en daken zal (indien mogelijk) worden geïnfiltreerd in de bodem of vertraagd worden afgevoerd op het oppervlaktewater. Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
6.3
Wijze van overleg met het Waterschap
Aangezien het verhard oppervlak op het perceel in de beoogde situatie niet zal toenemen, is overleg met het waterschap niet noodzakelijk. In het kader van het wettelijke vooroverleg zal dit bestemmingsplan wel ter beoordeling aan het waterschap worden toegestuurd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
44
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
45
Hoofdstuk 7
7.1
Fysieke belemmeringen
Kabels en leidingen
Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die planologische bescherming behoeven.
7.2
Radarverstoringsgebied
De projectlocatie is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van Volkel (zie ook figuur 7.1).
Figuur 7.1: Ligging radarverstoringsgebied (groen) t.o.v. de projectlocatie (rood omcirkeld) (©www.ruimtelijkeplannen.nl)
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
46
De projectlocatie ligt binnen een straal van 15 kilometer vanaf het radarstation van vliegbasis Volkel. De maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen deze straal is afhankelijk van de afstand van het beoogde bouwwerk tot de radar. Deze maximale bouwhoogte wordt bepaald door een denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne. De top van de radarantenne van vliegbasis Volkel is 49 meter + NAP). Vanaf die 49 meter loopt (omhoog dus) de maximale bouwhoogte 0,25 graden op tot een punt gelegen op 15 kilometer vanaf de radarantenne. Het planvoornemen voorziet in nieuwe woonbebouwing met een maximale bouwhoogte van 11 meter. Dit is ruim onder de ter plaatse toegestane maximale bouwhoogte in verband met het radarverstoringsgebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
47
Hoofdstuk 8
8.1
Milieuaspecten
Inleiding
Er bestaat een duidelijke relatie tussen het milieubeleid en de ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien het ruimtelijk‐ en milieubeleid naar elkaar in de vorm van omgevingsbeleid. De milieukwaliteit is derhalve een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband dient bij de afweging bij de ontwikkeling van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op alle milieuaspecten.
8.2
M.e.r.‐plicht
8.2.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. 8.2.2 Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 16 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling' noodzakelijk is.
Uit deze beoordeling blijkt (zie bijlage 5) dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Op basis van deze beoordeling neemt de gemeente Meierijstad het besluit dat geen volledige m.e.r procedure doorlopen hoeft te worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
48
8.3
Bodem
8.3.1 Toetsingskader Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
8.3.2 Onderzoek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6). De resultaten van het bodemonderzoek zijn hieronder samengevat. Grond In de bovengrond zijn analytisch licht verhoogde gehalten met koper, lood, zink en PAK aangetoond. Deze concentraties overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. In de ondergrond zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Asbest In het puin ter plaatse van de asbestgaten ABG1 en ABG2 (MM1asbest) is geen gehalte aan asbest aangetroffen die de norm voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek overschrijdt. Het puin wordt als niet asbestverdacht beschouwd. Grondwater In het grondwater zijn analytisch geen verhoogde gehalten aangetoond. Toetsing hypothese De hypothese ‘heterogeen diffuus verdacht’ dient op basis van de resultaten formeel gezien te worden aanvaard. Toetsing hypothese asbest in het puin De hypothese asbestverdacht kan op basis van de resultaten worden verworpen. Geen nader bodemonderzoek noodzaak Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Ondanks deze conclusie zijn bij het graven van de archeologische proefsleuven asbestplaten aangetroffen.
Deze situatie is direct gemeld bij het bevoegd gezag en in overleg is besloten een aanvullend asbestonderzoek uit te voeren. Uit dit onderzoek blijkt dat de aangetroffen asbesthoudende materialen te relateren zijn aan de aangetroffen asbestplaten. Voor het verwijderen van deze asbestplaten en het saneren van de bodem is een BUS‐melding (bijlage 7) ingediend en geaccepteerd. De sanering is milieukundig begeleid en na sanering zijn de monsters geanalyseerd (bijlage 8). Daaruit blijkt dat er tot aan 2 mg/kgds geen asbest is aangetroffen. Het evaluatierapport is ter goedkeuring aangeboden aan het bevoegd gezag.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
49
8.3.3 Conclusie Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de ontwikkeling van woningbouw op deze locatie. Na de vondst van asbestplaten binnen het plangebied heeft een aanvullend asbestonderzoek plaatsgevonden. De asbestplaten zijn verwijderd en de bodem is gesaneerd. Uit analyse van de grondmonsters na sanering blijkt dat er geen belemmeringen c.q. beperkingen zijn voor de ontwikkeling van woningbouw op deze locatie.
8.4
Geluid
8.4.1 Toetsingskader Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. 8.4.2 Onderzoek De nieuwe woningen liggen in de wettelijke geluidzone van Iepenlaan en Populierlaan. In dat kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarnaast worden de nabij gelegen 30 km/u wegen in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd in bijlage 9. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor 10 woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden vanwege wegverkeer op de Iepenlaan. De maximale geluidbelasting is inclusief aftrek 57 dB op de oostgevel ten gevolge van Iepenlaan. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt daarmee niet overschreden. Het is niet mogelijk om de geluidbelasting terug te brengen geheel tot de voorkeursgrenswaarde. Bronmaatregelen zijn waarschijnlijk niet toepasbaar en overdrachtsmaatregelen stuiten op civieltechnische, stedenbouwkundige of financiële bezwaren.
Voor de tien woningen wordt een hogere waarde (inclusief aftrek) worden aangevraagd: 2 woningen aan de zijde van de inrit Iepenlaan met maximaal 50 dB; 8 woningen aan de zijde van de Iepenlaan met maximaal 57 dB. Hierbij wordt opgemerkt dat alle 16 woningen een geluidluwe zijde hebben. Daarnaast is de binnenwaarde niet hoger dan 33 dB. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. De geluidbelasting ten gevolge van de andere wegen is lager dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor is geen verdere actie vereist. 8.4.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
50
8.5
Luchtkwaliteit
8.5.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel 8.1 weergegeven. stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie
Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 8.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (Besluit nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.
8.5.2 Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 16 nieuwe woningen. Dit is (significant) minder dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
51
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de projectlocatie gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 8.1. De dichtstbijzijnde maatgevende weg waarvoor informatie beschikbaar is, betreft de Populierlaan ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 90 meter. In figuur 8.1 zijn de rekenpunten weergegeven. Op het dichtstbijzijnde rekenpunt bedraagt het maximale gehalte stikstofdioxide 26 µg/m³, voor fijnstof bedraagt dit maximaal 20,3 µg/m³ PM10/m3 en 12,5 PM2,5/m3 en het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24‐uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 8 dagen. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Figuur 8.1: Luchtkwaliteit o.b.v. NSL‐monitoringstool t.o.v. de projectlocatie (rode cirkel). Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de functiewijziging niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
52
8.6
Externe veiligheid
8.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10‐6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10‐6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
53
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. 2. 3.
het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; de toename van het groepsrisico minder is dan 10% en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden of; personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Veghel (inmiddels Meierijstad) De gemeente Veghel (thans Meierijstad) beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2013). Hierin is een gebiedsgerichte benadering van externe veiligheid opgenomen. Het doel van de beleidsvisie externe veiligheid is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten. Er wordt in de visie invulling gegeven aan de omgang met risiconormen en richtlijnen voor drie verschillende gebiedstypen: risicoluw gebied; gemengd gebied; intensief gebied. Voor deze gebiedstypes zijn per risicobron voorwaarden opgenomen, waaraan dient te worden voldaan bij ruimtelijke planontwikkelingen. Overige wet‐ en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art.
3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG‐tankstations', enz..
8.6.2 Onderzoek Voorliggend plangebied kan worden gekenmerkt als risicoluw gebied. Blijkens de visie zijn dit locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en gemengde activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente wil de burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving bieden en daarom worden er geen risicovolle inrichtingen toegelaten. Onderhavig initiatief maakt enkel de ontwikkeling van woningen mogelijk. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie externe veiligheid. Ook is de (professionele) Risicokaart Nederland bekeken (zie figuur 8.2). Geconcludeerd wordt dat het plangebied buiten (de contouren) van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes is gelegen. Dit wordt hieronder nader gemotiveerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
54
Figuur 8.2: Uitsnede risicokaart Nederland (Bron: Risicokaart Nederland) met plangebied blauw omcirkeld Leidingen Er zijn geen gasleidingen in de nabije omgeving van het plangebied aanwezig die een belemmering vormen voor onderhavig initiatief. De dichtstbijzijnde leiding is op circa 1.500 meter gelegen. Inrichtingen Binnen het plangebied zijn geen inrichtingen met opslag/verkoop van gevaarlijke stoffen gevestigd. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op een afstand van ruim 550 meter. Het betreft hier de inrichting Veghel recreatie bv die als risicovol is aangemerkt vanwege de aanwezigheid van een tank met Chloorbleekloog ten behoeve van het zwembad. Voor de opslag van chloorbleekloog bij zwembaden zijn geen risicoafstanden beschikbaar. Er zijn echter kwetsbare objecten op kortere afstand van dit zwembad gelegen. Het is dan ook aannemelijk dat de realisatie van de beoogde woningen geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico van deze inrichting. Wegtransport Door en langs de Populierlaan ten oosten van het plangebied zijn geen specifieke routes voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Over de N279 en A50 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De A50 is op ruim 1,5 kilometer gelegen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de A50. De N279 heeft geen plaatsgebonden risicocontour of plasbrandaandachtsgebied, maar wel een toxisch invloedsgebied.
Over de N279 ter hoogte van Veghel wordt de stofcategorie LT2 vervoerd. Hiervoor geldt een invloedsgebied van 880 meter. Gelet op de afstand (ook circa 1,5 kilometer) is het plangebied hier buiten gelegen. Een beperkte verantwoording is dan ook niet noodzakelijk. 8.6.3 Conclusie Het aspect 'Externe veiligheid' zorgt niet voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
55
8.7
Geurhinder
8.7.1 Geurhinder veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Onderzoek plangebied In de nabijheid van Iepenlaan 4 zijn geen veehouderijen aanwezig. De maximale voor‐ en achtergrondbelasting vanuit de omliggende veehouderijen bedragen respectievelijk minder dan 2 en minder dan 5 ouE/m3 (o.b.v. Regionale geurkaart ODBN‐regio 2019.2). De afstand vanaf de buitenzijde van de geurgevoelige objecten tot het dichtstbijzijnde emissiepunt, danwel begrenzing van een dierenverblijf, is meer dan 100 meter. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' niet zorgt voor belemmering bij de uitvoering van het initiatief of bestaande agrarische bedrijven in hun uitbreidingsruimte beperkt. Er wordt voldaan aan zowel het wettelijk kader als de gezondheidskundige advieswaarde.
8.7.2 Geurhinder industrieel De 'Beleidsregel industriële geur Noord‐Brabant' geldt voor de beoordeling van aanvragen voor een vergunning op grond van de Wabo voor industriële inrichtingen die onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten vallen, bij aanpassing van eerder verleende vergunningen en bij het stellen van maatwerkvoorschriften. De in deze beleidsregel beschreven benadering en gepresenteerde normering leent zich ook voor toepassing binnen de ruimtelijke ordening. Doelstelling van de ruimtelijke ordening is een goed woon‐ en leefklimaat. Deze beleidsregel is een invulling van de zogenaamde 'omgekeerde werking', waarmee voor ruimtelijke plannen de aan te houden afstand tot een geurbron uit de milieuregelgeving wordt afgeleid. Thans is het ook geoorloofd om de in deze beleidsregel gegeven normering voor geurgevoelige objecten rechtstreeks op te nemen in de voorwaarden van een bestemmingsplan of te hanteren bij vergunningverlening voor afwijking van een bestemmingsplan. 8.7.3 Onderzoek plangebied In de nabijheid van Iepenlaan 4 zijn geen bedrijven aanwezig met een industriële geurcontour. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' niet zorgt voor belemmering bij de uitvoering van het initiatief of bestaande bedrijven in hun uitbreidingsruimte beperkt.
8.8
Gezondheid
8.8.1 Stappenplan Handreiking veehouderij en gezondheid Stap 1 Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. Stap 2 De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van woningen. Momenteel is er sprake van een gasverbruikend kantoor. Hierdoor is er geen sprake van een toename in emissies voor geur, fijnstof of ammoniak.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
56
Stap 3 In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet‐ en regelgeving voldaan, er is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond), ie paragraaf 8.7. Er wordt voldaan aan zowel het wettelijk kader als de gezondheidskundige advieswaarde. Ook is de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming groter dan 100 meter. Stap 4 Binnen een afstand van 100 meter bevindt zich geen varkensbedrijf of pluimveebedrijf. Stap 5 Geitenhouderij Uit het VGO‐2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Gezien vorenstaande vormen bovenstaande aspecten geen belemmering in relatie tot het aspect 'gezondheid'. Pluimveehouderij Binnen een afstand van 1 kilometer bevindt zich geen pluimveehouderij. Overige veehouderijen Binnen een afstand van 250 meter bevindt zich geen veehouderij in de categorie overig. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe‐ of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. De beoogde ontwikkeling betreft woningbouw. Stap 7 Er is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden.
8.8.2 Kabels en leidingen Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningskabels, warmwaterleidingen en dergelijke kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. In de plangebieden zelf zijn geen kabels en/of leidingen gelegen die een belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen kunnen vormen. De functiewijziging zorgt dan ook niet voor belemmeringen. 8.8.3 Spuitzones Er zijn in de omgeving van het plangebied geen gronden gelegen waar mogelijk sprake is van spuit‐zones. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het woon‐ en leefklimaat ter plaatse van iepenlaan 4 te Veghel.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
57
8.9
Duurzaam en slim bouwen
8.9.1 Toetsingskader Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Bij nieuwe ontwikkeling wordt tevens gestreefd aandacht te besteden aan de energie‐infrastructuur, hittebestendigheid en het anders omgaan met hemelwater. 8.9.2 Onderzoek en conclusie Voor de ontwikkeling geldt een EPC‐eis vanuit het Bouwbesluit. Aan deze norm zal bij de beoogde ontwikkeling voldaan worden. Daarnaast zullen de nieuwe woningen gasloos worden opgeleverd. Door de initiatiefnemer wordt onderzocht hoe men gezonde en toch gebruiksvriendelijke woningen kan ontwerpen. Dit wordt gezocht in het installatiesysteem, doorspuien/ventileren en in materialiseren van de woning. Extra aandacht is er voor het koel houden van de woning tijdens de zomermaanden. Het binnenterrein wordt een (semi)‐gesloten binnentuin. Een groene oase midden in het centrum van Veghel. De voordeur ligt aan de binnentuin net als de (semi)‐privé buitenruimte. De overige ruimte wordt in een vervolgtraject door de toekomstige bewoners in samenwerking met Area en een landschapsarchitect ontwerpen. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan: Regenwater opvang (en opvang extreme buien); Hitte‐ en droogte stress; Vogels, vlinders en insecten; Permacultuur uitgangspunten voor een weelderige doch onderhoudsarme inrichting.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
58
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
59
Hoofdstuk 9 ontwikkeling
9.1
Verantwoording functioneel programmatische
Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
9.2
Verantwoording en conclusie ladder
De kwantitatieve behoefte aan woningbouw in de regio Noordoost Brabant wordt vastgelegd in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). Deze Regionale Agenda Wonen bevat voorstellen omtrent de jaarlijks te maken regionale (kwantitatieve) woningbouwafspraken, zoals deze op grond van de Verordening ruimte van de Provincie Noord‐Brabant benodigd zijn. De voorgenomen ontwikkeling (16 woningen) past binnen de totale taakstelling van de gemeente en is opgenomen in het woningbouwprogramma. Voor een nadere beschrijving van het gemeentelijke woningbouwbeleid wordt verwezen naar paragraaf 3.5 gemeentelijk beleid. Daarnaast vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats binnen het bestaande stedelijk gebied van Veghel en is er sprake van herstructurering. Het voormalig kantoorgebouw in het plangebied krijgt een passende herbestemming met woningbouw. De voorgenomen ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder duurzame verstedelijking.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
60
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
61
Hoofdstuk 10
10.1
Bedrijven en voorzieningen
Bedrijven en milieuzonering
10.1.1 Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon‐ en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG‐publicatie. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Gebiedstypen In de VNG‐uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG‐uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbijt bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. 10.1.2 Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk veel woonfuncties aanwezig. Er wordt uitgegaan van een 'rustig woongebied'. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 16 woningen. Woningen vormen milieugevoelige functies, waardoor toetsing aan de richtafstanden noodzakelijk is. Direct ten noorden van het plangebied ligt een cluster met maatschappelijke functies. Bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 2 zijn hier toegestaan.
De volgende inrichtingen zijn aanwezig: Kinderdagverblijf 't Leeuwtje; Verloskundig centrum Calamaris; Mondhygiënistenpraktijk;
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
62
Praktijk Fysiotherapie; Natuurlijk bewegen oefentherapie Cesar.
De inrichtingen behalve het kinderdagverblijf zijn ingedeeld in milieucategorie 1. Aan de richtafstand van inrichtingen in milieucategorie 1 (10 meter) wordt voldaan. Het kinderdagverblijf valt in milieucategorie 2. De maatgevende richtafstand is 30 meter voor het aspect geluid. De afstand van de woningen tot het maatschappelijk cluster bedraagt circa 15 meter. Hiermee wordt niet aan de richtafstand voldaan en dient het stappenplan uit bijlage 5.3 van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering te worden doorlopen. Indien voldaan wordt aan de toepasselijke richtafstand uit de VNG‐brochure, is volgens de toetsingssystematiek in beginsel sprake van een aanvaardbare geluidbelasting (stap 1). Wanneer niet aan de richtafstand wordt voldaan, dient in stap 2 getoetst te worden dat de geluidsbelasting op de gevel van de woningen voldoet aan de geluidswaarden. In een rustige woonwijk betreffen de geluidswaarden in eerste instantie 45 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 65 dB(A) voor het maximale geluidniveau en 50 dB(A) ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking. Wanneer deze waarden worden overschreden, is stap 3 het vervolg. Planologisch inpassing is nog steeds mogelijk, bij een geluidwaarde van maximaal 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau en 50 dB(A) ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking.
Wel dient te worden gemotiveerd waarom de situatie als acceptabel wordt geacht. Een kinderdagverblijf wordt gezien als een functie die passend is in een woongebied. Daarnaast is bij een kinderdagverblijf het geluid van spelende kinderen bepalend voor de omgeving. Geluidproductie van een kinderdagverblijf vindt alleen overdag plaats, waarbij het geluid afgeschermd wordt door het gebouw en zodoende zorgt voor een akoestische afscherming. Van belang is ook dat aan de zijde van de nieuw te bouwen woningen geen speelterrein of speelvoorzieningen zijn gelegen. De afstand van de speelplaats tot de beoogde woningen betreft meer dan 30 meter, hier wordt aan de richtafstand voldaan. Naast het geluid van spelende kinderen is er ook sprake van geluid door auto's die parkeren op de parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf. Deze parkeerplaatsen liggen echter direct langs de openbare weg, tevens zijn parkerende auto's inherent in een dergelijke leefomgeving en vindt dit slechts gedurende een kort moment overdag plaats. Uit de tekening is af te leiden dat de kortste afstand tussen een parkeervak en de woning circa 10 m bedraagt. Rekening houdend met een maximaal bronvermogen van 98 dB(A) voor het sluiten van een portier, zal het maximaal geluidniveau op de woning minder dan 70 dB(A) bedragen. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 70 dB(A).
Ter plaatse van de beoogde woningen is daarom geen geluidshinder te verwachten. Ten zuiden bevindt zich op een afstand van circa 25 meter de bestemming kantoren. Volgens de VNG‐brochure vallen kantoren in milieucategorie 1 en hebben een richtafstand van 10 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. 10.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet worden beperkt. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
63
Hoofdstuk 11
11.1
Verkeer
Parkeren
Vanaf 1 juli 2018 komen de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening te vervallen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. Het 'paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad die daar nog niet in voorzien, de juridische link te leggen met "geldend parkeerbeleid" waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. De Nota parkeernormen Meierijstad 2018 is dan ook vastgelegd in het paraplubestemmingsplan 'Parkeren'. Doorwerking plangebied In de huidige situatie maakt het kantoorgebouw gebruik van parkeerplaatsen op het eigen perceel. De parkeerbehoefte van de te realiseren woningen in het plangebied worden tevens binnen het plangebied, dus op eigen terrein, opgevangen. Door middel van dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 16 gestapelde woningen mogelijk gemaakt. Conform de gemeentelijke Nota Parkeernomen heeft een woning in Veghel (koop/huur) een parkeerbehoefte van 1,8 parkeerplaatsen. De woningen hebben daarmee een totale parkeerbehoefte van (1,8*16 = 28,8) 29 parkeerplaatsen. Hiervan wordt (0,3*16= 4,8) 5 parkeerplaatsen toegerekend aan het aandeel bezoekers. Binnen het plangebied worden 29 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm zoals vastgesteld in de gemeentelijke Nota Parkeernormen.
11.2
Verkeersgeneratie
Huidige situatie Voor de verkeersgeneratie is gekeken in de CROW‐publicatie 381. Voor kantoren met baliefunctie geldt binnen de 'schil centrum' en 'weinig stedelijk' gebied een verkeersgeneratie van minimaal 12,5 verkeersbewegingen per 100 m² bruto vloeroppervlak (bvo) per etmaal. Het kantoor heeft (begane grond en 1e verdieping) een bvo van circa 1.200 m². Op basis van deze gegevens uit het CROW dient rekening gehouden te worden met een verkeersgeneratie van ((1200/100)*((12,5+14,8)/2)= 164 verkeersbewegingen per etmaal. Toekomstige situatie Ter plaatse worden 16 woningen gerealiseerd. Voor dergelijke woningen geldt (in schil centrum en weinig stedelijk gebied) een verkeersgeneratie van 6,9 ‐ 7,7 verkeersbewegingen per woning. Bij 16 woningen bedraagt de verkeersgeneratie 124 verkeersbewegingen per etmaal.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
64
De ontsluiting van het plangebied vindt plaats op de Iepenlaan. Het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe situatie afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Er worden dan ook geen belemmeringen voorzien met betrekking tot het afwikkelen van de verkeersbewegingen op de Iepenlaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
65
Hoofdstuk 12
12.1
Sociale veiligheid
Beleid en randvoorwaarden
De gemeente Meierijstad (voormalige gemeente Veghel) heeft geen specifiek beleid geformuleerd op het gebied van sociale veiligheid. Conform de samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente zullen de woningen voldoen aan de (sociale) veiligheidseisen die opgenomen zijn in het Bouwbesluit.
12.2
Sociale veiligheid
Het nieuwe woongebied krijgt een heldere, overzichtelijke structuur. Alle woningen in het plangebied zijn met de voorzijde gericht naar de openbare ruimte, waardoor sprake is sprake van voldoende sociale controle. Bij de inrichting van de openbare ruimte is veiligheid een belangrijk aandachtspunt. Hierbij spelen zowel de verkeerssituaties (eventueel nemen van verkeersremmende maatregelen) als de situatie met betrekking tot sociale veiligheid een rol. Door het toepassen van voldoende openbare verlichting en een doordachte inrichting van de openbare ruimte kunnen sociaal onveilige situaties worden voorkomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
66
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
67
Hoofdstuk 13
13.1
Juridische planopzet
Plansystematiek
Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde: In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti‐dubbeltelregel; Hoofdstuk 4 (overgangs‐ en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
13.2
Bestemmingen
Hierna volgt een beschrijving van de bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen. 13.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moeten worden. 13.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd (niet altijd overal van toepassing): Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
68
Omgevingsvergunning
Artikel Wonen De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op grond van de bestemming 'Wonen'. Per bouwvlak is aangegeven hoeveel wooneenheden ter plaatse maximaal zijn toegestaan. In de regels van dit bestemmingsplan wordt de maximale goot‐ en bouwhoogte geregeld. 13.2.3 Algemene regels Anti‐dubbeltelregel In de anti‐dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen over bestaande maten. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden. Algemene aanduidingsregels In dit geval zijn hier de regels opgenomen die van toepassing zijn binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone ‐ radar'. Dit in verband met de ligging van het plangebied in het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels.
Het gaat hier om de overschrijding van de bouwgrenzen, voor zover deze afwijkingen niet onder de regel 'algemene bouwregels' valt te scharen. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijking is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon‐ en milieusituatie van aangrenzende percelen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen van een wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt ingeval van gewenste dan wel noodzakelijke geringe afwijkingen van de bestemmingsgrenzen. Overige regels In deze bepaling is geregeld dat alle wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is bepaald dat bij de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de verandering in functie van een bestaand bouwwerk voldaan te worden in de realisatie van voldoende parkeergelegenheid. 13.2.4 Overgangs‐ en slotregels In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 11.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen.
In lid 11.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
69
Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Iepenlaan 4, Veghel'.
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
70
Rho adviseurs voor leefruimte
20181012
71
Hoofdstuk 14
14.1
Economische uitvoerbaarheid
Kostenverhaal
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de overheid verplicht om de kosten te verhalen in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is kostenverhaal verplicht in geval van: de bouw van een of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto‐vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto‐vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 brutovloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden. De overheid is echter niet in alle gevallen verplicht een exploitatieplan vast te stellen.