CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan

Raadsvergadering 29 april 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Iepenlaan 4, Veghel21.971 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro kan de overheid besluiten geen exploitatie‐plan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c Wro is voldaan. In dit geval is sprake van een project waarmee een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk wordt gemaakt. De gronden van het plangebied waar de woningen mogelijk worden gemaakt, zijn in eigendom van een ontwikkelende partij waarmee de gemeente Meierijstad een (anterieure) overeenkomst heeft gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro. Gelet op de eigendomsverhoudingen, de samenwerkingsovereenkomst en planschadeverhalings‐overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid gegarandeerd en kan door het college van burgemeester en wethouders derhalve worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan in de zin van artikel 6.12, tweede lid Wro.

14.2

Financiële uitvoerbaarheid

De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd, is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel‐economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181012

72

Rho adviseurs voor leefruimte

20181012

73

Hoofdstuk 15

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het wijzigingsplan van start gaan.

15.1

Wettelijk (voor)overleg

Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er zijn geen reacties ingediend.

15.2

Omgevingsdialoog

Reeds in een vroeg stadium is een eerder plan gepresenteerd aan de omwonenden. Dit dat plan waren minder parkeerplaatsen ingetekend en werd het gebruik van deelauto's gestimuleerd. Daar was veel weerstand tegen. Inmiddels is het plan echter aangepast. Er worden meer parkeerplaatsen gerealiseerd en er wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

15.3

Ontwerp

Het ontwerpbestemmingsplan heeft conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening voor een ieder van 18 september 2020 tot en met 29 oktober 2020 ter inzage gelegen. Er zijn drie zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn beoordeeld en hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Een samenvatting van de zienswijzen en de reactie daarop vindt in de Nota zienswijzen (bijlage 10).

Rho adviseurs voor leefruimte

20181012

74

Rho adviseurs voor leefruimte

20181012

bijlagen bij de Toelichting

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20181012

Veghel-Iepenlaan 4 (gem. Meierijstad) Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven Martijn Bink

Zuidnederlandse Archeologische Notities

xxx

Amsterdam 2019 VUhbs archeologie

De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave van VUhbs archeologie, Amsterdam

COLOFON

Opdrachtgever: Project: Plangebied: Bevoegd Gezag: Adviseur : Status: Objectcode: CIS-code: Coördinaten: Auteur: Bijdrage:

RHO / AREA Veghel-Iepenlaan 4 Iepenlaan 4 gemeente Meierijstad dhr. J. van der Roest (gem. ’s-Hertogenbosch) Concept-rapport MEI-VI-19 4716496100 166.150/404.450 drs. M. Bink -

Illustraties; Omslagontwerp:

drs. M. Bink M.H. Kriek

Autorisatie:

drs. M. Bink

ISBN:

978-90-8614-688-8

©VUhbs archeologie, Amsterdam, oktober 2019 De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM

INHOUD

Colofon ..........................................................................................................................................2 Inhoud ................................................................................................................................................3 1

Inleiding ......................................................................................................................................5

2

Historische en archeologische achtergrond ...................................................................................6

3

Doel van het onderzoek...............................................................................................................7

4

Werkwijze...................................................................................................................................9

5

Resultaten ................................................................................................................................. 11 5.1 Bodem en landschap ................................................................................................................ 11 5.2 Sporen en structuren................................................................................................................ 12 5.2 Vondsten ................................................................................................................................. 13

6

Conclusie .................................................................................................................................. 15 6.1 Waardering van de vindplaats ................................................................................................... 15 6.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen................................................................................. 16

7

Literatuur .................................................................................................................................. 16

bijlage 1: Lijst van archeologische perioden ........................................................................................ 20 bijlage 2: sporenlijst ........................................................................................................................... 21 bijlage 3:

Vondstenlijst .................................................................................................................. 22

bijlage 4 allesporenkaart ....................................................................Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Fig. 1.1. Veghel-Iepenlaan 4. De locatie van het onderzochte gebied, met als inzet de locatie van Veghel in Nederland. Schaal 1:25.000.

1

INLEIDING

Op 27 juni en 11 september 2019 heeft VUhbs archeologie in Veghel (gem. Meierijstad) aan de Iepenlaan 4 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uitgevoerd (fig. 1.1). Dit project is uitgevoerd in opdracht van adviesbureau RHO. Binnen het plangebied zullen 16 sociale huurwoningen worden gebouwd. Omdat binnen het onderzoeksgebied een historische boerderij heeft gestaan is ervoor gekozen om direct over te gaan tot een proefsleuvenonderzoek en niet eerst een bureau- en/of booronderzoek uit te voeren.

Fig. 1.2. Veghel-Iepenlaan 4. Sleuvenplan zoals voorgesteld in het Programma van Eisen.

Binnen het plangebied dienden drie proefsleuven te worden aangelegd met een totale oppervlakte van 200 m2. Het bevoegd gezag tijdens het veldwerk was de gemeente Meierijstad, mevr. K. Kersten, geadviseerd door dhr. J. van der Roest (gem. ’s-Hertogenbosch). Het project werd uitgevoerd onder leiding van sr. KNA-archeoloog M. Bink, bijgestaan door KNA-archeoloog BA S. Reinstra (27 juni) respectievelijk B. Bussemaker, BA (11 september). De kraan werd geleverd door Van Mensvoort uit Veghel.

2

HISTORISCHE EN ARCHEOLOGISCHE ACHTERGROND

Het onderzoeksgebied heeft op de archeologische verwachtingskaart van de (voormalige) gemeente Veghel een hoge verwachting. Bovendien is ter hoogte van het onderzoeksgebied historische bebouwing op de kaart opgenomen en een vondstmelding door de heemkundige kring Veghele opgenomen. Nabij de kruising Zeveneikenlaan/ Iepenlaan werd aardewerk aangetroffen uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Binnen het plangebied is niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op de oudste kadastrale kaart is ter hoogte van het plangebied een tweetal boerderijen met erf afgebeeld (fig. 2). De percelen 595 tot en met 599 zijn in bezit van Dirk Adriaan van den Heuvel. Perceel 595 en 597 zijn in gebruik als bouwland, 596 is in gebruik als weiland, 598 als moestuin en 599 als huis, schuur en erf. De percelen 600 tot en met 604 zijn in bezit van Lambert van Melfoort. Het hier afgebeeld huis bestaat uit drie percelen. Perceel 600 is een huis, 601 en 602 zijn huis en erf. Perceel 603 is moestuin en perceel 604 bouwland. Perceel 587, tenslotte is eigendom van de gemeente Veghel en is ingeschreven als “opgaand geboomte”. Voor deze percelen heeft M. van Asseldonk een historische reconstructie gemaakt.1 De percelen vallen onder het gebied dat bekend staat onder de naam ‘Stokje’, het gehucht heeft Heselaer.

Binnen deze reconstructie valt het onderzoeksgebied binnen de percelen die zijn beschreven onder de nummers 26a (596 tot en met 599) en 26b1 (600 tot en met 604). De oudste verwijzing naar het perceel 26a dateert al uit 1457, hoewel de oudste vermelding van een huis op het perceel dateert uit 1646. Hier wordt gesproken van ‘Huis, schuur, hof en aangelag’. In 1565 en later is 1588 is zelfs al een vermelding bekend die meerdere percelen omvat rondom perceel 26a, waarin een huis, schuur, bakhuis, varkenskooi, hofstat en hof, houtwas en boomgaard met aangewas wordt vermeld. De term hofstat verwijst naar een huisplaats die niet meer bewoond/bebouwd is, hetgeen wijst op nog oudere bewoning ter plaatse. Perceel B1 wordt genoemd in 1646. De oudste vermelding van een huis dateert uit 1700 als Jan Lambert Dircx er een ‘winkel’ heeft. De bouwplannen zijn met name gesitueerd ter hoogte van het huis en erf perceel 599.

1

Van Asseldonk 2013.

3

DOEL VAN HET ONDERZOEK

De doelstellingen van het onderzoek zijn beschreven in het PvE:2 Het onderzoek heeft primair tot doel het vast stellen van de aan- of afwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten. Het tweede doel van het onderzoek is dan ook het bepalen van de diepteligging van eventueel aanwezige archeologische resten. Het uiteindelijke doel is een advies aan de bevoegde overheid over te brengen ten aanzien van de verder te nemen stappen inzake de archeologie binnen het plangebied aan de hand van een gespecificeerde archeologische verwachting. Om deze doelstelling zo goed mogelijk te volbrengen zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld in het PvE:

algemeen 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? 3. Hoe sluit het onderzoek en de verkregen onderzoeksresultaten aan bij de resultaten van het vooronderzoek (inclusief de aanvullingen in dit PvE)?

Gaafheid en conservering van de vindplaatsen 4. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten?

Perioden en sites 6. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? 7. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? 8. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype / functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie 9. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc?

2

Bink 2019.

10.Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 3 aan te geven? 11.Kunnen meerdere bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend? 12.Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt?

Landschap en bodem 13.Wat is de fysieklandschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? 14.Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden? 15.Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan?

Met betrekking op de bewoning uit de Nieuwe Tijd 16. Is sprake van resten van de bewoning uit de Nieuwe tijd ter plaatse? 17. Hoe is de bewegingstoestand van deze resten? 18. Wat kan aan de hand van sporen en vondstmateriaal gezegd worden over de ouderdom van deze bewoning? Is er een voorganger in de Late Middeleeuwen? 19. Zijn de aangetroffen resten te relateren aan de historische informatie over de percelen (bijlage 4)?

4

WERKWIJZE

Het onderzoek is gestart op 27 juni 2019. Daarbij werden sleuf 1 en 3 volledig aangelegd. Bij het graven van sleuf 2 werd echter een kuil gevuld met asbestplaten aangetroffen. Hiervan is melding gemaakt en vervolgens is een onderzoek ingesteld, gericht op het saneren van het asbest. Het asbest is uiteindelijk op 4 september 2019 verwijderd en op 10 september is de proefsleuf weer vrijgegeven. Op 11 september is tenslotte deze proefsleuf alsnog aangelegd en onderzocht. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd terwijl de te slopen bebouwing nog in gebruik was. Dit heeft het archeologische onderzoek in zoverre gehinderd dat ondergrondse leidingen die niet op de KLIC-melding zichtbaar waren zoals de regenafvoer van de gebouwen en bekabeling van verlichting en van het hek van het terrein gerespecteerd moesten worden. Ook was het niet mogelijk om extra onderzoek uit te voeren. De drie aangelegde sleuven hebben been totale oppervlakte van 160 m2 (tabel 4.1). Hiermee is 40 m2 minder aangelegd dan voorzien, met name vanwege de aanwezigheid van nog in gebruik zijnde (afvoer)putten. Hiermee is ca. 4,4 % van het onderzoeksgebied en 19,8 % van de geplande nieuwbouw onderzocht. Het onderzoek is verder uitgevoerd conform het PvE. Tijdens de aanleg van de vlakken is gebruik gemaakt van een metaaldetector van het type Tesoro ‘Lobo’.

De vlakken en coupes zijn ingemeten met een DGPS van het type Sokkia GRX-1.

Tabel 4.1. Veghel-Iepenlaan 4. Oppervlakten van de aangelegde proefsleuven.

Fig. 4.1. Veghel-Iepenlaan 4. Aanleg van het vlak in sleuf 1.

Fig. 4.2. Veghel-Iepenlaan 4. Overzicht van de aangelegde proefsleuven (zwart) ten opzichte van het plangebied (rood). Schaal 1:600.

5

RESULTATEN

5.1 BODEM EN LANDSCHAP

Het plangebied is gelegen in het Noord-Brabantse dekzandlandschap, maar binnen de bebouwde kom van Veghel. Het is daarom niet bodemkundig gekarteerd. Voor de gemeentelijke verwachtingskaart hebben Boshoven en Buesink de gegevens van de omliggende gebieden geëxtrapoleerd.3 Hieruit is gebleken dat het plangebied gelegen is op een dekzandrug. Op grond van extrapolatie kan worden gesteld dat het gebied vermoedelijk valt binnen grondwatertrap VI, maar dat ook trap V of VII mogelijk is. Tijdens het onderzoek zijn vier profielstaten opgenomen. Uit deze profielen blijkt dat het oorspronkelijke oppervlak in alle profielen is afgedekt door een laag ophoogzand van 20-45 cm dikte. Hierin is de bestrating gelegd. Onder deze laag is een (restant) esdek aanwezig, dat echter in de profielen 1.1 en 2.1 wordt doorsneden door recente verstoringen. Deze verstoringen zijn meer kenmerkend voor de bodemopbouw dan de onverstoorde delen waar uiteindelijk een profiel werd opgenomen. Het esdek heeft een dikte van 50-60 cm, met uitzondering van profiel 3.1, waar onder het ophoogzand een recent vergraven laag van ca. 30 cm dik aanwezig is die het esdek deels verstoord heeft. In profiel 1.1 is onder het esdek een schuin aflopend, gelaagd zandpakket aanwezig. In het pakket zijn twee humeuze lagen aanwezig, onderin en ongeveer halverwege.

De onderste laag lijkt een oud oppervlak of de bodem van een ven/vijver te zijn geweest de hoger gelegen laag zou dit ook kunnen zijn. Ertussen bevindt zich een zandpakket dat (deels) opvallend schoon en homogeen is en dat mogelijk ingestoven of –gespoeld is.

Fig. 5.2. Veghel-Iepenlaan 4. De profielen van proefsleuf 1 (P1.1), 3 (P3.1) en 2 (P2.1)

3

Boshoven/Buesink 2009.

5.2 SPOREN EN STRUCTUREN

Fig. 5.3 Veghel-Iepenlaan 4. Allesporenkaart van het onderzochte terrein. Schaal 1:750.

Tijdens het onderzoek zijn in totaal 37 spoornummers uitgedeeld aan sporen en profiellagen. Figuur 5.3 toont de allesporenkaart. Van de 37 spoornummers zijn vijf nummers uitgedeeld aan natuurlijke fenomenen (bodemhorizonten en natuurlijke verstoringen), 21 zijn uitgedeeld aan recente verstoringen en elf aan relevante antropogene sporen. (tabel 5.1). Geheel oostelijk in proefsleuf 1 werd direct een betonnen waterput (S1.002) aangetroffen. Hier rondom verdiepen tot archeologisch vlak bleek onmogelijk door de aanwezigheid van rioleringen onder het parkeerterrein die de sleuf in twee richtingen doorsneden. Ten westen van deze rioleringen werd wel het archeologisch vlak bereikt. Daarbij bleek in de lengte van de sleuf een greppel/sloot (S1.004) te liggen. Deze sloot werd oversneden door de uitbraaksleuven van een recente fundering. De breedte van de greppel/sloot is zodanig dat deze niet in het geheel in de sleuf bloot te leggen was. Langs de greppel/sloot lagen twee paalkuilen (S1.006/7), die bij couperen recent bleken. Hierlangs liep weer, enigszins parallel aan de greppel/sleuf een smal greppeltje (S1.008). In het westen van de sleuf bleek een ophogingslaag aanwezig (S1.009) In het profiel bleek hier de natuurlijke bodem sterk te duiken (fig. 5.x). Verder uitbreiden of verdiepen bleek hier niet mogelijk gezien de beperkte ruimte.

Proefsleuf 2 bevat geheel in het westen een waterkuil of –put (S2.003) met een diepte van ca.1,5 m beneden het vlak. De rest van de sleuf bevatte alleen recente verstoringen en geen oudere sporen. Proefsleuf 3 bevat in het westen een greppel (S3.002), die slechts deels in de sleuf ligt. Resten van het gebouw dat op grond van oud kaartmateriaal deels in de put zou liggen werden niet aangetroffen, wel

was in de bovengrond veel slooppuin aanwezig. In het oostelijke deel van de sleuf waren nog drie paalkuilen aanwezig (S3.005, 7 en 8). Deze sporen dateren in de Nieuwe of Nieuwste Tijd.

Tabel 5.1 Veghel-Iepenlaan 4. Overzicht van de aangetroffen sporen.

Fig. 5.4. Veghel-Iepenlaan. Enkele vlakfoto’s. Linksboven proefsleuf 1 in oostelijke richting. Rechtsboven proefsleuf 2 na aantreffen van asbest (voorgrond). Linksonder profelsuf 3. Rechtsonder waterkuil of –put 2.003 in proefsleuf 2.

5.2 VONDSTEN

Tijdens het onderzoek zijn zes vondstnummers uitgedeeld met in totaal twaalf scherven aardewerk. Deze vondsten zijn gedetermineerd door V. van den Brink. Alleen vondstnr. 1 is afkomstig uit een spoor. Het betreft een scherf steengoed, te dateren tussen 1400 en 1500. De scherf is afkomstig uit greppel 1.008.

Aanlegvondsten uit proefsleuf 2 zijn een scherf protosteengoed (1200-1300) en twee scherven van een kom van roodbakkend aardewerk (1675-1800). Proefsleuf 3 heeft aanlegvondsten opgeleverd in de vorm van steengoed, waaronder meerdere scherven van het type s2-pot-6 (V3), uit de zeventiende eeuw en industrieel wit aardewerk (1750-1950). Vondst 3 is inhoudelijk het meest interessante. Het is een grote inmaakpot (baare) zoals die in Langerwehe tot 1914 geproduceerd zijn. (En nog even tussen 1920 en 1930 maar dan met een standring ipv een wellenfuss, Zoals ze in Bouffioulx in de 19de eeuw ook gemaakt werden.) Voor de datering is het aantal pootjes van de wellenfuss het meest indicatief. Helaas ontbreekt de wellenfuss geheel, waardoor de datering op andere aspecten moet gebeuren. Op de pot zijn met een kam golvende lijnen aangebracht ter versiering. Binnen het Deventer systeem komen dergelijke versieringen alleen voor bij exemplaren die tussen 1600 en 1700 gedateerd worden. Helaas ontbreken in het Devbenter systeem jongere exemplaren. Echter, jongere exemplaren die op basis van het aantal pootjes in de 18de en 19de eeuw dateren hebben die versiering niet.

Tabel 5.1. Veghel-Iepenlaan 4. Determinatie van de vondsten.

6

CONCLUSIE

6.1 WAARDERING VAN DE VINDPLAATS

Tijdens het onderzoek is één vindplaats aangetroffen. De vindplaats bestaat uit een waterkuil, greppels en een ophogingslaag uit de Late Middeeleeuwen/Nieuwe Tijd. De vindplaats wordt hieronder gewaardeerd conform de KNA versie 4.1.

Tabel 6.1. Veghel-Iepenlaan 4. Waardering van de aangetroffen vindplaats.

Waardering gebaseerd op belevingsaspecten n.v.t. Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten De fysieke kwaliteit scoort laag-midden (totaalscore 3-4). Binnen het plangebied komen meerdere verstoringen voor. Ondiepere sporen lijken niet of slecht bewaard te zijn. Wel zijn in het westelijke deel enkele diepere sporen aangetroffen, waterkuil of –put S2.003 en onbekend spoor 1.009. Ook greppels 1.004 en 3.002 zijn bewaard. Gezien alle verstoringen in het plangebied is de gaafheid als laag-midden te beschouwen. De conservering is gemiddeld, met name vanwege de aanwezigheid van enkele diepere sporen die naar verwachting wel een goede conservering hebben. Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten De inhoudelijke kwaliteit scoort gemiddeld (totaalscore 6). De zeldzaamheid van de vindplaats is gemiddeld. De vindplaats maakt deel uit van de Laatmiddeleeuwse/Nieuwtijdse kern van Veghel. Omdat oudere resten vaak verstoord zijn door jongere bewoning zijn vooral goed bewaarde resten zeldzaam. De vindplaats is echter relatief sterk verstoord geraakt, wat ook de informatiewaarde gemiddeld maakt. Ensemblewaarde zegt iets over de waarde die de aangetroffen sporen hebben binnen het grotere geheel van de sporen onderling, de directe omgeving en de regio.

Vooral eventueel nog bewaarde resten van de voormalige bewoning rondom het onderzoeksgebied kunnen de vindplaats een hoge informatiewaarde geven. Omdat deze bebouwing niet overbouwd lijkt te zijn is deze ensemblewaarde potentieel hoog. De

werkelijke waarde zal echter nog vastgesteld moeten worden. Daarom is de ensemblewaarde voorlopig als midden-hoog geclassificeerd. Op basis van de fysieke kwaliteit zijn de vindplaatsen niet behoudenswaardig. De inhoudelijke kwaliteit is bijna hoog genoeg om van een behoudenswaardige vindplaats te spreken. Hoewel zeker resten van een onderzoekenswaardige vindplaats zijn aangetroffen zijn deze resten te veel aangetast door latere verstoringen om tot behoud van de vindplaats over te gaan. Het advies aan het bevoegd gezag luidt dan ook de vindplaats vrij te geven voor verdere ontwikkelingen

6.2 BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN

algemeen 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? Tijdens het onderzoek werden sporen van bewoning uit de Nieuwe Tijd aangetroffen. De verwachte historische boerderij werd echter niet aangetroffen. De sporen lijken eerder tot een erf te behoren. 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? In het oosten van het onderzoeksgebied lijkt de bodem te zijn verstoord bij de bouw van het huidige gebouw. In het westen is de ondergrond beter bewaard, met name omdat dit deel van het terrein van nature lager zal zijn geweest. 3. Hoe sluit het onderzoek en de verkregen onderzoeksresultaten aan bij de resultaten van het vooronderzoek (inclusief de aanvullingen in dit PvE)? Het historische gebouw dat werd verwacht is niet aangetroffen, vermoedelijk is dit geheel vergraven.

Gaafheid en conservering van de vindplaatsen 4. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? Binnen het plangebied komen meerdere verstoringen voor. Ondiepere sporen lijken niet of slecht bewaard te zijn. Wel zijn in het westelijke deel enkele diepere sporen aangetroffen, waterkuil of –put S2.003 en onbekend spoor 1.009. Ook greppels 1.004 en 3.002 zijn bewaard. 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? Gezien alle verstoringen in het plangebied is de gaafheid als laag-midden te beschouwen. De conservering is gemiddeld, met name vanwege de aanwezigheid van enkele diepere sporen die naar verwachting wel een goede conservering hebben.

Perioden en sites 6. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? Een periodisering is aan de hand van het uitgevoerde onderzoek niet te maken.

7. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? De aangetroffen sporen maken deel uit van een groter complex dat zich buiten het onderzoeksgebied (heeft) voortzet. 8. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing De vindplaats bevindt zich op een diepte van 90-120 cm beneden maaiveld (8,50-8,70 +NAP) b. de geologische en/of bodemkundige eenheid Binnen het onderzoeksgebied is een meer dan 50 cm dik humeus dek aanwezig. Daarmee valt te spreken van een enkeerdgrond. c. de omvang (inclusief verticale dimensies) Een omvang van de vindplaats valt niet te geven. d. aard /complextype / functie Vermoedelijk is de vindplaats te koppelen aan de bewoning die op de oudste kadastrale kaart zichtbaar is. e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) De bewaarde sporen zijn greppels en een waterput of –kuil. Aan vondsten is steengoed en roodbakkend aardewerk aangetroffen. f. de vondst- en spoordichtheid Zowel de vondst- als de spoordichtheid is gering. g. de stratigrafie De vindplaats bevindt zich onder een (deels verstoord) humeus dek en is weer afgedekt door ophoogzand en bestrating. h.

de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie De vondsten dateren de vindplaats in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. 9. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc? Spoor 1.009 zou een ven kunnen zijn. 10.Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 3 aan te geven? Hiervoor zijn geen aanwijzingen aangetroffen. 11.Kunnen meerdere bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend? Hierover zijn op grond van het uitgevoerde onderzoek geen uitspraken te doen. 12.Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? De vindplaats is in de loop van de twintigste eeuw buiten gebruik geraakt.

Landschap en bodem 13.Wat is de fysieklandschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? De vindplaats bevindt zich op een dekzandrug met esdek. 14.Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden?

Het vermoedelijke ven S1.009 kan pollen bevatten evenals waterkuil of –put S2.002 15.Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan? Door het gebruik van het terrein vanaf 1979 is de bodem vergraven geraakt, maar ook in de periode tussen ca. 1950 en 1979 zijn verstoringen van de bodem ontstaan. Hierbij zijn ondiepere archeologische sporen verdwenen.

Met betrekking op de bewoning uit de Nieuwe Tijd 16. Is sprake van resten van de bewoning uit de Nieuwe tijd ter plaatse? Tijdens het onderzoek zijn geen resten van huizen uit de Nieuwe Tijd aangetroffen, wel greppels en een waterkuil of –put. 17. Hoe is de bewaringstoestand van deze resten? De resten zijn niet bijzonder goed bewaard, maar omdat het diepe sporen betreft is de aantasting van de sporen relatief gering. 18. Wat kan aan de hand van sporen en vondstmateriaal gezegd worden over de ouderdom van deze bewoning? Is er een voorganger in de Late Middeleeuwen? Het vondstmateriaal dateert deels uit de Late Middeleeuwen en deels uit de Nieuwe Tijd. Aan de hand van het uitgevoerde onderzoek zijn de aangetroffen sporen nog niet nauwkeurig dateerbaar. 19. Zijn de aangetroffen resten te relateren aan de historische informatie over de percelen (bijlage 4)? De resultaten van het proefsleuvenonderzoek zijn niet voldoende om de resten aan de historische informatie te relateren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=d42f33ef-f836-4deb-a7f5-37b88a476ce9