Toelichting en regels
Tekst van het document
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 62 van 172
Datum:4 april 2024
2. wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. Leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. In de afgelopen jaren is het bouwen van woningen achter gebleven bij de behoefte en dat heeft tot tekorten op de woningmarkt geleid. Bij de realisatie van nieuwe woningbouwplannen geeft de Gemeente Meierijstad prioriteit aan inbreidings- en transformatieplannen boven uitbreidingsplannen, waarbij kwaliteitsverbetering het uitgangspunt is. Kwantitatieve woningbehoefte in Meierijstad Door de demografische ontwikkelingen is er tot 2030 in Meierijstad nog een behoorlijke toename van de kwantitatieve woningbehoefte (jaarlijks ongeveer 1% toevoeging aan de bestaande woningvoorraad), daarna vlakt die behoefte aan extra woningen af.
Die demografische ontwikkeling heeft de volgende kenmerken: het aantal gezinnen en jongere huishoudens blijft nagenoeg gelijk; het aantal ouderen en het aantal alleenstaanden neemt behoorlijk toe; de bevolking van Meierijstad vergrijst (naar verwachting is in 2040 1 op de 4 huishoudens 75 jaar of ouder: een verdubbeling van het aantal oudere huishoudens ten opzicht van nu). Woningbehoefte en woningbouwprogrammering De Gemeente Meierijstad zet in op de hoge provinciale behoefteprognose. Dat betekent dat gestreefd wordt om van 2018 tot 2028 3.940 woningen aan de woningvoorraad toe te voegen. Van de 3.940 woningen is in Schijndel een behoefte naar 876 woningen. In de woonvisie heeft gemeente Meierijstad de woonbehoefte voor de komende 10 jaar uitgesplitst in categorieën:
25% sociale huur; 15% huur boven de huursubsidie grens 10% koop goedkoop 20% koop middelduur 20% koop duur) 10% variabel in te zetten.
In paragraaf 4.3.5 van de woonvisie staan actuele prijsstellingen per categorie opgenomen. Kwalitatieve woningbehoefte Meierijstad Het grootste aanbod van woningen zit in de bestaande woningvoorraad. Ondanks dat de meeste verhuizingen binnen de eigen gemeente plaatsvinden, woont toch niet iedereen passend en is er niet altijd die woning beschikbaar die men wenst. De demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. De woningbehoefte van eenpersoonshuishoudens en ouderen is over het algemeen een andere dan die van tweepersoonshuishoudens en gezinnen. Er is behoefte naar meer huurwoningen, kleinere en betaalbare woningen, meer gelijkvloerse woningen en meer nabij voorzieningen.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 63 van 172
Datum:4 april 2024
Met de toenemende vergrijzing en alleenstaanden, neemt ook de vraag naar sociale huurwoningen toe, Daarnaast is er voor de zeker voor de komende 10 jaar behoefte aan 700 vrije sector huurwoningen (540-670 appartementen en 50-70 grondgebonden woningen). Uit het woonwensenonderzoek blijkt dat specifiek voor Schijndel een tekort aan gestapelde huurwoningen (vooral een vraag vanuit starters) en aan goedkope, kleine huur- en koopwoningen is. De komende tijd ontstaat er een theoretisch overschot aan dure koopwoningen afhankelijk van de mate waarin 65-plussers die aangeven te willen verhuizen van hun dure koopwoning naar een huurwoning dit ook gaan doen; De gemeente geeft tevens aan meer ruimte te willen bieden aan nieuwe woonvormen voor ouderen die willen doorstromen. Daarbij wil de gemeente de doorstroming van ouderen naar meer geschikte woningen stimuleren. Analyse Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een woonlocatie met in totaal 241 woningen in het buitengebied van Schijndel, zoals omschreven in paragraaf 1.1. Het toevoegen van in totaal 241 woningen draagt bij aan de kwantitatieve behoefte naar 876 woningen in Schijndel. Hoewel bij het realiseren van nieuwe woningen de voorkeur bij inbreidings-en transformatielocaties in bestaand stedelijk gebied ligt, is dit bij voorliggend initiatief, gezien de aard en omvang, niet mogelijk.
Desondanks is het plangebied een geschikte locatie, aangezien voorliggend plangebied in de 'Ruimtelijke bouwsteen voor Schijndel' (paragraaf 4.3.2) is aangemerkt als 'Visie woninguitbreiding toekomst'. Het woningbouwprogramma in voorliggend plan betreft een gemixt programma met vrije kavels, twee-onder-een-kap- en half vrijstaande woningen, seniorenwoningen, rug-aan-rug-, tussen-, en hoekwoningen en rijwoningen. Het gemixt programma is voor het sociale, goedkope, middeldure en dure segment bestemd en is gebaseerd, waarvan minimaal 25% uit sociale huurwoningen bestaat. Dit programma is gebaseerd op verdeling die door de Meierijstad is opgesteld. Op basis van de bovengenoemde maatschappelijke opgaven en demografische verandering is in het woningbouwprogramma van voorliggend initiatief ingespeeld op de woningbehoefte van eenpersoonshuishoudens, starters en ouderen, huurwoningen, kleinere en betaalbare woningen, meer gelijkvloerse woningen, appartementen grondgebonden woningen en vrije kavels. Verder wordt gekeken naar de mogelijkheid voor een bijzondere doelgroep ter plaatse van de percelen M77 en M628 aan Plein. Het gemixte woningbouwprogramma leidt tot een inclusief woningaanbod dat geen afbreuk doet aan de uitgangspunten, ambities en doelstellingen, zoals opgenomen in de nieuwe Woonvisie Meierijstad 2018.
Het woningbouwprogramma van de Grote Braeck is in de navolgende tabel opgenomen. Dit is in lijn met de gemeentelijke woonvisie.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 64 van 172
Datum:4 april 2024
Programma Grote Braeck inclusief Plein 23 48 appartementen 19,9% sociale huur 12 rijwoningen 5,0%
25%
Woonvisie minimaal 25%
15 36
rijwoningen rug-aan rugwoningen
6,2 14,9%
goedkope koop 21%
minimaal 10%
20 25 16
rij-hoekwoningen rug-aan rugwoningen hoekwoningen
8,3% 10,4% 6,6%
middeldure koop 25%
minimaal 20%
2 13 39 15
hoekwoningen seniorenwoningen tweekappers vrije kavels
0,8% 5,4% 16,1% 6,1%
dure koop
minimaal 20%
29%
15%
10% 241
Totaal
huur > subsidie. grens variabel
100%
In het stedenbouwkundig plan wordt voldaan aan de minimale percentages per doelgroep en woningtypen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Woonvisie Meierijstad 2018. 4.3.5 Actieplan woningbouw – Woningbouwoffensief Meierijstad In 2021 heeft de gemeenteraad het 'Actieplan woningbouw - Woningoffensief Meierijstad' vastgesteld. Dit actieplan woningbouw 2021 geeft aan hoe om te gaan met de hogere woningbouwprognoses die door de provincie voor de gemeente zijn afgegeven en hoe deze prognoses gecombineerd kunnen worden met het versnellen van de woningbouwproductie. Dit plan is geen nieuwe woonvisie. Die is in 2018 al geformuleerd. Wel wordt hier beschreven welke uitgangspunten uit de woonvisie 2018 aanpassing behoeven om zo de doelen uit dit actieplan te realiseren. Dit plan heeft als voornaamste doel om het aantal woningen dat jaarlijks gebouwd wordt te vergroten. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet die nodig is om de woningmarkt in Meierijstad beter te laten functioneren. Er wordt daarbij gefocust op de acties en maatregelen die hiervoor nodig zijn. Separaat aan dit actieplan worden aanvullende punten opgepakt waarbij een volgende stap gezet kan worden in het verbeteren van de woningmarkt. Denk daarbij aan de betaalbaarheid en de typologieën en de kwalitatieve verdeling van woningen.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 65 van 172
Datum:4 april 2024
Woningbouw is onderdeel van integraal ontwikkelbeleid. In een toekomstvisie of Omgevingsvisie wordt dit integraal ontwikkelbeleid vorm gegeven. In de gebiedsontwikkelingen van de gemeente, waar de woningbouw een plek moet krijgen, is de integrale afweging verder getoetst en uitgewerkt. Om deze versnellingsdoelstelling mogelijk te maken, wordt in dit actieplan de focus gelegd op nieuwbouw door middel van uitbreidingslocaties (instrument 1). Daarnaast wordt gekeken naar sturingsmogelijkheden bij nieuwbouw door huidige knelpunten in het traject van bouwaanvragen weg te nemen (instrument 2). Nieuwbouw De nieuwbouw voor binnenstedelijke permanente woningen betreft voornamelijk de harde en zachte plannen in de bestaande bouwplannen. De actie is hier vooral gericht op continue doorbouwen en doorstroming houden in de plannen. De gemeente wil daarbij het huidige gemiddelde van zo’n 400 woningen per jaar handhaven voor de komende jaren en bevorderen dat dit aantal in elk geval wordt gehaald. Bouwtempo De verwachte bouwplannen variëren niet alleen in hardheid, maar ook in de fasering van de plannen en in het mogelijke bouwtempo.
In de staaf 'bouwtempo' heeft de gemeente het programma uit de programma-staaf onderverdeeld in de categorieën gerealiseerd 2020 (420), kleinere, reguliere plannen die nu ook voornamelijk ontwikkeld worden en die met name inbreiding zijn (2.983) én de bouwplannen waarvan verwacht wordt dat die een extra impuls kunnen geven aan de versnellingsopgave (2.185). Deze laatste groep betreft bouwplannen van meer dan 20 woningen in bestaande uitlegplannen die ingezet kunnen worden voor de versnellingsopgave. De plannen spelen in verschillende kernen met als zwaartepunt Veghel (Veghels Buiten NO), Schijndel en Erp. De gemeente verwacht dat de kleinere, reguliere plannen in een zelfde bouwtempo als nu zullen worden voortgezet. Daarmee moet het huidige gemiddelde van zo’n 400 nieuwe woningen per jaar gerealiseerd kunnen worden. Daar blijft de gemeente op sturen en dat betekent ook dat de gemeente, nog nadrukkelijker dan voorheen, bouwplannen die maar niet tot definitief plan en/of ontwikkeling willen komen actiever gaat benaderen. Versnellingsacties De bestaande uitbreidingsplannen worden nog aangevuld met extra versnellingsacties. In deze versnellingsacties wordt voor 1.645 woningen gezocht naar bouwmogelijkheden, waarbij een realisatie binnen 10 jaar nagestreefd wordt. Deze woningen zullen grotendeels in de kernen Schijndel en Sint-Oedenrode worden gepland.
Met deze 1.645 woningen uit de extra versnellingsacties, bovenop de 2.185 woningen uit de bestaande uitbreidingslocaties, wordt gestreefd naar een duurzaam gelijkmatig hoger bouwtempo van minimaal 600 woningen per jaar voor de minimaal komende acht tot tien jaar. Analyse Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een woonlocatie met in totaal 241 woningen in het buitengebied van Schijndel, zoals omschreven in paragraaf 1.1.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 66 van 172
Datum:4 april 2024
Het toevoegen van 241 woningen draagt bij aan de kwantitatieve behoefte naar minimaal 600 woningen per jaar in de gemeente Meierijstad. Door het realiseren van de woonwijk de Grote Braeck wordt een extra impuls kunnen geven aan de versnellingsopgave (2.185). Op deze manier wordt bijgedragen aan de 5.750 woningen waar volgens de prognose in 2040 behoefte aan is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het Actieplan woningbouw - Woningoffensief Meierijstad. 4.3.6 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad Op 12 februari 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad de Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om per deelgebied in bestemmingsplannen te eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen. Dit kan voor de categorieën sociale huur, middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. De Verordening doelgroepen woningbouw vormt daarmee de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in bestemmingsplannen. De Verordening doelgroepen woningbouw heeft alleen betrekking op (ver)nieuwbouw. Sinds 1 juli 2017 kan de gemeente ook sturen op toevoeging van de categorie middeldure huurwoningen.
Deze mogelijkheid, de woningbouwplannen en de volkshuisvestelijke doelen van de gemeente Meierijstad zoals ook vastgelegd in de Woonvisie Meierijstad 2018, het addendum op de woonvisie 2021 en het actieplan woningbouwversnelling 2021, vormen de uitgangspunten voor deze Doelgroepenverordening. Om de Doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende bestemmingsplan of in de ruimtelijke onderbouwing (bij omgevingsvergunningen) vastgelegd worden. Alleen dan kan de Doelgroepenverordening worden toegepast. In deze verordening zijn de categorieën sociale huurwoning, middeldure huurwoning, sociale koopwoning en sociale middeldure koopwoning opgenomen. De maximale aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen wordt hiermee vastgelegd evenals de maximale verkoopgrens van sociale koopwoningen en sociale middeldure koopwoningen. Deze grens moet de gemeente bepalen. De Verordening doelgroepen woningbouw regelt tevens voor welke doelgroep de te bouwen sociale huurwoningen en sociale koopwoningen bedoeld zijn. De doelgroep wordt bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. De verordening regelt ook dat de sociale, middeldure huur-, sociale koop en sociale middeldure koopwoningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moeten blijven. Hiervoor zijn de minimale instandhoudingstermijnen opgenomen.
Huur-en koopprijsgrenzen Bij het bepalen van de maximale huurprijs voor een sociale huurwoning en de minimale huurprijs voor een middeldure huurwoning is aansluiting gezocht bij de bestaande huurtoeslaggrens, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag. Die grens bedraagt op 1 januari 2022 € 763,00. Daarmee sluit de grens aan bij de bedragen zoals genoemd in artikel 1.1.1, eerste lid onder d en j van het Besluit ruimtelijke ordening. De bovengrens voor een middeldure huurwoning is op 1 januari 2022 bepaald op € 1.050,00. De huurprijzen worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd. De indexeringsgrondslag van de bovengrens van de sociale koopwoning is een gemeentelijke beleidskeuze.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 67 van 172
Datum:4 april 2024
Op basis van prijsontwikkelingen in de markt en de daaraan gekoppelde diverse indexeringen, stelt het college ieder jaar nieuwe VON-prijsgrenzen voor de diverse woning(bouw)segmenten voor. De prijsgrenzen die op 1 januari 2022 voor koopwoningen zijn vastgesteld bedragen: Goedkope koop: max € 244.000,00 Middeldure koop: €244.001,00 - €355.000,00 Dure koop: vanaf € 355.001,00 Doelgroepen Tot de belangrijkste doelgroep voor sociale huurwoningen behoren huishoudens met een inkomen tot maximaal de DAEB-norm (tot € 40.765,- prijspeil 1-1-2022). De koopprijsgrens sociale koop is in Meierijstad in 2022 maximaal € 244.000. Hiervoor is een bruto jaarinkomen van circa € 50.000,- nodig. De gemeente Meierijstad kiest ervoor om het DAEB inkomen te vermenigvuldigen met 1,5 om te verwijzen naar een wettelijke norm. Op deze manier resulteren prijswijzigingen niet telkens in het aanpassen van de verordening. Voor 2022 betekent 1,5 x DAEB norm een maximaal bruto jaarinkomen van € 61.247,50. Hiermee is het bruto jaarinkomen iets verruimd. Instandhoudingstermijn De verhuurder moet de woning gedurende een minimale instandhoudingstermijn beschikbaar houden. Op basis van beschikbare prognoses uit woonbehoefte-onderzoeken is de minimale instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen bepaald op 25 jaar na de eerste ingebruikname.
De minimale instandhoudingstermijn voor middeldure huurwoningen is bepaald op 15 jaar na de eerste ingebruikname omdat verwacht wordt dat de behoefte aan middeldure huurwoningen wél zal afnemen op de middellange termijn. De maximale instandhoudingstermijn voor sociale koopwoningen en sociale middeldure koopwoningen is bepaald op 10 jaar na de eerste ingebruikname omdat naar verwachting de beschikbaarheid van deze woningcategorie ook in de komende 10 jaar nog onder druk staat. Er wordt verwacht dat de woningbouw-versnellingsopgave omstreeks 2035 is voltooid. Wanneer de balans op de woningmarkt verbeterd is, zal er meer behoefte zijn aan flexibiliteit op de woningmarkt. De huurprijzen van sociale en middeldure huurwoningen en de verkoopprijzen van de sociale koopwoningen en de sociale middeldure koopwoningen zullen in die periode niet hoger mogen zijn dan de bovengrens die is vastgelegd in de Verordening doelgroepen woningbouw. De instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen geldt niet voor woningcorporaties (toegelaten instellingen). De verkoopregels van sociale huurwoningen voor toegelaten instellingen zijn wettelijk al geregeld. Toegelaten instellingen zijn op dit gebied dus al gebonden aan landelijke regelgeving.
Om te bewaken dat verhuurders en verkopers zich houden aan de Doelgroepenverordening en de in dit bestemmingsplan verankerde verdeling naar sociale- en middenhuurwoningen en sociale en sociale middeldure koopwoningen en de bijbehorende huurprijzen en verkoopprijzen dienen de verhuurders jaarlijks aan het college te rapporteren en de verkopers bij verkoop.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 68 van 172
Datum:4 april 2024
Analyse Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een woonlocatie met in totaal 241 woningen in het buitengebied van Schijndel, zoals omschreven in paragraaf 1.1. Het woningbouwprogramma in voorliggend plan betreft een gemixt programma met vrije kavels, twee-onder-een-kap- en half vrijstaande woningen, seniorenwoningen, rug-aan-rug-, tussen-, en hoekwoningen en rijwoningen. Het gemixt programma is voor het sociale, goedkope, middeldure en dure segment bestemd en is gebaseerd, waarvan minimaal 25% uit sociale huurwoningen bestaat. Dit programma is gebaseerd op de woonvisie (paragraaf 4.3.4) die door de Meierijstad is vastgesteld. Met de ontwikkelende partijen is tevens overeengekomen dat zij zich conformeren aan de Verordening doelgroepen woningbouw en de maximale huur- of koopprijzen in acht nemen. De woningbouw verdeling uit de woonvisie en de maximale huur-/koopprijzen zijn vastgelegd in de regels bij dit bestemmingsplan. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling zal in lijn met Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad worden ontwikkeld. 4.3.7 Groenbeleidsplan In maart 2012 heeft de Gemeenteraad van de voormalige gemeente Schijndel, nu Meierijstad, het Groenbeleidsplan Schijndel vastgesteld. Met dit beleidsplan wil de gemeente de visie op het groen herzien en moderniseren. De visie op het groen van de gemeente Schijndel bestaat uit vier hoofdpijlers: 1.
duurzaamheid; 2. met minimale inzet een maximaal resultaat bereiken; 3. burgers en landschap; 4. identiteit en oriëntatie. Het Groenbeleidsplan Schijndel dient als basis voor ontwerpen, aanleggen en beheren van de openbare ruimte. Op de bij het Groenbeleidsplan Schijndel behorende kaarten wordt onderscheid gemaakt tussen: hoofdgroenstructuur; wijkgroenstructuur; woongroenstructuur/overige elementen. Voor deze categorieën geldt ingevolge de Bomenverordening Schijndel (zie hierna) het volgende ontheffingen c.q. vergunningenstelsel: bomen binnen de op de kaart aangegeven lijnstructuren in de groene hoofdstructuur mogen slechts met een ontheffing worden geveld dan wel verwijderd; bomen of houtopstanden in gemeentelijk eigendom binnen de wijkgroenstructuur en de hoofdgroenstructuur (tenzij dit beschermde bomen zijn, zie hierna) met een omtrek groter dan 10 centimeter mogen met een vergunning worden geveld dan wel verwijderd; voor groen in parken en op pleinen, groene wiggen, entrees sportvelden en begraafplaatsen in gemeentelijk eigendom geldt dezelfde vergunningvereiste; voor groen in de woongroenstructuur (en overige elementen) of bomen en houtopstanden in particulier eigendom geldt een vergunningplicht bij een omtrek groter dan 30 centimeter tenzij het
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 69 van 172
Datum:4 april 2024
beschermde bomen betreffen. Naast het Groenbeleidsplan kende de voormalige gemeente Schijndel ook de Bomenverordening (vastgesteld januari 2012). Met deze verordening wilde de gemeente de administratieve lasten van het oude kapvergunningenstelsel verminderen en zich effectiever richten op de bescherming van de waardevolle bomen in Schijndel. De bomen op deze lijst staan zowel op publiek als privaat terrein en mogen alleen bij hoge uitzondering (en dus alleen met ontheffing) gekapt worden. Voor de overige houtopstanden geldt een vergunningenstelsel zoals hierboven genoemd. Analyse Met voorliggend plan blijft de groene hoofdstructuur, ter hoogte van de Teeuwishoek die door het plangebied loopt, behouden. Voorliggend plan leidt niet tot een belemmering voor de hoofdbomenstructuur ter plaatse. Er staan binnen het plangebied geen bomen die op de Lijst Beschermde Bomen staan. Met de realisatie van voorliggende ontwikkeling blijft de bestaande structuur en het historische karakter van deze plek gehandhaafd. De nieuwbouw wordt zo opgericht dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het historische karakter. Door de Teeuwishoek te behouden, het openbaar groen langs deze weg en de bomen die worden geplaatst langs de van oudsher bekende onverharde weg, wordt de bestaande structuur versterkt.
Op deze manier wordt geen afbreuk gedaan aan de doelstellingen en uitgangspunten van het Groenbeleidsplan. Met het toevoegen van nieuwe groenstructuren wordt het groene casco in dit deel van Schijndel extra versterkt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het Groenbeleidsplan.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 70 van 172
Datum:4 april 2024
4.3.8 Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeren 2018 Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. Het Paraplubestemmingsplan Parkeren is op 31 januari 2019 vastgesteld, waarmee aan Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 getoetst dient te worden. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid. Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. Hoofddoel van het opstellen en hanteren van parkeernormen is het voorkomen van een te hoge parkeerdruk in de openbare ruimte door nieuwe ontwikkelingen. Als uitgangspunt geldt dat nieuwe ontwikkelingen meer parkeerdruk zullen genereren.
De normen uit de Nota Parkeren 2018 zijn dan ook van toepassing op nieuwe ontwikkelingen, zoals: nieuwbouw; splitsing van een woning in meerdere woningen c.q. wooneenheden; gehele en gedeeltelijke verbouwing van een pand met een bestemmingswijziging of -afwijking waarbij het nieuwe gebruik/de nieuwe functie een meer verkeersaantrekkend karakter heeft; vergroting van een pand, waarbij de vergroting zal leiden tot een verhoogde vraag naar parkeercapaciteit. Analyse Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een woonlocatie met in totaal 241 woningen in het buitengebied van Schijndel, zoals omschreven in paragraaf 1.1. Met voorliggend plan wordt nieuwbouw gerealiseerd. In paragraaf 3.2.2 is het plan getoetst aan de gestelde parkeernormen. Hieruit blijkt dat het plan geen afbreuk doet aan de maatregelen en doelstellingen die de gemeente voor ogen heeft en dat het aantal benodigde parkeerplaatsen, ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het plangebied gerealiseerd kan worden. Hiermee wordt voldaan aan het aspect parkeren. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeren 2018.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 71 van 172
Datum:4 april 2024
4.3.9 Welstandsnota Meierijstad 2018 De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De Welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor iedereen in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota's van Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid. De verschillen in de nota's zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven wel een welstandsbeoordeling van toepassing. In de Welstandsnota Meierijstad 2018 wordt de gebiedsgerichte welstandsbeoordeling beperkt tot de gebieden met een beeldkwaliteitsplan. In de overige gebieden blijft de welstandsbeoordeling beperkt tot de ‘objectbeoordeling’ (onder andere monumenten) of ‘themabeoordeling’(reclames). De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3. beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden.
Er is geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria. De initiatiefnemers krijgen nu dus meer vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen. Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden. Vergunningsvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan. Analyse Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een woonlocatie met in totaal 241 woningen in het buitengebied van Schijndel, zoals omschreven in paragraaf 1.1. In samenspraak met de gemeente is een BKP opgesteld. Het BKP is als bijlage 2 bijgevoegd. Dit BKP zal als onderdeel van de Welstandsnota worden vastgesteld. Bij het ontwerpen van de woonwijk wordt rekening gehouden met de daarin gestelde randvoorwaarden.
De bouwplannen zullen worden voorgelegd aan de Welstandscommissie die de plannen zal toetsen aan het Beeldkwaliteitsplan/Welstandsnota. De bebouwing aan Plein 21 is aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol gebouw. De langgevelboerderij is reeds opgesplitst naar twee bedrijfswoningen. Door de twee bedrijfswoningen om te vormen naar twee reguliere woningen, blijft de hoofdvorm en hiermee
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 72 van 172
Datum:4 april 2024
de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing behouden. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling de land(schapp)elijke, stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse gewaarborgd. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Welstandsnota Meierijstad 2018.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 73 van 172
Datum:4 april 2024
Hoofdstuk 5
Uitvoeringsaspecten
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. milieu; 2. waarden; 3. waterhuishouding. Ten behoeve van de uitvoeringsaspecten zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. In de uitgevoerde onderzoeken is uitgegaan van de realisatie van 250 woningen, aangezien ten tijden van de uitvoering van de onderzoeken het exacte woningaantal nog niet bekend was. De 250 woningen betreffen daarom een worst-case aantal. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 241 woningen mogelijk gemaakt. Hiermee wordt het worst-case aantal woningen niet overschreden.
5.1 Milieu Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven. 5.1.1
Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Bodemonderzoek(en) agrarische gronden tussen de straten Plein, Langstraat en Venushoek
5.1.1.1.1 Inleiding Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
5.1.1.1.2 Analyse Bodemonderzoek(en) agrarische gronden tussen de straten Plein, Langstraat en Venushoek Verkennend bodemonderzoek Grote Braak Om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken ter plaatse van de agrarische gronden tussen de straten Plein, Langstraat en Venushoek heeft Aeres Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport Verkennend bodemonderzoek Grote Braak (21 juli 2022; AM21507A ). In deze rapportage zijn ook de conclusies van de reeds eerder uitgevoerde bodemonderzoeken en de second opinion opgenomen. De rapportage is als bijlage 6 bijgevoegd.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 74 van 172
Datum:4 april 2024
Naast het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek zijn de reeds eerder uitgevoerde onderzoeken ter plaatse van de agrarische gronden tussen de straten Plein, Langstraat en Venushoek in het Verkennend bodemonderzoek Grote Braak verwerkt: Second opinion bodemonderzoek van Sweco Nederland B.V, rapport: 'Second opinion bodemonderzoek Teeuwishoek en Plein 21 te Schijndel' (15 januari 2021, SWNL0271283.docm). Dit second opinion bodemonderzoek vat de resultaten en bevindingen van: a. een door Van Oort Bodemonderzoek BV uitgevoerd verkennend bodem- en asbestonderzoek: rapport: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Plein 21 te Schijndel (4 december 2020; PLN.315920) voor een deel van het plangebied, ter plaatse van de percelen M74 (gedeeltelijk), M550, M55, behorende bij Plein 21. b. een door Van Oort Bodemonderzoek BV uitgevoerd verkennend bodem- en asbestonderzoek: rapport Verkennend bodemonderzoek Teeuwishoek (ong) te Schijndel (1 december 2020; THK.316120) voor een deel van het plangebied ter hoogte van Teeuwishoek (percelen M81 en M591). een verkennend bodemonderzoek "VBO Plein 21 Milon 98684 d.d. 20-02-1998" dat in februari 1998 door Milon is uitgevoerd ter plaatse van Plein 21 te Schijndel.
Op basis van het Verkennend bodemonderzoek Grote Braak concludeert Aeres Milieu dat: tijdens de veldinspectie op de locatie geen waarnemingen zijn gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging; in het opgeboorde bodemmateriaal zintuiglijk plaatselijk in de bovengrond (nabij de woning en delen van de Teeuwishoek) baksteenresten zijn waargenomen. Ter plaatse van boorpunt A30 ter plaatse van de Teeuwishoek is tevens een bijmenging van asfaltbrokken aangetroffen. Ter plaatse van het akkerland zijn geen bijzonderheden waargenomen; ter plaatse van locatie A grondmengmonster MMA1 matig verhoogd is met PAK; na uitsplitsing van dit grondmengmonster het grondmonster A30-1 sterk verhoogd is met PAK. In de overige onderzochte deelmonsters zijn geen van de onderzochte componenten in een gehalte verhoogd ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarden gemeten.
De aangetoonde verhoogde gehalten zijn waarschijnlijk te relateren aan de aangetroffen zintuiglijke bijmenging met asfaltbrokken in de bovengrond; ter plaatse van locatie C het grondmengmonster MMC1 licht verhoogd is met PAK, PCB en minerale olie; in de overige boven- of ondergrondmengmonsters ter plaatse van deellocaties A, B en C geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden zijn gemeten; het grondwater afkomstig uit nagenoeg alle peilbuizen licht verhoogd is met enkele zware metalen; ten aanzien van PFAS voor de gehele onderzoekslocatie in de onderzochte grondmengmonsters van de verdachte bovengrond geen verhogingen aangetroffen zijn voor de onderzochte componenten tegenover de tijdelijke achtergrondwaarden. De bodem is derhalve als onverdacht op het voorkomen van PFAS in de bodem te beschouwen; ter plaatse van boorpunt A30 de interventiewaarde voor het gehalte aan PAK in de bovengrond overschreden wordt. Middels een nader bodemonderzoek kan vastgesteld worden of sprake is van een puntverhoging of geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit vormt mogelijk een belemmering voor een toekomstige planontwikkeling. Vooralsnog is bij behoud zonder fysieke werkzaamheden ter plaatse geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
Indien ter plaatse of nabij boring A30 grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden, dient voorafgaand een nader bodemonderzoek plaats te vinden. Een definitief besluit over de eventuele onderzoeks- en/of saneringsnoodzaak wordt genomen door het
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 75 van 172
Datum:4 april 2024
bevoegd gezag (gemeente/ODBN); ter plaatse van het grasland van deellocatie A en deellocaties B en C geen aanvullend of nader bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht en vormt de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling tot wonen; plaatselijk binnen de gehele ontwikkelingslocatie de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem vooralsnog niet uitgesloten kan worden (verdacht). Noordoost- en zuidwestelijk ter plaatse van de Teeuwishoek is bij het veldwerk een baksteenbijmenging aangetroffen in de bovengrond. Verder zijn ter plaatse van deellocatie C (woonhuis) en het agrarisch bedrijf met diverse asbestverdachte dakbedekkingen ook resten baksteen in de bovengrond aangetroffen. Deze bijmengingen zijn een indicator voor een eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem. Om een eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem te onderzoeken, dient minimaal ter plaatse van deze verdachte deellocaties een asbest in bodem onderzoek conform de NEN 5707 plaats te vinden.
Ter plaatse van boorpunt A30 blijft het gebruik onveranderd, waardoor geen direct vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Ter plaatse van het woonhuis aan Plein 21 (deellocatie C) en de daarbij behorende agrarische bedrijfsbebouwing (locatie Plein 21) wordt een asbest in bodem onderzoek conform de NEN 5707 en een onderzoek asbest in puin conform NEN 5897 uitgevoerd. Deze onderzoeken dienen bij het verlenen van de omgevingsvergunning uitgevoerd te zijn. Hiermee wordt bepaald of ter plaatse van Plein 21 de milieuhygiënische conditie van de bodem al dan een niet belemmering voor het plan vormt. Aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek Naar aanleiding van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek Grote Braak is ter plaatse van Plein 21 te Schijndel een aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd: rapport 'Aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek Plein 21 te Schijndel (11 oktober 2022; AM21507A-3 ). Het onderzoek is als bijlage 7 opgenomen. Uit het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat de onderzochte druipzone oostelijk van stal 3 licht verhoogd is met PCB. Inpandig en onder de voerkuiIen zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de geldende achtergrondwaarden gemeten. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling met woningbouw. Verkennend waterbodemonderzoek Grote Braak, Schijndel Naar aanleiding van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek Grote Braak is een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd: rapport 'Verkennend waterbodemonderzoek Grote Braak, Schijndel (13 oktober 2022; AM21507A-3). Het onderzoek is als bijlage 8 opgenomen. Uit het verkennend waterbodemonderzoek blijkt dat tijdens de veldinspectie van de deellocaties zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 76 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.1.1.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit ter plaatse van de agrarische gronden tussen de straten Plein, Langstraat en Venushoek vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.1.2 Bodemonderzoeken percelen M77 en M628 aan Plein. Om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken ter plaatse van de percelen M77 en M628 aan Plein heeft Milieu Advies & Onderzoeksbureau Boluwa ter plaatse van Plein 23 een verkennend bodemonderzoek en een verkennend bodemonderzoek asbest uitgevoerd: rapport Verkennend bodemonderzoek NEN 5740/ Verkennend bodemonderzoek asbest NEN 5707 Plein 23 Schijndel (21 januari 2022; 21297). De rapportage is als bijlage 9 bijgevoegd. Daarnaast heeft Milieu Advies & Onderzoeksbureau Boluwa ter plaatse van Plein ongenummerd een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Plein (ongenummerd) Schijndel (29 september 2022; 21237). De rapportage is als bijlage 10 bijgevoegd. Op basis van het verkennend bodemonderzoek en een verkennend bodemonderzoek asbest ter plaatse van plein 23 concludeert Milieu Advies & Onderzoeksbureau Boluwa dat op basis van de onderzoeksresultaten de hypothese dat er wordt uitgegaan van een onverdachte locatie wordt verworpen. De resultaten geven echter geen aanleiding tot nader onderzoek.
Op basis van het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van Plein ongenummerd concludeert Milieu Advies & Onderzoeksbureau Boluwa dat op basis van de onderzoeksresultaten de hypothese dat er wordt uitgegaan van een onverdachte locatie wordt aangenomen voor de bovengrond van MM1 en de ondergrond van MM3 en MM4. De hypothese onverdacht voor de bovengrond van MM2 en het grondwater wordt verworpen. Volgens het toetsingskader uit de circulaire bodemsanering 2013, gedateerd van 1 juli 2013, hoeft op de locatie echter geen nader onderzoek plaats te vinden, aangezien geen van de onderzochte gehalten zich boven het gemiddelde van 1/2{S+I} bevindt. 5.1.1.2.1 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit ter plaatse van de percelen M77 en M628 aan Plein vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.2
Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of: de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen; bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 77 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.2.2 Analyse Omgevingstype Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een rustige woonwijk. In de omgeving is slechts van beperkte functiemenging sprake en is weinig verstorend verkeer. Invloed plan op de omgeving Het plan betreft woningbouw. Er is daarom geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Invloed omliggende inrichtingen op plan Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de bijbehorende SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied. bedrijf Langstraat 1: winkel/verkoopruimte, kantoor en opslag/magazijn Langstraat 4a: Lotus Centre (sportschool) * Langstraat 14a: Kinderdagverblijf de Vlieger b.v. Vivaldistraat 33: Vervoort Boeken (boekenwinkel) Vivaldistraat 22: Carla Oosterholt (kapper) Vivaldistraat 24 Roos & Pistorius B.V. (financieel management) Venushoek 26: Bed & Breakfast 'de Venushoek'
SBI-code categorie richtafstand 47 2 30 m
werkelijk e afstand 30 m
931
2
50 m
20 m
8831
2
30 m
40 m
47
1
10 m
50 m
9602
1
10 m
60 m
66
1
10 m
60 m
55.102
1
10 m
250 m
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de ontwikkeling, uitgezonderd de Langstraat 4a, niet binnen de richtafstand van de bovenstaande bedrijven is gelegen en de bedrijven vormen dus geen belemmering voor deze ontwikkeling. Hierna is de gemotiveerd waarom de realisatie van nieuwe woningen toch geen belemmering voor de sportschool vormt. * Onderbouwing Langstraat 4a: Lotus Centre (sportschool): De maximaal planologische situatie staat een sporthal toe met een categorie 3.1 (50 m). Echter de realisatie van een sporthal in deze categorie is op dit perceel niet mogelijk en niet gewenst. Bij het vergunnen van de activiteiten van de huidige functie dient destijds ook de woonfunctie van de belendende percelen te zijn bezien. Door de ligging tussen de twee woonpercelen wordt het bedrijf reeds door deze woningen belemmerd in mogelijke uitbreiding naar een hogere categorie bedrijf. Wanneer op de naastliggende percelen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, kan dit ook op de percelen aan de overzijde van de weg. Wanneer gekeken wordt naar de feitelijke situatie gaat het om een sportschool met categorie 2 en heeft deze een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk. De afstand van de perceelsgrens van de sportschool tot aan het dichtstbijzijnde bouwvlak in het plan bedraagt ca.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 78 van 172
Datum:4 april 2024
20 meter. Direct aan de weg is het parkeerterrein van de sportschool gelegen. De geluidbelasting inzake het verkeer van en naar de sportschool is reeds meegenomen in het akoestisch onderzoek (zit in de tellingen). De mogelijke hinder van de functie zou dan van de sportschool zelf afkomstig zijn. De afstand van het bouwvlak van de sportschool tot aan het dichtstbijzijnde bouwvlak in het plan bedraagt ca. 50 meter. Hiermee ligt de gevoelige bestemming binnen het plan ver buiten de richtlijn voor een categorie 2 bedrijf en is er geen hinder te verwachten. Bedrijventerrein Rooiseheide: Daarnaast bevindt zich op circa 80 meter van het plangebied het bedrijventerrein Rooiseheide. Bedrijventerrein Rooiseheide is als 'bedrijventerrein - 2' bestemd. Voor de functie bedrijven geldt de volgende nadere detaillering: 1. uitsluitend zijn bedrijven tot en met categorie 3.1 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan; 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'bedrijven tot en met categorie 3.2' ook bedrijven uit categorie 3.2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan; 3.
in afwijking van het bepaalde onder 1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' bedrijven tot en met categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan; 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein-bierbrouwerij' is ook de bestaande ambachtelijke bierbrouwerij toegestaan; 5. een verkooppunt voor motorbrandstoffen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; 6. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' is uitsluitend de verkoop van motorbrandstoffen met uitzondering van lpg toegestaan; Het meest nabijgelegen bedrijfskavel heeft een maximale milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt op circa 80 meter van het bedrijventerrein. Op circa 105 meter afstand van het plangebied is een bedrijf in milieucategorie 3.2 toegestaan. Aangezien de richtafstand van een dergelijk bedrijf 100 meter bedraagt, zorgt ook dit kavel niet voor een belemmering voor de ontwikkeling. De nieuwe woonwijk Grote Braeck ligt buiten de richtafstanden van zowel het bedrijventerrein als de omliggende bedrijven. Hiermee vormt het plan geen belemmering voor de omliggende bedrijven en andersom zorgen de omliggende bedrijven niet tot belemmering van de beoogde ontwikkeling.
5.1.2.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 79 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.3
Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. Aangezien het plan nieuwe kwetsbare objecten bevat en het aantal personen dat binnen het plangebied verblijft toeneemt, is het noodzakelijk nader in te gaan op het aspect externe veiligheid.
5.1.3.2 Beoordelingskader Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening. Kernbegrippen In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer).
Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 80 van 172
Datum:4 april 2024
verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Transportroutes (Bevt)
Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
5.1.3.3 Analyse Om de externe veiligheidsrisico's voor de ontwikkeling als gevolg van activiteiten in de directe omgeving te inventariseren heeft bureau Kragten een quickscan externe veiligheid uitgevoerd: rapport 'Quickscan Externe Veiligheid Woonlocatie Grote Braak-Schijndel' (19 juli 2022; RVR001). Het rapport is als bijlage 11 bijgevoegd. Bureau Kragten concludeert dat het plangebied niet is gelegen binnen een invloedsgebied van een transportroute over water en spoor voor gevaarlijke stoffen of van een risicovolle inrichting. Tevens is het plangebied niet gelegen binnen een 1% letaliteitsafstand van een buisleiding waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van een lokale transportroute over de weg. Daarom dient op basis van art. 7 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt), een beperkte verantwoording van het groepsrisico afgelegd te worden opgesteld voor het scenario BLEVE.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 81 van 172
Datum:4 april 2024
De enige relevante risicobron is de provinciale weg (Europaweg) waarover in beperkte mate gevaarlijke stoffen, waaronder LPG, wordt vervoerd. Omdat deze risicobron op meer dan 200 meter van het plangebied ligt is een groepsrisicoberekening niet nodig. Wel moet rekening worden gehouden met de zelfredzaamheid van personen in het plangebied en bestrijdbaarheid van het incident. Het relevante incidentscenario in relatie tot het plangebied is een zogenaamde BLEVE. Een BLEVE kan ontstaan doordat een tankwagen gevuld met een brandbaar gas (zoals LPG) wordt verhit door een externe brand waardoor de druk in de tank oploopt of na een mechanisch impact op de tank (bijvoorbeeld een botsing met een ander voertuig) waardoor de tankwand verzwakt en deze bezwijkt waarna het gas explosief verbrand. De effecten van een BLEVE zijn een vuurbal, kortdurende hoge hittestraling, een drukgolf en rondvliegende tankdelen. Het effectgebied voor dodelijke slachtoffers of ernstige verwonde slachtoffers ligt op circa 245 meter. Het plangebied bevindt zich buiten deze afstand. Op 21 december 2021 is de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid gesteld om te adviseren over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid, conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport. Dit advies van de veiligheidsregio is verwerkt in deze beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Het advies van de Veiligheidsregio (ref. 2022-000036) is als bijlage 12 toegevoegd. Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio concludeert onder meer dat er in het plangebied geen letaliteit (overlijden) of ernstig letsel te verwachten is als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen op de weg. De kans op het plaats vinden van dit type incident is overigens als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het transport van gevaarlijke stoffen en de zeer beperkte vervoerfrequentie over Europalaan erg klein. De Veiligheidsregio concludeert verder dat uit de beschrijving van het scenario blijkt dat het inrichten van een woongebied op de gewenste locatie niet tot zodanige effecten leidt waarbij de toekomstige bewoners en de hulpdiensten zich op moeten voorbereiden. Er bestaat vanuit hulpverleningsoogpunt geen belemmering tegen deze ontwikkeling en hiermee is ook geen aanleiding voor het geven van een aanvullend advies. De conclusie voor dit plangebied is dat aanvullende veiligheidsmaatregelen niet nodig zijn en het groepsrisico verantwoord kan worden. Uit de beschrijving van het scenario blijkt dat het inrichten van een woongebied op de gewenste locatie niet tot zodanige effecten leidt waarbij de toekomstige bewoners en de hulpdiensten zich op moeten voorbereiden.
Er bestaat vanuit hulpverleningsoogpunt geen belemmeringen tegen deze ontwikkeling en hiermee ook geen aanleiding voor het geven van een aanvullend advies. 5.1.3.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 82 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.4
Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan. 5.1.4.2 Analyse In het plan worden geen nieuwe geurveroorzakende activiteiten gepland. Vanuit het aspect geur veroorzaakt het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om uit te sluiten of er sprake is van inbreuk op de milieurechten van bestaande veehouderijen en of de planontwikkeling inbreuk veroorzaakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen, heeft bureau Kragten een Agrarisch geuronderzoek uitgevoerd: rapport: 'Agrarisch Geuronderzoek Woonlocatie Grote Braak te Schijndel' (20 januari 2023; RVR001). In dit onderzoek is tevens onderzocht of ter plaatse van de planontwikkeling een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van de voorgrond- en achtergrondgeurbelasting. Het rapport is als bijlage 13 bijgevoegd. Bureau Kragten concludeert dat: Beoordeling milieurechten de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de vigerende milieurechten voor wat betreft het aspect geur van de veehouderij aan de Venushoek 32; de 100 meter contour van de veehouderij aan de Langstraat 22 tot over een klein deel van het plangebied reikt.
Aangezien binnen het ontwerp hier geen geurgevoelige objecten zijn voorzien, maakt de planontwikkeling geen inbreuk op de vigerende geurruimte van de veehouderij aan de Langstraat 22; Beoordeling planologische rechten uit de berekening van de 'omgekeerde werking', waarbij is uitgegaan van de vergunde geuremissie van Venushoek 32, volgt dat de berekende voorgrondgeurbelasting 3,2 OUE/m3 bedraagt ter plaatse van de randen van het plangebied. Hieruit blijkt dat de planologische geurcontour van de veehouderij Venushoek 32 (o.b.v. vigerende geuremissie) een klein stukje over het plangebied valt. Aangezien binnen het ontwerp hier geen geurgevoelige objecten zijn voorzien maakt de planontwikkeling geen inbreuk op de planologische geurruimte o.b.v. de vergunde geuremissie van de veehouderij aan de Venushoek 32. uit de berekeningen naar de planologische mogelijkheden (omgekeerde werking) van venushoek 32 blijkt dat de vergunde geuremissie van 5.821 OUE kan doorgroeien tot 15.700 OUE. Waarbij ter plaatse van de bestaande woning aan de Venushoek 28 (ten noorden van de veehouderij) nog net kan worden voldaan aan de geurnorm van 14 OUE/m3. Op basis van deze maximale geuremissie voor de veehouderij aan de Venushoek 32 is de geurbelasting ter plaatse van rekenpunten binnen het plangebied bepaald.
De woningen die buiten de planologische geurcontour van 3,0 OUE/m3 worden gesitueerd maken geen inbreuk op de planologische gebruiksmogelijkheden van de veehouderij aan de Venushoek 32. de 100 meter contour van de veehouderij aan de Langstraat 22 tot over een klein deel van
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 83 van 172
Datum:4 april 2024
het plangebied reikt. Aangezien binnen het ontwerp hier geen geurgevoelige objecten zijn voorzien, maakt de planontwikkeling geen inbreuk op de vigerende geurruimte van de veehouderij aan de Langstraat 22; Beoordeling woon- en leefklimaat de berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de huidige veebezetting van de veehouderij aan de Venushoek 32 ten hoogste 2,0 OUE/m3 ter plaatse van de randen van het plangebied bedraagt. Hiermee is het huidige woon- en leefklimaat te beoordelen als 'goed'; de berekende achtergrondgeurbelasting met de vergunde veebezettingen ter plaatse van het plangebied 0 tot 3 OUE/m3 bedraagt. Hiermee is het huidige woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondgeurbelasting te classificeren als 'zeer goed'; het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgrondgeurbelasting te kwalificeren is als 'goed'; 5.1.4.3 Conclusie Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.5
Geluid
5.1.5.1 Inleiding Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd. 5.1.5.2 Analyse Verkeerslawaai Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten. Om de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen te onderzoeken heeft bureau Kragten uit Herten een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd: rapport 'Akoestisch Onderzoek Wegverkeerslawaai' (14 juli 2022; RVR001.0001). In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de relevante 30 km/uur-wegen in de directe nabijheid van het plan in het onderzoek betrokken. Het rapport is als bijlage 14 bijgevoegd. Bureau Kragten concludeert dat: ten gevolge van de Langstraat (60 km/uur), Venushoek en de Bremweg de berekende geluidbelasting ter plaatse van het plangebied aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder voldoet; ten gevolge van de binnenplanse wegen de maximale geluidbelasting 51 dB bedraagt ter plaatse van Bouwvlak 22. Ter plaatse van de Bouwvlak 02, 04, 22 en 23 bedragen de geluidbelastingen meer dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder die geldt voor gezoneerde wegen, maar die formeel niet geldt voor deze wegen.
De maximale ontheffingswaarde wordt wel gerespecteerd. Ter plaatse van de overige bouwvlakken wordt de voorkeursgrenswaarde gerespecteerd;
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 84 van 172
Datum:4 april 2024
ten gevolge van de Langstraat de maximale geluidbelasting ter plaatse van Bouwvlak 00 51 dB bedraagt, meer dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder die geldt voor gezoneerde wegen, maar die formeel niet geldt voor deze wegen. De maximale ontheffingswaarde wordt wel gerespecteerd. Ter plaatse van de overige bouwvlakken wordt de voorkeursgrenswaarde gerespecteerd; de maximale ongecorrigeerde cumulatieve geluidbelasting 57 dB bedraagt ter plaatse van Bouwvlak 00. Geadviseerd wordt om voor wat betreft de geluidwering van de geluidbelaste gevels aan te sluiten bij artikel 3.3 lid 1 uit het Bouwbesluit (Bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor industrie-, weg- of spoorweglawaai en 35 dB(A) bij industrielawaai, of 33 dB bij weg- of spoorweglawaai.), waarbij voor 'de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting' de gecumuleerde geluidbelasting (Lcum) aangehouden wordt; ten gevolge van het extra verkeer, de verandering van snelheid en de wegdekverharding op de Langstraat, de geluidbelasting op de omliggende woningen maximaal 56 dB en de maximale toename 1,21 dB bedraagt.
Hoewel de geluidbelasting meer bedraagt dan 48 dB kan gesteld worden dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft, aangezien de toename van de geluidbelasting minder dan 2 dB bedraagt; ten gevolge van het extra verkeer op de Spoorlaan de geluidbelasting op de omliggende woningen maximaal 55 dB en de maximale toename 2,68 dB bedraagt. De geluidbelasting bedraagt meer dan 48 dB en ook de toename van de geluidbelasting bedraagt meer dan 2 dB bedraagt. De betreffende woningen beschikken echter allen over een geluidluwe achtergevel en een daaraan grenzende geluidluwe buitenruimte. Er kan gesteld worden dat er, ondanks de toename van de geluidbelasting, sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat.