CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting BP Zwembadweg, Sint-Oedenrode

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en Beeldkwaliteitsplan Zwembadweg Sint-Oedenrode29.370 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb).

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Hoofdstuk 4

31

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Soortgroep

Algemeen

Potentieel

Sprake van

Vervolgtraject / maatre-

Bijzonderheden /

aanwezig

overtreding

gelen

opmerkingen

Ja

Te voorkomen

Plangebied buiten broed-

Globale broedseizoen loopt van

seizoen bouwrijp maken

maart tot half augustus

Broedvogels

of controle vooraf Jaarrond be-

Ja

Mogelijk

schermd Verblijfplaatsen

Ja

Mogelijk

Vleermuizen

Vervolgonderzoek naar

Bij aanwezigheid is voor de sloop

huismus en gierzwaluw

een ontheffing nodig

Vervolgonderzoek naar

Bij aanwezigheid is voor de sloop

gebruik van woning aan

een ontheffing nodig

Zwembadweg 21 door vleermuizen Foerageerhabi-

Ja

Te voorkomen

tat Vliegroutes Grondgebonden

Licht gericht of uitstralend

-

op opgaand groen dient te Ja

Te voorkomen

Ja

Mogelijk

zoogdieren

worden vermeden

-

Vervolgonderzoek naar

Bij aanwezigheid is voor bouwrijp

marterachtigen

maken van het terrein een ontheffing nodig; Zorgplicht heeft betrekking op een soort als de egel

Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Tabel 4.1 Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

In tabel 4.1 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Hoofdstuk 4

32

Conclusie Op basis van het uitgevoerde verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) kan, gelet op de potentiële ecologische waarden, het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen en watergangen langs de Zwembadweg en Koningsvaren te worden vermeden;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen;  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten.

Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;  Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling zijn overtredingen ten aanzien van wezel, bunzing en steenmarter op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Naar aanleiding van bovenstaande conclusies uit het verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan), is door BRO een soortspecifiek onderzoek uitgevoerd in het seizoen van 2021, om de aan- of afwezigheid van de betreffende soort(groep)en vast te stellen dan wel met voldoende zekerheid uit te sluiten. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 5 van deze plantoelichting. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen nestlocaties van huismus, gierzwaluw, dan wel rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot huismus, gierzwaluw en een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen met betrekking tot deze soort(groep)en. Wel dienen er maatregelen te worden genomen om verstoring van de vliegroute op de zuidgrens van het plangebied te voorkomen. Om deze verstoring te voorkomen is er in het stedenbouwkundig plan en bestemmingsplan aan de zuidgrens een groenstrook opgenomen waarbinnen het opgaand groen kan worden behouden.

De vleermuizen kunnen in de toekomstige situatie nog steeds langs deze rand naar het Kienehoef park vliegen. Een lichtplan dient in samenspraak met een ecoloog hierop te worden afgestemd. Tevens dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:  De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus;  Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.

Hoofdstuk 4

33

4.5 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Regionaal Water en bodemprogramma 2022-2027 van Provincie Noord-Brabant het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.

Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Waterschap De Dommel Waterbeheerprogramma 2022-2027 – Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.

De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.

Hoofdstuk 4

34

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:  Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt  Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan  Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar MiddenBrabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.

De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:  van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.  van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.  van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet afhankelijk van de werkzaamheden een vergunning aanvragen.

De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerders. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal

Hoofdstuk 4

35

worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Gemeente Meierijstad Programma Water en Riolering 2022-2026 De gemeente Meierijstad heeft een Programma Water en Riolering voor de periode 2022-2026, waarin het beleid ten aanzien van vuil-, grond- en hemelwater is vastgelegd. Dit is grotendeels overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Verordening fysieke leefomgeving De gemeente Meierijstad heeft op 1 juli 2021 de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld. In deze verordening is opgenomen dat een eigenaar van een perceel verplicht is het hemelwater op eigen terrein te verwerken. De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m 2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp ten minste 20 mm (per m 2 verhard oppervlak). In het geval van Koningsvaren-Zwembadweg zijn de regels van de Keur leidend.

Binnen de waterketen en het watersysteem benut men de economische potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te (her)gebruiken voor recreatie en toerisme. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Doorwerking plangebied Aeres Milieu3 heeft een onderzoek uitgevoerd, voor het plangebied.

Door middel van een waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze plantoelichting.

3

Infiltratieonderzoek en waterparagraaf Zwembadweg, Sint-Oedenrode (Aeres Milieu, 16 mei 2023)

Hoofdstuk 4

36

Het plangebied ligt in het noordwesten van Sint Oedenrode. Ten zuiden grenst het plangebied aan de woonwijk langs de Mahlerplein en Brahmsstraat. Aan de westzijde ligt de Koningsvaren en ten oosten de Zwembadweg. Deze wegen komen in de noordpunt van het plangebied bij elkaar. Binnen het plangebied zijn lokaal veel hoogteverschillen aanwezig. Gemiddeld ligt het maaiveld op circa 10,4m +NAP. Het hoogste punt is circa 10,6 m +NAP en betreft de toegangsweg centraal binnen de onderzoekslocatie. Het laagste gedeelte ligt in het zuidelijk terreindeel waar het maaiveld vanaf de onverharde weg afloopt naar circa 9,7 m +NAP. De huidige woning (nr. 21) ligt op ca. 10,2 m +NAP. De Koningsvaren en Zwembadweg liggen op circa 10,4-10,6 m +NAP. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Op basis van de bekende gegevens wordt geadviseerd om delen van het plangebied op te hogen of dient een beter beeld verkregen te worden van de grondwaterfluctuatie middels een grondwatermonitoring. Op basis van de verwachte GHG op 9,4 m +NAP is voor de wegen derhalve een peil van minimaal 10,4 m +NAP geadviseerd (gelijkaardig aan bestaande woonkavels).

Door de woningen minimaal 20 centimeter boven kruin van de nabijgelegen weg te bouwen wordt voldaan aan de geadviseerde ontwateringsdiepte en wordt tevens de kans op instroom bij hevige neerslag verder ingeperkt. Grondwater Om grondwateroverlast zoveel mogelijk te vermijden, wordt er een minimale drooglegging geadviseerd van 50 centimeter bij tuinen en 70 centimeter bij bebouwing met kruipruimte. Binnen of nabij het plangebied zijn geen grondwatermeetgegevens bekend waardoor uit de beschikbare data alleen een inschatting van de grondwaterstanden kan worden gemaakt door extrapolatie. Uit deze gekende kaartgegevens blijkt dat de GHG dichtbij het maaiveld ligt met een gemiddelde grondwaterstand van 1 m-mv. In september 2009 is het grondwater op ca. 1,7-2 m-mv aangetroffen. Bij de uitvoering van het infiltratieonderzoek in oktober 2021 is de grondwaterstand aangetroffen op circa 0,7 tot 1,0 m -mv. In april 2020 is de nabijgelegen wijk Kienehoef klimaatrobuust gemaakt. Hierbij is het hemelwater afgekoppeld en is als GHG 9,4 m +NAP aangehouden. Het waterpeil in de oostelijk gelegen vijver Kienehoef bedraagt 9,5 met een knijpconstructie (lopstuw) op 9,6 m +NAP. Op basis van de gekende grondwatergegevens is het grondwater ter plaatse tussen de 8 en 9,4 m +NAP te verwachten. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

Zover bekend is ter plaatse geen (grond)waterverontreiniging aanwezig. Gezien de verplichting tot waterretentie op eigen terrein en de verwachte matige tot goede doorlatendheid is het uitvoeren van enkele infiltratiemetingen in het veld geadviseerd om de daadwerkelijke infiltratiemogelijkheid te bepalen. De uitgevoerde infiltratiemetingen zijn beschreven in de onderzoeksrapportage.

Hoofdstuk 4

37

Oppervlaktewater Tussen het plangebied en de Zwembadweg (oostelijk) is een B-watergang aanwezig. Aan de oostzijde van de Zwembadweg is het Park Kienehoef aanwezig met een groot oppervlaktewater (recreatievijver). Deze heeft een waterpeil van 9,5-9,6 m +NAP en stroomt middels een ondergrondse duiker van 400 mm in de A-watergang welke noord- en westelijk aan de plangebiedzijde stroomt. Het oppervlaktewater stroomt verder af in westelijke richting. Westelijk is voor een ontsluiting naar de Koningsvaren een duiker aanwezig. De A-watergang heeft een beschermingszone van 1 meter aan de plangebiedzijde en van 5 meter aan de wegzijde van de Koningsvaren. Binnen een beschermingszone is het niet toegestaan om obstakels te plaatsen, zodat onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden. De bescherming van het oppervlaktewater en de onderhoudsstrook van de A-watergang en beschermingszones zijn geregeld middels de Keur. Het is niet toegestaan om werkzaamheden binnen of nabij het oppervlaktewater uit te voeren zonder expliciete toestemming van het waterschap. Het (direct) lozen van hemelwater is alleen toegestaan met de toestemming van het waterschap, waarbij de waterkwaliteit niet mag verslechteren. Afvalwater De bestaande bebouwing in de omgeving is aangesloten op een gescheiden vrijvervalrioolstelsel. Zuidelijk is binnen het plangebied reeds een gescheiden vuilwater- en infiltratieriool aanwezig.

Dit afvalwaterstelsel stroomt naar het zuidwestelijk gelegen Mahlerplein af en het hemelwaterriool stroomt oostelijk af naar de bestaande vijver van het Kienehoef park middels een duiker van 400 mm onder de Zwembadweg. Noordoostelijk op circa 42 meter van de plangrens ligt een gemeentelijk rioolgemaal. Deze heeft in zuidelijke richting middels een duiker tevens een overstort in de A-watergang welke noordwestelijk nabij het plangebied stroomt. Vanuit het waterschap wordt geadviseerd om zeer terughoudend te zijn met het toestaan van nieuwe geurgevoelige objecten in de directe omgeving in verband met geurhinder (en in mindere mate ook voor geluid en trillingen). De geuremissie op een rioolgemaal is per rioolgemaal verschillend en wordt bepaald door de aanvoersituatie. Bij een vrijvervalstelsel wordt als benodigde vrije zone 30 meter gehanteerd. Bij aansluiting van drukriolering of functioneren als tussengemaal is het advies een vrije zone van 50 meter. De afstand tussen nieuwe bebouwing en open retenties, helofytenfilters en uitmondingen van overstorten en bergbezinkbassins dient ten minste 50 meter te bedragen. De afstroom door de A-watergang vanaf de overstort nabij het plangebied is eigenlijk ongewenst. Gezien er reeds een bestaande woningbouw aan de overzijde van de overstort aanwezig is zonder gekende klachten, is bij het plangebied ook geen concrete overlast te verwachten.

Bovendien wordt aan de noordzijde van het plangebied een groenstrook aangelegd van ca. 30 meter. In totaal komen gevoelige functies op ten minste 70 meter van het gemeentelijk vuilwatergemaal te liggen. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Door de bouw van de woningen zal de afvalafvoer toenemen tot circa 3,3 m 3/u (0,92 l/s). Binnen het plangebied is reeds deels een rioolstelsel aangelegd waarin de toename aan vuilwater verwerkt kan worden. Voor de aansluiting op

Hoofdstuk 4

38

het gemeentelijke rioolstelsel dient te zijner tijde een aanvraag te worden ingediend bij de gemeente Meierijstad. Hemelwater en infiltratieonderzoek Met de realisatie van het planvoornemen zal het verhard oppervlak binnen het plangebied toenemen. Verhard oppervlak zorgt voor een versnelde afvoer van hemelwater welke conform het actuele beleid van het waterschap en de gemeente gecompenseerd dient te worden (klimaatadaptief ontwikkelen). Het huidige verhard oppervlak is vastgesteld door middel van een recente luchtfoto. De toekomstige verharding is vastgesteld op basis van het stedenbouwkundig plan en onderstaande uitgangspunten. Voor het verhard oppervlak in het openbaar gebied is uitgegaan van:  Half open parkeerplaatsen: - Geen bergend vermogen aan toerekenen - Oppervlakte half open parkeerplaatsen voor de helft tellen - Verharding / duikers B-watergang aan de Zwembadweg voor 10% verharding tellen i.v.m. o.a. nieuwe inritten De verharding op de woonpercelen werd eerst op eigen terrein verwerkt. Insteek is nu om dit in het openbaar gebied aan te leggen. Voor het verhard oppervlak op de meeste woonpercelen is gerekend met een % verharding per perceel per type:  Halfvrijstaand: 80%  Rijwoningen (incl. sociale huur): 90%  Appartementen / rug-aan-rug: 100% 11 percelen zijn groter dan 300 m 2 (vrijstaande woningen) en deze percelen dienen hun eigen hemelwater te verwerken.

Onderstaande tabellen geven een overzicht van het verhard oppervlak in de huidige en toekomstige situatie weer voor het overige uitgeefbaar terrein en openbaar gebied.

Tabel 4.2 Overzicht bestaand verhard oppervlak in het plangebied

Tabel 4.3 Overzicht oppervlak uitgeefbaar gebied

Hoofdstuk 4

39

Tabel 4.4 Overzicht oppervlak openbaar gebied in het plangebied

Uit de tabel is af te leiden dat het totaal verhard oppervlak circa 19.783 m 2 bedraagt (exclusief de vrije, grotere woonkavels). In het totaal verhard oppervlak zijn de half open parkeerplaatsen geheel opgenomen. Deze worden gezien hun waterdoorlatende fundering als 50% verhard gerekend waardoor het in openbaar gebied te verwerken oppervlak 19.783-715= 19.068 m2 bedraagt. Ter compensatie dient een hemelwatervoorziening voor een bui van 60 mm, zijnde circa 1.144 m3, aangelegd te worden. Uit het infiltratieonderzoek kan worden geconcludeerd dat een infiltratievoorziening beperkt toepasbaar is binnen het plangebied door de leemlaag in de ondiepe ondergrond. Voorts dient rekening gehouden te worden met een verwachte GHG op 9,4 m +NAP. Hemelwater wordt voornamelijk noorden centraal oostelijk horizontaal verwerkt in het bodemtraject tot 1,5 m-mv. West- en zuidelijk is een matig tot slechte horizontale doorlatendheid gemeten met een slechte verticale doorlatendheid. Gemiddeld kan een k-waarde van 0,7 meter per dag (inclusief veiligheidsfactor) aangehouden worden. Geadviseerd wordt om op een hemelwatervoorziening naast een noodoverloop tevens een vertraagde leegloop aan te leggen voor langdurig natte periodes. Ter plaatse wordt hemelwater bij de nieuwbouw gescheiden gehouden.

Naast het zoveel mogelijk beperken van nieuwe, gesloten verharding en eventueel hergebruik inpandig of voor de tuin en/of sedumdaken zijn hieronder enkele mogelijke HWA-voorzieningen opgesomd voor de lokale hemelwaterverwerking:  Groene bergingen met wateropvang in bestaande en nieuw aan te leggen groensingels (met elkaar verbonden wadi’s)  IT-riolering met drainagezand  Aanleg bijkomend oppervlaktewater doorheen het plangebied  Waterschijf op bestaande, te verbreden b-watergang oostelijk met inzet van stuwconstructie in combinatie met doorlaat landelijke afvoer (2l/s/ha)  Op eigen kavel bovengrondse verwerking of ondiepe ondergrondse hemelwaterverwerking rekening houdend met de verwachte GHG op 9,4 m +NAP

Hoofdstuk 4

40

Gezien de ligging nabij de vijver van het Kienehoef kan mogelijk ook de waterverwerking (deels) hierin plaatsvinden. Hiervoor is reeds een duiker van 400 mm onder de Zwembadweg door richting vijver Kienehoef aangelegd. Een combinatie van voorliggende opties

Bij de nieuwbouw wordt vanuit de gemeente gewenst dat de afvoer van het “dakwater” bovengronds plaatsvindt. Regenpijpen worden boven de grond afgezaagd om het water via maaiveld (verhardingen, tuin etc.) in het hemelwatersysteem af te laten vloeien. Er worden geen ondergrondse huisaansluitingen gemaakt. Voor de hemelwaterverwerking is uitgegaan van verwerking in 4 groene verlaagde zones met aanvullende waterberging ter plaatse van de oostelijk te verbreden en herprofileren B-watergang. Middels een stuw en leegloopvoorziening kan/zal hierin de meeste waterberging ingepast worden voor de planontwikkeling. Voor de waterberging in de groenzones is de bergingshoeveelheid afhankelijk van de vormgeving, gewenste aanlegdiepte en het eventueel te behouden groen. Hieronder is een overzicht met 40 cm waterberging in wadi’s opgenomen met de berekende bergingshoeveelheden middels uitbreiding of fluctuatie in het oostelijke oppervlaktewater van 60-80 cm (20 cm onder bestaand wegpeil). Voor het te verbreden water is gerekend met een gemiddelde variant van 900 m2 en een maximaal mogelijke variant van 1.300 m2 nat oppervlak. Een mogelijke HWA-verwerking is opgenomen in figuur 4.1.

Tabel 4.5 Overzicht waterberging binnen openbaar gebied

Uit het overzicht in tabel 4.5 blijkt dat alleen het plaatsen van een stuw en behoud van de bestaande B-watergang te beperkt is om de benodigde waterberging van 1.144 m3 in te passen. Door minimaal 900 m2 nat wateroppervlak met stuwpeil 10 m+NAP in combinatie met de 4 wadi’s in te passen wordt 1186 m3 waterberging aangelegd, wat minimaal benodigd is. Hemelwater kan in de wadi’s lokaal infiltreren. Geadviseerd wordt deze (ondergronds) te verbinden zodat piekhoeveelheden naar de oostelijke uit te breiden B-watergang kunnen overlopen. Door deze

Hoofdstuk 4

41

B-watergang te voorzien van stuw op minimaal 10 m+NAP en een vertraagde leegloop van ca. 8 cm doorsnede (2/l/s/ha op GHG-peil van 9,4 m +NAP) wordt ter plaatse de benodigde waterberging ingepast en is door de vertraagde leegloop geen wateroverlast te verwachten. Een mogelijke HWAverwerking is opgenomen in figuur 4.1.

Figuur 4.1 Voorgenomen planontwikkeling met mogelijke hemelwaterverwerking

De vrijstaande woningen op de grotere percelen dienen hun eigen hemelwater te verwerken. Algemeen komt dit bij 60 mm waterberging neer op een infiltratievoorziening van ca. 10 m3. Als 60 mm op

Hoofdstuk 4

42

eigen terrein geborgen wordt, mag de noodoverloop bovengronds op het openbaar gebied plaatsvinden zodat bij boven normatieve neerslag ter plaatse geen overlast ontstaat. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water oppervlakkig kan afstromen naar het openbaar gebied (in oostelijke richting naar retentievoorziening). Binnen het plangebied is afdoende ruimte aanwezig om hemelwater te verwerken. Afhankelijk van de voorkeur dient er meer of minder ruimte of stuwing in de oostelijk watergang voorzien te worden of dient een andere compenserende maatregel gerealiseerd te worden zoals compensatie in vijver Kienehoef middels de bestaande hemelwaterleiding onder de Zwembadweg door. Een en ander is afhankelijk van de verdere planinvulling en de (gewenste) mogelijkheden in het openbaar gebied. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat er geen belemmeringen voor de hemelwaterstroming aangelegd worden zoals bruggen, overkluizingen of andere obstakels zoals hekwerk. Voorafgaand aan de realisatie van de nieuwbouw dient de hemel- en afvalwatervoorzieningen nader uitgewerkt te worden zodat met zekerheid afdoende waterberging ingepast wordt geen opstuwing veroorzaakt. Dit concreet bouwplan wordt te zijner tijd opgemaakt en dient door het bevoegd gezag goedgekeurd te worden.

Hierdoor is ter plaatse geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten en wordt klimaatrobuust ontwikkeld. Bij wijzigingen in/nabij het oppervlaktewater en bij de invulling van het uiteindelijke planvoornemen dient tevens het waterschap betrokken te worden zodat het bestaande watersysteem niet negatief beïnvloed wordt en het risico op wateroverlast niet toeneemt. Vooralsnog zijn bij de A-watergang geen wijzigingen gepland. Voor het planvoornemen dient voor de voorgenomen werkzaamheden in de oostelijke B-watergang en de verhardingstoename groter dan 10.000 m 2 een watervergunning aangevraagd te worden. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden zoals het Omgevingsloket.

4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Het plangebied voor woningbouw beslaat de kadastrale percelen sectie I nummers 6125 (ged.), 6658, 6992 en 7016 (zie figuur 4.2). Er zijn al de nodige bodemonderzoeken verricht. Deze staan in de tabel 4.6 opgesomd met daarbij in het kort de conclusies. De onderzoeken zelf zijn als bijlagen opgenomen bij de toelichting.

Hoofdstuk 4

43

Figuur 4.2 Kadastrale kaart plangebied (bron: pdok.nl) Tabel 4.6 Uitgevoerde bodemonderzoeken

1.

Locatie, uitvoerder en datum Kinderbos Noord, Sint-Oedenrode, oostzijde van het plangebied. Geofox-Lexmond bv d.d. 18-09-2009 Bijlage 8A

Type onderzoek en conclusie Milieukundig en geohydrologisch bodemonderzoek

Uit het onderzoek blijkt het navolgende: ■ de boven- en ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK en/of minerale olie. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met nikkel, zink en xylenen. De gemeten gehalten zijn echter dermate laag dat de uitvoering van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De milieukundige kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering; ■ eventueel vrijkomende grond is op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit vrij toepasbaar. Uitzondering hierop vormt de grondlaag onder de puinverharding. Deze grond is toepasbaar als 'klasse wonen'; ■ het puin is indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit en herbruikbaar als bouwstof; ■ de horizontale doorlatendheid (k-waarde) van de bodem in de onverzadigde zone be-

Hoofdstuk 4

44

Locatie, uitvoerder en datum

2.

Zwembadweg 21 (Perceel I 6658) Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 01-03-2018 Bijlage 8B

Type onderzoek en conclusie draagt circa 2,5 a 4 m/dag en is hiermee voldoende voor het toepassen van hemelwaterinfiltratie; ■ de grondwaterstand is aangetoond op circa 1,75 a 2,15 m-mv en is hiermee, er van uitgaande dat ter plaatse geen sprake is van extreme grondwaterstandfluctuaties door het jaar heen, diep genoeg voor het toepassen van bovengrondse en (in beperkte mate) ondergrondse infiltratievoorzieningen. Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese, van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging, aangenomen, aangezien in de grond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse parameters zijn aangetoond. In de teeltlaag zijn geen noemenswaardige verontreiniging voor bestrijdingsmiddelen (OCB) aangetoond. Zintuiglijk en/of analytisch zijn geen verontreinigingen bij de gedempte sloten aangetroffen. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de index van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk.

3.

Zwembadweg (ong.) (perceel I 6992) Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 09-08-2019 Bijlage 8C

Hoofdstuk 4

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese, van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging onder de verharding, aangenomen, aangezien zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond in het puin. In de zintuiglijk schone grond (zonder bijmengingen van puin) onder de verharding is zintuiglijk geen asbest aangetroffen. Middels het verkennend onderzoek naar asbest is vastgesteld dat er geen ernstige asbestverontreiniging aanwezig onder de verharding. Diverse bodemonderzoeken

45

4.

Locatie, uitvoerder en datum

Type onderzoek en conclusie Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate onderzocht. Echter is voor wat betreft de volledige puinlaag ter plaatse van B09 de milieuhygiënische kwaliteit vooralsnog in onvoldoende mate ondergezocht in verband met een aangetroffen gehalte voor asbest dat de norm voor nader onderzoek overschrijdt. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan derhalve belemmeringen tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en herontwikkeling van de locatie. In verband met de voorgenomen herontwikkeling van het perceel dient de asbesthoudende puinlaag te worden verwijderd en afgevoerd naar een erkende verwerker. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient eerst een nader onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van een ernstige verontreiniging met asbest en om uit te sluiten of de bodem rondom en onder de puinlaag is verontreiniging met asbest.

Zwembadweg (ong.) (perceel I 6992) Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 23-08-2019 Bijlage 8D

Nader asbestonderzoek

Middels het uitgevoerde nader onderzoek naar asbest is vastgesteld dat geen sprake is van een ernstige asbestverontreiniging in de puinverharding en in de bodem bij de voormalige gemeentewerf op het zuidwestelijk deel van perceel I 6992 aan de Zwembadweg te SintOedenrode. Op basis van voorgaande onderzoeken en voorliggende nader onderzoek is vastgesteld dat er geen sprake is een bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). In verband met de voorgenomen herontwikkeling van het perceel wordt geadviseerd (asbesthoudende) puinlaag te verwijderen en af te voeren naar een erkende verwerker. Ondanks dat de maximale samenstellingswaarde voor asbest niet wordt overschreden en er dus geen sprake is van een ernstige asbestverontreiniging, kan het puin niet als asbestvrij worden beschouwd en derhalve mogelijk niet worden hergebruikt. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met het teerhoudend asfalt ter plaatse van het

Hoofdstuk 4

46

Locatie, uitvoerder en datum

5.

Zwembadweg / Koningsvaren (ong.) Aeres Milieu BV, d.d. 05-08-2021 Bijlage 8E

Type onderzoek en conclusie parkeerterrein op het noordwestelijk deel van het perceel. Indien in de toekomst asfalt vrijkomt dient rekening gehouden te worden met afvoer van teerhoudend asfalt. Rekening houdend met de beperkte hoeveelheid asfalt op de locatie (maximaal 60 ton) en de freesnauwkeurigheid van 20 mm, wordt geadviseerd om het asfalt in zijn geheel als teerhoudend af te voeren. De kosten van het affrezen en separaat afvoeren van de toplaag wegen niet op tegen de kosten van het afvoeren van het asfalt als geheel teerhoudend. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan verder geen belemmeringen. Verkennend bodemonderzoek

Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met zware metalen, PAK, som PCB en minerale olie. Ter plaatse van het gemeentelijk opslagterrein is de bovengrond plaatselijk matig verhoogd met nikkel en matig tot sterk verhoogd met PAK. In de ondergrond ter plaatse van het oostelijke parkeerterrein is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. Uit de resultaten van het onderzoek naar PFAS blijkt dat de geanalyseerde mengmonsters voldoen aan de toepassingsklasse landbouw/natuur voor toepassing op landbodem. In het freatisch grondwater is lokaal een licht verhoogd gehalte aan barium gemeten. Uit de resultaten van het analytisch onderzoek naar asbest blijkt dat in grondmengmonster ABM6 (gemeentelijk opslagterrein) een licht verhoogde asbestconcentratie is aangetoond van 3,5 mg/kg d.s. De berekende asbestconcentratie ligt ruim beneden het onderzoekscriterium (= 50 mg/kg d.s.) voor het uitvoeren van een nader onderzoek. In de overige geanalyseerde mengmonsters van de fijne fractie is geen verhoogde asbestconcentratie aangetoond. De resultaten van dit bodemonderzoek geven voor wat betreft het matig verhoogde gehalte aan nikkel en de matig tot sterk verhoogde gehalten aan PAK in de bovengrond ter plaatse van het gemeentelijk opslagterrein aanleiding

Hoofdstuk 4

47

Locatie, uitvoerder en datum

6.

Zwembadweg / Koningsvaren (ong.) Aeres Milieu BV, d.d. 10-05-2021 Bijlage 8F

Type onderzoek en conclusie voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem ter plaatse van het gemeentelijk opslagterrein vormt een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Nader bodemonderzoek

Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden gesteld dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK. Op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens wordt uitgegaan van minimaal 450 m3 (uitgangspunt 900 m2, traject 0,5 meter) matig tot sterk verontreinigde grond. Uit de standaard risicobeoordeling blijkt dat er voor het beoogde gebruik (wonen met tuin) geen onaanvaardbare risico’s zijn voor de mens, ecologie en verspreiding. Bij herontwikkeling van de locatie (bijv. bestemmingswijziging/functiewijziging naar gevoeliger gebruik of nieuwbouw) zijn sanerende maatregelen noodzakelijk. Voorafgaand aan het nemen van sanerende maatregelen dient een saneringsplan opgesteld te worden. Het uitvoeren van grondroerende activiteiten (graven of andere grondbewerking) ter plaatse van het geval van ernstige bodemverontreiniging is niet toegestaan zonder instemming van de bevoegde overheid.

Formulieren 'Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek' Perceel I 6992 Het formulier 'Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek' is ingevuld voor het perceel I 6692. Daaruit blijkt wat er op de locatie is gebeurd sinds de sinds de uitvoering van het bodemonderzoek van augustus 2019. Het ingevulde formulier is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting. Perceel I 7016 Het 'Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek' is ingevuld voor het perceel I 7016. Het ingevulde formulier is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting. Conclusie Bij herontwikkeling van de locatie (bijv. bestemmingswijziging/functiewijziging naar gevoeliger gebruik of nieuwbouw) zijn sanerende maatregelen noodzakelijk ter plaatse van het voormalige gemeentelijke

Hoofdstuk 4

48

opslagterrein (ged. perceel I 7016). Voorafgaand aan het nemen van sanerende maatregelen dient een saneringsplan opgesteld te worden. Het uitvoeren van grondroerende activiteiten (graven of andere grondbewerking) ter plaatse van het geval van ernstige bodemverontreiniging is niet toegestaan zonder instemming van de bevoegde overheid.

4.7 (Ondergrondse) infrastructuur In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. Vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied.

4

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

49

Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom Sint-Oedenrode. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een woonwijk. Ten westen van het plangebied is het buitengebied Sint-Oedenrode gelegen en aan de oostkant grenst het plangebied aan recreatiepark Kienehoef. Ten noorden van het plangebied zijn campings en sportvelden gelegen. Rondom het plangebied zijn er dus verschillende functies gelegen. Echter wordt het plangebied ontwikkeld als woonwijk waar de hoofdfunctie wonen zal zijn. Derhalve wordt het plangebied getypeerd als rustige woonwijk. Tabel 4.7 toont de omliggende bedrijven en voorzieningen met de bijbehorende richtafstanden en de feitelijke afstanden tot het plangebied. Tabel 4.7: Milieubelastende functies/bestemmingen in de omgeving van het plangebied

Adres

Bestemming

Milieucategorie

Richtafstand tot

Afstand tot plangebied

rustige woonwijk Kinderbos 5

Agrarisch (melkrund-

3.2

100 meter

220 meter

3.1

50 meter

circa 245 meter

3.1

50 meter

circa 110 meter

3.1

50 meter

circa 500 meter

vee) Bremhorst

Sport (sportpark De Kienehoef)

Zwembadweg

Recreatie (camping

35

De Kienehoef)

Zwembadweg

Recreatie

35-37

(Paardensportcentrum)

Voor de omliggende bedrijven en voorzieningen zoals weergegeven in tabel 4.7 ligt het plangebied op voldoende afstand. Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op deze omliggende bedrijven en voorzieningen en vice versa. Voor het aan de oostkant van het plangebied gelegen recreatiepark Parkzicht Kienehoef is op 18 juni 2013 een Omgevingsvergunning verleend, waarmee in ieder geval een horeca-inrichting, een natuurtheater en een roeivijver mogelijk zijn gemaakt. Op basis van de VNG publicatie zijn er geen richtafstanden vast te stellen die passen bij de activiteiten van een natuurtheater. De bestaande meest dichtbijgelegen woningen zijn gelegen aan Zwembadweg 29 en 31. In de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de omgevingsvergunning is aangetoond dat er ter plaatse van de woningen aan de Zwembadweg 29 en 31 sprake is van een goed woon-en leefklimaat. Deze woningen liggen op circa 50 meter van het geplande natuurtheater. De woningen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt komen op een afstand van minstens 115 meter van het natuurtheater te liggen. Derhalve kan er aangenomen worden dat er ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor een roeivijver zijn in de VNG-brochure geen richtafstanden opgenomen, derhalve is er uitgegaan van de richtafstanden van een roeivereniging.

De richtafstand voor een roeivereniging bedraagt 30 meter tot gevoelige objecten. De roeivijver ligt op een afstand van minstens 30 meter van de (tuinen

Hoofdstuk 4

50

van de) beoogde woningen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Derhalve vormt de roeivijver geen belemmering voor de beoogde woningen en vice versa. Ten oosten van het plangebied zijn tevens een trapveldje en een (natuur)speeltuin gerealiseerd. In de VNG-brochure zijn geen richtafstanden opgenomen voor (natuur)speeltuinen. Voor kinderboerderijen, scholen voor basis- en algemeen voorgezet onderwijs zijn richtafstanden gegeven van 30 meter tot rustige woonwijk. Deze soorten bedrijven dan wel instellingen worden in de VNG-brochure aangemerkt als categorie 2. De hinder van een (natuur)speeltuin is vergelijkbaar met de hinder vanwege een kinderboerderij en (het schoolplein van) een basisschool. De woningen die met voorliggend bestemmingsplan kunnen worden gerealiseerd komen op een afstand van ten minste 30 meter van de bestaande activiteiten in het Park Kienehoef, er wordt voldaan aan de richtafstand. De activiteiten in Park Kienehoef vormen geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Voor de horeca-inrichting is op 6 april 2023 het bestemmingsplan ‘De Helden van Kien Bremhorst 1, Sint Oedenrode’ vastgesteld. Deze horeca-inrichting valt onder horeca categorie 5 wat in het bestemmingsplan gedefinieerd wordt als een horecabedrijf met een combinatie van horeca categorie 1, 2 en 3.

Ten behoeve van deze horeca-inrichting is een akoestisch onderzoek gedaan er zijn maatregelen gesteld in de regels behorende bij het bestemmingsplan voor de horeca-inrichting. Hiermee is aangetoond dat er o.a. ter plaatse van de nabijgelegen woningen aan de Zwembadweg 29 en 31 sprake blijft van een goed woon-en leefklimaat. De nieuwe woningen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt komen op een grotere afstand te liggen dan de bestaande woningen aan Zwembadweg 29 en 31. Hiermee is geborgd dat ter plaatse van de nieuwe woningen het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.9 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied Rondom de kern Sint-Oedenrode zijn verschillende intensieve veehouderijen gelegen. Gezien de ligging en de omvang van de veehouderijen in de omgeving kan worden gesteld dat aan de afstandsei-

Hoofdstuk 4

51

sen en aan de norm voor de voorgrondbelasting zal worden voldaan. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat wordt inzichtelijk gemaakt middels de achtergrondbelasting, ofwel cumulatieve geurbelasting van alle aanwezige veehouderijen, in een gebied. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het projectgebied betrokken. Figuur 4.3 toont een uitsnede van de geurkaart van de ODZOB. Op deze kaart is de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter (OUE/m3). Als bronnenbestand is een export van het bestand veehouderijen Brabant opgenomen (maart 2022). Het plangebied is wit omcirkeld. De achtergrondbelasting bedraagt 0-3 OUE/m3. Dat komt overeen met een zeer goed woon- en leefklimaat. De ontwikkeling zal niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, er zijn immers al veel woningen gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en er zijn geen veehouderijen in de omgeving die gehinderd worden door onderhavige ontwikkeling.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘geurhinder’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

Figuur 4.3: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur ODZOB (2022)

4.10 Akoestiek Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek

Hoofdstuk 4

52

uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is door de Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de geluidsbelasting afkomstig van het wegverkeer in de omgeving op de te realiseren wooneenheden. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies beschreven, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de juridisch-planologische mogelijkheden zoals in de regiekaart (zie figuur 2.3) staan weergegeven. Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig omdat de berekende geluidsniveaus komend van het gezoneerde deel van de Zwembadweg onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 56 dB aan de noordzijde van het plangebied. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 56 – 33 = 23 dB. Een dergelijke gevelwering wordt in de praktijk bij nieuwbouw vrijwel altijd behaald. Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig.

Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied kan evenwel toch als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.4.1 en 3.4.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. De vereiste karakteristieke geluidwering van 23 dB voor de woningen gelegen aan de Zwembadweg (toetspunt 1 t/m 4) is 23 dB. Deze karakteristieke geluidwering is middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 6.2.4 van de planregels geborgd. Hiermee wordt een aanvaardbaar woon-en leefklimaat van 33 dB gegarandeerd. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.11 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is

Hoofdstuk 4

53

een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling van maximaal 110 woningen valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Om te bepalen of de ontwikkeling invloed heeft op de omgeving is de NIBM-tool ingevuld, zie tabel 4.8. In paragraaf 4.16 is de verkeersgeneratie berekend op basis van het indicatieve richtprogramma. In totaal bedraagt de extra verkeersgeneratie voor 107 woningen afgerond 774 motorvoertuigen per etmaal. Voor 110 woningen bedraagt de verkeersgeneratie 798,6 motorvoertuigen per etmaal.

Er is in de NIBM-tool een verkeersgeneratie ingevoerd van 800 motorvoertuigen per etmaal, zie tabel 4.8. Uit de NIBM-tool volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

800

Aandeel vrachtverkeer

1,0%

NO2 in μg/m3

0,48

PM10 in μg/m3

0,12

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Tabel 4.8 NIBM-tool

Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.9 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

54

Meetpunt

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

222019

17.1

19.0

6.8

11.9

2020

222020

17.3

19.0

6.9

11.9

2020

222021

17.9

19.1

6.9

11.9

2020

222022

17.6

19.1

6.9

11.9

2020

222023

17.1

19.0

6.8

11.9

2020

222024

17.1

19.0

6.8

11.9

2020

Norm

40

40

35

25

Tabel 4.9 Achtergrondwaarden (bron: NSL-monitoringstool)

4.12 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied Tabel 4.9: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool) ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=deed517a-4ebc-42b6-b6ee-c77a3707e90d