CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6'30.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

27

Gemeentelijk beleid 3.3.1

Structuurvisie Veghel 2030

Op 19 december 2013 is de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. Veghel doet dat voor de periode tot 2030 en voor het hele grondgebied van de gemeente. In de structuurvisie wordt er voor gekozen om voort te bouwen op typisch Veghelse kwaliteiten. Dat betekent dat de inspanningen erop gericht moeten zijn om Veghel als 'werkstad' op de kaart te houden en als 'woondorp(en)' juist meer op de kaart te zetten. Met betrekking tot de bevolking wordt er vergrijzing van de bevolking verwacht. Vergrijzing van de bevolking betekent ook dat er in de loop van de komende decennia steeds meer behoefte aan zorg zal gaan ontstaan. Over het bieden van zorg is het volgende opgenomen: “Technologische ontwikkelingen zullen het daarbij mogelijk (gaan) maken dat veel zorg op afstand kan plaatsvinden. Door deze zogenoemde domotica en door de mogelijkheden om via internet eerste levensbehoeften te bestellen wordt het voor ouderen ook steeds beter mogelijk om zelfstandig te blijven wonen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat veel zorg ook ter plaatse geboden zal moeten worden. Waar dat sociaal wenselijk en economisch mogelijk is, vormt het creëren van woonservicezones een van de oplossingen.

Ook het versterken van de zorgfuncties in de wijken en dorpen draagt bij aan de mogelijkheden om langer zelfstandig te kunnen wonen. Doorwerking plangebied Het plangebied behoort in de structuurvisie Veghel tot het agrarische kerngebied. Hierin wordt ruimte geboden voor andere functies, mits deze niet beperkend zijn voor de landbouwsector. Daarnaast staat het behoud en versterken van de cultuurhistorische waarden voorop. Voor Keldonk staat het volgende op de ontwikkelingsagenda: “In het buitengebied moet ruimte zijn voor de ontwikkeling van een gevarieerde landbouw, waarbij natuur en cultuur hand in hand gaan. Hermeandering van de Aa kan/zal de recreatieve aantrekkelijkheid van het buitengebied verbeteren”. Binnen het plan wordt rekening gehouden met cultuurhistorische waarden door oude doorzichten en verbindingen te benadrukken met een bomenrij. Met de beoogde realisatie kan er voor zorgvragers in de omgeving, waaronder ouderen, zorg worden geboden. Dit leidt ertoe dat cliënten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven. Het programma voor de dagbesteding zal worden ingericht op basis van de wensen van de deelnemers. Met de beoogde ontwikkeling wordt er een andere functie in het agrarische kerngebied toegevoegd, hierbij staat het versterken van de cultuurhistorische waarden voorop. Daarnaast wordt er zorg geboden aan zorgvragers in de omgeving.

Hiermee past de beoogde ontwikkeling in de structuurvisie Veghel 2030. 3.3.2

Visie Meierijstad

In de ‘Visie Meierijstad’ wordt de toekomst van de gemeente Meierijstad beschreven. Hierin is de volgende algemene visie opgenomen: Het is 2025: een gemeente met een missie en ambities In het belang van haar inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen is een ambitieuze en bestuurskrachtige gemeente noodzakelijk. Elke inwoner telt mee en kan mee doen binnen sterke sociale netwerken en een rijk vrijwilligers en verenigingsleven. Meierijstad maakt zich samen met het bedrijfsleven sterk voor een gezonde lokale en regionale economie met voldoende werkgelegenheid. Food is de verbindende factor: de productie in het buitengebied, de voedingsindustrie en nieuwe productontwikkeling. In

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

28

Meierijstad is het genieten in de vele restaurants en op de terrassen. De beroepsbevolking is aan het werk. Wonen en werken in Foodcapital trekt jeugd aan. Er is een goede ruimtelijke balans tussen werken, wonen en leven. Meierijstad koestert de unieke waarden van natuur, landschap, cultuur en onderwijs. Daarnaast is voor het ruimtelijke aspect onderscheid gemaakt tussen verschillende onderdelen, waaronder bijvoorbeeld: landschap, wonen en bedrijvigheid. Voor het aspect wonen is het volgende beschreven: Onze inwoners verblijven in een veilige woon en werkomgeving. Zij zijn betrokken en hebben direct invloed op de woonomgeving en de eigen woning. Maatwerk is de norm, met flexibiliteit en ruimte voor nieuwe ideeën. Er is een duurzame leefomgeving en een divers woningaanbod: koop, huur, meergeneratie-wonen (levensloopbestendig) en zorgconcepten. Het (hoogwaardig) openbaar vervoer is verbeterd en daardoor is de bereikbaarheid tussen de kernen goed. Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een zorgboerderij voor mensen met een zorgvraag, gelegen in het buitengebied. Het concept voorziet in een combinatie van zorg en recreatie, dit zorgt voor een impuls aan de woonomgeving en draagt in die zin bij aan de verbetering en verduurzaming van de leefomgeving in dit deel van de gemeente.

Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten uit de Visie Meierijstad. 3.3.3

Kansen voor Kwaliteit

Het beleidsstuk ‘Kansen voor Kwaliteit’ is door de gemeente Meierijstad op 7 mei 2020 vastgesteld. Het is een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing. In het afwegingskader staat met name het bieden van maatwerk centraal. Hoewel de Omgevingswet tot op heden nog niet haar intrede heeft gedaan, biedt dit beleidsstuk meer ruimte om op gemeentelijk niveau ‘eigen’ afwegingen te maken over welke ontwikkelingen verantwoord en acceptabel zijn. De ambitie is te komen tot een ‘ja, mitsbeleid’ waarbij niet meer per definitie wordt vastgehouden aan geformuleerde kwantitatieve normen, maar met belanghebbenden op zoek wordt gegaan naar een gezamenlijk acceptabel bevonden invulling van een plek waarbij de gewenste kwaliteitsverbetering wordt behaald. In het beleidsstuk ‘Kansen voor Kwaliteit’ wordt benoemd dat de gemeente Meierijstad een aantrekkelijke, duurzame en gezonde omgeving is om te wonen, te werken en te recreëren. Er is een ruimtelijke balans tussen wonen, werken en leven. De gemeente geeft daarom behalve aan de agrarische sector als belangrijke economische drager, ruimte aan andere vormen van economie in het buitengebied, passend bij de aard, schaal en gewenste kwaliteit van het landelijk gebied. Doorwerking plangebied Het planvoornemen van de zorgboerderij sluit goed aan bij het beleidsstuk ‘Kansen voor Kwaliteit’.

De zorgboerderij vertegenwoordigt een alternatieve economische activiteit die niet alleen past bij de omgeving, maar ook bijdraagt aan de gewenste ruimtelijke balans tussen wonen, werken en leven.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

29

4

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.

Verkeer en parkeren 4.1.1

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om zelf parkeernormen vaststellen. De gemeente Meierijstad heeft dat gedaan in de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. 4.1.2

Onderzoek

Verkeer Voor het in beeld brengen van de verkeersgeneratie is “CROW-tool” gehanteerd en is er een ruime inschatting gemaakt van de verkeergeneratie van de te realiseren functies. De ontwikkeling betreft de realisatie van diverse functies die verkeer genereren. Voor de locatie wordt uitgegaan van een ‘weinig stedelijke gemeente’ en het ‘buitengebied’. Functie

Totale verkeersgeneratie

Zorggebouw (393 m2)

4

Theeschenkerij (84 m 2)

12

10 kampeerplekken

4 mvt/etmaal

3 recreatie eenheden

7.8 tot 8.4 mvt/etmaal

Totaal

28,8 mvt/etmaal

Voor de verkeersgeneratie van de zorgboerderij wordt er uitgegaan van 16 verkeersbewegingen per dag. De cliënten worden door het personeel opgehaald en naar huis gebracht. Hiervoor wordt er uitgegaan van 2 sessies per dag, dit zijn 4 verkeersbewegingen per dag. Voor het personeel wordt er uitgegaan van 12 verkeersbewegingen per dag, dit zullen 6 medewerkers per dag zijn. Voor de (zorg)camping zijn ten eerste de CROW-normen aangehouden voor een kampeerplek, hiervoor geldt een verkeersgeneratie van 0,4 mvt/etmaal. Onderhavig plan voorziet in 10 kampeerplekken, dit leidt tot een verkeersgeneratie van 4 mvt/etmaal. Voor de recreatie eenheden is de CROW-norm van een bungalow aangehouden, hiervoor geldt een verkeersgeneratie van 2,6 tot 2,8 mvt/etmaal. Dit leidt, met de realisatie van 3 recreatie eenheden, tot een totale verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,4 mvt/etmaal. Dit leidt tot een maximale verkeersgeneratie van 28,4 mvt/etmaal voor de beoogde ontwikkeling. Deze verkeersgeneratie zorgt niet voor problemen voor het bestaande wegennetwerk. Tevens zal de verkeersgeneratie afnemen aangezien het agrarische bedrijf is gestopt, dit bedrijf kende een hoge verkeersaantrekkende werking.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

30

Fietsen In het landschappelijke inpassing is, ten westen van de te realiseren amfibieënpoel, is het paaltje voor fietsknooppunt 05 weergegeven. Recreatieve meerwaarde kan worden bereikt door de aanleg van een rustpunt voor wandelaars en/of fietsers. Om dit te realiseren wordt er een duiker aangelegd. Parkeren De beoogde ontwikkeling betreft verschillende functies. Gezien de beschikbare ruimte op het perceel zijn er geen belemmeringen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 4.1.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.

Geluid 4.2.1

Toetsingskader

Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: 

de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;

de aanleg van een nieuwe weg;

de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt in beginsel buiten beschouwing worden gelaten, tenzij het meenemen van deze wegen noodzakelijk wordt geacht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Tabel 2: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

31

Tabel 3: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffingswaarde

Artikel

Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg *Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.2.2

Onderzoek

Een woning is een geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Op de planlocatie wordt er met onderhavig plan een bedrijfswoning herbestemd naar een woning waarbij de bewoner een functionele binding heeft met het bedrijf. De ligging van de woning wijzigt niet en eventuele herbouw is buiten de fundering enkel onder voorwaarden toegestaan. Dit houdt in dat er geen sprake is van een nieuw geluidgevoelig object. Daarnaast is Dieperskant een weg met een lage verkeersintensiteit zoals ook op valt te maken uit het Regionale verkeersmodel prognosejaar 2040. Doordat er sprake is van een geringe verkeersintensiteit en vanwege de afstand tussen de woning en de weg, mag er worden gesteld dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet zal worden overschreden als gevolg van het wegverkeer op de omliggende zoneplichtige wegen. Ook zal met een standaard geluidwering van 20 dB in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden behaald van 33 dB. Hierdoor is de uitvoering van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. 4.2.3

Conclusie

Het aspect geluid zorgt niet voor belemmeringen.

Luchtkwaliteit 4.3.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

32

(Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging: 

Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

Het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m³).

4.3.2

Onderzoek

NIBM Aangezien niet op voorhand kan worden gesteld dat sprake is van niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) aan luchtvervuiling, dient middels een berekening met de NIBM-tool in beeld te worden gebracht wat de effecten van het project op de luchtkwaliteit zijn. De resultaten die volgen uit deze berekening zijn als volgt:

Tabel 4: NIBM-tool

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat geen sprake is van in betekende mate bijdragen aan luchtvervuiling. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om ook te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die konden tot voorkort worden bepaald aan de hand van de NSL-monitoringstool. Vanaf 1 januari 2023 is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) echter het te gebruiken instrument voor de monitoring van luchtkwaliteit2. Voor vier van de meest nabijgelegen toetspunten is bekeken wat de achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 zijn en wat het aantal PM10-overschrijdingsdagen is. Omdat de rekenpunten zich op circa 600 meter van het plangebied bevinden, zijn ter controle dezelfde waardes, zover beschikbaar, via de kaarten van de Atlas leefomgeving nagelopen. Deze waardes zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 5: Achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5

CIMLK 2

Coördinaten toetspunten X: 168887.63

NO2 μg/m³ 15,4221

PM10 μg/m³

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m³

17,5434

6,15

10,3558

https://www.cimlk.nl/kaart

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

33

Y: 399907.54 CIMLK CIMLK

CIMLK

Atlas

X: 168787.95 Y: 399895.72 X: 168772.318975241 Y: 398851.898112824 X: 168659.273735171 Y: 399002.04040414 Dieperskant 6 Norm

15,4742

17,5471

6,15

10,3571

20,0888

17,5128

6,14

10,2984

20,6493

17,8142

6,24

10,4653

13 40

10 40

35

25

Gelet op de uitkomsten uit de NIBM-tool is het geheel onwaarschijnlijk dat de verkeersgeneratie die samenhangt met de functies binnen het plangebied leidt tot een overschrijding van de gestelde grenswaarden. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat de waarden van het CIMLK allen onder de gestelde norm liggen. De waardes ter controle vanuit Atlas Leefomgeving blijken zelfs nog lager te liggen. Hiermee kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel leef- en verblijfsklimaat. 4.3.3

Conclusie

Er bestaan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

Bedrijven en milieuzonering 4.4.1

Toetsingskader

Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

34

bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2

Onderzoek

Wanneer er een milieugevoelige functie wordt toegevoegd, zoals wonen, dient er te worden bekeken wat de effecten van milieubelastende functies in de omgeving op het plangebied zijn. Anderzijds dient ook gekeken worden wat de effecten van het plangebied op de omgeving zijn. Omdat de bedrijfswoning voor andere inrichtingen dan de eigen inrichting reeds een geluidgevoelige functie is, hoeft voor de herbestemming van de bedrijfswoning naar een woning waarbij er sprake moet zijn van een functionele binding tussen het bedrijf en de bewoner. Vanuit milieuoptiek is er dan ook dan nog steeds sprake van een bedrijfswoning. Daarbij resulteert de herbestemming niet in een beperking van de exploitatiemogelijkheden van de bedrijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening echter wél van belang om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied te beoordelen. Hiertoe is de beschouwing van de omliggende bedrijvigheid (inclusief de bedrijvigheid binnen het plangebied) dus wel relevant. De locatie is gelet op de ligging in het buitengebied, in combinatie met diverse (agrarische) bedrijven, gelegen binnen gemengd gebied. Voor het gebruik van de richtafstanden van de VNG-publicatie dient er te worden uitgegaan van een ‘gemengd gebied’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden aan per milieucategorie.

Tabel 6: Richtafstanden milieucategorieën

Het planvoornemen maakt het mogelijk om binnen de gronden met bestemming ‘gemengd’, zoals beschreven in artikel 4.1 van de planregels van onderhavig bestemmingsplan, een bedrijf en een woning te realiseren. Deze woning mag enkel gerealiseerd worden binnen de gronden met de aanduiding ‘wonen’, in de vorm van maximaal één woning, al dan niet in combinatie met het uitoefenen van een beroep aan huis, waarbij er sprake moet zijn van functionele binding tussen de bewoner en het bedrijf. Deze functionele binding borgt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de burgerwoning.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

35

Effecten plangebied op omgeving In de toekomstige situatie is er sprake van een zorgboerderij en (zorg)camping. Voor de zorgboerderij, te beschouwen als ‘dagverblijf’ conform de VNG-brochure, behoort tot milieucategorie 1. Uitgaande van deze milieucategorie geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Voor de (zorg)camping, te beschouwen als ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ conform de VNG-brochure, behoort tot milieucategorie 3.1. Uitgaande van deze milieucategorie geldt een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt eveneens voldaan. Derhalve is er geen sprake van externe werking in de vorm van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor omliggende functies. Effecten omgeving op plangebied In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies gelegen die in meer of mindere mate milieubelastend zijn. Het gaat hierbij om de volgende functies, waarbij de vermelde functies hemelsbreed en van de uiterste grens van de gevel van de te realiseren woning tot de grens van de bestemmingsvlak waar betreffend bedrijf is toegestaan. 

Rundveehouderij, Dieperskant 20 (ca. 125 meter)

Veehouderij, Dieperskant 24 (ca. 170 en 220 meter)

Voetbalvereniging, De Koulberg (ca. 370 meter)

In de omgeving van het plangebied liggen een aantal melkveehouderijen. Het aspect geur agrarisch, dat betrekking heeft op geuruitstraling door deze functies, wordt separaat beschouwd in paragraaf 4.5. De onderdelen stof en geluid worden onderbouwd in navolgende alinea’s. Melk- en rundveehouderijen zijn bedrijven van milieucategorie 3.2. Voor de deelaspecten geluid en stof geldt voor deze bedrijven een aan te houden richtafstand van 50 meter. Aangezien de dichtstbijzijnde veehouderij zich op een afstand van ongeveer 125 meter bevindt, wordt ruimschoots aan deze richtafstand voldaan. Gezien de ruime afstand wordt er tevens voldaan aan de richtafstanden voor een sportveld, hiervoor geldt een milieucategorie 3.1 met een maximale afstand van 30 meter. 4.4.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot bedrijven en milieuzonering.

Geur agrarisch 4.5.1

Toetsingskader

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond: 

Er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en

Veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad.

Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

36

sprake is van een goed woon en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Gemeenten hebben de mogelijkheid om middels een eigen geurverordening af te wijken van de in de Wgv gestelde normen. De gemeente Meierijstad heeft echter geen eigen geurverordening. Daarom dient te worden uitgegaan van de normen als opgenomen in de Wgv. 4.5.2

Onderzoek

Er is onderzocht of er sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van veehouderijen op de planlocatie. Dat kan onder andere worden achterhaald aan de hand van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant. Uit deze kaart blijkt dat de luchtkwaliteit in het plangebied wordt beoordeel als ‘zeer goed’ en ‘goed’. Een en ander is zichtbaar in de uitsnede van betreffende kaart weergegeven in figuur 10.

Figuur 10:

Achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB)

Daarnaast is door Agron de voorgrondbelasting berekend aan de Dieperskant 24. De resultaten hiervan zijn weergegeven in onderstaande tabel. De geurbelasting die gemeten is op vier verschillende plekken ligt ruim beneden de geurnorm waarmee aangetoond kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 11: Voorgrondbelasting Agron

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

37

In aanvulling op het voorgaande dient te worden aangetoond dat veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In onderhavig geval worden de veehouderijen in de omgeving van het plangebied niet onevenredig in hun belangen geschaad, omdat tussen deze veehouderijen en het plangebied al andere geurgevoelige objecten aanwezig zijn. Deze reeds aanwezige geurgevoelige objecten zijn daarom in dit geval maatgevend. 4.5.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.

Kabels en leidingen 4.6.1

Onderzoek

Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen. Uit deze kaart volgt dat ter plaatse van het besluitgebied geen planologisch gezien relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Op een afstand van circa 4,3 kilometer van de plangebieden gelegen bevindt zich de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn. Gelet op de ruime afstand tussen deze hoogspanningslijn en de plangebieden zorgt de aanwezigheid van de betreffende hoogspanningslijn geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening. In de omgeving van het plangebied liggen verder geen planologisch relevante kabels en leidingen. 4.6.2

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen.

Externe veiligheid 4.7.1

Toetsingskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: 

activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;

transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich,

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

38

redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2

Onderzoek

Een woning is een kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierdoor is het van noodzaak om te achterhalen in hoeverre er sprake is van externe veiligheidsrisico’s. De locaties van de risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn achterhaald door middel van de kaarten met betrekking tot de externe veiligheid die zijn opgenomen in de ‘Atlas Leefomgeving’. De kaart met betrekking tot de externe veiligheid wordt hieronder weergegeven.

Figuur 14:

Kaart externe veiligheid, plangebied is weergegeven met een blauwe stip (bron: atlasleefomgeving.nl)

Ten westen van het plangebied, op een afstand van circa 2.300 meter, bevindt zich een aardgasleiding. Dit betreft een ‘Aardgasleiding NEN 3650-leiding’, deze aardgasleidingen hebben een maximaal invloedsgebied van 580 meter. Hierdoor kunnen deze aardgasleidingen buiten beschouwing worden gelaten. Het opstellen van een verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van betreffende transportleidingen is hiermee ook niet aan de orde. Op circa 6 kilometer afstand van het plangebied, bevindt zich de Rijksweg A50 (wegvak B132: A50: afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven). Over deze weg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd van de categorieën:

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

39

LF1, LF2, LT2 en GF3. Hiervoor is een maximaal invloedsgebied van toepassing van 730 meter. Aangezien het plangebied op circa 6 kilometer afstand van deze weg gelegen is, is de afstand dusdanig groot dan er ten aanzien hiervan geen verantwoording van het groepsrisico hoeft te volgen. Het plangebied met de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op een afstand van circa 700 meter van de risicobron de N279. Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend. Effecten als gevolg van een plasbrand of BLEVE reiken niet tot het plangebied. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie LT1 en LT2 vervoerd. LT1 heeft een invloedsgebied van 730 meter en LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheid niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron niet aan de orde. Zoals gesteld, heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico.

Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden ter plaatse van de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het plan levert, gezien de grote afstand, geen belemmering op voor de bestrijdbaarheid van een calamiteit bij deze bron. Het aspect bestrijdbaarheid komt daarom niet aan de orde. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. via SMS alert en social media de aanwezigen vrij snel geïnformeerd en geïnstrueerd worden over hoe te handelen. Voor het scenario toxisch is het beste handelingsperspectief binnen blijven (schuilen).

Advies veiligheidsregio De veiligheidsregio heeft een advies uitgebracht op de ontwikkeling. Dit advies is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: -

Informeer met name de BHV organisatie en eigenaar van de zorgboerderij en camping actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Adviseer hen om het beschreven scenario in het noodplan op te nemen en te beoefenen.

-

Zorg ervoor dat de bezoekers van de camping ten tijde van een incident veilig kunnen schuilen in één van de bouwwerken op het terrein nabij de camping.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

40

De adviezen en eventuele maatregelen zullen bij de exploitatie van de zorgboerderij en –camping in acht worden genomen. 4.7.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

Ecologie 4.8.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

41

en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; 

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);

andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2

Onderzoek

Wettelijke gebiedsbescherming Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, ‘Strabrechtse Heide & Beuven’, is op een afstand van circa 18 kilometer gelegen. De effecten die eventueel in Natura 2000-gebieden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gezien de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied kunnen externe effecten worden uitgesloten. Er is een stikstofberekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase. Hieruit volgt dat er geen effecten op Natura2000-gebieden te verwachten zijn. De berekening is opgenomen als bijlage 4. Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wet natuurbescherming, wijzen de gedeputeerde staten van de provincie in hun provincie gebieden aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde staten va de provincie Noord-Brabant hebben in dat kader het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening is in artikel 3.16 tevens geregeld dat er een externe werking uitgaat van het NNB. Dat betekent dat regelingen met betrekking tot NNB-gebieden niet alleen in acht genomen moeten worden bij ontwikkelingen in NNB-gebieden maar mogelijk ook bij ontwikkelingen buiten deze gebieden.

Dat laatste is het geval wanneer er sprake is van een aantasting van ecologische waarden en kernmerken van NNB-gebied. In de onderstaande figuur is de ligging van het plangebied te zien uit de kaart ‘Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

42

Figuur 11:

Omliggende Natuurnetwerken (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Uit de bovenstaande kaart volgt dat de plangebieden niet gelegen zijn binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het plangebied is circa 350 meter gelegen van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant. Tussen het NNB-gebied en het plangebied zijn een aantal bedrijven gelegen. Op basis van de afstand en omliggende omgeving kan worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een verslechtering van omgevingscondities. Soortenbescherming Door BNL Advies is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor het volledige rapport wordt er verwezen naar de bijlagen. Op basis van de quickscan is er naar voren gekomen dat er geen aanleiding is voor een aanvullend flora- en faunaonderzoek. Op basis van de quickscan flora en fauna zijn de voormalige stallen gesloopt. Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij en veranderende situatie dient ten alle tijden een ecoloog ingeschakeld te worden. 4.8.3

Conclusie

Er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologie.

Bodem 4.9.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2

Onderzoek

Bij planologische functiewijzigingen dient te worden onderzocht of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Hierdoor is er door Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

43

planlocatie. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. In het kader van de beëindiging van de varkenshouderij zijn, ter plaatse van de voormalige activiteiten die als bodembelastend worden beschouwd, geen verontreinigingen aangetoond in grond of grondwater die aanleiding vormen voor sanerende maatregelen. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering de beoogde bestemmingswijziging. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit. 4.9.3

Conclusie

Het aspect bodem leidt niet tot belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Water 4.10.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente (water)advies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Provincie De provincie Noord-Brabant heeft het ‘Regionaal Water- en Bodem programma (RWP), Provincie NoordBrabant 2022 – 2027’ opgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. In dit document verwoordt de provincie hoe ze de komende jaren gaat werken aan voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie. Het RWP biedt waterschappen en gemeenten een kader voor hun eigen beleid.

Het RWP staat niet op zichzelf, maar wordt in samenhang gezien met andere provinciale opgaven op het gebied van leefbaarheid, cultuur en vrije tijd, wonen en werken, leefbaarheid, energie, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, archeologie en cultuurhistorie, en duurzame circulaire economie. Op deze manier draagt het bij aan een integrale benadering van de duurzame (fysieke) leefomgeving. Het opgenomen beleid in dit RWP is een doorontwikkeling van het beleid zoals opgenomen in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). De urgentie is echter afgelopen jaren sterk toegenomen. Waterschap Sinds maart 2015 is bestaat er een gezamenlijke Keur die opgesteld is door de Brabantse Waterschappen. Voor waterschap AA en Maas, waaronder Erp valt, zijn de regels uit deze gezamenlijke keur formeel ondergebracht in de ‘Keur Waterschap Aa en Maas 2015’ (Keur). Op grond van de Keur zijn algemene

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

44

regels (‘Algemene regels Waterschap Aa en Maas’; Algemene Regels) en een aantal beleidsdocumenten opgesteld. Relevant voor woningbouw is de kwestie van het afvoeren van hemelwater. In artikel 3.6 van de Keur is een verbod opgenomen om zonder vergunning over te gaan tot het tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen van regenwater. In artikel 15 van de Algemene Regels is vervolgens een bepaling opgenomen aan de hand waarvan in bepaalde gevallen vrijstelling kan worden verleend van het in artikel 3.6 van de Keur vastgelegde verbod. Een voorbeeld van wanneer vrijstelling kan worden verleend is wanneer de toegevoegde verharde oppervlakte maximaal 500 m² is. Naast bovengenoemde is voor ruimtelijke ontwikkelingen relevant dat het uitgangspunt is dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Dit is als zodanig vastgelegd in de ‘Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’ van Waterschap Aa en Maas. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd.

In dit kader wordt door waterschappen in zijn algemeenheid de volgende voorkeursvolgorde aangehouden met betrekking tot hemelwater dat op verharde oppervlakten, waarbij de eerste optie het meest en de vijfde optie het minst wenselijk wordt bevonden: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen en afvoeren; 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5. afvoeren naar de riolering. Waterschap Aa en Maas heeft tevens op 19 november 2021 een nieuw waterbeheerplan voor de periode 2022-2027 opgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft binnen deze periode en op welke manier zij die doelstellingen willen gaan behalen. Het plan is van kracht van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: 

schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;

de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;

de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;

de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

45

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Gemeente Meierijstad Op 21 september 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 20172022 (‘VGRP+’) vastgesteld. Dit is een strategische beleidsnota waarin op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende planperiode is neergelegd met betrekking tot aanleg en beheer van het rioleringssysteem. Ingevolge artikel 4.22 van de Wet milieubeheer (Wm) dient iedere gemeente een dergelijk gemeentelijk rioleringsplan vast te stellen. In het VGRP wordt ten aanzien van de strategie voor hoe om te gaan met hemelwater aangesloten bij het beleid van waterschap Aa en Maas. Er wordt expliciet benoemd dat het uitgangspunt bij ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkelen is. In de kern betekent dat dat hemelwater dat op daken en verhardingen valt in beginsel niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Perceeleigenaren moeten in nieuw en herbouwsituaties – wat zoveel inhoud als bij uit en inbreidingen – hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf kunnen verwerken.

Bij een toename in afstromend verhard oppervlak van 0 m² tot en met 10.000 m² geldt een bergingseis van 60 mm/m²/24 uur Op 30 juni 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) vastgesteld. In hoofdstuk 6 van de VFL heeft de gemeenteregels omtrent de afvoer van hemelwater en omtrent grondwater. In artikel 6.4 van de VFL is een verbod opgenomen om vanaf een nieuw bouwwerk of nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of op openbaar terrein: Artikel 6.4 Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering 1. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m² verhard oppervlak) te kunnen verwerken. b. Voor het oppervlak aan groen dak (in m²) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. c.

De benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden.

d. Bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod zoals genoemd in het eerste lid ook geldt voor alle reeds bestaande bouwwerken en verharde oppervlakken, en/of een andere dan de in het vorige lid onder a genoemde verwerkingseis geldt. Bij het vaststellen van een dergelijke gebiedsaanwijzing geldt het volgende: a. Burgemeester en wethouders houden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen. b. De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 3e dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt en bevat een termijn waarop aan de aanwijzing moet worden voldaan. Deze termijn bedraagt tenminste 6 weken.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

46

c.

Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. 5. De aanvraag van een ontheffing als bedoeld in het vierde lid wordt tegelijk met de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ingediend. 6. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in het tweede lid onder a, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp ten minste 20 mm (per m² verhard oppervlak). In artikel 6.2 van de VFL zijn de begrippen uit hoofdstuk 6 van de VFL gedefinieerd. Het gaat hierbij onder andere om de volgende begrippen en bijbehorende definities: Artikel 6.2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: (…) 

groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak;

(…) 

nieuw bouwwerk: bouwwerk dat wordt opgericht na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na sloop van een bestaand bouwwerk;

nieuw verhard oppervlak: verhard oppervlak dat wordt aangelegd na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief aanleg na verwijdering van bestaand verhard oppervlak;

(…) 

verhard oppervlak: alle oppervlakken die gemaakt zijn van steenachtig of ander materiaal, waaronder daken, tegels, bestratingen, asfaltoppervlakken, etc.;

(…) 4.10.2

Onderzoek

Oppervlaktewater Op circa 800 meter afstand, ten zuiden van het plangebied, is de Zuid-Willemsvaart gelegen. De ZuidWillemsvaart is een kanaal welke van Maastricht naar ’s-Hertogenbosch loopt. Ten oosten van het plangebied loopt tevens een A-watergang. Door het waterschap wordt onderscheid gemaakt tussen A- en Bwatergangen. A-watergangen zijn de belangrijkste wateren met een afvoer van minimaal 30 liter per seconde of met een bijzondere functie. B-watergangen zijn minder belangrijke wateren met een afvoer tussen de 10 30 liter per seconde. Een A-watergang heeft een beschermingszone van 5 meter vanaf de insteek waarbinnen geen obstakels of bepaalde werkzaamheden zonder vergunning plaats mogen vinden in verband met o.a. het onderhoud aan de watergang. Gelet op de afstand tot zowel het oppervlaktewater als

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

47

de A-watergang en de daarbij aard en omvang van de voorgenomen ontwikkelingen, liggen (negatieve) effecten op betreffende oppervlaktewater niet voor de hand. Afvalwater Onderhavig bestemmingsplan voorziet de realisatie van een zorgboerderij en (zorg)camping binnen het plangebied. Gelet op het feit dat binnen het plangebied reeds bebouwing aanwezig is en in de directe omgeving van het plangebied ook bebouwing aanwezig is, is er reeds een rioleringsnetwerk aanwezig. In de gemeente Meierijstad is volgens het Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026, circa 40% aangesloten op een gescheiden stelsel. De gemeente werkt aan een volledig gescheiden stelsel. Gelet op het feit dat het plangebied is voorzien van bebouwing, kan gesteld worden dat de te realiseren gebouwen aangesloten kunnen worden op het bestaande rioleringsnetwerk. Het afvalwater afkomstig van de gerealiseerde gebouwen als de (zorg)camping, het theehuis en de zorgboerderij wordt via het rioleringsnetwerk afgevoerd. Grondwater De plangebieden zijn niet gelegen in een grondwaterbeschermings- of grondwaterwingebied. De voorgenomen ontwikkelingen zullen zowel kwantitatief als kwalitatief gezien geen significante invloed hebben op het grondwater.

Hemelwater Uitgangspunt met betrekking tot hemelwater is dat het in beginsel verboden is om vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. Daarom dient niet (enkel) te worden gekeken naar de toename in verharding ten opzichte van de huidige situatie maar naar de totale verharde oppervlakte in de toekomstige situatie. Onderhavig plan betreft de realisatie van een zorgboerderij en (zorg)camping. Op onderstaande figuur is de voormalige en de toekomstige bebouwing weergegeven. Hieruit blijkt dat er in het plangebied veel van de bebouwing op het perceel is gesaneerd. In de toekomstige situatie worden er enkele gebouwen toegevoegd. Tevens wordt er veel groen toegevoegd in het plangebied.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

48

Figuur 11:

Voormalige bebouwing (stippellijnen) en toekomstige bebouwing (wit)

Figuur 12:

Impressie amfibieënpoel

Naast de ruime afname van verhard oppervlak wordt er een amfibieënpoel aangelegd. Dieperskant 6 is gelegen in een kleinschalig cultuurlandschap, tussen het beekdal van de Aa en de Zuid-Willemsvaart in. Het is laaggelegen en het grondwater zit hoog (zie AHN). Naast de juiste beplanting in en om het erf, zoals bomen, hagen, struweel en kruidrijk grasland, biedt een poel ook meerwaarde voor de biodiversiteit in het gebied. Poelen zijn niet alleen belangrijk als voortplantingswater voor amfibieën. Poelen brengen variatie in een terrein. Meer variatie betekent altijd meer planten- en diersoorten. Poelen kunnen dienen als groeiplaats

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Dieperskant 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=eb0967cb-e810-4e3a-a7a1-83062a583112