Toelichting en regels
Tekst van het document
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is geen procedure hogere waarde benodigd, aangezien de geluidsbelasting op de woningen ten gevolge van de bestaande wegen aan de voorkeursgrenswaarde voldoet. Daarnaast worden de wegen binnen het plangebied als 30 km/uur ingericht. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig. 5.1.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 85 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.6
Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 86 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.6.2 Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Voorliggend plan omvat in totaal 241 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving. In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.
De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Rooiseweg;16016510'. categorie jaargemiddelde concentratie NO2 jaargemiddelde concentratie PM10 jaargemiddelde concentratie PM2.5 overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³ 35
2020 14.0 16.2 9.2 6.0
2030 10.8 14.0 7.5 6.0
Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Bovendien wordt met de beëindiging van de veehouderij aan Plein 21 een positieve bijdrage geleverd aan de luchtkwaliteit. 5.1.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 87 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.7
Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst. 5.1.7.2 Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld.
Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 1000 meter rondom het plangebied zijn geen pluimveeveehouderijen actief. Binnen een straal van 250 meter van het plangebied bevinden zich echter wel 3 veehouderijen. De veehouderij aan de Venushoek 24 bevindt zich op circa 200 meter van het plangebied. De veehouderij aan de Venushoek 32 bevindt zich op circa 150 meter van het plangebied. De veehouderij aan de Langstraat 22 bevindt zich op 75 meter van het plangebied. Op de navolgende afbeelding zijn de omliggende veehouderijen en de ligging van het plangebied aangeduid. Het plangebied is rood omlijnd.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 88 van 172
Datum:4 april 2024
OMLIGGENDE VEEHOUDERIJEN EN PLANGEBIED (RODE OMLIJNING) AANGEDUID (AFBEELDING UIT GEURONDERZOEK BIJLAGE
13) De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen worden hierna doorlopen om na te gaan of er knelpunten zijn. Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 2.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m³. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft een wijziging naar een woonbestemming en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 89 van 172
Datum:4 april 2024
Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Er zijn geen bedrijven met meer dan een diersoort. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Binnen een straal van 2 kilometer bevindt zich een geitenhouderij. Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen pluimveehouderijen. Op onderstaande kaart is de locatie van de geitenhouderijen en de afstandscirkels weergegeven. Tevens is het plangebied in beeld gebracht.
LOCATIE EN AFSTANDEN GEITENHOUDERIJEN
Het plangebied bevindt zich op meer dan 2 kilometer van de geitenhouderij een de Oetelaarsestraat 29. Op circa 1 km rondom het plangebied is aan de Boxelsestraat 10 een geitenhouderij met 525 geiten vergund. Voor deze geitenhouderij geldt echter dat er op dit moment geen geiten aanwezig zijn en de eigenaar/exploitant plannen voorbereidt voor een ontwikkeling naar de hoofdactiviteit zorg. Ten behoeve van die ontwikkeling wordt de vergunning voor het houden van geiten ingetrokken, omdat deze activiteiten niet met elkaar gecombineerd kunnen worden. Hiermee vormt dit aspect geen belemmering meer voor de voorgenomen ontwikkeling.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 90 van 172
Datum:4 april 2024
Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Voor zover bekend, zijn er geen klachten/vragen bekend in de omgeving wat betreft de volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen. Uit het stappenplan blijkt dat overwogen dient te worden om advies van de GGD in te winnen. Er is een advies van de GGD gevraagd en ontvangen. Dit advies is als bijlage 15 opgenomen. Kort samengevat adviseert de GGD dat: de voorgrondbelasting ten gevolge van Venushoek 32 (2,0 OU/m³) aan de gezondheidskundige advieswaarde voldoet. er voldoende afstand (100 m) tussen de veehouderij aan Langstraat 22 en de geurgevoelige bestemmingen aangehouden dient te worden. De afstand tot de dichtstbijzijnde woonbestemming bedraagt ca. 175 meter. Daartussen is een groenbestemming aanwezig waar geen geurgevoelige objecten kunnen worden gebouwd. er extra aandacht dient te zijn voor de geluidsbelasting op de verschillende bouwvlakken. Omdat bronmaatregelen niet mogelijk zijn zal er zorggedragen worden dat het binnen geluidsniveau onder de 33 dB Lden blijft. omgeving). Ook wordt geadviseerd slaapvertrekken zoveel mogelijk aan de stille zijde van de woning te positioneren om verstoring van de nachtrust te voorkomen.
met betrekking tot luchtkwaliteit kan met uitzondering van PM2,5 in 2030 op basis van de modellen voldaan worden aan de gezondheidskundige advieswaarde. De GGD tekent daarbij aan dat dit overigens geldt voor veel plekken in Nederland. er wordt geadviseerd een afstand van minimaal 50 meter aan te houden tot de eerstelijns bebouwing bij een drukke doorgaande weg (>10.000 mve). Geen van de omliggende wegen heeft een verkeersintensiteit met meer van 10.000 mve/etmaal. Met het plan wordt voldaan aan de hiervoor beschreven aandachtspunten van de GGD 5.1.7.3 Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Analyse Met het plan worden woningen toegevoegd. Er is geen sprake van boom- of gewasteelt binnen 50 meter van de ontwikkeling. De omliggende agrarische gronden zijn overwegend onderdeel van de aansluitende woonbestemmingen (systematiek bestemmingsplan werkt met kleine woonbestemmingen met bijbehorende tuinen als agrarische bestemming). Dit geldt voor de percelen aan de Langstraat en aan Plein.
Voor de agrarische gronden behorend bij Venushoek 38 is een bestemmingsplan voor woningbouw in voorbereiding waarmee ook deze gronden een woonbestemming krijgen. Alleen de gronden ten noordwesten van het plangebied zijn momenteel als agrarische grond in gebruik. Deze gronden zijn echter niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 91 van 172
Datum:4 april 2024
Conclusie Er worden geen belemmeringen verwacht met betrekking tot spuitzones ten gevolge van boomen fruitteelt.
5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Er is sprake van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 2,5 kilometer. Het schadelijke magneetveld, met een hoger jaargemiddelde dan 0,4 microtesla strekt zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uit. Er is geen nader onderzoek nodig. Conclusie Er worden geen belemmeringen verwacht met betrekking tot de magnetische velden ten gevolge van hoogspanningsverbindingen. 5.1.7.5 Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.8
Ontplofbare oorlogsresten
5.1.8.1 Inleiding In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor. 5.1.8.2 Historisch vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten Om te onderzoeken of het plangebied of delen hiervan betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er daardoor een verhoogd risico heeft op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO), heeft Bodac B.V. uit 's Hertogenbosch een historisch vooronderzoek OO uitgevoerd: rapport 'Historisch vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten' (7 januari 2022; 220107_H1052_VOB_01). Het rapport is als bijlage 16 bijgevoegd. Bodac B.V. concludeert dat het onderzoeksgebied als verdacht wordt verklaard op een verhoogd risico tot aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Het onderzoeksgebied heeft lange tijd in een door Britse artillerie beschoten zone gelegen. Vandaar dat in en rondom het onderzoeksgebied meerdere 25-ponder geschutgranaten zijn geruimd.
Daarnaast zijn er meerdere 8 cm mortiergranaten gevonden. Deze zijn vermoedelijk door Duitse troepen verschoten tijdens de opmars van Britse troepen door Schijndel.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 92 van 172
Datum:4 april 2024
Aan de hand van het historisch vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten adviseert Bodac B.V. dat daar waar het verdachte gebied en het onderzoeksgebied elkaar overlappen (het opsporingsgebied) om het opsporingsproces voort te zetten middels passieve non realtime oppervlaktedetectie. 5.1.8.3 Projectplan Ontplofbare Oorlogsresten Alvorens het detectieonderzoek heeft plaatsgevonden, heeft Bodac B.V. een projectplan opsporing ontplofbare oorlogsresten (OO) opgesteld, welke door de gemeente Meierijstad is goedgekeurd: rapport 'Projectplan Ontplofbare Oorlogsresten Schijndel, Grote Braak ( 18 februari 2022; 220218_220014_PPB_01). Het projectplan is als bijlage 17 bijgevoegd. 5.1.8.4 Detectieonderrzoek Ontplofbare Oorlogsresten De doelstelling voor het onderzoek is “Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) ontplofbare oorlogsresten tot 0,80 m onder maaiveld om het bovenmatig risico met betrekking tot OO weg te nemen, om daarmee een veilige werk- en leefomgeving te creëren tijdens de reguliere uit te voeren (civiele) werkzaamheden”. In het kader hiervan heeft Bodac B.V. een passieve non realtime oppervlaktedetectie uitgevoerd: rapport: 'Detectierapportage passieve non realtime oppervlaktedetectie Schijndel, Grote Braak (1 april 2022; 220401_220014_RDD_01). Het detectierapport is als bijlage 18 bijgevoegd. Op basis van het detectieonderzoek concludeert Bodac B.V.
het volgende: A en B gebieden bedraagt een totale oppervlakte van ca. 65.050 m² wat 56,56% % van het totale onderzoeksgebied bedraagt. Er zijn in totaal 424 stuks significante objecten in de B-gebieden waargenomen waarvan 410 stuks binnen en 14 stuks buiten het vooraf opgegeven projectgebied; Er is in totaal ca. 6.200 m² C-gebied aanwezig binnen het onderzoeksgebied wat 5,4 % van het totale onderzoeksgebied bedraagt. Er is in totaal ca. 43.750 m² D-gebied aanwezig binnen het onderzoeksgebied wat 38,0 % van het totale onderzoeksgebied bedraagt. Gezien het bovenstaande is het aan te bevelen om ter plaatse van waar daadwerkelijk de grond geroerd zal gaan worden de significante objecten te benaderen, identificeren en veiligstellen/ verwijderen. Daar waar de grond niet geroerd zal worden geldt geen verdere inspanningsverplichting voor de grondroerder. Bodac B.V. adviseert om altijd een veiligheidsmarge van minimaal 0,50 m te hanteren onder de maximaal roeringsdiepte om derhalve het risico te minimaliseren. De significante objecten in deelgebied A en B dienen benaderd te worden. Het nader onderzoeken van de C wordt gedaan in de vorm van actieve realtime oppervlaktedetectie. De D gebieden dienen in een later stadium onderzocht te worden door middel van passieve non realtime oppervlaktedetectie waarna een aanvulling op de detectierapportage gemaakt kan worden.
Het benaderen van de objecten wordt in het kader van de omgevingsvergunning uitgevoerd.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 93 van 172
Datum:4 april 2024
5.1.8.5 Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen planologische belemmering voor het bestemmingsplan. In het kader van de omgevingsvergunning worden de significante objecten benaderd. Indien blijkt dat er binnen het plangebied geen ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn, kan daarmee een veilige werk- en leefomgeving gegarandeerd worden. In andere gevallen dienen voorafgaand aan de grondwerkzaamheden de ontplofbare oorlogsresten verwijderd te worden.
5.1.9
Milieueffectrapportage
5.1.9.1 Inleiding Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. 5.1.9.2 Analyse Het plan valt onder de activiteit 11.2 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, zoals genoemd in de bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage, maar overschrijdt de daarin genoemde drempelwaarde van 100 ha en 2.000 woningen niet. Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig, maar er heeft wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. De beoordeling is als bijlage 19 opgenomen. Op grond van de uitgevoerde beoordeling is de initiatiefnemer van oordeel dat de aard van de effecten die gekoppeld zijn aan de realisering van de voorgenomen herbestemming (landelijk/agrarisch gebied naar wonen) en aanleg en gebruik van 241 nieuwe woningen op het terrein in voldoende mate in beeld zijn gebracht en dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot dermate belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat het maken van een milieueffectrapport een toegevoegde waarde zou hebben.
Op grond hiervan heeft de initiatiefnemer het bevoegd gezag verzocht te besluiten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is. 5.1.9.3 Conclusie Er heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 94 van 172
Datum:4 april 2024
5.2
Waarden
5.2.1
Archeologie
5.2.1.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. 5.2.1.2 Analyse Het plangebied kent, overeenkomstig het bestemmingsplan buitengebied, de 'Waarde Archeologie 4'. De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Aangezien de archeologische verwachtingswaarde middelhoog is én de voorgenomen ontwikkeling groter is dan 100 m² is archeologisch onderzoek vereist. Om te ondervinden of er historische resten in de bodem ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn heeft Aeres Milieu B.V. uit Roermond een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd: rapport 'Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen: Grote Braak te Schijndel' (10 maart 2022 ; AM21507A). Het rapport is als bijlage 20 bijgevoegd. Aeres Milieu B.V. concludeert dat ter plaatse van boring Type IV een (deels) intact podzolprofiel is aangetroffen. Het gaat om de B- en/of BC-horizont.
De bovenliggende horizonten zijn door jarenlange bewerking van het land opgenomen in het bovenliggende pakket. Het opgebrachte (plaggen)dek heeft een conserverende werking op de eventueel aanwezige archeologische resten. Ter plaatse van de Type I, II en III-boringen worden geen in-situ archeologische vondsten meer verwacht uit de periode jager- verzamelaars. De scherpe overgang naar de C-horizont is mogelijk het gevolg van recentere bewerking van de bodem. Echter ter hoogte van Type I en III boringen kunnen er nog wel sporen van sedentaire bewoningsvormen nog goed aangetroffen worden. In een deel van het plangebied, ter plaatse van boring Type VI boringen is de podzolbodem deels intact. De afwezigheid van een E- en B-horizont ter plaatse van de Type I, II en III boringen kan duiden op een recentere bewerking van de bodem. Eventueel aanwezige archeologische resten worden in het gehele plangebied verwacht onder de A-horizont. Deze wordt vanaf 30 centimeter onder maaiveld aangetroffen. Ten tijde van dit onderzoek is de precieze einddiepte en locatie van de toekomstige ingrepen niet bekend. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen plantontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben en kunnen resulteren in de aantasting van eventueel aanwezige archeologische resten.
Ondanks een zorgvuldig onderzoek of een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij bevoegd gezag.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 95 van 172
Datum:4 april 2024
De gemeente Meierijstad heeft als bevoegd gezag het uitgevoerde bureau- en verkennend veldonderzoek beoordeeld en een selectieadvies opgesteld. Het rapport is daartoe voorgelegd aan de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het advies is verwerkt in het archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek. Het selectieadvies is als bijlage 21 bijgevoegd. Op basis van het archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek adviseert Aeres Milieu B.V. om een vervolgonderzoek, in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, uit te voeren voor het deel van het plangebied waar type I, III en IV boringen zijn gedaan. Het proefsleuvenonderzoek wordt in het kader van de omgevingsvergunning uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek dienen voorgelegd te worden aan de gemeente Meierijstad. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek heeft Aeres Milieu B.V. reeds een Programma van Eisen (PvE) opgesteld: rapport 'Programma van Eisen, Grote Braak te Schijndel (7 juni 2022; AM21507A). Het PvE is als bijlage 22 bijgevoegd. De gemeente Meierijstad heeft als bevoegd gezag het PvE beoordeeld en een selectieadvies opgesteld. Het PvE is voorgelegd aan de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het advies is verwerkt in het PvE Het selectieadvies is als bijlage 23 bijgevoegd.
5.2.1.3 Conclusie Ter bescherming van de mogelijke archeologische vondsten, is de bestaande dubbelbestemming Archeologie-4 nog overgenomen in dit bestemmingsplan. Hierdoor is geborgd dat voorafgaand aan de werkzaamheden een nader onderzoek dient plaats te vinden. Hiermee vormt het aspect archeologie geen planologische belemmering voor het plan. 5.2.2
Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat voorliggend plangebied op de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als 'Cultuurhistorisch waardevol gebied'. Ter plaatse van deze aanduiding geldt dat: Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
5.2.2.2 Analyse Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 96 van 172
Datum:4 april 2024
UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART NOORD-BRABANT
Het plangebied is op de cultuurhistorische waarde kaart (CHW) aangeduid als 'cultuurhistorisch waardevol gebied'. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Tijdens het ontwerp van de Grote Braeck (zie lagenbenadering in hoofdstuk 2) is echter rekening gehouden met de bestaande structuren en elementen in het landschap, waaronder de laanstructuur aan de Teeuwishoek. Op deze manier worden de bestaande structuren en elementen in het landschap behouden en op een aantal aspecten versterkt. In het bijgevoegde beeldkwaliteitplan (zie bijlage 2) is de wijze waarop in het stedenbouwkundig ontwerp en de landschappelijke inpassing rekening gehouden is met de cultuurhistorische waarden nader beschreven.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 97 van 172
Datum:4 april 2024
De langgevelboederij aan Plein 21 is aangemerkt als 'cultuurhistorisch waardevol pand'. Bij de transformatie van de twee bedrijfswoningen naar twee reguliere woningen blijft de hoofdvorm van de langgevelboerderij behouden.
5.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.2.3
Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen: gebiedsbescherming; soortenbescherming; bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Verstorende effecten Om na te gaan of voorliggend plan verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland, heeft bureau Kragten een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport 'Verkennend flora- en faunaonderzoek Woonlocatie Grote Braak-Schijndel' (12 januari 2022; RVR001). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 24. Bureau Kragten concludeert dat het onderzoeksgebied buiten de begrenzing van het NNB valt. Vervolgstappen in het kader van het NNB zijn daarom ook niet aan de orde. Stikstofdepositie Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 98 van 172
Datum:4 april 2024
Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen heeft bureau Kragten een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de 'Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestemmingsplannen'. Het onderzoeksrapport (12 januari 2024; RVR001.0001) is als bijlage 25 bijgevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase en de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie geen relevante significante cumulatieve effecten zal veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Met deze berekening kunnen significant negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen. Soortenbescherming Verkennend flora- en faunaonderzoek Woonlocatie Grote Braak-Schijndel Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied heeft bureau Kragten een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd: rapport 'Verkennend flora- en faunaonderzoek Woonlocatie Grote Braak-Schijndel' (12 januari 2022; RVR001).
Op basis van een literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek (11 augustus 2021) is beoordeeld of en zo ja, welke functie het onderzoeksgebied heeft voor beschermde soorten. Op basis van de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming concludeert bureau Kragten dat bij uitvoering van de ingreep mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels, vleermuizen en amfibieën. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Soortgericht onderzoek naar het voorkomen van de huismus, kerkuil en de steenuil is noodzakelijk om te na te gaan of de sloop van de bebouwing al dan niet leidt tot het doden of verwonden van vogels en/of het vernielen van eieren. Voor deze vogels met jaarrond beschermde nesten, maar ook voor de algemeen voorkomende broedvogels dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen (half maart tot half juli). Daarnaast is nader onderzoek nodig naar aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen die worden gesloopt en/of gerenoveerd, om mogelijke verstoring en/of het verdwijnen van verblijfplaatsen te voorkomen. Dat geldt ook voor de bomen met holtes die grenzen direct aan het onderzoeksgebied.
Ook dient vervolgonderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van de steenmarter en kleine marterachtigen om mogelijke verstoring en /of het verdwijnen van verblijfplaatsen te voorkomen. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Bescherming van houtopstanden Bij de ingreep worden geen bomen gekapt. Artikel 4.2. Houtopstanden van de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing. De opgestelde bomenlijst die gemeente Meijerijstad hanteert is niet van toepassing.
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 99 van 172
Datum:4 april 2024
Nader soortenonderzoek steenuil en kleine marterachtigen Op basis van de conclusie uit het verkennend flora- en faunaonderzoek dient een nader soortenonderzoek uitgevoerd te worden. Het nader soortenonderzoek is slechts gericht op de aanwezigheid van de steenuil en de kleine marterachtigen ter plaatse van de gronden van de beoogde woonlocatie: rapport: 'Soortgericht onderzoek steenuil & kleine marterachtigen (22 juli 2022; RVR001). Het nader soortenonderzoek is als bijlage 26 opgenomen. Door middel van het uitgevoerde soortgericht onderzoek naar steenuil en kleine marterachtigen wordt in dit rapport voor het project grote Grote Braak in kaart gebracht of en waar binnen het gebied beschermde functies voor steenuil en kleine marterachtigen aanwezig zijn. Tevens wordt met dit onderzoek beoordeeld of er vervolgstappen in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk zijn. Op basis van de resultaten uit dit soortgericht onderzoek naar steenuil en kleine marterachtigen, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk negatieve effecten kan veroorzaken op de steenuil. De ontwikkeling hebben effect op de functionele leefomgeving (foerageergebied en mogelijk op vaste rust- en verblijfplaats) van de steenuil. Artikel 3.1 lid 4 en 5. van de Vogelrichtlijn.
Er dient een mitigatie- en compensatieplan opgesteld te worden voor het verlies van het functioneel leefgebied van de nestkast gelegen aan Langstraat 4. Ook dienen alternatieve nestplaatsen voor steenuil worden geplaatst. Voor compensatie dient alternatief leefgebied en/of verbeterd te worden. voldoende essentieel leefgebied voor de kleine marterachtigen overblijft. Nader soortenonderzoek vleermuizen, huismussen, steenmarter en de kerkuil Nader soortenonderzoek naar de aanwezigheid van de vleermuizen, huismussen, steenmarter en de kerkuil is nog niet uitgevoerd, aangezien deze soorten nader onderzocht dienen te worden door de perceelseigenaren, indien er sloopwerkzaamheden van de gebouwen en bouwwerken behorende bij het agrarisch bedrijf gelegen aan Plein 21 en de woning aan Plein 23 plaatsvinden. Populatieonderzoek Steenuil Als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied geldt op basis van het nader soorten onderzoek de aanname dat de nestplaats aan de Langstraat 4 niet duurzaam behouden kan blijven. Gezien de locatie van de steenuilenkast is het niet mogelijk om direct binnen of grenzend aan de foerageerbiotoop passende maatregelen te nemen. Het populatieonderzoek is uitgevoerd om vast te stellen op welke wijze er in het bredere gebied passende maatregelen getroffen kunnen worden om de lokale steenuilenpopulatie duurzaam te versterken.
Het populatieonderzoek is als bijlage 27 opgenomen. Op basis van de conclusie uit het populatieonderzoek van de Steenuil dient de nestplaats aan de Langstraat 4 gecompenseerd te worden om aan de wettelijke verplichting te voldoen. Met het nemen van de voorgenomen maatregelen gericht op het compenseren van nestlocaties kan een duurzame instandhouding van de populatie gegarandeerd worden. De exacte nestlocaties en eventueel aanvullende compensatie van leefgebied worden in het activiteitenplan voor de ontheffingsaanvraag omschreven. In dit activiteitenplan worden tevens afspraken geborgd ten aanzien van het beheer van de nestlocaties en eventuele compensatie van leefgebied. Eveneens zal hierin verwoord worden
NL.IMRO.1948.SCH002BP0012022M-VG01
Pagina: 100 van 172
Datum:4 april 2024