Toelichting en bijlagen BP Bolst 15 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Î._Erdienen meer
akoestisch
de
hier voor
geen milieuhygiënische belemmeringen te zijn op het punt van de geurhinderproblematiek;
van
(agrarische) bedrijven
zoals onder
o
In de directe omgeving van Bolst 15 is op Bolst 11-13 een paardenhouderij gevestigd. Op een afstand van 675 meter is een zeugenhouderij gevestigd en op een afstand van 560 meter is een paardenhouderij gevestigd. Daarnaast is er op een afstand van 600 meter nog een vleesvarkensbedrijf gevestigd. Uit de geurberekening blijkt een geurbelasting van 5,3 odeur van de omliggende veehouderijen op bolst 15. De norm in het buitengebied van Veghel is 14 odeur
j.
Het gebruik niet een ontoelaatbare invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer en/of niet leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk; o Er is geen sprake van extra verkeer cq parkeerdruk omdat de werkzaamheden van de tijdelijke werknemers op de locatie zelf plaatsvinden.
k.
Er geen sprake is van zelfstandige wooneenheden; o De appartementen/studio’s zijn geen zelfstandige wooneenheden, maar voldoen aan de wettelijke regels, waarbij het kunnen aanbieden van huisvesting voor grooms wel een noodzaak is voor de opleidende instantie.
3. 4. 4 Bestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit In het bestemmingplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ van de Gemeente Meierijstad dat op 27 januari 2021 is vastgesteld zijn de volgende van belang zijnde artikelen opgenomen:
Artikel 8. Regels over agrarische bedrijfsmatige activiteiten 8. 1 a. bebouwing is alleen toegestaan binnen bouwvlakken o Na de vergroting van het bouwvlak is alle bebouwing binnen het bouwvlak gerealiseerd. 8. 1 d.
nieuwe bedrijfsbebouwing ia alleen toegestaan ten behoeve van een reëel agrarisch bedrijf of een nog te ontwikkelen reëel agrarisch bedrijf, onder de voorwaarde dat bestaande bedrijfsbebouwing eerst wordt aangewend ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. De adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen heeft hiervoor advies uitgebracht en o de al bestaande bedrijfsbebouwing wordt in de beoogde situatie aangewend voor de agrarische bedrijfsvoering.
8. 2
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m. b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 11 m. c. de dakhelling bedraagt minimaal 12.o Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning activiteit bouwen o verder beschreven.
8. 3 d. de bouwhoogte van stapmolens en longeercirkels mag niet meer bedragen dan 5 m. Hier wordt rekening mee gehouden en aan de regels voldaan. o
19
wordt dit
4. Planologische en milieu hygiënische aspecten. 4. 1
Bodem
In 1995 heeft de voormalige eigenaar van de locatie een verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren. Dit in verband met de toen voorgenomen nieuwbouw van stallen en uitbreiding van de woning. Uit de conclusies van dat onderzoek blijkt dat geen verhoogde concentraties zijn aangetroffen in de grond. In het grondwater zijn enkele stoffen zeer licht verhoogd aangetroffen. Op de locatie is geen sprake van een noemenswaardige verontreiniging, waarvoor geen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De voormalige eigenaar heeft verklaard dat na de herinrichting van de locatie in 1995, de locatie in gebruik is geweest als varkensbedrijf en er geen (ondergrondse) tanks zijn geplaats of in gebruik zijn geweest op de locatie. Dit onderzoek is als bijlage bijgevoegd. In verband met de voorgenomen uitbreiding van het bouwvlak en de bouw van een rijhal op het bouwvlak is in mei 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor deze uitbreiding. Dit onderzoek is als bijlage bijgevoegd. Uit het milieu-hygiënisch vooronderzoek blijkt dat ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak geen sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater.
Op basis van het milieu-hygiënisch vooronderzoek is geconcludeerd dat geen bodemverontreiniging verwacht wordt en de onderzoeks-locatie onderzocht dient te worden volgens de strategie “onverdacht, niet lijnvormig”. De bodem bestaat voornamelijk uit matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal is plaatselijk zwak tot matig bijmengen met baksteen aangetroffen. Verder zijn er zintuigelijk geen verontreinigingen waargenomen.
Op
basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Uit het analytisch onderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond en in het grondwater geen verontreinigingen zijn aangetoond. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoeks-locatie niet verontreinigd is en als ‘onverdacht’ kan worden beschouwd wordt bevestigd. Er bestaan dan ook géén belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Ten behoeve van de voorgenomen realisatie van de studio’s van de grooms in de varkensstal moet middels een verkennend bodemonderzoek aangetoond worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor wonen. Het later uitvoeren van dit bodemonderzoek is een acceptabel risico omdat ter plaatse geen dusdanige bodemverontreiniging verwacht wordt die een belemmering kan zijn voor de bestemmingswijziging naar wonen.
Uit vooronderzoek blijkt namelijk dat: • Bij de bouw in 1995 geen bodemverontreiniging is aangetroffen, • In de stal geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, De bodem vloeistofdicht is afgewerkt door een betonvloer op circa 0,5 meter onder • maaiveld als onderdeel van de mestkelder voor de opvang en afvoer van varkensmest, • Door de aanwezigheid van een betonvloer op circa 0,5 m-mv is het uitvoeren van bodemonderzoek en betonboring op dit moment niet uitvoerbaar. In overleg met de Omgevingsdienst Brabant Noord mag het noodzakelijke bodemonderzoek op een later tijdstip uitgevoerd worden maar uiterlijk voor de aanvraag van een omgevingsvergunning met de activiteit bouwen voor het realiseren van deze studio’s.
4. 2
Waterhuishouding
De
verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) geldend vanaf 25-11-2022 beschrijft in hoofdstuk 6 de afvoer hemelwater en grondwater. Er worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. 20
In artikel 6. 4 wordt het verbod op lozen van hemelwater op de riolering of openbaar terrein beschreven. 1. 2. a.
b. 3.
Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m 2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken. Voor het oppervlak aan groen dak (in m)2 wordt geen aanvullende hemelwatervoorziening vereist; Burgemeester en wethouders kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod zoals genoemd in het eerste lid ook geldt voor alle reeds bestaande bouwwerken en verharde oppervlakken, en/of een andere dan de in het vorige lid onder a genoemde verwerkingseis geldt.
Voor onderstaand initiatief is er geen gebiedsaanwijzing zodat dat er voor de hemelwateropvang rekening moet worden gehouden met ‘nieuw bouwwerk of nieuw verhard oppervlak’. De totale nieuwe verharding, rijhal, longeercirkel en erfverharding bedraagt 5. 400 m.2 Dit betekent dat er een hemelwatervoorziening van 5400 m 2 x 0,06 m = 324 m 3 gerealiseerd moet worden. Hiervoor worden een twee wadi’s aangelegd met een oppervlakte van in totaal 570 m 2 De wadi’s moeten dan een diepte van minimaal 57 cm krijgen. .
In het programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 worden o. a. de volgende punten beschreven: Vanuit de Wet milieubeheer (artikel 10. 33) heeft de gemeente de verplichting een Afvalwater: voorziening aan te bieden voor het inzamelen en transport van afvalwater. Hemelwater: Met een hoofdstuk van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (hoofdstuk 6) is per 1 juli 2021 de eigen verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar vergroot. De gemeente heeft hier een zorgplicht d. w. z. een regierol te vervullen. Grondwater:
Afvalwater: (Agrarische) bedrijven dienen te voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De algemene systematiek van het Activiteitenbesluit luidt: • Lozen in de bodem, op oppervlaktewater en hemelwaterriool is verboden, tenzij expliciet toegestaan • Lozingen op het vuilwaterriool zijn toegestaan onder voorwaarden van de zorgplicht, tenzij verboden
Conform het vorig gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) worden de volgende voorwaarden gehanteerd: a. Elk bedrijf mag maximaal 0,5 m³ per uur afvalwater op de drukriolering lozen b. Elk bedrijf heeft maximaal één aansluiting op de drukriolering c. Elk bedrijf heeft een zorgplicht op het voorkomen van afvalwater d. Bij een aanbod groter dan 0,5 m³ per uur dient het afvalwater op eigen terrein te worden gebufferd e. Wanneer buffering niet mogelijk is, kan de capaciteit van de drukriolering worden vergroot, of wordt gezocht naar alternatieve oplossingen. De kosten hiervoor zijn voor rekening perceeleigenaar. Hemelwater: Nieuwbouw: - Het is verboden om vanaf een nieuw particuliere en projectmatig bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein - De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m² verhard oppervlak) te kunnen verwerken - Indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod, ontheffing verlenen van het verbod - Voor het oppervlak aan groen dak (in m²) eisen wij geen (aanvullende) hemelwatervoorziening omdat wij een groen dak zien als een vorm van waterberging - Bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen
21
Het lozingsverbod geldt niet in geval van extreme neerslag (groter dan 60 mm). Het afvoeren van de overtollige extreme neerslag van de hemelwatervoorziening op eigen terrein en de gemeentelijke voorzieningen is alleen toegestaan na afstemming en met instemming van de beheerder en geschiedt bij voorkeur bovengronds. -
Dit is vastgelegd in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Voor een toename van meer dan 500 m² verhard oppervlak moet voldaan worden aan het beleid van de beide waterschappen. Onderstaand zijn de verschillende uitgangspunten voor de volledigheid opgenomen.
Tabel 4. 1: Uitgangspunten hemelwater bij nieuwbouw
Gemeente Tot 500 m2 500 m2 – 10. 000 m2 ➢ 10. 000 m2
Keur waterschap
60 mm berging verplicht Toepassen rekenregel Toepassen beleidsregel
De toename nieuw verhard oppervlak bedraagt 5. 400 m 2 zodat de rekenregel uit de Keur van het Waterschap moet worden toegepast.
Conform de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor het afvoeren van hemelwater luidt de rekenregel: Benodigde compensatie (in m)3
=
Toename verhard oppervlak (in m)2 *Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in
m) Bij de bepaling van de gevoeligheidsfactor, die benodigd is in de rekenregel moet gekeken worden naar de kaarten van de keur van het waterschap.
Figuur 4. 1: Gevoeligheidsfactor i. v. m. afvoeren hemelwater.
Hieruit blijkt dat er met drie verschillende gevoeligheidsfactoren rekening gehouden moet worden om de benodigde compensatie te kunnen berekenen. Tabel 4. 2 Berekening benodigde compensatie
Verhard oppervlakte 235 m 2 2805 m 2 2360 m 2 5. 400 m 2
Gevoeligheidsfactor 1/4 1/2 1
0,06 0,06 m 1 0,06 m 1 0,06 m 1 Totaal
Compensatie 3,53 m 3 84,15 m 3 141,60 m 3 229,28 m 3
Het gemeentelijkbeleid inzake het verbod op het lozen van hemelwater op de riolering en de toe te passen hemelwatervoorziening beschreven in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) stelt zwaardere eisen dan het waterschap. Derhalve wordt uitgegaan van het gemeentelijk beleid voor het opvangen van het hemelwater, de algemene regels van het Waterschap blijven eveneens van toepassing. 22
Dit kan gecompenseerd worden door een tweetal wadi’s te creëren. In de tekening zijn een tweetal wadi’s opgenomen met een oppervlakte van totaal ongeveer 570 m.2 Bij een gemiddelde diepte van 57 cm kan hier 324 m 3 waterberging gerealiseerd worden. Met het realiseren van deze twee wadi’s wordt voldaan aan de Verordening Fysieke Leefomgeving en het Programma Water en Riolering Meierijstad. Ten oosten van het plangebied loopt een A- watergang van het Waterschap. Aan weerszijden van deze watergang loopt een ruimtelijk relevante beschermingszone van 5 meter vanaf de insteek, waarin in verband met beheer een onderhoud géén nieuwe bebouwing of obstakels mogen worden geplaatst. Deze beschermingszone wordt uiteraard gehandhaafd en hier is met de landschappelijke inpassing rekening gehouden.
Figuur 4. 2: A-watergang ten oosten van de planlocatie
4. 3
Luchtkwaliteit
In het kader van de onderhavige planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen die gelden voor luchtkwaliteit. Hierbij dient de uitwerking op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de ‘Wet luchtkwaliteit’ in beeld te worden gebracht. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen het gevaar van luchtvervuiling. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijn stof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Ruimtelijke ingrepen dienen te worden beoordeeld op basis van de Wet milieubeheer artikel 5. 2 luchtkwaliteitseisen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering als: Er geen sprake is van een feitelijke dreigende overschrijding van een grenswaarde; Door toedoen van het project, al dan niet per saldo, de luchtkwaliteit niet verslechtert; Een uitoefening of toepassing ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 is vastgesteld.
Een wijziging of uitbreiding van een veehouderij kan effect hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het gaat daarbij om uitstoot van fijnstof door het houden van dieren en verslechtering van luchtkwaliteit door extra verkeer. Bij het realiseren van een nieuwe bron moet het effect op de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. De ontwikkeling mag niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (artikel 5. 16 Wet milieubeheer). Deze grenswaarden staan in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. In de veehouderij is voornamelijk fijnstof (PM10 en PM2,5) een factor die de luchtkwaliteit beïnvloedt. Ook stikstofoxide is een factor waar naar gekeken moet worden. 23
Voorschrift 4. 1 uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer geeft de grenswaarde van PM10. Voor zwevende deeltjes (PM) 10 gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens: 40 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie; • 50 microgram per m 3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
•
Voorschrift 4. 3 uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer geeft de grenswaarde van PM2,5. Voor zwevende deeltjes (PM) 2,5 geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt: •
25 microgram per m,3 gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.
Voorschrift 3. 1 uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer geeft de grenswaarde voor stikstofoxiden. Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km 2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft. In de referentiesituatie zijn er geen dieren meer vergund op de locatie. Het betreft een voormalige varkenshouderij met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Tabel 4. 3: In het verleden aanwezige dieren op de locatie.
Datum besluit
Diercategorie
Aantal
NH3
(kg/jr) 1-1-1997 D 3. 1 14-03-2006 D 3. 2. 12 11-12-2018 Bron (KRD Noord-Brabant)
emissie
Fijnstof
1. 120 1. 120
5. 040 1. 344
emissie (g/jr) 171. 360 171. 360
-
-
-
Geuremissie (ouE/s) 25. 760 25. 760 -
In de beoogde situatie worden er paarden gehouden die op de locatie getraind worden. Van paardenhouderijen zijn weinig emissiegegevens bekend, maar hiervan wordt de emissie niet als groot verondersteld door het RIVM (RIVM Rapport 2017-0062). Voor de meeste diercategorieën en stalsystemen zijn bij ministeriële regeling emissiefactoren vastgesteld. Emissiefactoren voor ammoniak zijn vastgesteld in de Regeling ammoniak en veehouderij en emissiefactoren voor geur zijn vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor emissie van fijnstof zijn factoren opgenomen in ‘Emissiefactoren fijn stof voor veehouderij’, een publicatie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Op 15 maart 2023 zijn de meest recente emissiefactoren voor fijnstof gepubliceerd door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Voor paarden en pony’s (hoofdcategorie K) zijn geen emissiefactoren vastgesteld voor fijnstof. Om een indicatie te kunnen geven van de emissie van de paardenhouderij is gekozen om een indicatieve berekening uit te voeren met de vastgestelde emissiefactoren voor de diercategorie ‘melken kalfkoeien ouder dan 2 jaar’ in overige huisvestingssystemen, permanent opstallen (A1. 100. 2). Dit resulteert in een fijnstofemissie van 148 gram per dier per jaar. 148 * 22 paarden geeft een totale fijnstofemissie van 3. 256 gram. Dit is 3,2 kilogram PM 10 per jaar. Een buitenrijbaan, longeercirkel en paddock kunnen bij droog weer stofoverlast geven. Deze overlast wordt beperkt door de bodem bij droogte te besproeien, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen.
24
Verkeersbewegingen Voor wat betreft de extra voertuigbewegingen is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. De NIBM-tool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. De NIBM-tool wordt jaarlijks door InfoMil geactualiseerd. De voertuigbewegingen bedragen maximaal 22 bewegingen per gemiddelde weekdag, dit is in paragraaf 4. 6 uiteengezet. De resultaten van de NIBM-berekening zijn weergegeven in tabel 4. 4.
Tabel 4. 4 : Berekening NIBM -tool
Toetsing aanvaardbaar woon-en leefklimaat Om de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie te kunnen beoordelen is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN-kaarten) van het RIVM. Op deze kaarten wordt de achtergrondconcentratie inzichtelijk gemaakt welke het gevolg is van de infrastructurele en bedrijvige omstandigheden ter plaatse. Uit de GCN-kaarten blijkt dat er in 2022 in de directe omgeving rondom de planlocatie sprake was van een achtergrondconcentratie van minder dan 18 µg/m3 voor PM10. Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Uit de GCN-kaarten blijkt dat er in 2022 sprake was van een achtergrondconcentratie van minder dan 10 µg/m3 voor PM 2,5. Voor PM 2,5 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 25 µg/m3.
Figuur 4. 3 Achtergrondconcentratie op planlocatie
Wat betreft NO2 geldt voor het jaargemiddelde eveneens een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor NO2 blijkt uit de GCN-kaarten dat in 2022 in de omgeving van de planlocatie sprake was van een 25
achtergrondconcentratie tussen 10 en 15 µg/m3. Er kan daarom geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie De beoogde ontwikkeling op Bolst 15 te Erp draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de GCN kaarten blijkt dat er zowel voor PM10, PM 2,5 als voor NO2 onder de grenswaarden wordt gebleven. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het initiatief derhalve doorgang kan vinden voor het aspect luchtkwaliteit.
4. 4
Geur
De wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de landelijk gestelde normen. De gemeente Meierijstad heeft een alleen voor het gebied ‘Veghels Buiten’ een gebiedsgerichte geurverordening opgesteld. Voor de planlocatie geldt deze gebiedsgerichte verordening niet, waardoor de landelijke normen gelden. Het begrip geurgevoelig object wordt omschreven als “gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt”. In artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij wordt hierover het volgende opgemerkt: “In afwijking van het tweede lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a.
Ten minste 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. Ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor paarden is geen geuremissiefactor vastgesteld. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt een
afstandseis. In artikel 4, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij wordt hierover het volgende opgemerkt: “De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: a. Ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. Ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen”. In artikel 4 van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt aangegeven dat de afstand, bedoeld in de artikelen 3, tweede en derde lid, en 4, eerste lid, van de wet wordt gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt. In artikel 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt aangegeven dat het emissiepunt het punt is waar een relevante hoeveelheid geur buiten het geheel overdekt dierenverblijf treedt, dan wel wordt gebracht.
26
Figuur 4. 4:. Bron pdok: Afstand emissiepunt tot geurgevoelig object.
De afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van het dierenverblijf tot het dichtstbijzijnde geurgevoelig object, betreffende een bedrijfswoning van een nabij gelegen paardenhouderij bedraagt 57 meter en voldoet daarmee aan de afstandseis van 50 meter buiten de bebouwde kom. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van geurgevoelige objecten. De individuele emissies van afzonderlijke bedrijven worden bij elkaar opgeteld, wat een cumulatieve geurbelasting op geurgevoelige objecten geeft. Dit is de zogenaamde achtergrondbelasting. Deze belasting geeft aan waar sprake is van overbelaste situaties en waar sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Onderstaande figuur geeft een uitsnede van de achtergrondbelasting op de planlocatie. Hieruit is op te maken dat de achtergrondbelasting in de vigerende situatie voor de nabijgelegen woning aan de Bolst 13, goed is.
27
Figuur 4. 5 : Achtergrondbelasting geur maart 2022, Omgevingsdienst Zuidoost Brabant.
In de beoogde situatie worden er ook studio’s gerealiseerd waar de grooms, voor de verzorging van de paarden, kunnen overnachten. In de Wet geurhinder en veehouderij betreft de bescherming tegen geurhinder van dierenverblijven van andere bedrijven. In de directe omgeving van de planlocatie zijn enkele paardenhouderijen gevestigd. De afstand tussen deze dierenverblijven en de studio’s bedraagt meer dan 100 meter. Omdat de studio’s wel een aanvaardbaar woon-en leefklimaat moeten hebben is er een berekening uitgevoerd waarbij de studio’s als geurgevoelig object zijn opgenomen. De geurnorm voor een geurgevoelig object in het buitengebied heeft als grens 14 OU/E m.3 Met het programma V3 Dit betekent Stacks Gebied 2010 is de achtergrondbelasting op de Bolst 15 berekend van 5,3 OU/m. E dat er sprake is van een geurhinder van 7-8% (Bron: Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij, bijlage 6). Uit onderstaande tabel volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Milieukwaliteit Zeer goed
Geurgehinderden % < 5
Goed
5 – 10 10-15 15-20 20-25 25-30 Slecht Zeer slecht 30-35 Extreem slecht 35-40 Tabel 4. 5 : Milieukwaliteit en geurgehinderden (Bron: GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2002). Redelijk Goed Matig Tamelijk slecht
Omliggende veehouderijen Het initiatief mag de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, waaronder mede begrepen het uitoefenen een (intensieve) veehouderij, niet beperken. Voor de Wet geurhinder en veehouderij is een veehouderij ‘een inrichting bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren’ (artikel 1 Wgv). Artikel 3, lid 2 van de Wgv geeft aan dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij tenminste 50 meter moet bedragen indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Aan deze afstandseis wordt voldaan.
Conclusie Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object is gelegen aan Bolst 13, te Erp op een afstand van 57 meter van het emissiepunt van het dierenverblijf. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Voor wat betreft de realisatie van studio’s voor de grooms is de afstand tot de dichtstbij gelegen veehouderij meer dan 50 meter. Dit betreft een paardenhouderij. De berekening van de achtergrondbelasting laat zien dat hier sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
28
Voor wat betreft het milieuaspect geur zijn er geen belemmeringen voor het voorliggend plan. Zowel de voor- als de achtergrondbelasting biedt geen belemmering voor het planvoornemen. Door het mogelijk maken van de huisvesting voor de grooms worden de ontwikkelingsmogelijkheden in de omgeving niet beperkt.
4. 5
Geluid
Het toetsingskader voor geluid bestaat uit vier stappen die beschreven staan in de VNG rapportage ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Een paardenhouderij valt in milieucategorie 3. 1 volgens de VNGpublicatie. Per stap wordt de geluidbelasting groter en daarmee neemt de onderzoeks- en motiveringsplicht toe. Het toetsingskader is afhankelijk van de gebiedstypering van de woonomgeving. De omgeving wordt aangemerkt als ‘Rustige woonwijk’, aangezien de projectlocatie is gelegen in een rustig buitengebied. Ten aanzien van de voorgestelde geluidgrenswaarde, uit stap 2, vinden er geen overschrijdingen plaats met de gevraagde activiteiten. Hierop uitgezonderd is de woning Bolst 13, alwaar in de dagperiode een overschrijding met het maximaal geluidsniveau plaatsvindt. Voor deze woning wordt verzocht voor het maximaal geluidsniveau aan te sluiten bij stap 3, aangezien dit een bestaande inrit is en de overschrijding enkel in de dagperiode plaatsvindt. Met de te bouwen studio’s worden er nieuwe geluidgevoelige objecten gecreëerd in de zin van de Wet geluidhinder, aangezien hier voor langere tijd grooms kunnen verblijven. Deze studio’s worden opgericht binnen de geluidzone voor wegverkeer van de Bolst. Hiervoor is een kwalitatieve beoordeling gemaakt. De Bolst is ter hoogte van de planlocatie een lokale weg enkel bedoeld voor bestemmingsverkeer.
Gelet op de relatief lage verkeersintensiteit, het geldende snelheidsregime van 60 km/uur en de afstand tot de doorgaande weg (210 meter ten opzichte van de doorgaande weg tot de studio’s) wordt daarom verwacht dat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai wordt voldaan. Een hogere waarde voor de geluidgevoelige studio’s is hiervoor niet noodzakelijk. Dit overwegende is met dit initiatief sprake van een goede ruimtelijk onderbouwing. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bijgevoegd.
4. 6
Verkeer en parkeren In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de verkeersafhandeling en het aspect parkeren van belang. Voor de verkeersgeneratie worden de CROW-normen gehanteerd die op dit moment van toepassing zijn. Aan de hand van ‘Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’, publicatie 317 van het CROW, wordt gekeken wat de geldende normen zijn. De gemiddelde dichtheid van adressen in de gemeente Meierijstad is 990 adressen per vierkante kilometer, dit houdt in dat de gemeente te typeren is als ‘weinig stedelijk’. Om
de parkeerbehoefte als gevolg van onderhavig initiatief te bepalen worden derhalve de parkeernomen uit de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ gehanteerd die op dit moment van toepassing zijn. De planlocatie is gelegen in het buitengebied. Onder ‘buitengebied’ wordt verstaan het gebied dat buiten de verkeerskundige bebouwde kom ligt. In Meierijstad wordt dan onderscheid gemaakt in centrum (met normering volgens schil/overloopgebied centrum), rest bebouwde kom en buitengebied. In bijlage 2 van de Nota zijn de parkeernomen genoemd voor auto’s bij sport, cultuur en ontspannen in het buitengebied. Voor een manege geldt parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per box. Op het bedrijf zijn 22 boxen aanwezig, waardoor de parkeerbehoefte uitkomt op 11 parkeerplaatsen. Op de tekening van paragraaf 2. 3 beschrijving planvoornemen zijn 12 parkeerplaatsen ingetekend met een breedte van 2,5m en een lengte van 5,5m. Voor de verkeersgeneratie geldt voor manege in niet stedelijk gebied, buitengebied, een verkeersgeneratie van 4,0 per box per weekdag. Hier dient echter worden aangetekend dat het initiatief geen manege betreft maar een paardenhouderij waarbij de paarden door de ondernemer en eventuele groom worden getraind. De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie zijn hierdoor vele malen lager dan uit de CROW publicatie blijkt.
In de beoogde situatie zijn er verkeersbewegingen noodzakelijk voor onder andere het aanleveren van het voer, etc. en afvoeren van containers met mest van de paarden. 29
Tabel 4. 6 Verkeersbewegingen in beoogde situatie.
Activiteit Wedstrijden Trainingen Aanvoer voer Afvoer mest Diverse Totaal vrachtwagens Personenwagens
1 x per week 1 x per week 1 x per 2 weken 1 x per 2 weken 1 x per maand 6 x per dag
8 bewegingen per maand 8 bewegingen per maand 4 bewegingen per maand 4 bewegingen per maand 2 bewegingen per maand 26 bewegingen per maand 360 bewegingen per maand
Conclusie. De parkeerbehoefte voor het initiatief (uitgaande van de norm manege) komt uit op 11 parkeerplaatsen. Op de locatie zijn 12 parkeerplaatsen beoogd.
4. 7
Natuur
De Wet natuurbescherming is sinds 1 januari 2017 van kracht. De wet vervangt drie wetten: De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. In de Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen voor activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plansoorten. Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dieren- en plantensoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Ook verplicht de wet de burger zorgplicht te dragen over de flora en fauna. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Natuurbescherming is onder te verdelen in: -
Soortenbescherming Gebiedsbescherming
Bescherming van bossen (houtopstanden).
De soortenbescherming richt zich op de bescherming van vogels volgens de Europese Vogelrichtlijn, soorten en planten volgens de Europese Habitatrichtlijn en soorten en planten en dieren die niet voorkomen in de Habitatrichtlijn. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000 gebieden (Vogelen Habitatrichtlijngebieden). Daarnaast is de provincie Noord-Brabant verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Als derde worden bossen beschermd. Alleen als bos buiten de bebouwde kom ligt, valt het onder de Wet natuurbescherming. De wet richt zich op het op peil houden van de totale oppervlakte aan bos in bosgebieden te beschermen. Er geldt een ons land. Het is geen regeling om bepaalde herbeplantingsplicht bij het kappen van bomen. Natura 2000 gebieden De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek bedraagt bijna 21 kilometer. Op een dergelijke afstand kan enkel de stikstofemissie van het bedrijf een negatief effect veroorzaken op de daar aanwezige flora en fauna.
30
Figuur 4. 6: Afstand planlocatie tot dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied.
Het planvoornemen zal leiden tot uitstoot van stikstof. Het voornemen van initiatiefnemer is om 22 paarden te houden op de planlocatie. De paarden, zonder afvoer van mest en leveringen van voer zoals hooi, hebben bij ministerieel besluit een dieremissiefactor toegekend gekregen. De Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) is gebaseerd op de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Hierin worden de emissiefactoren van diercategorieën en stalsystemen aangewezen. Voor paarden geldt een emissie jaar. Een eenvoudige rekensom geeft een totale ammoniakuitstoot van 110 kg NH 3 van 5,0 kg NHper 3 per jaar. Voor de eventuele stikstofemissie op de verschillende Natura 2000 gebieden is een Aerius berekening gemaakt. Hierbij is uitgegaan van de beoogde situatie met 22 paarden, het gebruik van een tractor en de bijbehorende verkeersbewegingen (zie tabel 4. 6). Uit de Aerius berekening, die als bijlage is bijgevoegd, blijkt dat er geen berekenbare depositie is op een Natura 2000 gebied. Wet ammoniak en veehouderij De Wet ammoniak en veehouderij biedt in artikel 2 mogelijkheden voor Provinciale Staten om gebieden aan te wijzen als zeer kwetsbaar gebied. Alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur kunnen als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen.
Ook wijst Provinciale Staten alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een Natura 2000- gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied aan als zeer kwetsbaar gebied. Een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij wordt geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 rond een zodanig gebied. De voorgenomen paardenhouderij bevindt zich op een ruime afstand van kwetsbare gebieden in de zin van de Wav. Het dichtstbijzijnde gebied nabij de Meerbosweg is gelegen op 3750 meter. Flora en fauna Voor de planlocatie is een ecologische quickscan beschermde flora en fauna uitgevoerd. Uit het ecologisch quickscan onderzoek komen wel belangwekkende planten- of diersoorten voor, zoals mogelijk een jaarrond beschermde verblijfplaats van huismussen in het woonhuis, maar dit betreft geen beschermde soorten die negatief benadeeld zouden kunnen worden door de beschreven ingreep en het toekomstig gebruik. Het betreft een neutraal ecologisch effect ten opzichte van de voorgaande situatie met varkenshouderij en meer intensief agrarisch gebruik van het erf en aanliggend perceel (het huidige grasland). Het is zelfs mogelijk dat het nieuwe erf met paardenhouderij er qua natuurwaarden op vooruit zal gaan.
Paardenstallen en voeropslag trekken bijvoorbeeld meer huismussen en zwaluwen aan. In de bijlage is de rapportage van het quickscan onderzoek opgenomen. 31
Conclusie Onderhavig initiatief heeft geen nadelige effecten op nabijgelegen natuurgebieden.
4. 8
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het doel van het Bevi is om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo’n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming individuen (plaatsgebonden risico’s) en groepen personen (groepsrisico’s). In de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen verder uitgewerkt. Voor zogenaamde ‘categoriale inrichtingen’ geeft de Revi tabellen met vaste veiligheidsafstanden. De Risicokaart toont risicosituaties die kunnen leiden tot rampen en crises. Op de planlocatie komen geen
risico’s voor.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Deze gelden vanaf 1 april 2015. De dichtstbijzijnde transportroute van gevaarlijke stoffen – weg, spoor, water is gelegen op meer dan 3 km van de planlocatie. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Vanaf 1 januari 2011 geldt het Bevb en bijbehorende regeling. Hierin staan regels over de externe veiligheid rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Het Bevb sluit zoveel mogelijk aan bij het Bevi. Het inhoudelijke beleid komt op hoofdlijnen overeen met het beleid voor andere situaties met gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde transportroute van gevaarlijke stoffen - buisleidingen ligt op meer dan 1 km van de planlocatie. Gezien deze afstand wordt hier verder niet ingegaan op de regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen.
32
Figuur 4. 7 : Bron atlas leefomgeving: Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten
4. 9
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie Het plangebied is onderdeel van een oude ontginning en wordt al vanaf 1900 gebruikt als agrarische grond. Op kaarten van 1920 en 1940 is het halfopen karakter met grillig verloop van verkaveling en wegenstructuur goed te zien.
Figuur 4. 8 : plangebied in 1920 en 1940 bron. Inrichtingsplan Bolst 15 (2023)
Het plangebied is niet als waardevol aangegeven provincie Noord-Brabant.
op de
cultuurhistorische waardenkaart van de
Uit de informatie van het Brabants Historisch Informatie Centrum blijkt dat de naam Bolst al heel lang (14 e eeuw) als plaatsbepaling in de nabijheid van Erp voorkomt. Bolst is een buurtschap dat deels valt onder Mariaheide en deels onder Erp. Archeologie Op het vergrote bouwvlak ligt voor een gedeelte de dubbelbestemming ‘Archeologie-3’ en voor een gedeelte de dubbelbestemming ‘Archeologie-4 ‘. 33
Voor Archeologie 3 zijn de volgende bouwregels van toepassing: Op de in Archeologie -3 aangewezen gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a) Ver-/nieuwbouw van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd; b) De bouw van een bouwwerk tot maximaal 250 m2 of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk tot maximaal 250 m2; c) De bouw van een bouwwerk, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Voor Archeologie 4 zijn de volgende bouwregels van toepassing: Op de in Archeologie 4 aangewezen gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a) Ver-/ nieuwbouw van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd; b) De bouw van een bouwwerk tot maximaal 10. 000 m2 of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk tot maximaal 10. 000 m2; c) De bouw van een bouwwerk, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld.
In zowel Archeologie-3 als Archeologie-4 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de bouwregels voor het bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a) Er is op basis van archeologisch onderzoek aangetoond dat ter plaatse geen behoudens waardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b) Er is op basis van archeologisch onderzoek aangetoond dat de archeologische waarden niet of niet evenredig worden geschaad, of; c) Er is door technische maatregelen of een archeologische opgraving gegarandeerd dat de op basis van archeologisch onderzoek vastgesteld archeologische waarden worden veiliggesteld en/of beschermd. Voor de planlocatie is recent een archeologisch bureauonderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het concept-rapport van dit onderzoek is in de bijlage bijgevoegd. Op basis van de resultaten en conclusies van dit archeologisch onderzoek is het volgende geadviseerd:
‘De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. In de boringen is nog een restant van een B-horizont, al dan niet verploegd, waargenomen. Slechts plaatselijk is de top van een Chorizont ook opgenomen in de ploeglaag. Op basis van deze bodemopbouw is er een reële kans dat archeologische resten nog aanwezig zijn’. Gezien
de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Het concept-rapport van het archeologie onderzoek wordt ter beoordeling aan de gemeente Meierijstad overhandigd. De resultaten van dit onderzoek en eventueel vervolgonderzoek op basis van het Programma van Eisen worden meegenomen bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouw.
4. 10
Kabels en leidingen
Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: 34
a.
b. c.
d. e.
hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.
Op de planlocatie is een riooltransportleiding aanwezig. Deze heeft op de plankaart van het bestemmingplan Buitengebied Veghel de dubbelbestemming Leiding- Riool. Met het opstellen van het erfinrichtingsplan is hier rekening mee gehouden. Bij het aanbrengen van de wadi wordt rekening gehouden met de minimale dekking van de leiding van 1 meter, en binnen de zakelijk recht-strook van 3,5 m (hart op hart) worden geen bomen of opstallen geplaatst. De geplande locatie van de rijhal heeft geen invloed op deze riooltransportleiding. Zie kaartje van paragraaf 2. 3.
4. 11
Volksgezondheid in relatie tot agrarische bedrijven
De gezondheidsrisico’s voor omwonenden van grootschalige veehouderijen zijn onderwerp van maatschappelijke discussies. Omdat er geen gezondheidsrisico’s mogen ontstaan als gevolg van de exploitatie van een veehouderij is dit één van de aspecten die in de voorbereiding op een ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied beschouwd dient te worden. Een verhoogd risico voor de volksgezondheid kan spelen bij de ontwikkeling of uitbreiding van een veehouderij, maar ook bij de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming. Bij dit laatste valt te denken aan de uitbreiding van een dorpskern of de vestiging van een nieuwe woning. In die gevallen is de zogenaamde ‘omgekeerde werking’ aan de orde. Endotoxine Uit verkennend onderzoek naar gezondheidseffecten bij omwonenden van veehouderijen is naar voren gekomen dat een te hoge blootstelling aan endotoxine negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mensen. Op dit moment is er nog geen officiële norm of grenswaarde om de blootstelling aan endotoxine aan te toetsen. Ook is er geen methode vastgesteld om de blootstelling te bepalen. Wel heeft De Gezondheidsraad, een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan, een voorlopige advieswaarde voor de algemene bevolking afgeleid van 30 EU/m³ (endotoxinen units per kubieke meter lucht). In de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.
0’ is een beoordelingskader opgenomen. Omdat endotoxine zich hechten aan fijnstofdeeltjes en grovere stofdeeltjes, verspreidt endotoxine zich met de stofdeeltjes naar de omgeving. Uit onderzoek beschreven in de Notitie blijkt dat op basis van de fijnstof emissie (bronsterkte) de aan te houden afstand is te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen. Hiermee kan dus aan de hand van fijnstof emissie worden geschat op welke afstand van een bedrijf de advieswaarde van 30 EU/m³ voor de concentratie endotoxine wordt overschreden.
Om de minimale afstand te berekenen tot veehouderijen met vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens worden de volgende formules toegepast (Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0): Vleeskuikens (variabele emissie): y = 6,46065585*x^0,49242746; Leghennen (constante emissie): y = 14,1291356*x^0,31511434; Vleesvarkens (constante emissie): y = 60,0608184*In(x)-231,712643 x=PM emissie (y=afstand (m); 10 (kg/jaar)) 35
Voor paarden is geen fijnstof emissie factor vastgesteld. Er valt dus geen minimale afstand te berekenen om een te hoge blootstelling aan endotoxine vast te stellen. Zoönosen bij paarden Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overgebracht kunnen worden. Voorbeelden daarvan zijn de ziekte van Lyme en het West Nijl Virus. Van oudsher is er veel contact tussen mensen en paarden. Daarom is onderzoek naar het voorkomen van zoönosen in de Nederlandse paardenhouderij van belang. Daarbij valt te denken aan ziektekiemen die via de ontlasting worden uitgescheiden zoals salmonellabacteriën, maar ook aan ziektekiemen die zich in paarden kunnen vermenigvuldigen en vervolgens door insecten of via de lucht worden overgedragen op de mens. Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Veehouderijen hebben zowel positieve als negatieve gezondheidseffecten op hun omgeving. Astma en neusallergie komen minder vaak voor bij mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Daarnaast hebben echter de uitstoot van fijnstof en endotoxinen negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden.
Bij ontwikkelingen of planvorming van veehouderijen is het belangrijk om mogelijke gezondheidseffecten in een risicoinventarisatie en -evaluatie af te wegen, rekening houdend met de lokale omstandigheden. Met doorlopen van het stappenplan uit de Handreiking kan op een eenvoudige manier worden herleid of het wenselijk is om een advies in te winnen bij de GGD over deze ontwikkeling. De volgende aspecten worden in het stappenplan meegenomen in de afweging of er advies moet worden ingewonnen bij de GGD. 1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand; a. Het betreft hier een paardenhouderij 2. Toename in emissie van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; a. Onder de vigerende functieaanduiding intensieve veehouderij zijn er op de locatie altijd vleesvarkens gehouden. Sinds 2018 is dit echter niet meer de praktijk. Er is dus sprake van een toename sinds 2018. 3. De wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; a. In de handreiking wordt gekeken naar de afstand vanaf de rand van het bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming. In de Regeling geurhinder en veehouderij wordt de afstand bepaald tussen het emissiepunt en de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming. 4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een inrichting. a. Er worden enkel paarden gehouden 5.
Geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming, of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter van woon- of verblijfsruimten van derden. a. Er bevinden zich geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer. Er zijn ook geen pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer. Wel bevindt zich een woonbestemming binnen 250 meter van de veehouderij. 6. De aanwezigheid van mestbe- en verwerking; a. Dit is hier niet aanwezig. 7. Ongerustheid bij omwonenden. a. Hiervan is tijdens de omgevingsdialoog niets gebleken. De gemeente Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Uit dit afwegingskader volgt dat er op grond van 36
een zorgvuldige
afweging en eventueel maatwerk er wellicht ruimte is om ruimtelijke ontwikkelingen wel toe te staan binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij. Binnen de straal van 2 km is geen geitenhouderij gelegen. De gemeente heeft reeds een advies bij de GGD ingewonnen. Dit advies is als bijlage opgenomen. Uit dit advies zijn de volgende opmerkingen over genomen. De GGD vindt dat het voldoen aan de milieuwetgeving niet automatisch betekent dat er • sprake is van een verantwoord woon-en leefklimaat. De GGD maakt bij haar advisering ter bescherming van de volksgezondheid gebruik van gezondheidskundige advieswaarden waar enkel gezondheidsaspecten aan ten grondslag liggen. • Voor paarden geldt een afstandscriterium. De GGD houdt een afstand aan van 100 meter, uit de Wet geurhinder en veehouderij is deze afstand buiten de bebouwde kom 50 meter. In de beoogde situatie is het dichtstbijzijnde geurgevoelig object een bedrijfswoning van een nabij gelegen paardenhouderij op 57 meter. De achtergrondgeurbelasting ligt tussen de 3-7 OUE/m3 en voldoet daarmee aan de aan het maximum percentage geurgehinderden in het buitengebied. (20%). • De door de GGD en WHO aanbevolen advieswaarden fijnstof zijn lager dan de wettelijke advieswaarden. Uit de GCN-kaarten blijkt dat de achtergrondconcentratie boven de door de GGD aanbevolen advieswaarde ligt, zoals overig op veel plekken in Nederland.
Voor geluid worden vanuit gezondheid de volgende advieswaarden geadviseerd, • namelijk 50 dB Lden (als gemiddelde waarde voor de hele dag) en 40 dB als Lnight. Bij een etmaalwaarde van 48 dB wordt deze ruimschoots gehaald. Bij 48 dB etmaalwaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt de Lnight 38 dB. Uit de kwalitatieve beoordeling wordt de oprichting van de studio’s voor de grooms in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid niet bezwaarlijk geacht. De gemeente heeft op basis van het advies van de GGD aangegeven geen bezwaar te hebben.
4. 12
Bedrijven en milieuzonering In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Voor een paardenhouderij geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geur, een richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid en een richtafstand van 0 meter voor het aspect gevaar. Deze richtafstand behoort bij het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. In de directe omgeving is op de locatie Bolst 13 ook een paardenhouderij gevestigd. De afstand tussen de grens van de bestemming van Bolst 15 tot aan de gevel van de woning op Bolst 13 bedraagt 19 meter.
Ook op de locatie Bolst 11 is een paardenhouderij gevestigd. De afstand van de grens van de bestemming van Bolst 15 tot aan de gevel van de woning op Bolst 11 bedraagt 50 meter. Daarnaast is op een afstand van ruim 75 meter een woonbestemming op Bolst 23. Voor het aspect geluid wordt de richtafstand ten opzichte van de woning op Bolst 13 niet gehaald. Omdat er niet voldaan wordt aan deze richtafstand is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bijgevoegd en wordt in paragraaf 4. 5 beschreven.
37
Voor het aspect geur (50 m) en stof (30 m) wordt de richtafstand ook niet behaald ten opzichte van de woning op Bolst 13. In paragraaf 4. 4 is het aspect geur verder uitgewerkt en wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4. 3 is de luchtkwaliteit verder beschreven en blijkt de beoogde ontwikkeling op Bolst 15 niet in betekenende mate bij te dragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Eveneens dient aangetoond te worden dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkeling worden beperkt. De aanwezige bedrijfswoning is een geurgevoelig object voor omliggende veehouderijen. De studio’s worden gerealiseerd in de bestaande bedrijfsgebouwen. Er moet gekeken worden naar de ontwikkelingsmogelijkheden voor de omliggende bedrijven en naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de studio’s. De studio’s worden gerealiseerd in de bestaande, zuidelijk gelegen stal. Hiermee wordt de afstand ten opzichte van de bedrijven gelegen op Bolst 11 en 13 aanmerkelijk vergroot in vergelijking met de bestaande bedrijfswoning. De afstand t. o. v. andere bedrijven is minimaal 50 meter waardoor zoals ook al beschreven in de paragrafen 4. 3 luchtkwaliteit, 4. 4 geur en 4. 5 geluid de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet beperkt worden door voorliggend plan.
4. 13
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen
Onderhavig
voornemen voorziet in de herziening van een intensieve veehouderij naar een paardenhouderij. Op deze paardenhouderij, waar paarden afgericht en getraind worden is er ook een mogelijkheid voor de grooms, die aanwezig zijn voor de verzorging van de paarden, om te kunnen overnachten. Hierdoor wordt er ook een gevoelig object mogelijk gemaakt. De studio’s van de grooms liggen in het midden van het plangebied. Naast deze studio’s worden de paddocks voor de paarden gerealiseerd. Op de paddocks worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. De afstand tot het naastgelegen agrarische perceel van derden (kadastraal nummer 106) bedraagt meer dan 75 meter en de afstand tot het perceel van derden tegenover de planlocatie (kadastraal nummer 1267) ligt op meer dan 50 meter van het gebouw waar de grooms worden gehuisvest zodat in de directe omgeving van het bouwvlak geen gronden zijn waar mogelijk sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het plan.
4. 14
Milieueffectrapportage en vormvrije m. e. r. -beoordeling Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m. e. r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m. e. r. ) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m. e. r. in werking getreden. Een m. e. r. -procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m. e. r. moet worden uitgevoerd. De artikelen 7. 16 tot en met 7. 20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m. e. r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. In de gewijzigde Besluit m. e. r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m. e. r. -beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m. e. r. -beoordeling aan de orde is moet: -
-
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m. e. r. -beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. De initiatiefnemer het (vormvrije) m. e. r. -beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7. 28 Wet milieubeheer).
De aanmeldingsnotitie is vormvrij, maar heeft wel een aantal inhoudelijke voorwaarden. De aanmeldingsnotitie moet in ieder geval informatie bevatten over de kenmerken van het project, de plaats 38
van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit, conform bijlage III van de Europese m. e. r. -richtlijn. Per geval moet worden bekeken hoe uitgebreid de effecten in de notitie
beschreven moeten worden. In onderhavige situatie is sprake van de oprichting van een paardenhouderij. Deze activiteit komt voor in tabel D van de lijst met m. e. r. -plichtige activiteiten. In kolom 2 van deze activiteit D14 ( de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren) staat dat dit alleen betrekking heeft op de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 12.o 100 stuks paarden of pony’s. Dit initiatief blijft onder de genoemde drempelwaarde. Conform artikel 2, vijfde lid van het Besluit m. e. r. moet het initiatief aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m. e. r. worden getoetst of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden door de voorgenomen activiteit.