CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6'30.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

49

voor water- en moerasplanten, als leefgebied voor insecten en andere ongewervelde, als drinkplaats voor vogels en zoogdieren. In de buurt liggen nog een aantal poelen (bijv. in de poel ten zuiden van Keldonk is zelfs de kamsalamander waargenomen). Deze poel kan als stapsteen fungeren tussen de poelen. Een poel is geen groot landschappelijk element en past goed in een kleinschalig landschap Aan de noordwestzijde van het perceel wordt dan ook een amfibieënpoel aangelegd. De poel wordt ten opzichte van huidig maaiveld 1,5 m diep en heeft circa een afmeting van 35 x 15m. Het talud is aan de noordzijde van de oever 1:3 en aan de zuidzijde 1:1. Met de voorkomende gemiddelde grondwaterstand (ca. 130 cm onder maaiveld) is de aanleg van de poel prima te verwezenlijken. Daarnaast wordt er bij de poel een duiker aangelegd t.b.v. een recreatieve verbinding voor wandelaars en fietsers. Deze duiker komt aan de Sluisweg te liggen. 4.10.3

Conclusie

Het aspect water zorgt niet voor belemmeringen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.

Archeologie 4.11.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2

Onderzoek

Op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geldt voor het plangebied de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Voor de planlocatie zal de dubbelbestemming gehandhaafd blijven. Op basis van het bouwplan wordt er geen nader onderzoek verwacht, merendeel van de nieuw op te richten bebouwing wordt namelijk op de locaties van de voormalige bebouwing gebouwd. Hierdoor is er de verwachting dat archeologische waarden op deze gronden niet meer aanwezig zijn. Op onderstaande afbeelding is nogmaals de voormalige en de toekomstige bebouwing weergegeven. Hieruit blijkt dat vrijwel alle nieuw op te richten bouwwerken worden gerealiseerd op gronden waarop eerder bebouwing heeft gestaan.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

50

Figuur 13:

4.11.3

Voormalige bebouwing (stippellijnen) en toekomstige bebouwing (wit)

Conclusie

Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen met betrekking voor de beoogde ontwikkeling. Naar inschatting is met de bouw en sloop van de bedrijfsbebouwing de bodem zodanig geroerd, dat geen archeologische resten meer aanwezig zijn in de bodem van het plangebied.

Cultuurhistorie 4.12.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.12.2

Onderzoek

Aan de hand van Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant is bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in onderstaande figuur.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

51

Uit de CHW kaart volgt dat binnen de plangebieden geen sprake is van de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden. De gemeente Meierijstad kent een eigen Welstandsnota3, hierin staan Rijksmonumenten, Gemeentelijke monumenten en cultuurhistorische waardenvolle panden aangewezen. Hierbij hoort onderstaande kaart.

Figuur 12:

Welstandsnota Meierijstad

Het pand aan de Dieperskant 9 is aangewezen als beeldbepalend pand in de Welstandsnota van de gemeente Meierijstad. Panden binnen het plangebied zijn niet opgenomen in deze nota. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van het beeldbepalend pand. 4.12.3

Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen.

Spuitzones 4.13.1

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er ook te worden ingegaan op de afstand van het plangebied tot de percelen die in gebruik zijn door de tuinbouwbedrijven en de daarbij behorende spuitzones. Voor afstanden tot locaties waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt gelden geen wettelijk vastgelegde eisen. In de jurisprudentie (rechterlijke uitspraken) wordt echter uitgegaan van een spuitzone van 50 meter. Binnen deze zone mag in beginsel geen gevoelige functie worden gerealiseerd. 4.13.2

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn een aantal akkers gelegen waarop akkerbouw plaatsvindt. Als vuistregel wordt een afstand van 50 meter gehanteerd. De indicatieve afstand van gevoelige objecten tot open teelten volgt uit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tijdens het bespuiten van de gewassen komt als gevolg van de wind een deel van het beschermingsmiddel buiten het teeltgebied terecht (drift). De technieken voor gewasbescherming worden steeds beter: enerzijds om het gewas beter te kunnen beschermen, anderzijds om de negatieve effecten op de omgeving (zoals drift) te beperken c.q. te voorkomen. In de toekomst zal het gebruik van zogenaamde best practices toenemen en daarmee de overlast afnemen. De nabijgelegen akkers liggen binnen deze 50 meter van het plangebied.

3

Wetstandsnota 2018 Meierijstad

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

52

Binnen het plangebied zijn enkele agrarische percelen meegenomen ten behoeve van het planologisch wijzigen van het bestaande bouwvlak. Op deze gronden zullen geen activiteiten plaatsvinden waarbij gebruik wordt gemaakt van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Aanvullend is ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat opgenomen dat voor de agrarische gronden binnen het plangebied geen gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. Ten aanzien van de agrarische gronden rondom het plangebied ten westen en zuidwesten van het plangebied geldt dat ten opzichte van de huidige situatie er robuuste groenzone en houtsingel gerealiseerd wordt, waarvan mag worden aangenomen dat drift beperkend werkt, ten opzichte van de huidige situatie. Ook wordt de afstand van het bouwvlak/bestemmingsvlak waarin gevoelige functies/activiteiten met langdurig verblijf zijn toegestaan, vergroot ten opzichte van de huidige planologische situatie. Hierdoor vindt geen onevenredige verslechtering plaats van de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden. De afstand van de omliggende agrarische gronden tot de zone waar verblijfsrecreatie is toegestaan, bedraagt circa 20 meter. Deze afstand samen met de te realiseren robuuste groenzone en houtsingel, in combinatie met het tijdelijk karakter van verblijf, maakt dat geoordeeld wordt dat er sprake is van een aanvaardbare situatie. 4.13.3

Conclusie

Het aspect ‘spuitzones’ vormt geen belemmering voor onderhavige plan.

Gezondheid Er is geen specifieke wet- en regelgeving voor het meenemen van het aspect volksgezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Met de komst van de Omgevingswet is gezondheid een belangrijker thema geworden. Op de website www.ggdomgevingsadvies.nl zijn aandachtspunten benoemd welke een rol spelen bij de afweging om te kunnen beoordelen of er sprake is van een gezonde leefomgeving. Voor dit plan is het GGD omgevingsadvies voor zorginstellingen doorgelopen. Aandachtspunten zijn hierbij: -

Luchtkwaliteit: in de toelichting is onderbouwd dat er sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit;

-

Veehouderij: zie hieronder. Er is een notitie gezondheid en veehouderij opgesteld door Agron;

-

Akkerbouw/kwekerij: in paragraaf 4.13 is ingegaan op eventuele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;

-

Geur: voor het plan is een geuronderzoek door Agron. Hieruit blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar geurniveau;

-

Geluid en trillingen: gezien de ligging op grote afstand van drukke wegen kan redelijkerwijs worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Daarnaast zijn er in de nabijheid van het gebied ook geen activiteiten die onevenredige trillingshinder zullen veroorzaken;

-

Bodem: ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek;

-

Elektromagnetische velden: in de nabijheid zijn geen hoogspanningsverbindingen, transformatorstations e.d. aanwezig;

-

Klimaat, groen & water: er is in het plan veel aandacht besteed aan de klimaatdoelstellingen en klimaatadaptatie. Er is een inpassingsplan opgesteld waarbij aandacht uitgaat van een groene omzoming van het terrein. Verder is een amfibieënpoel voorzien ter versterking van de ecologische waarden.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

53

Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Vanuit Agron is er een notitie gezondheid en veehouderij opgesteld om de eventuele effecten van een toevoeging van een milieugevoelige functie in de buurt van een veehouderij in beeld te brengen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Er liggen binnen een afstand van 250 meter van het plangebied geen veehouderijbedrijven waar varkens of pluimvee wordt gehuisvest. De pluimveehouderij aan de Dieperskant 24 ligt op een afstand van 260 meter van de woning aan Dieperskant 6. Geitenhouderijen Uit het VGO-onderzoek is gebleken dat zich binnen een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er liggen geen geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden.

Toetsing aan het stappenplan heeft plaatsgevonden. Stap 1: endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De projectlocatie ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. De richtafstand voor de pluimveehouderij Dieperkant 24 bedraagt 153 meter. Stap 2: emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan. De volgende tabel geeft een weergave van de normen waaraan getoetst wordt:

Aan de rand van het plangebied is de geurbelasting vanuit de veehouderij aan de Dieperskant 24 1,3 ouE/m³ waarmee wordt voldaan aan de norm voor de voorgrondbelasting. De achtergrondbelasting bedraagt 3-7 ouE/m³.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

54

Stap 3b: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt voldaan de advieswaarde voor de voor- en achtergrondbelasting. De volgende tabel geeft een weergave van de normen waaraan getoetst wordt:

Aan de rand van het plangebied is de geurbelasting vanuit de veehouderij aan de Dieperskant 24 1,3 ouE/m³ waarmee wordt voldaan aan de norm voor de voorgrondbelasting. De achtergrondbelasting bedraagt 3-7 ouE/m³. Stap 4a: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij Binnen het plangebied wordt een diversiteit aan dieren gehuisvest binnen de zorgboerderij. Het gaat hier zowel om groter vee zoals Belgische trekpaarden, alpaca’s, geiten en Brandrode runderen, maar ook om kleinere (gezelschaps)dieren zoals honden en kippen. De dieren worden gehuisvest ondersteunend aan de zorgboerderij, deze worden niet gehuisvest ten behoeve van de productie van onder andere vlees. Het aantal te huisvesten vee is kleinschalig van karakter en niet bedrijfsmatig.

Stap 5: Afstand tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Binnen een afstand van 2,0 kilometer is geen geitenhouderij gelegen. Binnen een afstand van 250 meter van het plangebied zijn geen varkens- en pluimveehouderijen gelegen. Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Uit de beperkte toetsing op afstanden blijkt dat geen advies opgevraagd hoeft worden aan de GGD.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport (MER) dan nodig.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

55

In hoeverre een ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D11.2 te kwalificeren is, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de jurisprudentie zijn echter wel aanknopingspunten te vinden die kunnen worden gebruikt in de beoordeling of al dan niet sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze aanknopingspunten worden beschreven in de navolgende alinea’s. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’; ‘Afdeling’) heeft in haar uitspraak van 18 juli 2018 duidelijk gemaakt dat ook een behoorlijke wijziging niet gekwalificeerd hoeft te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (ECLI:NL:RVS:2018:2414). Ook de ABRvS spreekt uit dat het begrip ruimte laat voor interpretatie en afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Volgens de ABRvS spelen onder andere de aard en omvang van een ontwikkeling een rol bij de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de beantwoording van deze vraag is niet doorslaggevend of er sprake is van aanzienlijke negatieve milieugevolgen (zie ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694). De Afdeling bevestigt dit laatste nog eens in een uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348).

In aanvulling op bovenstaande blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank Oost Brabant echter wel dat het feit dat milieugevolgen van een project beperkt zijn kan worden meegenomen in een onderbouwing dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie Rechtbank Oost Brabant 6 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5778). Daarnaast is het ook van belang in hoeverre er sprake is van een functiewijziging en een toename in de bebouwde oppervlakte (zie ABRvS 2 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348; ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1297; ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). Ten aanzien van dit laatste kiest de Afdeling dus voor een planologische vergelijking van de nieuwe situatie ten opzichte van de oude. Indien er sprake is van een toename in bebouwde oppervlakte, kan het niet of slechts beperkt optreden van milieugevolgen worden aangevoerd als grond waarom er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). Doorwerking projectgebied Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een zorgboerderij en (zorg)camping. Hiervoor is er sprake van een functiewijziging. De milieugevolgen van de ontwikkelingen waarin wordt voorzien middels onderhavig bestemmingsplan zijn, gelet op hoofdstuk 4 van deze toelichting, beperkt.

Op basis van de bestaande planologische mogelijkheden, namelijk een intensieve veehouderij zijn de milieueffecten beperkt in vergelijking tot de beoogde zorgboerderij en (zorg)camping. Uitgaande van de jurisprudentie of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ dient niet enkel uitgegaan te worden van de nieuwe (milieu)effecten, maar dient er ook sprake te zijn van een planologische vergelijking en de milieueffecten die hierdoor ontstaan. Daarbij geldt ook dat het bouwvlak (en de hierbij opgenomen bouwmogelijkheden) en bestemmingsvlak in vergelijking met de huidige planologische aanzienlijk wordt verkleind. Het plan kent geen belangrijke negatieve gevolgen voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden in worden er geen negatieve effecten verwacht. Gezien de bevindingen als beschreven in voorgaande paragrafen en hiervoor beschreven aard en omvang en ligging van het plan, valt onderhavige ontwikkeling niet binnen de kaders van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat met onderhavig plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

56

5

Juridische planopzet

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. Er is gekozen voor een concreet bestemmingsplan, waarbij het beoogde gebruik rechtstreeks mogelijk is binnen de opgenomen bestemmingen. Het plan biedt een beperkte mate van flexibiliteit, omdat het een concreet bouwplan betreft. Voor wat betreft de systematiek en inhoud van de bestemmingen en overige regels is aangesloten bij recente bestemmingsplannen binnen de bebouwde kom van de gemeente Meierijstad. De regels van het plan bestaan conform de SVBP2012 uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en stolregels aan de orde komen. Hieronder worden de regels in de onderscheiden hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren: Begrippen (Artikel 1): In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het plan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

57

Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten (Artikel 2): Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 komen de verschillende bestemmingen aan de orde. In dit geval zijn binnen het plangebied de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’, ‘Gemengd’, ‘Groen – Landschapselement’, ’Verkeer’ en ‘Waarde – Archeologie 2 en 3’(dubbelbestemmingen) opgenomen.in de volgende paragraaf worden de bestemmingen inhoudelijk toegelicht. De bestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen (leden) bestaan, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming opgenomen behoeven te zijn: 

Bestemmingsomschrijving;

Bouwregels;

Nadere eisen;

Afwijken van de bouwregels;

Specifieke gebruiksregels;

Afwijken van de gebruiksregels;

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;

Wijzigingsbevoegdheid.

De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: Algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan in onderhavig bestemmingsplan uit de volgende onderdelen: 

Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

Algemene bouwregels: hierin is geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Tevens is een regeling voor ondergronds bouwen opgenomen;

Algemene gebruiksregels: in deze regels is allereerst bepaald welke vormen van gebruik worden aangemerkt als strijdig gebruik;

Algemene aanduidingsregels: in dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van het radarverstoringsgebied, waarin het plangebied ligt. Deze regels gelden voor de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radar’ en stellen beperkingen aan de maximale bouwhoogte van bouwwerken;

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

58

Algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van kleinschalig kamperen.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

Bestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Agrarisch met waarden Een deel van de gronden in het plangebied behoudt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Er is geen bouwvlak opgenomen binnen deze bestemming. De gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en het behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van ecologische en landschappelijke waarden, specifiek mede voor de waarden van het kleinschalig cultuurlandschap waartoe het plangebied behoort. Verder zijn de gronden bestemd voor extensief recreatief medegebruik en bijbehorende functies en voorzieningen (zoals water, wegen en paden, groenvoorzieningen). Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Gemengd Het onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van enkele met elkaar verband houdende functies, namelijk een (zorg)camping, dagbesteding, ondersteunende horeca, hobbymatig agrarisch gebruik en (het behoud van) één woning. Gezien de combinatie van functies is gekozen voor de bestemming ‘Gemengd’. Hierbinnen zijn de benoemde functies toegestaan, waarbij voor de (zorg)camping een maximum van 10 kampeerplaatsen geldt. Tevens zijn bij de hoofdfunctie behorende voorzieningen en functies toegestaan (zoals tuinen, water, groen en parkeervoorzieningen). Binnen de bestemming mag worden gebouwd, namelijk: 

Eén woning met bijbehorende bouwwerken in combinatie met het bedrijf;

Recreatiewoningen (maximaal 3 stuks);

Overige gebouwen (Maximaal 1.085 m² gezamenlijk);

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Aan het oprichten van nieuwe gebouwen ten dienste van de (zorg)camping, dagbesteding, ondersteunende horeca en/of het wonen is een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van landschappelijke inpassing conform de randvoorwaarden uit de bijlage opgenomen. Groen – Landschapselement Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden die worden ingericht ten behoeve van de voornoemde landschappelijke inpassing. De gronden zijn dan ook bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van waardevolle landschapselementen, alsmede voor extensief dagrecreatief medegebruik. Een en ander inclusief bijbehorende voorzieningen. Binnen de bestemming mag slechts beperkt worden gebouwd in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Tevens geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van een aantal categorieën van werkzaamheden.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

59

Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ is opgenomen ter plaatse van de twee toegangswegen tot het perceel in de toekomstige situatie. De gronden zijn bestemd voor wegen, paden, extensief dagrecreatief medegebruik, water, parkeervoorzieningen, groen, e.d. Gebouwen zijn binnen de bestemming niet toegestaan; bouwwerken, geen gebouwen zijnde wel. Waarde – Archeologie 2 en 3 Deze archeologische dubbelbestemmingen zijn in het bestemmingsplan behouden en waarborgen het belang van eventueel aanwezige archeologische waarden. De bepalingen uit deze bestemming gaan voor op de overige opgenomen bestemmingen. Bij overschrijdingen van de drempelwaarden, geldt een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht voor het bebouwen van de gronden en/of het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

60

6

Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Economische uitvoerbaarheid 6.1.1

Financieel-economische haalbaarheid

Onderhavig bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, eerste lid, Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: 

omgevingsdialoog;

vooroverleg;

vaststellingsprocedure.

6.2.1

Omgevingsdialoog

Voor onderhavig plan heeft er reeds een omgevingsdialoog plaatsgevonden met direct omwonenden van het plangebied. Initiatiefnemers vinden het van belang om directe omwonenden in een vroegtijdig stadium te betrekken in de planvorming en hen te informeren over de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom hebben zij een omgevingsdialoog georganiseerd in de vorm een informatiebrief. Middels deze brief zijn de

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

61

omwonenden geïnformeerd over de ontwikkeling van Dieperskant 6, ook de situatieschets is hierbij bijgevoegd. Naar aanleiding van de brief hebben de directe omwonenden verklaart geïnformeerd te zijn over de voorgenomen ontwikkeling. Voor de getekende informatiebrieven wordt er verwezen naar de bijlagen. 6.2.2

Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf. 6.2.3

Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen (van donderdag 28 december 2023 tot en met woensdag 7 februari 2024). Er is één zienswijze ingediend door de provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van de zienswijze is het plan op de volgende punten aangepast: 

Toevoegen regels over bedrijfsmatig beheer en permanente bewoning van de recreatiebungalows;

Toevoegen definitie over het hobbymatig houden van dieren;

Berekening kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing en aanpassing van de verbeelding daarop;

Paragraaf 3.2.2 is aangevuld n.a.v. bovenstaande punten.

Daarnaast zijn er enkele milieuonderzoeken en kwalitatieve onderbouwingen geactualiseerd. Het gaat hierbij om de volgende aspecten: 

Externe veiligheid;

Waterparagraaf;

Spuitzones;

Gezondheid.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

62

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing en sfeerimpressie Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Stikstofberekening Bijlage 5: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 6: Notitie gezondheid en veehouderij Bijlage 7: Berekening voorgrondbelasting Dieperskant 24 Bijlage 8: Onderbouwing zorgconcept Bijlage 9: Advies Omgevingsveiligheid

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

63

REGELS

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

12

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3

Agrarisch met w aarden

13

Artikel 4

Gemengd

15

Artikel 5

Groen - Landschapselement

20

Artikel 6

Verkeer

22

Artikel 7

Waarde - Archeologie 2

23

Artikel 8

Waarde - Archeologie 3

25

Hoofdstuk 3

Algemene regels

27

Artikel 9

Anti-dubbeltelregel

27

Artikel 10

Algemene bouw regels

28

Artikel 11

Algemene gebruiksregels

29

Artikel 12

Algemene aanduidingsregels

30

Artikel 13

Algemene afw ijkingsregels

31

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

32

Artikel 14

Overgangsrecht

32

Artikel 15

Slotregel

33

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 3 van 33

Datum:16-02-2024

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 4 van 33

Datum:16-02-2024

Regels

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 5 van 33

Datum:16-02-2024

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6 met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01 van de gemeente Meierijstad. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 agrarisch grondgebruik gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of door middel van het houden van dieren; 1.6 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden; 1.7 archeologisch onderzoek onderzoek, verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt; 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9 bed & breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 1.10 beroep of bedrijf aan huis

het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend; 1.11 bestaand bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig conform het ter plaatse geldende bestemmingsplan, dan wel en onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen op het

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 6 van 33

Datum:16-02-2024

tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel bebouwing die mag worden gebouwd krachtens of bij de Woningwet; bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen conform het voorheen geldende bestemmingsplan, dan wel op basis van een verleende onherroepelijke omgevingsvergunning; 1.12 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.13 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, daaronder begrepen: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel

opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt; vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; overkapping: een bouwwerk bestaande uit een gesloten dakconstructie, zonder eigen wanden of met maximaal 1 eigen wand, dat aan tenminste een deel van één zijde een gesloten wand kent; 1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 7 van 33

Datum:16-02-2024

1.16 bouwlaag een deel van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkanten van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,50 meter in hoogte verschillen. Bij de bepaling van het aantal bouwlagen wordt de bouwlaag, welke grotendeels in de kap is gelegen (zogenaamde zolderverdieping) evenals de bouwlaag, welke grotendeels onder de begane grond is gelegen (zogenaamde kelder/souterrain) niet meegerekend; 1.17 bouwperceel aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan; 1.18 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.20 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.21 dak elke bovenbeïndiging van een gebouw; 1.22 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen,

verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt; 1.23 erker een aan nader bepaalde maatvoeringseisen verbonden ondergeschikt aangebouwd gedeelte van een woning aan een gevel; 1.24 extensief dagrecreatief medegebruik extensieve vormen van dagrecreatie gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en kanoën die plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is; 1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26 hobbymatig houden van dieren het houden van enkele dieren voor educatieve of recreatieve doeleinden of als liefhebberij, zonder winstoogmerk;

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 8 van 33

Datum:16-02-2024

1.27 horeca bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse, bedrijfsmatig bieden van hotel- of groepsaccommodatie, bedrijfsmatig bieden van vermaaks- of wellnessfaciliteiten of bedrijfsmatig bieden van congres- of vergaderfaciliteiten, één en ander al dan niet in combinatie met elkaar; 1.28 huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn: voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats.

Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen vallen niet onder het begrip 'huishouden'; 1.29 kampeermiddel tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf; 1.30 kleinschalig kamperen recreatief (nacht)verblijf op gronden met deen andere hoofdfunctie, met gebruikmaking van kampeermiddelen tot een in de regels aangegeven maximum aantal kampeermiddelen; 1.31 ondergeschikt bouwdeel a. een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk en/of; b. ondergeschikte delen van een ondergronds bouwwerk die onzichtbaar zijn boven peil; 1.32 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen onder peil; 1.33 ondersteunende horeca een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de hoofdfunctie een andere dan horeca is maar waar men uitsluitend ten dienste van c.q. ter ondersteuning van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren; 1.34 peil a. voor hoofdgebouwen: het bouwkundige peil dat gelijk is aan de wegkruin van de voorliggende weg of, indien niet direct aan een weg gebouwd wordt, de bestaande gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein; b.

voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van het hoofdgebouw; c. in overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 9 van 33

Datum:16-02-2024

d. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil. 1.35 perceelsgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling; 1.36 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.37 recreatiewoning een gebouw dat geschikt en bestemd is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf; 1.38 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.39 schuilgelegenheid een bouwwerk dat aan dieren de gelegenheid biedt te schuilen tegen weersinvloeden, waarbij dieren in en uit kunnen lopen; 1.40 stacaravan een recreatief verblijfsmiddel, dat als een gebouw valt aan te merken; 1.41 standplaats een perceel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingennet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten; 1.42 teeltondersteunende voorzieningen (teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale

agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren; hierdoor vindt (een deel van) de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productiekwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik; 1.43 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, voor een aaneengesloten periode van maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten en dergelijke; 1.44 tuin niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 10 van 33

Datum:16-02-2024

1.45 verblijfsrecreatie recreatief gebruik van gronden voor een aaneengesloten periode langer dan een dag, waarbij uitsluitend recreatieve bewoning is toegestaan; 1.46 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.47 voorgevellijn een denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.48 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit; 1.49 weg alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 1.50 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.51 (zorg)camping terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en bedrijfsmatig geëxploiteerd, en blijkens die inrichting en exploitatie bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen, al dan niet in combinatie met het verlenen van zorg.

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 11 van 33

Datum:16-02-2024

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.7 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.8 de afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen; 2.9 de lengte, breedte en diepte van een

bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren).

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 12 van 33

Datum:16-02-2024

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden; c. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het algemeen en in het bijzonder voor het kleinschalig cultuurlandschap, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kleinschalig cultuurlandschap'; d. extensief dagrecreatief medegebruik; e. landschappelijke inpassing; met de daarbij behorende: f. waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. groenvoorzieningen; h. wegen, paden en verkeersvoorzieningen waarbij de erfontsluiting ten behoeve van de bestemming 'Gemengd' uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' mag worden gerealiseerd; i. tuinen, erven en terreinen; j. voorzieningen van algemeen nut.

3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende algemene regels: a. op of in de in 3.1 genoemde gronden mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van beheer en extensief dagrecreatief medegebruik (banken, informatiepanelen, e.d.), tijdelijke teeltondersteundende voorzieningen en erf- en terreinafscheidingen mogen gebouwd worden; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van beheer en extensief recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 2,5 meter; c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,5 meter.

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 13 van 33

Datum:16-02-2024

3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.3.1 Verbod Het is verboden op of in de in 3.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kleinschalig cultuurlandschap': 1. het wijzigen van de perceelsindeling, zoals die tot uiting komt in greppels, kavelsloten, steilranden, beplanting, kavelpaden, onverharde wegen, e.d. 2. het rooien en/of vellen van diepwortelende beplantingen en/of bomen. 3.3.2 Uitzonderingen Het in lid 3.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. 3.3.3 Toelaatbaarheid De in lid 3.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien er is aangetoond dat de werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden geen belemmering vormen voor het behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de landschappelijke, ecologische en/of cultuurhistorische waarden. 3.4

Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het spuiten van chemische gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten.

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 14 van 33

Datum:16-02-2024

Artikel 4

Gemengd

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een bedrijf bestaande uit, al dan niet een combinatie van: 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - kampeerplaatsen en recreatiebungalows' een (zorg)camping met maximaal 10 kampeerplaatsen en maximaal 3 recreatiebungalows; 2. ondersteunende horeca; 3. dagbesteding; 4. het hobbymatig houden van dieren; 5. met dien verstande dat voor de onderdelen als genoemd onder 1 t/m 4 de bedrijfsactiviteiten in maximaal één bedrijf zijn ondergebracht en het terrein en recreatiebungalows bedrijfsmatig worden beheerd; b. in combinatie met het bedrijf als bedoeld in sub a tevens voor wonen in een woning ter plaatse van de aanduiding 'wonen', in de vorm van maximaal één woning, al dan niet in combinatie met het uitoefenen van een beroep aan huis, waarbij er sprake moet zijn van functionele binding tussen de bewoner en het bedrijf als bedoeld in sub a; met de daarbij behorende: c. waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. wegen, paden en verkeersvoorzieningen; f. parkeervoorzieningen; g. tuinen, erven en terreinen; h. voorzieningen van algemeen nut.

4.2

Bouwregels

4.2.1 Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. woningen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de bestaande funderingen en, in geval van uitbreiding, daar direct op aansluiten; b. de inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m; e. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 12º; f. de dakhelling mag niet meer bedragen dan 60º; g. ondergronds bouwen is toegestaan conform het bepaalde in 4.3. De inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw.

4.2.2 Bijbehorende bouwwerken bij woningen Voor bijbehorende bouwwerken bij een woning bestaande uit aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken dienen binnen het bouwperceel opgericht te worden;

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 15 van 33

Datum:16-02-2024

b. c. d. e. f.

de gezamenlijke bebouwde oppervlakte per woning mag niet meer bedragen dan 150 m²; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,30 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de woning mag niet meer bedragen dan 15 m.

4.2.3 Recreatiebungalows Voor het bouwen van recreatiebungalows gelden de volgende regels: a. binnen de bestemming zijn maximaal 3 recreatiebungalows toegestaan; b. de oppervlakte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 55 m²; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; e. de afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m; f. de afstand tot andere gebouwen mag niet minder bedragen dan 5 m.

4.2.4 Overige bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van gebouwen, anders dan bedoeld in lid 4.2.1, 4.2.2 en 4.2.3 ten dienste van de bestemming gelden de volgende regels: a. de maximale gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 1.085 m²; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m; d. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 12º; e. de afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m; f. de afstand tot andere gebouwen mag niet minder bedragen dan 5 m.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn van de woning niet meer bedraagt dan 1 m; b. de bouwhoogte van transparante toegangspoorten of penanten in de erfafscheiding bedraagt maximaal 3 m; c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. met uitzondering van: 1. lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 6 meter mag bedragen, mits geplaatst achter de achtergevellijn van de woning; 2. nestgelegenheden voor vogels, waarvan de hoogte maximaal 8 m mag bedragen; d. voor het bouwen van een overkapping gelden de volgende bepalingen: 1. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 5 m; 2. een overkapping mag geen grotere oppervlakte hebben 30 m²; e. voor het bouwen van onoverdekte zwembaden bij een woning gelden de volgende bepalingen: 1. onoverdekte zwembaden dienen binnen het bestemmingsvlak te worden gebouwd. 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m². f. de afstand tot (bedrijfs)woningen van derden mag niet minder bedragen dan 15 m; g. de bouwhoogte van antennes voor zendamateurs mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien

NL.IMRO.1948.BGV001BP0012023P-VG01

Pagina: 16 van 33

Datum:16-02-2024

verstande dat: 1. antennes niet mogen worden gesitueerd voor de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan; 2. antennes dienen te worden gesitueerd op of aan de woning dan wel op een afstand van maximaal 15 m van de woning.

4.2.6 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a. Het oprichten van bebouwing ten behoeve van de in lid 4.1 a tot en met e bedoelde doeleinden is verboden zonder de aanleg en duurzame instandhouding van de landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan dat als Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan is gevoegd; b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing. 4.3

Ondergronds bouwen

4.3.1 Algemeen Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

4.3.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. de ondergrondse bouwdiepte bedraagt niet meer dan 4 meter onder peil, et dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden. 4.3.3 Afwijken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.3.2 sub a voor het bouwen van bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte tot maximaal 10 meter onder peil, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de waterhuishouding wordt niet verstoord; b. er wordt geen afbreuk gedaan aan archeologische waaden.

4.4

Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Herbouw woning buiten bestaande fundamenenten Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1, sub a, voor het herbouwen van een bestaande woning buiten de bestaande fundamenten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bestemmingsvlak; b. de situering levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=eb0967cb-e810-4e3a-a7a1-83062a583112